[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":36,"total":16,"page":25,"limit":78},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[21,26,30,33],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122526","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 557",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122529","Burgerlijk Wetboek","art. 6:265",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122530","art. 7:231",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"122548","art. 200 lid 1",[37,48,56,64,71],{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":47},"782","ECLI:NL:RBLIM:2026:5790","ecli-nl-rblim-2026-5790","","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12238701 CV EXPL 26-2803\n\nVonnis in kort geding van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING SERVATIUS,\n\nte Maastricht,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Servatius,\n\ngemachtigde: mr. G. Vansant,\n\ntegen\n\n1. [huurder],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij sub 1,\n\nhierna te noemen: [huurder],\n\nniet verschenen,2. 2. [bewindvoerder], h.o.d.n. [bewindvoerderskantoor],\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [huurder],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij sub 2,\n\nhierna te noemen: de bewindvoerder q.q.,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen - de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten en het geschil\n\n2.1.. Tussen Servatius en [huurder] is in maart 2022 een huurovereenkomst tot stand gekomen, waarbij Servatius de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde) verhuurt aan [huurder].\n\n2.2.. Bij beschikking van de kantonrechter zijn alle goederen die behoren of zullen toebehoren aan [huurder] onder bewind gesteld.\n\n2.3.. Bij brief van 29 september 2025 heeft Servatius de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2026, met als reden dat [huurder] het gehuurde niet als hoofdverblijf heeft.\n\n2.4.. Tussen Servatius en [huurder] is vervolgens een afspraak tot stand gekomen inhoudende dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren aan Servatius.\n\n2.5.. Omdat [huurder] telkens niet is verschenen bij de opleveringsafspraken, heeft Servatius [huurder] gesommeerd het gehuurde uiterlijk 20 april 2026 te ontruimen. Een kopie van dit schrijven is aan de bewindvoerder q.q. gestuurd.\n\n3. Het geschil en de beoordeling\n\n3.1.. Servatius vordert - samengevat - ontruiming van het gehuurde.\n\n3.2.. De bewindvoerder q.q. heeft tijdens de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd en de feiten, zoals ten grondslag gelegd aan de vordering, niet betwist.\n\n3.3.. Tegen de niet verschenen [huurder] wordt verstek verleend, nu de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen.\n\n3.4.. De vorderingen tegen de [huurder] komen niet onrechtmatig of ongegrond voor (tenzij hierna anders wordt overwogen), en zullen conform het bepaalde in art. 140 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering als een vonnis op tegenspraak in dezelfde zin worden toegewezen als tegen de wel verschenen gedaagde.\n\n3.5.. \n\nIn het petitum is, gelet op het lichaam van de dagvaarding, een duidelijke omissie geslopen in de zin dat onder 1. voor “[huurder]” moet worden gelezen:\n\n“de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd -”. [huurder] wordt hierdoor niet benadeeld.\n\n3.6.. \n [huurder] staat onder bewind. In 2014 heeft de Hoge Raad beslist dat in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed, de bewindvoerder en niet de rechthebbende in rechte betrokken dient te worden (ECLI:NL:HR:2014:525). De eisende partij wordt normaliter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering jegens de rechthebbende. Servatius heeft hier zowel de bewindvoerder als de rechthebbende in rechte betrokken, omdat een voorwaardelijkevordering is ingesteld tegen [huurder] voor het geval het bewind zou eindigen tussen de datum vonnis en de datum van de aangezegde ontruiming. Aangezien een einde van het bewind niet is uit te sluiten, is Servatius ontvankelijk in haar voorwaardelijke vordering jegens [huurder].\n\n3.7.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n3.8.. Het spoedeisend belang is niet weersproken en vloeit voort uit de stelling dat het gehuurde reeds geruime tijd niet wordt bewoond, dat de leegstand heeft geleid tot verwaarlozing en overlast en dat Servatius de woning thans niet kan toewijzen aan een woningzoekende. Gewezen is op de schaarste op de sociale woningmarkt.\n\n3.9.. De bewindvoerder q.q. erkent dat [huurder] met Servatius de afspraak heeft gemaakt dat [huurder] het gehuurde zou ontruimen en opleveren. [huurder] heeft op enig moment zelf de huur opgezegd. De bewindvoerder q.q. kan zich vinden in het einde van de huur. [huurder] woont namelijk bij haar vriend en wil niet meer terug naar het gehuurde, aldus de bewindvoerder q.q. Deze was zelfs al in de veronderstelling dat het gehuurde reeds was opgeleverd – reden waarom de huur over de laatste maand (nog) niet is betaald. De kantonrechter begrijpt uit dit laatste dat de datum, waarop de huurovereenkomst (ook volgens bewindvoerder q.q.) is geëindigd, inmiddels is gepasseerd. Daarmee wordt aangenomen dat de huurovereenkomst inmiddels formeel tot een einde is gekomen.\n\n3.10.. De bewindvoerder q.q. erkent eveneens dat in de woning nog altijd (veel) spullen van [huurder] aanwezig zijn en dat het gehuurde ook anderszins niet is opgeleverd. Zo is niet betwist dat de sleutels ook niet zijn ingeleverd. De bewindvoerder q.q. verzet zich niet tegen de gevorderde ontruiming. Zo heeft hij [huurder] geadviseerd de woning op tijd leeg te maken. Concluderend is de kantonrechter voorshands van oordeel het zeer waarschijnlijk is dat een ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De gevorderde ontruiming is daarmee toewijsbaar. De vordering zal voorwaardelijk worden toegewezen jegens [huurder].