[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-tenancy-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":48},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},30,"tenancy-law-nl","Tenancy Law","NL","2026-07-08T16:53:14.176Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122532","Burgerlijk Wetboek","art. 7:228",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122534","art. 7:228 lid 2",[30,41],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"366","ECLI:NL:GHARL:2026:4231","ecli-nl-gharl-2026-4231","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.530\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11830324\n\narrest in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nadvocaat: mr. J. van Hemel\n\nen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\n2. [geïntimeerde2]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J. Veninga\n\nPartijen worden hierna aangeduid als [appellant],[geïntimeerde1]en[geïntimeerde2]. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden samen aangeduid als[geïntimeerden] c.s.\n\n1. De procedure\n\nNa het tussenarrest van het hof van 10 maart 2026 heeft op 29 mei 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het verslag van die zitting (het proces-verbaal) is toegevoegd aan het dossier. Voorafgaand aan de zitting is van de zijde van [appellant] een akte met productie toegezonden (productie 20). Van de zijde van [geïntimeerden] c.s. waren drie nadere producties toegezonden (producties h5 t\u002Fm h7). Ook die stukken zijn toegevoegd aan het dossier. Aan het slot van de zitting is opnieuw een datum voor de uitspraak bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [geïntimeerden] c.s. huren van [appellant] een woning met tuin. Tussen partijen is in geschil of een strook grond die [geïntimeerden] c.s. gebruiken als deel van hun tuin, bij het gehuurde hoort. [appellant] meent dat de strook grond niet aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is en zij wil dat [geïntimeerden] c.s. die strook ontruimen.\n\n2.2.. In dit kort geding heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd om, kort gezegd, [geïntimeerden] c.s. te bevelen de strook grond te ontruimen. Subsidiair heeft [appellant] gevorderd om [geïntimeerden] c.s. te bevelen een aantal zaken van de strook grond te verwijderen (onder meer een aantal tuinkassen en een schutting). De kantonrechter heeft de vorderingen op 29 september 2025 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.\n\n2.3.. \n [appellant] wil met dit hoger beroep bereiken dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.4.. Het hof komt tot het oordeel dat de vorderingen van [appellant] in kort geding niet toewijsbaar zijn. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter daarom bekrachtigen. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [geïntimeerden] c.s. huren met ingang van 1 november 2017 een woning met tuin aan de [adres] in [woonplaats] . Naast en voor de woning bevindt zich een bedrijfshal met verdere bedrijfsruimten (adres [adres] ).\n\n3.2.. De verhuurders waren aanvankelijk de heer en mevrouw [verhuurders] (hierna samen: [verhuurders] c.s.). [verhuurders] c.s. waren eigenaar van zowel het perceel met woonhuis (kadastraal perceel 252) als het aangrenzende perceel met bedrijfsruimten (kadastraal perceel 253). De woning is ook wel aangeduid als bedrijfswoning.\n\n3.3.. \n [geïntimeerden] c.s. hebben vanaf het begin van de huur (in 2017), de strook grond achter de bedrijfshal gebruikt als onderdeel van hun tuin. Die strook grond ligt op het kadastrale perceel van de bedrijfshal (perceel 253). Bij aanvang van de huur stonden op de strook grond onder meer enkele vruchtbomen. [geïntimeerden] c.s. hebben er in de loop van de tijd onder meer een opslaghok, enkele tuinkassen en een schutting geplaatst.\n\n3.4.. De kadastrale kaart van de percelen is als volgt (de strook grond achter de bedrijfshal is geel gemarkeerd; de openbare weg ligt aan de noordwest-zijde; het deel van het bebouwingsvlak van nummer 218 dat op het kadastrale perceel 253 is geprojecteerd, is in werkelijkheid deel van de bedrijfsruimten):\n\n3.5.. In 2024 hebben [verhuurders] c.s. de twee percelen 252 en 253 met de woning en de bedrijfsruimten verkocht aan [appellant] . De levering aan [appellant] vond plaats op 2 januari 2025. [appellant] is zodoende sinds 2 januari 2025 de verhuurder van de woning met tuin.\n\n3.6.. In of omstreeks mei 2025 heeft [appellant] ten behoeve van de bedrijfsruimten een nieuwe brandverzekering afgesloten. De polis van die verzekering vermeldt onder meer:\n\n“Clausule BRA03 Buitenopslag\n\nOpslag buiten het gebouw is alleen toegestaan op voorwaarde dat:\n\n- Opslag buiten de bedrijfstijden plaatsvindt in metalen (rol)containers, die zijn afgesloten met een hardstalen hangslot.\n\n- Opslag van brandbare zaken zoals hout, pallets, brandbare emballage, brandbare goederen, afval en dergelijke plaatsvindt op minstens 10 meter uit de gevels en eventueel daaraan bevestigde luifels en afdaken.\n\nDe verzekerde garandeert aan de verzekeraar(s) dat aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan. Deze verzekering geschiedt daarom op de uitdrukkelijke voorwaarde dat aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan. Indien op de ingangsdatum van de verzekering niet aan een garantie wordt voldaan heeft verzekerde, tot uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum, de gelegenheid alsnog aan de garantie te voldoen zonder dat dit in die periode gevolgen voor de verzekering heeft.\n\nIndien na deze drie maanden en bij schade blijkt dat aan deze voorwaarden niet is voldaan, geldt er een extra eigen risico van 10% van het schadebedrag met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 100.000 per gebeurtenis, tenzij de verzekerde aannemelijk maakt dat de schade door het ontbreken van de genoemde voorwaarden niet is veroorzaakt of vergroot.”\n\n3.7.. \n [appellant] heeft op 16 mei 2025 per e-mail aan [geïntimeerden] c.s. gemeld dat de strook achter de bedrijfshal geen onderdeel is van het gehuurde. [appellant] heeft daarbij verzocht de strook te ontruimen. [geïntimeerden] c.s. stellen zich op het standpunt dat de strook deel is van het gehuurde en zij hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek tot ontruiming.\n\n3.8.. \n [appellant] heeft [geïntimeerden] c.s. op 18 augustus 2025 gedagvaard in kort geding. De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis in kort geding van 29 september 2025 de vorderingen van [appellant] afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. \n [appellant] vordert in dit kort geding een aantal voorlopige voorzieningen. Het hof moet eerst beoordelen of er spoedeisend belang is bij die voorzieningen. Deze beoordeling moet plaatsvinden met afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2.. Naar het oordeel van het hof ontbreekt het spoedeisend belang bij de vorderingen om [geïntimeerden] c.s. te gebieden het eigendomsrecht van [appellant] te eerbiedigen en daarop geen inbreuk te maken (primaire vorderingen sub 1 en sub 2) en bij de vordering om [geïntimeerden] c.s. te veroordelen de huurovereenkomst onverkort na te komen (subsidiaire vordering sub 1). Gezien het algemene karakter van die vorderingen is niet in te zien welk (spoedeisend) belang met toewijzing van die vorderingen is gediend.