[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-motor-vehicle-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":16,"limit":32},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},143,"motor-vehicle-tax-nl","Motor Vehicle Tax","NL","2026-07-08T16:58:35.935Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},1,{"min":18,"max":18},"2026-04-16T00:00:00.000Z",[],[21],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1231","ECLI:NL:RBNHO:2026:5568","ecli-nl-rbnho-2026-5568","","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 25\u002F4245 en HAA 25\u002F4246\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaken tussen\n\n [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. J.J. Wittekamp),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft aan belanghebbende over de tijdvakken 6 januari 2024 tot en met 5 januari 2025 (HAA 25\u002F4245) en van 6 januari 2025 tot en met 5 april 2025 (HAA 25\u002F4246) naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd van respectievelijk € 2.448 en € 586. Gelijktijdig bij de naheffingsaanslag over het eerste tijdvak is bij beschikking een boete van € 1.224 opgelegd.\n\nVerweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de boete gehandhaafd.\n\nBelanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en\n\n [naam 3] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Sinds 22 december 2020 is belanghebbende houder van een [auto] pick-up met kenteken [kenteken] (het voertuig). Op 29 maart 2019 is het voertuig door de RDW gekeurd en per 6 april 2019 in het kentekenregister opgenomen als ‘opleggertrekker’.\n\n2. Na de keuring en registratie in het kentekenregister, maar voordat belanghebbende houder van het voertuig werd, is een laadbak op het voertuig geplaatst. Belanghebbende heeft zelf een huif geconstrueerd die op (de laadbak van) het voertuig kan worden geplaatst.\n\n3. Voor het voertuig is door belanghebbende MRB voldaan naar het bestelautotarief voor ondernemers.\n\n4. Tijdens een controle op 24 oktober 2024 is door verweerder geconstateerd dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. Naar aanleiding hiervan zijn naheffingsaanslagen en een boete aan belanghebbende opgelegd.\n\nGeschil\n\n5. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Daarbij is de vraag of het voertuig op grond van de (toen geldende) goedkeuring van het Besluit inrichtingseisen bpm en mrb, nr. 2021-323898 (de goedkeuring van het Besluit) als bestelauto kwalificeert. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen.\n\n6. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikking ten onrechte zijn opgelegd, omdat het voertuig op grond van de goedkeuring van het Besluit kwalificeert als bestelauto. Verder vindt belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd.\n\nBelanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen. Daarnaast concludeert belanghebbende primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de boetebeschikking.\n\n7. Verweerder stelt dat niet voldaan wordt aan de goedkeuring van het Besluit, zodat de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Verder stelt verweerder dat de uitspraken op bezwaar voldoende zijn gemotiveerd en de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nDe naheffingsaanslag\n\n8. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wet MRB zijn motorrijtuigen op drie of meer wielen voor het heffing van motorrijtuigenbelasting in principe personenauto’s. Als een motorrijtuig aan de inrichtingseisen van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet MRB voldoet, dan kan een motorrijtuig kwalificeren als bestelauto.\n\n9. Verder bestaat met toepassing van de hardheidsclausule een goedkeuring dat een motorrijtuig met de vermelding ‘oplegtrekker’ of “afneembare bovenbouw” wordt aangemerkt als bestelauto. De goedkeuring van het Besluit luidt, voor zover hier relevant, als volgt:\n\n “2.1.6.2. Bestelauto met vermelding 'opleggertrekker' of 'afneembare bovenbouw'\n\nDe motorrijtuigen die als vermelding 'opleggertrekker (voor 1 januari 2013: ‘trekker') of 'afneembare bovenbouw’ (voor 1 januari 2013: ‘voor verwisselbare opbouw', hierna ook inbegrepen als wordt gesproken over ‘afneembare bovenbouw’) in het kentekenregister krijgen, wijken af van de bestelauto’s met een bijzondere opbouw. Deze motorrijtuigen kunnen namelijk ook worden gebruikt zonder dat de oplegger, aanhanger, afneembare opbouw of container aanwezig is. Op dat moment is het personenvervoer niet langer ondergeschikt aan het vervoer van lading. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd; deze onderscheidt zich echter qua uiterlijk sterk van andere auto’s. Bovendien worden deze zaken enkel aangebracht met het oog op het vervoeren van een last.\n\nGoedkeuring\n\nIk keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd wordt aangemerkt als een bestelauto. Dit geldt ook voor een motorrijtuig dat is gekeurd met een afneembare bovenbouw (en met de bovenbouw voldoet aan alle fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto) op het moment dat de bovenbouw \u002F container tijdelijk niet aanwezig is.\n\nWanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met koppelschotel wordt aangepast c.q. omgebouwd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laadbak, of wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met een containerframe wordt voorzien van een container, kan een motorrijtuig ontstaan dat zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van last\u002Flading niet langer onderscheidt van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Om als bestelauto te worden aangemerkt moet het motorrijtuig dan voldoen aan alle inrichtingseisen die gelden voor een bestelauto. Als het motorrijtuig niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, dan is er sprake van een personenauto.”