[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-administrative-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":59,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2022-11-14T00:00:00.000Z","2026-05-15T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1205","ECLI:NL:RBNHO:2026:4956","ecli-nl-rbnho-2026-4956","","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 25\u002F3036\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiser] en [eiseres] , uit Velserbroek, eisers\n\n(gemachtigde: mr. H. Temel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem\n\n(gemachtigde: S. Liefting).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om aan eisers een last onder dwangsom op te leggen. De last strekt tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, die eruit bestaat dat de woning aan de [adres] in [plaats] wordt gebruikt voor prostitutie of als seksinrichting. Eisers zijn het niet eens met de last. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de last onder dwangsom in stand kan blijven.\n\n1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom aan eisers heeft mogen opleggen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Het college heeft op 30 april 2024 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.\n\n2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en [naam 1] namens het college.\n\n2.3. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht (uiterlijk) zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat is er gebeurd?3.1. Eisers zijn eigenaar van de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Eisers verhuren deze woning aan derden. Vanaf 15 december 2023 was de woning verhuurd aan [naam 2] .\n\n3.2. Het college heeft meldingen ontvangen over mogelijke prostitutie in de woning en over overlast. Op 19 december 2023 heeft het Prostitutie Controle Team een controle uitgevoerd in de woning. Aanleiding voor die controle was onder andere een advertentie op een website, waarin seksuele handelingen tegen betaling werden aangeboden. Het team constateerde dat er prostitutie plaatsvond in de woning. Ten tijde van de controle stonden in de Basisregistratie geen personen ingeschreven op het adres van de woning. De bevindingen zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 20 december 2023.\n\n3.3. De burgemeester heeft de woning vervolgens voor een periode van drie maanden gesloten. De woning was gesloten in de periode vanaf 19 december 2023 tot 19 maart 2024. De beslissing van de burgemeester was onder meer gebaseerd op de toen geldende Algemene plaatselijke verordening. Artikel 3:3, eerste lid, van die verordening bevatte een verbod om zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksbedrijf uit te oefenen of te wijzigen. Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt en beroep tegen ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder nummer HAA 24\u002F6718. De rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 19 september 2025 ongegrond verklaard.\n\n3.4. \n\nHet college heeft met het primaire besluit op 30 april 2024 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, om herhaling van overtreding van de Omgevingswet te voorkomen. Het college heeft eisers gelast om er per direct voor te zorgen dat de woning niet meer wordt gebruikt voor prostitutie of als seksinrichting. Eisers moeten een dwangsom betalen als de woning toch daarvoor wordt gebruikt. De dwangsom voor de eerste constateerde overtreding bedraagt € 15.000,-. De dwangsom voor de tweede overtreding is\n\n€ 20.000,-, de dwangsom voor de derde overtreding is € 25.000,-. Eisers hoeven geen dwangsom te betalen als zij de last naleven. Bij brief van 25 oktober 2024 heeft het college aangegeven dat het primaire besluit op een aantal punten wordt gewijzigd.\n\n3.5. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom. Het college heeft advies ingewonnen bij de commissie bezwaarschriften. De commissie adviseerde aan het college om het besluit tot oplegging van de last te herroepen. De afdeling Veiligheid en Handhaving van de gemeente Haarlem heeft daarna aan het college geadviseerd om het advies van de commissie niet te volgen of om de motivering van het besluit aan te vullen. Op grond van dit (contraire) advies heeft het college in het bestreden besluit van 28 mei 2025 de last in stand gelaten.\n\n3.6. \n\nOp 7 februari 2025 heeft het college aan eisers een boete opgelegd, vanwege overtreding van de Huisvestingswet\u002FHuisvestingsverordening. Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt.\n\nOmvang van het geding?\n\n4. De rechtbank stelt voorop dat dit beroep enkel gaat over de beslissing van het college op het bezwaar dat eisers hebben ingediend tegen de last onder dwangsom. Het boetebesluit is geen onderwerp van dit beroep.\n\nWat is het toetsingskader?5.1. Als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n5.2. Voor de heroverweging van een besluit met herstelsancties geldt dat de heroverweging moet leiden tot een doeltreffende, afschrikwekkende en evenredige handhaving van de desbetreffende norm. Daarvoor moet het bestuursorgaan bij de heroverweging feiten en omstandigheden betrekken die hebben geleid tot het eerdere besluit, maar ook nieuwe ontwikkelingen. De heroverweging kent bij dit soort besluiten dus een tweeslag. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing in primo destijds terecht zijn besluit heeft genomen. Nieuwe ontwikkelingen mag het bestuursorgaan alleen meenemen voor zover doel en strekking van de te handhaven norm of fundamentele rechtsbeginselen zich daartegen niet verzetten.\n\n5.3. Een herstelsanctie ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding kan worden opgelegd indien een overtreding heeft plaatsgevonden en gevaar voor herhaling voor de hand ligt. Bij de beantwoording van de vraag of een last strekt tot voorkoming van herhaling van eerdere overtredingen spelen verschillende omstandigheden op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien een rol. Het gaat om omstandigheden die een beeld geven van de mate van continuïteit in de aan orde zijnde overtredingen, zoals de aard van de overtreding, de mate van overeenkomst - bijvoorbeeld wat betreft de plaats ervan - met de eerdere geconstateerde overtredingen en het tijdsverloop sinds die overtreding.\n\nWat heeft het college aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd?\n\n6. Volgens het college is het gebruik van de woning voor prostitutie en als seksinrichting in strijd met het omgevingsplan en de Omgevingswet (hierna: Ow). Eisers hebben zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit verricht. Daardoor hebben zij gehandeld in strijd met artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Omgevingswet.\n\n6.1. Het college wijst erop dat op grond van artikel 1.1. van de Omgevingswet en de daarbij behorende bijlage onder “omgevingsplanactiviteit” onder meer wordt verstaan ‘een activiteit inhoudende een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan’. Prostitutie en de uitoefening van een seksinrichting is in strijd met het omgevingsplan. Het college wijst op artikel 4.1. en 4.4. van het bestemmingsplan Frans Hals\u002F Patrimonium en artikel 28.1, aanhef en onder van het bestemmingsplan Reparatieplan Haarlem 2020. Deze bestemmingsplannen maken deel uit van het omgevingsplan. Het gebruik van de woning voor prostitutie en als seksinrichting valt niet onder de bestemming die op het perceel van de woning rust (‘gemengd-1’).