[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-lelystad-insurance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":58},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},71,"Lelystad","nl","lelystad",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},70,"insurance-law-nl","Insurance Law","NL","2026-07-08T16:54:31.274Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2023-10-18T00:00:00.000Z","2026-03-23T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121930","Burgerlijk Wetboek","art. 7:962",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121931","art. 6:203 lid 1",[30,41,50],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"931","ECLI:NL:RBMNE:2026:1601","ecli-nl-rbmne-2026-1601","","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F606083 \u002F KL ZA 26-21\n\nVonnis in kort geding van 23 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. H.L.H. Hermans,\n\ntegen\n\nN.V. UNIVÉ SCHADE,\n\nte Assen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Univé,\n\nadvocaat: mr. H. Boone.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 36 producties;\n\n- de conclusie van antwoord met 11 producties; - de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnotities van [eiser] ; - de pleitnotities van Univé.\n\n1.2. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\nOp 18 juli 2024 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval in Dronten. Univé heeft de aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend. In de periode na het ongeval heeft Univé ongeveer € 14.000,00 aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd, waaronder\n\n€ 2.000,00 smartengeld. [eiser] vindt dat zijn schade substantieel hoger is dan deze voorschotten. Hij vordert daarom € 30.000,00 als aanvullend voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en de kosten (inclusief nakosten) van deze procedure. Univé betwist dat de schade van [eiser] de voorschotten overstijgt, en meent ook dat de gestelde schade niet het gevolg is van het ongeval. Zij vraagt de voorzieningenrechter daarom de vordering van [eiser] af te wijzen. Univé krijgt grotendeels gelijk.\n\n3. De beoordeling\n\nHet toetsingskader\n\n3.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan van een geldvordering van [eiser] op Univé in hoge mate aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.\n\n3.2. Partijen zijn het er over eens dat Univé aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn ongeval lijdt. Univé is daarom in beginsel gehouden de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, te vergoeden. In dit kort geding staat de vraag centraal of Univé een aanvullend voorschot aan [eiser] moet voldoen. Hierbij is van belang om vast te stellen of voldoende aannemelijk is dat het bedrag aan reeds verschenen schade het reeds betaalde voorschotbedrag substantieel overstijgt en of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure een hoger bedrag aan uiteindelijke schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegewezen dan tot nu toe aan voorschotten door Univé is betaald.\n\n [eiser] heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening\n\n3.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij, als hij geen aanvullend voorschot ontvangt, verder in de financiële problemen zal komen en daardoor mogelijk zijn huurwoning zal moeten verlaten en medische behandelingen zal moeten staken.\n\nHet standpunt van partijen\n\n3.4. \n [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] meent dat zijn schade in maart 2026 in totaal € 62.000,00 bedraagt, waardoor hij € 48.000,00 te weinig aan voorschot heeft gekregen. Ten aanzien van de schadepost verlies aan verdienvermogen stelt [eiser] dat hij, als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, per 2 september 2024 aan de slag zou zijn gegaan als [functie] bij zijn broer. Dan zou hij ongeveer 40 uur per week hebben gewerkt en ongeveer € 2.865,00 netto per maand hebben verdiend. [eiser] heeft zijn stelling onderbouwd met een e-mail van zijn broer van 28 juni 2024, dus een aantal weken voor het ongeval, waarin zijn broer dit bevestigt. Verder zou [eiser] in de periode vóór het ongeval niet alleen inkomen uit arbeid hebben gehad maar ook fiscaal niet verantwoorde inkomsten uit kluswerkzaamheden. Tot het verrichten van die kluswerkzaamheden is hij nu niet meer in staat.\n\n3.5. Univé betwist de door [eiser] gevorderde schade en het causaal verband tussen het ongeval en deze schade. Zij meent dat er geen sprake is van beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval. [eiser] had namelijk al last van verschillende medische klachten, waaronder lage rugpijn, schouderklachten en psychische klachten, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt in maart 2023. Ook de schade in het kader van het verlies van verdienvermogen wordt door Univé betwist. Zij wijst op een wat inkomen betreft niet noemenswaardig arbeidsverleden van 2003 t\u002Fm 2022 en voert ook aan dat het niet te verwachten was dat [eiser] per 2 september 2024 daadwerkelijk aan de slag zou zijn gegaan als [functie] omdat i) [eiser] ten tijde van het ongeval in een re-integratietraject zat onder begeleiding van het UWV waarbij nog geen concrete invulling was gegeven aan het voornemen van [eiser] om als [functie] te gaan werken, ii) [eiser] tijdens de huisbezoeken op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat er voor het ongeval nog niets concreets gepland was qua loonvormende werkzaamheden en iii) [eiser] pas op 11 maart 2025 naar voren bracht dat hij bij zijn broer in dienst zou zijn getreden als [functie] .