[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-haarlem-property-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":44,"total":16,"page":25,"limit":86},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},67,"Haarlem","nl","haarlem",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},95,"property-law-nl","Property Law","NL","2026-07-08T16:56:12.367Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122897","Burgerlijk Wetboek","art. 2:15",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122898","art. 2:14",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122899","art. 5:130 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122900","art. 2:15 lid 3",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122902","art. 5:127 lid 1",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"122904","art. 2:8",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"122853","art. 5:121",[45,56,64,71,78],{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":49,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":50,"summary":49,"language":7,"source":51,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":53,"parsedAt":54,"updatedAt":55},"1928","ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","ecli-nl-rbnho-2026-7505","","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377432 \u002F KG ZA 26-238\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. E. Bongers,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. S.R. Baetens.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\n [eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en hebben samen een recreatiewoning van hun moeder geërfd. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juni 2025 (het vonnis) geoordeeld dat de woning te koop moet worden aangeboden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid krijgt de woning over te nemen tegen een waarde die gelijk is aan het hoogst uitgebrachte bod.\n\n [eiser] meent dat de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst heeft geleid en wil dat [gedaagde] meewerkt aan verkoop voor een zo hoog mogelijke opbrengst en op zo’n kort mogelijke termijn, waarbij zij eventueel het hoogste bod mag evenaren. Ook vordert [eiser] staking\u002Fschorsing van de uitvoering van de veroordeling tot betaling van dwangsommen aan haar. [gedaagde] meent dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Omdat [eiser] daar niet aan meewerkt, vordert zij een veroordeling ex artikel 3:300 BW, althans om haar vervangende toestemming te verlenen om tot verdeling te komen. Er is volgens haar geen aanleiding om de executie van dwangsommen te staken of schorsen. Zij vordert juist een verhoging van de dwangsommen om [eiser] mee te laten werken aan de uitvoering van het vonnis.\n\n1.2.. \n\nGelet op de omstandigheden tijdens de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling en op het feit dat in het vonnis is overwogen dat [eiser] er belang bij had dat de waarde van de woning werd bepaald door de woning (aan derden) te koop aan te bieden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat het verkoopproces niet heeft geleid tot vaststelling van een marktprijs, waartegen [gedaagde] de woning over zou mogen nemen. [gedaagde] zal daarom, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, worden veroordeeld om de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten, totdat in rechte is vastgesteld dat zij recht heeft op toedeling van de woning.\n\nOmdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning overeenkomstig 5.2. en 5.3. van het vonnis. Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, op straffe van een dwangsom. Deze twee veroordelingen zullen geclausuleerd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, om aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen recht te doen. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 35 producties\n\n- de conclusie van antwoord in kort geding tevens houdende eis in reconventie met 12 producties\n\n- de akte in het geding brengen productie tevens aanvulling eis van de kant van [eiser]\n\n- de aanvullende productie 36 van de kant van [eiser]\n\n- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van de kant van [eiser].\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen zijn de kinderen en de (enige) twee erfgenamen van de op 12 januari 2024 overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster.\n\n3.2.. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort (onder meer) een recreatiewoning, gelegen aan de [adres 1] [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.3.. Aan de woning is een hypothecaire geldlening verbonden van circa € 144.000,-.\n\n3.4.. De WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2023 is (na bezwaar) € 310.000,-, op peildatum 1 januari 2024 € 300.000,- en op peildatum 1 januari 2025 € 395.000,-.\n\n3.5.. In februari 2025 is een vergelijkbare woning, aan de [adres 2], verkocht voor een koopprijs van € 400.000,-. De vraagprijs bedroeg € 395.000,-. De woning heeft maar kort te koop gestaan.\n\n3.6.. Bij vonnis van 11 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft deze rechtbank de volgende veroordeling tussen partijen uitgesproken:\n\nin conventie\n\n5.1.. gelast de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende woning op de wijze zoals in het navolgende vermeld;\n\nin reconventie\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan makelaar [bedrijf] om de woning te koop te zetten conform de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid heeft om binnen vijf werkdagen na de dag van kennisneming van de biedingen mede te delen dat zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde die gelijk is aan de hoogste bieding, waarbij de overdracht aan dient plaats vinden binnen een termijn die niet meer is dan één maand langer dan die waartegen de hoogste bieder de woning zou kunnen afnemen;\n\n5.3.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.2 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie, verder\n\n5.4.. veroordeelt , binnen twee weken na het verstrekken van de opdracht aan de makelaar in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis, om:\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de door de makelaar gestelde verkoopvoorwaarden, zoals het openstellen van de woning voor bezichtigingen, het hanteren van een vraag- en laatprijs, zoals door de makelaar wordt geadviseerd, en alle overige activiteiten die door de makelaar zinvol worden geacht om tot een verkoop van de woning te komen, waarbij voorts kan worden gedacht aan het in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te laten bevinden van de woning, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar;\n\nmedewerking te verlenen aan alle verkoopduidingen die op het perceel en\u002Fof de woning door de makelaar zullen worden aangebracht;\n\n5.5.. veroordeelt - voor het geval (in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van , zijn medewerking te verlenen aan het notarieel transport van zijn aandeel in de woning aan , mits de akte in overeenstemming is met hetgeen in dit vonnis is bepaald en geen bepalingen inhoudt die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de notaris ten overstaan van wie de akte gepasseerd wordt;\n\n5.6.. veroordeelt - voor het geval niet (in overeenstemming met het bepaalde in van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om, steeds binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van :\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een verkoopovereenkomst;\n\nuiterlijk twee dagen voor de dag waarop de woning aan de kopende partij moet worden geleverd, de in zijn bezit zijnde sleutels ter vrije beschikking aan de kopende partij, althans de passerend notaris te stellen;\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen akte van levering op het overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nen bepaalt dat de netto verkoopopbrengst (na aflossing van de hypothecaire geldlening en na voldoening van de met de verkoop gepaard gaande kosten, zoals de makelaarskosten) bij helfte aan partijen wordt overgemaakt;\n\n5.7.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.4, 5.5 en\u002Fof 5.6 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. Met het oog op de verkoop van de woning hebben partijen een opdracht tot dienstverlening verstrekt aan [bedrijf] B.V (hierna: de makelaar) voor een vraagprijs van € 449.500,- kosten koper, waarin is opgenomen dat de verkoop zal plaatsvinden conform vonnis en volgens de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden verkoop bij inschrijving. Ook is vermeld dat inschrijfformulieren in gesloten envelop afgegeven kunnen worden op het kantoor van de makelaar of per e-mail aan de makelaar, waarbij beide verkopers pas na sluiting inschrijvingstermijn tegelijkertijd op de hoogte worden gebracht van alle biedingen.\n\n3.8.. Bij brief van 4 september 2025 hebben de advocaten van partijen een gezamenlijk verkoopvoorstel aan de makelaar voorgelegd. Dit hield onder meer in dat de makelaar het sluitingstijdstip (voor de biedingen) zou bepalen en dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Verder is in het voorstel – voor zover relevant – opgenomen:\n\nBiedingen worden door geïnteresseerden in een gesloten enveloppe bij u op kantoor ingediend, zodat de biedingen voor zowel verkopers als u niet transparant zijn gedurende het biedingsproces. Dit om beïnvloeding te voorkomen;\n\nDe enveloppen worden in het bijzijn van beide partijen geopend;\n\n [gedaagde] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen te laten weten of zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding;\n\nBesluit [gedaagde] de woning niet aan zich te laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding, dan zal de woning worden verkocht aan de hoogste bieder;\n\n3.9.. De woning is vervolgens in verkoop gebracht. Op de website van de makelaar en op Funda was vermeld dat biedingen tot uiterlijk 31 oktober 2025 uitgebracht konden worden.\n\n3.10.. De enveloppen met biedingen zouden in eerste instantie op dinsdag 4 november 2025 worden geopend, maar op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen zijn de datum en het tijdstip gewijzigd in vrijdag 31 oktober om 12.00.