[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-income-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":59,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},35,"income-tax-nl","Income Tax","NL","2026-07-08T16:53:25.892Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-09-30T00:00:00.000Z","2026-04-23T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1743","ECLI:NL:RBNHO:2026:4672","ecli-nl-rbnho-2026-4672","","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 25\u002F6127\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 23 mei 2025 aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.301.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.\n\nBelanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door [naam 1] (vader van belanghebbende). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. In 2021 startte belanghebbende met een studie [studie] bij [opleidingsinstituut] . De duur van de studie betrof ongeveer drie jaar en de totale studiekosten bedroegen € 21.786,77. Door belanghebbende zijn die kosten in drie jaarlijkse termijnen betaald, namelijk op 17 november 2021 (€ 7.406,49), 28 november 2022 (€ 7.190,14) en op 1 december 2023 (€ 7.190,14). Belanghebbende heeft met succes de studie afgerond en is tegenwoordig werkzaam als persoonlijk begeleider.\n\n2. In haar aangifte IB\u002FPVV 2022 zijn de in 2022 betaalde studiekosten als een restant persoonsgebonden aftrek opgevoerd.\n\n3. Bij het vaststellen van de aanslag is door verweerder het restant persoonsgebonden aftrek van € 7.190 niet in aftrek toegelaten.\n\n4. Op 6 november 2025 stuurt verweerder de ‘Voorgenomen beslissing op bezwaar 2022’. Daarin maakt hij kenbaar voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen. Daarnaast schrijft hij dat, voordat hij een definitieve beslissing zal nemen, belanghebbende de mogelijkheid heeft het bezwaar in een gesprek toe te lichten. Door belanghebbende is op dit voornemen niet gereageerd.\n\n5. Op 19 december 2025 ontvangt verweerder bericht van belanghebbende, waarin zij onder meer schrijft:\n\n“In uw schrijven van 1 december wijst u mij op de mogelijkheid om in beroep te gaan. Dank daarvoor; inmiddels heb ik daadwerkelijk beroep aangetekend.\n\nIn uw brief (…) geeft u aan dat u mij op 6 november een uitnodiging heeft verstuurd om mijn bezwaar mondeling toe te lichten. Helaas heb ik deze uitnodiging nimmer ontvangen. Indien dit wel het geval was geweest, zou ik hier zeker op zijn ingegaan, temeer daar het mij verbaast aangezien ik mijn standpunt meerdere malen telefonisch heb toegelicht.”\n\n6. Belanghebbende is op 12 januari 2026 alsnog door verweerder gehoord. Van het hoorgesprek is een verslag opgesteld.\n\nGeschil\n\n7. In geschil is of bij belanghebbende het vertrouwen was gewekt dat zij de studiekosten als restant persoonsgebonden aftrek kon aftrekken en of verweerder belanghebbende in bezwaar had moeten horen.\n\n8. Belanghebbende voert aan dat zij de studiekosten in 2022 kon aftrekken, omdat een medewerker van de Belastingtelefoon haar heeft toegezegd dat de studiekosten als restant persoonsgebonden aftrek opgevoerd konden worden. Verder stelt zij dat verweerder haar in bezwaar had moeten horen.\n\nBelanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een verzamelinkomen van € 23.111.\n\n9. Volgens verweerder is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat een medewerker van de Belastingtelefoon bij haar in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt. Ten aanzien van het horen stelt hij primair dat geen sprake is van een schending van het hoorrecht en subsidiair dat als het hoorrecht wel geschonden is, niet moet worden teruggewezen. Belanghebbende is alsnog gehoord en voor verweerder bestaat er na het horen geen aanleiding om anders te oordelen dan gedaan bij uitspraak op bezwaar.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nVertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel\n\n10. Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij is gestart met de studie in 2021 met de verwachting dat alle studiekosten aftrekbaar zouden zijn. Toen belanghebbende in 2022 bekend werd met de afschaffing van de aftrek studiekosten heeft zij contact opgenomen met de Belastingtelefoon. Tijdens dit gesprek zou door een medewerker van de Belastingtelefoon zijn toegezegd dat de studiekosten (ook) in 2022 in aftrek gebracht konden worden als restant persoonsgebonden aftrek.\n\n11. De rechtbank stelt voorop dat informatie van de Belastingtelefoon een inlichting van de Belastingdienst betreft. Verweerder is in de regel niet gebonden aan onjuistheden of onvolledigheden in die voorlichting (zie HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918). Voor een uitzondering daarop bestaat aanleiding indien een medewerker van de Belastingtelefoon beschikt over de juiste en volledige informatie op basis waarvan hij een toezegging doet die niet zodanig in strijd in met een juiste wetstoepassing dat een belastingplichtige op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. Daarnaast moet een belastingplichtige op grond van die onjuiste informatie een handeling hebben verricht of nagelaten, met als gevolg dat van hem een hoger bedrag wordt geheven dat hij meende te moeten betalen als het gevolg van die handeling of dat nalaten. (zie HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654). De bewijslast dat daarvan sprake is rust op belanghebbende.\n\n12. In dit geval volgt op basis van de uiteenzetting door belanghebbende niet welke vragen belanghebbende heeft gesteld en welke feiten en omstandigheden zij daarbij aan de Belastingtelefoon heeft voorgelegd. Ook is niet volledig duidelijk wat de Belastingtelefoon precies heeft gezegd. De rechtbank kan daarom niet concluderen dat door een medewerker van de Belastingtelefoon de toezegging is gedaan dat, ondanks dat de aftrek studiekosten was afgeschaft, de door belanghebbende gemaakte studiekosten in 2022 toch nog als restant persoonsgebonden aftrek in aftrek konden worden gebracht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.\n\n13. De rechtbank volgt het beroep van belanghebbende op de schending van het evenredigheidsbeginsel evenmin. De wet- en regelgeving over de persoonsgebonden aftrek betreffen politieke keuzes. Het zou de taak van de rechter te buiten gaan om daarover in deze procedure een oordeel te geven. Daarbij is het de rechtbank op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de wetswijziging voor belanghebbende nadelig heeft uitgepakt, zijn die nadelige gevolgen volgens de rechtbank niet zozeer onevenredig dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nHoorrecht en zorgvuldigheidsbeginsel\n\n14. Voordat verweerder op een bezwaar beslist, stelt hij belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord (artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; Awb). Paragraaf 9, eerste lid, van het Besluit fiscaal bestuursrecht (Bfb) legt in afwijking van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het initiatief voor het horen bij verweerder. Van het horen van belanghebbende kan, onder meer, worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord (artikel 7:3, onderdeel d, van de Awb en onderdeel 9, onder 2, van het Bfb).\n\n15. Vast staat dat belanghebbende niet om een hoorgesprek heeft verzocht. In de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar heeft verweerder belanghebbende in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij gehoord wenste te worden. Die brief is naar het juiste adres van belanghebbende gestuurd. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij die brief niet heeft ontvangen. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende daar niet in is geslaagd. De enkele stelling dat zij de brief niet heeft ontvangen is daartoe onvoldoende. Ook zijn er door belanghebbende geen andere omstandigheden aangedragen die deze stelling aannemelijk zouden kunnen maken, zoals aantoonbare tekortkomingen in de postbezorging. Naar het oordeel van de rechtbank is het hoorrecht daarom niet geschonden en is ook geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n16. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van\n\nH. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\nbij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\nhet hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde datum van verzending;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\ne redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4672","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:36.642Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"872","ECLI:NL:RBNHO:2025:16030","ecli-nl-rbnho-2025-16030","2025-12-19T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 23\u002F5385 en HAA 23\u002F5386\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2025 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nHAA 23\u002F5385 (naheffingsaanslag OB 2017)\n\nVerweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 (hierna: de naheffingsaanslag OB 2017). Tevens heeft verweerder bij beschikkingen een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag OB 2017 en de beschikking belastingrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd.\n\nHAA 23\u002F5386 (naheffingsaanslag OB 2018)\n\nVerweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 (hierna: de naheffingsaanslag OB 2018). Tevens heeft verweerder bij beschikkingen een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag OB 2018 gehandhaafd, de beschikking belastingrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd.\n\nBeide zaken\n\nEiser heeft beroepen ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft nadere stukken ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2025.\n\nEiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , [naam 3] , mr. [naam 4] , mr. [naam 5] , mr. [naam 6] en mr. [naam 7] .\n\nDe beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers HAA 23\u002F5388, HAA 23\u002F5389, HAA 23\u002F5390 en HAA 23\u002F5391. Deze zaken betreffen (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en gelijktijdig afgegeven beschikkingen. De rechtbank doet afzonderlijk uitspraak.\n\nDe beroepen zijn eveneens gelijktijdig behandeld met het beroep met zaaknummer HAA 23\u002F5392 (betreffende een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voor het jaar 2018). De rechtbank heeft in deze zaak de zitting geschorst teneinde de zaak gelijktijdig te behandelen met de in bezwaar aangehouden procedure inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2018.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nBeide zaken\n\n1. Eiser exploiteert een advocatenpraktijk.\n\n2. Sinds 1 januari 2016 huurt eiser van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) bedrijfsruimte op de eerste, tweede en derde etage, inclusief het gebruik van de gemeenschappelijke ruimte op de begane grond, van een pand aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het pand). Het totaal gehuurde vloeroppervlak bedraagt (circa) 238m².\n\n3. In de huurovereenkomst tussen [bedrijf] en eiser is – voor zover relevant – het volgende overeengekomen:\n\n‘Huurprijs, omzetbelasting(…)4.1. \n\nDe aanvangshuurprijs van het gehuurde bedraagt op de ingangsdatum op jaarbasis\n\n € 42.000,- exclusief BTW en servicekosten.\n\n (…)4.2. Partijen komen overeen dat Verhuurder welomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt. Indien géén met omzetbelasting belaste verhuur wordt overeengekomen is Huurder naast de huurprijs een afzonderlijke vergoeding aan Verhuurder verschuldigd, ter compensatie van het nadeel dat Verhuurder c.q. diens rechtsopvolger(s) lijdt dan wel zal lijden, omdat de omzetbelasting op de investeringen en exploitatiekosten van Verhuurder niet (meer) aftrekbaar is. (…)4.3. \n\nPartijen verklaren onder verwijzing naar artikel 11 lid 1 aanhef onder b onderdeel 5 van de Wet op de omzetbelasting 1968 een met omzetbelasting belaste verhuur te zijn overeengekomen. Tevens wordt omzetbelasting in rekening gebracht over de vergoeding die Huurder verschuldigd is voor door of vanwege Verhuurder te verzorgen levering van zaken en diensten, zoals vastgelegd (…). Huurder verklaart door ondertekening van deze huurovereenkomst, mede ten behoeve van de rechtsopvolger(s) van Verhuurder, dat hij het gehuurde blijvend gebruikt of blijvend laat gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bestaat.\n\n(…)’\n\n4. De eerste en (een gedeelte van) de tweede etage van het pand is bij eiser in gebruik.\n\n5. Per 1 mei 2016 verhuurt eiser aan [naam 8] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 875 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n‘(…)\n\n (…) omzetbelasting, (…)\n\n (…)4.2. \n\nPartijen komen overeen dat verhuurder geenomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.\n\n(…)4.8. \n\nPer betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:\n\n- de huurprijs € 875,00\n\n- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of\n\n- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege\n\nverhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief\n\n € 875,00\n\n(…)’\n\n6. Per 13 februari 2017 verhuurt eiser aan [naam 9] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 1.200 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n ‘(…)\n\n (…) omzetbelasting, (…)\n\n (…)4.2. \n\nPartijen komen overeen dat verhuurder geenomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.\n\n(…)4.6. \n\nPer betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:\n\n- de huurprijs € 1.200,00\n\n- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of\n\n- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege\n\nverhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief\n\n € 1.200,00\n\n(…)’\n\n7. Per 1 mei 2017 verhuurt eiser aan [naam 10] een bedrijfsruimte in het pand. De huurprijs bedraagt € 1.125 per maand. In de overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:\n\n‘(…)\n\n (…) omzetbelasting, (…)\n\n (…)4.2. \n\nPartijen komen overeen dat onderverhuurder geenomzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.\n\n(…)4.6. \n\nPer betaalperiode van een kalendermaand bedraagt bij aanvang van de huurovereenkomst:\n\n- de huurprijs € 1.125,00\n\n- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting of\n\n- het voorschot op de vergoeding voor door of vanwege\n\nonderverhuurder verzorgde bijkomende leveringen en diensten inclusief\n\n € 1.125,00\n\n(…)’\n\n8. In een e-mailbericht van 14 maart 2022 stuurt eiser naar verweerder:\n\n‘(…)\n\nPer 1 juli 2017 zijn de huurders dus belast met 21% btw over het gehuurde, echter met uitzondering van onderstaande huurder.\n\n(…)\n\nAan: [naam 10] (…)\n\n(…)\n\nGelet op het feit dat mijn nieuwe accountant heeft gesteld, dat ik de kamers welke ik thans aan advocaten binnen dit pand (onder)verhuur, toch dien te belasten met 21% omzetbelasting, heb ik jou dit gemeld en voorgesteld om dit per omgaande te effectueren.\n\n(…)’\n\n9. In een e-mailbericht van 16 maart 2022 stuurt eiser naar verweerder:\n\n ‘(…)\n\nDe huurovereenkomst met [naam 8] [naam 11] is onvindbaar. Sluit als bewijs de e-mail aan [naam 8] [naam 11] van 22 juni 2017, waarin ik de BTW verhoging aankondig.\n\n (…)\n\n Aan: [naam 11] (…)\n\n (…)\n\n Ik ben sinds kort overgestapt naar een ander accountantskantoor (…).\n\nDe accountant heeft aangegeven, dat ik toch bovenop de huur, de btw dien door berekenen. Het blijkt dat alleen beroepsgroepen die zelf zijn vrijgesteld van btw (arts, psycholoog, etc.) btw-vrij kunnen huren.\n\nUiteraard kun je de door jou betaalde btw, verrekenen met je overige btw verplichtingen.\n\n(…)’\n\nHet boekenonderzoek\n\n10. Bij brief met dagtekening 23 februari 2021 is een boekenonderzoek aangekondigd bij eiser. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 alsmede de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.\n\n11. Bij brief met dagtekening 6 april 2021 is het boekenonderzoek uitgebreid naar de jaren\u002Ftijdvakken 2016 tot en met 2018.\n\n12. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport met dagtekening 24 oktober 2022. In het rapport zijn, voor zover van belang, de volgende passages opgenomen:\n\n‘(…)5.2. \n\nOmzetbelasting\n\n (…) 2017 2018\n\nVerschuldigd volgens administratie 35.453 31.005\n\nCorrectie omzetbelasting kort verhu 813 1.722\n\nCorrectie voorbelasting 10.086 9.245\n\nPer saldo verschuldigd 46.352 41.972\n\nVoorbelasting volgens administratie 20.537 20.939\n\nPer saldo af te dragen 25.815 21.033\n\nAfgedragen op aangifte\n\nVerschil 25.815 21.033\n\n(…)’\n\nNaheffingsaanslag OB 2017\n\n13. Met dagtekening 20 juli 2022 heeft verweerder aan eiser de naheffingsaanslag OB 2017 opgelegd ter hoogte van € 17.957. De beschikking belastingrente bedraagt € 3.059 en de boetebeschikking bedraagt € 4.489. De nageheven omzetbelasting bestaat onder meer uit een bedrag van € 7.057 (correctie voor een aansluitverschil) en een bedrag van € 10.086 (correctie aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand).\n\n14. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2023 de naheffingsaanslag OB 2017 en de beschikking belastingrente verminderd tot een bedrag van respectievelijk € 17.700 en € 2.989. De correcties voor het aansluitverschil en de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand heeft verweerder in stand gelaten. Verweerder heeft de vergrijpboete vernietigd.\n\nNaheffingsaanslag OB 2018\n\n15. Met dagtekening 20 juli 2022 heeft verweerder aan eiser de naheffingsaanslag OB 2018 opgelegd ter hoogte van € 17.563. De beschikking belastingrente bedraagt € 2.289 en de boetebeschikking bedraagt € 4.390. De nageheven omzetbelasting bestaat onder meer uit een bedrag van € 8.349 (correctie voor een aansluitverschil) en een bedrag van € 9.245 (correctie aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand).\n\n16. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2023 de naheffingsaanslag OB 2018 gehandhaafd en de beschikking belastingrente verminderd tot € 2.264. De correcties voor het aansluitverschil en de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand heeft verweerder in stand gelaten. Verweerder heeft de vergrijpboete vernietigd.\n\nBeroepsfase\n\n17. Tot de gedingstukken behoren documenten genaamd ‘Aansluitverschil 2017 grootboekrekening 195010’, ‘Aansluitverschil 2017 \u002F grootboek 195310’, ‘Aansluitverschil 2017 \u002F grootboek 195320’, ‘Aansluitverschil 2018 \u002F grootboekrekening 195010’, ‘Aansluitverschil 2018 \u002F grootboekrekening 195310’ en ‘Aansluitberekening 2018 \u002F grootboekrekening 195320’.\n\nGeschil\n\n18. In geschil is of de naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of:\n\n- verweerder terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting heeft nageheven in verband met de correctie voor het aansluitverschil, en\n\n- verweerder terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting heeft nageheven in verband met de correctie in de aftrek van voorbelasting.\n\n19. Verder is in geschil of algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.\n\n20. Op de zitting heeft eiser het beroep in de zaak met nummer HAA 23\u002F5384 (betreffende een naheffingsaanslag omzetbelasting met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016) ingetrokken.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nAansluitverschillen\n\n21. De naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 bestaan onder meer uit correcties vanwege door verweerder gestelde aansluitverschillen tussen de verschuldigde omzetbelasting volgens de eigen administratie van eiser en de op aangifte\u002Fsuppletie verantwoorde bedragen. Volgens verweerder bestaat het te corrigeren aansluitverschil voor het jaar 2017 uit een bedrag van € 7.057 en voor het jaar 2018 uit een bedrag van € 8.349.\n\n22. Eiser heeft slechts gesteld dat de correcte aangiftes zijn ingediend en dat hij tijdens de zitting hier uitvoerig op zal terugkomen. Tijdens de zitting heeft eiser zijn betoog over de (door verweerder gestelde) aansluitverschillen niet nader toegelicht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding niet uit te gaan van wat over de aansluitverschillen is vermeld in het controlerapport (zie onder12) en hetgeen verweerder daarover verder heeft gesteld en overgelegd (zie onder meer onder 17). Dit betekent dat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, de correcties aannemelijk heeft gemaakt. Een door eiser overgelegde beschrijving van vergoedingen verstrekt door de Raad voor Rechtsbijstand (door eiser overgelegd als ‘productie 14’) en een overzicht met gegevens over omzet(belasting) voor het aangiftetijdvak december 2016 (door eiser overgelegd als ‘productie 19’), leidt niet tot een ander oordeel omdat deze stukken evenmin specifieke argumenten tegen de correcties bevatten.\n\nAftrek van voorbelasting pand\n\n23. Eiser stelt zich op het standpunt dat de correcties die zijn doorgevoerd in de aftrek van voorbelasting ten aanzien van het pand, onjuist zijn. In het beroepschrift (zijnde de motivering van het bezwaarschrift dat als herhaald moet worden beschouwd) en het nader stuk van eiser is daartoe de volgende grief te vinden: ten aanzien van de (onder)verhuur aan [naam 11] , [naam 8] en [naam 9] (hierna tezamen: de onderhuurders) is sprake van belaste verhuur, als gevolg waarvan eiser het pand gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat en dus terecht is gekozen voor belaste verhuur in de huurverhouding met [bedrijf] .\n\n24. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de correcties in de aftrek van voorbelasting terecht zijn gemaakt.\n\n25. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de bewijslast rust voor het recht op aftrek van voorbelasting. Dat wil zeggen, voor zover verweerder zich op standpunt stelt dat hij niet aan de voorwaarden voor het recht op aftrek voldoet, is het aan eiser feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit volgt dat hij wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op aftrek. Nu het in de onderhavige situatie gaat om de (onder)verhuur van een onroerende zaak (het pand), is het in het bijzonder van belang of in de huurverhouding tussen eiser (als huurder) en [bedrijf] (als verhuurder) omzetbelasting in rekening had mogen worden gebracht (belaste verhuur). Indien in de laatstgenoemde huurverhouding ten onrechte omzetbelasting aan eiser in rekening is gebracht, bestaat geen recht op aftrek.\n\n26. Voor het antwoord op de vraag of omzetbelasting in rekening gebracht had mogen worden aan eiser (als huurder), is bepalend of eiser het pand gebruikt voor prestaties waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Dit betekent dat eiser het pand voor ten minste 90% moet gebruiken voor belaste prestaties.\n\n27. Vast staat dat het totaal door eiser gehuurde vloeroppervlak (circa) 238m² bedraagt. Volgens eiser verhuurt hij 47,42m² door aan de onderhuurders. Dit komt neer op een percentage van (bijna) 20%. Verweerder heeft het aantal verhuurde vierkante meters aan de onderhuurders bestreden bij gebrek aan onderbouwing door eiser. Nu het door eiser gestelde percentage van (bijna) 20% dusdanig meer is dan 10%, gaat de rechtbank in de volgende overwegingen uit van de situatie dat eiser in ieder geval meer dan 10% van het pand (onder)verhuurt aan de onderhuurders. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de beantwoording van de vraag of de verhuur aan de onderhuurders belast of vrijgesteld is.\n\n28. De rechtbank stelt voorop dat van belaste verhuur sprake is indien de onroerende zaak wordt verhuurd aan personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg geheel recht op aftrek van de belasting bestaat (artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel b, aanhef, onder 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968, hierna: Wet OB). De voorwaarde daarbij is dat de verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke huurovereenkomst daarvoor (belaste verhuur) hebben gekozen of een gezamenlijk verzoek daartoe hebben gedaan bij de inspecteur. De bewijslast dat sprake is van belast gebruik van de verhuurde delen van het pand en dat (terecht) is gekozen voor belaste verhuur rust eveneens op eiser.\n\n29. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde huurovereenkomsten (zie onder 5 tot en met 7) volgt dat partijen zijn overeengekomen dat geen omzetbelasting over de huurprijs in rekening wordt gebracht. De huurovereenkomst met [naam 11] is niet door eiser overgelegd (zie onder 9). De enkele verwijzing van eiser naar de onder 8 en 9 opgenomen e-mailberichten is onvoldoende om te kunnen concluderen dat uit de schriftelijke huurovereenkomsten volgt dat partijen(per 1 juli 2017) voor belaste verhuur hebben gekozen. Ook anderszins volgt niet uit de gedingstukken dat eiser en onderhuurders voor belaste verhuur hebben gekozen. Bovendien is geen informatie voorhanden waaruit volgt dat partijen een gezamenlijk verzoek voor belaste verhuur hebben gedaan bij verweerder.\n\n30. Als gevolg van het hiervoor vermelde en overwogene is de rechtbank van oordeel dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet geslaagd is aannemelijk te maken dat is gekozen voor belaste verhuur in de huurverhouding met de onderhuurders. Reeds daarom is de verhuur door eiser aan de onderhuurders vrijgesteld van omzetbelasting op basis van artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel b, van de Wet OB.\n\n31. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat eiser (als huurder) het pand van [bedrijf] (als verhuurder) niet kon huren met een optie belaste verhuur omdat hij het pand niet gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. [bedrijf] heeft derhalve ten onrechte omzetbelasting aan eiser in rekening heeft gebracht.\n\n32. Het hiervoor overwogene heeft tot gevolg dat eiser op grond van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de Wet OB geen recht heeft op aftrek van de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting door [bedrijf] . Het gelijk is aan verweerder.\n\n33. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij recht heeft op een gedeeltelijke aftrek van voorbelasting overeenkomstig het (werkelijk) gebruik van het pand, dit standpunt niet slaagt. Nu in de huurverhouding met [bedrijf] ten onrechte omzetbelasting in rekening is gebracht, komt het gehele bedrag aan voorbelasting niet voor aftrek in aanmerking.\n\nSchending algemene beginselen van behoorlijk bestuur?\n\n34. Eiser heeft betoogd dat tijdens een kantoorbezoek op 3 februari 2022 een bedreiging door een controleambtenaar zou hebben plaatsgevonden. Op de zitting heeft eiser zijn betoog aangevuld met de klacht dat hij de aanleiding van het boekenonderzoek niet vertrouwt. Eiser zou zich gedurende meerdere jaren in het openbaar negatief hebben uitgelaten over verweerder en\u002Fof Dienst Toeslagen. Bij eiser bestaat het vermoeden dat de negatieve uitlatingen aanleiding zijn geweest voor het boekenonderzoek.