\n\nDe vordering tot betaling van € 30.000,00 wordt afgewezen\n\n3.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure niet gebleken dat de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, de betaalde voorschotten substantieel overschrijdt. De vordering tot betaling van aanvullende voorschotten zal dus worden afgewezen. Hiertoe is het volgende redengevend.\n\n3.7. Er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van [eiser] voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Voorafgaand aan het ongeval was sprake van een weinig constant arbeidsverleden. De laatste arbeidsverhouding van [eiser] was meer dan een half jaar voor het ongeval beëindigd en heeft ongeveer 6 maanden geduurd. [eiser] heeft nog aangevoerd dat hij ook niet-fiscaal verantwoorde kluswerkzaamheden heeft verricht en daarmee ongeveer € 2.500,00 bruto per maand verdiende. De voorzieningenrechter gaat aan deze stelling voorbij, nu onvoldoende onderbouwd is dat [eiser] deze inkomsten daadwerkelijk ontving. De enkele foto’s van [eiser] ’s gereedschap en gestelde klussen zijn daartoe onvoldoende.\n\n3.8. Ook het te verwachten verdienvermogen zonder ongeval kan momenteel niet voldoende worden vastgesteld. Weliswaar heeft [eiser] een mail overgelegd waarin zijn broer een concreet salaris voorstelt voor werkzaamheden als [functie] , maar dit is onvoldoende om ervan uit te gaan dat [eiser] deze werkzaamheden daadwerkelijk en duurzaam kon uitvoeren. Uit de verslagen van de huisbezoeken blijkt dat [eiser] op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat hij overwoog als [functie] te werken, maar hij heeft daarbij niet de concrete plannen verteld die uit het mailbericht van zijn broer van 28 juni 2024 blijken. In de documentatie over de re-integratiebegeleiding door het UWV wordt wel vermeld dat [eiser] eventueel als [functie] wilde werken, maar over deze wens wordt niets geconcretiseerd vermeld waaruit zou kunnen blijken dat hij die werkzaamheden daadwerkelijk kon gaan doen. Daarom kan de voorzieningenrechter op dit moment niet vaststellen dat het de redelijke verwachting was dat [eiser] per 2 september 2024 aan het werk zou gaan als [functie] , voor het door hem gestelde aantal uren per week en gestelde salaris.\n\n3.9. Alhoewel volgens de voorzieningenrechter geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door [eiser] ervaren klachten, is op dit moment niet voldoende aannemelijk dat deze klachten, uitsluitend, zijn te herleiden tot het ongeval. In het kader van het re-integratietraject is vóór het ongeval op 11 juni 2024 en ná het ongeval op 14 februari 2025 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld door het UWV. Hieruit blijkt dat er sprake was van (aanzienlijke) pre-existente klachten, en dat de beperkingen na het ongeval zijn toegenomen. Dit roept de vraag op welke beperkingen het gevolg zijn het ongeval en welke al voor het ongeval bestonden. Ook deze vraag behoeft beantwoording voordat een reële analyse te maken valt van het verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval.\n\n3.10. Concluderend heeft de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende informatie om vast te stellen dat de schade van [eiser] hetgeen aan voorschotten is betaald overschrijdt substantieel overschrijdt.\n\nBelangenafweging\n\n3.11. Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. De voorzieningenrechter begrijpt dat de belangen aan de zijde van [eiser] groot zijn. Hij verkeert in een financieel penibele situatie en dit heeft ongetwijfeld een negatieve invloed op zijn welbevinden. Aan de andere kant speelt het restitutierisico ook een rol. Als Univé op basis van een voorlopige voorziening een aanvullend voorschot zou moeten betalen, dan is de kans aanzienlijk dat [eiser] dit bedrag niet meer kan terugbetalen mocht later anders geoordeeld worden in een bodemprocedure.\n\nMedisch onderzoek en verantwoordelijkheid Univé\n\n3.12. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Om te beoordelen welke klachten het gevolg zijn van het ongeval en welke klachten reeds voor het ongeval bestonden, is nader medisch onderzoek nodig. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat partijen het hierover eens zijn. Van Univé mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen. Univé kan zich - anders dan zij doet - niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover zij meent onvoldoende informatie van [eiser] te hebben, is het aan haar om hem daar duidelijk om te verzoeken. Het is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Tegelijkertijd is niet gebleken dat Univé [eiser] volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen. Univé heeft niet bestreden dat Rhamouni pas in het kader van dit kort geding op de hoogte is geraakt van het medisch advies van 17 oktober 2025. Uit het dossier blijkt dat de manier waarop [eiser] en zijn medisch adviseur zich in deze zaak opstellen constructief is en dat hij zich inspant om Univé in voldoende mate te informeren. Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor Rhamouni heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan Univé.\n\nDe proceskosten\n\n3.13. Hoewel [eiser] in het ongelijk wordt gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd vanwege hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen over de verantwoordelijkheid van Univé voor de afwikkeling van deze letselschadezaak.\n\n4. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n4.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n4.2. compenseert de proceskosten zodat [eiser] en Univé de eigen kosten dragen,\n\n4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.\n\n5827","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1601","2026-04-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:55.306Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":39,"updatedAt":49},"364","ECLI:NL:RBMNE:2024:3902","ecli-nl-rbmne-2024-3902","2024-03-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F541028 \u002F HL ZA 22-168\n\nVonnis van 27 maart 2024\n\nin de zaak van\n\nONVZ ZIEKTENKOSTENVERZEKERAAR N.V.,\n\ngevestigd te Houten,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: ONVZ,\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm te 's-Gravenhage,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,\n\nadvocaat: mr. A. Frederiksen te Amsterdam.\n\n [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zullen hierna samen [gedaagde sub 2] c.s. genoemd worden.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 oktober 2023; - de akte van [gedaagde sub 2] c.s. van 30 oktober 2023 met producties 12 t\u002Fm 21;\n\n- de akte van ONVZ van 15 november 2023 met producties 39 t\u002Fm 42; - de akte van [gedaagde sub 2] c.s. van 6 december 2023 met productie 12.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nInleiding\n\n2.1.. De rechtbank heeft in r.o. 2.12. van het tussenvonnis van 28 juni 2023 overwogen dat:\n\n2.2.. ONVZ heeft vervolgens een incidentele vordering ingesteld en gevraagd om [gedaagde sub 2] c.s. te veroordelen de in het incidentele verzoek gevraagde stukken over te leggen. Dit verzoek is toegewezen en [gedaagde sub 2] c.s. heeft deze stukken overgelegd bij akte van 30 oktober 2023. ONVZ heeft daarop in de akte van 15 november 2023 gereageerd. Op basis van de overgelegde stukken en de verklaringen daarbij, is de rechtbank van oordeel dat ONVZ gedeeltelijk is geslaagd in haar bewijsopdracht. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom.\n\n2.3.. In haar akte van 6 december 2023 stelt [gedaagde sub 2] c.s. dat zij te weinig tijd heeft gekregen om op de stellingen van ONVZ te reageren. Zij wil zich alsnog kunnen uitlaten zodat zij zich kan laten bijstaan door een financieel deskundige. De rechtbank zal dit echter niet toestaan. Het tussenvonnis is van 28 juni 2023. Vanaf dat moment was duidelijk dat de rechtbank bewijs van de stellingen van ONVZ verlangde. ONVZ heeft al op 28 augustus 2023 een verzoek gedaan om op grond van artikel 843a Rv [gedaagde sub 2] c.s. te bevelen de in het verzoek genoemde stukken te overleggen. [gedaagde sub 2] c.s. had er rekening mee moeten houden dat dit verzoek zou kunnen worden toegewezen en dat ONVZ deze stukken zou gebruiken om haar stellingen verder te onderbouwen, waarop [gedaagde sub 2] c.s. weer zou mogen reageren. Dat [gedaagde sub 1] er voor gekozen heeft om midden in die periode voor een maand naar Kenia te vertrekken, waardoor zij in tijdnood kwam, komt dan ook voor haar rekening en risico.\n\n2.4.. De rechtbank zal eerst de stellingen behandelen die ONVZ bij (bijna) elk zorgdossier heeft ingenomen en daarna de stellingen die ten aanzien van de individuele zorgdossiers zijn ingenomen. De stellingen zijn hierna in cursief weergegeven.\n\nAlgemeen\n\na. Betrokkenheid onderaannemers blijkt niet uit de stukken\n\n2.5.. De rechtbank concludeert met ONVZ dat de raamovereenkomsten die in het geding zijn gebracht, overeenkomsten zijn die lijken te zien op cliënten die bij Zilveren Kruis verzekerd zijn en niet bij ONVZ. Of deze overeenkomsten authentiek zijn kan daarom in het midden blijven. Individuele overeenkomsten van opdracht zijn niet in het geding gebracht, maar dit wil nog niet zeggen dat [gedaagde sub 2] c.s. ten onrechte aan ONVZ heeft gedeclareerd.