\n\n6.2. Ook het laten verrichten van een omgevingsplanactiviteit wordt volgens het college aangemerkt als een verboden gedraging. Dit betekent dat het voor het handelen in strijd met het omgevingsplan voldoende is als eisers als eigenaren de woning door iemand anders laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan. Daarmee overtreden zij zelf artikel 5.1, eerste lid en onder a, van de Omgevingswet. Eisers hebben niet aangetoond dat zij niet wisten en niet konden weten van de overtreding in de woning.\n\n6.3. Het gevaar voor herhaling bestaat volgens het college uit de omstandigheid dat eisers niet hebben voldaan aan de op hen rustende zorgplicht ten aanzien van de manier waarop zij de woning hebben laten gebruiken door anderen. Zij hebben onvoldoende zorgvuldig onderzoek (screening) gedaan naar de toenmalige huurder. Verder hebben zij geen toezicht gehouden en geen controles verricht die zagen op het feitelijk gebruik van de woning. Eisers hanteren nog steeds geen aantoonbaar en concreet systeem van toezicht en daadwerkelijke controles op dat gebruik. Dat de huurovereenkomst is ontbonden, is een reactie achteraf terwijl van eisers als eigenaren en verhuurders verwacht mag worden dat zij er preventief op toezien dat de woning niet in strijd met de geldende wet- en regelgeving wordt gebruikt. Het college wijst erop dat bij nieuwe huurders dezelfde overtreding kan plaatsvinden als eisers nog steeds te weinig doen om dat te voorkomen.\n\nIs er gevaar voor herhaling van de overtreding?7.1. Eisers bestrijden dat er gevaar voor herhaling is. Volgens hen hebben zich na het besluit van 30 april 2024 feiten en omstandigheden voorgedaan waardoor er geen gevaar meer is voor herhaling van de overtreding. Op de zitting hebben eisers erop gewezen dat de woning aan een Spaans stel is verhuurd, direct nadat de woning weer open was. De woning is toen verhuurd voor ruim een jaar. Daarna is de woning aan een ander Spaans stel verhuurd en die huurovereenkomst loopt nog steeds door. Eisers geven aan bij het aangaan van de huurovereenkomst extra controles te hebben uitgevoerd. Zij hebben erop toegezien dat de huurders in de Basisregistratie Personen op dit adres zijn ingeschreven en zij hebben een verhuurdersverklaring en arbeidsovereenkomst ingezien. Eisers hebben ook extra borg gevraagd. Eisers gaan regelmatig - eens per twee weken - langs bij de woning. Er zijn geen nieuwe meldingen meer ontvangen sinds de sluiting, aldus eisers.\n\n7.2. Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet. De rechtbank volgt het college namelijk in het standpunt dat eisers geen aantoonbaremaatregelen hebben getroffen om herhaling van de overtreding te voorkomen. Eisers stellen weliswaar dat zij extra maatregelen hebben genomen, maar hebben geen stukken overgelegd waar dat uit blijkt. Eisers verhuren de woning nog steeds aan derden, maar hebben het door hen geschetste systeem van controle van de huurders bij het aangaan van de overeenkomst en het toezicht op het gebruik van de woning niet inzichtelijk gemaakt met onderbouwing. De enkele stelling van eisers hierover is onvoldoende voor de conclusie dat er geen gevaar voor herhaling meer zou zijn. Tegenover die niet onderbouwde stelling van eiser staat de motivering van het college dat er wel vrees voor herhaling bestaat. In het bestreden besluit heeft het college het advies van de afdeling Veiligheid en Handhaving overgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in dat advies helder gemotiveerd dat er vrees voor herhaling is. De rechtbank verwijst daarvoor naar overweging 6.3 van deze uitspraak.\n\nIs het beginsel van de evenredigheid geschonden?\n\n8. Eisers stellen dat zij onevenredig hard worden geraakt door het besluit, waardoor de maatregel disproportioneel is. Er hebben geen verdere incidenten plaatsgevonden in of rondom de woning.\n\n8.1. De rechtbank overweegt dat eisers onvoldoende (concreet) onderbouwd hebben waarom zij onevenredig had geraakt worden door dit besluit. Op de zitting hebben eisers op dit punt naar voren gebracht dat er geen vrees voor herhaling is, maar zoals hiervoor al werd overwogen kan dat standpunt van eisers niet gevolgd worden. Daarnaast is op de zitting verklaard dat eisers geraakt worden door de omstandigheid dat er een last onder dwangsom wordt opgelegd terwijl er niets aan de hand is. De rechtbank wijst erop dat het hier gaat om een last die strekt tot het voorkomen van herhaling van een overtreding van wetgeving waar eisers zich hoe dan ook aan te houden hebben. De rechtbank ziet daarom niet in hoe het gebruik van de woning door de last onevenredig wordt beperkt. Bovendien kunnen eisers na verloop van tijd om intrekking van de last vragen. Dat hebben zij tot nu toe niet gedaan, ondanks hun (niet onderbouwde) stelling dat er niets aan de hand is en dat zij maatregelen hebben genomen. De rechtbank kan zich voorstellen dat eisers desondanks op enigerlei wijze toch geraakt worden door de last, maar eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij onevenredighard geraakt worden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDubbel gestraft?9.1. Eisers stellen dat zij door het dwangsombesluit weer gestraft worden voor hetzelfde feit. De woning is gesloten geweest, eisers hebben een dwangsom opgelegd gekregen en er is een boete opgelegd.\n\n9.2. Het college betoogt dat het bestreden besluit volledig los staat van het besluit van de burgemeester om de woning tijdelijk te sluiten. Bovendien ligt daar een andere juridische overtreding aan ten grondslag. Daarbij komt dat de last onder dwangsom geen punitieve sanctie is maar een herstelmaatregel. De last is bedoeld om herhaling van de overtreding te voorkomen.\n\n9.3. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om bestuursrechtelijke maatregelen, niet om ‘straffen’. Bovendien gaat het om verschillende overtredingen, namelijk overtreding van artikel 3:3 van de Apv (de woningsluiting), overtreding van artikel 5.1 onder a van de Omgevingswet\u002Fbestemmingsplan (de last onder dwangsom) en overtreding van de Huisvestingswet\u002FHuisvestingsverordening (de boete). Het gaat dus om drie verschillende bestuursrechtelijke maatregelen, opgelegd door de burgemeester respectievelijk het college.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat last onder dwangsom in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. I.W. Neleman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nZie de uitspraak van 28 oktober 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2020:2571","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4956","2026-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:09.876Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1231","ECLI:NL:RBNHO:2026:5568","ecli-nl-rbnho-2026-5568","2026-04-16T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 25\u002F4245 en HAA 25\u002F4246\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaken tussen\n\n [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. J.J. Wittekamp),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan belanghebbende over de tijdvakken 6 januari 2024 tot en met 5 januari 2025 (HAA 25\u002F4245) en van 6 januari 2025 tot en met 5 april 2025 (HAA 25\u002F4246) naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd van respectievelijk € 2.448 en € 586. Gelijktijdig bij de naheffingsaanslag over het eerste tijdvak is bij beschikking een boete van € 1.224 opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de boete gehandhaafd.