\n\n3.11.. Bij het openen van de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 bleken er twee biedingen te zijn gedaan. Eén door [gedaagde] voor € 300.000,- en één door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een vriendin van [gedaagde], voor € 302.500,-.\n\n3.12.. De makelaar heeft partijen diezelfde dag om 23.00 uur via whatsapp geïnformeerd dat hij ‘s avonds op zijn kantoor een nieuwe envelop met een biedingsformulier had aangetroffen. Het was een bieding van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) voor € 400.016,-.\n\n3.13.. De makelaar heeft op 3 november 2025 per email aan partijen onder meer het volgende geschreven:\n\nIk vermoed dat het volgende is gebeurd. Wij hebben op de website en verstrekte\n\nbiedingsformulieren gemeld dat de uiterlijke termijn om een eenmalig voorstel te doen per gesloten enveloppe op 31 oktober zou zijn. In de week voorafgaand aan 31 oktober hebben wij alle kandidaten die een bezichtiging in de agenda hebben gehad per email benaderd dat de inschrijving 31 oktober 12 uur sloot. Begin oktober hebben jullie ook mee gedaan aan de NVW open huizenroute. De derde bieder zal hoogstwaarschijnlijk een bezoeker van het open huis zijn geweest en daarom later het bod hebben bezorgd aan ons kantoor.\n\n(…).\n\nIk wil van jullie allebei per email bevestigd zien hoe we met de 3 biedingen omgaan en of [gedaagde] eventueel de woning zelf afneemt en tegen welke prijs. Ik ga er niet tussen zitten. Ik heb er ook geen mening over, jullie moeten dit zelf bepalen middels het vonnis van de rechtbank.\n\n3.14.. \n [gedaagde] heeft via haar advocaat het standpunt ingenomen dat de bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven, omdat die te laat is binnengekomen. In de email van 6 november 2025 heeft de advocaat bevestigd dat [gedaagde] de toedeling van de woning verlangt tegen het hoogste bod van € 302.500,- en onder dezelfde voorwaarden als door de hoogste bieder zijn gedaan. In de email is een financieringsvoorbehoud van 12 weken genoemd en dat de levering zo spoedig mogelijk plaatsvindt, doch niet later dan 1 april 2026.\n\n3.15.. Op 18 november 2025 heeft [eiser] via zijn advocaat aan [gedaagde] laten weten dat het bod van [betrokkene 2] wel tijdig, namelijk voor 31 oktober 2025 24.00 uur, is uitgebracht. Hij constateert dat [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad die bieding te evenaren, maar die ongebruikt heeft gelaten, zodat de makelaar geïnstrueerd moet worden om een koopovereenkomst op te stellen tussen [betrokkene 2] en partijen.\n\n3.16.. Nader overleg tussen partijen heeft er toe geleid dat zij op 30 december 2025 de makelaar hebben verzocht om [betrokkene 2] te vragen of hij nog bereid was de woning voor het door hem geboden bedrag af te nemen. [betrokkene 2] heeft de makelaar daarop bericht dat hij al had besloten om van de koop af te zien.\n\n3.17.. \n [gedaagde] heeft bij een notaris een concept akte van verdeling op laten maken en heeft via haar advocaat op 26 februari 2026 [eiser] gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan het passeren daarvan op 12 maart 2026. De advocaat schrijft ook dat het vonnis al eerder is betekend en [eiser] vanaf 13 maart € 250,- per dag aan dwangsom verschuldigd is als hij geen medewerking verleent. [eiser] heeft zijn medewerking niet verleend.\n\n3.18.. \n [eiser] heeft op 12 maart 2026 [gedaagde] via zijn advocaat gesommeerd om akkoord te gaan met verkoop van de woning op zo’n kort mogelijke termijn tegen een zo hoog mogelijke opbrengst. Daarbij is aangegeven dat een clausule kan worden toegevoegd die [gedaagde] het recht geeft om binnen 24 uur na het uitbrengen van een bieding die door de makelaar acceptabel wordt geacht, bedoelde bieding qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden te evenaren. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.\n\n3.19.. Op 22 april 2026 is [eiser] bij deurwaardersexploot aangezegd dat hij dwangsommen heeft verbeurd van 13 maart 2026 tot en met 21 april 2026 tot een maximum van € 10.000,00, met bevel tot betaling en aankondiging van beslaglegging.\n\n3.20.. \n [eiser] heeft [gedaagde] op 24 april 2026 gesommeerd te verklaren dat zij de aangekondigde executie zal staken\u002Fopschorten totdat tussen partijen in rechte vast staat dat zij op basis van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde biedprocedure recht heeft op toedeling van de woning aan haar en op de dwangsommen. [gedaagde] heeft niet op de sommatie gereageerd.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen om haar medewerking te verstrekken aan een (standaard) opdracht tot dienstverlening aan makelaar [bedrijf], althans een andere door de voorzieningenrechter aan te wijzen NVM-makelaar in de regio [naam], gericht op verkoop van de woning, waarbij partijen zich verplichten de instructies van de makelaar gericht op het bereiken van een zo hoog mogelijke opbrengst op zo’n kort mogelijke termijn te volgen, (subsidiair) met dien verstande dat [gedaagde] het recht heeft om binnen 24 uur na ontvangst van een kennisgeving van de makelaar van een door een derde uitgebrachte bieding die door hem qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden acceptabel wordt geacht, middels een schriftelijk bericht aan de makelaar en [eiser] kenbaar te maken dat zij die bieding wil evenaren en de woning toegedeeld wil krijgen tegen dezelfde prijs of dezelfde of betere voorwaarden als bedoelde bieder aan zijn bod verbonden had;\n\n [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, te voltooien of af te ronden;\n\n [gedaagde] te veroordelen na totstandkoming van een koopovereenkomst (met een derde) alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het notarieel transport, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen leveringsakte op het met de koper overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nstaking of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2025, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke keer dat zij na betekening van het te wijzen vonnis nalaat aan één van de verzochte veroordelingen onder 1 tot en met 4 te voldoen;\n\n5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het ten grondslag dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de bieding van [betrokkene 2] te evenaren. Omdat [betrokkene 2] door toedoen en tegenwerking van [gedaagde] is afgehaakt en zijn bod niet meer gestand wil doen, heeft de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Dat is ook het geval als aangenomen zou worden dat het bod van [betrokkene 2] te laat was uitgebracht, gelet op de samenspanning tussen [gedaagde] en [betrokkene 1], aldus [eiser]. Aangezien [gedaagde] al tijdens de rechtbankprocedure in 2025 heeft laten weten dat als de woning aanmerkelijk meer waard zou zijn dan uit de toen door haar in het geding gebrachte taxaties zou blijken, zij deze niet wil overnemen. Partijen kunnen daarom slechts één ding doen: de woning via de gebruikelijke route verkopen, met als doel op zo’n kort mogelijke termijn een zo hoog mogelijke opbrengst te bereiken, aldus nog steeds [eiser].\n\n4.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, omdat deze volgens haar overbodig zijn gemaakt. Als de voorzieningenrechter één of meer vorderingen toewijst, verzoekt zij om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat dit zal leiden tot een onomkeerbaar resultaat, namelijk verkoop van de woning aan een derde. Het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze voorlopige voorziening te kunnen procederen, weegt zwaarder dan het niet door [eiser] onderbouwde spoedeisende belang om direct na een te wijzen vonnis tot een gedwongen verkoop te kunnen komen, aldus nog steeds [gedaagde].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert onder meer aan dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Er is daarom geen aanleiding om de executie van dwangsommen (jegens [eiser]) te staken of schorsen. Het is niet [gedaagde], maar [eiser] die tekortschiet in de nakoming van het door de rechtbank gewezen vonnis, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.6.. \n [gedaagde] vordert om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verstaan dat het maximum van € 10.000,- aan verbeurde dwangsommen ter zake van de veroordeling, als opgelegd aan [eiser] bij vonnis van 11 juni 2025 is bereikt;\n\n [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat hij, na betekening van het te wijzen vonnis, niet aan de nakoming van een onderdeel van het vonnis van 11 juni 2025 voldoet en daarbij te bepalen dat daaraan een maximum wordt verbonden van € 150.000,-, althans, een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;\n\nte bepalen dat, wanneer het maximum van het in dit vonnis opgelegde dwangsommen is bereikt zonder tijdige nakoming door [eiser] van het vonnis van 11 juni 2025, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering (productie 6), die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de recreatiewoning aan [gedaagde] te komen;\n\nalthans aan [gedaagde] vervangende toestemming te verlenen om namens [eiser] over te gaan tot de ondertekening van de verdelingsakte, die is overgelegd als productie 5, die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de woning aan [gedaagde] te komen;\n\n [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding in reconventie, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n4.7.. \n [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat de rechtbank in het vonnis een wijze van verdeling heeft gelast waar uitvoering aan is gegeven. [eiser] werkt echter niet mee aan de laatste stap: medewerking aan de notariële akte van verdeling van woning aan haar. Het dwangmiddel dat de rechtbank heeft opgelegd is niet voldoende om [eiser] te bewegen aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te voldoen. Zij vordert daarom verhoging van de dwangsommen. Voor het geval [eiser] ook dan niet nakomt, vordert zij dat het vonnis in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering en meer subsidiair vervangende toestemming om namens [eiser] over te gaan tot ondertekenen van de verdelingsakte.\n\n4.8.. \n [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert dat toewijzing van het in conventie gevorderde impliceert dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie niet toewijsbaar zijn.\n\n4.9.