\n\nb. Specificatie van geleverde zorg ontbreekt en facturen zijn niet herleidbaar tot verzekerden\n\n2.6.. Deze stellingen van ONVZ volgt de rechtbank niet. Immers, uit de ondertekende urenverantwoordingen, de ondertekende rapportages Verpleging en Verzorging (hierna: de rapportages) en de overgelegde verklaringen van [A] , [B] , [C] en [D] in samenhang met de in het geding gebrachte facturen, blijkt welke onderaannemers betrokken waren bij de zorg voor deze cliënten, welke zorg is geleverd, welke personen voor de zorgverlening werden ingeschakeld en wat daarvoor door de onderaannemers in rekening is gebracht. ONVZ heeft uit de stukken, zo blijkt uit productie 41, ook kunnen afleiden welke facturen bij welke verzekerde horen. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] c.s. tegen het verwijt van ONVZ over de facturen ingebracht dat zij een kleine, informele zorgverlener is die precies wist welke zorgverlener in welke periode bij welke patiënt werkzaam was. Dit verweer vindt de rechtbank voldoende onderbouwd door middel van de overgelegde stukken. Het enkele feit dat op de facturen van de zorgverleners geen namen van verzekerden staan, maakt voor de beoordeling dan ook geen verschil.\n\n2.7.. De handtekeningen van [E] en [F] ontbreken op de urenverantwoordingen en de rapportages. Volgens ONVZ heeft zij van [E] gehoord dat [F] nooit zorg van [gedaagde sub 2] c.s. heeft ontvangen en dat [E] veel minder zorg heeft ontvangen dan door [gedaagde sub 2] c.s. is gedeclareerd. Bovendien zou [gedaagde sub 2] c.s. alleen Wmo-zorg hebben geleverd die niet bij ONVZ kan worden gedeclareerd. ONVZ heeft dit betoog echter, anders dan met een door haar zelf opgestelde bevestiging van het gesprek met [E] , niet onderbouwd. Daartegenover staat dat voor de zorgverlening aan [E] en [F] door een indicerend wijkverpleegkundige ondertekende indicaties en zorgplannen zijn overgelegd, zodat de rechtbank ervan uitgaat, mede gezien de urenverantwoordingen en de rapportages, dat de zorg zoals in deze stukken is beschreven volgens het principe “zorgplan = planning = realisatie, tenzij..” is verleend.\n\n2.8.. ONVZ heeft nog aangevoerd dat zorgverleners [G] , [H] en [I] nooit voor [onderneming 1] hebben gewerkt. Daartoe verwijst zij naar productie 42 waaruit dit moet blijken. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat de status van deze overzichten is en wie deze heeft ingevuld, zodat dit geen onderbouwing is voor de stelling van ONVZ.\n\nc. Geen sprake van door [gedaagde sub 2] c.s. gestelde zorgbehoefte en dus meer gedeclareerd dan nodig\n\n2.9.. ONVZ baseert deze stelling op het feit dat [E] en [F] vanaf december 2018 geen wijkverpleging meer hebben ontvangen en [A] vanaf 2020 ook niet. Bovendien heeft [B] volgens ONVZ vanaf 2020 veel minder zorg ontvangen dan in de periode daarvoor, net zoals [C] en [D] Het is de rechtbank niet duidelijk waarom uit het feit dat in een periode geen of minder zorg is verleend, de conclusie moet worden getrokken dat in de voorgaande periode meer is gedeclareerd dan nodig. Dat er geen of minder zorg is ontvangen kan immers ook het gevolg zijn van het feit dat de behoefte van de cliënten in de loop van de tijd is veranderd. Hoe het ook zij, uit deze feiten volgt nog niet dat [gedaagde sub 2] c.s. meer zorg heeft gedeclareerd dan zij heeft verleend.\n\nIndividuele zorgdossiers\n\nd. [onderneming 2] heeft een verkeerd tarief in rekening gebracht voor verzekerden [A] en [B]\n\n2.10.. Volgens ONVZ heeft [onderneming 2] het formele tarief gerekend terwijl zij informele (mantel)zorg heeft verleend waarvoor een lager tarief geldt. ONVZ meent dat [onderneming 2] informele (mantel) zorg heeft geleverd omdat [J] van [onderneming 2] de zus is van [B] Uit de door ONVZ overgelegde urenverantwoordingen en zorgrapportages blijkt dat de zorg aan [B] is verleend door [H] , [K] en [L] . Deze professionele zorgverleners zijn door [onderneming 2] ingeschakeld om de zorg aan [B] te verlenen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat hiervoor terecht het formele tarief in rekening is gebracht. ONVZ stelt hetzelfde ten aanzien van [A] , maar uit de bijlagen waarnaar wordt verwezen blijkt niet dat [J] familie van hem is.\n\n2.11.. Uit het als bijlage 1 bij productie 41 overgelegde schema, waarvan de inhoud door [gedaagde sub 2] c.s. niet (gemotiveerd) is betwist, blijkt wel dat [gedaagde sub 2] in de periode januari tot en met december 2019 € 17.893,04 meer in rekening heeft gebracht bij [A] en [B] dan zij aan [onderneming 2] heeft hoeven te betalen. [gedaagde sub 2] heeft niet onderbouwd dat, of waarom, zij hier recht op had. Voor zover zij vindt dat dit rechtvaardig is, omdat zij recht heeft op een percentage van het door [onderneming 2] in rekening gebrachte bedrag, had zij moeten aantonen waarom dit rechtvaardig was en hoe hoog het percentage is. Uit de overgelegde overeenkomsten kan dit in ieder geval niet worden afgeleid.\n\n2.12.. \n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde sub 2] ten onrechte een bedrag van\n\n€ 17.893,04bij ONVZ heeft gedeclareerd.