\n\n3.11.. Een ontruimingstermijn van twee weken is gebruikelijk. Servatius stelt dat een kortere termijn van zeven dagen hier is gerechtvaardigd omdat [huurder] al niet meer in het gehuurde woont. De bewindvoerder q.q. heeft zich niet met zoveel woorden tegen die verkorte termijn verzet. Wel heeft hij erop gewezen dat [huurder], die een Wajong-uitkering ontvangt, begeleiding krijgt en hulp nodig heeft om het gehuurde leeg te krijgen. De bewindvoerder q.q. heeft twee weken geleden geld overgemaakt naar [huurder] om het gehuurde met hulp te doen ontruimen. Het bewind loopt goed. [huurder] heeft het schuldsaneringstraject doorlopen. Een gedwongen ontruiming zal evenwel tot kosten, en daarmee nieuwe schulden, leiden. De bewindvoerder q.q. wil daarom proberen om middels Opruimservice Limburg het gehuurde nog tijdig leeg te krijgen. Voorkomen moet worden dat [huurder] opnieuw in de schulden geraakt. Aangegeven is dat sowieso nog (een vergoeding gelijk aan) de huurprijs zal worden doorbetaald.\n\n3.12.. Hoewel een kortere termijn hier in beginsel is gerechtvaardigd, is de kantonrechter al met al van oordeel dat in dit geval een ontruimingstermijn van veertien dagen (óók in het voorwaardelijke geval) het meest redelijk is. Daarmee wordt aan [huurder] alsnog een reële(re) kans geboden om een gedwongen ontruiming, met alle financiële gevolgen van dien, te voorkomen.\n\n3.13.. De (ook voorwaardelijk) gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.3.14.. \n\nDe bewindvoerder q.q. en [huurder] (als voorwaardelijke partij) zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het tarief voor verstek is hier overigens niet van toepassing op [huurder].\n\nDe proceskosten van Servatius worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n156,75\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.304,75\n\n3.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Servatius zijn, en de sleutels af te geven aan Servatius,\n\n4.2.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - in de proceskosten van € 1.304,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder q.q. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.3.. veroordeelt de bewindvoerder q.q. - en [huurder] voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat het bewind na datum vonnis wordt beëindigd - tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5790","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:47.792Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":52,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":46,"updatedAt":55},"783","ECLI:NL:RBLIM:2026:5843","ecli-nl-rblim-2026-5843","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12245721 \\ CV EXPL 26-2921\n\nVonnis in kort geding van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verhuurder] h.o.d.n. [bedrijf],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [verhuurder] ,\n\ngemachtigde: mr. D.L. Hendrikx,\n\ntegen\n\n [huurder],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [huurder] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Raaijmakers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7\n\n- de aanvullende producties 8 en 9 van [verhuurder]\n\n- het verplaatsingsverzoek van [huurder]\n\n- de reactie van [verhuurder]\n\n- het bericht namens de kantonrechter aan partijen\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- de pleitnota van [verhuurder] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verhuurder] verhuurt aan [huurder] de woonruimte aan [adres] (hierna: de woning) met ingang van 19 januari 2026. De kale huurprijs bedraagt € 725,00 per maand en het maandelijkse voorschot energie bedraagt € 150,00. Het totale maandelijkse bedrag van € 875,00 dient bij vooruitbetaling aan [verhuurder] voldaan te worden.\n\n2.2.. Partijen zijn een borgsom overeengekomen van € 820,00.\n\n2.3.. \n [huurder] is twee jaar geleden vanuit Georgië naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging met haar vrouwelijke partner. [huurder] woont in de woning met haar minderjarig kind. Haar partner woont in een studio in [plaats 3].\n\n2.4.. Ondanks meerdere aanmaningen heeft [huurder] de huurpenningen vanaf aanvang van de huurovereenkomst en de borgsom niet betaald aan [verhuurder] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [verhuurder] vordert – samengevat - om [huurder] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot:\n\nI. ontruiming van de woning binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,\n\nII. betaling van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de huurpenningen vanaf juni 2026 tot aan de dag van ontruiming,\n\nIII. betaling van € 820,00 aan overeengekomen borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nIV. betaling van de proceskosten, alsmede de nakosten.\n\n3.2.. \n [verhuurder] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [huurder] heeft sinds aanvang van de huurovereenkomst geen enkele huurtermijn betaald. Ten aanzien van de borgsom zijn partijen overeengekomen dat [huurder] het verschuldigde bedrag in drie gelijke delen van € 273,33 per maand zou voldoen vanaf januari 2026. Enige betaling is uitgebleven. [huurder] is dan ook structureel tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Op grond van artikel 6:265 BW in samenhang met artikel 7:231 BW is ontbinding van de huurovereenkomst, indien het geschil zou worden voorgelegd aan de bodemrechter, gerechtvaardigd.