\n\nBelanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en\n\n [naam 3] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Sinds 22 december 2020 is belanghebbende houder van een [auto] pick-up met kenteken [kenteken] (het voertuig). Op 29 maart 2019 is het voertuig door de RDW gekeurd en per 6 april 2019 in het kentekenregister opgenomen als ‘opleggertrekker’.\n\n2. Na de keuring en registratie in het kentekenregister, maar voordat belanghebbende houder van het voertuig werd, is een laadbak op het voertuig geplaatst. Belanghebbende heeft zelf een huif geconstrueerd die op (de laadbak van) het voertuig kan worden geplaatst.\n\n3. Voor het voertuig is door belanghebbende MRB voldaan naar het bestelautotarief voor ondernemers.\n\n4. Tijdens een controle op 24 oktober 2024 is door verweerder geconstateerd dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. Naar aanleiding hiervan zijn naheffingsaanslagen en een boete aan belanghebbende opgelegd.\n\nGeschil\n\n5. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Daarbij is de vraag of het voertuig op grond van de (toen geldende) goedkeuring van het Besluit inrichtingseisen bpm en mrb, nr. 2021-323898 (de goedkeuring van het Besluit) als bestelauto kwalificeert. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen.\n\n6. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikking ten onrechte zijn opgelegd, omdat het voertuig op grond van de goedkeuring van het Besluit kwalificeert als bestelauto. Verder vindt belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd.\n\nBelanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen. Daarnaast concludeert belanghebbende primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de boetebeschikking.\n\n7. Verweerder stelt dat niet voldaan wordt aan de goedkeuring van het Besluit, zodat de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Verder stelt verweerder dat de uitspraken op bezwaar voldoende zijn gemotiveerd en de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nDe naheffingsaanslag\n\n8. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wet MRB zijn motorrijtuigen op drie of meer wielen voor het heffing van motorrijtuigenbelasting in principe personenauto’s. Als een motorrijtuig aan de inrichtingseisen van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet MRB voldoet, dan kan een motorrijtuig kwalificeren als bestelauto.\n\n9. Verder bestaat met toepassing van de hardheidsclausule een goedkeuring dat een motorrijtuig met de vermelding ‘oplegtrekker’ of “afneembare bovenbouw” wordt aangemerkt als bestelauto. De goedkeuring van het Besluit luidt, voor zover hier relevant, als volgt:\n\n “2.1.6.2. Bestelauto met vermelding 'opleggertrekker' of 'afneembare bovenbouw'\n\nDe motorrijtuigen die als vermelding 'opleggertrekker (voor 1 januari 2013: ‘trekker') of 'afneembare bovenbouw’ (voor 1 januari 2013: ‘voor verwisselbare opbouw', hierna ook inbegrepen als wordt gesproken over ‘afneembare bovenbouw’) in het kentekenregister krijgen, wijken af van de bestelauto’s met een bijzondere opbouw. Deze motorrijtuigen kunnen namelijk ook worden gebruikt zonder dat de oplegger, aanhanger, afneembare opbouw of container aanwezig is. Op dat moment is het personenvervoer niet langer ondergeschikt aan het vervoer van lading. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd; deze onderscheidt zich echter qua uiterlijk sterk van andere auto’s. Bovendien worden deze zaken enkel aangebracht met het oog op het vervoeren van een last.\n\nGoedkeuring\n\nIk keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd wordt aangemerkt als een bestelauto. Dit geldt ook voor een motorrijtuig dat is gekeurd met een afneembare bovenbouw (en met de bovenbouw voldoet aan alle fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto) op het moment dat de bovenbouw \u002F container tijdelijk niet aanwezig is.\n\nWanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met koppelschotel wordt aangepast c.q. omgebouwd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laadbak, of wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met een containerframe wordt voorzien van een container, kan een motorrijtuig ontstaan dat zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van last\u002Flading niet langer onderscheidt van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Om als bestelauto te worden aangemerkt moet het motorrijtuig dan voldoen aan alle inrichtingseisen die gelden voor een bestelauto. Als het motorrijtuig niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, dan is er sprake van een personenauto.”\n\n10. Belanghebbende stelt dat het voertuig op basis van de goedkeuring van het Besluit kwalificeert als bestelauto. Ook met de geplaatste laadbak en huif onderscheidt het voertuig zich nog altijd qua uiterlijk en qua vervoer van de lading van ‘reguliere’ motorrijtuigen, zodat op basis van het Besluit niet voldaan hoeft te worden aan de inrichtingseisen om te kwalificeren als bestelauto. Het voertuig heeft primair de functie van opleggertrekker en wordt ook in overwegende mate als zodanig in belanghebbendes aannemersbedrijf gebruikt. De laadbak is afneembaar en heeft als doel om gemakkelijk klein materieel te kunnen vervoeren. Hiermee wijzigt die opleggertrekker-functie van het voertuig dan ook niet. Ook wijzigt die functie niet door de mogelijkheid om tijdelijk een huif op het voertuig aan te kunnen brengen. De huif is op eenvoudige wijze te (de)monteren en wordt enkel op het voertuig aangebracht om met het gezin op vakantie te kunnen.\n\n11. Verweerder stelt dat slechts bij kleine aanpassingen aan het voertuig niet voldaan hoeft te worden aan de inrichtingseisen om een motorrijtuig op grond van de goedkeuring van het Besluit te kwalificeren als bestelauto. In het onderhavige geval zijn de aangebrachte aanpassingen niet aan te merken als kleine aanpassingen. Het voertuig is door de aangebrachte laadbak en huif zodanig gewijzigd, dat het voertuig zich niet (langer) onderscheidt van een ‘regulier’ motorrijtuig. Om het voertuig dan alsnog aan te kunnen merken als bestelauto moet aan de inrichtingseisen worden voldaan. Nu daar niet aan wordt voldaan kwalificeert het voertuig als personenauto en niet als bestelauto.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank voldeed het voertuig ten tijde van de controle niet aan de goedkeuring van het Besluit. Dat het voertuig in overwegende mate wordt gebruikt als opleggertrekker is op zichzelf niet voldoende om aan de goedkeuring van het Besluit te voldoen. Daarvoor dient het voertuig zich qua uiterlijk en qua vervoer van de lading onderscheiden van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Door de aangebrachte laadbak en huif vertoont het voertuig dusdanige overeenkomsten in uiterlijk met een vergelijkbaar type voertuig dat als personenauto wordt verkocht en maken die aanpassingen het ook mogelijk om het voertuig te gebruiken voor personenvervoer. Hierdoor onderscheidt het voertuig zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van de lading niet (langer) van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Dat de huif, zoals belanghebbende stelt, eenvoudig is te (de)monteren en geen vast onderdeel is van het voertuig, doet daaraan niet af (vgl. HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7713). Het voertuig kwalificeert dus alleen als bestelauto voor de MRB indien aan de inrichtingseisen is voldaan. Nu vaststaat dat het voertuig op het moment van de controle hier niet aan voldeed zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.