\n\ne. [gedaagde sub 2] heeft meer gedeclareerd voor verzekerden [F] en [E] dan [onderneming 1]\n\n2.13.. ONVZ baseert haar stelling op bijlage 5 bij productie 41 waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] c.s. ( [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] ( h. o.d.n. [handelsnaam] ) in de periode oktober 2018 25% meer persoonlijke verzorging heeft gedeclareerd dan [onderneming 1] en 91,7% meer verpleging. Dit correspondeert volgens ONVZ met een bedrag van € 3.067,20. Deze stelling wordt niet (gemotiveerd) door [gedaagde sub 2] c.s. betwist, zodat de rechtbank moet vaststellen dat [gedaagde sub 2] c.s. € 3.067,20teveel bij ONVZ heeft gedeclareerd.\n\nf. [gedaagde sub 2] heeft meer gedeclareerd voor verzekerden [C] en [D] dan [onderneming 3] en [onderneming 1]\n\n2.14.. \n [onderneming 3] heeft op haar facturen geen eenheden vermeld. Dit maakt nog niet dat niet kan worden vastgesteld welke eenheden zij heeft gedeclareerd. De door [onderneming 3] gedeclareerde eenheden blijken namelijk uit de zorgrapportages. Het is de rechtbank niet gebleken dat de eenheden uit de zorgrapportages afwijken van de door [gedaagde sub 2] gedeclareerde eenheden. Als dit wel het geval was, dan had ONVZ dit moeten aanvoeren. Dat betekent dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde sub 2] meer eenheden heeft gedeclareerd dan [onderneming 3] heeft gedaan.\n\n2.15.. Wel blijkt uit bijlage 7 bij productie 41 dat [gedaagde sub 2] € 10.468,60 meer in rekening heeft gebracht aan ONVZ dan [onderneming 3] aan haar heeft gedaan. Ook dit verschil heeft [gedaagde sub 2] c.s. niet uitgelegd. Daaruit volgt dat niet komt vast te staan dat door [gedaagde sub 2] gedeclareerde zorg ter hoogte van € 10.468,60is geleverd zodat dit bedrag ten onrechte bij ONVZ is gedeclareerd.\n\n2.16.. Uit bijlage 8 bij productie 41, die niet gemotiveerd door [gedaagde sub 2] c.s. is betwist, blijkt dat [gedaagde sub 2] 4509 eenheden meer zorg heeft gedeclareerd dan [onderneming 1] volgens haar facturen heeft gewerkt. Dit is 35,6% van de door [gedaagde sub 2] gedeclareerde eenheden en correspondeert met een bedrag van € 20.920,08. Ook dit bedrag heeft [gedaagde sub 2] ten onrechte bij ONVZ gedeclareerd.\n\ng. ONVZ is op grond van artikel 7:962 BW gesubrogeerd in de rechten van de verzekerden\n\n2.17.. Volgens ONVZ kan zij daarom de bedragen die [gedaagde sub 2] ten onrechte heeft gedeclareerd van [gedaagde sub 2] terugvorderen. Zij verliest daarbij uit het oog dat ONVZ niet de schade heeft vergoed die verzekerden hebben geleden door onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] , maar zorgkosten die de verzekerden hebben gemaakt. Daarop ziet artikel 7:962 BW niet.\n\nTussenconclusie\n\n2.18.. \n\nUit de voorgaande alinea’s volgt dat de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde sub 2]\n\n(€ 17.893,04 + € 10.468,60 + € 20.920,08 =) € 49.281,72teveel bij ONVZ heeft gedeclareerd en vervolgens van ONVZ heeft ontvangen. Dit is de schade die ONVZ heeft geleden op grond van onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] .\n\nOnverschuldigde betaling\n\n2.19.. \n [E] en [F] ontvingen in 2018 zorg van zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 1] ( h. o.d.n. [handelsnaam] ). De hiermee gemoeide kosten – in totaal € 12.946,32 – werden rechtstreeks aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] voldaan, omdat de vorderingen van [E] en [F] op ONVZ aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zijn gecedeerd. Door deze cessie zijn de rechten en verplichtingen van [E] en [F] op hen overgegaan. Zij zijn dan ook de ontvangers van de gelden in de zin van artikel 6:203 lid 1 BW. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat ten aanzien van de aan [E] en [F] geleverde zorg, € 3.067,20teveel is gedeclareerd door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] . Dit bedrag is dan ook onverschuldigd betaald door ONVZ en moet aan haar worden terugbetaald. Omdat niet duidelijk is welk deel van het onverschuldigd betaalde aan [gedaagde sub 2] dan wel aan [gedaagde sub 1] is voldaan, zullen zij hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling.\n\nAansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] als bestuurder\n\n2.20.. Uitgangspunt is dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor de schade die een derde heeft geleden vanwege een onrechtmatige daad gepleegd door deze rechtspersoon. Onder omstandigheden kan een bestuurder naast de rechtspersoon aansprakelijk zijn als hem een persoonlijk ernstig verwijt ter zake van de benadeling kan worden gemaakt. Het is aan ONVZ om de feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te onderbouwen op grond waarvan kan worden aangenomen dat aan [gedaagde sub 1] een ernstig verwijt kan worden gemaakt.\n\n2.21.. In dat kader heeft ONVZ aangevoerd dat [gedaagde sub 1] als bestuurder aansprakelijk is voor de schade van ONVZ omdat zij heeft toegelaten dat binnen haar organisatie indicaties werden opgesteld op basis waarvan kosten in rekening zijn gebracht waarop geen aanspraak bestond. Dit betoog faalt. Vast staat dat de indicaties zijn opgesteld door een onafhankelijke wijkverpleegkundige. Dat deze indicaties niet juist zijn blijkt nergens uit.