\n\n3.3.. \n [huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot ongegrondverklaring van de verzoeken van [verhuurder] , althans deze aan hem te ontzeggen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n\n [huurder] voert het volgende aan. Er is geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. [huurder] had onvoldoende inkomen – slechts € 250,00 per maand uit verhuur van een appartement in Georgië – om de huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] had geen verblijfsstatus en kon daarom niet werken. De verblijfsstatus is sinds\n\n1 juni 2026 toegewezen en [huurder] zal fulltime gaan werken. Met het te ontvangen loon kan zij de lopende huur betalen. [huurder] stelt zich op het standpunt dat de tekortkoming de ontruiming met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij een ontruiming zullen [huurder] en haar minderjarig kind dakloos worden en zeer waarschijnlijk uitgezet worden naar het land van herkomst. Er is dan ook sprake van een noodtoestand. [huurder] doet een beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). Ten slotte verzoekt [huurder] om een eventuele veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Uit de stukken en de toelichting op de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat [verhuurder] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.\n\nBetalingsachterstand en ontruiming\n\n4.2.. De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een – diepgaand – onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n4.3.. \n [huurder] heeft de hoogte van de huurachterstand niet betwist. Daarmee staat de bij dagvaarding gestelde huurachterstand van vijf maanden vast. Het gevorderde bedrag van € 4.375,00 aan achterstallige huurpenningen berekend tot en met mei 2026 wordt toegewezen.\n\n4.4.. De vraag is of deze huurachterstand kan leiden tot ontruiming van de woning. De maatstaf is of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst wegens deze tekortkoming op grond van artikel 6:265 BW zal ontbinden. Op grond van voornoemd artikel geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.\n\n4.5.. Op het moment van de mondelinge behandeling was sprake van zes maanden huurachterstand. Een bestaande betalingsonmacht komt voor rekening en risico van [huurder] . [huurder] wist bij het sluiten van de huurovereenkomst dat zij over onvoldoende inkomsten beschikte om de maandelijkse huurpenningen te kunnen voldoen. [huurder] voert aan dat zij dacht dat zij de huurpenningen in termijnen kon betalen en dat zij daarmee meende juist te handelen. Zoals de gemachtigde van [huurder] ook zelf ter mondelinge behandeling heeft erkend, ligt het logischerwijs niet voor de hand om maandelijkse huurpenningen in termijnen te betalen. Op die manier zou de huurachterstand alsmaar blijven oplopen.\n\n4.6.. De kantonrechter stelt voorop dat een huurachterstand van drie maanden of meer in de regel van voldoende gewicht wordt gevonden om tot ontbinding van de huurovereenkomst, en vooruitlopend daarop in kort geding, de ontruiming van het gehuurde uit te spreken. Het beroep van [huurder] op de tenzij-bepaling van artikel 6:265 BW slaagt niet. [huurder] heeft naar het oordeel van de kantonrechter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die ertoe kunnen leiden dat de ontbinding (en dus de ontruiming in kort geding) niet gerechtvaardigd is. De gevolgen van een ontruiming zijn altijd ingrijpend voor een huurder, maar zijn ook inherent eraan. Dat [huurder] bij een ontruiming zeer waarschijnlijk zal worden uitgezet naar het land van herkomst is geheel niet onderbouwd en ligt in de risicosfeer van [huurder] . De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [huurder] om in de woning te blijven wonen – gezien de substantiële huurachterstand – niet prevaleert boven het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.\n\n4.7.. Bij de beoordeling van de ontruimingsvordering wordt ook het belang van het minderjarig kind van [huurder] in overweging genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het IVRK vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Aangenomen moet worden dat een ontruiming van de woning (ook) voor het minderjarige kind van [huurder] nadelige gevolgen meebrengt. Bij de beoordeling van een op zichzelf gerechtvaardigde vordering tot ontruiming zullen de belangen van de daarbij betrokken kinderen onder ogen gezien dienen te worden. Dit gaat evenwel niet zover dat de betrokkenheid van kinderen automatisch leidt tot een blokkade voor de toewijzing van een vordering tot ontruiming. Het is voor alles de taak van [huurder] om de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen. Zowel de verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de kinderen ligt bij haar. Om die reden dient niet te snel te worden aangenomen dat de betrokkenheid van minderjarige kinderen aan toewijzing van de vordering tot ontruiming in de weg staat. Dit zal in bepaalde omstandigheden wel het geval kunnen zijn als de ontruiming tot een acute noodsituatie voor een kind zou leiden. Volgens [huurder] is haar inmiddels een verblijfsstatus toegewezen. Dit betekent dat [huurder] zich kan wenden tot hulpinstanties. Dat sprake is van een acute noodtoestand is dan ook niet aannemelijk geworden zodat de enkele aanwezigheid van het minderjarig kind in dit concrete geval niet tot afwijzing van de ontruimingsvordering zal leiden. Wel ziet de kantonrechter hierin aanleiding om de gevorderde ontruimingstermijn van veertien dagen te verlengen naar drie weken. De kantonrechter vindt deze termijn redelijk nu ter mondelinge behandeling al aan partijen is medegedeeld dat de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen en [huurder] dus vanaf dat moment kon beginnen met het treffen van maatregelen.