\n\n4.3.. Wat betreft de andere vorderingen acht het hof het spoedeisend belang in beginsel aanwezig. [appellant] vordert primair ontruiming van de strook grond; subsidiair vordert zij, naar het hof begrijpt, dat een aantal voorwerpen van de strook verwijderd worden. Volgens [appellant] kan zij door de wijze waarop [geïntimeerden] c.s. de strook grond gebruiken, niet voldoen aan de voorwaarden van haar brandverzekering. Daarnaast zou het gebruik van de strook [appellant] hinderen bij het vinden van een nieuwe huurder voor de bedrijfsruimten. Naar het oordeel van het hof is er gelet op de gestelde omstandigheden in beginsel een voldoende spoedeisend belang bij een beoordeling van de gevraagde voorlopige voorzieningen.\n\nHuur\n\n4.4.. \n [appellant] stelt zich primair op het standpunt dat de strook achter de bedrijfshal niet aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is. Volgens [appellant] hebben de vorige eigenaren – [verhuurders] c.s. – aan [geïntimeerden] c.s. toestemming gegeven om de vruchten te plukken van de bomen die op de strook staan. Dat betekent, aldus [appellant] , echter niet dat de strook ook aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is. Mogelijk kan de door [verhuurders] c.s. gegeven toestemming begrepen worden als het verlenen van een gebruiksrecht voor onbepaalde tijd. [appellant] heeft een eventueel gebruiksrecht echter opgezegd, zodat van een gebruiksrecht inmiddels geen sprake meer kan zijn. Dat betekent dat [geïntimeerden] c.s. de strook zonder recht of titel gebruiken, en het gebruik is in de gegeven omstandigheden ook onrechtmatig. [geïntimeerden] c.s. zijn dan ook gehouden om de strook grond te ontruimen, aldus telkens [appellant] .\n\n4.5.. Volgens [geïntimeerden] c.s. is de strook grond achter de bedrijfshal wel degelijk aan hen verhuurd. [geïntimeerden] c.s. verklaren dat zij voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst (in 2017) met de verhuurmakelaar, de heer [naam] , over de strook grond gesproken hebben. Daarbij hebben [geïntimeerden] c.s., zo stellen zij, laten weten dat zij alleen geïnteresseerd waren in de huur van de woning als zij ook gebruik zouden kunnen maken van de strook. [geïntimeerden] is bioloog, en [geïntimeerden] c.s. wilden zodoende graag een woning huren met een tuin die de nodige ruimte bood voor onder meer het kweken van planten. Volgens [geïntimeerden] c.s. heeft makelaar [naam] destijds namens de toenmalige verhuurders [verhuurders] c.s. bevestigd dat zij de strook grond – die volgens hen tot dat moment door [verhuurders] c.s. zélf als moestuin was gebruikt – mochten gebruiken. Zij zijn er dan ook altijd van uitgegaan dat de strook grond onderdeel is van het gehuurde, aldus telkens [geïntimeerden] c.s.\n\n4.6.. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de strook grond achter de bedrijfshal inderdaad onderdeel is van het gehuurde. [geïntimeerden] c.s. verklaren dat de strook in 2017 als onderdeel van het gehuurde aan hen in gebruik gegeven. Die verklaring vindt in enige mate steun in de door [appellant] overgelegde verklaringen van mevrouw [verhuurder] en van de betrokken verhuurmakelaar, de heer [naam] . [verhuurders] heeft over deze kwestie op 20 juni 2025 per WhatsApp aan [appellant] bericht:\n\n“(…) En bij nader denken nog even over de tuin. Er is destijds gesproken dat ze de vruchten van de zijtuin mochten plukken. Dwz de bessenstruiken, frambosen aardbeien en pruimenboom etc. Dat is dus wat anders dan een kas plaatsten etc. Eea is nooit rechtstreeks besproken. Altijd via [naam] van [naam makelaar] . Tevens zouden ze een hovenier gebruiken voor het tuin onderhoud. (…)”\n\nDe betrokken verhuurmakelaar, de heer [naam] van [naam makelaar] , schrijft over de kwestie in een e-mail aan [appellant] van 2 augustus 2025:\n\n“Per 01-11-2017 hebben wij namens onze opdrachtgever de woning [adres] verhuurd aan de heer [geïntimeerde1] en mevrouw [geïntimeerde2] .\n\nDit betrof de woning met de tuin conform de kadastrale kaart. De tuin achter het bedrijfsgedeelte hoort hier niet bij. Aangezien de huurder van het bedrijfspand deze tuin echter niet gebruikte, is mondeling overeengekomen dat de huurder van het woongedeelte dit gedeelte van de tuin mag gebruiken in die zin dat ze het mogen bijhouden c.q. snoeien en de vruchten van de planten mogen gebruiken. Voor het plaatsen van bouwwerken of het afsluiten van de tuin d.m.v. een schutting o.i.d. is nooit toestemming gegeven en is in onze periode van beheer van het pand ook nooit sprake van geweest.”\n\nMakelaar [naam] en mevrouw [verhuurder] verklaren dus dat aan [geïntimeerden] c.s. toestemming is gegeven om de strook grond te benutten in die zin dat [geïntimeerden] c.s. de vruchten mochten plukken. [naam] verklaart daarnaast dat met [geïntimeerden] c.s. is afgesproken dat zij de strook grond mogen gebruiken in die zin dat ze ‘het mogen bijhouden en snoeien’.\n\n4.7.. Van belang is verder dat vaststaat dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond na aanvang van de huur feitelijk in gebruik hebben genomen. Daarbij hebben zij op de strook onder meer enkele tuinkassen en een opslaghok geplaatst. Volgens [geïntimeerden] c.s. hebben de vorige eigenaren en makelaar [naam] nooit kenbaar gemaakt dat dit gebruik van de strook niet toegestaan zou zijn. Daarbij merken [geïntimeerden] c.s. op dat [verhuurders] c.s. de percelen in 2024 te koop hebben aangeboden, dat makelaar [naam] daarbij optrad als verkoopmakelaar, en dat ook toen niet tegen [geïntimeerden] c.s. gezegd is dat het genoemde feitelijk gebruik niet toegestaan zou zijn. Toen [appellant] in 2024 de percelen samen met makelaar [naam] bezichtigde, zou [appellant] zelf [geïntimeerden] c.s. overigens juist gecomplimenteerd hebben met de (mede) op de strook grond aangelegde tuin. Een en ander is door [appellant] niet voldoende gemotiveerd weersproken.\n\n4.8.. \n [appellant] merkt op dat de huurovereenkomst vermeldt dat het gaat om huur van ‘ [adres] ’. [appellant] betoogt dat de huur dus alleen ziet op het kadastrale perceel 252 en niet ook op een deel van het kadastrale perceel 253. Dit betoog is tevergeefs. [geïntimeerden] c.s. wijzen er terecht op dat de huurovereenkomst daarbij niets vermeldt over de kadastrale percelen, en dat bijvoorbeeld ook niet vermeld wordt dat de huur slechts betrekking heeft op het kadastrale perceel van de woning. Verder hebben [geïntimeerden] c.s. onweersproken gesteld dat het gehuurde ook enkele parkeerplaatsen omvat die gelegen zijn op het kadastrale perceel van de bedrijfshal. De tekst van de huurovereenkomst vormt in de gegeven omstandigheden dan ook geen (voldoende) duidelijke aanwijzing dat de strook grond achter de bedrijfshal niet tot het gehuurde behoort.\n\n4.9.. Het hof komt alles afwegende tot de slotsom dat voorshands voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die niet onaannemelijk maken dat de strook grond tot het gehuurde behoort. De verklaringen van [geïntimeerden] c.s. dat zij de strook huren, vinden (deels) steun in de verklaringen van makelaar [naam] en mevrouw [verhuurder] , en zij stroken kennelijk ook met de feitelijke gang van zaken sinds het aangaan van de huurovereenkomst in 2017. [appellant] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Het hof ziet, gelet op het karakter van deze kortgedingprocedure, geen aanleiding om over te gaan tot nadere bewijslevering. Daarvoor zijn partijen aangewezen op een bodemprocedure. Dit betekent dat het hof er in dit kort geding voorlopig van uitgaat dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond achter de bedrijfshal huren. De primaire vordering van [appellant] zal daarom ook in hoger beroep worden afgewezen.