\n\n35. Wat betreft de gestelde bedreiging op het kantoor van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Eiser en [naam 1] hebben tijdens de zitting een nadere toelichting gegeven op het handelen van de controleambtenaar tijdens het boekenonderzoek. Uit diens verklaringen valt af te leiden dat onenigheid bestond over het samenvoegen van twee administraties. Eiser zou hebben gezegd dat een afspraak bestond over de aftrekbaarheid van loonkosten (relevant voor de inkomstenbelasting), waarna de controleambtenaar gezegd zou hebben dat een dergelijke afspraak niet bestond.\n\n36. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiser en [naam 1] beschreven ervaringen niet dat de gedragingen van de controleambtenaar van zodanige aard waren, dat deze (voor zover al relevant voor de onderhavige zaken betreffende omzetbelasting) in de weg staan aan het opleggen van de naheffingsaanslag OB 2017 en de naheffingsaanslag OB 2018 met als basis het controlerapport. Dat eiser het hiervoor beschreven gesprek over een afspraak die al dan niet zou zijn gemaakt als onredelijk en intimiderend heeft ervaren, maakt dit niet anders. Van bedreiging is geenszins sprake.\n\n37. De aanname van eiser dat verweerder het boekenonderzoek is gestart omdat eiser zich negatief zou hebben uitgelaten over verweerder en\u002Fof Dienst Toeslagen, is – tegenover de betwisting door verweerder – niet aannemelijk geworden.\n\n38. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het door eiser in beroep overgelegde bezwaarschrift (dat als herhaald moet worden beschouwd) gronden bevat inhoudende dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden. Nu deze gestelde schendingen niet of nauwelijks zijn toegespitst op de huidige stand van het geding, en dus onvoldoende zijn onderbouwd, gaat de rechtbank hier aan voorbij.\n\nBeschikkingen belastingrente\n\n39. Nu de naheffingsaanslagen niet worden verminderd, worden de bijbehorende beschikkingen belastingrente ook niet verminderd. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen belastingrente aangevoerd.\n\nSlotsom\n\n40. De slotsom luidt dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n41. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:16030","2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:52.254Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"329","ECLI:NL:RBNHO:2025:12725","ecli-nl-rbnho-2025-12725","2025-10-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 24\u002F464\n uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2025 in de zaak tussen\n [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: I. Steert MB),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft met dagtekening 17 februari 2023 aan eiseres een aanslag in de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) voor het jaar 2019 opgelegd (hierna: de aanslag). Daarbij is € 3.498 belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking).\n\nBij uitspraak op bezwaar van 30 november 2023 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.\n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .\n\nHet beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met zaaknummers HAA 24\u002F462, HAA 24\u002F463 en HAA 24\u002F465.\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\nTer zake van erflater en aanslagregeling IB\u002FPVV 2018\n\n1. Op 13 januari 2018 is [naam 4] (hierna: erflater) overleden, de vader van eiseres. Erflater had een 100% aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] B.V.).\n\n2. In de namens erflater ingediende aangifte IB\u002FPVV 2018 is ter zake van het aanmerkelijk belang in [bedrijf 1] B.V. een vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen van (overdrachtsprijs € 577.174 -\u002F- verkrijgingsprijs € 18.153 =) € 559.021.\n\n3. In de aan de erven van erflater opgelegde aanslag IB\u002FPVV 2018 is met betrekking tot het aanmerkelijk belang in [bedrijf 1] B.V. een vervreemdingsvoordeel van (overdrachtsprijs € 691.058 -\u002F- verkrijgingsprijs € 18.153 =) € 673.005 in aanmerking genomen. Dit betrof een afrekening over de waarde van de aandelen die toerekenbaar was aan het beleggingsvermogen van [bedrijf 1] B.V. waarop de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17a van de Wet IB 2001 niet van toepassing was.\n\nLegaat en herstructurering\n\n4. Erflater heeft het aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. gelegateerd aan zijn echtgenote en drie kinderen (hierna gezamenlijk: de legatarissen). Eiseres verkreeg daardoor een aandelenbelang van 25% in [bedrijf 1] B.V.\n\n5. Op 28 juni 2019 hebben de legatarissen [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] B.V.) opgericht. Het aandelenkapitaal in [bedrijf 2] B.V. is verdeeld naar de verhouding van het legaat met betrekking tot [bedrijf 1] B.V. Ter volstorting van de aandelen hebben de legatarissen ieder hun belang in [bedrijf 1] B.V. ingebracht in [bedrijf 2] B.V. Op grond van artikel 4.41, eerste lid, van de Wet IB 2001 is ter zake van deze aandelenfusie door eiseres geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4.42, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de verkrijgingsprijs van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. doorgeschoven naar de aandelen van [bedrijf 2] B.V.\n\n6. Bij akte van zuivere splitsing is [bedrijf 2] B.V. per 22 augustus 2019 gesplitst in vier verkrijgende vennootschappen. Daarbij is [bedrijf 2] B.V. opgehouden te bestaan. De verkrijgende vennootschappen zijn de persoonlijke houdstervennootschappen van de legatarissen. De persoonlijke houdstervennootschappen hebben door de splitsing onder algemene titel naar rato van de verdeling in het legaat van erflater een aandelenbelang in [bedrijf 1] B.V. verkregen. Op grond van artikel 4.41, tweede lid, van de Wet IB 2001 is ter zake van deze splitsing door eiseres geen vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen. Op grond van artikel 4.42, tweede lid, van de Wet IB 2001 is de verkrijgingsprijs van de aandelen in [bedrijf 2] B.V. (naar rato) doorgeschoven naar de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschappen.\n\nDividenduitkeringen en belastingheffing\n\n7. Bij brief van 11 oktober 2019 hebben de legatarissen verzocht om op grond van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 dividenduitkeringen van de persoonlijke houdstervennootschappen aan de legatarissen van in totaal € 559.021 niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang (hierna: ab-inkomen) te rekenen.\n\n8. Op 1 november 2019 heeft [bedrijf 1] B.V. een dividend ter beschikking gesteld van in totaal € 2.628.846. Daarvan is 25%, ofwel € 657.212, ter beschikking gesteld aan de persoonlijke houdstervennootschap van eiseres.\n\n9. Bij besluit van 31 december 2019 heeft de persoonlijke houdstervennootschap aan eiseres een dividend ter beschikking gesteld van € 139.755 (hierna: de dividenduitkering).\n\n10. Bij brief van 28 februari 2020 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat niet aan de voorwaarden van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 wordt voldaan waardoor de dividenduitkering tot het ab-inkomen van eiseres moet worden gerekend.\n\n11. Eiseres heeft aangifte IB\u002FPVV 2019 gedaan naar een verzamelinkomen van € 27.412, bestaande uit een box 1-inkomen.\n\n12. Bij het opleggen van de aanslag is verweerder afgeweken van de aangifte in die zin dat ook een ab-inkomen van € 139.755 in aanmerking is genomen.\n\nGeschil en standpunten van partijen\n\n13. In geschil is of artikel 4.12a van de Wet IB 2001 van toepassing is op de dividenduitkering. Meer specifiek is in geschil of met de dividenduitkering sprake is van reguliere voordelen uit de aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen als bedoeld in voornoemde bepaling. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 is voldaan.\n\n14. Eiseres stelt dat op grond van doel en strekking van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 de dividenduitkering niet tot het ab-inkomen moet worden gerekend. Zonder toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 zou door het in aanmerking nemen van het vervreemdingsvoordeel ter zake van het overlijden van haar vader en het in aanmerking nemen van een regulier voordeel ter zake van de dividenduitkering sprake zijn van materieel dubbele heffing over feitelijk dezelfde grondslag. Dat is nu juist wat artikel 4.12a van de Wet IB 2001 blijkens de parlementaire geschiedenis beoogt te voorkomen. Artikel 4.12a van de Wet IB 2001 maakt een koppeling tussen de dividenduitkering en de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen. Door de fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en splitsing zijn de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap in de plaats getreden van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. waardoor ook in dit geval een ondubbelzinnige koppeling gemaakt kan worden tussen het bij erflater in aanmerking genomen vervreemdingsvoordeel en de dividenduitkering, aldus nog steeds eiseres. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag en rentebeschikking.\n\n15. Verweerder betoogt dat artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op basis van de letterlijke tekst van die bepaling enkel van toepassing is op de aandelen die krachtens erfrecht zijn verkregen. De aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap kwalificeren niet als zodanig, want de krachtens erfrecht verkregen aandelen zijn de aandelen in [bedrijf 1] B.V. Dit betekent dat de dividenduitkering tot het ab-inkomen moet worden gerekend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\n16. Artikel 4.12a van de Wet IB 2001 luidt, voor zover relevant:\n\n“Ingeval de belastingplichtige aandelen (…) krachtens erfrecht heeft verkregen en ter zake van die overgang bij de erflater inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen, worden binnen 24 maanden na het overlijden van de erflater door die belastingplichtige genoten reguliere voordelen uit die aandelen (…) op verzoek, in afwijking van artikel 4.12, niet tot het inkomen uit aanmerkelijk belang gerekend voor zover deze voordelen niet uitgaan boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen en voor zover deze voordelen worden afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de aandelen (…) in die vennootschap. (…)”\n\n17. In de parlementaire geschiedenis bij de invoering van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 39 en 40 (MvT))is vermeld:\n\n“Dit artikel houdt verband met het voorstel de doorschuifregeling bij overlijden van een aanmerkelijk belang voortaan niet meer toe te passen ter zake van het in de waarde van de aandelen tot uitdrukking komende beleggingsvermogen. Dit leidt er toe dat bij vererving van een aanmerkelijk belang over de waarde van dat belang voor zover toerekenbaar aan het beleggingsvermogen, voortaan de inkomstenbelastingclaim moet worden afgerekend. Als vervolgens (een deel van) dat beleggingsvermogen kort na het overlijden in de vorm van dividend wordt uitgekeerd (bijv. om de inkomstenbelastingschuld van erflater te voldoen), zou zonder nadere regelgeving over dat dividend inkomstenbelasting verschuldigd zijn. Het zou er derhalve op neer komen dat er dubbel zou worden geheven over materieel dezelfde grondslag. Het nieuwe artikel 4.12a van de Wet IB 2001 voorkomt deze dubbele heffing. Op verzoek wordt het dividend namelijk niet belast, mits het dividend wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de krachtens erfrecht verkregen aandelen. Toepassing van dit artikel is alleen mogelijk voor zover het dividend niet uitgaat boven het bedrag dat bij de erflater ter zake van de overgang krachtens erfrecht als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.”\n\nEn (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 8, p.64):\n\n“De leden (…) vragen in hoeverre is overwogen om de in het voorgestelde artikel 4.12a van de Wet IB 2001 neergelegde systematiek van het meegekochte dividend ook van toepassing te verklaren voor andere gevallen dan overlijdensgevallen. Ook het RB en de redactie Vakstudienieuws vragen om een toelichting waarom dit artikel niet van toepassing is op reguliere voordelen binnen 24 maanden na schenken van de ab-aandelen. Dat deze maatregel is beperkt tot situaties van vererven, is gelegen in het onvoorziene karakter van het moment van overlijden. Schenken is daartegen een rechtshandeling die welbewust en planmatig plaatsvindt. Zoals ook de Raad van State in zijn advies heeft opgemerkt kunnen in dat geval de beleggingen voorafgaand aan de overdracht krachtens schenking door middel van een dividenduitdeling aan de vennootschap worden onttrokken. Eenzelfde maatregel voor andere gevallen dan overlijdensgevallen is dan ook niet nodig.”\n\n18. In de Fiscale Verzamelwet 2015 is een wijziging opgenomen waardoor de toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 werd uitgebreid naar reguliere voordelen uit aandelen of winstbewijzen die de erfgenaam reeds in bezit had. Dit betreft de wettelijke codificatie van bestaand beleid (Besluit van 17 september 2014, nr. BLKB2014\u002F1321M).\n\n20. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op basis van doel en strekking van die bepaling van toepassing op de dividenduitkering. Uit voornoemde wetsgeschiedenis volgt immers dat in het onvoorziene geval van overlijden van een aanmerkelijkbelanghouder voorkomen moet worden dat dubbele belastingheffing plaatsvindt over materieel dezelfde grondslag, namelijk over het beleggingsvermogen bij de erflater en (wanneer na het overlijden dat beleggingsvermogen in de vorm van dividend wordt uitgekeerd) het reguliere voordeel bij uitkeringen aan de erfgenaam binnen 24 maanden na het overlijden van erflater. Uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat de wetgever bewust niet heeft willen voorzien in een geval als het onderhavige, terwijl de materieel dubbele heffing zich in onderhavig geval ook zou voordoen. Bij erflater is immers afgerekend over het beleggingsvermogen, de aandelen in de persoonlijke houdstervennootschap zijn door de fiscaal gefacilieerde aandelenfusie en splitsing in de plaats zijn getreden van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. en niet weersproken is dat de dividenduitkering haar oorsprong vindt in het beleggingsvermogen van [bedrijf 1] B.V. Verweerder heeft ook niet weersproken dat toepassing van artikel 4.12a van de Wet IB 2001 op de dividenduitkering in lijn zou zijn met doel en strekking van die bepaling, maar bepleit een strikte toepassing op grond van wettekst gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel. De rechtbank kan dit betoog niet volgen omdat de door eiseres voorgestane toepassing ten gunste van belastingplichtige komt omdat daarmee belastingheffing wordt uitgesteld tot het moment van vervreemding van de aandelen. Verweerder heeft ook desgevraagd ter zitting niet kunnen uitleggen in hoeverre toepassing van de regeling op onderhavige situatie zou kunnen leiden tot ongewenste gevolgen en enkel gewezen op mogelijke precedentwerking. Dat de wetgever de noodzaak heeft gezien om het beleidsbesluit uit 2014 met betrekking tot reeds in bezit zijnde aandelen te codificeren, maakt niet dat enkel de letterlijke tekst van de wet doorslaggevend is. Dit betekent ook dat verweerder zich niet met vrucht op het kennisgroepstandpunt van 1 oktober 2016 kan beroepen.\n\nRentebeschikking\n\n21. Tegen het in rekening brengen van belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. De rentebeschikking dient verminderd te worden overeenkomstig de vermindering van de aanslag.\n\nSlotsom\n\n22. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het ab-inkomen wordt verminderd naar nihil. De rentebeschikking dient dienovereenkomstig te worden verminderd.\n\nProceskosten\n\n23. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt de proceskosten voor de vier zaken van de legatarissen gezamenlijk vast op € 2.721, waarbij aan eiseres een kwart wordt toegekend, ofwel € 680,25. De rechtbank heeft op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand twee punten toegekend voor de beroepsfase, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De waarde per punt is € 907. Daarbij is een wegingsfactor 1,5 toegepast wegens samenhang van vier of meer zaken. Voor de bezwaarfase wordt geen kostenvergoeding toegekend omdat daartoe niet overeenkomstig artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verzocht alvorens op het bezwaar is beslist.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n₋ verklaart het beroep gegrond;\n\n₋ vernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\n₋ vermindert de aanslag in die zin dat het ab-inkomen wordt verminderd naar nihil;\n\n₋ vermindert de rentebeschikking overeenkomstig de vermindering van de aanslag;\n\n₋ veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 680,25; en\n\n₋ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, voorzitter, en mr. J. Snitker en mr. C.M.J.C. Snoek-Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12725","2025-11-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.682Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"746","ECLI:NL:RBNHO:2025:15824","ecli-nl-rbnho-2025-15824","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 23\u002F7288 en HAA 23\u002F7289\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2025 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: drs. J.H.M. Demmer),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.\n\nProcesverloop\n\n(HAA 23\u002F7288)\n\nVerweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.906. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 12.584 aan heffingsrente in rekening gebracht.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n(HAA 23\u002F7289)\n\nVerweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 298.512. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 11.873 aan heffingsrente in rekening gebracht.