\n\nBorgsom\n\n4.8.. \n [huurder] dient de borgsom op grond van de huurovereenkomst te betalen aan [verhuurder] . Vast staat dat [huurder] dat niet gedaan heeft. [huurder] heeft geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van deze borgsom. Het gevorderde bedrag van € 820,00 aan borgsom wordt daarom toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n4.9.. De wettelijke rente over de achterstallige huurpenningen en de waarborgsom wordt toegewezen zoals gevorderd nu [huurder] daartegen geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en [huurder] in verzuim verkeert.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.10.. Hoewel [huurder] hier bezwaar tegen heeft gemaakt, zal de kantonrechter dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De kantonrechter is van oordeel dat – zoals hiervoor is vastgesteld – de substantiële mate waarin [huurder] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichtingen als huurder, maken dat [verhuurder] er belang bij heeft om op zo kort mogelijke termijn de woning aan een huurder te verhuren die wel zijn verplichtingen nakomt. Hoewel [huurder] een evident belang heeft bij het kunnen blijven wonen in de woning totdat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist, weegt dat belang in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van [verhuurder] bij de ontruiming van de woning.\n\nProceskosten\n\n4.11.. \n [huurder] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurder] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n265,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.427,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [huurder] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] met al het hare en de haren te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, onder afgifte van alle sleutels aan [verhuurder] ,\n\n5.2.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] :\n\na. a) € 4.375,00 aan achterstallige huur tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,\n\nb) € 875,00 per maand vanaf juni 2026 tot aan de dag waarop de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,\n\n5.3.. veroordeelt [huurder] om te betalen aan [verhuurder] € 820,00 aan borgsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum waarop deze opeisbaar is geworden, tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.4.. veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.427,02, te vermeerderen met de kosten van betekening,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5843","2026-06-17T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.827Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":60,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":46,"updatedAt":63},"786","ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","ecli-nl-rblim-2026-5664","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F340610 \u002F HA ZA 25-145\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. W.J.F. Geertsen,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. G.J.M. Philipsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 28 januari 2026 - de akte van [eisers] van 11 maart 2026 - de akte van [gedaagde] van 11 maart 2026 met de daarbij bijgevoegde producties 4 en 5.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij tussenvonnis van 28 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis) is door de rechtbank bepaald dat een onderzoek door (een) deskundige(n) zal worden bevolen. Daarbij is vermeld dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwkunde. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal, het specialisme en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de door de rechtbank opgestelde vragen. Dit deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.\n\nDe wenselijkheid van een deskundigenbericht2.2.. \n [eisers] stemt in met benoeming van een deskundige. [gedaagde] heeft bij akte verzocht het voornemen om een deskundige te benoemen te herzien. Daartoe voert zij aan dat het bewijs ontbreekt dát er stankoverlast zou zijn.\n\n2.3.. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 28 januari 2026 in rechtsoverweging 4.5. in het kader van de stelplicht. De daar genoemde omstandigheden vormen voor de rechtbank voldoende aanleiding om tot het deskundigenonderzoek over te gaan.\n\nHet aantal deskundigen en de persoon van de deskundige2.4.. Partijen hebben bij akte te kennen gegeven dat zij de voorkeur geven aan benoeming van één deskundige. Zij zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de persoon van de te benoemen deskundige. [eisers] . hebben de heer [naam 1] van [bedrijf 1] voorgesteld en [gedaagde] heeft een medewerker van [bedrijf 2] of een medewerker van [bedrijf 3] voorgesteld.\n\n2.5.. Partijen hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de door de andere partij genoemde deskundige(n). In rechtsoverweging 4.29. van het tussenvonnis is door de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat een partij gemotiveerd dient aan te geven waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Beide partijen baseren hun bezwaar op de vrees dat er een professionele relatie bestaat tussen de voorgedragen deskundige en de tegenpartij. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat een advocaat in het verleden in andere procedures dezelfde deskundige heeft aangedragen als nu in deze zaak, onvoldoende is als onderbouwing van deze vrees. Het aantal deskundigen met ervaring in gerechtelijke procedures is beperkt, zodat het niet vreemd is dat advocaten vaker een bepaalde deskundige voorstellen. Verder geldt dat vóór benoeming aan de deskundigen standaard de vraag wordt voorgelegd of het hen vrij staat de zaak in behandeling te nemen. De rechtbank komt gelet op deze omstandigheden tot het oordeel dat benoeming van één van de aangedragen deskundigen geen bezwaar oplevert. Op basis van openbare informatie, die te vinden is op internet, over de drie voorgestelde deskundigen, bestaat bij de rechtbank het vertrouwen dat zij allen geschikt zijn als deskundige.