[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":46,"total":16,"page":25,"limit":118},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2026-03-26T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,40,43],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123502","Burgerlijk Wetboek","art. 7:681\nlid 1",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123512","Wet op de ondernemingsraden","art. 36",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"123513","",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"123516","art. 7:673 lid 8",{"provisionId":37,"code":38,"article":39,"count":25},"124105","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 283",{"provisionId":41,"code":23,"article":42,"count":25},"124109","art. 7:673 lid 9",{"provisionId":44,"code":23,"article":45,"count":25},"124110","art. 6:106 lid 1",[47,57,66,75,83,92,101,110],{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":51,"summary":32,"language":7,"source":52,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":55,"updatedAt":56},"1257","ECLI:NL:RBLIM:2026:4905","ecli-nl-rblim-2026-4905","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12098846 \\ AZ VERZ 26-27\n\nBeschikking van 21 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werkgever] BV,\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] bc,\n\ntegen\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. C.A.H. Lemmens.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 8\n\n- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek met bijlagen 1 tot en met 27 - de door [werkgever] overgelegde aanvullende bijlagen 9 tot en met 15\n\n- de spreekaantekeningen van de heer Wassen\n\n- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren op [datum] 1967, is sinds 1 november 1998 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is Management- en P&O assistente met een loon van € 4.840,01 bruto per maand (exclusief 8% vakantietoeslag).\n\n2.2.. De werkzaamheden van [werknemer] bestaan uit directiesecretariaat, HR-administratie en wagenparkbeheer. Daarnaast is zij vertrouwenspersoon binnen [werkgever] .\n\n2.3.. In het functioneringsverslag 2023\u002F2024 heeft de (toenmalige) leidinggevende van [werknemer] haar voor de competenties “communicatief en sociaal vaardig”, “connected”, “klantgericht” en “samenwerking & communicatie” een lage score gegeven. Verder staat er bij “Focuscompetenties” het volgende vermeld:\n\n“Focus besproken tijdens Functioneringsgesprek:\n\nReflectie en communicatie: Zoals aangegeven de communicatie met sommige medewerkers gaat niet altijd vlekkeloos. Dit wil niet zeggen dat je niet duidelijk moet communiceren dat dingen bv niet kunnen, maar het is de toon die de muziek maakt en dit is soms wat te aanvallend, wat sommige medewerkers erg afschrikt.”\n\n2.4.. In het functioneringsverslag 2024\u002F2025 heeft de (huidige) leidinggevende van [werknemer] , de heer [leidinggevende] (hierna; [leidinggevende] ), haar voor de competenties “communicatief en sociaal vaardig”, “connected”, “klantgericht” en “samenwerking & communicatie” een midden score gegeven. Verder heeft [leidinggevende] [werknemer] op sommige competenties een hogere score gegeven dan [werknemer] zichzelf had gegeven.\n\n2.5.. Op 6 augustus 2025 heeft [werkgever] voor [werknemer] een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. [werkgever] heeft hierin aangevoerd dat de functie van [werknemer] is komen te vervallen doordat de werkzaamheden voor het wagenpark binnen een andere afdeling zijn ondergebracht en haar andere werkzaamheden onder collega’s zijn verdeeld.\n\n2.6.. Op 13 augustus 2025 is het bedrijfsaccount van [werknemer] in opdracht van de heer [directeur] (hierna: [directeur] ), directeur bij [werkgever] , vergrendeld.\n\n2.7.. \n [werknemer] heeft zich op 14 augustus 2025 ziek gemeld.\n\n2.8.. Het UWV heeft op 15 december 2025 geweigerd om toestemming te geven om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen. In deze beslissing staat - onder meer - het volgende:\n\n“Financiële situatie\n\n(…)\n\nUit de overgelegde cijfers maken wij op dat bij werkgever in de jaren 2022 tot en met 2024 er sprake is geweest van een negatief bedrijfsresultaat. Werkgever heeft nagelaten de verzochte 26-weken prognoses resultatenrekening van de onderneming bij gewijzigd en ongewijzigd beleid te overleggen. (…) Het is ons onduidelijk welk resultaat werkgever precies beoogt te bewerkstelligen met het voorgenomen ontslag van werknemer en of deze maatregel in verhouding staat tot de resultaten.\n\nHet is ons daarnaast niet duidelijk geworden aan de hand van de uitleg van werkgever en de door hem overgelegde stukken, waarom er op dit specifieke moment dient te worden ingegrepen en waarom het verval van de functie van de werknemer noodzakelijk en doelmatig is. (…) Waarom een besparing specifiek op de functie van werknemer zou moeten zien, volgen wij niet uit de stukken. Daarnaast is gebleken dat nieuwe werknemers zijn aangenomen na indiening van de ontslagaanvraag. Ook op de afdeling van werknemer. Een en ander draagt niet bij aan het inzicht tot noodzaak van het verval van de arbeidsplaats van werknemer.\n\n(…)\n\nOntslagvolgorde\n\n(…)\n\nNaar onze mening is niet helder onderbouwd wat de functie van werknemer is en wat haar taken zijn. Werknemer heeft verschillende stukken overgelegd waaruit haar functie en de invulling daarvan blijken. Werkgever heeft echter nagelaten de invulling van de functie met consistente stukken te onderbouwen. Onduidelijk blijft daarom of er sprake is van een unieke functie of een duobaan en of het afspiegelingsbeginsel had moeten worden toegepast. (…)”\n\nEindoordeel\n\nWij vinden dat er geen redelijke grond voor het ontslag van werknemer is.”\n\n2.9.. De bedrijfsarts heeft in zijn terugkoppeling van de spreekuren van 29 oktober 2025, 17 december 2025 en 26 januari 2026 geadviseerd om mediation te starten omdat het arbeidsconflict in de weg staat aan re-integratie.\n\n2.10.. \n [werkgever] heeft op 6 februari 2026 een offerte voor mediation ondertekend.\n\n2.11.. \n [werkgever] heeft op 13 februari 2026 het ontbindingsverzoek ingediend.\n\n2.12.. De bedrijfsarts heeft [werkgever] op 9 maart 2026 in de terugkoppeling van het spreekuur het volgende laten weten:\n\n“In het vorige consult in mediation geadviseerd, naar ik heb vernomen heeft dit nog niet plaatsgevonden.”\n\n3. Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek\n\n3.1.. \n [werkgever] verzoekt - na intrekking van het primaire verzoek en na hernummering -:\n\nprimair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), met toekenning van de transitievergoeding en zonder toekenning van een billijke vergoeding;\n\nsubsidiair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van disfunctioneren (d-grond), zonder toekenning van een billijke vergoeding;\n\nmeer subsidiair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van de combinatiegrond (i-grond), met toekenning van de wettelijke cumulatievergoeding;\n\nuiterst subsidiair: indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van [werknemer] wordt ontbonden, de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto toe te wijzen en de verzochte billijke vergoeding aanzienlijk te matigen;\n\nde verzochte werkelijke advocaatkosten af te wijzen en de proceskosten te begroten conform het liquidatietarief.\n\n3.2.. \n [werkgever] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt doordat er grote twijfels zijn over de integriteit van [werknemer] . Zowel bij [directeur] als bij de directieleden, het MT en de HR-afdeling is geen vertrouwen meer in [werknemer] . Daardoor kan van [werkgever] niet meer worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Verder is [werknemer] meerdere keren gewaarschuwd dat er een gebrek is aan integriteit en dat zij niet met vertrouwelijke informatie om kan gaan. Ondanks deze waarschuwingen heeft dit niet tot enige verbetering in haar functioneren geleid. Ook moesten haar werkzaamheden ten aanzien van het wagenparkbeheer steeds worden gecontroleerd omdat die niet juist waren uitgevoerd. Daardoor is eveneens sprake van disfunctioneren van [werknemer] .\n\n3.3.. \n [werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding primair moet worden afgewezen. [werknemer] voert aan - samengevat - dat sprake is van een opzegverbod omdat zij al voor de officiële ziekmelding van 14 augustus 2025 spanningsklachten had door de samenwerking met [directeur] . Verder is de verstoring van de arbeidsverhoudingen door [werkgever] veroorzaakt doordat [werkgever] onaangekondigd en onverwacht haar account heeft geblokkeerd, heeft verzocht haar te ontheffen als vertrouwenspersoon en op oneigenlijke gronden een procedure bij het UWV is gestart. [werknemer] betwist verder dat sprake zou zijn van disfunctioneren. De waarschuwingen waarnaar [werkgever] verwijst, heeft [werknemer] nooit ontvangen. Bovendien heeft zij altijd goede functioneringsbeoordelingen gekregen.\n\n3.4.. \n\nVoor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [werknemer] om:\n\nI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto;\n\nII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van\n\n € 230.438,00 bruto aan inkomensschade;\n\n € 103.872,00 bruto aan pensioenschade;\n\n € 15.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding;\n\nIII. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nIV. voor zover de ontbinding plaatsvindt op de i-grond, de maximale cumulatievergoeding toe te kennen;\n\nV. [werkgever] te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.387,61;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf tijdstip van opeisbaarheid over de hierboven genoemde vergoedingen;\n\nVII. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.5.. \n\n [werknemer] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend voor het geval het ontbindingsverzoek van [werkgever] wordt afgewezen of het verzoek door [werkgever] wordt ingetrokken. Voor dat geval verzoekt zij:\n\nI. de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van 7:671c BW onder toekenning van de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto;\n\nII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van\n\n € 230.438,00 bruto aan inkomensschade;\n\n € 103.872,00 bruto aan pensioenschade;\n\n € 15.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding;\n\nIII. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nIV. [werkgever] te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.387,61;\n\nV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf tijdstip van opeisbaarheid over de hierboven genoemde vergoedingen;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4. De beoordeling van het verzoek\n\nDe zaak in het kort\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n4.2.. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden wegens een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Die is echter niet het gevolg van enig handelen van [werknemer] , maar juist van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] . Daarom zal aan [werknemer] niet alleen een transitievergoeding van € 48.212,29 bruto, maar ook een billijke vergoeding van € 240.000,00 bruto worden toegewezen, uitgaande van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2026. De kantonrechter zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nOpzegverbod\n\n4.3.. \n [werknemer] stelt dat sprake is van een opzegverbod. [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] zich op 14 augustus 2025 ziek heeft gemeld en dat deze datum na de datum van de indiening van de ontslagaanvraag bij het UWV op 6 augustus 2025 ligt. Het ontbindingsverzoek is vervolgens tijdig na afwijzing van de ontslagaanvraag ingediend, zodat [werknemer] zich ingevolge het bepaalde in artikel 7:670 eerste lid onder b BW jo 7:671 b lid 7 BW niet op het opzegverbod kan beroepen.\n\n4.4.. \n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 februari 2022onder rechtsoverweging 3.5.3. inderdaad geoordeeld dat artikel 7:671b lid 7 BW ruimte laat voor een ontbinding op de a-grond als de werknemer al eerder, doch na de ontslag aanvraag bij het UWV, ziek is geworden. Echter, [werkgever] verzoekt niet langer ontbinding op de a-grond, maar op andere gronden. In dat geval geldt het opzegverbod wegens ziekte onverkort.\n\nNiettemin kan de kantonrechter een door de werkgever ingediend ontbindingsverzoek verzoek toewijzen, indien:\n\n- het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft; of\n\n- sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin het in het belang van [werknemer] wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Uit het hierboven weergegeven feitenrelaas blijkt immers dat de bedrijfsarts meerdere malen heeft benoemd dat sprake is van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts dringt al maanden aan om dat conflict (middels mediation) op te lossen, maar [werkgever] heeft daarmee niets gedaan. [werknemer] heeft ook zelf in haar voorwaardelijk tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Daarnaast heeft [werknemer] ter zitting verklaard dat terugkeer bij [werkgever] niet meer mogelijk is. Onder die omstandigheden komt het de kantonrechter voor dat het niet (meer) in het belang van [werknemer] is om voortzetting van het dienstverband na te streven.\n\nDe arbeidsovereenkomst wordt ontbonden\n\n4.6.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\n4.7.. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden. [werknemer] heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat een voortzetting daarvan niet meer mogelijk is. Zij heeft ook zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht als voorwaardelijk tegenverzoek. Herplaatsing van [werknemer] ligt daarmee ook niet in de rede.\n\nDe transitievergoeding wordt toegewezen\n\n4.8.. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding van € 48.212,29 bruto. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.\n\nDe billijke vergoeding\n\nErnstig verwijtbaar handelen van [werkgever]\n\n4.9.. De kantonrechter ziet aanleiding om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.4.10.. \n [werkgever] heeft voorafgaand aan het ontbindingsverzoek een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV om bedrijfseconomische redenen. De toestemming om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen is door het UWV geweigerd, onder meer omdat de aanvraag onvoldoende onderbouwd was. Vervolgens heeft [werkgever] een ontbindingsverzoek ingediend waarbij zij oorspronkelijk als primaire grond de bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond) had aangevoerd. Deze grond heeft [werkgever] op de mondelinge behandeling ingetrokken. Daar heeft [werkgever] ook verklaard dat zij voor de route van het UWV had gekozen om daarna met [werknemer] te kunnen onderhandelen over een minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.11.. Niet alleen heeft [werkgever] , na indiening van de ontslagaanvraag, geen onderhandelingen met [werknemer] gevoerd, zij heeft in haar verzoekschrift ook geen onderbouwing van de bedrijfseconomische omstandigheden gegeven en heeft net zo makkelijk deze grond op de mondelinge behandeling ingetrokken. Daarmee is duidelijk dat de bedrijfseconomische noodzaak een farce is geweest en [werkgever] om andere redenen de arbeidsovereenkomst met [werknemer] wenste te beëindigen. Dat blijkt ook uit de stukken die [werkgever] - na lang aandringen - aan het UWV heeft verstrekt (en niet allemaal bij het verzoekschrift heeft overgelegd) en de motivering van het UWV van de afwijzing van de ontslagaanvraag.\n\n4.12.. Vast staat dat [werkgever] van [werknemer] af wil. Dat is door [werkgever] ook met zoveel woorden erkend. Als reden daarvoor heeft [werkgever] op de mondelinge behandeling aangevoerd dat “ [werknemer] vanwege haar hechte relatie als directiesecretaresse van de vorige bestuurder van [werkgever] , niet zonder meer gehandhaafd kon worden in een vertrouwelijke positie aan het directiesecretariaat van een organisatie in herstel.” Zoals onder rechtsoverweging 4.6 reeds is overwogen, kan een arbeidsovereenkomst alleen ontbonden worden als er sprake is van een in de wet genoemde grond. De door [werkgever] aangevoerde werkelijke reden valt niet onder een van de in de wet genoemde gronden.\n\n4.13.. \n [werkgever] heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van disfunctioneren en een (door toedoen van [werknemer] ) verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter merkt op dat veel feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek op deze gronden ten grondslag zijn gelegd, niet zijn onderbouwd met concrete voorbeelden of voorvallen. Zo benoemt [werkgever] als reden voor de verstoring van de arbeidsverhouding de door [werknemer] aangehaalde citaten van collega’s in haar UWV-verweer. Op welke citaten [werkgever] doelt, is niet duidelijk geworden. Ook zou het gaan om “tal van incidenten” die de verstoorde relatie met [directeur] duidelijk maken en dat er “oeverloze gesprekken” met [werknemer] zijn geweest. Uit dit alles leidt [werkgever] af dat [werknemer] een onbetrouwbare werknemer zou zijn. Om welke incidenten het zou gaan en waar de gesprekken over zijn gevoerd, heeft [werkgever] niet nader onderbouwd. Bovendien volgt uit de functioneringsverslagen dat [werknemer] in haar langdurige dienstverband (van zevenentwintig jaar) nimmer negatieve beoordelingen heeft ontvangen.\n\n4.14.. \n\n [werkgever] beroept zich verder op een waarschuwing, die zij op 26 november 2024 aan [werknemer] zou hebben gestuurd, en op een brief van 12 februari 2025.In de brief van 26 november 2024 staat - voor zover van belang - :\n\n“In dit gesprek is het voorval van woensdag 6 november jl. met jou besproken. Op deze woensdag heeft er een gesprek plaats gevonden tussen [directeur] , [naam 1] en jouwzelf omtrent oproer over de teambuilding activiteit van het management op 22 november aanstaande. Aanleiding van dit gesprek was een gesprek wat jij [werknemer] eerder die dag hebt gevoerd met [naam 2] .\n\nIn dit gesprek met [naam 2] zou onder meer zijn aangegeven dat de activiteit gevaarlijk zou zijn en dat “niemand er zin in zou hebben”. Deze strekking heeft ook [directeur] bereikt, waarna deze met jullie in gesprek is gegaan op zijn kantoor. Ook in dit gesprek met [directeur] zou gezegd zijn dat “niemand er zin in zou hebben”.\n\n(…)\n\nTevens blijkt uit jou verhaal dat [naam 2] het onderwerp van de teambuilding aangesneden zou hebben, echter blijkt na verificatie hiervan dat jij diegene bent die het onderwerp gestart is met [naam 2] , met daarin een behoorlijke kleur over wat je van de teambuildingsactiviteit vond, en dat je hiermee een bepaalde boodschap wilde overbrengen.\n\nBinnen jouw rol ben je onderdeel van het HR team. Bij een dergelijke rol wordt verwacht dat je op een positieve manier en constructieve manier spreekt over de organisatie en dat je onderwerpen discreet behandeld. Hierbij hoort dan ook geen stemming makerij of je mening over “vertrouwelijke” dan wel directie aangelegenheden ventileren binnen de organisatie.\n\nVoor bovenstaande ontvang je dan ook een officiële waarschuwing en willen we met stipt benadrukken dat dergelijk gedrag niet passend is binnen de rol maar ook niet binnen de [werkgever] organisatie.\n\nWe gaan ervan uit dat je gedrag hierin een positieve draai aanneemt en dat een dergelijke situatie als bovenstaande zich niet meer zal voortdoen.”\n\n4.15.. In de brief van 12 februari 2025 staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:\n\n“Pro activiteit rondom wagenpark beheer:\n\n [werknemer] is vaak afwachtend. Rondom wagenparkbeheer taken moet er door [directeur] vaak meerdere keren actief gestuurd worden alvorens er actie wordt ondernomen. Opdrachten die worden uitgevoerd zijn vaak onvolledig of niet uitgevoerd zoals bedoeld.