\n\n2.22.. Daarnaast wordt [gedaagde sub 1] verweten dat de zorgadministratie achteraf is opgesteld. In het tussenvonnis van 28 juni 2023 heeft de rechtbank vastgesteld dat de aangeleverde zorgrapportages niet de schoonheidsprijs verdienen vanwege knip- en plakwerk, maar het staat niet vast dat dit knip- en plakwerk door [gedaagde sub 1] is gedaan. Bovendien heeft ONVZ onvoldoende onderbouwd dat dit knip- en plakwerk ertoe heeft geleid dat [gedaagde sub 2] bedragen heeft gedeclareerd voor zorg die niet is geleverd.\n\n2.23.. Verder wordt [gedaagde sub 1] verweten dat [gedaagde sub 2] Wmo-zorg als Zvw zorg heeft gedeclareerd. Dat blijkt echter nergens uit. Waarom het niet instellen van een raad van commissarissen, zoals ONVZ [gedaagde sub 1] tot slot verwijt, heeft geleid tot de door ONVZ geleden schade wordt helemaal niet onderbouwd. ONVZ heeft dus geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [gedaagde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Naar oordeel van de rechtbank is van bestuurdersaansprakelijkheid dan ook geen sprake.\n\nWettelijke rente\n\n2.24.. ONVZ heeft gevorderd dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] c.s. worden veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de verschuldigde hoofdsom vanaf 27 januari 2021. [gedaagde sub 2] c.s. heeft hier geen verweer tegen gevoerd, zodat de rechtbank dit deel van de vordering zal toewijzen.\n\nConclusie\n\n2.25.. Op grond van dat wat hiervoor is overwogen zal [gedaagde sub 2] worden veroordeeld om aan ONVZ een bedrag van € € 49.281,72 te voldoen en [gedaagde sub 2] c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld om een bedrag van € 3.067,20 te voldoen, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.26.. Omdat niet is gebleken dat aan [gedaagde sub 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 2] is geen sprake van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] en de vorderingen jegens haar zullen, behalve het hiervoor genoemde bedrag van € 3.067,20, worden afgewezen.\n\nProceskosten en wettelijke rente\n\n2.27.. \n [gedaagde sub 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde sub 1] wordt niet (mede) veroordeeld in de proceskosten omdat zij niet grotendeels in het ongelijk is gesteld. De proceskosten van ONVZ worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n147,63\n\n- griffierecht\n\n€\n\n5.737,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.499,00\n\n(3,50 punten × € 2.714,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n15.561,63\n\n2.28.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n2.29.. \n\nDe veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling aan ONVZ van een schadevergoeding van\n\n€ 49.281,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 januari 2021 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. \n\nveroordeelt [gedaagde sub 2] c.s. hoofdelijk tot betaling aan ONVZ van een bedrag van\n\n€ 3.067,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling,\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 15.561,63, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.4.. veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter, mr. J. M. van Jaarsveld en mr. S. M. van Meer en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2024.\n\n4420","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2024:3902","2024-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.190Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":54,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":39,"updatedAt":57},"365","ECLI:NL:RBMNE:2023:5437","ecli-nl-rbmne-2023-5437","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F541028 \u002F HL ZA 22-168\n\nVonnis van 18 oktober 2023\n\nin de zaak van\n\nONVZ ZIEKTENKOSTENVERZEKERAAR N.V.,\n\ngevestigd te Houten,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: ONVZ,\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm te 's-Gravenhage,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen in vrouwelijk enkelvoud: [gedaagde c.s.] ,\n\nadvocaat: mr. A. Frederiksen te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet vonnis van 28 juni 2023;\n\nde akte van ONVZ met daarin de incidentele vordering tot het verstrekken van bescheiden tevens de akte uitlaten bewijslevering door het horen van getuigen met producties 37 en 38;\n\nde antwoordakte in het incident van [gedaagde c.s.]\n\n1.2.. Daarna is vonnis bepaald in het incident.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij tussenvonnis van 28 juni 2023 heeft de rechtbank ONVZ toegelaten te bewijzen dat [gedaagde c.s.] zorg heeft gedeclareerd die (deels) niet is geleverd.\n\nin het incident\n\n2.2.. Met het oog op deze bewijsopdracht vordert ONVZ in dit incident dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde c.s.] veroordeelt om aan ONVZ een afschrift te verstrekken van de volgende stukken, binnen zeven dagen na het vonnis in incident op straffe van een dwangsom:\n\nde overeenkomsten van opdracht die [gedaagde c.s.] heeft gesloten met de voor verzekerden ingeschakelde zorgverleners c.q. onderaannemers;\n\nde facturen van de inschakelde zorgverleners c.q. onderaannemers aan [gedaagde c.s.] en de bewijzen van betaling (bankafschriften) hiervan;\n\nbewijzen van betaling van de door verzekerden aan [gedaagde c.s.] (door)betaalde facturen met een totaalbedrag van € 158.230,97.