\n\n2.6.. \n\nDe rechtbank zal de heer [naam 2] , werkzaam voor [bedrijf 1] , als deskundige benoemen. De rechtbank kiest voor deze deskundige, omdat [bedrijf 1] als enige van de drie voorgestelde bedrijven vermeld is in het landelijk register van deskundigen dat door gerechten geraadpleegd wordt als benoeming van een deskundige nodig is. De deskundige heeft te kennen gegeven bereid te zijn de zaak te aanvaarden en vrij te staan ten opzichte van partijen en hun advocaten. [gedaagde] heeft, nadat de rechtbank partijen in kennis heeft gesteld van het voornemen om de heer [naam 2] te benoemen, per e-mail van 8 juni 2026 de vraag opgeworpen of zijn expertise aansluit bij de vragen die door de rechtbank beantwoord moeten worden. De deskundige heeft dezelfde dag per e-mail aan de rechtbank laten weten 37 jaar werkervaring te hebben, dat zijn expertise van bouwkundige\u002Ftechnische aard is en dat hij meerdere deskundigenonderzoeken verricht heeft waarbij deze expertise nodig is. De rechtbank heeft [gedaagde] op 9 juni 2026 hiervan in kennis gesteld. [gedaagde] heeft vervolgens die dag per e-mail laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat [gedaagde] geen bezwaar heeft tegen de persoon van de heer [naam 2] .\n\nDe vraagstelling2.7.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in het tussenvonnis door de rechtbank voorgestelde vraagstelling die ter beoordeling aan de deskundige moet worden voorgelegd. Partijen hebben hiermee ingestemd. Aan de deskundige zullen daarom de volgende vragen worden voorgelegd:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\nKosten deskundige2.8.. De deskundige heeft het voorschot begroot op € 7.260,00 (inclusief btw). [eisers] . hebben per e-mail op 1 juni 2026 laten weten in te stemmen met de hoogte van het voorschot. [gedaagde] heeft per e-mail van 8 juni 2026 de rechtbank verzocht bij de deskundige een specificatie op te vragen van dit voorschot. De rechtbank heeft dit verzoek vervolgens voorgelegd aan de deskundige, die op 8 juni 2026 een specificatie van de kosten heeft toegestuurd. Op 9 juni 2026 is deze informatie toegezonden aan [gedaagde] , die dezelfde dag heeft laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat ook [gedaagde] akkoord gaat de hoogte van het voorschot van de deskundige.\n\n2.9.. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 7.260,00 (inclusief btw). In rechtsoverweging 4.27. van het tussenvonnis is al aangekondigd en toegelicht door welke partij ( [eisers] .) het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald.\n\nVerplichtingen partijen in het kader van het deskundigenonderzoek2.10.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing is omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n2.11.. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.\n\nVervolg procedure2.12.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. beveelt een onderzoek door één deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n3.2.. benoemt tot deskundige:\n\nDe heer [naam 2] , werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.,\n\n [adres] ,\n\n [telefoonnummer] ,\n\n [e-mailadres] ,\n\nhet voorschot\n\n3.3.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.260,00 (inclusief btw),3.4.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n3.5.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek3.6.. bepaalt dat [eisers] . hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen,\n\n3.7.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n3.8.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),\n\n- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,\n\n- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,\n\n3.9.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n3.10.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n3.11.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n3.12.. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n3.13.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of\n\n- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,\n\n3.14.. verwijst voor het overige naar de beslissingen in het tussenvonnis van 28 januari 2026,\n\n3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.989Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":68,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":46,"updatedAt":70},"794","ECLI:NL:RBLIM:2026:5652","ecli-nl-rblim-2026-5652","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F344831 \u002F HA ZA 25-373\n\nVonnis in incident van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nNOVUM ORTHOPEDIE B.V.,\n\nte Eindhoven,\n\neisende partij in conventie in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: Novum,\n\nadvocaat: mr. N.P.F.E. van der Peet,\n\ntegen\n\nSMEETS LOOPCOMFORT BEHEER B.V.,\n\nte Sweikhuizen,\n\ngedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,\n\neisende partij in reconventie in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: Smeets Loopcomfort Beheer,\n\nadvocaat: mr. J.J. Hartman Kok.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet vonnis in incident van 24 december 2025,\n\nde brief waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,\n\nde conclusie van antwoord in reconventie,\n\nhet verzoek van Smeets Loopcomfort Beheer tot het verlenen van verlof tot het instellen van tussentijds hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025,\n\nde reactie op voormeld verzoek van Novum,\n\nde beslissing van de rechtbank houdende de afwijzing van voormeld verzoek,\n\nde conclusie houdende de incidentele vordering tot aanhouding van Smeets Loopcomfort Beheer met productie 1,\n\nde conclusie van antwoord in het incident met productie 47.