\n\n(…)\n\nFaciliterende rol en geen beleidsrol:\n\n [werknemer] heeft vaak de neiging om beleidsbeslissingen in twijfel te trekken, zonder hieromtrent ook maar de vraag te stellen wat ertoe heeft geleid dat deze beslissing is genomen.\n\nDaarbij ventileert zij haar mening hierover openlijk en niet altijd op de juiste plek of bij de juiste personen.\n\nGesproken over dat zij onderdeel is van het HR team en dat hier discretie is gevraagd. (…) Besproken is dat dit de tweede keer is dat zij hieromtrent wordt aangesproken en dat bij de derde keer er naar een andere oplossing gekeken dient te worden.\n\nGeregeld eerder weg:\n\nGeconstateerd is dat [werknemer] vaak eerder weg is als directie ook niet meer aanwezig is.\n\n(…)”\n\n4.16.. \n [werknemer] betwist dat de inhoud van de brief van 12 februari 2025 met haar is besproken. Bovendien heeft zij de ontvangst van de beide brieven betwist. [werkgever] heeft vervolgens twee foto’s van een beeldschermovergelegd, waaruit volgens haar blijkt dat de betreffende brieven als een bijlage in pdf-bestand door de heer [leidinggevende] per e-mail naar [werknemer] zouden zijn verstuurd. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling nog steeds stellig betwist dat zij deze brieven heeft ontvangen. Zij heeft aangevoerd dat [leidinggevende] in november 2024 tegen haar gezegd heeft dat hij juist géén schriftelijke waarschuwing naar haar zou sturen. Ook voert zij aan dat het opvallend is dat beide brieven niet zijn opgenomen in haar personeelsdossier (dat zij heeft opgevraagd). Daarnaast heeft zij opgemerkt het vreemd te vinden dat blijkens de foto’s van de beide e-mails een bestand is meegestuurd van 726 KB, terwijl de brieven van 26 november 2024 en 12 februari 2025 qua lengte van tekst verschillen. [werkgever] heeft over deze laatste opmerking aangevoerd dat pdf’s van documenten met hetzelfde aantal pagina’s altijd evenveel KB’s hebben en zich ontstemd getoond over de insinuatie dat de screenshots zouden zijn gemanipuleerd.\n\n4.17.. \n\nDe kantonrechter stelt voorop dat de bewijslast dat een verklaring de andere partij heeft bereikt, rust op degene die zich op die verklaring beroept. Nu [werknemer] betwist dat beide brieven haar hebben bereikt, rust de bewijslast op [werkgever] . Middels de overgelegde foto’s van het beeldscherm met daarop twee e-mailberichten waar een bijlage is bijgevoegd, heeft [werkgever] dat bewijs niet geleverd. In de eerste plaats valt op dat de e-mail waar de brief van 26 november 2024 zou zijn bijgevoegd, is verstuurd op 25 november 2024, de dag ervoor. Het bijgevoegde document heeft een grootte van 726 KB. Ondanks het feit dat in de brief staat dat het een officiële waarschuwing betreft, is de brief niet opgenomen in het personeelsdossier van [werknemer] . De e-mail waarmee de brief van 12 februari 2025 aan [werknemer] zou zijn gestuurd, is verstuurd op 17 februari 2025. In deze brief staat dat hij zal worden opgenomen in het personeelsdossier van [werknemer] , maar dat is niet gebeurd. Op de foto van de e-mail is te zien dat een pdf-document als bijlage wordt meegestuurd. Ook dit document heeft een grootte van 726 KB. De stelling van [werkgever] dat elke pdf hetzelfde aantal KB’s heeft naarmate het aantal pagina’s hetzelfde zijn, wordt niet gevolgd, nu dit niet juist is. De kantonrechter heeft beide brieven ingescand en naar zichzelf verstuurd. De brief van 26 november 2024 was 81 KB en de brief van 12 februari 2025 was 70 KB. Dat bij beide\n\ne-mails een document is gevoegd met precies evenveel KB, roept dus wel degelijk vragen op.\n\n4.18.. Al met al heeft [werknemer] de ontvangst van beide brieven voldoende gemotiveerd betwist. [werkgever] heeft bewijs aangeboden dat [werknemer] beide brieven wel heeft ontvangen, maar aan dat bewijsaanbod wordt voorbij gegaan. Ook al zou [werknemer] deze brieven wel hebben ontvangen, dan nog zouden de door [werkgever] aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om het ontbindingsverzoek van [werkgever] toe te wijzen. Uit deze brieven blijkt immers allerminst dat er sprake zou zijn van disfunctioneren.\n\n4.19.. \n [werknemer] heeft haar visie gegeven op het gebeuren dat aanleiding gaf tot de “waarschuwing” van 26 november 2024. Die visie komt erop neer dat zij een leidinggevende binnen [werkgever] heeft geadviseerd om zijn zorgen (in verband met zijn medische conditie) over een door de directie geplande teambuildingsactiviteit met de directeur te bespreken. [directeur] heeft kennelijk een andere lezing van deze gebeurtenis en beschouwde dit advies als stemmingmakerij en het ongeoorloofd uiten van vertrouwelijke directieaangelegenheden en vond het nodig daarvoor een waarschuwing te geven. Nu dit gebeuren het enige concrete voorbeeld is dat door [werkgever] is gegeven over het “niet integere gedrag van [werknemer] ” en volstrekt onvoldoende is om die aantijging te onderbouwen, zal de kantonrechter hier verder niet op in gaan.\n\n4.20.. De brief van 12 februari 2025 blinkt wederom uit in vaagheden en kan derhalve ook buiten bespreking worden gelaten. [directeur] is zelf niet op de mondelinge behandeling verschenen. [leidinggevende] , de direct leidinggevende van [werknemer] wel. Wat betreft het verwijt in de brief van 12 februari 2025 dat [werknemer] veelvuldig eerder vertrekt als de directie weg is, heeft hij verklaard dat hij dat niet heeft opgemerkt, behalve op momenten dat [werknemer] een fysiotherapeut moest bezoeken.\n\n4.21.. \n [werknemer] heeft verslagen van haar functioneringsgesprekken overgelegd. Daar blijkt uit dat zij steeds goed heeft gefunctioneerd en dat de hiervoor genoemde “waarschuwingen” daar ook niet zijn besproken. Dit alles maakt dat [werkgever] op geen enkele manier hard heeft weten te maken dat [werknemer] niet goed zou hebben gefunctioneerd.\n\n4.22.. Uit de overgelegde stukken blijkt duidelijk dat de arbeidsverhouding pas is verstoord door het handelen van [werkgever] en in haar pogingen om [werknemer] uit dienst te krijgen. Zo is in opdracht van [directeur] op 13 augustus 2025 het bedrijfsaccount van [werknemer] geblokkeerd. Daarnaast heeft [werknemer] onweersproken gesteld dat [directeur] vervolgens de ondernemingsraad heeft benaderd met het verzoek om [werknemer] per direct uit de functie van vertrouwenspersoon te ontheffen en dat hij de IT-afdeling heeft gevraagd om het account van [werknemer] te doorzoeken op mogelijk belastend materiaal. Zowel de ondernemingsraad als de IT-afdeling hebben de aan hen gerichte verzoeken afgewezen, omdat elke aanleiding of noodzaak daartoe ontbrak. De noodzaak om [werknemer] te ontslaan is kennelijk alleen gelegen in de persoonlijke antipathie van [directeur] jegens [werknemer] .\n\n4.23.. Tot slot heeft [werkgever] , in strijd met de duidelijke adviezen van de bedrijfsarts, geweigerd om (tijdig) mediation te starten om, in ieder geval, een poging te ondernemen om de lucht te klaren en een oplossing te vinden voor de - niet op feiten gestoelde - antipathie van [directeur] tegen [werknemer] .\n\n4.24.. Uit het voorgaande volgt dat [werkgever] van [werknemer] af wil en vanaf augustus 2025 aanstuurt op haar vertrek, zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig is. [werkgever] schroomt niet om [werknemer] te beschuldigen van niet integer gedrag, zonder één concreet voorbeeld te noemen, heeft in de UWV procedure in strijd met de waarheid aangevoerd dat de functie van [werknemer] zou komen te vervallen (terwijl [werkgever] intussen al een andere persoon in plaats van [werknemer] had aangenomen) en heeft geen enkele poging gedaan om met [werknemer] in gesprek te komen. Dergelijk gedrag is geen “schoonheidsfoutje” zoals [werkgever] stelt, maar kwalificeert zonder meer als ernstig verwijtbaar. [werkgever] dient dan ook aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen.\n\nDe hoogte van de billijke vergoeding\n\n4.25.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\nInkomensschade\n\n4.26.. Gelet op het ruim zeventwintigjarige dienstverband van [werknemer] bij [werkgever] en het feit dat altijd sprake is geweest van goede functioneringsverslagen (hetgeen [werkgever] ook niet heeft betwist), is de kantonrechter van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat, indien [werkgever] niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, [werknemer] niet tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou zijn gebleven bij [werkgever] , met bijbehorend salaris en pensioenopbouw. Dat [werknemer] nog maar drie tot vijf jaar bij [werkgever] zou hebben gewerkt, zoals [werkgever] op de zitting heeft betoogd, is verder niet onderbouwd.\n\n4.27.. Verder stelt [werknemer] dat zij met haar leeftijd van (inmiddels) 59 jaar en een eenzijdig curriculum vitae met maar één werkgever, bovengemiddeld lang werkloos zal blijven, waardoor zij aanspraak zal moeten maken op de maximale duur van de werkloosheidsuitkering. En bij een nieuwe baan zal zij een aanzienlijk lager salaris moeten accepteren van 50% van haar huidige salaris. De kantonrechter acht dit een redelijke veronderstelling. [werkgever] betwist dit weliswaar en voert aan dat [werknemer] 65% tot 80% van haar laatstverdiende salaris zou kunnen verdienen, maar een verdere onderbouwing, bijvoorbeeld door de overlegging van vacatures, is achterwege gebleven.\n\n4.28.. \n [werknemer] stelt dat haar inkomensverlies tot haar pensioen neerkomt op een bedrag van (€ 501.812,00 - (€ 88.339,00 aan WW + € 188.179,00 aan een lager te verdienen loon) =) € 230.438,00 bruto. In deze berekening heeft [werknemer] evenwel een fout gemaakt, aangezien de uitkomst van deze som € 225.294,00 bruto bedraagt.\n\nPensioenschade\n\n4.29.. Met de gestelde pensioenschade van € 103.872,00 bruto wordt bij de vaststelling van de billijke vergoeding geen rekening gehouden. Op de loonstroken is te zien dat de pensioenpremie volledig van het brutoloon wordt betaald. In veel gevallen is het mogelijk om vrijwillig pensioensparen voort te zetten. De compensatie van het inkomensverlies biedt [werknemer] de mogelijkheid om voor deze vrijwillige voortzetting te kiezen. In dat geval heeft [werknemer] geen pensioenschade. [werknemer] heeft onvoldoende onderbouwd hoe zij tot de conclusie is gekomen dat zij wel pensioenschade zal lijden.\n\nImmateriële component\n\n4.30.. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding mag ook de mate van de ernstige verwijtbaarheid worden meegewogen en de gevolgen die dat voor de werknemer heeft gehad. [werknemer] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende haar dienstverband van 27 jaar steeds met enorme toewijding en loyaliteit voor [werkgever] heeft gewerkt en vergroeid was met de organisatie. Door de wijze waarop zij thans aan de kant wordt gezet, voelt zij zich aangetast en ervaart zij psychische klachten. Ook heeft zij geen afscheid heeft kunnen nemen van collega’s doordat haar bedrijfsaccount per direct was geblokkeerd. De kantonrechter rekent [werkgever] de wijze waarop zij [werknemer] heeft geprobeerd eruit te werken na haar lange vlekkeloze staat van dienst zwaar aan en is van oordeel dat dit in de billijke vergoeding tot uitdrukking dient te komen.\n\nConclusie\n\n4.31.. Alles afwegend zal de kantonrechter in totaal een billijke vergoeding toekennen van € 240.000,00 bruto. Anders dan [werknemer] heeft verzocht, wordt het gehele bedrag bruto toegekend, omdat de immateriële component is verzocht en wordt toegewezen als onderdeel van de billijke vergoeding ex art 7:671b lid 9 onder c BW en niet op grondslag van het bepaalde in artikel 6:106 BW. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze beschikking. [werkgever] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [werkgever] wettelijke rente verschuldigd.\n\nAdvocaatkosten\n\n4.32.. \n [werknemer] heeft verzocht om een vergoeding van de volledig door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten, omdat deze kosten uitsluitend het gevolg zijn van de handelswijze van [werkgever] . Het gaat in totaal om een bedrag van € 13.387,61 inclusief btw. Daarbij verwijst [werknemer] naar de bij het verweerschrift overgelegde urenspecificatie. [werknemer] doet daarvoor een beroep op de New Hairstyle beschikkingop grond waarvan de mogelijkheid bestaat de kosten voor de rechtsbijstand te baseren op artikel 7:611 BW in verbinding met artikel 6:96 BW. [werkgever] betwist dat deze kosten daarvoor in aanmerking komen. Volgens [werkgever] gaat het om kosten gemaakt voor het verweer in de UWV-procedure waarvoor geen kostenveroordeling bestaat, zodat deze kosten niet gekwalificeerd kunnen worden als buitengerechtelijke kosten. Ook is de drempel voor vergoeding van de werkelijke kosten niet gehaald. Tot slot heeft [werkgever] in het buitengerechtelijk traject reeds een vergoeding in advocaatkosten voorgesteld, hetgeen is afgewezen.\n\n4.33.. De kantonrechter overweegt dat uit bovenstaande beoordeling van het ontbindingsverzoek genoegzaam blijkt dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zich daarmee niet als een goed werkgever heeft gedragen. [werkgever] heeft eerst een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend met een flinterdun dossier waarin elke onderbouwing ontbrak waarom [werknemer] - als enige werknemer - [werkgever] zou moeten verlaten. Ook heeft [werkgever] [werknemer] zonder deugdelijke reden afgesloten van haar account zodat [werknemer] pardoes thuis kwam te zitten. Tot slot heeft [werkgever] geweigerd de adviezen van de bedrijfsarts te volgen om mediation in te zetten en stevende zij af op een beëindiging van het dienstverband. Dat [werknemer] zich in deze periode heeft voorzien van juridische bijstand om zich te verweren tegen de wijze waarop met haar werd omgegaan, is het directe gevolg van deze onzorgvuldige handelwijze van [werkgever] jegens haar. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om [werkgever] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van deze juridische bijstand, voorafgaand aan deze verzoekschriftprocedure, op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. [werknemer] heeft deze kosten immers gemaakt om te trachten om buiten rechte tot een redelijke oplossing te komen en om het nog verder oplopen van de schade voor haarzelf te voorkomen of te beperken.\n\n4.34.. \n [werknemer] heeft ter onderbouwing van het door haar verzochte bedrag een urenspecificatie van haar gemachtigde overgelegd met daarop het aantal gewerkte uren en het overeengekomen uurtarief. Die onderbouwing is afdoende en niet door [werkgever] betwist. Het bedrag van € 13.387,61 inclusief btw zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de datum van deze beschikking.\n\nDe einddatum\n\n4.35.. Nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] , zal de proceduretijd niet in mindering worden gebracht. De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van de geldende opzegtermijn van vier maanden worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2026. Dit is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.\n\n [werkgever] krijgt de gelegenheid om haar verzoek in te trekken\n\n4.36.. Omdat de kantonrechter voornemens is aan [werknemer] , bij toewijzing van het ontbindingsverzoek van [werkgever] , een billijke vergoeding toe te wijzen, moet de kantonrechter [werkgever] de gelegenheid geven haar verzoek in te trekken.[werkgever] krijgt tot en met 4 juni 2026 om haar verzoek in te trekken.\n\n4.37.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.38.. Ook als [werkgever] het verzoek intrekt, zal [werkgever] de proceskosten van [werknemer] moeten betalen.\n\n5. De beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek\n\n5.1.. \n\nAls [werkgever] haar verzoek tijdig intrekt, is de kantonrechter voornemens de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [werknemer] te ontbinden. Op grond van hetgeen bij de beoordeling van het verzoek van [werkgever] is overwogen, is de arbeidsverhouding tussen partijen door ernstig verwijtbaar gedrag van [werkgever] namelijk dusdanig duurzaam verstoord dat deze zo spoedig mogelijk dient te eindigen.\n\nDe arbeidsovereenkomst zal in geval van toewijzing van het ontbindingsverzoek van [werknemer] worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2026.\n\n5.2.. De transitievergoeding van € 48.212,29 bruto en een billijke vergoeding van € 240.000,00 bruto zullen in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden toegewezen.\n\n5.3.. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.\n\n5.4.. Verder zullen de buitengerechtelijke kosten van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking.\n\n5.5.. Nu aan [werknemer] een lagere billijke vergoeding wordt toegewezen dan zij heeft verzocht, zal zij eveneens in de gelegenheid worden gesteld om haar tegenverzoek in te trekken en wel tot en met 18 juni 2026.\n\n5.6.. Als [werknemer] haar verzoek niet intrekt, zal [werkgever] worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.7.. Als [werknemer] haar verzoek (ook) intrekt, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen, voor wat betreft het tegenverzoek, ieder hun eigen proceskosten dragen. Beide partijen hebben dan immers hun verzoeken ingetrokken.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n6.1.. stelt [werkgever] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 4 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werknemer] ,\n\nVoor het geval [werkgever] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n6.2.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,\n\n6.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 48.212,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 15e dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.5.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking,\n\n6.6.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.7.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.8.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nVoor het geval [werkgever] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n6.9.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.10.. verklaart onderdeel 6.9. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nop het tegenverzoek (voor het geval [werkgever] haar verzoek uiterlijk op 4 juni 2026 intrekt)\n\n6.11.. stelt [werknemer] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 18 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werkgever] ,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n6.12.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,\n\n6.13.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 48.212,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.14.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 15e dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.15.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking,\n\n6.16.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.17.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.18.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n6.19.. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\n ECLI:NL:HR:2022:276\n\n Artikel 7:671b lid 6 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 3 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.\n\n Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).\n\n Zie hiervoor onder 2.8.\n\n Zie hiervoor onder 2.8.\n\n Zie productie 5 van [werkgever] .\n\n Producties 12 en 13 van [werkgever] .\n\n Artikel 150 Rv jo artikel 3:37 lid 3 BW.\n\n Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia).\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.\n\n Artikel 7:686a lid 6 BW.