\n\nStrijd met de algemene huurbepalingen?\n\n4.10.. \n [appellant] stelt subsidiair – voor het geval dat aangenomen zou worden dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond huren – dat [geïntimeerden] c.s. de strook gebruiken in strijd met het bepaalde in de huurovereenkomst. [appellant] wijst erop dat [geïntimeerden] c.s. op de strook onder meer kassen en een opberghok hebben geplaatst, en dat zij de strook aan de oostzijde hebben afgesloten met een schutting. Volgens [appellant] is op grond van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst het plaatsen van zulke voorwerpen alleen toegestaan met toestemming van de verhuurder. Die toestemming is, aldus [appellant] , nooit gegeven. [appellant] vordert daarom subsidiair dat [geïntimeerden] c.s. veroordeeld worden om de aanwezige (bouw)werken, opstallen, materialen, erfafscheidingen en dergelijke, van de strook grond te verwijderen.\n\n4.11.. Het hof zal ook de subsidiaire vordering afwijzen. Daarbij kan in het midden blijven of op grond van de huurvoorwaarden toestemming nodig was voor het plaatsen van de diverse objecten. [geïntimeerden] c.s. hebben namelijk toegelicht en onderbouwd dat de voorwerpen – of in elk geval de meeste ervan – al lange tijd op de strook aanwezig zijn, dat de vorige verhuurders ( [verhuurders] c.s.) en hun makelaar ( [naam] ) daarmee bekend waren, en dat er nooit tegen de aanwezigheid van de voorwerpen geprotesteerd is. Daarbij merkt het hof op dat [appellant] weliswaar betwist dat makelaar [naam] tussen 2017 en eind 2024 het gehuurde geregeld inspecteerde; niet ter discussie staat echter dat [geïntimeerden] c.s. en de aanvankelijke verhuurders ( [verhuurders] c.s.) alleen contact hadden via makelaar [naam] . Evenmin staat ter discussie dat diezelfde makelaar in het kader van de verkoop van de percelen, in 2024 op de strook grond is geweest, dat daarbij ook is gesproken met [geïntimeerden] c.s., en dat (ook) toen niet tegen de aanwezigheid van de voorwerpen geprotesteerd is. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. daarmee in het kader van dit kort geding voldoende hebben aangetoond dat in de handelwijze van [verhuurders] c.s. en de door hen aangewezen makelaar [naam] , besloten lag dat toestemming gegeven werd voor het aanwezig hebben van de bedoelde voorwerpen. Dat dit geen schriftelijke toestemming was op een schriftelijk verzoek, kan hier – gelet ook op het feit dat het gaat om een al langere tijd bestaande situatie – naar het voorshands oordeel van het hof in redelijkheid niet aan [geïntimeerden] c.s. worden tegengeworpen. Het betoog van [appellant] dat de toestemming van de verhuurder ontbreekt, is in zoverre dan ook tevergeefs. Dat [geïntimeerden] c.s. op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden zouden zijn de voorwerpen te verwijderen, valt – gelet op het feit dat het gaat om een al langer bestaande situatie en het gegeven dat [appellant] de door haar genoemde brandverzekering pas nadien, in 2025, heeft afgesloten – evenmin in te zien. Ook in zoverre wordt het betoog van [appellant] dus verworpen.\n\n4.12.. Volgens [appellant] zijn er na 2 februari 2025 – de dag waarop zij eigenaar werd van de percelen – nog méér voorwerpen op de strook geplaatst. [geïntimeerden] c.s. erkennen dat er in de loop van 2025 nog – zonder toestemming van [appellant] – een schutting is geplaatst. Het gaat, naar het hof begrijpt, om de schutting aan de oostkant van de strook grond (de schutting die is aangegeven op de kaart die is opgenomen in rov. 3.4). Het hof ziet echter geen grond om [geïntimeerden] c.s. in het kader van dit kort geding te bevelen die schutting te verwijderen. [geïntimeerden] c.s. wijzen er namelijk terecht op dat de buitenopslag-clausule BRA03 in de verzekeringspolis van [appellant] kennelijk geen gevolgen verbindt aan het aanwezig hebben van een schutting (zie hierboven, onder 3.6). De aanwezigheid van de schutting vormt, zoals [geïntimeerden] c.s. opmerken, kennelijk geen vorm van ‘opslag’ als bedoeld die clausule. Dat de aanwezigheid van de schutting voor [appellant] risico’s oplevert vanwege de brandverzekering, valt dan ook niet in te zien, in elk geval niet zonder nadere toelichting en onderbouwing. Verder valt – ervan uitgaande dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond huren – in redelijkheid niet in te zien waarom de aanwezigheid van de schutting [appellant] zou hinderen bij het vinden van een nieuwe huurder voor de bedrijfsruimten. Daarbij merkt het hof op dat de nooduitgang van het bedrijfspand kennelijk ook niet uitkomt op de strook grond achter de bedrijfshal, maar op het terras achter de woning van [geïntimeerden] c.s. Dat de aanwezigheid van de schutting – zoals [appellant] stelt – ertoe leidt dat er vanuit het bedrijfspand geen goede vluchtweg is, kan gelet op het ontbreken van nadere onderbouwing daarvan niet in te zien. Dit betekent dat het vereiste spoedeisend belang bij de vordering tot verwijdering van de schutting ontbreekt.\n\n4.13.. \n [appellant] heeft niet voldoende duidelijk gemaakt welke concrete objecten er – afgezien van de genoemde schutting – na 2 januari 2025 nog (zonder toestemming) op de strook grond geplaatst zouden zijn. Om die reden is de vordering tot verwijdering van de voorwerpen hier ook voor het overige niet toewijsbaar. Dit betekent dat de grieven van [appellant] alle tevergeefs zijn en dat de vorderingen van [appellant] ook in hoger beroep volledig zullen worden afgewezen.\n\nSlotsom\n\n4.14.. Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Het vonnis van 29 september 2025 zal onder aanpassing van gronden worden bekrachtigd. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. [appellant] moet een redelijke termijn krijgen om de proceskosten te voldoen. Het hof zal daarom bepalen dat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na de betekening.\n\n4.15.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing in kort geding\n\nHet hof:\n\n5.1.. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad , van 29 september 2025;\n\n5.2.. veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] c.s.:\n\n€ 362 aan griffierecht;\n\n€ 2.580 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II ad € 1.290 per punt);\n\n5.3.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, J.H. Kuiper en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Rb Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad (ktr) 29 september 2025 (niet gepubliceerd).\n\n Vgl. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4231","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.265Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":39,"updatedAt":47},"784","ECLI:NL:RBNNE:2026:2524","ecli-nl-rbnne-2026-2524","RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer: 11884450 \\ CV EXPL 25-5043\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2],\n\nen\n\n3. [eiser sub 3],\n\nbeiden te [plaats] ,\n\nhierna samen te noemen: [eiser sub 2 en 3] , 4. [eiser sub 4],\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser sub 4] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\ngedaagden samen te noemen: de huurders,\n\ngemachtigde: mr. D. F. Briedé,\n\ntegen\n\nRECREATIECENTRUM DE HOLLE POARTE B.V.,\n\nte Makkum,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: De Holle Poarte,\n\ngemachtigde: mr. S.J. van Susante.