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nSpoedeisend belang\n\n5.1.. Tussen partijen is sprake van een geschil over de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling van de woning. Een verschil van inzicht over de uitkomst van het biedingsproces heeft tot een impasse geleid. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de offerte die zij heeft liggen voor het overnemen van de woning maar een beperkte geldigheidsduur heeft, en haar mogelijk daarna niet nogmaals een aanbod wordt gedaan of tegen ongunstiger voorwaarden. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als die van [gedaagde] in reconventie.\n\nin conventie en in reconventie\n\nStaking \u002F schorsing executie dwangsommen\n\n5.2.. In dit geding gaat het in de kern om de vraag of, zoals [gedaagde] stelt, zij conform het vonnis heeft gehandeld en de voorwaarden waaronder de dwangsom door [eiser] is verschuldigd, zijn vervuld. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan die voorwaarden is voldaan, en dat, gelet op bij de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis aan het licht gekomen feiten, niet van hem gevergd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\nIs conform vonnis gehandeld?\n\n5.3.. \n [eiser] stelt dat niet het bod van [betrokkene 1], maar het bod van [betrokkene 2] het hoogste bod was dat is uitgebracht en dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat bod te evenaren. Daarom is volgens hem niet aan de voorwaarden voldaan om de woning aan [gedaagde] toe te delen. [gedaagde] betwist dat en voert aan dat het bod van [betrokkene 2] niet als een bieding kan worden gezien, omdat het biedingstraject al was geëindigd.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet kan volhouden dat het biedingsproces na op 31 oktober 2025 12.00 nog doorliep. Partijen hebben de makelaar in hun brief van 4 september 2025 (3.8) de opdracht gegeven om het sluitingstijdstip te bepalen en slechts aangegeven dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen is besloten om de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 te openen (3.10). Daarmee is het biedingstraject die dag om 12.00 gesloten. Dat vervroeging van het tijdstip mogelijk voor [betrokkene 2] niet kenbaar is geweest, doet daar niet aan af. Het gaat immers om de tussen partijen in onderling overleg ter uitvoering van het vonnis gemaakte afspraken. Dat brengt mee dat die bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven en voorshands uitgangspunt is dat het bod van [betrokkene 1] van € 302.500,- het hoogste bod is dat is uitgebracht. Daarmee is aan de orde de vraag of [gedaagde] door tijdig mee te delen dat zij de woning tegen die waarde aan zich wil laten toedelen, aan de voorwaarden heeft voldaan waaronder [eiser] medewerking aan toedeling moet verlenen.\n\n5.5.. \n [eiser] heeft dat betwist met de stelling dat (hem) is gebleken dat er tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] onderlinge afstemming heeft plaatsgehad over de door beide uitgebrachte biedingen. Volgens hem heeft de verkoop daarom niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Het ging immers om de vaststelling van een marktprijs door derden te vragen een bieding uit te brengen en daar is – zo begrijpt de voorzieningenrechter zijn stelling – geen sprake van wanneer biedingen met de belanghebbende bij de uitkomst van dat proces zijn beïnvloed. [gedaagde] heeft betwist dat daarvan sprake is geweest.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er afstemming tussen haar en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft immers niet betwist dat zij met betrekking tot de biedingsmogelijkheid en het biedproces contact met [betrokkene 1] heeft gehad, die een vriendin van haar is en peettante van haar dochter. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat zij beide dezelfde versie van het biedingsformulier hebben gebruikt, een versie die qua lay-out afwijkt van het biedingsformulier dat de makelaar gebruikt. Wat er ook zij van dat laatste, uit een verklaring van [betrokkene 1] van 1 mei 2026 blijkt dat zij het formulier voor zichzelf en [gedaagde] heeft uitgeprint. Ook heeft zij verklaard dat [gedaagde] haar erop heeft gewezen dat de woning beschikbaar was voor aankoop en dat het haar bekend was dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen. De verklaring luidt als volgt:\n\nHierbij verklaar ik. [betrokkene 1] dat ik interesse had in de recreatiewoning [adres 1] te [plaats 2]. Ik heb de woning op 29 september 2025 bezichtigd met de makelaar. Hierna heb ik op 13 oktober 2025 een bod van € 302.500, uitgebracht in een gesloten envelop.\n\nIk ben enige tijd daarvoor door [gedaagde] op de hoogte gebracht van de beschikbaarheid van de woning. Ik zag de aankoop van de recreatiewoning als een mooie investering. Ik heb zelf de hoogte van mijn bod bepaald: ik heb deze gebaseerd op de WOZ-waarde die € 300.000.- bedroeg. Ik wist dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen en heb haar daarvoor een biedingsformulier gegeven. Ik heb het biedingsformulier van de makelaar op 29 september ontvangen en uitgeprint vanuit Outlook.live.com: het was een docx document; mogelijk is de lay out daardoor bij het printen wat versprongen. Ik heb niets aan de inhoud of tekst gewijzigd.\n\nOp 27 oktober vernam ik van de makelaar dat de inschrijving sloot op 31 oktober 12.00 uur en ik heb mijn bod uiterlijk die dag nog tot 12.00 kon inleveren, waarna de enveloppen samen met de verkopers geopend zouden worden.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter acht het bod van [betrokkene 1] gelet op de vraagprijs van € 449.500,- opvallend laag, namelijk € 2.500,- boven de WOZ-waarde van € 300.000,-. Ook is opmerkelijk dat [gedaagde] de WOZ-waarde heeft geboden, terwijl zij in de eerder gevoerde bodemprocedure nog bereid was de woning op basis van taxaties voor € 310.000,- respectievelijk € 322.500,- over te nemen en een gelijksoortige woning inmiddels voor € 400.000,- was verkocht (3.5). De voorzieningenrechter acht in dat verband de verklaring van [gedaagde] niet geloofwaardig dat als zij [betrokkene 1] had laten weten dat ze zelf zou meebieden, zij een nog veel lager bedrag zou hebben genoemd. Daarbij komt dat [gedaagde] in de voorbereiding van het verkoopproces veel belang hechtte aan een gesloten proces met geheimhouding en onbekendheid van alle betrokkenen met de biedingen. Dat verhoudt zich niet met het feit dat zij zelf informatie heeft uitgewisseld met iemand van wie ze wist dat zij zou gaan bieden. Als uitleg voor het contact met [betrokkene 1], heeft [gedaagde] verklaard dat zij bang was dat [eiser] misbruik zou maken door een kennis ook mee te laten bieden. Feitelijk heeft [gedaagde] dat zelf gedaan en daarmee de door haar zelf overeengekomen nadere procedureafspraken geschonden. Het vonnis van 11 juni 2025 strekt er evidentelijk toe om een zuiver proces van marktconsultatie in te richten. Aan het proces zoals dat feitelijk is gevoerd kleven voldoende smetten om te oordelen dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling. Onder die omstandigheden kan [gedaagde] niet van [eiser] vergen dat hij meewerkt aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\n5.8.. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] in conventie onder 4, om [gedaagde] te veroordelen de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op toedeling van de woning toewijsbaar is. Deze zal uitvoerbaar bij voorraad worden toegewezen.\n\n5.9.. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd, maar wordt beperkt zoals in de beslissing vermeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.10.. Gelet op het oordeel in conventie, dat erop neerkomt dat [gedaagde] toedeling van de woning aan zichzelf voor een waarde van € 302.500,- vooralsnog niet kan afdwingen, zullen alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.\n\nin conventie verder\n\n5.11.. Omdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld om mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning, echter overeenkomstig het vonnis van 11 juni 2025. De vordering onder 1 van [eiser] zal in die zin worden toegewezen. Dat betekent dat [eiser] zich ook ditmaal zal moeten houden aan de in het vonnis aan hem opgelegde verplichtingen. Partijen kunnen het elkaar makkelijker maken door in overleg met de makelaar een vraagprijs vast te stellen die ertoe kan leiden dat de belangstelling in de markt voor de woning wat groter wordt zonder dat [gedaagde]’s kansen op succesvol matchen geheel verdwijnen. (Uiteraard staat het hen ook overigens vrij om afspraken te maken die zonder verder gedoe tot afwikkeling van deze kwestie kunnen leiden.)\n\n5.12.. De vordering onder 2, dat [gedaagde] zich zal onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, zal ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht toewijzing van deze vordering met dwangsom gepast, gelet op de niet weersproken feiten dat [gedaagde] Funda met succes heeft gesommeerd de woning van de site te halen en briefjes op de ramen van de woning heeft geplakt en na verwijdering is blijven plakken met daarop teksten dat de woning niet te koop is en verwijzing naar het vonnis van 11 juni 2025. De dwangsom wordt beperkt tot € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-.\n\n5.13.. De voorzieningenrechter zal de toewijzing van vordering 1 en 2 ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen zal recht worden gedaan door te bepalen dat [eiser] aan deze uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt.\n\n5.14.. De vordering onder 3, die ziet op medewerking van [gedaagde] aan alle handelingen die nodig zijn voor de levering van de woning na totstandkoming van een koopovereenkomst, zal worden afgewezen. Gelet op de inhoud van het vonnis van 11 juni 2025 heeft [eiser] bij die vordering geen belang.\n\nin conventie en in reconventie\n\nProceskosten\n\n5.15.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen in conventie en reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om de op 22 april 2026 aangekondigde executie op te schorten, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis, en de deurwaarder dienovereenkomstig te instrueren, totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] als uitkomst van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde inschrijvingsprocedure recht heeft op toedeling van de onverdeelde helft van de woning,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer of elke dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om medewerking te verlenen aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2], overeenkomstig het hiervoor sub 3.6 aangehaalde vonnis,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2] belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde], na betekening van dit vonnis, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 20.000,-,\n\n6.