\n\n2.3.. ONVZ heeft haar vordering gebaseerd op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 88 en 98 van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zij heeft betoogd dat zij een afschrift van de stukken nodig heeft gelet op de bewijsopdracht van de rechtbank en vanwege het feit dat andere gebruikelijke gegevens waaruit de levering van de zorg kan blijken, zoals zorgrapportages en urenregistraties, door toedoen van [gedaagde c.s.] ontbreken. Ook heeft ONVZ gesteld dat een getuigenverhoor overbodig kan zijn of juist efficiënt en effectief kan worden ingericht, afhankelijk van hetgeen uit de stukken blijkt.\n\n2.4.. \n [gedaagde c.s.] heeft verweer gevoerd tegen de incidentele vordering. Zij heeft betoogd dat (het ontbreken van) een schriftelijke overeenkomst van opdracht tussen [gedaagde c.s.] en de voor verzekerden ingeschakelde zorgverleners en onderaannemers niet met zekerheid tot de conclusie leidt dat de zorg (niet) is geleverd. Ook zonder een schriftelijke overeenkomst kan er volgens [gedaagde c.s.] zorg zijn verleend. Hetzelfde betoog geldt volgens [gedaagde c.s.] voor de facturen die [gedaagde c.s.] bij haar zorgverleners en onderaannemers in rekening heeft gebracht en de betalingen die zijn verricht. Volgens [gedaagde c.s.] is het haar eigen keuze wat zij met het geld doet dat zij van ONVZ heeft ontvangen en zegt dat niets over de zorg die is geleverd. [gedaagde c.s.] stelt bovendien dat het (ontbreken van een) bewijs van betaling door verzekerden hoe dan ook in haar voordeel pleit. Als de betalingen wel zijn verricht, dan pleit dat voor de stelling van [gedaagde c.s.] dat de zorg geleverd is. Maar als de betalingen niet zijn verricht, dan heeft [gedaagde c.s.] geen geld ontvangen en kan zij ook niet verplicht worden teveel ontvangen gelden aan ONVZ (terug) te betalen. Als gevolg van het voorgaande ontbreekt er een rechtmatig belang bij de vordering, aldus [gedaagde c.s.] Voor het overige heeft [gedaagde c.s.] aangevoerd dat ONVZ geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de stukken zien. Ten slotte beroept zij zich op haar belang om geen privacy- en bedrijfsgevoelige informatie te hoeven verstrekken als dat onvoldoende belang dient.\n\nArtikel 843a Rv2.5.. Op grond van artikel 843a Rv heeft ONVZ recht op een afschrift van de gevorderde bescheiden, als sprake is van (1) een rechtmatig belang bij een afschrift. Verder moeten de stukken waarvan een afschrift wordt gevraagd (2) voldoende specifiek zijn, deze moeten (3) zien op een rechtsbetrekking waarbij ONVZ partij is en ten slotte is vereist (4) dat [gedaagde c.s.] de gevraagde stukken tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. Als aan deze vereisten is voldaan, kan inzage in de stukken alsnog worden afgewezen vanwege (5) gewichtige redenen of omdat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder inzage in de gevraagde gegevens is gewaarborgd\n\nAd 1. - rechtmatig belang2.6.. ONVZ heeft voldoende aangevoerd om te oordelen dat zij een rechtmatig belang heeft. Zij heeft een direct en concreet belang bij de stukken, omdat zij deze informatie nodig heeft met het oog op de bewijslevering na de bewijsopdracht in het tussenvonnis van de rechtbank en - mogelijk - ter voorbereiding op het getuigenverhoor. De rechtbank is het niet eens met de stelling van [gedaagde c.s.] dat uit (het ontbreken van) de stukken op voorhand de conclusie moet worden getrokken dat dit niet bijdraagt aan het vaststellen van de rechtspositie van ONVZ en dat deze stukken op geen enkele wijze kunnen bijdragen aan de bewijsopdracht. [gedaagde c.s.] loopt hiermee ten onrechte vooruit op de beantwoording van de vraag die in de hoofdzaak aan de orde moet komen. Nu de gevraagde stukken aanwijzingen kunnen bevatten over de vraag die daadwerkelijk is geleverd, is deze relevant voor de rechtspositie van ONVZ en daarmee kan van een rechtmatig belang worden gesproken.\n\nAd 2. - voldoende specifiek2.7.. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde stukken voldoende specifiek zijn omschreven en dat ten aanzien van dit vereiste ook geen verweer is gevoerd.\n\nAd 3. - rechtsbetrekking2.8.. Anders dan [gedaagde c.s.] lijkt te betogen, hoeft ONVZ geen directe partij te zijn bij de gevraagde stukken om inzage in die stukken te kunnen krijgen. Er moet sprake zijn van een rechtsbetrekking, waaronder niet alleen een overeenkomst maar ook een verbintenis uit de wet - zoals een onrechtmatige daad - valt. Een verzoek tot afschrift van documenten kan bovendien betrekking op een overeenkomst tussen twee andere partijen of een ander document waarbij ONVZ geen partij is.\n\n2.9.. De gevraagde stukken hebben betrekking op handelingen van [gedaagde c.s.] waarvan ONVZ heeft gesteld dat deze onrechtmatig zijn. Het is gelet hierop voldoende aannemelijk dat de stukken zien op een rechtsbetrekking waarbij ONVZ partij is.