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie - de conclusie van antwoord in reconventie - de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en vermeerdering van eis - de conclusie van dupliek in reconventie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. Eisers huren een staanplaats op veld [nummer] van Recreatiecentrum De Holle Poarte te Makkum. De Holle Poarte wil het veld herstructureren en heeft - met inachtneming van de Recron-voorwaarden - de huurovereenkomsten met 50 huurders, waaronder eisers, opgezegd tegen 30 september 2026. De huurders stellen kortgezegd dat de opzegging in strijd is met Europese consumentenrecht en met de redelijkheid en billijkheid. Er wordt volgens de huurders onvoldoende rekening gehouden met de door hen gedane investeringen in de kampeermiddelen en de (financiële) gevolgen die de opzegging voor hen heeft. De kantonrechter is van oordeel dat De Holle Poarte de huurovereenkomsten rechtsgeldig heeft opgezegd en dat er geen aanleiding bestaat om op grond van de redelijkheid en billijkheid anders te oordelen en\u002Fof een aanvullende vergoeding aan de huurders toe te komen. De kantonrechter legt dat oordeel hierna uit.\n\n3. De achtergrond van het geschil\n\n3.1.. De huurders huren staanplaatsen op De Holle Poarte te Makkum. Het gaat hier om plaatsen op veld [letter] [eiser sub 4] huurt sinds 15 augustus 1997 staanplaats [staanplaats 1] , [eiser sub 2 en 3] huurt sinds 2011 staanplaats [staanplaats 2] en [eiser sub 1] huurt sinds 3 april 2023 staanplaats [staanplaats 3] . Huurders hebben bedragen variërend van € 20.000,00 tot € 37.500,00 besteed aan de aanschaf (overname) van kampeermiddelen (caravan\u002Fchalet).\n\n3.2.. Van de huurovereenkomst met [eiser sub 4] is geen schriftelijke overeenkomst voorhanden. In de schriftelijke overeenkomsten met [eiser sub 1] en [eiser sub 2 en 3] zijn de Recron-voorwaarden van toepassing verklaard. De Recron-voorwaarden bepalen onder meer:\n\n Artikel 11: Beëindiging door de ondernemer\n\n 1. De ondernemer kan de overeenkomst schriftelijk beëindigen indien:\n\n (…..)\n\n h. de ondernemer een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.\n\nOm tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is.\n\n 2. (…..)\n\n3. Bij opzegging wegens herstructurering zoals vermeld onder sub h van het eerste lid dient de ondernemer een opzegtermijn van één jaar in acht te nemen voor afloop van het lopende overeenkomstjaar.\n\n(,,,,,)\n\nArtikel 12: Herstructurering\n\n (…..)\n\n3. In geval van herstructurering waarbij de ondernemer de overeenkomst beëindigt, is de ondernemer verplicht de recreant zo mogelijk een plaats (minimaal gelijkwaardig) op het terrein aan te bieden, tenzij het kampeermiddel gezien de leeftijd van het kampeermiddel en\u002Fof de staat waarin dit verkeert, niet meer op het terrein past.\n\n(…..)\n\n5. a. Indien sprake is van een verplaatsbaar kampeermiddel en een minimaal\n\n gelijkwaardige plaats niet op het terrein beschikbaar is, heeft de recreant de plaats te ontruimen en heeft hij recht op een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten indien hij de plaats heeft ontruimd overeenkomstig artikel 15 lid 1. (…..)\n\n6. De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van het kampeermiddel als bedoeld in lid 5 onder a (…..) bedraagt € 1.482. (…..)\n\n7. (…..) De laatste 6 maanden van de opzegtermijn van één jaar kan de recreant gratis gebruik maken van de plaats. (…..)\n\n3.3.. In november 2023 heeft De Holle Poarte haar plannen voor een herstructurering van de camping aan de huurders bekend gemaakt en in een informatiebijeenkomst op 16 maart 2024 heeft zij haar plannen toegelicht. Blijkens de versie van 1 maart 2025 betreft de herstructurering de jaarplaatsen [nummer] t\u002Fm [nummer] en [nummer] t\u002Fm [nummer] . Deze jaarplaatsen voor chalets en stacaravans zullen worden gewijzigd in kampeervelden bestaande uit gras voor 40 toeristische kampeerplekken (waarvan acht met privé-sanitair) voor tenten, toercaravans of campers. Het herstructureringsplan vermeld voorts:\n\nGezien de gestegen en veranderende vraag, willen we daarom het toeristisch kamperen op onze camping graag anders indelen en in omvang uitbreiden. Tegelijkertijd is het [letter] -terrein naar onze mening erg verouderd en zijn de kleine, smalle jaarplaatsen niet meer van deze tijd, waardoor er op dit terreingedeelte naar onze mening veel ruimte voor verbetering is.\n\nBij het plan zijn ook een plattegrond en sfeerbeelden van de nieuwe situatie gevoegd.\n\n3.4.. Bij brief van 28 maart 2025 heeft De Holle Poarte de huurovereenkomsten met de huurders opgezegd op grond van artikel 11, lid 1 aanhef en h van de Recron-voorwaarden tegen 1 oktober 2026 in verband met de voorgenomen herstructurering van de camping. Daarbij is een vergoeding aangeboden op grond van de Recron-voorwaarden, bestaande uit een tegemoetkoming in de kosten van € 1.920,00 indien de staanplaats leeg en opgeruimd wordt opgeleverd. Daarnaast heeft De Holle Poarte aangeboden het staangeld over de laatste zes maanden van de huurperiode te restitueren bij tijdige en lege oplevering.\n\n3.5.. Het betreft de beëindiging van huurovereenkomsten voor vaste plaatsen op slechts een deel van het gehele terrein, te weten veld [letter] Daarbij gaat het om in totaal 50 huurders, waarvan 47 hebben ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomsten en de staanplaatsen hebben ontruimd\u002Fzullen ontruimen.\n\n3.6.. Bij brief van 23 april 2025 is namens de huurders bezwaar gemaakt tegen de opzegging. De Holle Poarte heeft hier bij brief van 8 mei 2025 op gereageerd.\n\n4. De vorderingen\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eisers] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nvoor zover Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn:\n\n1. te verklaren voor recht dat De Holle Poarte onrechtmatig heeft gehandeld door bij aanvang van de huurovereenkomsten voor staanplaatsen met consument-huurders op onevenwichtige wijze voorwaarden te stellen, en\u002Fof zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken door geen rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurders;\n\n2. te verklaren voor recht dat de huuropzegging door De Holle Poarte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat de huurovereenkomst dient voort te duren;\n\n3. voor het geval de opzegging in stand blijft of er opnieuw wordt opgezegd, of terugkeer van de huurder feitelijk onmogelijk wordt gemaakt, te verklaren voor recht dat De Holle Poarte gehouden is aan de huurder(s) schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.