\n\n Artikel 7:686a lid 1 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4905","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:12.439Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":61,"fullText":62,"summary":32,"language":7,"source":52,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":55,"updatedAt":65},"1270","ECLI:NL:RBLIM:2026:4409","ecli-nl-rblim-2026-4409","2026-05-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12168025 \\ OV VERZ 26-24\n\nBeschikking van 18 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nONDERNEMINGSRAAD [werkgever],\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\ngemachtigde: mr. J.J.M. van Mierlo.\n\nPartijen worden hierna aangeduid als [werknemer] en de OR.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit de rolbeslissing van 1 april 2026 en het daarin vermelde procesverloop. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] is werkzaam bij de [werkgever] .\n\n2.2.. De OR heeft op 14 juli 2025 bekend gemaakt dat van 1 tot 14 november 2025 reguliere verkiezingen voor de OR zouden plaatsvinden.\n\n2.3.. De OR hanteerde op dat moment de versie van 3 juni 2014 van het OR-reglement (hierna: het reglement).\n\n2.4.. \n\nIn artikel 7 van het reglement is in lid 2 en in lid 4 het volgende bepaald:\n\n“2. Kandidaatstelling geschiedt door indiening van een lijst van een of meer kandidaten bij de secretaris van de verkiezingscommissie. Deze verstrekt een gedagtekend bewijs van ontvangst op naam van degene die de kandidatenlijst heeft ingediend.\n\n4. Tot uiterlijk vier weken voor de verkiezingsdatum, kunnen kiesgerechtigden die geen lid zijn van een werknemersorganisatie een kandidatenlijst indienen.”.\n\n2.5.. \n\nIn artikel 8 van het reglement is als volgt bepaald;\n\n“1. De verkiezingscommissie onderzoekt of de ingediende kandidatenlijsten en de kandidaten die daarop voorkomen, voldoen aan de vereisten van de wet en dit reglement.\n\n2. De verkiezingscommissie verklaart een kandidatenlijst die niet voldoet aan de in het vorige lid van dit artikel bedoelde vereisten, ongeldig en doet hiervan onmiddellijk schriftelijk en met opgave van redenen mededeling aan degene(n) door wie de lijst is ingediend. Gedurende één week na deze mededeling bestaat de gelegenheid de lijst aan de gestelde vereisten aan te passen.(…)”\n\n2.6.. Op 1 oktober 2032 heeft [werknemer] een zogenaamde vrije lijst, genaamd ‘Mindshift’, ingediend bij de secretaris van de verkiezingscommissie. [werknemer] was op dat moment lid van de [bond] (hierna: [bond] ). De lijst bevatte één kandidaat, [werknemer] zelf.\n\n2.7.. \n\nPer e-mail van 9 oktober 2025 heeft de heer [secretaris] , secretaris van de verkiezingscommissie, aan [werknemer] meegedeeld:\n\n“(…) Tijdens ons onderzoek conform artikel 8 lid 1 Reglement Ondernemingsraad [werkgever] is gebleken dat de door jou ingediende kandidatenlijst ‘Mindshift’ op woensdag 1 oktober 2025, ten tijde van het indienen van deze lijst, ongeldig was.\n\nDit was omdat jij, als lid van een vereniging van werknemers, hiermee niet voldeed aan de vereisten zoals gesteld in artikel 9 lid 2 sub b van de WOR (Wet op de ondernemingsraden) en artikel 7 lid 4 van het Reglement Ondernemingsraad [werkgever] . (…)”\n\n2.8.. Daarop heeft [werknemer] per e-mail van 13 oktober 2025 aan de heer [secretaris] meegedeeld dat hij het verzuim binnen een week, en dus vóór 17 oktober 2025, zou herstellen.\n\n2.9.. De heer [naam] heeft op 13 oktober 2025 een brief aan de verkiezingscommissie gestuurd waarin hij meedeelt dat hij vanaf dat moment fungeert als formele indiener van de vrije lijst ‘Mindshift’ en dat daarmee het door de verkiezingscommissie geconstateerde verzuim is hersteld.\n\n2.10.. Per e-mail van 20 oktober 2026 deelt de heer [secretaris] namens de verkiezingscommissie van de OR aan de heer [naam] mee dat de door hem ingediende lijst niet als een aanpassing van een eerder ingediende lijst wordt beschouwd maar als een nieuw ingediende lijst. Ook deelde de heer [secretaris] mee dat de lijst uiterlijk op 4 oktober 2025 had moeten worden ingediend, Nu dit pas op 13 oktober 2025 was gedaan, was de lijst te laat en kon de kandidaat op de lijst, [werknemer] , niet deelnemen aan de OR-verkiezingen.\n\n2.11.. \n [werknemer] heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt maar de verkiezingscommissie heeft het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [werknemer] heeft in zijn pleitnota zijn verzoeken anders geformuleerd dan in zijn oorspronkelijke processtuk. De kantonrechter vat dit op als een wijziging van de verzoeken en gaat er daarom bij de verdere beoordeling van deze zaak vanuit dat [werknemer] de kantonrechter verzoekt om te beoordelen of de OR artikel 8 van het reglement onjuist, althans onvoldoende consistent, heeft toegepast, in die zin dat het verrichte herstel van de lijst niet als een nieuwe indiening maar als een herstel van verzuim binnen de oorspronkelijke kandidatenlijst had moeten worden aangemerkt en daaraan de gevolgen te verbinden die de kantonrechter in goede justitie passend acht.\n\n3.2.. De OR voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van [werknemer] , met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure. De OR voert daartoe aan dat het indienen van een lijst door een daartoe onbevoegde persoon geen vormfout is die zich laat herstellen doordat een andere persoon achteraf meedeelt dat hij de indiener van de lijst is. De verkiezingscommissie heeft daarom besloten de lijst ‘Mindshift’, zoals ingediend door [werknemer] zelf, niet toe te laten tot de verkiezingen en de lijst ‘Mindshift’ zoals ingediend door de heer [naam] te zien als een nieuw ingediende lijst. Nu de termijn voor het indienen van kandidatenlijsten al verstreken was op 4 oktober 2025 en de heer [naam] de lijst heeft ingediend op 13 oktober 2024 was dit te laat om [werknemer] nog te kunnen laten deelnemen aan de verkiezingen, aldus de OR.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, verder worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Vooropgesteld wordt dat iedere belanghebbende op grond van artikel 36 lid 1 van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: WOR) de kantonrechter kan verzoeken om te bepalen dat de ondernemingsraad gevolg dient te geven aan hetgeen bij of krachtens die wet is bepaald omtrent (onder meer) de verkiezing van de leden van de ondernemingsraad, waaronder ook te verstaan de bepalingen van een reglement als hier aan de orde.\n\n4.2.. Artikel 36 WOR geeft echter slechts de mogelijkheid om een ondernemer of OR zelf in rechte te betrekken en niet een specifieke commissie van de OR. Hoewel het verzoek van [werknemer] zich richt tegen de verkiezingscommissie van de OR heeft de OR zich in zijn processtuk bereid verklaard zichzelf als verwerende partij te beschouwen zodat een inhoudelijk oordeel op de verzoeken van [werknemer] gegeven kan worden. De kantonrechter beschouwt de OR daarom als formele procespartij in deze procedure.\n\n4.3.. Tussen partijen is in geschil of de OR artikel 8 van het reglement correct heeft toegepast door het herstel van de door de verkiezingscommissie geconstateerde vormfout in een ingediende kandidatenlijst niet als een herstel te beschouwen maar als een volledig nieuw ingediende lijst. Partijen verschillen dus van mening over de uitleg van artikel 8 van het reglement.\n\n4.4.. Die uitleg dient naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval te geschieden aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde ‘cao-norm’, nu het ook hier gaat om een geschrift waarin een regeling is vastgelegd die naar haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben (gehad) op de inhoud of de formulering van die regeling, terwijl ook hier de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is.\n\n4.5.. Bij de toepassing van deze cao-norm gaat het niet om een louter taalkundige uitleg maar om een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht geslagen kan worden op de elders in de regeling gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Aan een bepaling in die regeling moet derhalve een uitleg naar objectieve maatstaven worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen ervan, gelezen in het licht van de gehele tekst van de regeling, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoeling van de partijen die de regeling tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de regeling is gesteld.\n\n4.6.. Rekening houdend met dit toetsingskader overweegt de kantonrechter als volgt.\n\n4.7.. De kantonrechter stelt vast dat de termijn voor het indienen van de kandidatenlijsten verstreek op 4 oktober 2025, conform artikel 7 van het reglement. [werknemer] heeft op 1 oktober 2025 een kandidatenlijst ingediend maar hij was daartoe, op grond van artikel 9 lid 2 sub b WOR en artikel 7 lid 4 van het reglement, niet bevoegd omdat hij op het moment van indienen van de lijst lid was van een werknemersorganisatie, namelijk de [bond] .\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt vervolgens dat in artikel 8 lid 1 van het reglement alleen in algemene bewoordingen is bepaald dat de verkiezingscommissie onderzoekt of de ingediende kandidatenlijsten en de kandidaten die daarop voorkomen “voldoen aan de vereisten van de wet en dit reglement”. Vervolgens is in lid 2 van artikel 8 van het reglement daar een gevolg aan verbonden in die zin dat als niet is voldaan aan die vereisten (bedoeld is dus aan de vereisten van de wet en het reglement zelf) een kandidatenlijst ongeldig wordt verklaard. Tevens is bepaald dat de OR van die ongeldigverklaring onmiddellijk schriftelijk en met opgave van redenen mededeling doet aan de indiener van de lijst en dat gedurende één week na deze mededeling de gelegenheid bestaat de lijst aan die vereisten aan te passen. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 8 van het reglement dus geen enkele beperking is gesteld aan het soort verzuim dat hersteld zou kunnen worden binnen één week na de mededeling dat de lijst ongeldig is. Het reglement bepaalt ook niet dat uitsluitend gebreken in de samenstelling van de lijst herstelbaar zijn en evenmin dat een formeel gebrek, zoals de onbevoegdheid van de indiener, niet hersteld zou kunnen worden. Evenmin wordt in het reglement vermeld dat een lijst die ongeldig is verklaard en binnen de termijn van een week wordt hersteld als een nieuw ingediende lijst zal worden beschouwd, noch dat de datum van herstel als datum van indiening van de lijst zal worden gezien. Door de algemene bewoordingen die in artikel 8 van het reglement zijn gebruikt, kan dit artikel naar objectieve maatstaven naar het oordeel van de kantonrechter niet anders worden uitgelegd dan dat een ongeldige lijst, om welke reden die ongeldigheid dan ook is ontstaan, kan worden hersteld binnen één week nadat de mededeling is gedaan dat de lijst ongeldig is, met behoud van de datum van indiening van de oorspronkelijke lijst.\n\n4.9.. Per e-mail van 9 oktober 2025 heeft de heer [secretaris] aan [werknemer] meegedeeld dat de door hem ingediende kandidatenlijst ongeldig was, geheel conform de in artikel 8 lid 1 van het reglement gebruikte terminologie. In lijn met hetgeen is overwogen in r.o. 4.8 had [werknemer] , conform artikel 8 lid 2 van het reglement, vanaf die mededeling één week de tijd om de lijst aan de gestelde vereisten aan te passen. Niet valt in te zien waarom [werknemer] uit de bewoordingen van artikel 8 van het reglement had moeten begrijpen dat hij een dergelijke vormfout niet zou mogen herstellen. Daarin staat immers enkel dat, na de mededeling dat de lijst ongeldig is, een week de gelegenheid wordt gegeven om de ongeldige lijst aan de gestelde vereisten aan te passen en daarmee wordt, zoals blijkt uit lid 1 van dat artikel, bedoeld dat de lijst kan worden aangepast aan de vereisten van de wet en het reglement zelf, dus ook aan de vereisten zoals geformuleerd in artikel 9 lid 2 sub b WOR en artikel 7 lid 4 van het reglement.\n\n4.10.. Het voorgaande betekent dat het door [werknemer] verzochte zal worden toegewezen, zoals hierna in de beslissing vermeld. De vraag is welke gevolgen de kantonrechter daaraan kan verbinden. De verkiezingen zijn immers al voorbij en de nieuwe OR-leden zijn inmiddels verkozen en geïnstalleerd. De kantonrechter ziet geen grondslag waarop zij kan bepalen dat de verkiezingen opnieuw moeten worden gehouden of dat benoemingen moeten worden teruggedraaid. Zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken was dat ook niet de insteek van deze procedure voor [werknemer] . Hij wenste vooral duidelijkheid over de uitleg van artikel 8 van het reglement zodat toekomstige toepassing daarvan zorgvuldig en consistent kan plaatsvinden. De kantonrechter gaat ervan uit dat [werknemer] de gewenste duidelijkheid met deze beschikking heeft gekregen. Bovendien hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat sinds november 2025 een nieuwe versie van het reglement van toepassing is zodat een uitleg van artikel 8 van het reglement zoals opgenomen in de versie van 2014 niet meer aan de orde zal zijn. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter geen verdere gevolgen verbinden aan haar beslissing.\n\n4.11.. De OR zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. Nu [werknemer] in persoon heeft geprocedeerd, zullen de noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten tot op heden aan zijn kant worden vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50,00. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n90,00\n\n- reis-, verblijf- en verletkosten\n\n€\n\n50,00\n\nTotaal\n\n€\n\n140,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. bepaalt dat de OR artikel 8 van het reglement onjuist heeft toegepast in die zin dat het op 13 oktober 2025 verrichte herstel van de oorspronkelijke kandidatenlijst van 1 oktober 2025 als zodanig had moeten worden aangemerkt en dus niet als een nieuw ingediende kandidatenlijst,\n\n5.2.. veroordeelt de OR in de proceskosten van € 140,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de OR niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de onder 5.2 opgenomen proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4409","2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.106Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":32,"language":7,"source":52,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":55,"updatedAt":74},"1265","ECLI:NL:RBLIM:2026:4705","ecli-nl-rblim-2026-4705","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11792041 \\ AZ VERZ 25-76\n\nBeschikking van 15 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Soro,\n\ntegen\n\n [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: mr. R.A. van den Berkmortel.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- een (incompleet) verzoekschrift van [werknemer] ontvangen op 10 juli 2025, aanvankelijk niet verzonden naar [werkgever]\n\n- correspondentie tussen [werknemer] en de griffier van de rechtbank naar aanleiding van het verzoekschrift\n\n- het verzoekschrift van [werknemer] , ingediend door mr. Soro, ontvangen op 28 november 2025, met bijlagen 1 t\u002Fm 11\n\n- het verweerschrift met bijlagen 1 t\u002Fm 19\n\n- de aanvullende bijlagen 12 t\u002Fm 21 van [werknemer] , ingekomen op 30 januari 2026\n\n- een akte van [werkgever] van 5 februari 2026 met bijlagen 20 en 21\n\n- een akte wijziging ‘eis’ van [werkgever]\n\n- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, de spreekaantekeningen aan de zijde van [werkgever] , waaronder een nadere toelichting op de advocaatkosten.\n\n- de brief van de rechtbank aan partijen d.d. 23 februari 2026, waarbij het verzoekschrift van 10 juli 2025 en de daarover met [werknemer] gevoerde correspondentie ook aan [werkgever] is verstrekt\n\n- de brief van de rechtbank d.d. 10 maart 2026 waarin een nieuwe mondelinge behandeling is gelast\n\n- de aanvulling verweerschrift tevens wijziging van eis van [werkgever]\n\n- de brief van 4 mei 2026 van [werknemer] met bijlagen 22 t\u002Fm 27\n\n- de voortzetting van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en [werknemer] spreekaantekeningen heeft overgelegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werkgever] is een detailhandel in keukens. [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) is bestuurder van [werkgever] .\n\n2.2.. \n [werknemer] , geboren [datum] 2004, is op 17 mei 2024 in dienst getreden bij [werkgever] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 17 mei 2025. In de arbeidsovereenkomst staat dat de werkzaamheden van [werknemer] bestaan uit het ondersteunen van de directie, backoffice, verkoop en orderverwerker. Het loon bedraagt € 2.156,26 bruto per maand.\n\n2.3.. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat beide partijen de overeenkomst tussentijds kunnen beëindigen door opzegging per aangetekende brief. Verder maakt een provisieregeling onderdeel uit van de overeenkomst.\n\n2.4.. Op 14 april 2025 start [werknemer] een schoonheidssalon met de naam [handelsnaam] .\n\n2.5.. Begin mei 2025 spreken partijen over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst kan worden verlengd. Op 17 mei 2025 legt [werkgever] [werknemer] een Addendum op de arbeidsovereenkomst voor. Dit addendum houdt in dat de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar wordt verlengd en dat de functie van [werknemer] wordt gewijzigd in die van medewerkster backoffice en hospitality, waardoor geen aanspraak meer bestaat op provisie. Op 20 mei 2025 reageert [werknemer] daarop met een tegenvoorstel.\n\n2.6.. \n [bestuurder] stelt daarna voor om het loon van [werknemer] niet op de gebruikelijke wijze door [werkgever] te laten betalen, maar via een factuur op naam van [handelsnaam] voor massages. [bestuurder] stelt dat geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst. [werknemer] stemt niet in met dit voorstel van [werkgever] .\n\n2.7.. Op 24 juni 2025 verzendt [werknemer] een e-mail aan een leverancier van [werkgever] waarin zij het volgende meedeelt: “Ook wil ik ff aangeven dat ik ga stoppen bij [werkgever] en ik tot 19 juli nog in dienst ben.”\n\n2.8.. \n\n [werknemer] heeft meerdere gesprekken met [bestuurder] heimelijk opgenomen.\n\nUit een van deze opnames blijkt dat [bestuurder] op enig moment tegen [werknemer] zegt dat opzegging mogelijk is per brief met in achtneming van één maand opzegtermijn.\n\n2.9.. In een van de gesprekken tussen [werknemer] en [bestuurder] zegt laatstgenoemde tegen [werknemer] : “Je kunt met mij de goeie kant op en de slechte, en geloof me, ik ben een mannetje, maak me de pis niet lauw, ga met mij geen dingen aan, want dan loopt het gewoon niet goed af.”\n\n2.10.. Op 28 juni 2025 vindt een gesprek plaats tussen [bestuurder] , [werknemer] en [vader] , de vader van [werknemer] . [werknemer] heeft heimelijk een opname gemaakt van dit gesprek. [bestuurder] merkt in dat gesprek op dat er een nieuw contract gemaakt moet worden, maar dat [werknemer] het addendum niet wil ondertekenen. De vader van [werknemer] deelt mee dat zijn dochter nieuwe klanten heeft binnengehaald en dat zij daarom recht heeft op provisie. [bestuurder] zegt in reactie daarop op enig moment “ [vader] , ga eruit”. Op het moment dat [werknemer] en haar vader de zaak verlaten zegt [bestuurder]“ [werknemer] , geef effe de sleutel”.\n\n2.11.. Bij brief van 28 juni en bij bericht per WhatsApp van 29 juni 2025 aan [werkgever] maakt de vader van [werknemer] namens [werknemer] aanspraak op betaling van het loon per bank omdat sprake is van een (stilzwijgend verlengd) lopend contract.\n\n2.12.. Op 30 juni 2025 meldt [werknemer] zich ziek met spanningsklachten.\n\n2.13.. \n [werkgever] deelt [werknemer] bij brief van 1 juli 2025 het volgende mee:\n\n“Onderwerp: niet-tijdige ziekmelding\n\nGeachte mevrouw [werknemer] , beste [werknemer] ,\n\nJe laatste werkdag was op 31 mei 2025. De ziekmelding die wij op 30 juni van je ontvingen, is daarmee buiten de toegestane termijn en wordt als te laat beschouwd.