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar € 293.951 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.\n\n(Beide zaken)\n\nEiser heeft daartegen beroepen ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft op 12 augustus 2025 een nader stuk ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025 te Haarlem.\n\nNamens eiser is zijn gemachtigde verschenen, bijgestaan door diens echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] en mr. [naam 6]\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser is voormalig bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en van 1 januari 2001 tot 18 juni 2010 is hij commissaris van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] en de met haar gelieerde vennootschappen (hierna tezamen: [bedrijf 2] ) houden zich bezig met het beheer en de exploitatie van onroerende zaken en met projectontwikkeling. Eén van de met [bedrijf 1] gelieerde vennootschappen is [bedrijf 3] In 2010 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 3] . Tijdens het boekenonderzoek zijn betalingen aangetroffen van [bedrijf 4] op de privébankrekening van eiser. Daarop is onderzocht waar deze betalingen op zagen. Mede naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek is door de FIOD vervolgens een strafrechtelijk onderzoek naar eiser ingesteld.\n\n2. In zijn uitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019 heeft het gerechtshof Amsterdam (strafkamer) het volgende overwogen, waarbij eiser ‘de verdachte’ is en de heer [naam 2] , de directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 4] (en haar rechtsopvolger [bedrijf 5] B.V.) wordt aangeduid met ‘[naam 2]’:\n\n “Valsheid in geschrift (feit 1)\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of een aangetroffen koopovereenkomst tussen de verdachte en [naam 2] op 6 juni 2008 met betrekking tot het schilderij ' [naam schilderij] ' van [naam 1] een werkelijke koopovereenkomst is geweest of een schijntransactie betreft die is bedoeld om steekpenningen te verhullen.\n\nHet hof stelt het volgende vast.\n\nDe verdachte en [naam 2] waren sinds begin 2008 namens verkopende en aankopende partijen betrokken bij een grote vastgoedtransactie, te weten een project waarbij het voormalige [terrein] te [gemeente 1] voor € 19.635.000 werd verkocht door [bedrijf 1] en [bedrijf 4] aan [bedrijf 5] (‘project [gemeente 1] ’). [naam 2] was via connecties van de verdachte in contact gebracht met de [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [naam 2] was bestuurder van (een van) de verkopende partijen; de verdachte was commissaris bij de aankopende partij, [bedrijf 2] .\n\nGedurende de onderhandelingen heeft de verdachte op 6 juni 2008 aan [naam 2] het hiervoor genoemde in zijn privébezit behorende schilderij van de hand gedaan voor een bedrag van € 500.000. Uiteindelijk heeft de verdachte in totaal € 360.000 ontvangen van [naam 2] .\n\nNadat deze transactie aan het licht is gekomen, is door verschillende beëdigde taxateurs bepaald dat de werkelijke waarde van het schilderij in 2009 tussen de € 9.000 en € 20.000 moet worden geschat. Er is dus sprake van een zeer aanzienlijk verschil tussen de marktwaarde en de verkoopprijs in de overeenkomst.\n\nDe verdachte had een collectie van schilderijen van [naam 1] in bezit. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zichzelf als kunstkenner ziet, in het bijzonder van de [kunststroming] , waartoe de schilder behoort, hij vrij goed op de hoogte was van de waarde van schilderijen en dat hij redelijk goed wist wat er op de markt gaande was.\n\n[naam 2] heeft verklaard dat er bij deze schilderijtransactie sprake was van een 'koppelverkoop'. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij niet geïnteresseerd was in het schilderij, maar dat de verdachte hem de indruk had gegeven dat zij samen gouden bergen zouden kunnen verdienen. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij achteraf liever een provisienota had gekregen, maar dat hij het schilderij kocht om de verdachte een plezier te doen, daar de verdachte \"degene was die de tent daar runde en waarmee ik in de toekomst zaken wilde blijven doen\".\n\nUit getuigenverklaringen van [naam 3], [naam 4] en [naam 5] volgt dat de verdachte in verband met de betaling van de hiervoor genoemde € 350.000 door [naam 2] tegen hen gezegd heeft dat hij deze gekregen had voor het schilderij en ‘werkzaamheden’ die hij voor die [naam 2] verricht had.\n\nUit het voorgaande moet worden afgeleid dat de verdachte heeft begrepen dat de betalingen door [naam 2] een andere achtergrond hadden dan verkrijging van het schilderij en dat er aldus sprake is geweest van een verhullende transactie.\n\nDat het om een schijntransactie gaat, wordt verder ondersteund door de omstandigheid dat de eerste betaling voor 'het schilderij' min of meer synchroon liep met de betaling van het voorschot van € 3.000.000 door de aankopende partij bij het project te [gemeente 1] aan [bedrijf 1] op 10 juli 2008. Vijf dagen later, op 15 juli 2008, is van dezelfde rekening van [bedrijf 1] waarop het bedrag van € 3.000.000 was ontvangen € 100.000 overgemaakt op de privérekening van de verdachte met de omschrijving \"schilderijen\".\n\nHet voorgaande betekent dat de in de tenlastelegging bedoelde overeenkomst vals is. Deze lijkt een koopovereenkomst in te houden, maar in werkelijkheid is sprake van een schijntransactie, bedoeld om provisiebetalingen te verhullen. Daar doet niet aan af dat het schilderij uiteindelijk wel is overgedragen. De valsheid zit hem zowel in het niet vermelden van de werkelijke aard van de overeenkomst, als, in samenhang daarmee, het benoemen van het bedrag van € 500.000 als verkoopprijs voor het schilderij.\n\nFiscale delicten (feit 2 en 3)\n\nDe valse overeenkomst is aan de fiscus ter beschikking gesteld tijdens een boekenonderzoek. Daarnaast maakte de valse overeenkomst deel uit van de stukken op basis waarvan aangifte inkomstenbelasting is gedaan. Het niet opgeven van wat in werkelijkheid provisie-inkomsten waren, resulteert in het opzettelijk doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting.”\n\n3. In deze uitspraak heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat wettig en overtuigend is bewezen dat eiser het aan hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 in de dagvaarding ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n“1. hij, op 6 juni 2008, in [gemeente 2] , een verklaring ( [#] ), zijnde een geschrift bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, valselijk in die verklaring ( [#] ) opgenomen en voorgewend dat\n\n- ondergetekende [ [verdachte] ] bereid is een schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" te [gemeente 2] van [naam 1] te verkopen aan [bedrijf 1] voor een bedrag groot 500.000 euro, terwijl de marktwaarde van het schilderij veel lager was en in werkelijkheid sprake was van een schijntransactie, zulks met het oogmerk om deze verklaring als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;\n\n2. hij, op 5 oktober 2010 in [gemeente 2] , telkens als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht is tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, opzettelijk, deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld, immers heeft hij opzettelijk een verklaring ( [#] ) waarin valselijk was opgenomen en voorgewend dat ondergetekende [ [verdachte] ] bereid is een schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" te [gemeente 2] van [naam 1] te verkopen aan [bedrijf 1] voor een bedrag groot 500.000 euro, voor raadpleging aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld en bestaande die valsheid hierin dat de marktwaarde van het schilderij veel lager was en in werkelijkheid sprake was van een schijntransactie terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n3. hij, op 9 februari 2010 en op 17 maart 2011, te [gemeente 3] en [gemeente 2] , telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:\n\n- een aangifte voor de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen over het jaar 2008 (D-022, D022\u002Fa), en\n\n- een aangifte voor de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen over het jaar 2009 (D-022, D022\u002Fb),\n\nonjuist heeft gedaan en laten doen, immers is door of namens hem over 2008 en over 2009 een te laag belastbaar bedrag en (verzamel)inkomen opgegeven, immers was in die door of namens hem ingevulde en ondertekende en ingeleverde aangifte over 2008 opzettelijk 150.000 euro niet opgenomen en was in die door of namens hem ingevulde en ondertekende en ingeleverde aangifte over 2009 opzettelijk 195.000 euro niet opgenomen, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;\n\n 4. hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 15 juni 2010 in Nederland, telkens anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber van [bedrijf 2] in de functie van commissaris, naar aanleiding van hetgeen hij als lasthebber heeft gedaan dan wel zal zou doen, telkens giften, namelijk betalingen van geldbedragen, ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3], heeft aangenomen en dit aannemen telkens in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn lastgever, [bedrijf 2];\n\n5. hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 25 april 2012, te [gemeente 2] , telkens van geldbedragen (in totaal 345.000 euro),\n\n- de werkelijke aard heeft verborgen en verhuld, en\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en van 345.000 euro gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”\n\nEiser is door het gerechtshof veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.