\n\nvoor zover Recron-voorwaarden (analoog) van toepassing zijn:\n\nprimair:\n\n4. te verklaren voor recht dat de artikelen 11 lid 1 sub h, 11 lid 2-3 en 12 van de Recron-voorwaarden (herstructurering en beëindiging door de ondernemer) oneerlijke bedingen zijn in de zin van artikel 6:233 sub a BW juncto Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG, en deze bepalingen te vernietigen wegens strijd met dwingendrechtelijke consumentenbescherming;\n\nsubsidiair:\n\n5. voor zover de artikelen niet volledig worden vernietigd, te verklaren voor recht dat genoemde bepalingen in dit concrete geval oneerlijk zijn en derhalve buiten toepassing blijven, met als gevolg dat beëindiging van de huurovereenkomst door De Holle Poarte op grond van herstructurering ongeldig is;\n\nmeer subsidiair:\n\n6. voor het geval de beëindiging van de huurovereenkomst door De Holle Poarte rechtsgeldig wordt geacht, te bepalen dat De Holle Poarte gehouden is tot volledige schadevergoeding van de door huurders gedane investeringen, nu het beding leidt tot een ongerechtvaardigde verschuiving van de financiële lasten van de ondernemer naar de consument, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;\n\nuiterst subsidiair:\n\n7. te verklaren voor recht dat De Holle Poarte gehouden is een billijke en evenredige compensatie te betalen aan de huurder(s) bij beëindiging wegens herstructurering, waarbij de tegemoetkoming zoals voorzien in artikel 12 lid 6 Recron (€ 1.482 \u002F\n\n€ 2.233) buiten toepassing blijft, voor zover deze kennelijk onredelijk is en strijdig met de vereisten van evenwicht en proportionaliteit uit Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG;\n\nproceskosten\n\n8. De Holle Poarte te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.\n\n4.2.. De Holle Poarte voert verweer. De Holle Poarte concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.4.. \n\nDe Holle Poarte vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met de huurders per 30 september 2026 is opgezegd en dat de huurders vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel (jegens De Holle Poarte) op de betreffende jaarplaats verblijven, met veroordeling van de huurders in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nBij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie heeft De Holle Poarte haar eis vermeerderd met een veroordeling van elk van de huurder om de door hen gehuurde staanplaats, met al degene die en al hetgeen - niet zijnde bij de kavel behorende zaken - dat zich daarin of daarop of elders op Recreatiecentrum De Holle Poarte bevinden respectievelijk bevindt, uiterlijk 1 oktober 2026, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te verlaten en ontruimen en ter vrije en algehele beschikking aan De Holle Poarte te stellen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, of een gedeelte van een dag dat elk van de huurders in gebreke blijft om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van\n\n€ 20.000,00, althans een dwangsom die de kantonrechter in goede justitie rechtmatig acht.\n\n4.5.. \n [eisers] voert verweer. [eisers] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Holle Poarte, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Holle Poarte in de kosten van deze procedure.\n\n4.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\nDe vorderingen en de vermeerdering van eis\n\n5.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. De huurders hebben geen conclusie van repliek in conventie genomen, maar gelet op hun verweer tegen de reconventionele vordering van De Holle Poarte, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij hun vorderingen in conventie onverkort handhaven.\n\n5.2.. De Holle Poarte heeft bij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie haar eis vermeerderd met ontruiming door de huurders van de door hen gehuurde staanplaatsen. De kantonrechter zal deze eisvermeerdering toestaan, nu huurders hierdoor niet in hun verdediging zijn geschaad. Uit de gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomsten per 1 oktober zijn geëindigd vloeit immers de verplichting van de huurders tot ontruiming van het gehuurde voort.\n\nPrejudiciële vragen\n\n5.3.. Huurders hebben drie prejudiciële vragen geformuleerd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Er is niet sprake van een procedure waarin een rechtsvraag aan de orde is die ook de afhandeling van vele vergelijkbare geschillen kan bevorderen. Daarvoor zijn de procedures te casuïstisch en is de uitkomst afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.\n\nHuurovereenkomsten voor onbepaalde tijd\n\n5.4.. De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomsten niet zijn aangegaan met het doel om voor één bepaalde periode te gelden en dan te eindigen. Het gaat daarentegen om huurovereenkomsten die jaarlijks automatisch worden verlengd, die in de praktijk vele jaren tot tientallen jaren plegen te blijven bestaan en die op grond van de toepasselijke contractuele voorwaarden alleen door opzegging door de huurder of verhuurder kunnen eindigen. De huurovereenkomsten hebben daarmee het karakter van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. De huurders sluiten ook niet jaarlijks een nieuwe overeenkomst met De Holle Poarte, althans dit is gesteld noch gebleken. De aan de huurders in eigendom toebehorende caravans en chalets blijven ook gewoon op de kavels staan.\n\nToetsingsmaatstaf opzegging\n\n5.5.. De huurovereenkomsten tussen de huurders en Holle Poarte hebben betrekking op de huur van onbebouwde grond (staanplaatsen voor caravans en chalets). De wettelijke regelingen die aan huurders bijzondere bescherming bieden, zoals huurbescherming en\u002Fof ontruimingsbescherming bij de huur van woonruimte en\u002Fof bedrijfsruimte, zijn op deze huurovereenkomsten niet van toepassing. Wel zijn van toepassing de algemene regels uit de huurtitel van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aangevuld met de gewone regels van het verbintenissenrecht.\n\n5.6.. Dit betekent dat op de beëindiging van de huurovereenkomsten artikel 7:228 BW van toepassing is. Volgens lid 2 van dit artikel eindigt een huur die voor onbepaalde tijd is aangegaan of voor onbepaalde tijd is verlengd, door opzegging met een opzegtermijn van tenminste één maand. Artikel 7:228 BW is echter van regelend recht. Dat betekent dat partijen over het beëindigen van de huurovereenkomst andere afspraken kunnen maken, waarbij zij afwijken van artikel 7:228 BW.\n\n5.7.. \n\nVoor zover de Recron-voorwaarden van toepassing zijn - waarover hierna meer - dan zijn in dit geval partijen in artikel 11 van de deze voorwaarden overeengekomen dat De Holle Poarte de huurovereenkomst kan opzeggen wanneer zij een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.\n\nOm tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is. Bij die opzegging wegens herstructurering dient De Holle Poarte een opzegtermijn van één jaar in acht te nemen.\n\nDe Recron-voorwaarden\n\n5.8.. Vast staat de er geen schriftelijke overeenkomst is met [eiser sub 4] . Dat bij het sluiten van de overeenkomst met [eiser sub 4] de Recron-voorwaarden van toepassing zijn verklaard, kan dan ook niet worden vastgesteld. Gelet op de datum waarop de overeenkomst met [eiser sub 4] is gesloten, kan in ieder geval worden vastgesteld dat dit niet de Recron-voorwaarden zijn zoals die in werking zijn getreden per 1 maart 2016. Dat deze voorwaarden bepalen dat ze ook van toepassing zijn op lopende contracten, maakt dat niet anders. Desalniettemin is ook [eiser sub 4] regelmatig (bij de verlenging van de huurovereenkomst) over de Recron-voorwaarden geïnformeerd, zoals De Holle Poarte gemotiveerd heeft onderbouwd. Zo staat een verwijzing naar de Recron-voorwaarden op de jaarlijkse facturen, zodat [eiser sub 4] met de inhoud van de door De Holle Poarte gehanteerde Recron-voorwaarden bekend wordt verondersteld. Dat brengt echter nog geen toepasselijkheid met zich.