\n\nDaarnaast wil ik je mededelen dat ik de politie geïnformeerd heb over het door jou ontoelaatbaar toelaten van je vader in de zaak en tot vertrouwelijke gegevens.”\n\n2.14.. Bij brief van 3 juli 2025 aan [werkgever] vraagt [werknemer] om haar ziekmelding door te geven aan de arbodienst. Bij brief van 4 juli 2025 deelt [werkgever] [werknemer] (nogmaals) mee dat de einddatum van de arbeidsovereenkomst 31 mei 2025 is en dat er is afgerekend. Bij brief van 8 juli 2025 reageert [werknemer] en deelt zij, onder meer, mee dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat, er geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging, maakt zij aanspraak op loon en deelt mee dat de vervaltermijn van twee maanden om de zaak aan de kantonrechter voor te leggen binnenkort afloopt. Bij brief van 11 juli 2025 reageert [werkgever] met de woorden dat de arbeidsovereenkomst op 31 mei 2025 is beëindigd.\n\n2.15.. \n\nOp 10 juli 2025 dient [werknemer] een verzoek in bij de rechtbank, getiteld “Tijdige melding arbeidsgeschil”. Hierin staat onder meer – en voor zover van belang - :\n\n“(…)\n\n1. Achtergrond\n\n• Mijn arbeidsovereenkomst is gestart op 17 mei 2024 en betrof een jaarcontract.\n\n• Werkgever heeft verzuimd om uiterlijk 17 april 2025 (1 maand voor afloop)\n\nschriftelijk aan te geven of het contract zou worden verlengd, waarmee de aanzegplicht\n\nex artikel 7:668 BW is geschonden.\n\n• Op of na 17 mei 2025 werd alsnog een (te laat) contractaanbod gedaan, maar in de tussentijd is gewoon doorgewerkt tot 28 juni 2025\n\n• Op 28 juni 2025 heeft een conflict plaatsgevonden, waarna ik bij verlaten\n\nvan de zaak terug ben geroepen om de sleutel van de zaak in te leveren. Op 30 juli 2025\n\nheb ik mij ziekgemeld. Daarna is ten onrechte gesteld dat het dienstverband al op 31 mei\n\n2025 zou zijn geëindigd.\n\n• Mijn werkgever stelt zich op het standpunt dat er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat, hetgeen ik betwist.\n\n2. Reden van verzoek\n\nMet dit verzoekschrift wil ik binnen de wettelijke termijn van 2 maanden (artikel 7:681\n\nlid 1 BW) het geschil aanhangig maken en mijn rechten veiligstellen. Inhoudelijk beoog ik\n\no.a. de volgende punten te betwisten of te vorderen:\n\n• Constatering van stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst;\n\n• Vordering van de wettelijke aanzegboete (artikel 7:668 BW);\n\n• Betaling van nog openstaande bedragen, waaronder provisie en ziekengeld;\n\n• Herstel van de arbeidsovereenkomst, of subsidiair schadevergoeding wegens onrechtmatige beëindiging;\n\n• Intrekking van een onterechte beschuldiging van onbevoegd toelaten\u002Fbetreden van mijn vader buiten de openingstijden op de zaak en het verschaffen van inzicht in gevoelige informatie van [werkgever] .\n\n(…)”\n\n2.16.. Op 14 juli 2025 deelt de griffier van de rechtbank aan [werknemer] mee dat het verzoekschrift is ontvangen en geregistreerd, maar dat [werknemer] een ondertekend exemplaar in tweevoud moet indienen, de relevante bijlagen (zoals haar arbeidsovereenkomst) moet toevoegen en haar verhinderdata moet doorgeven.\n\n2.17.. Op 17 juli 2025 dient [werknemer] een ondertekend exemplaar van het verzoekschrift in. De bijlagen die daarbij zijn gevoegd, zijn in enkelvoud. De griffier wijst [werknemer] er bij e-mail van 21 juli 2025 op dat de bijlagen in tweevoud moesten worden ingediend vóór 28 juli 2025. [werknemer] haalt vervolgens de klapper met bijlagen op bij de rechtbank en levert daarna twee klappers met bijlagen in. Op 1 augustus 2025 bericht de griffier aan [werknemer] dat de inhoud van de twee klappers identiek dient te zijn en dat dat niet het geval is. [werknemer] wordt verzocht om twee identieke exemplaren met bijlagen aan te leveren.\n\n2.18.. \n\nOp 4 augustus 2025 bericht [werknemer] aan de griffier van de rechtbank dat zij zich die dag per 5 augustus 2025 weer heeft beter gemeld bij ArboNed. Ook schrijft zij dat zij per 5 augustus 2025 start met werkhervatting bij een nieuwe werkgever. Zij sluit haar e-mail af met de volgende bewoordingen:\n\n“Hoewel de rechtszaak nog loopt, zie ik uit naar de afronding ervan zodat ik dit hoofdstuk\n\nvolledig kan afsluiten en me volledig kan richten op mijn toekomst.\n\nIk houd u op de hoogte van relevante ontwikkelingen met betrekking tot deze zaak.”\n\n2.19.. Op diezelfde dag deelt [werknemer] , naar aanleiding van een vraag van de griffier, mee dat zij de procedure graag wil aanhouden en dat zij op een later moment de klappers met de verkeerde stukken zal ophalen om die te completeren. [werknemer] stuurt daarna op 11 en 20 augustus 2025 nog enkele – voor de beoordeling van deze zaak niet relevante – e-mails aan de griffier.\n\n2.20.. \n\nOp 4 augustus 2025 meldt [werknemer] zich met ingang van 5 augustus 2025 hersteld bij [werkgever] in een Whatsappbericht waarin zij onder meer het volgende schrijft:\n\n“Hierbij meld ik mij per 5 augustus 2025 beter. In overleg met mijn psycholoog is vastgesteld dat werkhervatting noodzakelijk is voor mijn herstel, maar dat dit gezien mijn omstandigheden niet binnen de huidige werkomgeving verantwoord is. Terugkeer naar de werkvloer bij [werkgever] wordt om die reden medisch ontraden.\n\nIk wil benadrukken dat ik geen ontslag neem en ga ervan uit dat het dienstverband op passende wijze wordt afgehandeld, conform hetgeen in de het arbeidscontract is vastgelegd.\n\nGraag ontvang ik een schriftelijke bevestiging van de ontvangst en verwerking van deze betermelding.”\n\n2.21.. \n\n [werkgever] heeft in reactie op dit bericht aan [werknemer] per e-mail en aangetekende brief het volgende geschreven:\n\n“Geachte mevrouw [werknemer] ,\n\nHierbij deel ik u mede dat u voor uw huidige functie niet beter gemeld bent.”\n\n2.22.. \n [werknemer] treedt op 5 augustus 2025 in dienst bij [bedrijf] . Zij ontvangt daar een “basisloon” van € 2.768,00 bruto per maand. Op 27 oktober 2025 is dit dienstverband weer beëindigd.\n\n2.23.. Op 3 september 2025 is [werknemer] niet bij een spreekuur van de bedrijfsarts verschenen.\n\n2.24.. Op 12 september 2025 is [werknemer] wel verschenen bij de bedrijfsarts. Omdat de arbeidsovereenkomst volgens [werkgever] was geëindigd, heeft de bedrijfsarts geen advies gegeven.\n\n2.25.. Op 1 oktober 2025 verzoekt de griffier van de rechtbank aan [werknemer] om aan te geven wat de stand van zaken is met betrekking tot het door haar ingediende verzoekschrift. [werknemer] reageert daarop dat zij haar zaak inmiddels in behandeling heeft gegeven aan mr. Soro.\n\n2.26.. Op 24 oktober 2025 stelt mr. Soro zich voor [werknemer] als gemachtigde in de door [werknemer] aanhangig gemaakte verzoekschrift procedure. Door de griffie wordt meegedeeld dat mr. Soro ook een verzoekschrift moet indienen, omdat het door [werknemer] ingediende verzoek niet voldeed. Op 28 november 2025 dient mr. Soro vervolgens een nieuw verzoekschrift in.\n\n2.27.. Op 10 december 2025 vraagt [werknemer] een ziektewetuitkering aan vanwege haar ziekmelding per 30 juni 2025. De aanvraag om deze ziektewetuitkering is bij besluit van 19 december 2025 afgewezen omdat de verzekering voor de ziektewet door [werkgever] op 31 mei 2025 is beëindigd en de eerste ziektedag meer dan vier weken na deze datum is gelegen.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n\n [werknemer] heeft, omdat haar eerder ingediende verzoekschrift niet voldeed, op 28 november 2025 een nieuw verzoek ingediend. Zij heeft haar eerdere verzoeken niet gehandhaafd. Dat betekent dat alleen zal worden beslist op de verzoeken in het verzoekschrift van 28 november 2025. [werknemer] verzoekt de kantonrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. om de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 te ontbinden;\n\nen om [werkgever] te veroordelen tot betaling van:\n\nII. een transitievergoeding van € 1.546,22 bruto aan [werknemer] , te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nIII. een billijke vergoeding van € 15.479,42 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nIV. € 12.937,56 bruto aan loon (berekend tot en met december 2025) en het loon vanaf 1 januari 2026 tot het moment van ontbinding van de arbeidsovereenkomst;\n\nV. € 2.910,95 bruto aan wettelijke verhoging en de wettelijke verhoging vanaf\n\n21 november 2025;\n\nVI. € 4.060,- bruto aan provisie, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nVII. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [werkgever] verzoekt om [werknemer] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [werkgever] stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd en dat [werkgever] aan al haar verplichtingen uit deze arbeidsovereenkomst heeft voldaan. Volgens [werkgever] is zij aan [werknemer] niets meer verschuldigd.\n\n4. De beoordeling\n\nBestaat er tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst?\n\n4.1.. Voordat de kantonrechter toekomt aan het verzoek van [werknemer] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, dient zij eerst vast te stellen of er tussen [werknemer] en [werkgever] nog een arbeidsovereenkomst bestaat. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is. Hieronder wordt uitgelegd hoe zij tot dat oordeel is gekomen.\n\nDe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is voortgezet\n\n4.2.. \n [werknemer] stelt dat de arbeidsovereenkomst na 17 mei 2025 voor de duur van een jaar is voortgezet. [werkgever] betwist dit en stelt dat er geen sprake is van een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Partijen waren in onderhandeling over een eventuele verlenging. Voorafgaand aan de einddatum heeft [werkgever] een voorstel gedaan tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden (het addendum). [werknemer] was het niet eens met het voorstel. Partijen hebben dus geen overeenstemming bereikt over een nieuwe arbeidsovereenkomst. Het enkele feit dat [werknemer] na 17 mei 2025 heeft doorgewerkt, betekent volgens [werkgever] niet dat het dienstverband stilzwijgend is voortgezet. Die intentie hadden partijen niet en [werknemer] mocht daar ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen.\n\n4.3.. In artikel 7:668 lid 1 is bepaald dat de werkgever de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk informeert:\n\na. over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en\n\nb. bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten.\n\nIn het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de arbeidsovereenkomst wordt geacht voor dezelfde tijd, maar ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden te zijn voortgezet, indien de arbeidsovereenkomst, bedoeld in lid 1, na het verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel 667, lid 1, wordt voortgezet en de werkgever de verplichting, bedoeld in lid 1, onderdeel a of b, niet is nagekomen.\n\nDe reden van de invoering van de aanzegplicht is om de werknemer meer zekerheid te bieden en hem tijdig in de gelegenheid stellen om te zien naar ander werk. De aanzegplicht is een concretisering van het goed werkgeverschap.\n\n4.4.. De kantonrechter stelt vast dat [werkgever] [werknemer] niet uiterlijk één maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten daarvan. Op de laatste dag van de (eerste) arbeidsovereenkomst - 17 mei 2025 - heeft [werkgever] het addendum aan [werknemer] voorgelegd. [werkgever] heeft niet betoogd daarmee voldaan te hebben aan de aanzegplicht. Voor zover de kantonrechter dit had moeten afleiden uit de stellingen van [werkgever] overweegt de kantonrechter dat het addendum niet gekwalificeerd kan worden als een aanzegging zoals die is bedoeld in artikel 7:668 lid 1 onder a BW. Integendeel, de bedoeling van [werkgever] was een voortzetting onder voor [werknemer] ongunstigere voorwaarden. Was [werkgever] veel eerder - in elk geval één maand voor de einddatum - met haar voorstel gekomen, dan had zij [werknemer] niet, zoals zij nu wel heeft gedaan, voor het blok gezet. Omdat de arbeidsovereenkomst na 17 mei 2025 is voortgezet ( [werknemer] heeft in ieder geval nog tot en met 27 juni 2025 voor [werkgever] gewerkt) en de aanzegplicht onder a niet is nagekomen, is het rechtsgevolg dat de arbeidsovereenkomst op grond van lid 4 van artikel 7:668 BW voor dezelfde tijd, maar ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden is voortgezet. De rechtspraak waar [werkgever] zich op beroept leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze dateert van vóór inwerkingtreding van de aanzegplichten in de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 september 2025 (waar [werkgever] zich op beroept) was wel aan de aanzegplicht voldaan.\n\nGeen ontslag op staande voet\n\n4.5.. Ook al zou er sprake zijn van een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst, dan nog is deze volgens [werkgever] in ieder geval geëindigd op 28 juni 2025. [werkgever] stelt [werknemer] op die datum op staande voet te hebben ontslagen. Volgens [werkgever] is een gesprek tussen [bestuurder] en de vader van [werknemer] op die dag geëscaleerd en heeft [bestuurder] [werknemer] en haar vader gesommeerd om de zaak te verlaten. [werkgever] stelt dat [bestuurder] [werknemer] heeft gesommeerd haar spullen te pakken, de sleutel in te leveren en dat [bestuurder] tegen [werknemer] heeft gezegd dat zij niet meer welkom was.\n\n4.6.. \n [werknemer] heeft betwist dat zij op die dag op staande voet zou zijn ontslagen. Zij heeft een opname van het gesprek van die datum in het geding gebracht om die betwisting te onderbouwen.\n\n4.7.. \n [werkgever] stelt dat aan de in het geding gebrachte opnames, waaronder de opname van het gesprek op 28 juni 2025, beperkte bewijskracht moet worden toegekend, omdat deze slecht verstaanbaar zijn, heimelijk zijn opgenomen en transcripties ontbreken. Het zijn bovendien volgens [werkgever] slechts fragmenten van langere gesprekken.\n\n4.8.. Onder bepaalde omstandigheden valt het te billijken dat een werknemer een gesprek met zijn werkgever heimelijk opneemt. De kantonrechter is van oordeel dat het [werknemer] in dit geval niet kan worden verweten dat zij gesprekken heimelijk heeft opgenomen. [werkgever] had [werknemer] immers eerder het voorstel gedaan om het loon buiten de boeken om uit te betalen en zoals uit overweging 2.9 blijkt, heeft [bestuurder] zich in dreigende taal richting [werknemer] uit te laten.\n\n4.9.. \n [werknemer] heeft het gesprek op 28 juni 2025 opgenomen. Anders dan [werkgever] in haar pleitnota betoogt, ziet de kantonrechter geen reden om beperkte bewijskracht aan die opname toe te kennen. Het gesprek is voor het belangrijkste deel goed te volgen. Pas aan het eind van de opname escaleert de discussie tussen [bestuurder] en de vader van [werknemer] en heeft [bestuurder] de vader verzocht om de zaak te verlaten. [werkgever] heeft niet gesteld dat [bestuurder] [werknemer] en haar vader op een eerder moment heeft verzocht om de zaak te verlaten en dat dit het geval is geweest lijkt ook niet waarschijnlijk gelet op het moment waarop het gesprek escaleert.\n\n4.10.. Anders dan [werkgever] onder randnummer 71 van het verweerschrift stelt, blijkt uit de opname van het gesprek op 28 juni 2025 nietdat [bestuurder] tegen [werknemer] heeft gezegd dat zij haar spullen moest pakken en dat zij niet meer terug hoefde te komen. [bestuurder] zegt tegen de vader van [werknemer] dat hij de zaak moet verlaten(“ [vader] , ga eruit”) en als vader en dochter de zaak verlaten vraagt [bestuurder] [werknemer] om de sleutel van de zaak. Uit het verloop van het gesprek op 28 juni 2025 had [werknemer] niet hoeven af te leiden dat [werkgever] heeft bedoeld haar op dat moment op staande voet te ontslaan.\n\n4.11.. Uit de brief van 1 juli 2025 die [werkgever] aan [werknemer] heeft gestuurd, volgt evenmin dat [werkgever] [werknemer] op 28 juni 2025 op staande voet heeft willen ontslaan. In die brief is als laatste werkdag 31 mei 2025 genoemd. Het is onduidelijk waarom [werkgever] deze datum als einddatum van de arbeidsovereenkomst heeft beschouwd, anders dan dat dit een advies van de accountant zou zijn geweest. Duidelijk is wel dat een ontslag op staande voet per 28 juni 2025 zinledig zou zijn geweest, want in de visie van [werkgever] was [werknemer] op dat moment immers niet meer in dienst.\n\n4.12.. Verder blijkt ook nergens uit de [werkgever] vóór de onderhavige procedure ooit het standpunt heeft ingenomen dat zij [werknemer] op 28 juni 2025 op staande voet had ontslagen. [werkgever] heeft dit ontslag nooit schriftelijk bevestigd en ook in haar andere correspondentie daaraan niet gerefereerd.\n\n4.13.. Nu nergens uit blijkt dát [werknemer] op 28 juni 2025 op staande voet is ontslagen en [werkgever] dat standpunt eerder ook niet heeft ingenomen is het volstrekt irrelevant dat – volgens [werkgever] – uit de gedragingen van [werknemer] zou blijken dat zij had begrepen dat zij op staande voet was ontslagen.\n\n4.14.. Dat [werknemer] een verzoekschrift heeft ingediend bij deze rechtbank om een vervaltermijn veilig te stellen en andere verwijzingen naar de vervaltermijn in brieven die [werknemer] of haar vader aan [werkgever] hebben gestuurd, maken dat oordeel niet anders. In geen van die stukken maakt [werknemer] melding van een ontslag op staande voet waartegen zij wenst op te komen. Zij bestrijdt enkel het standpunt van [werkgever] dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd. Dat [werknemer] als juridische leek daarbij wetsartikelen heeft genoemd die niet passend zijn bij de situatie kan haar bezwaarlijk worden tegengeworpen.\n\n4.15.. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van [werkgever] dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door een ontslag op staande voet, niet wordt gevolgd.\n\nGeen opzegging door [werknemer] \u002Fgeen einde met wederzijds goedvinden\n\n4.16.. \n [werkgever] voert verder aan dat [werknemer] zelf ontslag heeft genomen waarvan zij volgens [werkgever] zelf het bewijs heeft geleverd door overlegging van het audiofragment waarin zij tegenover [bestuurder] verklaart dat zij mondeling ontslag heeft genomen.Verder volgt de opzegging door [werknemer] uit de e-mail van [werknemer] van 24 juli 2025 aan een leverancieren heeft [werknemer] tegen drie personen verklaard ontslag te hebben genomen, aldus [werkgever] .\n\n4.17.. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging door [werknemer] . Uit de opname van het gesprek tussen [bestuurder] en [werknemer] blijkt weliswaar dat [werknemer] de intentie had haar arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar dat het [bestuurder] zelf was die haar erop wees dat opzegging schriftelijk moest gebeuren met inachtneming van één maand opzegtermijn. [bestuurder] liet daarmee expliciet weten dat hij een mondelinge opzegging niet accepteerde. Dit is overigens in overeenstemming met hetgeen in de arbeidsovereenkomst is bepaald. Dat [werknemer] niet schriftelijk heeft opgezegd, staat vast. Er is dus geen sprake geweest van een rechtsgeldige opzegging door [werknemer] .\n\n4.18.. Dat [werknemer] tegenover een leverancier in een e-mail heeft verklaard dat zij ging stoppen bij [werkgever] , maakt dit niet anders. Voor zover [werknemer] tegen twee personeelsleden van [werkgever] en de partner van [bestuurder] zou hebben verklaard dat zij ontslag had genomen, maakt dit de beoordeling evenmin anders. Voor een opzegging is nu eenmaal eerst vereist dát er opgezegd is. Nu dat niet kan worden vastgesteld, maken aan derden gedane mededelingen dat niet anders.\n\n4.19.. Uit niets blijkt dat op basis van wederzijds goedvinden een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen.\n\nConclusie\n\n4.20.. \n\nDe conclusie is dat er na 17 mei 2025 geen einde is gekomen aan de (voortgezette) arbeidsovereenkomst. Tussen partijen bestaat daarom nog steeds een arbeidsovereenkomst.