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en bepaalt dat [eiser] aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de onder 6.3 en 6.4 genoemde beslissing geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt,\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.8.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n6.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n1621","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:45.957Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":49,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":49,"language":7,"source":51,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":54,"updatedAt":63},"991","ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","ecli-nl-rbnho-2026-7585","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12001278 \\ EJ VERZ 25-62\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoeker 1], 2. [verzoeker 2], 3. [verzoeker 3], 4. [verzoeker 4], 5. [verzoeker 5], 6. [verzoeker 6], 7. [verzoeker 7], 8. [verzoeker 8], 9. [verzoeker 9], 10. [verzoeker 10],\n\nallen wonende te [plaats],\n\nverzoekende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verzoekers],\n\ngemachtigde: mr. M.B. van Munster,\n\ntegen\n\n1. [VVE 1], gevestigd te [plaats],\n\nniet verschenen, 2. [VVE 2],\n\ngevestigd te [plaats],\n\ngemachtigde: mr. P.G. Bekkers,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen: [VVE 1] dan wel [VVE 2].\n\nDe zaak in het kortDe verzoeken tot nietigheid dan wel vernietiging van de besluiten zijn niet toewijsbaar. Van strijd met de splitsingsakte is geen sprake, evenmin zijn de besluiten van de ALV van de VvE’s van 6 november 2025 in strijd met de redelijkheid en billijkheid genomen. Ook van misbruik van een meerderheidsstem in de ALV van [VVE 2] is de kantonrechter niet gebleken. De verzochte voor recht verklaring is niet toewijsbaar, omdat dit verzoek niet ziet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en de VvE’s.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen die door Schreiber zijn overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het complex [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer 19243\u002F150, (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3. Bij de splitsingsakte is eveneens [VVE 1] opgericht.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 1] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 3], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 4] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 2] optreedt.\n\n2.4.. \n [VVE 2] is ondergesplitst in 235 appartementsrechten. In artikel 32 lid 3 van het model splitsingsreglement 1992 (hierna: splitsingsreglement 1992) die ziet op de ondersplitsing van [VVE 2] staat – voor zover van belang –: “(…) De stemmen voor het in de ondersplitsing betrokken appartementsrecht behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.(…)”.\n\n2.5.. \n [verzoekers] zijn allen eigenaars van appartementsrechten binnen het wooncomplex van [naam]. [verzoekers] zijn als eigenaars van die appartementsrechten van rechtswege lid van [VVE 3] en [VVE 2].\n\n2.6.. Op 6 november 2025 heeft een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) plaatsgevonden in [VVE 2]. Uit de notulen van die ALV volgt dat – voor zover van belang – de volgende besluiten zijn genomen: “Besluitenlijst [VVE 2](…)8. Boetebesluit [VVE 2]8.1 De leden besluiten het boetebesluit, zoals besproken, niet vast te stellen voor de [VVE 2].9. Boetebesluit VvE Hoofdvereniging9.1 Er wordt op eensluidende wijze gestemd om de vertegenwoordiger [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit [VVE 1].10. Incassoprocesvolmacht10.2 De vergadering besluit het bestuur (in welke vorm deze zich bevind) volmacht te verlenen zoals omschreven in het belegstuk.11. Bestuursprocesvolmacht11.1 Er wordt door de vergadering geen procesvolmacht verleent aan het bestuur.12. Ontslag bestuur [VVE 2]12.1 De vergadering besluit het bestuur van [VVE 1] per direct te ontslaan.13. Benoeming bestuur [VVE 2]13.1 De vergadering besluit tegen het instellen van een intern bestuur.13.2 De vergadering besluit tegen het machtigen van het bestuur om de werving via meervoudig aanbesteden te initiëren.13.3 De vergadering besluit de externe partij, [bedrijf], te benoemen als bestuur van de [VVE 2]. Hoorne Vastgoed zal de aanvullende kosten voor dit externe bestuur op zich nemen.”\n\n2.7.. Ook op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 zijn besluiten genomen. In de besluitenlijst van die ALV staat: “Besluitenlijst [VVE 1](…)7. Incassoprocesvolmacht7.1 De leden stemmen tegen het verlenen van incassoprocesvolmacht aan haar bestuur.8. Bestuursprocesvolmacht8.1 De leden stemmen tegen het verlenen van bestuursprocesvolmacht aan haar bestuur.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:\n\nom de besluiten van [VVE 1] en [VVE 2] zoals genomen op de ALV’s van 6 november 2025 en die zien op: 1) de afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen; en 2) de besluiten dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1]; nietig te verklaren dan wel te vernietigen,\n\nvoor recht te verklaren dat het stemrecht dat aan [VVE 2] toekomt in [VVE 1] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2],\n\nom de besluiten van [VVE 2] zoals genomen op de ALV van 6 november 2025 en die zien op: A) de afwijzing van het voorstel om een boetebesluit vast te stellen; B) het besluit om de vertegenwoordiger van [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit in [VVE 1]; C) de afwijzing van het voorstel om aan het bestuur een procesvolmacht te verlenen; D) het besluit om het bestuur van [VVE 2] direct te ontslaan; E) het besluit om (en deel van) het zittende bestuur dan wel een ander lid van [VVE 2] te benoemen als bestuur; F) het besluit om niet via een meervoudige aanbesteding een nieuw bestuur voor [VVE 2] te werven; en G) het besluit om [bedrijf] te benoemen als bestuurder van [VVE 2], waarbij Hoorne Vastgoed B.V. de aanvullende kosten op zich zal nemen; te vernietigen,\n\nom aan het bestuur van [VVE 1] een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, alsmede om aan het bestuur van [VVE 2] een procesvolmacht te verlenen, zoals verzocht op de ALV van beide VvE’s van\n\n6 november 2025,\n\n- [VVE 1] en [VVE 2] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan de verzoeken hebben [verzoekers] – voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de wijze van stemmen beroepen [verzoekers] zich op artikel 33 lid 3 van de splitsingsakte van [VVE 2], waaruit volgt dat in dit geval sprake is van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het besluit dat de stemmen van [VVE 2] op eensluidende wijze moeten worden meegenomen bij [VVE 1] is in strijd met de splitsingsakte en levert daarom nietigheid van dat besluit op. Verder zijn de besluiten vernietigbaar, omdat die in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn genomen. Hoorne Vastgoed B.V. (hierna: Hoorne Vastgoed) is evenals [verzoekers] lid van [VVE 2] en maakt misbruik van haar meerderheidsmacht. Hoorne Vastgoed handelt feitelijk in haar eigen belang en daarmee overduidelijk in strijd met het belang van [VVE 2], aldus [verzoekers]\n\n3.3.. \n [VVE 1] is niet in deze procedure verschenen. [VVE 2] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid van de kantonrechter\n\n4.1.. Voordat de kantonrechter op de standpunten van partijen kan ingaan, zal zij eerst moeten vaststellen of hij bevoegd is om te oordelen over het primaire verzoek van verzoekers. Vernietiging van een besluit van de VvE vindt weliswaar plaats door een uitspraak van de kantonrechter, maar een beroep op de nietigheid van een VvE-besluit moet volgens de wet aan de orde worden gesteld door middel van een dagvaarding bij de rechtbank.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat hij in dit geval bevoegd is om de verzoeken te beoordelen. Het hof Den Haag heeft in zijn arrest van 18 december 2018namelijk geoordeeld dat in een geval waarin zowel een beroep op de nietigheid van een besluit als een beroep op vernietiging van dat besluit wordt gedaan de kantonrechter bevoegd is om over beide kwesties te beslissen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 10 juli 2020. De procedure hoeft dus niet te worden gesplitst om de nietigheid van de besluiten in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure bij de rechtbank te laten beoordelen.\n\nOntvankelijkheid van [verzoekers]\n\n4.3.. De volgende vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of [verzoekers] ontvankelijk zijn in het verzoek. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. [verzoekers] hebben weliswaar niet betwist dat zij geen lid zijn van [VVE 1], maar dat betekent nog niet dat zij geen procedure tegen die VvE kunnen voeren. Uit de wet volgt dat iedereen die daar een redelijk belang bij heeft om vernietiging van een besluit kan verzoeken. Het is dus niet noodzakelijk om lid van de VvE te zijn, wel dat sprake is van een redelijk belang. Dat [verzoekers] als bewoners een redelijk belang hebben bij vernietiging van de besluiten staat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat het voorgaande ook geldt voor een beroep op nietigheid van een besluit. Nietigheid van een besluit betekent immers dat dat besluit geacht wordt nooit te hebben bestaan. In principe kan dus een ieder die meent dat een besluit nietig is dit mededelen aan degene die zich op dat nietige besluit beroept. Voor een verklaring voor recht is wel vereist dat de verzoeker daarbij voldoende belang heeft, maar zoals hiervoor overwogen staat dat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\nDe verzoeken tot nietigverklaring van de besluiten zijn niet toewijsbaar4.5.. Als een besluit van de VvE strijdig is met de splitsingsakte, leidt dat tot nietigheid van dat besluit. De beoordeling of het besluit al dan niet nietig is, is niet onderworpen aan een belangenafweging.