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.\n\n2. De vordering in het incident en de beoordeling daarvan\n\n2.1.. De incidentele vordering strekt tot aanhouding van deze procedure totdat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (verder: het hof) heeft beslist op het hoger beroep dat Smeets Loopcomfort Beheer heeft ingesteld tegen het vonnis in incident van 24 december 2025.\n\n2.2.. Ter onderbouwing van haar verzoek verwijst Smeets Loopcomfort Beheer naar de navolgende overweging uit het tussenarrest dat het hof wees naar aanleiding van het door Smeets Loopcomfort Beheer ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025:\n\n‘Het hof overweegt dat voor wat betreft het incident ex artikel 194 en 195 Rv (het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (het inzagerecht)) in artikel 200 lid 1 Rv is bepaald dat tegen de beslissing op een dergelijk verzoek (toe- dan wel afwijzing) hoger beroep kan worden ingesteld binnen vier weken te rekenen van de dag van de uitspraak. De rechter die de beslissing over het inzagerecht heeft gegeven hoeft voor dit hoger beroep geen toestemming te geven.’\n\n2.3.. Novum heeft, onder verwijzing naar de inhoud van de vervolgens bij het hof genomen (althans na toestemming daartoe te nemen) antwoordakte inzake de ontvankelijk van het hoger beroep van Smeets Loopcomfort Beheer, betoogd dat hoger beroep tegen het vonnis van 24 december 2025 niet openstond. Om die reden dient de onderhavige zaak niet te worden aangehouden, aldus Novum.\n\n2.4.. Het vonnis van 24 december 2025 is gewezen naar aanleiding van het tijdens deze procedure door Smeets Loopcomfort Beheer gedane verzoek op grond van artikel 195 Rv. Het betreft daarmee niet een voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in paragraaf 8 van afdeling 9 van titel 2 van boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (de artikelen 196 tot en met 204). Deze paragraaf ziet op bewijsverrichtingen voorafgaand aan een bodemprocedure. Tegen een in dat kader gegevenbeslissing op het verzoek tot inzage staat op grond van artikel 200 lid 1 Rv hoger beroep open. Deze bepaling geldt niet voor een op grond van artikel 195 Rv gewezen incidenteel tussenvonnis, waartegen – behoudens daartoe verleend verlof – geen hoger beroep openstaat. Het alsnog ingesteld beroep en voormelde overweging van het hof geven daarom geen aanleiding deze procedure aan te houden.\n\n2.5.. De vordering in het incident moet worden afgewezen. De procedure wordt voorgezet middels de al geplande mondelinge behandeling op 26 juni 2026.\n\n2.6.. Smeets Loopcomfort Beheer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident, aan de zijde van Novum tot op heden vastgesteld op:\n\nsalaris advocaat € 614,00 (1 punt x tarief II),\n\nnakosten € 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\ntotaal € 792,00.\n\n2.7.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident in conventie en reconventie\n\n3.1.. wijst het gevorderde af,\n\n3.2.. veroordeelt Smeets Loopcomfort Beheer in de proceskosten van Novum van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, met bepaling dat als Smeets Loopcomfort Beheer niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, Smeets Loopcomfort Beheer dan € 92,00 extra, plus de kosten van betekening, moet betalen,\n\n3.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n zie ook AG De Bock bij HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:201, onder 5.18.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5652","2026-07-13T00:28:48.289Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":75,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":77},"1229","ECLI:NL:RBLIM:2026:5759","ecli-nl-rblim-2026-5759","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12202038 \\ CV EXPL 26-2292\n\nVonnis in kort geding van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [persoon 1],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon 1] ,\n\ngemachtigde: mr. A. Afzali,\n\ntegen\n\n [persoon 2] H.O.D.N. [bedrijf],\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [bedrijf] ,\n\ngemachtigde: mr. J.W.J. Schoonbrood.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het exploot van dagvaarding d.d. 1 mei 2026 met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord met productie 1, tevens eis in reconventie; - de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2. De feiten\n\n2.1.. \n [persoon 1] is bezitter van een personenauto van het merk: Mercedes, model: E200 CDI met (Roemeens) kenteken: [kenteken] (hierna: ‘de auto’). De eigendom van de auto berust bij haar partner, de heer [persoon 3] . [persoon 1] heeft met haar partner een bruikleenovereenkomst gesloten op grond waarvan [persoon 1] de auto mag gebruiken.\n\n2.2.. \n [persoon 1] heeft de auto op 19 december 2025 bij [bedrijf] achtergelaten voor een inspectie.\n\n2.3.. \n [bedrijf] heeft een inspectie uitgevoerd en vastgesteld dat een nieuwe motor nodig was. [bedrijf] heeft [persoon 1] hiertoe een aanbieding gedaan, welke [persoon 1] te duur vond. Partijen zijn overeengekomen dat [persoon 1] zelf een passende motor zou zoeken. De auto is op het terrein van [bedrijf] blijven staan.\n\n2.4.. Nadat [persoon 1] een nieuwe motor had gevonden verzocht zij [bedrijf] om garantie te verlenen op de door hem te verrichten werkzaamheden. [bedrijf] heeft dit geweigerd, waarna [persoon 1] heeft besloten de werkzaamheden elders te laten uitvoeren.