\n\nVoor de verzoeken van [werknemer] betekent dit het volgende.\n\nDe arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden\n\n4.21.. \n\nArtikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. [werknemer] stelt dat door toedoen van [werkgever] sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. [werknemer] baseert dit op de volgende omstandigheden:\n\n(1) het allereerst aandringen op contante betaling van het salaris - althans betaling via\n\neen constructie aan de onderneming van [werknemer] - nadat een verzoek tot\n\nfunctiewijziging door haar was afgewezen; (2) het vervolgens na de ziekmelding\n\ninnemen van het feitelijk onjuiste standpunt dat de arbeidsovereenkomst reeds eind mei\n\n2025 zou zijn geëindigd; (3) het vervolgens weigeren om een betermelding te\n\naccepteren; en (4) het allerlaatst (langdurig) niet meer voldoen aan de\n\nloonbetalingsverplichting, zijnde één van de hoofdverplichtingen van de werkgever uit\n\nhoofde van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.22.. Deze voornoemde omstandigheden zijn volgens [werknemer] - zowel los, als in onderling verband - van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, als bedoeld in artikel 7:671c lid 1 BW.\n\n4.23.. De kantonrechter volgt [werknemer] in haar standpunt en zal de arbeidsovereenkomst ontbinden met ingang van de datum van deze beschikking (15 mei 2026).\n\n [werkgever] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en is de transitievergoeding en een billijke vergoeding verschuldigd\n\n4.24.. Bij een ontbinding op verzoek van de werknemer is alleen een transitievergoeding verschuldigd als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.\n\n4.25.. Indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, kan de kantonrechter daarnaast aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen.\n\n4.26.. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) als de werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat.\n\n4.27.. De kantonrechter is – met [werknemer] – van oordeel dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dit volgt naar de kantonrechter onmiskenbaar uit de volgende omstandigheden:\n\n- het pas op de laatste dag van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan [werknemer] een gewijzigde arbeidsovereenkomst aanbieden waarmee zij afzag van haar recht op provisie,\n\n- het voorstellen om het loon niet meer op de gebruikelijke wijze te betalen, maar door dit te voldoen als betaling van facturen van [werknemer] voor massages,\n\n- het uiten van dreigementen,\n\n- het weigeren van de ziekmelding van [werknemer] ,\n\n- het ongefundeerd blijven volhouden dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2025 was beëindigd,\n\n- het niet betalen van het loon van [werknemer] gedurende haar arbeidsongeschiktheid,\n\n- het betalen van het loon over juni 2025 onder verstrekking van een onjuiste salarisspecificatie, waarop stond vermeld dat het zou gaan om een nabetaling van in mei gewerkte uren.\n\n4.28.. \n [werkgever] heeft deze omstandigheden niet weersproken. Zij stelt slechts dat [werknemer] onvoldoende heeft onderbouwd waar de ernstige verwijtbaarheid uit volgt. De kantonrechter vindt echter dat uit bovengenoemde opsomming vanzelfsprekend blijkt dat [werkgever] haar verplichtingen als werkgever grovelijk heeft geschonden. Dat betekent dat [werknemer] recht heeft op de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Daarover wordt het volgende overwogen.\n\n [werkgever] moet een transitievergoeding betalen van € 1.645,974.29.. In artikel 2 lid 3 van het Besluit loonbegrip aanzegtermijn en transitievergoeding is het volgende bepaald: Indien het loon geheel of gedeeltelijk bestaat uit provisie of afhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid, wordt onder loon tevens verstaan: het bruto loon verschuldigd in de twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, voor zover dit bestond uit provisie of afhankelijk was van de uitkomsten van de verrichte arbeid, gedeeld door twaalf. Het recht op provisie gedurende de 12 maanden voorafgaand aan de einddatum van de arbeidsovereenkomst, laat zich moeilijk reconstrueren omdat [werknemer] sinds 28 juni 2025 niet meer heeft gewerkt. Deze omstandigheid komt voor rekening van [werkgever] . De kantonrechter gaat daarom uit van een bedrag van € 1.740,- aan provisie, daarbij aansluitend op het bedrag aan provisie dat [werknemer] in november 2024 heeft verkregen. Of [werknemer] nog recht heeft op provisie in de toekomst, kan de kantonrechter niet vaststellen, omdat de uitvoering van de opdracht naar aanleiding waarvan [werknemer] deze provisie heeft gekregen nog niet is afgerond. Dit betekent dat de kantonrechter per maand € 145,- bruto, aan provisie zal meerekenen en bij de berekening van de transitievergoeding uitgaat van het volgende bruto maandloon: (€ 2.156,26 x 1,08) + € 145,00 = € 2.473,76.\n\n4.30.. De hoogte van de transitievergoeding tot de datum ontbinding bedraagt € 1.645,97 bruto.De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van 15 juni 2026.\n\nAan [werknemer] wordt een billijke vergoeding toegekend van € 5.000,00\n\n4.31.. \n [werknemer] heeft verzocht om aan haar een billijke vergoeding toe te kennen van € 15.479,42 bruto. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat zij een inkomensverlies (van € 10.479,42) lijdt omdat haar arbeidsovereenkomst hoe dan ook tot 17 mei 2026 zou hebben geduurd. Daarnaast acht zij een additionele vergoeding van € 5.000,00 passend, gelet op de wijze waarop [werkgever] zich jegens haar heeft gedragen en opgesteld en de ernstige onzekerheid en stress die dat bij haar heeft veroorzaakt.\n\n4.32.. \n [werkgever] heeft betwist dat [werknemer] tot 17 mei 2026 bij haar in dienst zou zijn gebleven en acht het additioneel verzochte bedrag evenmin toewijsbaar “gelet op het aandeel van [werknemer] in het hele verhaal”.\n\n4.33.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend karakter. Anderzijds is ze mede bedoeld om de werkgever te prikkelen de volgende keer zorgvuldiger te handelen en de juiste arbeidsrechtelijke wegen te bewandelen.\n\n4.34.. Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding stelt de kantonrechter voorop dat [werknemer] toen zij in dienst trad 20 jaar oud was en nog maar een jaar in dienst was bij [werkgever] toen de problemen begonnen. [werknemer] had in het voorjaar van 2025 ook haar eigen bedrijf opgericht. Zij heeft, nadat het dienstverband was voortgezet, bij [werkgever] getracht haar arbeidsovereenkomst op te zeggen en een leverancier laten weten dat zij in juli 2025 zou stoppen met werken voor [werkgever] .Gelet op deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat, als het ernstig verwijtbaar handelen door [werkgever] zou worden weggedacht, de arbeidsrelatie tussen [werknemer] en [werkgever] nog zeker tot 17 mei 2026 zou hebben geduurd. Integendeel, er zijn voldoende aanwijzingen dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook op korte termijn zou zijn beëindigd. Dat betekent dat de kantonrechter bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding met een eventueel inkomensverlies geen rekening zal houden. Wel acht de kantonrechter het van belang dat [werknemer] wordt gecompenseerd voor de wijze waarop [werkgever] haar heeft behandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de wijze waarop (de directeur van) [werkgever] met [werknemer] is omgegaan volstrekt niet door de beugel en dient [werkgever] een stevige financiële prikkel te krijgen om in de toekomst dergelijk handelen (zoals opgesomd onder 4.27) achterwege te laten. De verzochte vergoeding van € 5.000,00 bruto acht de kantonrechter passend en dat bedrag zal dan ook worden toegewezen.\n\n4.35.. De gevorderde wettelijke rente hierover wordt toegewezen zoals verzocht.\n\n [werkgever] moet het loon van [werknemer] betalen tot 5 augustus 2025\n\n4.36.. \n [werknemer] heeft verzocht om doorbetaling van haar loon tot de datum waarop haar arbeidsovereenkomst eindigt.\n\n4.37.. \n [werkgever] betwist de loonvordering van [werknemer] . [werknemer] was volgens [werkgever] niet bereid om de bedongen arbeid te verrichten. Dit blijkt volgens [werkgever] uit het blokkeren van [bestuurder] via WhatsApp op 28 juni 2025. Ook blijkt dit uit de activiteiten van [werknemer] ten behoeve van haar schoonheidssalon en het feit dat zij op 5 augustus 2025 bij een andere werkgever in dienst is getreden. Voor de periode dat [werknemer] stelt ziek te zijn geweest, voert [werkgever] aan dat [werknemer] geen deskundigenoordeel heeft overgelegd.\n\n4.38.. Nu vaststaat dat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd op het moment dat [werknemer] zich ziek meldde, is de kantonrechter van oordeel dat [werkgever] het loon over deze ziekteperiode moet doorbetalen. Dat [werknemer] geen deskundigenoordeel van het UWV heeft overgelegd, als bedoeld in artikel 7:629a BW, doet aan dat oordeel niet af. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat het overleggen van een deskundigenoordeel in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van [werknemer] kan worden gevergd. Daartoe overweegt de kantonrechter dat – als [werkgever] al twijfels had bij de ziekmelding van [werknemer] – het op haar weg had gelegen om [werknemer] snel te laten beoordelen door de bedrijfsarts. In plaats daarvan heeft [werkgever] zich – achteraf onterecht – op het standpunt gezet dat [werknemer] niet meer in dienst was, heeft zij de ziekmelding niet geaccepteerd, kennelijk niet aangedrongen op een spoedig consult bij de bedrijfsarts en later de betermelding van [werknemer] niet aanvaard. Toen [werknemer] uiteindelijk wél de bedrijfsarts bezocht (na haar herstelmelding), kon die geen oordeel geven omdat [werkgever] van mening was dat er geen arbeidsovereenkomst meer bestond. Door de handelwijze van [werkgever] kan nu lastig worden vastgesteld of [werknemer] ziek was. Dit moet voor rekening van [werkgever] blijven.\n\n4.39.. De kantonrechter gaat ervan uit dat [werknemer] tot en met 4 augustus 2025 door ziekte niet in staat was haar arbeid te verrichten en dat [werkgever] in die periode haar loon had moeten doorbetalen. [werkgever] heeft aangevoerd dat [werknemer] recht heeft op 70% van haar loon, omdat dit in haar arbeidsovereenkomst is bepaald. De kantonrechter overweegt dat die bepaling in strijd is artikel 11 van de algemeen verbindend verklaarde cao Retail Non-Food die gold tussen 1 januari 2024 en 41 december 2025. [werkgever] valt, gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 1 onder h. onder de werkingssfeer van deze cao en diende de eerste 26 weken van de arbeidsongeschiktheid 100% van het loon door te betalen. De kantonrechter gaat daarom aan dit standpunt van [werkgever] voorbij.\n\n4.40.. Blijkens de berekening van haar loonvordering gaat [werknemer] uit van een brutoloon van € 2.156,26 per maand. Dat betekent dat wordt toegewezen een bedrag van € 2.156,26 + (€ 2.156,26 : 31 x 4) = € 2.434,48. Uit de berekeningen van [werknemer] volgt niet dat zij tevens aanspraak maakt op vakantietoeslag. Omdat de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan is verzocht, is de vakantietoeslag niet in deze berekening meegenomen.\n\n4.41.. De wettelijke verhoging van 50% over het toegewezen gedeelte zal eveneens worden toegewezen en betreft een bedrag van € 1.217,24. In totaal dient [werkgever] een achterstallig loon en wettelijke verhoging een bedrag van € 3.651,72 bruto aan [werknemer] te betalen.\n\n4.42.. Anders dan [werknemer] heeft verzocht, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot loonbetaling over de periode vanaf 5 augustus 2025. Vast staat immers dat [werknemer] vanaf die datum, terwijl zij niet meer arbeidsongeschikt was, geen arbeid meer voor [werkgever] heeft verricht. [werknemer] heeft weliswaar in haar verzoekschrift aangevoerd dat zij bereid en beschikbaar was om arbeid te verrichten, maar dat blijkt naar het oordeel van de kantonrechter nergens uit. Integendeel: in haar betermelding bij [werkgever] schrijft zij expliciet dat zij niet kan terugkeren op de werkvloer bij [werkgever] , aan de rechtbank mailde zij op 4 augustus 2025 dat zij bij een andere werkgever ging werken en op de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 heeft zij ook (voor het eerst) erkend dat zij elders een dienstbetrekking had aanvaard en daar enkele maanden heeft gewerkt. Na de betermelding bij [werkgever] heeft zij ook nooit meer contact opgenomen met [werkgever] om te laten weten dat zij zich (weer) beschikbaar hield voor arbeid.\n\n4.43.. \n [werkgever] was er niet van op de hoogte dat [werknemer] intussen (op 10 juli 2025) een verzoekschrift bij de rechtbank had ingediend. [werknemer] had dat verzoekschrift niet aan [werkgever] gezonden en ook de rechtbank heeft dat niet gedaan, omdat het verzoekschrift ondanks herhaaldelijk aandringen niet werd gecompleteerd. Dat [werknemer] zich op het standpunt stelde dat zij nog steeds in dienst was bij [werkgever] , werd voor [werkgever] pas duidelijk op 28 november 2025, nadat zij het verzoekschrift van mr. Soro had ontvangen. In dit verzoekschrift staat wel dat [werknemer] bereid is om arbeid te verrichten, maar op de mondelinge behandeling van 5 februari 2025 heeft [werknemer] verklaard dat het niet haar intentie was om bij [werkgever] weer aan het werk te gaan.\n\n4.44.. Ondanks het feit dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding is gelegen in het ernstig verwijtbaar handelen door [werkgever] , is de kantonrechter van oordeel dat het na 5 augustus 2025 niet meer verrichten van arbeid door [werknemer] voor haar rekening behoort te komen. Het had op haar weg gelegen om – als zij die bereidheid al had, de kantonrechter heeft daarover ernstige bedenkingen – de bereidheid om arbeid te verrichten duidelijk richting [werkgever] uit te spreken.\n\n4.45.. Uit het voorgaande volgt dat de loonvordering voor zover die ziet op de periode vanaf 5 augustus 2025 wordt afgewezen.\n\n [werkgever] hoeft geen provisie meer aan [werknemer] te betalen\n\n4.46.. \n [werknemer] stelt dat zij in oktober\u002Fnovember 2024 een aanzienlijke opdracht (de realisatie van het interieur van een penthouse) heeft binnengehaald voor [werkgever] ter waarde van een omzet van € 693.923,- (inclusief BTW). Aan [werknemer] zou zodoende een provisie ter hoogte van € 5.800,- toekomen. Conform de provisieregeling, heeft [werknemer] in november 2024 30% van voornoemd bedrag mogen ontvangen, zijnde een bedrag van € 1.740,-. De resterende 70% dient zij bij aflevering van order te ontvangen. De opdracht is echter nog niet voltooid. Volgens [werknemer] druist het in tegen de redelijkheid en de billijkheid om het restant niet aan haar toe te kennen. Als gevolg van het handelen van [werkgever] is zij immers niet meer in dienst. [werknemer] maakt daarom aanspraak op een restant van € 4.060,- aan provisie.\n\n4.47.. \n [werkgever] stelt, onder meer, dat [bestuurder] de opdracht heeft binnengehaald, niet [werknemer] . Uit coulance heeft [werkgever] aan [werknemer] 30% provisie betaald. Verder stelt [werkgever] dat, om recht te hebben op de provisie, de medewerker de keuken bij de klant opmeet en verwerkt in de computer. Dat heeft [werknemer] niet gedaan.\n\n4.48.. De kantonrechter wijst het verzoek tot uitbetaling van provisie van [werknemer] af. [werknemer] voldoet niet aan de voorwaarden en dat erkent zij zelf ook. De kantonrechter kan de resterende provisie ook niet vaststellen. De order is immers nog niet afgeleverd. Verder heeft [werknemer] niet weersproken dat zij de keuken niet bij de klant heeft opgemeten en ook dat is een voorwaarde voor het recht op provisie. [werknemer] heeft een deel van de provisie gekregen en is daarmee voldoende gecompenseerd voor haar inspanningen.\n\nSchending artikel 21 Rv en de proceskostenveroordeling\n\n4.49.. \n [werkgever] benoemt onder randnummer 111 van haar verweerschrift een aantal aspecten die [werknemer] volgens [werkgever] had moeten melden. [werkgever] is van mening dat [werknemer] in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld, omdat [werknemer] de kantonrechter onjuist heeft voorgelicht. [werkgever] heeft verzocht om aan die schending de sanctie te verbinden dat [werknemer] wordt veroordeeld in de reële proceskosten van [werkgever] .\n\n4.50.. \n\nIn artikel 21 Rv staat dat partijen verplicht zijn om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.\n\nHet moet dus gaan om feiten die van belang zijn voor de beslissing van de zaak.\n\n4.51.. \n\nDe kantonrechter overweegt dat niet alle door [werkgever] opgesomde “schendingen” inderdaad kwalificeren als een schending als bedoeld in artikel 21 Rv.\n\nAnders dan [werkgever] meende, komt de kantonrechter immers – met [werknemer] – tot het oordeel dat haar arbeidsovereenkomst wel degelijk met een jaar was verlengd en dat die niet rechtsgeldig was beëindigd.\n\n4.52.. Dat [werknemer] niet uit eigen beweging in het – nieuwe – verzoekschrift van 28 oktober 2025 melding heeft gemaakt van het eerder op 10 juli 2025 ingediende verzoekschrift en de correspondentie daarover met de rechtbank, leidt niet tot het oordeel dat artikel 21 Rv is geschonden. [werknemer] procedeerde in die periode in persoon en heeft [werkgever] niet op de hoogte gebracht van dit verzoek. De rechtbank heeft dat evenmin gedaan, omdat het verzoekschrift ondanks herhaalde verzoeken niet aan de eisen voldeed en mr. Soro kreeg van de rechtbank de opdracht een nieuw verzoekschrift in te dienen. Dat vervolgens ook de kantonrechter het eerste verzoekschrift en de correspondentie daarover pas onder ogen kreeg nadat de eerste mondelinge behandeling was gesloten, waardoor een tweede mondelinge behandeling nodig was, valt te betreuren, maar is niet aan [werknemer] te verwijten.\n\n4.53.. De kantonrechter is wèl met [werkgever] van oordeel dat [werknemer] had moeten mededelen dat het addendum op haar arbeidsovereenkomst door haar niet in juni 2025, maar al op 17 mei 2025 was ontvangen. Uit de overwegingen hiervoor volgt echter dat dit niet heeft geleid tot een ander oordeel. Ook is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] had moeten meedelen dat zij van 5 augustus 2025 tot 27 oktober 2025 voor een andere werkgever had gewerkt. Ook de e-mail van 4 augustus 2025die in het verzoekschrift was aangekondigd als productie 7 (maar niet was overgelegd), is pas later, nadat een tweede mondelinge behandeling was bepaald, in het geding gebracht. Deze feiten en stukken waren wel degelijk van belang voor de beoordeling van de loonvordering van [werknemer] . Ook bleek hieruit dat de stelling dat [werknemer] steeds bereid en beschikbaar was om haar arbeid voor [werkgever] te verrichten, in strijd was met de waarheid.\n\n4.54.. Indien vast staat dat er sprake is van een schending ex artikel 21 Rv, kan de kantonrechter daaraan de gevolgtrekkingen verbinden die zij geraden acht. De kantonrechter vindt de door [werkgever] verzochte sancties (primair en subsidiair afwijzing van al haar verzoeken en daarnaast veroordeling van [werknemer] in haar reële proceskosten) te ver gaan. Uiteindelijk wordt [werknemer] op veel principiële geschilpunten in het gelijk gesteld en blijft staan dat het uiteindelijk [werkgever] is geweest die ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en tegen beter weten in steeds ongefundeerd is blijven vasthouden aan het standpunt dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2025 was geëindigd. Het is aan haar handelen te wijten dat [werknemer] zich gedwongen heeft gezien om de onderhavige procedure te starten, om duidelijkheid te krijgen over de status van haar arbeidsovereenkomst. Daar komt bij dat [werkgever] het zelf ook niet zo nauw neemt met de feiten. Zo stelt [werkgever] dat [bestuurder] op 28 juni 2025 tegen [werknemer] zou hebben gezegd dat zij niet meer terug hoefde te komen, terwijl uit de opname van het gesprek niet blijkt dat dit tegen [werknemer] is gezegd.