\n\n5.9.. Op de overeenkomsten met [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] zijn de Recron-voorwaarden wel van toepassing verklaard, zij het dat het in de overeenkomst met [eiser sub 2 en 3] uitsluitend is geschied in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats'. Met het verweer van [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] dat de Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn omdat deze niet ter hand zijn gesteld, miskennen zij dat een wederpartij ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden is als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker (De Holle Poarte) begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende. De Recron-voorwaarden zijn dus wel van toepassing.\n\n5.10.. Het niet ter hand stellen van de Recron-voorwaarden zou kunnen leiden tot vernietigbaarheid van (een) beding(en) in die voorwaarden. Zowel [eiser sub 2 en 3] als [eiser sub 1] hebben echter in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats' verklaart te hebben ontvangen en kennis te hebben genomen van de op het recreatiebedrijf geldende regels, zoals de Recron-voorwaarden. Nu [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] deze koopovereenkomsten hebben ondertekend, levert die verklaring in die overeenkomst dwingend bewijs op dat zij de Recron-voorwaarden hebben ontvangen. Het is aan [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] om tegenbewijs aan te dragen, maar [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hun stelling dat zij de Recron-voorwaarden desondanks niet hebben ontvangen onderbouwen. Het beroep op vernietigbaarheid omdat de Recron-voorwaarden niet ter hand zouden zijn gesteld gaat dan ook niet op.\n\n5.11.. Dat een redelijke mogelijkheid tot kennisneming is geboden om van de voorwaarden kennis te nemen als bedoeld in artikel 6:233 onderdeel b en artikel 6:234 BW, sluit niet uit dat in een concreet geval sprake is van strijd met het transparantievereiste, wat kan leiden tot het oordeel dat een beding oneerlijk is en vernietigbaar op grond van art. 6:233 onderdeel a BW.\n\n5.12.. Bij de beoordeling of daarvan sprake is stelt de kantonrechter voorop dat de Recron-voorwaarden zijn opgesteld door ondernemersorganisatie Recron en de Consumentenbond. Gelet op de betrokkenheid van de Consumentenbond dient als uitgangspunt te gelden dat de belangen van de consumenten met deze voorwaarden voldoende zijn geborgd. De kantonrechter volgt huurders niet in hun stelling dat de Consumentenbond zich inmiddels heeft gedistantieerd van deze voorwaarden omdat deze niet zouden voldoen aan de vereisten van Europese richtlijnen. Uit de door huurders overgelegde productie blijkt dat de Consumentenbond stopt met tweezijdige algemene voorwaarden omdat deze overbodig zijn geworden doordat de wettelijke rechten van consumenten de laatste jaren sterk zijn uitgebreid. Nu de Consumentenbond wel betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Recron-voorwaarden, acht de kantonrechter de belangen van de huurders voldoende gewaarborgd door deze voorwaarden. Desalniettemin zal de kantonrechter het beroep van de huurders op de Europese consumentenbescherming en de implementatie van de desbetreffende richtlijnen in de Nederlandse wetgeving hierna bespreken.\n\nEuropese consumentenbescherming\n\n5.13.. De huurders doen een beroep op de wettelijke rechten van de consumenten. De huurders beroepen zich op de Richtlijn 2005\u002F29\u002FEG (oneerlijke handelspraktijken), de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (oneerlijke bedingen) en de Richtlijn 2011\u002F83EU (informatie bij consumentenovereenkomsten). Volgens huurders ontbreekt in de huurovereenkomst een deugdelijk en transparant opzegbeding, hetgeen in verband met de aanzienlijke financiële belangen van de huurders en de bekendheid van De Holle Poarte met de aard van de investeringen bijzonder problematisch is. Ook de Recron-voorwaarden bieden geen evenwichtige opzegregeling die rekening houdt met de financiële belangen van de huurders.\n\n5.14.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\nDe huurders hebben zich in algemene bewoorden beroepen op de regels van het Europees consumentenrecht zonder specifiek aan te geven welke bepalingen in de overeenkomst en\u002Fof de Recron-voorwaarden nietig of vernietigbaar zijn. De kantonrechter zal (ambtshalve) toetsen of er sprake is van strijd met voormelde richtlijnen. Daarbij zal de kantonrechter aansluiten bij recente jurisprudentie op dit punt in vergelijkbare zaken over de opzegging van huurovereenkomsten van staanplaatsen op recreatieparken.\n\n5.15.. Richtlijn 93\u002F13 EEG bepaalt in artikel 3 lid 1 dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien dit beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Deze regel is geïmplementeerd in artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In deze procedure staat niet ter discussie dat de huurders consument zijn en dat De Holle Poarte een professionele partij is in de zin van deze Richtlijnen. Beoordeeld dient te worden of het contractuele evenwicht tussen De Holle Poarte als professionele partij en huurders als consumenten aanzienlijk is verstoord met de in artikel 11 van de Recron-voorwaarden opgenomen opzeggingsregeling. Daarvan is niet gebleken. Vast staat immers dat de wet de huurder in gevallen als deze geen huurbescherming biedt. Als in dit geval de opzeggingsregels uit de Recron-voorwaarden niet zouden gelden, zou teruggevallen moeten worden op regelend recht. Onderdeel van dit regelend recht is artikel 7:228 lid 2 BW. Het gaat hier namelijk om een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en de huur heeft betrekking op een onroerende zaak (de staanplaats) zonder gebouw. Er is volgens die regeling alleen de verplichting om, kort gezegd, een huurtermijn van een maand in acht te nemen. De kantonrechter volgt de huurders niet voor zover zij stellen dat de wettelijke regeling een impliciet beding behelst, dat een ernstige verstoring van het contractuele evenwicht oplevert.\n\n5.16.. In dit geval bevatten de Recron-voorwaarden in artikel 11 e.v. opzeggingsregels die voor de huurder gunstiger zijn dan de wettelijke regeling. Huurders hebben onvoldoende onderbouwd waarom de opzeggingsregeling niettemin oneerlijk is. Daarbij verwijst de kantonrechter nogmaals naar de betrokkenheid van de Consumentenbond bij de totstandkoming van de Recron-voorwaarden. Evenmin valt in te zien waarom het opzeggingsbeding als zodanig is aan te merken als een oneerlijke handelspraktijk in de zin van Richtlijn 2025\u002F29EG (en artikel 6:193a e.v. BW). Waarom sprake zou zijn van onjuiste of misleidende informatie hebben huurders ook niet nader toegelicht.\n\n5.17.. Het beroep van huurders op de Richtlijn informatieplichten wordt evenmin gevolgd. Deze richtlijn, in de Nederlandse wet geïmplementeerd in artikel 6:230h lid 2, aanhef en onder f BW, is niet van toepassing op overeenkomsten voor het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerend goed of rechten op onroerend goed. Bij de huurovereenkomst op grond van een jaarplaats op een camping verkrijgt de huurder op grond van een overeenkomst het gebruiksrecht op een onroerende zaak, zodat de bepalingen voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten niet van toepassing zijn in deze situatie.\n\n5.18.. Het betoog dat de opzeggingsregeling nietig of vernietigbaar is in verband met Europese consumentenbescherming zoals neergelegd in de diverse richtlijnen en de Nederlandse wetgeving, wordt daarom verworpen.\n\nOpzegging conform de Recron-voorwaarden\n\n5.19.. Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevatten de Recron-voorwaarden in artikel 11 opzeggingsregels die voor de huurder gunstiger zijn dan de wettelijke regeling. De kantonrechter zal bij de beoordeling dan ook tot uitgangspunt nemen de vraag of De Holle Poarte bij de opzegging van de huurovereenkomsten het bepaalde in artikel 11 van de Recron-voorwaarden in acht heeft genomen.\n\n5.20.. De kantonrechter is van oordeel dat De Holle Poarte voldoende heeft aangetoond dat zij ten tijde van de opzegging serieuze, concrete plannen had voor herstructurering van het terrein en dat zij daartoe de staanplaatsen nodig had. Dat er belemmeringen zijn die aan de realisatie van de herstructurering in de weg staan of zouden kunnen staan, is niet gebleken. Daarbij acht de kantonrechter met name van belang dat het uitsluitend een interne inrichting van een deel van het terrein (veld F) betreft, waarbij 50 vaste staanplaatsen ruimte moeten maken voor toeristische kampeerplekken. Dat De Holle Poarte bepaalde bouwactiviteiten uit de vergunningaanvraag heeft verwijderd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Bovendien heeft De Holle Poarte gemotiveerd toegelicht dat bepaalde bouwwerken vergunningsvrij geplaatst kunnen worden en dat zij voor infrastructurele werkzaamheden (zekerheidshalve) een vergunning heeft aangevraagd. Uit de correspondentie met de gemeente blijkt ook genoegzaam dat er geen nadere vergunningsvereisten zijn die aan de realisatie in de weg staan of zouden kunnen staan. De huurders hebben ook niet nader onderbouwd waarom de plannen van De Holle Poarte desondanks niet voldoende concreet en\u002Fof niet uitvoerbaar zouden zijn.\n\n5.21.. De Holle Poarte heeft niet alleen de in de Recron-voorwaarden genoemde termijn van een jaar in acht genomen, zij heeft de huurders reeds in november 2023 geïnformeerd over de herstructureringsplannen, waardoor zij bijna drie jaar de tijd hebben (gehad) om te anticiperen op de gevolgen van de opzegging. Daarnaast heeft De Holle Poarte de huurders de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12 van de Recron-voorwaarden aangeboden.\n\n5.22.. De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat de opzegging is geschied overeenkomstig de Recron-voorwaarden.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n5.23.. In het Goglio-arrest (ECLI:NL:HR:2018:141) over duurovereenkomsten heeft de Hoge Raad overwogen dat indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen òf dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.\n\n5.24.. Dat de huurders belang hebben bij een ongewijzigde situatie, mede omdat zij met veel plezier om De Holle Poarte verblijven en ze de nodige kosten hebben gemaakt voor de aanschaf van hun kampeermiddel, staat niet ter discussie. Dat betekent echter niet dat De Holle Poarte handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door de huurovereenkomsten conform de Recron-voorwaarden op te zeggen omdat ze wenst over te gaan tot herstructurering van een deel van de camping.\n\n5.25.. Het betoog van de huurders dat het herstructureringsplan geen 'voldoende zwaarwegende grond' oplevert, zal de kantonrechter als ongegrond passeren. Anders dan de huurders menen is daarvoor niet vereist dat er sprake is van een dwingende noodzaak zoals veiligheidstekorten, milieuvervuiling, structureel verval of een overheidsopdracht. Dat voor opzegging van een duurovereenkomst een noodsituatie vereist zou zijn, zoals de huurders betogen, blijkt niet uit vaste jurisprudentie hierover. Ook wanneer het recreatiebedrijf uit commerciële overwegingen haar bedrijfsvoering wenst aan te passen aan de ontwikkelingen in de toeristensector, dan staat haar dat in beginsel vrij. Wel moeten haar herstructureringsplannen voldoende concreet en uitvoerbaar zijn en dient zij een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft De Holle Poarte hier aan voldaan.\n\n5.26.. Bij een overeenkomst als deze kan het voorkomen dat de partij tot wie de opzegging is gericht, met het oog op het voortduren van de overeenkomst investeringen heeft gedaan welke niet enkel worden gecompenseerd door, of verdisconteerd in een bepaalde opzegtermijn. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen, ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn, de eisen van redelijkheid en billijkheid nopen tot toekenning van een schadevergoeding. Volgens huurders brengt de redelijkheid en billijkheid met zich dat De Holle Poarte een gepast aanbod tot betaling van schadevergoeding heeft te doen. De huurders hebben investeringen in hun kampeermiddel gedaan en De Holle Poarte heeft dit bevorderd en ervan geprofiteerd, aldus huurders.\n\n5.27.. De kantonrechter is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid geen eisen voortvloeien waaraan De Holle Poarte niet heeft voldaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen rechtvaardigt de door De Holle Poarte voorgenomen herstructurering van haar terrein en de daarbij gehanteerde opzegtermijn de opzegging van de overeenkomst. Deze voorgenomen herstructurering acht de kantonrechter voldoende zwaarwegend en de opzegtermijn alleszins redelijk. Bovendien heeft De Holle Poarte de huurders een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten aangeboden. De kantonrechter volgt de huurders niet in hun betoog dat deze schadeloosstelling onvoldoende is. Het gaat om in beginsel verplaatsbare chalets en caravans die in eigendom toebehoren aan de huurders. Dat het kampeermiddel van [eiser sub 4] door zijn technische\u002Fconstructieve staat niet meer verplaatsbaar zou zijn, zoals van de zijde van huurders gesteld, kan De Holle Poarte niet worden tegengeworpen. Dat de door de huurders betaalde prijs voor de kampeermiddelen mede is bepaald door, en onlosmakelijk is verbonden met de staanplaats zelf, kunnen de huurders De Holle Poarte evenmin tegenwerpen. Dat De Holle Poarte daarvan zou hebben geprofiteerd, zoals de huurders aanvoeren, is door De Holle Poarte gemotiveerd betwist. De huurders hebben ook niet nader toegelicht op welke wijze De Holle Poarte betrokken zou zijn geweest bij de totstandkoming van de prijs die de huurders voor hun kampeermiddel hebben betaald, anders dan dat De Holle Poarte in het verleden wel hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met behoud van staanplaats. Dat het voor de huurders lastig is om voor hun kampeermiddel een andere plek te vinden en dat een verhuizing kosten met zich brengt, betekent echter niet dat De Holle Poarte verplicht is in deze kosten bij te dragen of anderszins een hogere vergoeding aan de huurders te betalen dan in de Recron-voorwaarden staat vermeld (geïndexeerd naar het prijspeil van 2025 een bedrag van € 1.920).