\n\nMotiveringsbeginsel\n\n13. Volgens belanghebbende heeft verweerder het motiveringsbeginsel geschonden, omdat verweerder enkel motiveert dat de laadruimte niet voldoet aan de inrichtingseisen, maar gaat hij ten onrechte niet in op de vraag waarom in dit specifieke geval het motorrijtuig niet kwalificeert als bestelauto.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is het motiveringsbeginsel niet geschonden. De onderhavige uitspraken op bezwaar bevatten een voldoende toereikende motivering van de beslissingen van verweerder. Belanghebbende is het weliswaar niet eens met de volgens hem summiere motivering van verweerder, maar dat betekent niet dat sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel. Bovendien kunnen eventuele motiveringsgebreken in de bestreden besluiten in beroep worden hersteld. Verweerder mag daarom in beroep ook zijn besluit beter onderbouwen.\n\nVerzuimboete\n\n15. Indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, kan de inspecteur een verzuimboete van minimaal € 50 en ten hoogste € 5.514 opleggen (tekst 2024) (artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).\n\n16. Het beboetbare feit is door belanghebbende begaan, nu het voertuig niet kwalificeerde als bestelauto, maar de motorrijtuigenbelasting wel naar het bestelautotarief is aangegeven en betaald. Dat de boete achterwege dient te blijven, omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) is niet gesteld en ook niet gebleken. Ook acht de rechtbank de boete passend en geboden en ziet de rechtbank in de door belanghebbende aangedragen omstandigheden geen aanleiding om de boete te verminderen. Van de belastingplichtige die gebruik wenst te maken van een begunstigende regeling mag worden verwacht dat hij onderzoek doet naar de voorwaarden van die regeling.\n\n17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van\n\nH. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\nbij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\nhet hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde datum van verzending;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\ne redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5568","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:11.250Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"571","ECLI:NL:RBNHO:2024:3060","ecli-nl-rbnho-2024-3060","2024-02-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 22\u002F6332\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 februari 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDe Minister van Veiligheid en Justitie, Justitiële Informatiedienst, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M. Moddejonge).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de vraag of verweerder het verzoek van eiser, om verwijdering van zijn gegevens uit het Justitieel Documentatie Systeem te verwijderen, kon afwijzen.\n\n1.2. Eiser heeft op 31 maart 2022 verweerder verzocht om gegevens te verwijderen uit het JDS.\n\n1.3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het primaire besluit van 9 mei 2022 afgewezen.1.4. Met het bestreden besluit van 19 september 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.\n\n1.5. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.6. De rechtbank heeft het beroep op 21 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.1. Bij e-mail van 31 maart 2022 vraagt eiser aan verweerder of zijn gegevens kunnen worden verwijderd uit het JDS. In een moeilijke periode van zijn leven heeft hij onder invloed van alcohol een [object 1] en een [object 2] van zijn buren vernield. De buren hebben aangifte gedaan van vernieling, maar deze aangifte ook weer ingetrokken. De zaak is vervolgens geseponeerd door het Openbaar Ministerie (OM), omdat de gevolgen van de gebeurtenis onderling zijn opgelost. Volgens eiser staan de gevolgen die hij vandaag de dag nog ondervindt van de registratie van het sepot in het JDS niet in verhouding tot het voorval dat heeft plaatsgevonden.3.2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. De persoonlijke belangen van eiser wegen niet zwaarder dan het belang om een volledig historisch overzicht te behouden voor een goede strafrechtspleging. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die verwijdering van de registratie rechtvaardigen. Daarbij is overwogen dat eiser niet zeer jong was ten tijde van het gepleegde delict, dat succesvolle vervolging technisch haalbaar zou zijn geweest, dat het feit relatief recentelijk is gepleegd en dat het feit gekwalificeerd wordt als misdrijf. Daarnaast is niet gebleken van meer dan normale carrièrehinder of van een specifiek genoten opleiding.\n\n3.3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder leiden de bezwaren van eiser niet tot een ander oordeel. Daarbij is overwogen dat de genoemde omstandigheden waaronder het delict heeft plaatsgevonden niet relevant zijn, omdat bij de beoordeling van het verzoek van eiser bekeken moet worden of er huidige bijzondere omstandigheden zijn die verwijdering van de justitiële registratie rechtvaardigen. Dat eiser nooit op de hoogte is gesteld van de registratie is geen bijzondere persoonlijke omstandigheid. Ook het mogelijk ontstaan van hinder is geen bijzondere persoonlijke omstandigheid. Daarnaast is de bewaartermijn wettelijk vastgelegd, en kan niet per geval beoordeeld worden of deze termijn al dan niet passend is.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1. De rechtbank beoordeelt of verweerder het verzoek van eiser in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n4.2. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n4.3. De regels en wetten die op deze zaak van toepassing zijn staan opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nOntvankelijkheid5. In het kader van de ontvankelijkheid overweegt de rechtbank dat eiser met zijn e-mail van 19 oktober 2022 aan de centrale balie van de rechtbank kenbaar heeft gemaakt in beroep te willen gaan tegen een ontvangen besluit. Uit navraag is gebleken dat dit beroep gericht was tegen het besluit van 19 september 2022. Het beroepschrift is dus verzonden binnen zes weken na ontvangst van dit besluit. Daarmee is het beroep tijdig ingediend. Daarom gaat de rechtbank hierna over tot een inhoudelijke beoordeling.\n\nHeeft verweerder het verzoek van eiser tot verwijdering van zijn gegevens in redelijkheid kunnen weigeren?6.1. Eiser voert aan dat de nadelige consequenties van de registratie in relatie tot het voorval te zwaar zijn. Ondanks het feit dat de strafzaak is geseponeerd, ondervindt hij door de registratie nog steeds hinder in zijn carrière en in zijn privéleven. Zo moet hij voor zijn werk regelmatig [faciliteit] bezoeken, waarbij het hem in vergelijking met zijn collega’s vaak meer moeite kost om toegang te krijgen. Ook krijgt hij geen visum om buiten de Europese Unie te reizen. De registratie legt daarnaast ten onrechte de focus op het voorval zelf, en niet op de omstandigheden waaronder het voorval plaatsvond. Hij zat in een moeilijke periode van zijn leven en heeft de vernieling gedaan onder invloed van alcohol. Hij heeft het goed gemaakt met zijn buurman en momenteel drinkt eiser niet meer. Ook stelt eiser dat de langdurige registratie niet in verhouding staat tot de ernst van het delict.