\n\nAd 4. - bezit van de stukken2.10.. \n [gedaagde c.s.] heeft niet betwist dat zij de stukken heeft, zodat dit niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.\n\nAd 5. - gewichtige redenen2.11.. Ten slotte heeft [gedaagde sub 2] aangevoerd dat de gevraagde gegevens privacy- en bedrijfsgevoelig zijn en niet zonder voldoende belang mogen worden verstrekt, terwijl ONVZ haar belang onvoldoende heeft aangetoond en niet eerst rechtstreeks contact heeft gezocht met haar verzekerden.\n\n2.12.. Hiervoor is geoordeeld dat ONVZ een rechtmatig belang heeft bij de door haar gevraagde gegevens. Het privacybelang van [gedaagde c.s.] weegt niet op tegen het belang van ONVZ bij een afschrift van de gegevens. Dat klemt te meer nu ONVZ voor een juiste beoordeling van de bij haar ingediende declaraties moet weten welke zorg de bij haar verzekerde zorgcliënten hebben ontvangen, terwijl de zorgrapportages van [gedaagde c.s.] slordig waren en sprake was van knip- en plakwerk. De rechtbank wijst ONVZ erop dat zij de stukken na ontvangst enkel voor deze procedure mag gebruiken.\n\n2.13.. Dat ONVZ de gevraagde gegevens (deels) bij haar verzekerden kan opvragen, staat er ten slotte niet aan in de weg dat ONVZ een afschrift van deze stukken bij [gedaagde c.s.] mag opvragen.\n\nConcluderend2.14.. De incidentele vordering tot het verkrijgen van een afschrift van de stukken zal op grond van artikel 843a Rv worden toegewezen. De rechtbank zal daarom in het midden laten of [gedaagde c.s.] ook op grond van artikel 88 en 89 Zvw verplicht is informatie te verstrekken.\n\nDwangsom2.15.. De termijn waarbinnen [gedaagde c.s.] aan de veroordeling moet voldoen wordt bepaald op zeven dagen na de betekening van dit vonnis. Als [gedaagde c.s.] de stukken niet binnen deze termijn verstrekt, dan moet zij een dwangsom betalen van € 250,00 voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij hieraan niet voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt.\n\nDe proceskosten in het incident2.16.. Omdat [gedaagde c.s.] ongelijk krijgt in het incident, moet zij de proceskosten van ONVZ in het incident vergoeden. Die proceskosten worden begroot op € 598,00 voor het salaris advocaat (1 punt van liquidatietarief II),\n\nin de hoofdzaak\n\n2.17.. ONVZ heeft aangevoerd dat zij na ontvangst van de gevraagde stukken kan vaststellen of verdere bewijslevering nodig is. De rechtbank zal de hoofdzaak daarom verwijzen naar de rol van 15 november 2023, zodat ONVZ zich kan uitlaten over het vervolg en - voor zover zij geen bewijs wil leveren door het horen van getuigen - een akte met bewijsstukken kan indienen.\n\n2.18.. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal worden aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde c.s.] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis afschriften te verstrekken van:\n\nde overeenkomsten van opdracht die [gedaagde c.s.] heeft gesloten met de voor verzekerden ingeschakelde zorgverleners c.q. onderaannemers;\n\nde facturen van de inschakelde zorgverleners c.s. onderaannemers aan [gedaagde c.s.] en de bewijzen van betaling (bankafschriften) hiervan;\n\nbewijzen van betaling van de door verzekerden aan [gedaagde c.s.] (door)betaalde facturen met een totaalbedrag van € 158.230,97;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde c.s.] tot het betalen van een dwangsom van € 250,00 per dag, een deel van de dag daaronder begrepen, dat [gedaagde c.s.] in gebreke blijft na de genoemde termijn aan de veroordeling onder 3.1 te voldoen, met een maximaal te verbeuren dwangsom van € 20.000,00;\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde c.s.] in de proceskosten van het incident, aan de zijde van ONVZ begroot op € 598,00 voor het salaris advocaat (1 punt van liquidatietarief II),\n\n3.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin de hoofdzaak\n\n3.5.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 november 2023voor het nemen van een akte door ONVZ, waarin zij zich uitlaat of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en\u002Fof door een ander bewijsmiddel;\n\n3.6.. bepaalt dat ONVZ, als zij geen bewijs meer door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukkenwil overleggen, die stukken direct op de rolzitting in het geding moet brengen;\n\n3.7.. bepaalt dat ONVZ, als zij getuigenwil laten horen, de verhinderdagen van partijen, hun advocaten en de getuigen in de maanden november 2023 tot en met april 2024 op de rolzitting moet opgeven, waarna een datum en tijdstip van het getuigenverhoor zal worden bepaald;\n\n3.8.. bepaalt dat dit getuigenverhoor op de zitting van mr. S.M. van Meer zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw in Lelystad aan het Stationsplein 15;\n\n3.9.. bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagenvoor het eerste getuigenverhooralle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;\n\n3.10.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2023.\n\n 5425","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:5437","2023-10-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.227Z",20]