\n\n4.6.. \n [verzoekers] verzoeken om het besluit tot afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, zoals genomen op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025, nietig te verklaren. Niet is gebleken dat dit besluit is genomen in strijd met de splitsingsakte. Evenmin hebben [verzoekers] onderbouwd op welke gronden dit besluit nietig moet worden verklaard. Van nietigheid van dat besluit kan daarom geen sprake zijn. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar.\n\n4.7.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter ook om het besluit dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1], nietig te verklaren. Daartoe stellen [verzoekers] dat dit besluit in strijd is met het ten behoeve van [VVE 2] opgestelde splitsingsreglement 1992. Daaruit volgt immers dat de stemmen van [VVE 2] naar rato, en dus op basis van evenredige vertegenwoordiging, moeten worden uitgebracht in [VVE 1], aldus [verzoekers]\n\n4.8.. De wetschrijft voor dat de stemmen van de leden van de onder-VvE’s (de ondersplitsingen) in de vergadering van eigenaars van de hoofd-VvE worden uitgebracht door het bestuur van de onder-VvE’s. Die stemmen behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.\n\n4.9.. In het onderhavige geval heeft [VVE 2] gemotiveerd betwist dat het besluit tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht in strijd is met de splitsingsakte. Uit de splitsingsakte van [VVE 1] volgt dat de wijze waarop de stemmen van [VVE 2] in de ALV van [VVE 1] worden uitgebracht, wordt overgelaten aan de splitsingsakte van [VVE 2]. In de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 is besloten dat de wijze waarop zal worden gestemd in de ALV van [VVE 1] door [VVE 2] eensluidend zal zijn. Dit is niet in strijd met het splitsingsreglement 1992 van [VVE 2], want volgens [VVE 2] volgt uit artikel 33 lid 3dat het districtenstelsel hier van toepassing is. Dit houdt in dat de stemmen die worden uitgebracht in de ALV van [VVE 2] eensluidend – oftewel unaniem – in de ALV van [VVE 1] zullen worden uitgebracht. Ter onderbouwing verwijst [VVE 2] naar een uitspraak van het hof Amsterdam van 7 april 2005, dat het betoog van [VVE 2] volgens haar ondersteunt.\n\n4.10.. Scheiber c.s. hebben het voorgaande niet gemotiveerd weersproken. Voor zover [verzoekers] stellen dat in het verleden niet eensluidend is gestemd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de ALV van [VVE 2] niet mag besluiten over te gaan op een dergelijke wijze van stemmen. Uit het splitsingsreglement 1992 die op [VVE 2] van toepassing is, volgt dat een dergelijke keuze weldegelijk mag worden gemaakt. De kantonrechter concludeert daarom dat geen sprake is van een besluit genomen in strijd met de splitsingsakte, zodat de verzochte nietigheid van dat besluit niet toewijsbaar is.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen4.11. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel ook in een verzoekschriftprocedure kan worden gegeven, is daarvoor wel vereist dat die verklaring voor recht binnen de grenzen blijft van de toepasselijke wetsbepalingen en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen verzoeker en verweerder. Dat is hier niet het geval. Uit het verzoek volgt dat [verzoekers] voor recht wenst te verklaren dat het stemrecht dat binnen [VVE 1] toekomt aan [VVE 2] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2]. De verzochte verklaring voor recht ziet dan ook specifiek op de rechtsverhouding tussen [VVE 1] en [VVE 2] en niet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en [VVE 2] dan wel [VVE 1]. De verzochte verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet juridisch kader omtrent vernietiging van besluiten\n\n4.12.. De kantonrechter stelt voorop dat het verzoekschrift is ingekomen op de griffie op 5 december 2025. Aangezien de ALV waarop de besluiten zijn genomen, heeft plaatsgevonden op 6 november 2025, is het verzoek tot vernietiging tijdig gedaan, namelijk binnen een maand.\n\n4.13.. De kantonrechter overweegt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheidof (c) strijd met een reglement.Ten aanzien van een beroep op vernietiging wegens ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid’ geldt het volgende. De toetsing door de rechter is marginaal. Dat betekent dat de vergadering een ruime mate van eigen verantwoordelijkheid toekomt. Het gaat er niet om of een ‘beter’ besluit genomen had kunnen worden, maar of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.\n\n4.14.. \n\nOf het besluit vernietigbaar is wegens misbruik van een meerderheidspositie hangt af van de vraag of het besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Feitelijk komt dit neer op de vraag of een eigenaar met doorslaggevende stem (in dit geval Hoorne Vastgoed), mede gelet op de belangen van de minderheidseigenaren, in redelijkheid tot verwerping van het voorstel kon komen. Een eigenaar mag zijn\n\nmeerderheidsmacht binnen de vergadering van de VvE gebruiken en haar belangen binnen redelijke grenzen beschermen. Een besluit van de VvE moet echter voldoen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die ten opzichte van de overige eigenaren in acht moet worden genomen. Vooral bij mogelijke verstrengeling van belangen moet de eigenaar met een meerderheidsbelang een hoge mate van zorgvuldigheid en openheid betrachten, waarbij hij zoveel mogelijk de verschillende belangen gescheiden moet houden. Daartegenover staat dat enkele feit dat een lid van een VvE vanwege haar meerderheidsbelang een besluit eenzijdig kan tegenhouden, niet maakt dat dat lid misbruik maakt van haar meerderheidsmacht.\n\nHet verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht, alsmede de verzochte vervangende machtiging tot verkrijging daarvan zijn niet toewijsbaar\n\n4.15.. De besluiten ten aanzien van de incasso- en procesvolmacht die op 6 november 2025 in de ALV van [VVE 1] zijn genomen, zijn volgens [verzoekers] genomen ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [VVE 1] heeft een belang bij een incassomandaat, zodat zij incassomaatregelen kan treffen tegen een lid van die VvE dat haar betalingsverplichtingen niet nakomt. Hetzelfde geldt voor de procesvolmacht. Door tegen het besluit tot verkrijging daartoe te stemmen, is het voor het bestuur van [VVE 1] niet mogelijk om de regels die gelden binnen de VvE te kunnen handhaven. Daarbij komt dat misbruik wordt gemaakt van een meerderheidsmacht, omdat Hoorne Vastgoed volgens [verzoekers] enkel oog heeft voor haar eigen belangen. Het voorgaande is door [VVE 2] gemotiveerd betwist.\n\n4.16.. De kantonrechter is van oordeel dat [VVE 1] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van het verzoek tot afgifte van een incasso- en procesvolmacht. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor uiteengezet is de toetsing door de rechter marginaal. In het onderhavige geval is de kantonrechter niet gebleken dat het niet verkrijgen van een incasso- en procesvolmacht voor het bestuur van [VVE 1] zodanige nadelige gevolgen heeft dat het haar onmogelijk wordt gemaakt om een debiteurenbeheer te voeren. Het betoog van [VVE 2] dat op het moment dat dergelijke incasso- of procesrechtelijke kwesties spelen er bij ALV gestemd kan worden over de voortgang van die specifieke zaak, is daarnaast door [verzoekers] niet weersproken. Dat het bijeenroepen van een ALV per incident inefficiënt is, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van een besluit dat is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat binnen de ALV van [VVE 1] bij de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 geen rekening is gehouden met de belangen van haar leden, is de kantonrechter niet gebleken.\n\n4.17.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om de besluiten van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van verlening van een incasso- en procesvolmacht te vernietigen, zal worden afgewezen. Er is daarom ook geen grond om [verzoekers] een vervangende machtiging te verlenen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.\n\nDe verzoeken tot vernietiging van de besluiten van de ALV van [VVE 2] van 6 december 2025 zijn niet toewijsbaar\n\n4.18.. Ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van besluit A), overweegt de kantonrechter als volgt. In dit geval is de kantonrechter niet gebleken dat in strijd is gehandeld met de belangen van de belangen van alle (in de minderheid zijnde) eigenaren. Zoals hiervoor overwogenis dit besluit niet in strijd met de splitsingsakte. De kantonrechter passeert het betoog van [verzoekers] dat sprake is van een frustratie van de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 door Hoorne Vastgoed, omdat dergelijke omstandigheden hem niet zijn gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed een meerderheidsbelang heeft is hiertoe in ieder geval onvoldoende. De verzochte vernietiging is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.19.. \n [verzoekers] verzoeken verder vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder B) en C). Zij stellen daartoe dat doel van het boetebesluit is om een objectief referentiekader te geven voor de inhoud van de bevoegdheid die het bestuur van [VVE 2] heeft volgens het splitsingsreglement 1992. Het niet vaststellen van het boetebesluit maakt het volgens [verzoekers] niet onmogelijk om als bestuur boetes op te leggen. Het boetebesluit is ter sprake gekomen omdat leden van [VVE 2] – in het bijzonder Hoorne Vastgoed – zich niet altijd aan de splitsingsakte houden en het bestuur van [VVE 2] een ‘stok’ wenst te verkrijgen om overtreders aan te kunnen pakken. Hoorne Vastgoed heeft tegen dit besluit gestemd uit eigenbelang, aldus [verzoekers]4.20.. De kantonrechter oordeelt dat besluit B) en C) niet zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid, noch dat sprake is van misbruik van een meerderheidsmacht. In het onderhavige geval hebben [verzoekers] onomwonden gesteld dat het bestuur wordt gefrustreerd om bij toekomstige overtredingen door Hoorne Vastgoed te kunnen handhaven (de kantonrechter begrijpt) in de vorm van het opleggen van boetes conform het boetebesluit. Dat Hoorne Vastgoed tegen deze besluiten heeft gestemd, maakt onder deze omstandigheden niet dat misbruik is gemaakt van haar meerderheidsmacht. De verzochte vernietiging van die besluiten is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.21.. Omdat van vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder C) geen sprake is, is het verzoek tot verkrijging van een vervangende machtiging daartoe niet toewijsbaar.