\n\n6.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden bij eiser die zwaarder wegen dan het belang van strafrechtspleging. Omdat eiser [leeftijd] jaar was ten tijde van het plegen van het delict, mag worden aangenomen dat hij de gevolgen van zijn handelen heeft kunnen overzien. De leeftijd is één criterium die in samenhang met de overige criteria is afgewogen. Niet valt in te zien hoe toepassing van dit criterium in het geval van eiser leidt tot leeftijdsdiscriminatie. Ook staat de sepotbeslissing op de juiste wijze in het JDS geregistreerd. Het voorval betrof vernieling, dat volgens artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is aangemerkt als misdrijf. Tot slot is de registratie niet bedoeld als straf. Dat eiser dit wel zo ervaart en hier emotionele hinder door heeft kan zoals blijkt uit de wetgeschiedenis niet worden gezien als bijzondere persoonlijke omstandigheid die verwijdering van de registratie rechtvaardigt. Verweerder heeft ook maar beperkt ruimte om de betrokken belangen af te wegen. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4610).\n\n6.3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het verzoek tot verwijdering van de justitiële gegevens van eiser in redelijkheid kunnen weigeren. Op grond van artikel 7 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in samenhang met artikel 2 van de Wet justitiële en strafvorderlijke (Wjsg) gegevens wordt een sepot van het OM als hier aan de orde 20 jaar bewaard. Eiser ontkent niet dat het voorval heeft plaatsgevonden en dat sprake is geweest van een sepot. De inhoudelijke juistheid van de registratie staat dus niet ter discussie.6.3.2. De bijzondere omstandigheden die eiser aanvoert zijn geen omstandigheden die maken dat verweerder in het geval van eiser toch de gegevens had moeten verwijderen. De rechtbank zal dit uitleggen. In de uitspraak waar verweerder ook naar verwijst, overweegt de Afdeling het volgende:\n\n4.1.. De verwerking van justitiële gegevens heeft tot doel een goede strafrechtspleging te bevorderen (Kamerstukken II 1999-2000, 24 797, nr. 7, p. 12-13). Wil de rechter of officier van justitie een compleet beeld krijgen van iemands strafrechtelijk verleden, dan is het volgens de wetgever van belang dat de gegevens over alle delicten die tot een afdoening door de officier van justitie of de rechter hebben geleid gedurende de in de wet genoemde termijnen beschikbaar blijven. Niet van belang is of degene van wie de gegevens zijn verwerkt hieronder emotioneel gebukt gaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 26 Wjsg dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen de verwerking van de gegevens moet worden gestaakt (vergelijk de uitspraak van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1148). Het moet volgens de wetgever gaan om zeer bijzondere gevallen, waarbij de aard van de zaak zwaarder weegt dan het beginsel dat de justitiële documentatie een volledige registratie bevat ten behoeve van een goede strafrechtspleging (Kamerstukken II 2001-2002, 24797, nr. 13, p. 2).\n\n4.2.. \n\nDe minister heeft beoordelingsruimte bij de behandeling van een verzet op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wjsg. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de vaste gedragslijn (zie ook de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:618). Volgens die vaste gedragslijn weegt de minister de volgende criteria in samenhang:\n\n - hoe specifiek de desbetreffende opleiding is en of er meer dan normale (carrière)hinder wordt ondervonden;\n\n - de leeftijd ten tijde van het delict;\n\n - de ernst van het delict;\n\n - de aard van de beslissing door het OM of de rechter;\n\n- het tijdstip wanneer het delict heeft plaatsgevonden (tijdsverloop tussen het delict en aanvragen verzet);\n\n - het bestaan\u002Fontbreken van andere delicten op het uittreksel.6.3.3. In de hierboven beschreven vaste lijst met criteria die verweerder afweegt bij het beoordelen van een verzoek tot verwijderen van gegevens uit het JDS staan de omstandigheden van het voorval zelf, in dit geval dus de vernieling en de omstandigheden waaronder die vernieling heeft plaatsgevonden, niet genoemd. Dat betekent dat verweerder die omstandigheden niet kan meewegen in zijn afweging.\n\n6.3.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder wel mee kunnen laten weten dat eiser ten tijde van de vernieling [leeftijd] jaar was en dus geen jonge leeftijd had. Van een [leeftijd] -jarige mag worden verwacht dat hij de gevolgen kan overzien van zijn acties. Van leeftijdsdiscriminatie is hier geen sprake.\n\n6.3.5. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder bij zijn afweging ook aandacht heeft besteed aan het feit dat de strafzaak is geseponeerd en dat de vernieling het enige geregistreerde feit is. Ook is meegewogen dat, hoewel sprake is van een misdrijf, sprake is van een gering feit (afgezet tegen andere misdrijven). Verweerder heeft daarnaast aandacht besteed aan de hinder die eiser ondervindt van de registratie. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is van meer dan normale (carrière)hinder. Bovendien stelt eiser dat hij hinder ondervindt in zijn werk, dit hij heeft dit niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Het feit dat eiser zich beperkt voelt in zijn doen en laten is onvoldoende om over te gaan tot verwijdering van de gegevens. Daarom heeft verweerder in redelijkheid het belang van een juiste en volledige registratie in het JDS zwaarder kunnen wegen. Daarbij kan de emotionele hinder die eiser van de registratie ondervindt ook niet tot een ander oordeel leiden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage\n\nWet justitiële en strafvorderlijke gegevens\n\nArtikel 2\n\n1. Onze Minister verwerkt in de justitiële documentatie justitiële gegevens ten behoeve van een goede strafrechtspleging.\n\nArtikel 4\n\n1. Justitiële gegevens van verdachten en veroordeelden wegens misdrijven worden vernietigd:\n\nb. twintig jaar nadat een beslissing om niet te vervolgen is genomen, nadat een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352 van het Wetboek van Strafvordering is gedaan in verband met een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is gesteld, en in het kader van het misdrijf de justitiële gegevens zijn verwerkt of nadat een strafbeschikking wegens het misdrijf volledig ten uitvoer is gelegd, dan wel twaalf jaar na het overlijden van betrokkene, of\n\n[…]\n\nArtikel 22\n\n1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, onvolledige justitiële gegevens te laten aanvullen. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.\n\n2 De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende justitiële gegevens te verkrijgen, indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of een wettelijk voorschrift tot vernietiging verplicht.