\n\n4. Het door eiser tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 25 augustus 2020 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n5. Verweerder heeft aan eiser de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd, waarbij voor het jaar 2008 over een resultaat uit overige werkzaamheden van € 150.000 is nagevorderd, en voor het jaar 2009 – na vermindering in bezwaar – over € 195.000 welke bedragen in overweging 3. van de hiervoor onder 3. opgenomen uitspraak van het gerechtshof Amsterdam zijn vermeld.\n\n6. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 5 juni 2019 tevens arrest gewezen in de tegen eiser ingestelde ontnemingsvordering. Hierbij heeft het gerechtshof eiser de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 345.000. In deze uitspraak heeft het gerechtshof het volgende overwogen:\n\n “De verdachte is bij arrest van 5 juni 2019 veroordeeld wegens, kort gezegd, niet-ambtelijke omkoping door het aannemen van geldbedragen\u002Fsteekpenningen van de getuige [naam 2] .\n\nHij heeft het karakter van die geldbedragen geprobeerd te verhullen door een valse koopovereenkomst op te stellen, die inhoudt dat hij een schilderij voor € 500.000,00 verkoopt aan de getuige [naam 2] . De verdachte heeft vervolgens geldbedragen van € 100.000,00, € 50.000,00 en € 200.000,00 ontvangen. Tenslotte is hem nog € 10.000,00 betaald, waarna het schilderij naar [naam 2] is overgegaan. In totaal heeft de veroordeelde dus € 360.000,00 ontvangen.\n\nDe waarde van het schilderij is door verschillende taxateurs en experts geschat op respectievelijk € 9.000,00, € 10.000,00, € 13.000,00 en € 15.000,00 tot € 20.000,00. Het hof schat, gelet op de verschillende waardebepalingen, de waarde van het schilderij op € 15.000,00. Dit bedrag moet voor de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgetrokken van de door de veroordeelde ontvangen € 360.000,00. Met de advocaat-generaal schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op € 345.000,00.”\n\n7. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is op 25 augustus 2020 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard.\n\n8. Op 25 mei 2021 heeft eiser een verzoek om kwijtschelding van de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend vanwege de door eiser erkende verplichting tot betaling van het ontnemingsbedrag van € 345.000 bij wijze van schadevergoeding aan [bedrijf 1] als benadeelde partij. Op 4 juli 2022 is dit verzoek door de rechtbank Noord-Holland toegewezen en het door eiser aan de Staat te betalen bedrag vastgesteld op nihil.\n\n9. Op 26 januari 2023 heeft eiser met [bedrijf 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan eiser zich verplicht tot betaling van een bedrag van € 520.000.\n\nGeschil 10.Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Niet in geschil is dat eiser bedragen van € 150.000 (2008) respectievelijk € 210.000 (2009) heeft ontvangen en dat deze ontvangsten (minus het bedrag dat is betaald voor het schilderij) moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\n11. Eiser stelt zich op het standpunt dat bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2008 en 2009 het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden te hoog is vastgesteld. Hij is van mening dat het schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" van [naam 1] (hierna: het schilderij) een hogere waarde dan € 15.000 vertegenwoordigt. Daarnaast is eiser van mening dat hij een voorziening mag vormen ultimo 2008 vanwege de nadien door hem gemaakte advocaatkosten. Navordering in 2009 is niet mogelijk omdat het vorderingenstelsel moet worden toegepast en het gehele voordeel daarom in 2008 belast zou moeten worden.\n\nSubsidiair stelt eiser dat wanneer de rechtbank oordeelt dat moet worden aangesloten bij het betaalmoment, de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2008 verminderd moet worden met € 50.000, aangezien dat bedrag pas op 1 september 2009 is ontvangen.\n\nMeer subsidiair stelt eiser dat de belastingheffing in strijd komt met artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM omdat deze werkzaamheden voor hem alleen maar een verlies hebben opgeleverd en dus sprake is van een individuele en buitensporige last.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging c.q. vermindering van de navorderingsaanslagen.\n\n12. Verweerder is van mening dat de beide navorderingsaanslagen (2009 na vermindering in bezwaar) naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De waarde van het door eiser verkochte schilderij is voor het juiste bedrag, zijnde € 15.000, in aanmerking genomen. Daarnaast is verweerder van mening dat eiser ultimo 2008 geen voorziening kon vormen en dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen het aanmerken van € 195.000 als resultaat uit overige werkzaamheden in 2009.\n\nMet betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiser merkt verweerder op dat dit uitgaat van onjuiste feiten omdat de betaling van € 50.000 op 1 september 2008 heeft plaatsgevonden. Ten slotte is verweerder van oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nHoogte resultaat uit overige werkzaamheden\n\n13. Ten aanzien van de hoogte van het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de juiste bedragen in aanmerking heeft genomen. Eiser heeft in 2008 € 150.000 ontvangen van [bedrijf 4] en in 2009 € 200.000 van [bedrijf 5] B.V. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat deze bedragen door eiser zijn ontvangen als provisiebetalingen. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is gebleken en door het gerechtshof Amsterdam als feit vastgesteld dat eiser ook nog een bedrag van € 10.000 heeft ontvangen van de heer [naam 2] , waarna eiser het schilderij aan de heer [naam 2] heeft geleverd. Dit wordt door eiser ook niet betwist. De waarde van het schilderij is door gerechtshof Amsterdam vastgesteld op € 15.000 (zie 6. hiervoor). Nu eiser in totaal € 360.000 heeft ontvangen van (de bv's van) de heer [naam 2] , is het wederrechtelijk verkregen voordeel door het gerechtshof vastgesteld op € 345.000 (€ 150.000 in 2008 en € 195.000 in 2009). Verweerder heeft daarom terecht deze bedragen nagevorderd als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\n14. Eiser voert aan dat de waarde van het schilderij hoger moet worden vastgesteld, hetgeen zou moeten leiden tot verlaging van het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een tweetal taxaties van andere schilderijen van [naam 1] overgelegd. Deze twee taxaties zijn in de negentiger jaren van de vorige eeuw uitgevoerd door beëdigd taxateur [naam 9] .\n\n15. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Taxaties van andere schilderijen van deze schilder zeggen onvoldoende over de waarde van het onderhavige schilderij, alleen al omdat schilderijen van deze schilder blijkens de overgelegde stukken voor zeer uiteenlopende bedragen worden verkocht. Bovendien heeft dezelfde taxateur, blijkens het overgelegde proces-verbaal van zijn verhoor door de rechtercommissaris van de rechtbank Noord-Holland verklaard dat hij zich kon vinden in de taxatie van het onderhavige schilderij naar de waarde in 2008 door 2 andere taxateurs op € 10.000 respectievelijk € 9.000. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding af te wijken van de door het gerechtshof Amsterdam vastgestelde waarde van het schilderij van € 15.000.\n\nJaar van genieten\n\n16. Op grond van artikel 3.95 in verbinding met artikel 3.25 van de Wet IB 2001 wordt het in een kalenderjaar genoten resultaat uit een werkzaamheid bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. Die bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. De invulling van het begrip goed koopmansgebruik wordt bepaald door de bedrijfseconomie, tenzij die invulling in strijd is met de tekst, algemene strekking of een beginsel van de belastingwet. Aan het goed koopmansgebruik ligt een drietal hoofdbeginselen ten grondslag die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld. Deze beginselen zijn:\n\n- het realiteitsbeginsel, dat inhoudt dat moet worden aangesloten bij de economische realiteit;\n\n- het voorzichtigheidsbeginsel, op grond waarvan nog niet gerealiseerde winsten niet tot de (belastbare) jaarwinst hoeven te worden gerekend, maar nog niet gerealiseerde verliezen wel ten laste van de jaarwinst kunnen worden gebracht; en\n\n- het eenvoudbeginsel, op grond waarvan de jaarwinstbepaling praktisch hanteerbaar moet zijn.