\n\n2.5.. \n [persoon 1] verzocht afgifte van de auto. [bedrijf] weigerde afgifte totdat een bedrag van € 500,00 exclusief btw (€ 605,00 inclusief btw) voor de verrichte werkzaamheden alsmede een bedrag van € 50,00 per dag aan stallingskosten zouden zijn betaald.\n\n2.6.. Op 4 maart 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf] bezocht en een voorstel gedaan tot betaling van € 300,00 ter finale kwijting. [bedrijf] heeft dit voorstel afgewezen.\n\n2.7.. Op 26 maart 2026 heeft [persoon 1] [bedrijf] aangeschreven en afgifte van de auto verzocht. [bedrijf] heeft hier op 26 maart 2026 en op 31 maart 2026 op gereageerd en aangegeven dat hij niet tot afgifte overgaat zolang zijn vorderingen niet zijn voldaan. Op 1 april 2026 heeft [persoon 1] nogmaals schriftelijk afgifte van de auto gevorderd, onder aankondiging dat bij het uitblijven daarvan een kortgedingprocedure zou worden gestart. [bedrijf] heeft [persoon 1] op 12 april 2026 gesommeerd om de diagnosekosten en de stallingskosten te betalen.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n\n [persoon 1] vordert - samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad, om [bedrijf] :\n\nI. [bedrijf] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [persoon 1] toegang te verlenen tot de auto en deze auto aan [persoon 1] , als bezitter, af te geven;\n\nII. te bevelen om binnen dezelfde termijn de in de auto aanwezige persoonlijke documenten van [persoon 1] aan haar af te geven en gelijktijdig schriftelijk te bevestigen dat (a) geen brandstof, onderdelen of andere componenten uit de auto zijn verwijderd, en (b) de auto zich in dezelfde stat bevindt als ten tijde van afgifte door [persoon 1] ;\n\nIII. te bevelen volledige medewerking te verlenen aan een opname van de staat van de auto en een inventarisatie van de aanwezige onderdelen\u002Finhoud door een door eiseres in te schakelen gerechtsdeurwaarder, die daarvan proces-verbaal van constatering mag opmaken, een en ander bij afgifte;\n\nIV. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan de gevorderde bevelen te voldoen, met een maximum van € 25.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom en\u002Fof maximumbedrag;\n\nV. te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [persoon 1] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [persoon 1] heeft als bezitter van de auto recht op afgifte daarvan. De gevorderde kosten voor inspectie zijn evident disproportioneel en niet overeengekomen. Ook zijn er geen afspraken gemaakt over stallingskosten of toepasselijke algemene voorwaarden. [bedrijf] heeft derhalve geen (opeisbare) vordering op [persoon 1] op basis waarvan hij zich kan beroepen op retentierecht.\n\n3.3.. \n [bedrijf] voert verweer. [bedrijf] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , subsidiair te bepalen dat afgifte van de auto uitsluitend plaatsvindt tegen betaling van de openstaande vorderingen dan wel tegen adequate zekerheidsstelling en meer subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrecht in goede justitie passend acht, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n [bedrijf] voert daartoe het volgende aan. [bedrijf] beroept zich op zijn retentierecht. [persoon 1] heeft de auto aangeboden ter diagnose en [bedrijf] heeft werkzaamheden verricht ter vaststelling van de technische gebreken aan de auto. Nu hierover geen prijsafspraak is gemaakt heeft [bedrijf] hiervoor recht op een redelijk loon. Ook heeft de auto vanaf 19 december 2025 op het terrein van [bedrijf] gestaan waardoor hij deze bedrijfsruimte niet heeft kunnen gebruiken voor andere voertuigen en werkzaamheden. [persoon 1] heeft de auto niet tijdig opgehaald ondanks verzoeken daartoe. Het is derhalve redelijk dat [bedrijf] aanspraak maakt op stallingsvergoeding. [bedrijf] houdt de auto onder zich totdat betaling van deze openstaande vorderingen plaatsvindt dan wel daarvoor voldoende zekerheid wordt gesteld.\n\n3.5.. Op zijn beurt vordert [bedrijf] in reconventie - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [persoon 1] tot betaling van diagnosekosten ad € 605,00 inclusief btw en stallingskosten ad € 8.200,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede veroordeling in de proceskosten.\n\n3.6.. \n [persoon 1] voert verweer.\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zal de kantonrechter deze vorderingen gezamenlijk behandelen.\n\nSpoedeisend belang en het toetsingskader\n\n4.2.. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt daarbij een spoedeisend belang heeft. Verder is voor toewijzing van de vordering in kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure zal worden toegewezen, zodat het gerechtvaardigd is hierop vooruit te lopen door het treffen van een voorlopige voorziening. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\n4.3.. Het spoedeisend belang van de vordering in conventie vloeit voort uit de aard daarvan, nu [persoon 1] inmiddels geruime tijd geen beschikking meer heeft over die auto en de daarin aanwezige persoonlijke documenten. In reconventie vordert [bedrijf] betaling voor haar werkzaamheden en stalling van de auto op haar terrein alvorens de auto af te willen geven. Gezien de hierdoor ontstane, inmiddels maanden durende, impasse en de verwevenheid van beide vorderingen, acht de kantonrechter ook de vorderingen van [bedrijf] in reconventie ontvankelijk wegens spoedeisendheid.\n\nDiagnose- en stallingskosten\n\n4.4.. \n [persoon 1] heeft op 19 december 2025 haar defecte auto doen afslepen naar [bedrijf] , teneinde [bedrijf] in ieder geval de oorzaken van dit defect te laten onderzoeken. [bedrijf] heeft de auto vervolgens ook onderzocht, de aard van het defect vastgesteld en [persoon 1] daarover geïnformeerd. Daarmee staat vast dat tussen partijen ter zake een overeenkomst van opdracht is gesloten. Partijen verschillen verder van mening over de omvang van de verrichtte werkzaamheden, de tussen hen gemaakte afspraken en de verschuldigdheid van loon en van stallingskosten.