\n\n[…]\n\nArtikel 26\n\n1. Betrokkene kan bij Onze Minister verzet aantekenen wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden.\n\n[…]\n\nBesluit justitiële en strafvorderlijke gegevens\n\nArtikel 7\n\n1. Voor zover van toepassing worden als justitiële gegevens als bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 9 aangemerkt:\n\na. alle beslissingen die door het Openbaar Ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van:\n\n1˚. de beslissing tot niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt;\n\n2˚. de beslissing tot niet vervolgen na vaststelling van een rechtmatige geweldsaanwending van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren;\n\n[…]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:3060","2024-03-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.342Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"309","ECLI:NL:RBNHO:2022:9960","ecli-nl-rbnho-2022-9960","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 21\u002F3356\n uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2022 in de zaak tussen\n\nL.H.L.M. Bakermans , handelend onder de naam Pro Life Heemstede, uit Heemstede , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.J.N. Vermeij),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Haarlem, verweerder\n\n(gemachtigden: T.F. Baars en J.A.M. Lubbers).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel: Abortuskliniek Beahuis & Bloemenhovekliniekte Heemstede\n\n(gemachtigden: [naam 4] en [naam 5] ).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van verweerder om aan de betogingen die eiseres wil houden bij de abortuskliniek Beahuis & Bloemenhovekliniek (hierna: de abortuskliniek) voorschriften te verbinden.\n\n1.2. Naar aanleiding van de melding die eiseres bij verweerder heeft gedaan van geplande betogingen voor het jaar 2021 bij de abortuskliniek heeft verweerder met het besluit van 5 maart 2021 (het primaire besluit) voorschriften verbonden aan de gemelde betogingen en één vaste locatie (demonstratievak) hiervoor aangewezen.\n\n1.3. In het besluit van 29 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres op 10 augustus 2021 beroep ingesteld.\n\n1.4. De enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft het beroep op 10 mei 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 3] namens eiseres, bijgestaan door de gemachtigde, gemachtigden van verweerder en namens derde-partij [naam 5] (directeur van de abortuskliniek). Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer 21\u002F2685.\n\n1.5. De rechtbank heeft het onderzoek op 7 juni 2022 heropend en de zaak voor verdere behandeling doorverwezen naar de meervoudige kamer.\n\n1.6. Op 25 oktober 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.1. Eiseres heeft op 5 januari 2021 bij verweerder gemeld dat zij op de dagen 14 januari, 11 februari, 12 maart, 16 april, 12 mei en 10 juni 2021 van 7.30 uur tot 10.30 uur een betoging wil houden aan de Haarlemse kant van de abortuskliniek. De betoging bestaat uit een stille wake en het uitdelen van folders. Er nemen 3 tot 5 personen deel aan de betogingen.\n\n2.2. Met het primaire besluit heeft verweerder op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) aan de betogingen van eiseres voorwaarden verbonden. Bepaald is dat de betogingen uitsluitend mogen plaatsvinden op één vaste locatie in de vorm van een demonstratievak op 25 meter afstand van de abortuskliniek, aan de linker overzijde van de Claus Sluterweg ten opzichte van de achteringang van de abortuskliniek. De reden voor het bepalen van deze locatie en het verbinden van voorschriften aan de betogingen is dat er voor 27, 28 en 29 januari 2021 en voor 24, 25 en 26 februari 2021 tegendemonstraties waren aangemeld bij verweerder en dat verweerder het ter voorkoming van wanordelijkheden noodzakelijk acht om één vaste locatie aan te wijzen voor betogers van eiseres. Verweerder wil tevens voorkomen dat de persoonlijke levenssfeer van de bezoekers van de kliniek onvoldoende geëerbiedigd wordt en wordt voorkomen dat zij onevenredig worden gehinderd in hun vrijheid om ongestoord gebruik te maken van hun rechten uit de Wet afbreking zwangerschap.\n\n2.3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op het advies van de Adviescommissie voor bezwaarschriften (hierna: de adviescommissie) van 19 mei 2021. De adviescommissie vindt dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ter voorkoming van wanordelijkheden noodzakelijk is één locatie aan te wijzen voor de betogingen, in verband met wanordelijkheden die kunnen ontstaan door de wijze waarop anderen op de demonstraties reageren. De locatiebeperking leidt volgens de adviescommissie niet tot een inbreuk op rechten uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu de aangewezen locatie eiseres voldoende gelegenheid biedt om haar betoging te houden en daarbij gebruik te maken van de door haar gewenste middelen. Daarbij komt dat aan de tegendemonstranten ook een specifieke locatie is toegewezen en dat met de aanwijzing van die specifieke locaties het belang van het bestrijden of voorkomen van wanordelijkheden is gediend. De aanwijzing van een vaste locatie draagt bovendien bij aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van bezoekers van de kliniek, aldus de adviescommissie. Tot slot heeft de adviescommissie aangegeven dat het primaire besluit geen overwegingen bevat ten aanzien van de voorschriften die (mede) in het belang van de bescherming van de gezondheid zijn opgelegd, maar dat de voorschriften die erop zien dat de betoging statisch dient te zijn en dat deelnemers aan de betoging een afstand van 1,5 meter moeten houden tot elkaar en tot derden wel degelijk het belang van de gezondheid dienen.\n\n2.4. Verweerder heeft in beroep nog gesteld dat eiseres ‘onnodige hinder’ veroorzaakt in de zin van artikel 2:47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Haarlem (APV), wat bij de APV strafbaar is gesteld. De demonstraties veroorzaken hinderlijk gedrag en vallen daarom onder het begrip wanordelijkheden, op grond waarvan verweerder voorschriften en beperkingen mocht stellen aan de demonstraties. Het hinderlijke gedrag bestaat volgens verweerder uit het aanspreken van bezoekers van de abortuskliniek, het uitdelen van flyers en het proberen de bezoekers over te halen van de medische ingreep af te zien. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar het aan verweerder uitgebrachte advies van prof. mr. dr. [naam 1] en prof. mr. dr. [naam 2], op het standpunt dat dit gedrag naar civielrechtelijke maatstaven beoordeeld hoog scoort op de criteria voor onrechtmatige hinder. Die hinder is onnodig en aan te merken als een wanordelijkheid. Uit het advies blijkt dat bij het aannemen van onnodige hinder in dit geval zwaar weegt dat de ongevraagde interventies van demonstranten door de kwetsbare bezoekers van de abortuskliniek als buitengewoon ongewenst en intimiderend worden ervaren en als een ernstige inbreuk op hun privéleven wordt beschouwd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1. De rechtbank beoordeelt of verweerder in redelijkheid beperkingen kon verbinden aan de door eiseres aangekondigde betogingen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen beperkingen mocht stellen aan de door eiseres aangekondigde betogingen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voordat de rechtbank dit doet, zal zij zich eerst uitlaten over het procesbelang.