\n\n17. De rechtbank is van oordeel dat goedkoopmansgebruik er niet toe dwingt de in 2009 ontvangen betalingen in 2008 in aanmerking te nemen. Eiser heeft de onderhavige bedragen in 2008 en 2009 ontvangen als provisiebetalingen voor het aanbrengen van vastgoedprojecten en mogelijke toekomstige zaken, zoals vastgesteld in de hiervoor vermelde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. Eiser wijst naar de overeenkomst met betrekking tot het schilderij en dat de projecten [gemeente 1] en [gemeente 4] reeds in 2008 waren aangekocht. Echter, eiser was commissaris bij [bedrijf 1] en de werkzaamheid bestaat uit het uitoefenen van zijn invloed binnen [bedrijf 2] ten faveure van (de bv's van) de heer [naam 2] . Dit blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak tegen eiser (zie 2. hiervoor) waarin de heer [naam 2] bevestigt dat hij de betalingen verrichtte omdat eiser \"degene was die de tent daar runde en waarmee ik in de toekomst zaken wilde blijven doen\". De werkzaamheid eindigde daarom uiteindelijk definitief op 18 juni 2010, toen de functie van eiser als commissaris van [bedrijf 1] werd beëindigd en daarmee zijn invloed binnen [bedrijf 2] stopte. Uit dit een en ander volgt dat de provisiebetalingen niet alleen zien op werkzaamheden die eiser in 2008 heeft verricht. Eiser heeft tegenover de rechtbank evenmin aannemelijk gemaakt dat de provisiebetalingen alleen zien op zijn werkzaamheden in 2008. Reeds om die reden kan niet worden gezegd dat het in aanmerking nemen van de provisiebetalingen in 2009 strijdig is met resultaatbepaling volgens het vorderingenstelsel waarop eiser zich beroept. Ook binnen dat stelsel was winstneming in 2009 mogelijk. Bovengenoemd realiteitsbeginsel dwingt evenmin tot het door eiser gewenste resultaat. Eiser heeft geen facturen uitgereikt voor de werkzaamheden en ook ontbreken balansen voor de jaren 2008 en 2009, zodat het eenvoudsbeginsel noopte tot de door verweerder gekozen praktische benadering waarbij het resultaat is toegerekend aan het jaar van ontvangst. Uitstel van winstneming door toerekening van het resultaat aan 2009 in plaats van 2008, is bovendien in overeenstemming met het bovengenoemde voorzichtigheidsbeginsel.\n\nVoorziening\n\n18. Eiser wenst een voorziening te vormen voor door hem gemaakte advocaatkosten. Eiser heeft voor het in aanmerking nemen van een voorziening aangevoerd dat ultimo 2008 voldoende zekerheid bestond dat de advocaatkosten zich zouden voordoen. Daartoe betoogt hij dat ultimo 2008 voorzienbaar was dat een bedrag zou moeten worden betaald aan [bedrijf 2] en dat advocaatkosten zouden moeten worden gemaakt. Uiteindelijk bedragen deze gezamenlijk € 920.000. Eiser acht het redelijk ultimo 2008 een voorziening van € 400.000 voor advocaatkosten op te nemen.\n\n19. De rechtbank overweegt als volgt. Met hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, bestond er naar het oordeel van de rechtbank ultimo 2008 of 2009 geen redelijke mate van zekerheid dat eiser de van hem gevorderde bedragen in een later jaar zou moeten betalen. In 2008 en 2009 was er nog geen enkele verdenking jegens eiser en het boekenonderzoek bij [bedrijf 3] is eerst in 2010 opgestart en eerst tijdens dat onderzoek is bekend geworden dat eiser bedragen van de heer [naam 2] had ontvangen, zonder dat op dat moment al duidelijk was wat de aard van deze betalingen was. Dat betekent dat er ultimo 2008 en 2009 geen redelijke mate van zekerheid bestond dat eiser terugbetalingsverplichtingen zou hebben jegens [bedrijf 2] en advocaatkosten zou gaan maken.\n\n20. Dat [bedrijf 2] zich als benadeelde partij in de strafprocedure tegen eiser heeft gevoegd en dat eiser in januari 2023 met [bedrijf 2] is overeengekomen € 520.000 te betalen maakt dit niet anders. Deze gebeurtenissen hebben zich immers (ver) na balansdatum voorgedaan. Eiser is eerst in 2017 door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld voor de hem ten laste gelegde feiten. Ook in het licht hiervan bestond ultimo 2008 en 2009 onvoldoende mate van zekerheid dat eiser de door hem genoten bedragen zou moeten terugbetalen en advocaatkosten zou maken. De rechtbank overweegt daarnaast dat eiser de gestelde € 400.000 aan advocaatkosten niet heeft onderbouwd, en ook het verband met de door hem in 2008 en 2009 verrichte werkzaamheden niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is op al deze gronden van oordeel dat eiser in 2008 of 2009 geen voorziening kan vormen.\n\n21. Ten overvloede voegt de rechtbank aan het vorenstaande toe dat aftrek van de door eiser betaalde schadevergoeding op de voet van artikel 3.14, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, eerst mogelijk is vanaf het moment dat eiser daadwerkelijk uitgaven doet om de door het misdrijf veroorzaakte schade te herstellen. Tot dat tijdstip zijn die kosten en lasten op grond van artikel 3.14, eerst lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001 van aftrek uitgesloten, zodat ook om die reden geen voorziening kan worden gevormd (vgl. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). De door eiser genoemde advocaatkosten zijn in hun geheel van aftrek uitgesloten. Immers, het begrip ‘verband houden met’ als bedoeld in artikel 3.14, lid 1, aanhef en letter d, Wet IB 2001 dient ruim te worden uitgelegd (vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5057). De wetgever heeft niet beoogd alleen van aftrek uit te sluiten de kosten met behulp waarvan omzet uit criminele activiteiten is gerealiseerd (Kamerstukken II 1996-1997, 25 019, nr. 6, p. 1 en 2). De in het derde lid genoemde uitzonderingen op de aftrekuitsluiting van het eerste lid strekken zich ook niet uit over de door eiser genoemde advocaatkosten.\n\nOntvangst € 50.000\n\n22. De subsidiaire stelling van eiser dat – bij toepassing van het kasstelsel zoals verweerder betoogt – het bedrag van € 50.000 ten onrechte in 2008 in aanmerking is genomen omdat hij dit bedrag eerst op 1 september 2009 zou hebben ontvangen wordt reeds op die grond verworpen omdat deze stelling feitelijke grondslag mist. Eiser heeft geen andere onderbouwing van de stelling gegeven dan dat betaling volgens hem op 1 september 2009 heeft plaatsgevonden. Uit de gedingstukken, met name het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2017 in de strafzaak tegen eiser en de daar aangehaalde bankstukken op bladzijde 5, blijkt echter dat de betaling op 1 september 2008 is ontvangen.\n\nIndividuele en buitensporige last\n\n23. Ter zitting heeft eiser, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2048, meer subsidiair aangevoerd dat ter zake van het in aanmerking nemen van het bedrag van € 345.000 als resultaat uit overige werkzaamheden sprake is van een belastingheffing die strijdig is met het door artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) gewaarborgde ongestoorde genot van eigendom. Hij voert daartoe aan dat de werkzaamheden vanwege de betaling aan [bedrijf 2] van € 520.000 en de gemaakte advocaatkosten van € 400.000 verlieslatend zijn geweest zodat belastingheffing over € 345.000 disproportioneel is en een individuele en buitensporige last voor hem oplevert.\n\n24. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. onder meer Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511) kan alleen dan sprake zijn van een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van de betrokken belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen, waarbij of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Dit moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (vgl. Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816).\n\n25. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven kan voldoening van de schadevergoeding aan de benadeelde partij op de voet van artikel 3.14, derde lid onderdeel b, van de Wet IB 2001, in aftrek worden gebracht in het jaar van betaling (vgl. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). Eiser heeft geen enkel inzicht gegeven in de fiscale uitwerking van deze betaling en de aftrek daarvan en\u002Fof eventuele verliesverrekening in latere jaren. De rechtbank is van oordeel dat hij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Ter zitting heeft eiser nog aangeboden hiervan nader bewijs te leveren. Dit bewijsaanbod wordt door de rechtbank als tardief gedaan gepasseerd.\n\nHeffingsrente\n\n26. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. De heffingsrente is berekend op grond van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen artikelen die tot 1 januari 2013 van toepassing waren. Tegen de heffingsrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen is vastgesteld.\n\nSlotsom\n\n27. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n28. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15824","2026-01-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.215Z",1,20]