\n\n10. Belanghebbende stelt dat het voertuig op basis van de goedkeuring van het Besluit kwalificeert als bestelauto. Ook met de geplaatste laadbak en huif onderscheidt het voertuig zich nog altijd qua uiterlijk en qua vervoer van de lading van ‘reguliere’ motorrijtuigen, zodat op basis van het Besluit niet voldaan hoeft te worden aan de inrichtingseisen om te kwalificeren als bestelauto. Het voertuig heeft primair de functie van opleggertrekker en wordt ook in overwegende mate als zodanig in belanghebbendes aannemersbedrijf gebruikt. De laadbak is afneembaar en heeft als doel om gemakkelijk klein materieel te kunnen vervoeren. Hiermee wijzigt die opleggertrekker-functie van het voertuig dan ook niet. Ook wijzigt die functie niet door de mogelijkheid om tijdelijk een huif op het voertuig aan te kunnen brengen. De huif is op eenvoudige wijze te (de)monteren en wordt enkel op het voertuig aangebracht om met het gezin op vakantie te kunnen.\n\n11. Verweerder stelt dat slechts bij kleine aanpassingen aan het voertuig niet voldaan hoeft te worden aan de inrichtingseisen om een motorrijtuig op grond van de goedkeuring van het Besluit te kwalificeren als bestelauto. In het onderhavige geval zijn de aangebrachte aanpassingen niet aan te merken als kleine aanpassingen. Het voertuig is door de aangebrachte laadbak en huif zodanig gewijzigd, dat het voertuig zich niet (langer) onderscheidt van een ‘regulier’ motorrijtuig. Om het voertuig dan alsnog aan te kunnen merken als bestelauto moet aan de inrichtingseisen worden voldaan. Nu daar niet aan wordt voldaan kwalificeert het voertuig als personenauto en niet als bestelauto.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank voldeed het voertuig ten tijde van de controle niet aan de goedkeuring van het Besluit. Dat het voertuig in overwegende mate wordt gebruikt als opleggertrekker is op zichzelf niet voldoende om aan de goedkeuring van het Besluit te voldoen. Daarvoor dient het voertuig zich qua uiterlijk en qua vervoer van de lading onderscheiden van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Door de aangebrachte laadbak en huif vertoont het voertuig dusdanige overeenkomsten in uiterlijk met een vergelijkbaar type voertuig dat als personenauto wordt verkocht en maken die aanpassingen het ook mogelijk om het voertuig te gebruiken voor personenvervoer. Hierdoor onderscheidt het voertuig zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van de lading niet (langer) van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Dat de huif, zoals belanghebbende stelt, eenvoudig is te (de)monteren en geen vast onderdeel is van het voertuig, doet daaraan niet af (vgl. HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7713). Het voertuig kwalificeert dus alleen als bestelauto voor de MRB indien aan de inrichtingseisen is voldaan. Nu vaststaat dat het voertuig op het moment van de controle hier niet aan voldeed zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.\n\nMotiveringsbeginsel\n\n13. Volgens belanghebbende heeft verweerder het motiveringsbeginsel geschonden, omdat verweerder enkel motiveert dat de laadruimte niet voldoet aan de inrichtingseisen, maar gaat hij ten onrechte niet in op de vraag waarom in dit specifieke geval het motorrijtuig niet kwalificeert als bestelauto.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is het motiveringsbeginsel niet geschonden. De onderhavige uitspraken op bezwaar bevatten een voldoende toereikende motivering van de beslissingen van verweerder. Belanghebbende is het weliswaar niet eens met de volgens hem summiere motivering van verweerder, maar dat betekent niet dat sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel. Bovendien kunnen eventuele motiveringsgebreken in de bestreden besluiten in beroep worden hersteld. Verweerder mag daarom in beroep ook zijn besluit beter onderbouwen.\n\nVerzuimboete\n\n15. Indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, kan de inspecteur een verzuimboete van minimaal € 50 en ten hoogste € 5.514 opleggen (tekst 2024) (artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).\n\n16. Het beboetbare feit is door belanghebbende begaan, nu het voertuig niet kwalificeerde als bestelauto, maar de motorrijtuigenbelasting wel naar het bestelautotarief is aangegeven en betaald. Dat de boete achterwege dient te blijven, omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) is niet gesteld en ook niet gebleken. Ook acht de rechtbank de boete passend en geboden en ziet de rechtbank in de door belanghebbende aangedragen omstandigheden geen aanleiding om de boete te verminderen. Van de belastingplichtige die gebruik wenst te maken van een begunstigende regeling mag worden verwacht dat hij onderzoek doet naar de voorwaarden van die regeling.\n\n17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van\n\nH. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\nbij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\nhet hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde datum van verzending;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\ne redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5568","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:11.250Z",20]