\n\n3.3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesbelang4.1. De rechtbank stelt vast dat het jaar 2021 inmiddels voorbij is en dat eiseres in zoverre geen belang heeft bij een uitspraak die betrekking heeft op betogingen die in dat jaar hebben plaatsgevonden. Verder stelt de rechtbank vast dat er voor het jaar 2022 een vergelijkbare melding is gedaan voor betogingen, dat verweerder in reactie daarop een besluit als in deze zaak heeft genomen, waarbij ook één vaste locatie is aangewezen voor de betogingen. Tegen die besluitvorming is eiseres (naar eigen zeggen uit praktische overwegingen) niet opgekomen. Na verweerders besluit over de betogingen in 2022 heeft eiseres de melding voor die betogingen ingetrokken.\n\n4.2. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)volgt dat procesbelang kan zijn gelegen in de omstandigheid dat zich tussen dezelfde partijen in de toekomst een soortgelijk geschil kan voordoen.\n\n4.3. \n\nHoewel eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen een besluit van verweerder over betogingen in 2022 en haar melding voor betogingen in 2022 eerst na die besluitvorming heeft ingetrokken, stelt de rechtbank op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat eiseres in de toekomst soortgelijke betogingen wil houden, waarin zij weer kan worden geconfronteerd met dezelfde of vergelijkbare voorwaarden. De rechtbank concludeert daarom dat eiseres belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit.\n\nMocht verweerder beperkingen stellen aan de door eiseres aangekondigde betogingen?5.1. \n\nEiseres voert aan dat verweerder niet bevoegd was om haar betogingen te beperken tot één locatie in verband met een tegendemonstratie. De voorkoming van wanordelijkheden als bedoeld in de Wom kan volgens eiseres alleen betrekking hebben op wanordelijkheden die van de oorspronkelijke betogers uitgaan en niet op die vanwege een tegendemonstratie. Onder verwijzing naar jurisprudentiestelt eiseres dat in geval van een tegendemonstratie de lokale overheid moet zorgen voor voldoende politiebescherming, zodat de oorspronkelijke betoging ongestoord kan doorgaan. Slechts wanneer ongeregeldheden een zodanige omvang aannemen dat het onmogelijk is voor de autoriteiten om de orde te handhaven, is een verbod of beperking gerechtvaardigd. Daarvan is hier geen sprake, aldus eiseres.\n\nVerder stelt eiseres dat verweerder ten onrechte stelt dat het benaderen en aanspreken van bezoekers door betogers als een wanordelijkheid in de zin van de Wom moet worden aangemerkt. Verweerder erkent bovendien dat eiseres en haar mededemonstranten zich onberispelijk hebben gedragen en dat er geen klachten bekend zijn over haar demonstraties. Verweerder vat het begrip ‘wanordelijkheden’ volgens eiseres dan ook te ruim op en mag de niet nader onderbouwde ‘gevoelens in de maatschappij’ met betrekking tot de betogingen van eiseres daarbij niet betrekken. In de visie van eiseres moet het begrip ‘wanordelijkheden’ beperkt worden uitgelegd en moet het gaan om strafbaar gedrag.\n\nDaarnaast stelt eiseres dat artikel 2 van de Wom slechts drie belangen noemt op grond waarvan aan een betoging beperkingen kunnen worden gesteld en dat verweerder, door in de besluitvorming de persoonlijke levenssfeer van de bezoeksters en hun rechten op grond van de Wet afbreking zwangerschap te betrekken, buiten de reikwijdte van de Wom treedt.\n\nTot slot stelt eiseres dat de besluitvorming van verweerder inbreuk maakt op de met de artikelen 10 en 11 van het EVRM gegarandeerde rechten.\n\n5.2. De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid die artikel 5, eerste lid, van de Wom aan verweerder geeft om voorschriften en beperkingen te stellen aan een betoging, een discretionaire bevoegdheid is. Dat betekent dat verweerder een bepaalde beleidsruimte heeft bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de voorwaarden ter beperking van de betogingen in redelijkheid kon stellen vanuit het oogpunt van de belangen die genoemd worden in artikel 2 van de Wom: bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer en bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Met eiseres is de rechtbank dus van oordeel dat de persoonlijke levenssfeer en de rechten uit de Wet afbreking zwangerschap geen belangen zijn die een rol spelen bij de vraag of verweerder de bevoegdheid toekomt om in dit geval voorwaarden en beperkingen te stellen aan de betoging van eiseres. Wel kunnen deze aspecten een rol spelen bij de vraag of verweerder zijn bevoegdheid proportioneel heeft ingezet.\n\nBescherming van de gezondheid5.3. Verweerder heeft zich - onder verwijzing naar de uitbraak van het coronavirus en het daarmee verband houdende afstandscriterium van 1,5 meter - op het standpunt gesteld dat het ook ter bescherming van de gezondheid noodzakelijk is dat de betoging statisch is en dat betogers in één demonstratievak moeten staan. De rechtbank kan dit standpunt zonder nadere toelichting niet volgen. De rechtbank acht de motivering van het bestreden besluit op dit onderdeel dan ook onvoldoende. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens rijst de vraag of verweerder in het kader van het belang van de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden wel mocht bepalen dat de betogingen vanuit één demonstratievak dienen plaats te vinden.\n\nVoorkoming van wanordelijkheden5.4. \n\nDe rechtbank overweegt dat eiseres terecht betoogt dat de beperkingsgrond \"ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden\" niet te ruim mag worden uitgelegd. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar standpunt dat die beperkingsgrond zo beperkt moet worden uitgelegd, dat alleen strafbare gedragingen hieronder vallen en dat alleen de wanordelijkheden veroorzaakt door de oorspronkelijke betogers een rol kunnen en mogen spelen.\n\nZoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 september 2016is van belang dat in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9 van de Grondwet, waarnaar ook in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Womwordt verwezen, is vermeld dat doelbewust voor \"bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden\" als beperkingsgrond is gekozen. Het vervangen van deze beperkingsgrond door \"handhaving van de openbare orde\" zou een aanmerkelijke uitbreiding van de beperkingsbevoegdheid en derhalve een verzwakking van het in dit artikel vervatte grondrecht inhouden, omdat het begrip \"openbare orde\" zeer ruim kan worden uitgelegd. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2 van de Womis verder vermeld dat de betekenis van de beperkingsgrond \"bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden\" tot op zekere hoogte wordt beïnvloed door de context waarbinnen de grond wordt ingeroepen. De beoordeling of een samenstel van (verwachte) ongewenste gedragingen zo ernstig is dat van wanordelijkheden kan worden gesproken, hangt niet uitsluitend af van de aard van die gedragingen. Ook de plaats waar de manifestatie wordt gehouden kan hier van betekenis zijn. De mate van orde en rust die naar algemeen inzicht op een bepaalde plaats behoort te heersen bepaalt mede wanneer de grens van wanordelijkheden wordt overschreden, aldus de geschiedenis.