\n\n4.22.. \n [verzoekers] verzoeken vernietiging van de besluiten onder D) tot en met G). Zij stellen daartoe dat Hoorne Vastgoed op onredelijke wijze misbruik maakt van haar meerderheidsmacht, omdat het oude bestuur hoofdzakelijk is ontslagen wegens de stroeve samenwerking met Hoorne Vastgoed. Dat dit bestuur niet functioneerde is volgens [verzoekers] aantoonbaar onjuist. Het ontslag van het bestuur is buitenproportioneel en weerspiegelt uitsluitend de belangen van Hoorne Vastgoed. Daarbij komt dat de aanstelling van [bedrijf] in strijd is met de reeds door de ALV van [VVE 2] vastgestelde criteria waar beheerders aan moeten voldoen. Ter onderbouwing leggen [verzoekers] het document “Selectie VvE-beheerder [naam]” over, waarin – voor zover van belang – staat: “Selectie van de beoogde VvE-beheerder zal in beginsel plaatsvinden aan de hand van de volgende gunningscriteria:(…)”. [bedrijf] is een adviseur van Hoorne Vastgoed. Dat Hoorne Vastgoed daarbij de extra kosten van [bedrijf] op zich neemt is verder zeer onwenselijk, aldus [verzoekers]\n\n4.23.. \n [VVE 2] heeft hiertegen ingebracht dat een onwerkbare situatie was ontstaan tussen het oud bestuur en Hoorne Vastgoed. Een onderbouwing dat bij de totstandkoming van deze besluiten misbruik is gemaakt van de stemmeerderheid van Hoorne Vastgoed ontbreekt. Hoorne Vastgoed heeft aangeboden de meerkosten die [bedrijf] met zich meebrengt op zich te nemen, om zo de andere leden van [VVE 2] niet met hogere kosten te confronteren, aldus [VVE 2].\n\n4.24.. De verzochte vernietiging van de besluiten zoals opgenomen onder D) tot en met G) zijn niet toewijsbaar. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt. In een ALV kan te allen tijde besloten worden het bestuur van de VvE te ontslaan. Daarvoor is niet vereist dat het huidige bestuur niet of niet naar behoren functioneert. Verder is voor het benoemen van een nieuw bestuur binnen [VVE 2] een document opgesteld waarin de selectieprocedure wordt omschreven die in beginselmoet worden gevolgd. Daaruit volgt genoegzaam dat afwijking van die selectieprocedure mogelijk is. Uit de besluiten genomen op de ALV van [VVE 2] van 6 november 2025 volgt genoegzaam dat van die standaard selectieprocedure is afgeweken. Niet gebleken is waarom die besluiten in strijd zouden zijn met de redelijkheid en billijkheid. Evenmin is gebleken dat Hoorne Vastgoed misbruik maakt van haar meerderheidsmacht. In dit geval heeft [VVE 2] gemotiveerd uiteen gezet op welke wijze de besluiten tot stand zijn gekomen, waarbij gemotiveerd is aangevoerd welke belangen Hoorne Vastgoed en de andere eigenaren daarbij hadden. Daarbij komt dat Hoorne Vastgoed bij de besluitvorming het financieel belang van de overige eigenaren heeft meegenomen door de kosten voor inschakeling van [bedrijf] op zich te nemen. Dat daarbij sprake is van een mogelijke belangenverstrengeling, zoals [verzoekers] stellen, is de kantonrechter niet gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed vaker betrokken is bij een VvE waarbij [bedrijf] als bestuurder optreedt, maakt niet dat sprake is van een verstrengeling van belangen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.14.\n\n [verzoekers] moeten de kosten betalen.\n\n4.25.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoekers] omdat zij ongelijk krijgen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [VVE 2] worden vastgesteld op € 576,00 (2x € 288,00) aan salaris van de gemachtigde,5.3.. verklaart de veroordeling in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [verzoekers] een beroep doen op artikel 5:130 jo. 2:15 jo. 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 5:130 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in verbinding met artikel 2:15 BW.\n\n Artikel 2:14 BW.\n\n ECLI:NL:GHDHA:2018:3932.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1275\n\n Artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 lid 3 BW.\n\n Vgl. artikel 3:303 BW.\n\n Op grond van artikel 2:14 jo 5:129 lid 1 BW.\n\n Artikel 5:127 lid 1 BW.\n\n Dit volgt ook uit de splitsingsakte.\n\n De kantonrechter begrijpt dat [VVE 2] hier tracht te verwijzen naar artikel 32 lid 3 van het splitsingsreglement 1992.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6340.\n\n Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319, r.o. 3.2.2.\n\n Zoals vereist op grond van artikel 5:130 lid 2 BW.\n\n Die door artikel 2:8 BW worden geëist.\n\n Op grond van artikel 2:15 BW.\n\n Zie rechtsoverweging 4.5. tot en met 4.10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","2026-07-13T00:28:57.861Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":49,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":68,"summary":49,"language":7,"source":51,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":54,"updatedAt":70},"953","ECLI:NL:RBNHO:2026:7580","ecli-nl-rbnho-2026-7580","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11916323 \\ EJ VERZ 25-55\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\ngemachtigde: mr. M.B. van Munster,\n\ntegen\n\n [verweerder] B.V.,\n\nte [plaats 2],\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder], gemachtigde: mr. R. Schram.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn dit geschil zijn [verzoeker] en [verweerder] uitsluitend procespartijen. [verzoeker] wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vernietiging het besluit en verkrijging van een vervangende machtiging, omdat uitsluitend aan (het bestuur van) [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3] het vernietigingsrecht voor besluiten genomen in [VVE 4] dan wel het recht tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daarvan is toegekend. De verzochte voor recht verklaring is niet toewijsbaar, omdat dit verzoek niet ziet op de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerder].1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 2 oktober 2025 - het herziene verzoekschrift\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- de pleitaantekeningen die namens [verzoeker] zijn overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. \n\nDe beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het complex [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer [kadaster nummer], (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3. Bij de splitsingsakte is eveneens de [VVE 4] opgericht.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 4] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 1], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 2] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 3] optreedt.\n\n2.4.. \n [verzoeker] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) zijn gezamenlijk eigenaar van het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woonruimte op de eerste verdieping met berging in de kelder, gelegen aan het [adres] te [plaats 1]. [verzoeker] en [betrokkene] zijn hierdoor lid van de [VVE 1] en de [VVE 3].\n\n2.5.. \n [verweerder] is lid van de [VVE 2] en de [VVE 3].\n\n2.6.. In het e-mailbericht van [verzoeker] van 2 oktober 2025 aan de rechtbank, waarbij het verzoekschrift is overgelegd, staat onder meer: “(…) Dit verzoekschrift is pro forma omdat mijn advocaat (via Achmea RB-003932214) gelet op de korte termijn (ik wist pas afgelopen maandag dat ikzelf ook een verzoekschrift zou moeten indienen) niet in staat was op tijd een verzoekschrift in te dienen. Ik doe dit nu snel zelf. Mijn verzoek is ook om behandeling aan te houden tot mijn advocaat zich meld en de gronden van mijn verzoek heeft gecontroleerd gecorrigeerd of aangevuld.(…)”.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter: - het besluit genomen in de vergadering van eigenaars van 4 september 2025 om geen boetebesluit vast te stellen, te vernietigen; - voor recht te verklaren dat [verweerder] misbruik maakt van een meerderheidsmacht; - [VVE 4] te machtigen tot het vaststellen van het voorgestelde boetebesluit als behandeld op de vergadering van 4 september 2025; - [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Het besluit de algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van [VVE 4] van 4 september 2025 dat geen boetebesluit wordt vastgesteld moet worden vernietigd, omdat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij komt dat een vervangende machtiging kan worden verleend, indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd. Volgens [verzoeker] is daar sprake van. Aanleiding om het boetebesluit ter besluitvorming voor te leggen is de weigering van [verweerder] om gebruikersverklaringen zoals bedoeld in artikel 42 van de splitsingsakte aan [VVE 4] af te geven. Het niet overleggen van die verklaringen belemmert het bestuur van die VvE zeer ernstig in de uitvoering van haar taken. Hoewel [verweerder] mag stemmen conform haar eigen belang, worden de individuele eigenaren zoals [verzoeker] onredelijk benadeeld, omdat een boetebesluit hen rechtszekerheid biedt en het bestuur van [VVE 4] in staat stelt de regels adequaat te handhaven.\n\n3.3.. \n [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nPartij bij dit geschil zijn [verzoeker] en [verweerder]\n\n4.1.. De kantonrechter zal allereerst oordelen wie procespartijen zijn in dit geschil. In het onderhavige geval is op 2 oktober 2025 bij de rechtbank per e-mail een verzoekschrift binnengekomen, waarin uitsluitend [verzoeker] als verzoeker en [verweerder] als verweerder staan vermeld. In die e-mail is verzocht om de behandeling aan te houden tot de gronden van het verzoek zijn ‘gecontroleerd, gecorrigeerd of aangevuld’ door de gemachtigde van [verzoeker]. Op 7 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] een verzoekschrift ingediend met de titel: “Herziene versie van het verzoekschrift(…)”. Het ‘herziene verzoekschrift’ is ingediend namens [verzoeker] en [betrokkene] en richt zich tegen zowel [verweerder] als [VVE 4].\n\n4.2.. De kantonrechter begrijpt uit het betoog van [verzoeker] en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van dit geschil naar voren is gekomen dat [verzoeker] niet de wens heeft gehad het verzoek van 2 oktober 2025 in te trekken en te vervangen voor het ‘herziene verzoekschrift’. Daarom concludeert de kantonrechter dat het verzoekschrift zoals door [verzoeker] ingediend per e-mail van 2 oktober 2025 als uitganspunt moet worden genomen, zodat deze procedure per die datum aanhangig is gemaakt.