\n\n5.28.. Voorts acht de kantonrechter van belang dat De Holle Poarte beschikbaar gekomen vervangende plekken op de camping aan de huurders heeft aangeboden. Dat De Holle Poarte daarbij voorrang heeft gegeven aan huurders van wie het kampeermiddel wel voldeed aan de richtlijnen van De Holle Poarte, levert, anders dan huurders stellen, geen willekeur op. Gelet op de leeftijd en uitstraling van het kampeermiddel van de huurders heeft De Holle Poarte aangegeven dat het kampeermiddel niet voor verplaatsing in aanmerking komt, maar dat de huurders een chalet dienen te plaatsen dat voldoet aan de richtlijnen van De Holle Poarte. De huurders hebben niet betwist dat hun kampeermiddel alle ten minste 30 jaar zijn en dat deze qua uitstraling niet voldoen aan de richtlijnen van De Holle Poarte. Evenmin hebben zij betwist dat De Holle Poarte een gerechtvaardigd belang heeft bij een goede uitstraling van de camping in zijn geheel. Dat de huurders niet in staat zijn om een nieuw of jong-gebruikt kampeermiddel aan te schaffen, maakt echter niet dat de opzegging door De Holle Poarte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n5.29.. Met betrekking tot [eiser sub 1] overweegt de kantonrechter tot slot dat zij weliswaar redelijk recent (in 2023) het kampeermiddel heeft gekocht, maar [eiser sub 1] heeft niet betwist dat er op dat moment geen herstructureringsplannen met betrekking tot veld [letter] waren. De Holle Poarte kan dan ook niet verweten worden dat zij [eiser sub 1] daarover niet heeft geïnformeerd. Voorts acht de kantonrechter van belang dat zowel in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats' en in het 'Mietvertrag' is verwezen naar de Recron-voorwaarden. In de Recron-voorwaarden staat uitdrukkelijk vermeld dat de koopprijs van het kampeermiddel niet meer kan zijn dan de waarde van het kampeermiddel zelf, dus zonder de grond, zonder vergoeding van het plekje, de ligging en het uitzicht. Dat De Holle Poarte op enige wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser sub 1] , is niet gebleken. Er bestaat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen aanleiding om, ondanks de relatief korte periode dat [eiser sub 1] van haar kampeermiddel en staanplaats heeft kunnen genieten, een hogere schadevergoeding toe te kennen.\n\n5.30.. Het door de huurders gedane beroep artikel 6:248 BW slaagt dan ook niet.\n\nMisbruik van recht\u002Fonrechtmatige daad\n\n5.31.. Uit de overwegingen over de rechtsgeldigheid van de door Holle Poarte gedane opzeggingen volgt dat er geen sprake is van misbruik van recht. Evenmin hebben de huurders bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat er binnen de contractuele relatie sprake is van een onrechtmatig handelen van De Holle Poarte jegens de huurders.\n\nSlotsom\n\n5.32.. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de alle vorderingen van de huurders, die er enerzijds op gericht zijn de rechtsgeldigheid van de opzegging van de huurovereenkomsten aan te tasten en anderzijds om een financiële schadevergoeding te bewerkstelligen, zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n5.33.. De huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Holle Poarte worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n632,50\n\nvoorts in reconventie\n\nEinde huurovereenkomst en ontruiming\n\n5.34.. De Holle Poarte vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomsten per 30 september 2026 zijn opgezegd en dat de huurders vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel op de betreffende jaarplaats verblijven. Bij vermeerdering van eis heeft De Holle Poarte daarnaast ontruiming van de gehuurde jaarplaatsen gevorderd. Nu er sprake is van een rechtsgeldige opzegging en de huurders geen aanspraak kunnen maken op een (schade)vergoeding die de aangeboden vergoeding op grond van de Recron-voorwaarden overstijgt, zijn de vorderingen toewijsbaar.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.35.. De veroordeling van huurders om de gehuurde staanplaatsen te ontruimen zal daarbij uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De huurders hebben zich daartegen verzet, waarbij zij hebben verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 mei 2025, waarbij het hof oordeelde dat het recreatiebedrijf jegens bepaalde huurders schadeplichtig was op grond van onrechtmatige daad en dat ontruiming pas mocht plaatsvinden na betaling van de schadevergoeding. Van een vergelijkbare situatie is echter geen sprake. Voorts hebben de huurders nog verwezen naar een tussenarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 december 2024, waarbij een belangenafweging is uitgevallen in het voordeel van de recreanten. Ook deze vergelijking gaat niet op, omdat in die zaak het recreatiebedrijf nog geen concrete plannen voor de betreffende staanplaatsen had zodat haar belang bij ontruiming van de staanplaatsen beperkt was. Bovendien bevond in die zaak de procedure in hoger beroep zich inmiddels in een vergevorderd stadium. In het onderhavige geval, waarbij er wel concrete plannen zijn en 47 van de 50 staanplaatsen wel per 1 oktober 2026 zullen zijn ontruimd, weegt naar het oordeel van de kantonrechter het belang bij De Holle Poarte om haar herstructureringsplannen te kunnen verwezenlijken zwaarder dan het belang van de huurders dat zich feitelijk vertaalt in een financieel belang.\n\nDwangsom\n\n5.36.. Met betrekking tot de door De Holle Poarte gevorderde dwangsom, die de huurders disproportioneel vinden, overweegt de kantonrechter tot slot dat hij deze zal matigen tot een bedrag van € 100,00 per dag dat de huurders na betekening van dit vonnis per 1 oktober 2026 in gebreke blijven met de ontruiming van de door hen gehuurde staanplaatsen. Uiteraard zijn [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] slechts gehouden de door henzelf gehuurde staanplaats te ontruimen. De kantonrechter zal hier een maximum aan verbinden van € 5.000,00. De kantonrechter acht dit een voldoende prikkel voor nakoming.\n\nProceskosten\n\n5.37.. \n\nDe huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Holle Poarte worden begroot op\n\n€ 253,00 (0,5 x 2 punten x € 253,00) aan salaris gemachtigde.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin reconventie\n\n6.3.. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst met [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] per 30 september 2026 is opgezegd en dat zij vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel op de desbetreffende jaarplaatsen verblijven,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] om de door hen gehuurde staanplaatsen, met al degene die en al hetgeen - niet zijnde bij de kavel behorende zaken - dat zich daarin of daarop bevindt, uiterlijk 1 oktober 2026 te verlaten en te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking aan De Holle Poarte te stellen,\n\n6.5.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] ieder om aan De Holle Poarte een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na betekening van dit vonnis niet aan de hoofdveroordeling onder 6.4. met betrekking tot de ontruiming van de door hen gehuurde staanplaats voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n6.6.. veroordeelt de huurders in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.7.. veroordeelt de huurders tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vermeerderd met de kosten van betekening als de huurders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.2. en 6.4 tot en met 6.7. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.R. Gans en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n471\n\n Artikel 6: 232 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 6: 233 BW\n\n Artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)\n\n vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3191), Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:7084) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026;1465).\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:3191\n\n ECLI:NL:GHARL:2024:7991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2524","2026-07-13T00:28:47.915Z",20]