\n\nGelet op deze totstandkomingsgeschiedenis volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat onder wanordelijkheden uitsluitend strafbare gedragingen moeten worden verstaan. Ook volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis niet dat alleen de wanordelijkheden veroorzaakt door de oorspronkelijke betogers een rol kunnen en mogen spelen.\n\n5.5. Of gesproken kan worden van wanordelijkheden hangt dus af van de aard van de gedragingen en de plaats waar de betogingen plaatsvinden, in dit geval bij een abortuskliniek. De rechtbank is van oordeel dat bezoekers van een abortuskliniek in zekere mate meer bescherming behoeven dan bezoekers van andere openbare locaties. Dat betekent echter naar het oordeel van de rechtbank niet dat het benaderen en aanspreken van bezoekers van de abortuskliniek door betogers van eiseres per definitie een wanordelijkheid is die beperking van de betoging tot één demonstratievak rechtvaardigt. Ook artikel 2:47, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV biedt naar het oordeel van de rechtbank hiervoor geen handvat. Daartoe overweegt de rechtbank dat onduidelijk is wat onder het in artikel 2:47 van de APV genoemde begrip ‘onnodige hinder’ moet worden verstaan. De APV zelf kent geen uitleg van dit begrip. Uit de toelichting van de VNG op artikel 2:47 van de model-APV blijkt dat met name gedacht is aan het strafbaar stellen van baldadigheid in situaties waarin in het taalgebruik bepaald gedrag wel als baldadigheid wordt beschouwd, maar dit gedrag niet onder een strafbepaling in het Wetboek van Strafrecht valt. Dit past ook bij de plaatsing van artikel 2:47 in hoofdstuk 2 van de APV dat betrekking heeft op (handhaving van) de openbare orde. De invulling die verweerder in navolging van het advies aan artikel 2:47 van de APV geeft, ziet echter niet zozeer op verstoring van de openbare orde, maar op verstoring van de persoonlijke levenssfeer van de bezoekers van de kliniek. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet onder ‘onnodige hinder’ in de zin van de APV worden geschaard.\n\n5.6. Zoals blijkt uit het advies van de adviescommissie en zoals verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, is het gedrag van de betogers van eiseres geen aanleiding geweest voor het beperken van de betogingen van eiseres en zijn er nooit klachten geweest over de betogingen van eiseres. Verweerder heeft gewezen op tegendemonstraties in januari en februari, maar die vonden plaats op andere data dan de door eiseres aangemelde betogingen en kunnen daarom naar het oordeel van de rechtbank niet de beperking tot één demonstratievak rechtvaardigen. Dat een reële vrees voor wanordelijkheden als bedoeld in artikel 2 van de Wom kan ontstaan door de wijze waarop anderen reageren op de betogingen van eiseres, is zonder nadere toelichting onvoldoende om een beperking van het demonstratierecht van eiseres aanvaardbaar te achten. Andere redenen op grond waarvan sprake is van een reële vrees voor wanordelijkheden heeft verweerder niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft omdat niet voldoende gemotiveerd is waarom de gestelde beperking noodzakelijk was ter voorkoming van wanordelijkheden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Gelet op de overwegingen hiervoor is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Omdat de besluitvorming ziet op een periode uit het verleden en de rechtbank ervan uitgaat dat verweerder geen andere feiten of omstandigheden uit het verleden aan de besluitvorming ten grondslag kan leggen om het motiveringsgebrek te herstellen, ziet de rechtbank af van de toepassing van een bestuurlijke lus. De rechtbank zal op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien, door te bepalen dat de voorschriften 1 en 2 van het primaire besluit vervallen. Dat betekent dat de betogingen van eiseres in 2021 niet op een aangewezen locatie en vanuit een aangewezen vak hoefden plaats te vinden. Deze uitspraak heeft niet zonder meer tot gevolg dat aan betogingen van eiseres in het vervolg geen beperkingen mogen worden verbonden. Verweerder zal in geval van een nieuwe aanmelding van betogingen wel beter dan in de onderhavige zaak moeten motiveren waarom op dat moment en in dat geval sprake is van een reële vrees voor wanordelijkheden, die het verbinden van eventuele beperkingen aan de betogingen rechtvaardigen.\n\n7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.\n\n8. Daarnaast bestaat er aanleiding om verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1).Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept de aan het primaire besluit verbonden voorschriften 1 en 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzitter, en mr. E. Jochem en mr. M. Kraefft, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2022.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\nBijlage: Relevante wettelijke bepalingen\n\nWet openbare manifestaties (Wom)\n\nArtikel 2\n\nDe bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, kunnen slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.\n\nArtikel 3\n\n1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast met betrekking tot de gevallen waarin voor samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving vereist is.\n\n(…)\n\nArtikel 5\n\n1. De burgemeester kan naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.\n\n2 Een verbod kan slechts worden gegeven indien:\n\nde vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan;\n\nde vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt;\n\neen van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.\n\n3 Een voorschrift, beperking of verbod kan geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.\n\n4 Beschikkingen als bedoeld in het eerste lid worden zo spoedig mogelijk bekendgemaakt aan degene die de kennisgeving heeft gedaan.\n\nVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)\n\nArtikel 10\n\n1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.\n\n2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.\n\nArtikel 11\n\n1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.\n\n2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.\n\nAlgemene Plaatselijke Verordening gemeente Haarlem (APV)\n\nArtikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen\n\n1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.\n\nArtikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen\n\n1. Het is verboden op een openbare plaats:\n\nte klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;\n\nzich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen overlast of hinder berokkent.\n\n2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nVrijheid en verantwoordelijkheid, Over het recht tot betoging en locatiebeperkingen, 3 september 2021, p. 15-17\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3382\n\n Uitspraak van 22 maart 2001 van de rechtbank Maastricht, ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0754\n\nECLI:NL:RVS:2016:2521\n\n Kamerstukken II 1975\u002F76, 13 872, nr. 4, blz. 90, en Kamerstukken II 1976\u002F77, 13 872, nr. 7, blz. 34\n\n Kamerstukken II 1986\u002F87, 19 427, nr. 5, blz. 10\n\n Kamerstukken II 1985\u002F86, 19 427, nr. 3, blz. 17","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:9960","2022-11-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:23.795Z",1,20]