\n\n4.55.. Dit alles afwegend acht de kantonrechter het een passende sanctie om [werknemer] wel in de proceskosten te veroordelen, maar dan wel berekend op basis van het gebruikelijke liquidatietarief. Dat betekent dat [werknemer] aan [werkgever] aan proceskosten moet betalen een bedrag van € 865,00 aan salaris gemachtigde.\n\n4.56.. Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissingen, zoals vastgelegd in het dictum. Al hetgeen partijen voor het overige nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.\n\n4.57.. Nu aan [werknemer] een lagere billijke vergoeding wordt toegewezen dan zij heeft verzocht, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om haar verzoek in te trekken en wel tot en met 12 juni 2026. Als [werknemer] van die mogelijkheid gebruik maakt, zal zij alsnog de proceskosten van [werkgever] dienen te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. stelt [werknemer] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 12 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werkgever] ,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n5.2.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 mei 2026;\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] om binnen één maand na heden aan [werknemer] de transitievergoeding van € 1.645,97 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 15 juni 2026 tot de dag van betaling;\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] om binnen één week aan [werknemer] aan billijke vergoeding te betalen van € 5.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026;\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van € 3.651,72 bruto aan achterstallig loon en wettelijke verhoging,\n\n5.6.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van [werkgever] van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.7.. veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.8.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n5.10.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van [werkgever] van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.11.. veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.12.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\n Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2007:BD4065, gerechtshof Leeuwarden, RAR 2007, 67 en Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2007:BA6755.\n\n ECLI:RBLIM:2025:9213, r.o. 4.3.\n\n De vader van [werknemer] heeft op 29 juni 2025 eveneens dreigende taal gebruikt in een bericht aan [werkgever] . Ook dat is niet fraai, maar wel een reactie op de wijze waarop [werkgever] heeft gemeend om te moeten gaan met [werknemer] .\n\n Bijlage 16 van [werknemer] .\n\n Zie onder 2.7\n\n Zie onder 2.3\n\n artikel 7:673 lid 1, aanhef en onder b sub 2 BW\n\n 7:671c lid 2 sub b BW\n\n (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).\n\n Zie onder 2.5\n\n Zie onder 2.6, hetgeen blijkt uit door [werknemer] overgelegde geluidsopnames\n\n Zie onder 2.9\n\n Zie onder 2.13 en 2.14\n\n Randnummer 12 verzoekschrift en productie 8 en 9 verzoekschrift\n\n Berekend over 1 jaar, 11 maanden en 29 dagen\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).\n\n Zie onder 2.7\n\n Rechtsoverweging 2.7\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4705","2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.862Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":32,"language":7,"source":52,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":55,"updatedAt":82},"1048","ECLI:NL:RBLIM:2026:4408","ecli-nl-rblim-2026-4408","2026-05-04T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: 12158671 \\ CV EXPL 26-1564\n\nVonnis in kort geding van 4 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eisende partij],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eisende partij] ,\n\ngemachtigde: mr. W.J.F. Geertsen,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij] B.V.,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 6, - de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n- het tegen [gedaagde partij] B.V. verleende verstek.\n\nDaarna is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.. \n [eisende partij] vordert dat [gedaagde partij] B.V., bij wijze van voorlopige voorziening en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot:\n\nbetaling van achterstallig loon van € 2.850,00 bruto per maand over de periode november 2025 tot en met april 2026, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,\n\nafgifte van loonspecificaties op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00,\n\nbetaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.\n\n2.2.. \n [eisende partij] legt aan de vordering ten grondslag dat hij met [gedaagde partij] B.V. een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en dat [gedaagde partij] B.V. heeft nagelaten om het (volledige) loon over de maanden november 2025 tot en met april 2026 aan [eisende partij] te betalen. Vanwege het niet (tijdig) betalen van het loon, maakt [eisende partij] ook aanspraak op de wettelijke verhogingen de wettelijke rente. Verder heeft [gedaagde partij] B.V. nagelaten loonspecificaties over november 2025 tot en met april 2026 aan [eisende partij] te verstrekken.\n\n3. De beoordeling\n\nVerstekverlening\n\n3.1.. Uit het originele dagvaardingsexploot blijkt dat [gedaagde partij] B.V. op correcte wijze is opgeroepen voor de mondelinge behandeling. [gedaagde partij] B.V. heeft geen verweerschrift ingediend en is niet op de mondelinge behandeling verschenen. De kantonrechter heeft ook geen ander bericht van [gedaagde partij] B.V. ontvangen. Nu de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, heeft de kantonrechter tegen [gedaagde partij] B.V. verstek verleend.\n\nSpoedeisend belang\n\n3.2.. Een eis in kort geding kan worden behandeld als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Uit de aard van de vordering van [eisende partij] blijkt voldoende dat er sprake is van een spoedeisend belang. [eisende partij] is dan ook ontvankelijk in zijn vordering.\n\nAchterstallig loon\n\n3.3.. De kantonrechter zal de vordering van [eisende partij] inzake het achterstallig loon toewijzen, nu deze haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, behoudens het navolgende. De inmiddels door [gedaagde partij] B.V. betaalde bedragen dienen op het te betalen bedrag in mindering te worden gebracht.\n\n3.4.. De door [eisende partij] verzochte wettelijke rente over het achterstallig loon over de maanden november 2025 tot en met april 2026 zal worden toegewezen met ingang van de tijdstippen waarop [gedaagde partij] B.V. met de betaling van dit loon in verzuim verkeert.\n\nWettelijke verhoging\n\n3.5.. De wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW zal als gevorderd worden toegewezen over de achterstallige bedragen (november 2025 tot en met april 2026). Ingevolge artikel 7:625 BW kan de verhoging worden beperkt als dat, gelet op de omstandigheden, billijk voorkomt. Daarvan is hier geen sprake. Het doel van de wettelijke verhoging is immers om de werkgever te prikkelen tot (tijdige) betaling van het overeengekomen loon. Zonder uitleg van [gedaagde partij] B.V., die hier ontbreekt, valt niet in te zien dat er omstandigheden zijn waarmee rekening gehouden dient te worden en die zouden moeten leiden tot matiging.\n\nLoonspecificaties\n\n3.6.. Ook de vordering tot afgifte van de loonspecificaties over de maanden november 2025 tot en met april 2026 zal worden toegewezen, omdat zij niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De gevorderde dwangsom van € 500,00 per dag zal worden toegewezen, met een maximum van € 10.000,00. De termijn voor verstrekking van de specificaties wordt gesteld op 14 dagen na betekening van dit vonnis.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n3.7.. \n [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zijn gemachtigde heeft op 12 maart 206 een brief aan [gedaagde partij] B.V. gestuurd waarin hij namens [eisende partij] aanspraak heeft gemaakt op betaling van het achterstallig loon. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Om die reden zal een bedrag van € 889,00 worden toegewezen. Daarnaast zal ook de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.\n\nProces- en nakosten\n\n3.8.. \n [gedaagde partij] B.V. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde partij] B.V. niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n814,00\n\n3.9.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n3.10.. De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde partij] B.V. om aan [eisende partij] te voldoen het achterstallig loon van € 2.850,00 bruto per maand over de periode november 2025 tot en met april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de tijdstippen waarop [gedaagde partij] B.V. met de betaling van dit loon in verzuim verkeert tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat het geld dat [gedaagde partij] B.V. al als loon aan [eisende partij] heeft betaald, daarop in mindering strekt,\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde partij] B.V. om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over het bij 4.1. genoemde achterstallig loon,\n\n4.3.. veroordeelt [gedaagde partij] B.V. om aan [eisende partij] te betalen € 889,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n4.4.. veroordeelt [gedaagde partij] B.V. tot verstrekking van specificaties van het loon over de maanden november 2025 tot en met april 2026 binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde partij] B.V. hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,00;\n\n4.5.. veroordeelt [gedaagde partij] B.V. in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n4.6.. veroordeelt [gedaagde partij] B.V. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.\n\nArtikel 7:625 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4408","2026-07-13T00:29:01.154Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":32,"language":7,"source":52,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":55,"updatedAt":91},"1274","ECLI:NL:RBLIM:2026:3977","ecli-nl-rblim-2026-3977","2026-04-30T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12093367 \\ AZ VERZ 26-23\n\nBeschikking van 30 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Hermens,\n\ntegen\n\n [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: de heer [gemachtigde] bc.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding na een ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst de verzoeken af, omdat het ontslag rechtsgeldig is verleend.\n\nHet tegenverzoek van de werkgever om het ontslag op staande voet te bekrachtigen wordt toegewezen. Het tegenverzoek van de werkgever om de werknemer te veroordelen tot betaling van € 1.877,20 bruto wordt afgewezen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het op 10 februari 2026 ontvangen verzoekschrift,\n\n- het op 9 april 2026 ontvangen verweerschrift, met een tegenverzoek,\n\n- de op 16 april 2026 ontvangen aanvullende productie 11 van de zijde van [werknemer] ,\n\n- de spreekaantekeningen van de zijde van [werknemer] ,\n\n- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n1.2.. \n\nDe beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren [datum] 2000, is sinds 1 september 2024 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is technisch specialist personenwagens met een loon van € 3.250,18 bruto per maand.\n\n2.2.. Op 23 april 2025 heeft [werkgever] [werknemer] een brief gestuurd met - voor zover van belang - de volgende inhoud:\n\n“Ik heb vastgesteld dat je al geruime tijd regelmatig te laat op je werk bent. Het zijn meestal enkele minuten. Ik heb je hier al diverse malen op aangesproken. Ondanks mijn mondelinge waarschuwingen en je gespreksverslag in AFAS was je vandaag weer enkele minuten te laat.\n\nJe werkdag start om 8:00 uur. Dat houdt in dat je uiterlijk om 7:50 uur op je werk aanwezig bent, zodat je om 8:00 uur daadwerkelijk aan het werk bent. Het te laat komen is voor ons onacceptabel.\n\nHierbij ontvang je een officiële waarschuwing voor jouw hiervoor omschreven gedrag.\n\nWij gaan ervan uit dat je de binnen onze organisatie geldende regels nakomt en dat je dergelijk gedrag niet meer vertoont. Mocht je wederom in strijd handelen met onze regels, dan kan dit strengere maatregelen als gevolg hebben en zelfs consequenties hebben voor de voortzetting van jouw dienstverband.”\n\n2.3.. Op 23 september 2025 heeft [werkgever] [werknemer] een brief gestuurd waar - onder meer - het volgende in vermeld staat:\n\n“We stelden vast dat je nog steeds regelmatig te laat op het werk aanwezig bent. Afgelopen vrijdag 19 september 2025 ben je hier nogmaals door [naam] (Aftersales Manager) op aangesproken. In dit gesprek gaf ja aan dat je het snapt maar dat het toch blijft gebeuren. Vandaag, 23 september 2025, was je om 8:15 uur aanwezig terwijl je vanaf 8:00 uur aanwezig moet zijn en dus ook betaald wordt.\n\nDit gedrag is voor ons nog steeds onacceptabel. Dit was namelijk niet de eerste keer dat je de afspraken niet nakomt. Op 23 april 2025 gaven wij jou ook een officiële waarschuwing omdat je te vaak te laat op het werk bent. Hierbij ontvang je dan ook een tweede officiële waarschuwing voor jouw gedrag.\n\nZowel in eerdere gesprekken als in het gesprek op 19 september 2025 gaf je aan dat je dit niet meer laat gebeuren. Wij vragen je dringend om je aan deze toezegging te houden. Doe je dit niet en gedraag je je toch nog ongewenst, dan kunnen wij overgaan tot het nemen van verdergaande maatregelen, waarbij ontslag niet is uitgesloten.”\n\n2.4.. Op 12 december 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen.\n\n2.5.. In de ontslagbrief van 12 december 2025 staat - voor zover van belang - het volgende opgenomen:\n\n“Hierbij bevestigen wij dat wij u op 12 december2025 op staande voet hebben ontslagen. De redenen voor dit ontslag zijn, zoals wij u ook op 12 december 2025 hebben meegedeeld, zowel het niet naleven van het bedrijfsreglement door zeer regelmatig te laat aanwezig te zijn en het in levensgevaar brengen van een klant door een bestelwagen zeer onveilig aan de klant over te dragen.\n\nVoor het te laat komen heeft u naast mondelinge waarschuwingen op 12 maart 2025 een schriftelijke waarschuwing ontvangen. Op 23 april 2025 en op 29 september 2025 heeft u officiële waarschuwingen ontvangen voor het niet naleven van het bedrijfsreglement door zeer regelmatig te laat aanwezig te zijn. Op 12 december 2025 was u nogmaals te laat, en wel om 8:03 uur, aanwezig waardoor dit de eerste reden van ontslag op staande voet is.\n\nHet in levensgevaar brengen van een klant kwam doordat u tijdens werkzaamheden aan een Mercedes-Benz Sprinter op 8 en 9 december 2025 hebt verzuimd om twee linkerachterwielen vast te zetten na het vervangen van de remblokken. Deze zijn vervolgens op donderdag 11 december 2025 tijdens het rijden (…) los geraakt. De schade die dit voor de klant, de chauffeur van de klant en ons eigen bedrijf teweeg kan brengen, had op kunnen lopen tot een dodelijk ongeluk. Het niet uitvoeren van zo’n essentiële basishandeling is voor ons onacceptabel en daarmee de tweede reden van ontslag op staande voet.\n\nU heeft gelegenheid gehad uw kant van het verhaal te vertellen, dit heeft niet tot een ander oordeel geleid. Deze redenen vormen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet.\n\nWij zullen per 12 december 2025 een correcte eindafrekening opstellen van het salaris, vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen. Deze zullen wij aan u uitbetalen bij de loonronde van december 2025.”\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n3.1.. Na intrekking van het primaire verzoek (de zogenoemde ‘switch’), verzoekt [werknemer] - na hernummering - om (samengevat):\n\nI. een dag vast te stellen waarop deze zaak ter terechtzitting behandeld wordt,\n\nen om [werkgever] te veroordelen tot betaling van:\n\nPrimair:\n\nII. de billijke vergoeding van € 31.033,26 bruto,\n\nIII. de transitievergoeding van € 1.501,05 bruto,\n\nIV. de gefixeerde schadevergoeding van € 5.494,22 bruto,\n\nSubsidiair:\n\nV. de transitievergoeding van € 1.501,05 bruto, voor het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet,\n\nVI. de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen,\n\nVII. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.155,29 exclusief btw,\n\nVIII. de proceskosten.\n\n3.2.. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Hij voert daartoe het volgende aan. Voor de start van zijn werkzaamheden moet [werknemer] een overall en werkschoenen aantrekken. Omdat hem geen eigen overall is verstrekt, moet hij deze op de reservestapel bij [werkgever] pakken en na gebruik bij [werkgever] in de wasmand doen. Daardoor is [werknemer] verplicht om zich op het werk om te kleden. Deze omkleedtijd geldt als arbeidstijd, zodat [werknemer] niet te laat is als hij om 8:03 uur in de werkplaats komt. Hij was namelijk wel voor 8:00 uur bij [werkgever] aanwezig. Ook betwist [werknemer] dat hij de wielen van de bestelwagen niet goed zou hebben aangedraaid. Volgens [werknemer] is er geen causaal verband aangetoond tussen de werkzaamheden die [werknemer] heeft verricht en het incident met de bestelwagen. [werkgever] heeft verzuimd om een onderzoek in te stellen naar deze gebeurtenis, zodat [werkgever] te snel is overgegaan tot het ontslag op staande voet.\n\n3.3.. \n\n [werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. [werkgever] voert ‑ samengevat ‑ aan dat [werknemer] structureel te laat kwam, dat zij hem hier veelvuldig op heeft aangesproken en dat zij hem erop heeft gewezen dat dit onacceptabel was. Daarbij kon [werknemer] na afloop van een dienst ook een schone overall mee naar huis nemen, zodat hij zich, voor een volgende dienst, thuis al kon omkleden. Het was geen noodzaak om zich op het werk om te kleden.\n\nHet aandraaien van de wielen is een basisvaardigheid waarvan verwacht mag worden dat [werknemer] die beheerst.\n\n3.4.. \n [werkgever] heeft een tegenverzoek gedaan en verzoekt (samengevat):\n\nPrimair\n\n Het ontslag op staande voet te bekrachtigen zonder toekenning van enige vergoeding en [werknemer] te veroordelen in het terugbetalen van het onverschuldigd betaalde loon van € 1.887,20 bruto,\n\n [werknemer] te veroordelen in de proceskosten.\n\nSubsidiair:\n\n Het ontslag op staande voet te bekrachtigen en wanneer [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding, deze te verrekenen met het onverschuldigd betaalde loon,\n\n [werknemer] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.5.. Op de stelling van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling van de verzoeken\n\nHet verzoek van [werknemer]\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst de verzoeken van [werknemer] af. De kantonrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.\n\nOntslag op staande voet, juridisch kader\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde omstandigheden. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden gelijktijdig met het ontslag worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. De werkgever moet de dringende reden bewijzen. Voorop staat dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag voor de werknemer mag dit alleen bij uitzondering worden gegeven.\n\nWelke dringende reden(en) heeft [werkgever] aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd?\n\n4.3.. Het ontslag op staande voet is op 12 december 2025 verleend. [werkgever] voert twee redenen aan waarom [werknemer] op staande voet is ontslagen. De eerste reden is dat [werknemer] , ondanks meerdere waarschuwingen voor te laat komen, op 12 december 2025 weer te laat was. De tweede reden is omdat [werknemer] de wielen van een bestelwagen waaraan hij gewerkt had niet goed had aangedraaid, waardoor deze tijdens het rijden los zijn gekomen en de klant in levensgevaar is gebracht.\n\nTe laat komen\n\nWaarschuwingen\n\n4.4.. \n [werkgever] stelt dat zij [werknemer] meerdere malen zowel mondeling als schriftelijk heeft aangesproken en gewaarschuwd over het te laat komen. [werkgever] heeft twee schriftelijke waarschuwingen overgelegd. De eerste schriftelijke waarschuwing van 23 april 2025 is door [werknemer] ondertekend. In deze waarschuwing staat dat de werkdag om 8:00 uur begint. Op de mondelinge behandeling heeft [werkgever] toegelicht dat zij er belang bij heeft dat iedereen om 8:00 uur klaar staat om aan de slag te gaan, omdat zij om 8:00 uur de werkorders verdeelt. Dit is niet door [werknemer] betwist. Verder staat in de waarschuwing vermeld dat te laat komen onacceptabel is en dat er bij een volgende keer strengere maatregelen zullen volgen die zelfs consequenties kunnen hebben voor de voortzetting van het dienstverband.\n\n4.5.. In de waarschuwing van 23 september 2025staat vermeld dat [werknemer] op 19 september 2025 door de aftersales manager erop is gewezen dat hij regelmatig te laat komt en dat hij op 23 september 2025 om 8:15 uur pas aanwezig was. Ook in deze brief staat vermeld dat [werknemer] om 8:00 uur aanwezig moet zijn. In deze brief wordt [werknemer] gewezen op de consequenties van het herhaaldelijk te laat komen. Daarbij wordt ook vermeld dat ontslag niet is uitgesloten. Op deze waarschuwing heeft [werknemer] niet schriftelijk gereageerd. Op de mondelinge behandeling heeft [werknemer] verklaard dat hij te laat was door een omleiding en bij de aftersales manager bezwaar had gemaakt tegen deze waarschuwing. Dat er die dag een omleiding was heeft [werknemer] niet onderbouwd. Evenmin heeft [werknemer] onderbouwd dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen deze waarschuwing en dat hij de sales manager heeft gezegd dat hij door een omleiding te laat was. Daarmee is niet vast komen te staan dat er een rechtvaardiging was voor het op die dag te laat komen.\n\n4.6.. Verder heeft [werkgever] een verklaring overgelegd van de aftersales managerwaarin staat vermeld dat [werknemer] regelmatig omstreeks 8:05 uur binnen kwam lopen terwijl de werkdag om 8:00 uur begon. De aftersales manager voert aan [werknemer] hierop diverse malen mondeling te hebben aangesproken. De inhoud van (dit deel van) deze verklaring heeft [werknemer] niet betwist.\n\n4.7.. Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat [werkgever] duidelijke regels hanteert over de werktijden en op welk tijdstip [werknemer] omgekleed en wel aanwezig moet zijn, namelijk om 8:00 uur. Ook staat vast dat [werknemer] veelvuldig is aangesproken dat hij te laat was en dat hij daarbij gewaarschuwd was dat te laat komen niet wordt geaccepteerd en arbeidsrechtelijke consequenties zal hebben. Ondanks deze waarschuwingen was [werknemer] op 12 december 2025 pas om 8:03 uur klaar om aan het werk te gaan. Daarmee was [werknemer] te laat.\n\nOmkleedtijd is arbeidstijd\n\n4.8.. \n\nDat [werknemer] niet altijd om 8:00 uur kon starten met zijn werkzaamheden wordt niet betwist. [werknemer] voert echter aan dat hij wel om 8:00 uur bij [werkgever] aanwezig was, maar zich nog moest omkleden. Het was namelijk verplicht om een overall en werkschoenen aan te hebben voordat hij met de werkzaamheden kon starten. Deze overall moest hij bij [werkgever] pakken en zich vervolgens omkleden. [werknemer] stelt dat hij op 12 december 2025 wel al om 8:00 uur aanwezig was bij [werkgever] , maar doordat hij nog eerst een overall moest pakken en zich moest omkleden, was hij pas om 8:03 uur in de werkplaats. Omdat omkleden verplicht is, gold deze omkleedtijd als arbeidstijd en was hij wel op tijd voor zijn werkdag aanwezig. [werkgever] heeft betwist dat [werknemer] verplicht was zich bij [werkgever] om te kleden en heeft aangevoerd dat [werknemer] ook een overall mee naar huis kon nemen, zodat hij omgekleed bij [werkgever] kon aankomen. Dat deze mogelijkheid er was, heeft [werknemer] niet betwist. Daarmee is niet vast komen te staan dat het omkleden op de werkvloer een voorschrift van [werkgever] is, zodat omkleedtijd niet te gelden heeft als arbeidstijd. [werknemer] heeft er zelf voor gekozen om zich niet al thuis, maar pas bij [werkgever] om te kleden. In dat geval dient hij er voor te zorgen dat hij om 8:00 uur omgekleed klaar staat. [werkgever] heeft immers voldoende onderbouwd dat zij er belang bij heeft dat om 8:00 uur de werkdag begint omdat zij om 8:00 uur de werkorders verdeelt.\n\nLos daarvan is ook bepaald niet komen vast te staan dat [werknemer] - ondanks de toch duidelijk ernstige waarschuwingen - al eerder diens argument naar voren zou hebben gebracht dat hij recht zou hebben op ‘omkleedtijd’.\n\nHet ontslag op staande voet is rechtsgeldig\n\n4.9.. Door steeds te laat te komen, heeft [werknemer] de bedrijfsvoering van [werkgever] gefrustreerd. [werknemer] heeft met zijn handelen hardnekkig geweigerd te voldoen aan de redelijke bevelen en opdrachten die [werkgever] heeft verstrekt. Dit is dermate ernstig dat het op zichzelf staand een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. [werkgever] heeft [werknemer] meerdere malen gewaarschuwd dat hij zijn gedrag moest verbeteren omdat dit anders ontslag tot gevolg kon hebben. Daarmee heeft [werkgever] voldoende maatregelen getroffen om [werknemer] te wijzen op zijn gedrag en om dit gedrag te verbeteren. Door dan op 12 december 2025 toch weer te laat startklaar te zijn, is [werknemer] het vertrouwen van [werkgever] onwaardig geworden. Van [werkgever] kan dan niet langer worden verwacht de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend.\n\nNiet vastdraaien van wielen\n\n4.10.. Nu het stelselmatig te laat komen een voldragen grond voor het ontslag op staande voet oplevert, behoeft de tweede genoemde reden geen bespreking meer.\n\nAfwijzing van de verzochte vergoedingen\n\n4.11.. De verzochte billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging worden afgewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.\n\n4.12.. Ook de verzochte transitievergoeding wordt afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is [werkgever] geen transitievergoeding aan [werknemer] verschuldigd.\n\nSubsidiaire verzoek\n\n4.13.. De kantonrechter oordeelt dat het niet-toekennen van de transitievergoeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals [werknemer] subsidiair heeft betoogd. Daarvoor moet bijvoorbeeld gedacht worden aan een relatief kleine misstap na een lang en vlekkeloos dienstverband. Hier is geen sprake van een dergelijke situatie. [werknemer] was pas kort in dienst en in die tijd al vaak aangesproken op te laat komen. Deze houding is ernstig verwijtbaar en de kantonrechter vindt het niet onredelijk dat [werknemer] daardoor zijn transitievergoeding heeft verspeeld.\n\n4.14.. De door [werknemer] aangevoerde onervarenheid en jonge leeftijd zijn eveneens onvoldoende om te stellen dat het onaanvaardbaar is dat [werknemer] de transitievergoeding niet krijgt. Dat [werknemer] geen weloverwogen inschatting heeft kunnen maken over zijn kansen in deze procedure omdat hij de gevraagde stukken van [werkgever] niet heeft gekregen, treft ook geen doel. [werknemer] heeft namelijk niet ontkend dat beide waarschuwingen zijn gegeven. Hij heeft alleen gesteld dat hij het met de tweede schriftelijke waarschuwing niet eens was. In ieder geval was [werknemer] dan bekend met de waarschuwingen die gegeven waren omdat hij te vaak te laat op het werk was. Op grond daarvan had hij een inschatting kunnen maken van zijn kansen in de procedure.\n\nAfwijzing van de subsidiaire nevenverzoeken\n\n4.15.. Nu het subsidiaire hoofdverzoek van [werknemer] wordt afgewezen, zullen de daarmee verband houdende nevenverzoeken (buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente) eveneens worden afgewezen.\n\nHet tegenverzoek van [werkgever]\n\nBekrachtigen ontslag op staande voet\n\n4.16.. Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend zonder toekenning van een vergoeding, zal de verzochte bekrachtiging daarvan worden toegewezen.\n\nTerugbetalen onverschuldigd loon wordt toegewezen met verrekening\n\n4.17.. \n [werkgever] verzoekt [werknemer] te veroordelen tot betaling van het loon van € 1.887,20 bruto. Het betreft het loon dat betaald is over de periode 13 tot en met 31 december 2025. [werknemer] heeft erkend dat hij in december 2025 € 692,02 nettomeer aan loon heeft ontvangen dan hij volgens zijn loonstrook van december 2025, met einddatum 12 december 2025, had behoren te ontvangen. Daarmee staat vast dat [werknemer] over de maand december 2025 het bedrag van € 692,02 netto te veel aan loon heeft ontvangen.\n\n4.18.. \n [werknemer] stelt echter dat hij nog 17,8 vakantiedagen open had staan die nog niet door [werkgever] zijn uitbetaald. Deze vakantiedagen vertegenwoordigen volgens [werknemer] een waarde van € 2.883,60 bruto, zijnde € 1.724,39 netto. [werknemer] beroept zich op verrekening van het te veel betaalde loon met de nog uit te betalen vakantiedagen, waardoor [werkgever] nog € 1.032,37 netto (zijnde € 1.724,39 netto vakantiedagen - € 692,02 netto onverschuldigd loon) dient te betalen.\n\n4.19.. De berekening van de nog openstaande vakantiedagen heeft [werknemer] op 15 april 2026 om 13:28 uur aan zowel de gemachtigde van [werkgever] als aan [werkgever] zelf per e- mail gezonden. Op de mondelinge behandeling heeft [werkgever] geen bezwaar gemaakt tegen deze productie. [werkgever] heeft de berekening niet betwist. Zij heeft enkel aangevoerd dat zij niet wist of er nog vakantiedagen moeten worden betaald.\n\n4.20.. \n [werknemer] heeft de berekening één dag voor de mondelinge behandeling naar [werkgever] gestuurd. Het betreft een berekening van de uitbetaling van vakantiedagen. Met één dag had [werkgever] voldoende tijd om bij haar administratie na te vragen of er aan [werknemer] vakantiedagen waren uitbetaald. [werkgever] heeft dit nagelaten. Nu op de loonstrook van december 2025alleen de uitbetaling van de vakantietoeslag staat vermeld, is het aannemelijk dat de vakantiedagen nog niet waren uitbetaald. Omdat [werkgever] het aantal openstaande vakantiedagen en de berekening van [werknemer] niet heeft betwist, zal de kantonrechter de verrekening toewijzen. Dit houdt in dat [werkgever] nog € 1.032,37 netto aan [werknemer] moet betalen.\n\nSubsidiaire verzoek\n\n4.21.. Het subsidiaire verzoek is ingediend voor het geval [werknemer] recht zou hebben op een transitievergoeding. Nu geoordeeld is dat [werknemer] daar geen recht op heeft, hoeft de kantonrechter niet te oordelen over de onderdelen van het subsidiaire verzoek.\n\n [werknemer] moet de proceskosten betalen\n\n4.22.. De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\nop het tegenverzoek\n\n5.2.. bekrachtigt het ontslag op staande voet zonder toekenning van een vergoeding,\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 1.032,37 netto,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nop beide verzoeken\n\n5.5.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:677 lid 1 BW.\n\n Zie hiervoor onder 2.2 en productie A1 bij het verweerschrift.\n\n Zie hiervoor onder 2.3.\n\n Productie B bij het verweerschrift.\n\n Artikel 7:678 lid 2 sub j BW.\n\n Artikel 7:673 lid 7 sub c BW.\n\n Artikel 7:673 lid 8 BW.\n\n Kamerstukken II 2013\u002F14, 33818, nr. 3, p. 110-113.\n\n Aanvullende productie 11.\n\n Aanvullende productie 11.\n\n Productie 3 bij het verzoekschrift.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3977","2026-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.323Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":96,"fullText":97,"summary":32,"language":7,"source":52,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":55,"updatedAt":100},"1291","ECLI:NL:RBLIM:2026:3588","ecli-nl-rblim-2026-3588","2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12087446 \\ AZ VERZ 26-16\n\nBeschikking van 23 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. N. Soro,\n\ntegen\n\nSTICHTING [werkgever],\n\nte [plaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. drs. C.A.H. Lemmens.\n\nPartijen worden hierna aangeduid als [werknemer] en [werkgever] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 11;\n\n- het verweerschrift tevens onvoorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek met producties 1 tot en met 21;\n\n- het bericht van [werknemer] van 3 april 2026 met aanvullende producties 12 tot en met 15;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren [datum] 2001, is op 1 juli 2025 in dienst getreden bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is leerling Maatschappelijke Zorg niveau 4 met een loon van € 2.112,84 bruto per maand, exclusief emolumenten. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van de opleiding maatschappelijke zorg, maar uiterlijk tot en met 30 april 2027. [werknemer] volgt zijn opleiding bij het [college] .\n\n2.2.. \n [werknemer] werkte oorspronkelijk op de [locatie 1] . Omdat daar sprake was van een mismatch in verwachtingen, begeleiding en de verhouding tussen zorg- en welzijnstaken, heeft [werkgever] op 24 september 2025 aan [werknemer] de keuze voorgelegd om op een andere locatie zijn werkzaamheden voort te zetten of om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen middels een vaststellingsovereenkomst. [werknemer] heeft de eerste optie gekozen en heeft vanaf 25 september 2025 zijn werkzaamheden voortgezet op de [locatie 2].\n\n2.3.. Op 9 december 2025 moest [werknemer] zich melden voor een gesprek met de teammanager van [locatie 2], de praktijkbegeleider, werkbegeleider en opleidingscoördinator. Na het gesprek zijn alle diensten van [werknemer] uit de planning gehaald.\n\n2.4.. \n\nPer e-mail van 9 december 2025 deelt [werknemer] aan [werkgever] mee:\n\n“(…) Graag bevestig ik u hierbij dat ik nog altijd bereid ben om mijn werkzaamheden volledig en volgens mijn arbeidsovereenkomst uit te voeren. Ik weiger mijn werkzaamheden niet en ben beschikbaar om mijn functie te blijven vervullen. Daarnaast wil ik nogmaals aangeven dat ik het niet eens ben met het (voorgenomen) ontslag. (…)”.\n\n2.5.. \n\nPer brief van 9 december 2025 van het [college] wordt aan [werknemer] meegedeeld:\n\n“(…) Hierbij deel ik je mede dat je een officiële waarschuwing krijgt in verband met beëindiging van je contract bij [werkgever] .\n\nDeze waarschuwing krijg je om de volgende reden:\n\nJe contract bij [werkgever] is beëindigd. Je mag maximaal 8 weken zonder werkgever de BBL-opleiding volgen. Dit betekent dat je uiterlijk tot 3 februari 2026 de tijd heb om een nieuw contract met [college] te overleggen. (…)”.\n\n2.6.. \n\nPer e-mail van 17 december 2025 deelt zijn mentor bij het [college] ,\n\nmw. [mentor] , [werknemer] mee:\n\n“(…) Ze hebben aangegeven dat ze het contract met jou hebben beëindigd. Ze vertelden dat er ook nog een gesprek met jou heeft plaatsgevonden. Ook heb je een brief ontvangen?(…)”.\n\n2.7.. \n\n [werkgever] heeft [werknemer] uitgenodigd voor een gesprek op 30 december 2025. Nadat bleek dat sprake was van een misverstand over die datum is hij opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 5 januari 2026. Nadat [werknemer] had laten weten dat hij die dag niet beschikbaar was, is hij nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op 7 januari 2026. In de uitnodiging voor dat gesprek, afkomstig van de heer [HR-adviseur] , HR-adviseur bij [werkgever] , staat vermeld:\n\n“(…) Wij waren voornemens om met jou in gesprek te gaan om een beëindiging van jouw dienstverband met wederzijds goedvinden aan te bieden in plaats van een eenzijdige beëindiging conform artikel 16 uit jouw leer-arbeidsovereenkomst.(…)”.\n\n2.8.. Nog voor dat gesprek heeft [werkgever] op 6 januari 2026 een brief ontvangen van de advocaat van [werknemer] zodat het gesprek uiteindelijk niet is doorgegaan.\n\n2.9.. \n [werkgever] is het loon van [werknemer] tot op heden blijven doorbetalen.\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n3.1.. \n [werknemer] stelt dat hij tijdens het gesprek op 9 december 2025 op staande voet is ontslagen maar dat dit ontslag niet rechtsgeldig is omdat de verwijten die hem werden gemaakt tijdens het gesprek zien op disfunctioneren en dus niet zijn te kwalificeren als een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW jo. artikel 7:678 BW. [werknemer] berust echter in het ontslag en verzoekt de kantonrechter om hem een billijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW en verzoekt om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging op grond van artikel 7:672 lid 11 BW en de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW.\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken van [werknemer] moeten worden afgewezen. [werkgever] voert aan dat geen sprake is van een ontslag op staande voet en dat [werknemer] de mededelingen die tijdens dat gesprek zijn gedaan ook niet als zodanig heeft mogen opvatten. Tijdens het gesprek op 9 december 2025 is niet gesproken over een ontslag op staande voet. Wel heeft [werkgever] de feitelijke werkzaamheden van [werknemer] met ingang van die datum beëindigd. Het is steeds de bedoeling van [werkgever] geweest om later nog met [werknemer] in gesprek te gaan over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Zij is er steeds van uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst nog in stand was en is ook steeds zijn loon blijven doorbetalen, aldus [werkgever] .\n\n3.3.. \n [werkgever] heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat de arbeidsverhouding tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord is, zoals bedoeld in artikel 7:671b jo artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g BW, zodat de arbeidsovereenkomst in alle redelijkheid niet kan blijven voortduren. [werknemer] heeft erkend dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie en heeft aangegeven dat een terugkeer naar de werkplek niet wenselijk is. Omdat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond maakt [werknemer] aanspraak op 1,5 keer de wettelijke transitievergoeding.\n\n4. De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek\n\nOntslag op staande voet?\n\n4.1.. Tussen partijen is in geschil of [werknemer] de mededelingen die aan hem zijn gedaan tijdens het gesprek op 9 december 2025 heeft mogen opvatten als een ontslag op staande voet. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een ontslag op staande voet en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is een eenzijdige rechtshandeling. De kantonrechter stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat een mededeling van de werkgever aan de werknemer over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet worden beoordeeld aan de hand van de zgn. wilsvertrouwensleer. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en moeten ook de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg voor de werknemer worden meegewogen. Daarmee geldt dus niet de ‘duidelijk- en ondubbelzinnigheidsmaatstaf’, zoals die van toepassing is voor mededelingen van de werknemer aan de werkgever ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.3.. Gelet op het voorgaande moet de kantonrechter beoordelen of een werknemer die een verklaring van de werkgever opvat als een ontslag op staande voet, deze verklaring ook redelijkerwijze op deze manier mocht opvatten, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.