\n\n4.5.. \n [bedrijf] heeft op grond van de wet recht op loon voor de door hem verrichtte werkzaamheden.Partijen hebben voorafgaand aan het onderzoek geen afspraak gemaakt over de hoogte van dat loon. Bij het ontbreken van een prijsafspraak is [persoon 1] in ieder geval een op de gebruikelijke wijze berekend of redelijk loon verschuldigd.[persoon 1] stelt dat door [bedrijf] minimale werkzaamheden zijn verricht en dat de inspectie, in haar bijzijn, slechts enkele minuten heeft geduurd. [bedrijf] betwist dat de inspectie in het bijzijn van [persoon 1] heeft plaatsgevonden en stelt dat het onderzoek 10 tot 11 uren zou hebben geduurd. [bedrijf] vordert in reconventie derhalve een bedrag van € 605,00 inclusief btw aan loon voor verrichte werkzaamheden.\n\n4.6.. \n [bedrijf] heeft geen factuur en\u002F of specificatie van diens werkzaamheden ingebracht. Gezien de betwisting door [persoon 1] mocht dat wel van hem worden verwacht. De aard en omvang van die werkzaamheden komt daarmee niet vast te staan. Gelet op het ontbreken van enige onderbouwing acht de kantonrechter het eerder door [persoon 1] aangeboden bedrag van € 300,00 exclusief btw een redelijk loon voor het door [bedrijf] verrichte onderzoek. Dit bedrag zal dan ook in reconventie aan diagnosekosten worden toegewezen.\n\n4.7.. \n [bedrijf] vordert in reconventie verder een bedrag van € 8.200,00 aan stallingskosten voor de tijd dat de auto op zijn terrein heeft gestaan. [bedrijf] stelt dat hij heeft aangegeven dat als de auto door hem gerepareerd zou worden [persoon 1] geen stallingskosten verschuldigd zou zijn en dat in het andere geval er stallingskosten van € 50,00 per dag in rekening zouden worden gebracht. [persoon 1] betwist dat partijen hebben gesproken over stallingskosten. Ook hier geldt dat [bedrijf] haar vorderingen niet heeft onderbouwd met een factuur of iets dergelijks. Daarmee is niet komen vast te staan dat er afspraken zijn gemaakt over kosten voor het stallen van de auto. De kantonrechter wijst deze vordering in reconventie daarom af.\n\nAfgifte van de auto en persoonlijke eigendommen aan [persoon 1] en dwangsom\n\n4.8.. \n [persoon 1] vordert in conventie afgifte van de auto door [bedrijf] . [bedrijf] heeft niet betwist dat [persoon 1] als bezitter van de auto recht heeft op afgifte daarvan, zij het na betaling van de kosten. Nu in reconventie betaling door [persoon 1] van € 300,00 exclusief BTW wordt toegewezen, zal de kantonrechter de vordering tot afgifte van de auto toewijzen, met dien verstande dat [bedrijf] tot afgifte van de auto moet overgaan nadat [persoon 1] het bedrag van € 300,00 exclusief BTW aan loon heeft betaald.\n\n4.9.. \n [persoon 1] vordert verder in conventie [bedrijf] te bevelen volledige medewerking te verlenen aan een opname (door een gerechtsdeurwaarder) van de staat van de auto en een inventarisatie daarvan, alsookschriftelijk te bevestigen dat geen brandstof, onderdelen of andere componenten uit de auto zijn verwijderd en dat de auto zich in dezelfde staat bevindt als ten tijde van afgifte door [persoon 1]. Deze vorderingen zullen worden afgewezen wegens gebrek aan enig gesteld belang. Na afgifte van de auto door [bedrijf] kan indien dan nog gewenst een deurwaarder een dergelijk proces-verbaal opstellen. Daar is de medewerking van [bedrijf] niet voor nodig. Daarbij zal van zelf blijken of de auto zich in dezelfde staat bevindt als bij afgifte door [persoon 1] .\n\n4.10.. Ook vordert [persoon 1] in conventie veroordeling van [bedrijf] tot betaling van een dwangsom voor de tijd dat hij in gebreke blijft met het voldoen aan de veroordelingen in dit vonnis. [bedrijf] vindt de dwangsom, mede gelet op de leeftijd en de beperkte waarde van de auto, exorbitant hoog. De kantonrechter zal evenwel de gevorderde dwangsom toewijzen als hierna in het dictum aangegeven, te meer nu [bedrijf] deze pas verschuldigd wordt als hij in gebreke blijft met voldoening aan de veroordelingen nadat [persoon 1] het bedrag van € 300,00 exclusief BTW heeft betaald.\n\nProceskosten\n\n4.11.. In conventie is [bedrijf] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [persoon 1] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [bedrijf] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.102,00\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.13.. In reconventie is [persoon 1] grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.009,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [bedrijf] om, binnen 24 uur na ontvangst van [persoon 1] van het in reconventie aan [bedrijf] toegewezen bedrag zoals hierna opgenomen onder 5.7, aan [persoon 1] toegang te verlenen tot de auto (merk: Mercedes, model E200CDI, (Roemeens) [kenteken] en [chassisnummer] en deze auto aan [persoon 1] af te geven, alsook de in de auto aanwezige persoonlijke documenten,\n\n5.2.. veroordeelt [bedrijf] om aan [persoon 1] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n5.3.. veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.4.. veroordeelt [bedrijf] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [persoon 1] om aan [bedrijf] te betalen een bedrag van € 300,00 exclusief btw,\n\n5.8.. veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [persoon 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\n Artikel 7:405 lid 1 Burgerlijk Wetboek\n\n Artikel 7:405 lid 2 Burgerlijk Wetboek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5759","2026-07-13T00:29:11.143Z",20]