\n\n4.3.. In een verzoekschriftprocedure kan een partij zich voegen of tussenkomen om de belangen van een van de bestaande procespartijen te ondersteunen. Dit kan door een incidentele vordering in te stellen.De partij die om voeging of tussenkomst vraagt moet een voldoende belang kunnen aantonen, waarna de rechter beoordeelt of voeging of tussenkomst toelaatbaar is.\n\n4.4.. In de onderhavige procedure zijn [verzoeker] en [verweerder] in ieder geval procespartij. Bij het herziene verzoekschrift heeft [verzoeker] getracht [betrokkene] en [VVE 4] zonder voeging of tussenkomst bij deze procedure te betrekken. Elke grondslag voor het wijzigen dan wel toevoegen van een verzoeker en verweerder zoals gedaan bij het ‘herziene verzoekschrift’, ontbreekt. Omdat [betrokkene] noch [VVE 4] heeft verzocht om voeging of tussenkomst in deze procedure, maken zij hier geen onderdeel van uit. De kantonrechter concludeert dan ook dat uitsluitend [verzoeker] en [verweerder] procespartij zijn bij dit geschil, en hij zal het verzoek ook als zodanig verder in behandeling nemen.\n\n [verzoeker] is niet ontvankelijk in zijn verzoeken\n\n4.5.. De kantonrechter begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat hij verzoekt om vernietiging van het besluit om geen boetebesluit vast te stellen, zoals genomen op de ALV van [VVE 4] van 4 september 2025. Ook het verzoek tot het verlenen van een vervangende machtiging voor het vaststellen van dit boetebesluit ziet op het machtigen van (het bestuur van) [VVE 4].\n\n4.6.. Het vernietigingsrecht is door de wetgevertoegekend aan de appartementseigenaar, ofwel aan de gerechtigde tot een aandeel in de goederen die in de splitsing zijn betrokken. Ook het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging is uitsluitend toegekend aan de appartementseigenaar.4.7.. Uit de splitsingsakte volgt dat [VVE 4] drie appartementsrechten kent, die in de ALV worden vertegenwoordigd door [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3]. Dit heeft tot gevolg dat uitsluitend aan (het bestuur van) [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3] het vernietigingsrecht voor besluiten genomen in de ALV van [VVE 4] dan wel het recht tot het verkrijgen van een vervangende machtiging is toegekend.\n\n4.8.. De kantonrechter concludeert dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoeken, voor zover die verzoeken zien op de vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 4] tot afwijzing van het vaststellen van een boetebesluit zoals genomen op 4 september 2025 en het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daartoe. Dat [verzoeker] lid is van [VVE 1] en [VVE 3] leidt niet tot een ander oordeel.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen4.9. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel ook in een verzoekschriftprocedure kan worden gegeven, is daarvoor wel vereist dat die verklaring voor recht binnen de grenzen blijft van de toepasselijke wetsbepalingen en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen verzoeker en verweerder. Dat is hier niet het geval. [verzoeker] heeft toegelicht dat het door [verweerder] gemaakte misbruik van haar meerderheidsmacht hoofdzakelijk is gericht op het niet meewerken van [verweerder] aan de vaststelling van het boetebesluit binnen (naar de kantonrechter begrijpt) [VVE 4]. De verzochte verklaring voor recht ziet dan ook specifiek op de rechtsverhouding tussen [VVE 4] en (indirect) [verweerder] en niet op de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerder]. De verzochte verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.\n\n [verzoeker] c.s. worden veroordeeld in de kosten\n\n4.10.. \n [verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n130,50\n\n(1,5 punten × € 87,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n174,00\n\n5. 5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoeken die zien op de vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 4] tot afwijzing van het vaststellen van een boetebesluit zoals genomen op 4 september 2025 en het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daartoe,5.2.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 174,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze beschikking, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [VVE 4] een beroep doet op onder meer artikel 5:130 jo 2:15 lid 1 sub b jo 2:8 BW.\n\n Op grond van artikel 5:121 BW.\n\n Waarbij moet worden voldaan aan de eisen van artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).\n\n Op grond van artikel 5:140 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 5:106 leden 5 en 4 BW.\n\n Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319, r.o. 3.2.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7580","2026-07-13T00:28:56.412Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":49,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":75,"summary":49,"language":7,"source":51,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":54,"updatedAt":77},"981","ECLI:NL:RBNHO:2026:7582","ecli-nl-rbnho-2026-7582","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11907888 \\ EJ VERZ 25-53\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [VVE 1],\n\ngemachtigde: mr. L. Rietbergen,\n\ntegen\n\nHOORNE VASTGOED B.V.,\n\nte Uitgeest,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Hoorne Vastgoed,\n\ngemachtigde: mr. R.A.M. Schram,\n\nDe zaak in het kort[VVE 1] heeft geen procesvolmacht voor het voeren van deze procedure, zodat zij niet-ontvankelijk is in haar verzoeken.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift - het aanvullend verzoekschrift van 31 maart 2025\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen die namens [VVE 1] zijn overgelegd en voorgedragen.1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.\n\n2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer 19243\u002F150, (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 1] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 2], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 3] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 4] optreedt.\n\n2.4.. Hoorne Vastgoed is lid van de [VVE 3] en de [VVE 4].\n\n2.5.. In de splitsingsakte staat onder meer: “Artikel 41(…)4. Het bestuur behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen, alsmede voor het verrichten van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaande. Het bestuur behoeft geen machtiging om in een geding verweer te voeren en voor het nemen van conservatoire maatregelen.(…)”.\n\n2.6.. Op de algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van 6 november 2025 is tegen het besluit tot het verlenen van een bestuursprocesvolmacht aan het bestuur van [VVE 1] gestemd. Er wordt door de ALV geen procesvolmacht verleent aan het bestuur.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [VVE 1] verzoekt de kantonrechter: - het besluit genomen op de ALV van 4 september 2025 om geen boetebesluit vast te stellen, te vernietigen; - voor recht te verklaren dat Hoorne Vastgoed misbruik maakt van een meerderheidsmacht; - [VVE 1] te machtigen tot het vaststellen van het voorgestelde boetebesluit als behandeld op de ALV van 4 september 2025 en haar te machtigen om al datgene te doen wat daartoe vereist is; - Hoorne Vastgoed te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Bij aanvullend verzoek van 31 maart 2026 heeft [VVE 1] de kantonrechter verzocht het bestuur van [VVE 1] een procesvolmacht te verlenen zoals door haar verzocht en op de ALV van 6 november 2025 gepasseerd.3.3.. Aan het verzoek heeft [VVE 1] het volgende ten grondslag gelegd. Het besluit van de ALV van 4 september 2025 om geen boetebesluit vast te stellen moet worden vernietigd, omdat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij komt dat een vervangende machtiging kan worden verleend, indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd. Volgens [VVE 1] is daar sprake van. Aanleiding om het boetebesluit ter besluitvorming voor te leggen is de weigering van Hoorne Vastgoed om gebruikersverklaringen zoals bedoeld in artikel 42 van de splitsingsakte af te geven. Het niet overleggen van die verklaringen belemmert het bestuur van [VVE 1] zeer ernstig in de uitvoering van haar taken. Hoewel Hoorne Vastgoed mag stemmen conform haar eigen belang, worden de individuele eigenaren (de kantonrechter begrijpt: de individuele eigenaren die lid zijn van de [VVE 2] en\u002Fof [VVE 4]) onredelijk benadeeld, omdat een boetebesluit hen rechtszekerheid biedt en het bestuur van [VVE 1] in staat stelt de regels adequaat te handhaven.\n\n3.4.. Hoorne Vastgoed verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Daargelaten de vraag (1) of het bestuur van [VVE 1] middels een verzoek bij de kantonrechter haar eigen besluiten kan (laten) vernietigen, waarbij zij feitelijk optreedt als verzoeker én verweerder, alsook de vraag (2) of Hoorne Vastgoed als verweerder in dit geschil kan worden aangemerkt, overweegt de kantonrechter als volgt.\n\nDe procesvolmacht ontbreekt\n\n4.2.. Op grond van artikel 41 lid 4 van het splitsingsreglement behoeft het bestuur van [VVE 1] een machtiging van de ALV voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen en het aangaan van dadingen, alsmede voor het verrichten van rechtshandelingen en het geven van kwijtingen een belang van een nader door de vergadering vast te stellen bedrag te boven gaande. Het bestuur behoeft geen machtiging om in een geding verweer te voeren en voor het nemen van conservatoire maatregelen.\n\n4.3.. In het onderhavige geval is niet in geschil dat bij besluit van 6 november 2025 tegen een bestuursprocesvolmacht is gestemd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [VVE 1] desgevraagd verklaard dat zij tegen dit besluit geen procedure tot vernietiging daarvan is gestart. Ook is de termijn om tegen dat besluit een verzoek tot vernietiging in te dienen op 7 december 2025 verstreken. Daarmee is het besluit onherroepelijk vast komen te staan. [VVE 1] was daarom niet gemachtigd om de verzoeken zoals omschreven in het verzoekschrift van 6 oktober 2025 aan de kantonrechter voor te leggen. Voor het aanvullende verzoek van 31 maart 2026 om [VVE 1] een vervangende procesvolmacht te verlenen, heeft [VVE 1] evenmin een procesvolmacht overgelegd.\n\n4.4.. Omdat geen sprake is van een procesvolmacht afgegeven door de ALV voor het voeren van deze procedure, noch van een vervangende machtiging daartoe van de kantonrechter, moet het bestuur van [VVE 1] niet ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoeken. Dit betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling van die verzoeken niet kan worden toegekomen.\n\n4.5.. \n\nDat mr. Gentil is gemachtigd om deze procedure namens [VVE 1] te voeren, waarna mr. Rietbergen voor mr. Gentil heeft waargenomen, zoals tijdens de mondelinge behandeling door mr. Rietbergen is verklaard, is gemotiveerd betwist en vervolgens niet weersproken. Dit betoog van [VVE 1] leidt daarom niet tot een ander oordeel.\n\n [VVE 1] wordt veroordeeld in de proceskosten\n\n4.6.. \n [VVE 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Hoorne Vastgoed worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n174,00\n\n(2 punten × € 87,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n217,50\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart [VVE 1] niet ontvankelijk in haar verzoeken,\n\n5.2.. veroordeelt [VVE 1] in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [VVE 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze beschikking – voor wat betreft de proceskostenveroordeling – uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [VVE 1] een beroep doet op onder meer artikel 5:130 jo 2:15 lid 1 sub b jo 2:8 BW.\n\n Op grond van artikel 5:121 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7582","2026-07-13T00:28:57.363Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":49,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":82,"summary":49,"language":7,"source":51,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":54,"updatedAt":85},"1894","ECLI:NL:RBNHO:2026:3891","ecli-nl-rbnho-2026-3891","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F375029 \u002F KG ZA 26-86\n\nVonnis in kort geding van 16 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1],\n\nwonende te [plaats 1], 2. [eiser 2],\n\nwonende te [plaats 2], 3. [eiser 3],\n\nwonende te [plaats 1],\n\n4. [eiser 4],\n\nwonende te [plaats 3],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers],\n\nadvocaat: mr. T.G. Griffith,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd te [plaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de VvE,\n\nadvocaat: mr. R.J.A.M. Besselink.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 13 producties. - de producties 1 t\u002Fm 9 van de VvE - de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 - de pleitnota van [eisers] - de pleitnota van de VvE.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 18 maart 2026 zijn verschenen [eisers], vergezeld van de echtgenote van [betrokkene 1] en bijgestaan door mr. Griffith voornoemd en namens de VvE [betrokkene 2] (bestuurder), bijgestaan door mr. Besselink voornoemd.\n\n1.3.. Nadat partijen het woord gevoerd hebben is de verdere behandeling van de zaak pro forma aangehouden voor de duur van twee weken in afwachting van uitlating namens [eisers] over de gewenste voortgang van de zaak.\n\n1.4.. Bij brief van 1 april 2026 heeft mr. Griffith meegedeeld dat partijen ondanks serieuze inspanningen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken en verzocht om vonnis te wijzen.\n\n1.5.. Tenslotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisers] zijn allen eigenaar van een appartementsrecht in het appartementengebouw [naam] te [plaats 2] en derhalve lid van de VvE.\n\n2.2.. De VvE is op 30 november 2020 opgericht bij akte van ondersplitsing in appartementsrechten. Het beheer van de VvE wordt sinds de oprichting verzorgd door [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1]).\n\n2.3.. Op 8 oktober 2025 heeft een algemene ledenvergadering (ALV) plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering zijn onder meer besluiten genomen tot benoeming van nieuwe bestuursleden, de aanstelling van [bedrijf 2] als nieuwe beheerder van de VvE, aanstelling van [betrokkene 3] voor tuinonderhoud, aanschaf van een weersensor, het lidmaatschap van VvE Belang, de aanschaf van nieuwe mededelingenborden, het afschalen van Intersafe, de af te sluiten nieuwe verzekering en het aanstellen van een nieuw schoonmaakbedrijf.\n\n2.4.. \n\nVoor bepaalde besluiten werd volgens het bestuur het vereiste quorum niet behaald.\n\nOp 27 oktober 2025 is een tweede ALV gehouden waarin de betreffende agendapunten opnieuw ter stemming zijn gebracht.\n\n2.5.. Twee eigenaren hebben als de zogenoemde controlecommissie de rechtsgeldigheid van de uitgebrachte stemmen gecontroleerd. Zij hebben geconcludeerd dat een aantal stemmen als ongeldig moet worden beschouwd, vanwege ontbrekende handtekeningen op volmachten, ontbrekende handtekeningen op de presentielijst en onvoldoende koppeling tussen de stem en een geldig vertegenwoordigd appartementsrecht. De twee eigenaren hebben in een e-mail van 9 november 2025 de gevolgen voor de genomen besluiten als volgt weergegeven:\n\nOm de besluitvorming zorgvuldig en transparant af te ronden, wordt voorgesteld om onderscheid te maken tussen besluiten waarbij de ongeldige stemmen geen materiële invloed hebben op de uitslag, en besluiten waarbij dit wel het geval is.\n\nBesluiten die kunnen worden vastgesteld (minder dan 5.000 tegenstemmen):\n\nNieuwe bestuursleden\n\nNieuwe beheerder ([bedrijf 2])\n\nTuinonderhoud [betrokkene 3]\n\nWeersensor\n\nLidmaatschap VvE Belang\n\nNieuwe mededelingenborden\n\nBesluiten die opnieuw besluitvorming vereisen (invloed van ongeldige stemmen):\n\nIntersafe\n\nNieuwe verzekering\n\nSchoonmaakbedrijf\n\n2.6.. Op 11 november 2025 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden en heeft een groot deel van de bestuursleden, zijnde [eisers], hun taken per direct neergelegd. Op 12 november 2025 heeft [bedrijf 1] de eigenaren per brief hierover geïnformeerd.\n\n2.7.. Op 16 maart 2026 is op een ALV [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) benoemd tot bestuurder.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eisers] vorderen - samengevat –voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. aanstelling van [bedrijf 2], althans een beheerder, als tijdelijk bestuur van de VvE voor een termijn van twee jaar, althans een termijn de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren, totdat in een ALV definitief over de aanstelling van een bestuur kan worden gestemd;\n\nII. te bepalen dat de voorgedragen bestuursleden, althans onder meer de volgende bestuursleden [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 10], voorlopig geen deel zullen uitmaken van het nieuw te vormen bestuur;\n\nIII. te bepalen dat voorlopig geen ALV-vergadering zal plaatsvinden, althans dat tijdens de vergadering geen besluiten kunnen worden genomen over de benoeming van bestuursleden;\n\nIV. te bepalen dat de rechtsgeldige besluiten (tot benoeming van nieuwe bestuursleden, de aanstelling van [bedrijf 2] als nieuwe beheerder van de VvE, aanstelling van [betrokkene 3] voor tuinonderhoud, aanschaf van een weersensor, lidmaatschap VvE Belang, aanschaf van nieuwe mededelingenborden) die tijdens de ALV vergadering van 8 oktober 2025 zijn genomen, binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis zullen worden uitgevoerd;\n\nV. te bepalen dat de rechtsgeldige besluiten (tot het afschalen van Intersafe, de af te sluiten nieuwe verzekering en het aanstellen van een nieuw schoonmaakbedrijf) die tijdens de ALV vergadering van 8 oktober 2025 zijn genomen, binnen een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis zullen worden uitgevoerd;\n\nVI. de VvE te veroordelen om binnen 14 dagen opdracht te geven aan [bedrijf 1] om tijdelijk de taken neer te leggen en overdracht te doen aan [bedrijf 2] van onder andere de boekhouding en alles wat daarbij hoort opdat een VvE-beheerder haar taken naar behoren kan uitvoeren;\n\nVII. een dwangsom op te leggen van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde in gebreke blijft met de nakoming van het onder I tot en met VI gevorderde, met een maximum van € 50,000,-;\n\nVIII. de VvE te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na het vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n3.2.. \n [eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De rechtsgeldig genomen besluiten op de ALV van 8 en 27 oktober 2025 dienen te worden uitgevoerd. ***\n\n3.3.. VvE voert verweer. VvE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. VvE voert het volgende aan.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisers] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2.. \n [eisers] hebben in de dagvaarding van 9 maart 2026 gesteld dat zij spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen omdat een goed functionerend bestuur van de VvE ontbreekt en er onduidelijkheid bestaat over het financieel beheer, wat risico’s meebrengt voor de leden van de VvE. Daarbij hebben zij aangevoerd dat een nog te plannen ALV zal plaatsvinden met leden die nauw verbonden zijn met het voormalig bestuur en dat uitvoering van rechtsgeldige besluiten uitblijft.\n\n4.3.. Tijdens de mondelinge behandeling van 18 maart 2026 is aan de orde geweest dat [betrokkene 2] in een op 16 maart 2026 gehouden ALV met overgrote meerderheid van stemmen is benoemd tot nieuwe voorzitter van de VvE. Dit betekent dat ten tijde van de mondelinge behandeling op rechtsgeldige en democratische wijze was voorzien in het bestuur van de VvE, zodat [eisers] niet langer spoedeisend belang hebben bij toewijzing van hun vorderingen. Dat [eisers] het mogelijk niet eens zijn met de benoeming van deze nieuwe bestuurder, maakt dit niet anders.\n\n4.4.. Beide partijen zijn er momenteel het meest bij gebaat dat de onderlinge communicatie binnen de VvE weer in meer normale banen gebracht zal worden, op de wijze als in de statuten voorzien. Aan [betrokkene 2] moet enige tijd gegund worden om dat doel te bereiken.\n\n4.5.. Dit betekent dat de vorderingen worden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang.\n\n4.6.. \n [eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisers] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\n1604","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3891","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.205Z",20]