\n\n4.4.. \n\nPartijen verschillen van mening over hetgeen gezegd is tijdens het gesprek op\n\n9 december 2025. Volgens [werknemer] is hem meegedeeld: “wij stoppen ermee” en “je bent per direct uit dienst en je hoeft niet meer te komen”. [werkgever] heeft dit betwist en heeft aangevoerd dat op 9 december 2025 wel een indringend gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de ontstane zorgen over het functioneren van [werknemer] maar dat tijdens het gesprek aan hem is meegedeeld dat het stage-\u002Fleertraject vanuit [werkgever] zou worden beëindigd. Er is volgens [werkgever] tijdens het gesprek niet gesproken over een dringende reden of over een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst en al helemaal niet in termen van een ontslag op staande voet. Er is enkel besproken dat [werknemer] niet meer zou worden ingeroosterd en dat er nog een vervolggesprek zou plaatsvinden over de manier waarop het dienstverband zou eindigen, aldus [werkgever] . Partijen staan ten aanzien van de vraag wat er is gezegd lijnrecht tegenover elkaar en [werknemer] heeft geen nader bewijs aangeboden van de inhoud van het gesprek op 9 december 2025 zodat, gelet op de gemotiveerde betwisting van [werkgever] , niet is komen vast te staan welke mededeling in welke bewoordingen tijdens het gesprek door [werkgever] aan [werknemer] is gedaan.\n\n4.5.. Rekening houdend met de omstandigheden na het gesprek op 9 december 2025 stelt de kantonrechter vast dat [werknemer] vrijwel direct na dat gesprek een e-mail aan [werkgever] heeft gestuurd waarin hij meedeelt dat hij nog steeds beschikbaar is voor zijn werkzaamheden en het uitoefenen van zijn functie en dat hij het niet eens is met het (voorgenomen) ontslag. [werknemer] heeft het woord ‘voorgenomen’ weliswaar tussen haakjes geplaatst maar de kantonrechter is van oordeel dat uit deze e-mail in elk geval kan worden afgeleid dat [werknemer] niet zeker was of zijn arbeidsovereenkomst al dan niet was beëindigd tijdens het gesprek.\n\n4.6.. Uit de stellingen van [werknemer] volgt dat hij met name veel waarde heeft gehecht aan de mededeling die hij van zijn mentor bij het [college] heeft ontvangen, kort na het gesprek op 9 december 2025, en aan de officiële waarschuwing die hij die dag heeft ontvangen vanuit het [college] . De kantonrechter merkt op dat dit berichten zijn van derden en niet van [werkgever] zelf. [werknemer] heeft niet onderbouwd op welke mededelingen van [werkgever] aan het [college] die berichten gebaseerd waren en van welke daartoe bevoegde medewerker(s) bij [werkgever] deze afkomstig waren, zodat deze naar het oordeel van de kantonrechter niet kunnen bijdragen aan de conclusie dat [werknemer] daaruit had mogen begrijpen dat hij op staande voet ontslagen was.\n\n4.7.. De kantonrechter is van oordeel dat ook uit de gedragingen van [werkgever] na het gesprek van 9 december 2025 allerminst kon worden afgeleid dat [werknemer] op staande voet was ontslagen. [werkgever] heeft het ontslag op staande voet niet schriftelijk bevestigd aan [werknemer] . Zij heeft [werknemer] wel tot drie keer toe uitgenodigd voor een gesprek om te praten over een beëindiging van het dienstverband van [werknemer] met wederzijds goedvinden, hetgeen ook plausibel mag worden geacht gelet op het eerdere aanbod dat hem op 24 september 2025 is gedaan toen er strubbelingen waren op de [locatie 1] . Zonder nadere verklaring, die [werknemer] niet heeft gegeven, valt niet in te zien waarom [werkgever] [werknemer] nog zou uitnodigen voor een gesprek om te praten over het einde van zijn arbeidsovereenkomst als hij toch al ontslagen was. [werkgever] heeft ook geen eindafrekening van het dienstverband aan [werknemer] doen toekomen en is het loon van [werknemer] tot op heden blijven doorbetalen, hetgeen evenmin te rijmen is met een ontslag op staande voet. Al deze gedragingen passen naar het oordeel van de kantonrechter niet bij een werkgever die zijn werknemer op staande voet heeft ontslagen maar duiden er juist op dat [werkgever] uitging van een nog steeds bestaande arbeidsovereenkomst.\n\n4.8.. De conclusie van al het voorgaande is dat, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, niet is komen vast te staan dat [werkgever] de arbeidsovereenkomst tijdens het gesprek van 9 december 2025 met onmiddellijke ingang heeft opgezegd, noch dat [werknemer] dit redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen.\n\n4.9.. Nu van een ontslag op staande voet geen sprake is, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen in stand gebleven en is er dus ook geen juridische grondslag voor toewijzing van de door [werknemer] verzochte vergoedingen. Het verzoek van [werknemer] tot veroordeling van [werkgever] tot betaling van een billijke vergoeding, transitievergoeding (althans op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW) en gefixeerde schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.\n\nOntbinding wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)\n\n4.10.. \n [werkgever] verzoekt op haar beurt om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden. Vooropgesteld wordt dat een arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\n4.11.. Op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of enig ander opzegverbod geldt. Dit is niet het geval.\n\n4.12.. \n [werkgever] vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] omdat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.[werknemer] heeft in zijn verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling erkend dat sprake is van een vertrouwensbreuk en een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat samenwerking tussen partijen en dus een terugkeer naar de werkvloer niet meer wenselijk is. Herplaatsing van [werknemer] ligt daarom ook niet in de rede.\n\n4.13.. \n\n [werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat het ontstaan van de verstoorde arbeidsrelatie volledig te wijten is aan het handelen van [werkgever] , hetgeen [werkgever] heeft betwist. De kantonrechter is van oordeel dat [werknemer] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij geldt ook dat het gegeven dat partijen van mening verschillen over de feiten en omstandigheden die tot de verstoring van de arbeidsverhouding hebben geleid, in dit verband niet van belang is. Uitgangspunt bij de zogenoemde g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) is dat er sprake moet zijn van een ernstige en duurzame verstoring. De mate waarin de verstoorde arbeidsverhouding aan een partij (of aan beide partijen) verwijtbaar is, kan wel gewicht in de schaal leggen, maar die omstandigheid behoeft op zichzelf niet doorslaggevend te zijn. Omdat partijen het erover eens zijn dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord en verdere samenwerking daardoor niet meer mogelijk is, is sprake van een voldragen g-grond en dus van een redelijke grond voor ontbinding. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst daarom ontbinden en wel per\n\n1 juni 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure (te rekenen vanaf de indiening van het tegenverzoek van [werkgever] ), met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert.\n\nTransitievergoeding\n\n4.14.. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding, maar verschillen van mening over de hoogte van die transitievergoeding. [werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond omdat de verstoorde arbeidsverhouding geheel aan [werkgever] is te wijten en maakt daarom aanspraak op 1,5 keer de wettelijke transitievergoeding. De kantonrechter heeft in r.o. 4.13 al geoordeeld dat hier wel degelijk sprake is van een voldragen ontslaggrond, namelijk de g-grond. Bovendien kan de kantonrechter enkel een hogere transitievergoeding toekennen indien hij de arbeidsovereenkomst ontbindt wegens een combinatie van omstandigheden uit twee of meer van de onder c tot en met e, g en h van artikel 7:669 lid 3 BW genoemde gronden. Dit is hier echter niet aan de orde aangezien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de g-grond. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om een hogere transitievergoeding toe te kennen dan de wettelijke vergoeding zoals bedoeld in artikel 7:673 BW.\n\nIntrekking\n\n4.15.. \n [werkgever] krijgt geen gelegenheid om het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst enkel de toekenning van de transitievergoeding wordt verbonden.\n\nProceskosten\n\n4.16.. \n [werknemer] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.17.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n5.1.. wijst het verzoek af,\n\nop het tegenverzoek\n\n5.2.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2026, onder toekenning van de wettelijke transitievergoeding aan [werknemer] ,\n\nop het verzoek en op het tegenverzoek\n\n5.3.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.4.. veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.\n\n Artikel 3:33 BW en artikel 3:35 BW.\n\n ECLI:NL:HR:2024:111 en ECLI:NL:PHR:2023:776 vanaf r.o. 4.23.\n\n Artikel 7:669 lid 3 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b jo. artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9 onder a BW.\n\n Op grond van artikel 7:673 lid 1 sub a onder 2 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3588","2026-04-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:14.231Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":32,"language":7,"source":52,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":55,"updatedAt":109},"1661","ECLI:NL:RBLIM:2026:6145","ecli-nl-rblim-2026-6145","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12061346 \\ AZ VERZ 26-5\n\nBeschikking van16april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. A.A.M. Hoogveld,\n\ntegen\n\n1. [verweerder 1] V.O.F.,\n\nte [plaats 2] ,\n\n2. [verweerder 2], vennoot van [verweerder 1] ,\n\n3. [verweerder 3], vennoot van [verweerder 1] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verweerders] ,\n\ngemachtigde: mr. M.A. Krak.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 51\n\n- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 4\n\n- het gewijzigd verzoek ex artikel 283 Rv juncto artikel 130 Rv\n\n- de aanvullende bijlagen 52a tot en met 57d van [verzoekster] van 12 maart 2026\n\n- de aanvullende bijlagen 58 tot en met 60 van [verzoekster] van 17 maart 2026\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Hoogveld\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Krak\n\n- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de aanvullende stukken toegelaten, behoudens het als bijlage 59 overgelegde e-mailbericht van de Arbeidsinspectie.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoekster] , geboren [datum] 1998, is in 2023 uit Oekraïne gevlucht en verblijft in een opvanglocatie voor Oekraïense vluchtelingen in [plaats 2] .\n\n2.2.. \n [verweerder 1] richt zich op het wassen, stomen en strijken van bedrijfskleding en bed- en tafellinnen voor hotels, horeca en verzorgingstehuizen. [verweerder 1] is een familiebedrijf dat door de heer [verweerder 2] , mevrouw [verweerder 3] en hun [zoon] en [dochter] wordt gerund.\n\n2.3.. \n [verzoekster] is met ingang 20 november 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor de duur van één jaar tot 20 november 2025) in dienst getreden bij [verweerder 1] , in de functie van vouwmedewerker met een loon van € 2.184,00 bruto per maand.Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Textielverzorging van toepassing.\n\n2.4.. Tussen [verzoekster] en [zoon] heeft onder meer de navolgende WhatsAppcommunicatie plaatsgevonden op 16 april 2025, 2 mei 2025, en 12 juni 2025 (de berichten met de 2 vinkjes achter het tijdstip zijn afkomstig van [verzoekster] , de andere berichten van [zoon] ):\n\n2.4.1. 16. april 2025:\n\n2.4.2. 2. mei 2025:\n\n2.4.3. 12. juni 2025:\n\n2.5.. Op 13 juni 2025 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld.\n\n2.6.. Later die dag heeft [verweerders] per e-mail aan [verzoekster] bericht dat zij om haar moverende redenen de goedkeuring van de verlofaanvraag van 1 september 2025 tot 21 september 2025 intrekt.\n\n2.7.. Op 14 juni 2025 heeft [verweerders] per e-mail aan al haar medewerkers bericht:\n\n“(….) heeft mevrouw [verzoekster] zich ziek gemeld. (…) Deze ziekmelding heeft o.a. tot gevolg dat wij haar vakantieverlof hebben ingetrokken en haar contract niet gaan verlengen. (…)”\n\n2.8.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2025 heeft [verweerders] aan [verzoekster] het volgende meegedeeld:\n\n“(…) Als u zich ziek voelt dient u naar de huisarts te gaan. De bedrijfsarts wordt ingeschakeld om te kijken welke werkzaamheden wel mogelijk voor u zijn, die bepaald niet of u ziek bent. (…)”\n\n2.9.. Even later heeft [verweerders] nogmaals aan [verzoekster] gemaild dat haar aanvankelijk goedgekeurde verlofaanvraag ingetrokken wordt en dat haar contract niet verlengd zal worden.\n\n2.10.. Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 heeft [verweerders] in de persoon van de heer [verweerder 2] om 08:14 uur aan [verzoekster] meegedeeld:\n\n“(…) Hierbij verzoek ik u mij vandaag mede te delen of wij u voor komende week kunnen inplannen. Uw 3 weken rust zitten er immers op. (…)”\n\n2.11.. Later die dag heeft de heer [verweerder 2] aan [verzoekster] bericht:\n\n“(…) Op uw verzoek hebben wij heden onze arbodienst ingeschakeld met het verzoek een afspraak met u in te plannen met de bedrijfsarts. Omdat e.e.a. nog enkele weken kan duren zal ik u vrijdag 4 Juli opnieuw vragen of wij u vanaf volgende week weer kunnen verwachten op het werk of dat u instemt met een vaststellingsovereenkomst. (…) Vrijdag 4 juli heeft u namelijk de 3 weken rust gehad die uw huisarts u heeft opgedragen (…)”\n\n2.12.. \n\nIn het terugkoppelingsadvies van het spreekuur van de bedrijfsarts van 3 juli 2025\n\nstaat voor zover relevant vermeld:\n\n“(…) [verzoekster] is momenteel volledig arbeidsongeschikt (…) [verzoekster] is momenteel nog niet in staat te starten met reintegratie. (…) Ik adviseer het contact tussen haar en werkgever voor nu te minimaliseren daar dit momenteel kan resulteren in verdere stagnatie of terugval.\n\n2.13.. Bij e-mailbericht van 29 juli 2025 heeft het Juridisch Loket namens [verzoekster] aan de heer [verweerder 2] meegedeeld:\n\n“(…) ervaart mevrouw druk vanuit uw kant om het werk te hervatten. (…) Dergelijke druk is in strijd met de wet. Indien een werknemer ziek is en de bedrijfsarts heeft vastgesteld dat re-integratie (nog) niet kan plaatsvinden, dan mag u als werkgever geen druk uitoefenen om toch te komen werken. Ik verzoek u dringend hiermee te stoppen.\n\nDaarnaast is er een ernstige kwestie gemeld: (…) [verzoekster] voelt zich geïntimideerd door uw zoon, de heer [zoon] . Zij heeft mij inzage gegeven in WhatsApp-berichten waarin hij onder meer aandringt om samen iets te gaan eten of drinken, ondanks dat zij duidelijk heeft aangegeven dit niet te willen en het professioneel te willen houden. (…) Dergelijke berichten, in de context van een machtsverhouding, zijn ontoelaatbaar en kwalificeren als intimidatie. Mevrouw ervaart hierdoor angst en stress, wat inmiddels tot medische klachten heeft geleid. Ook hierop verzoek ik u - en specifiek de heer [zoon] - dringend dit gedrag per direct te staken.\n\nVerder is er op 8 juli een aangetekende brief verstuurd met betrekking tot de loonvordering van 143 ORT-uren die nog niet zijn uitbetaald. Tot op heden is hier geen enkele reactie op gekomen. Graag verneem ik van u of en wanneer u van plan bent dit alsnog uit te betalen. (…)\n\nIk wil ook melden dat meerdere Oekraïense dames die bij u werkzaam zijn juridische hulp hebben gezocht wegens vergelijkbare ervaringen (….)”\n\n2.14.. \n\nIn het terugkoppelingsadvies van het spreekuur van de bedrijfsarts van\n\n5 augustus 2025 staat voor zover relevant vermeld:\n\n“(…) [verzoekster] is momenteel volledig arbeidsongeschikt als gevolg van een medische aandoening. Oorzaak is met name gelegen in werkgerelateerde aspecten. (…) Op dit moment is betrokkene nog niet in staat over de werkgerelateerde zaken die er spelen het gesprek aan te gaan.\n\nNaar ik heb vernomen wil betrokkene in overleg met de werkgever verlof opnemen, hiervoor is medisch geen bezwaar. (…) Ik adviseer het contact tussen haar en werkgever voor nu te minimaliseren daar dit momenteel kan resulteren in verdere stagnatie of terugval. (…)”\n\n2.15.. Bij e-mailbericht van 6 augustus 2025heeft mevrouw [verweerder 3] aan [verzoekster] meegedeeld dat het aangevraagde verlof niet wordt verleend, de goedkeuring van het eerder door [verzoekster] aangevraagde verlof is ingetrokken en zij dus geen toestemming heeft voor vakantie of verblijf in het buitenland. [verzoekster] wordt verzocht bereikbaar en beschikbaar te blijven en haar wordt meegedeeld dat indien zij toch met vakantie gaat dit gevolgen zal hebben voor haar loon en kan leiden tot arbeidsrechtelijke stappen.\n\n2.16.. Bij e-mailbericht van 17 augustus 2025 heeft de heer [verweerder 2] meegedeeld dat er bewijs is dat [verzoekster] in het buitenland verblijft, dat er maatregelen zullen worden genomen en dat het zonder toestemming opnemen van verlof haar zwaar aangerekend zal worden.\n\n2.17.. Bij e-mailbericht van 18 augustus 2025 heeft de heer [verweerder 2] meegedeeld dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofd verzuim en daarmee haar verplichtingen als werknemer zoals opgenomen in artikel 7:660a BW heeft geschonden en de gevolgen voor haar zijn.\n\n2.18.. Tijdens het spreekuur van 1 september 2025 oordeelt de bedrijfsarts dat de situatie onveranderd is.\n\n2.19.. Bij e-mailbericht van 10 september 2025 en aangetekende brief van 29 september 2025 heeft [verweerders] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.\n\n2.20.. \n [verzoekster] ontvangt vanaf 21 november 2025 een ziektewetuitkering van het UWV.\n\n2.21.. Op 2 december 2025 heeft een medewerker van het Juridisch Loket naar aanleiding van signalen, ontvangen van verschillende Oekraïense vrouwen die bij [verweerders] werkzaam zijn, bij de Arbeidsinspectie melding gedaan van onderbetaling, arbeidsuitbuiting, intimidatie, bedreiging en grensoverschrijdend gedrag bij [verweerders] .De melding wordt ondersteund door [opvanglocatie] [plaats 3] , de opvanglocaties waar de Oekraïense werknemers verblijven. Naar aanleiding hiervan is de Arbeidsinspectie een onderzoek gestart. Het onderzoek loopt momenteel nog.\n\n2.22.. \n [verzoekster] heeft op 20 januari 2026 onderhavig verzoekschrift ingediend.\n\n2.23.. \n [verweerders] heeft op 7 maart 2026 de transitievergoeding en de onregelmatigheidstoeslag (de ORT: de toeslag voor werk op zaterdagen en feestdagen) aan [verzoekster] betaald, te weten een bedrag van in totaal € 5.876,55.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt - na wijziging van haar verzoek - de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verklaren voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en\u002Fof nagelaten en dat [verweerders] hoofdelijk aansprakelijk is voor hetgeen [verweerders] verschuldigd is op grond van artikel 7:658 BW en\u002Fof 7:611 BW, voor alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van de door [verweerders] veroorzaakte en\u002Fof verergerde thans bekende ziekten c.q. arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] ;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van (primair) een billijke vergoeding van € 50.000,00 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, onder overlegging van een bruto\u002Fnetto specificatie, althans voor zover de vergoeding (mede) wordt toegekend op de grondslag van artikel 7:658 BW en\u002Fof 7:611 BW te bepalen, dat voor zover de door [verzoekster] geleden schade (nog) niet volledig is vast te stellen, de zo mogelijk reeds vast te stellen schade ten laste van [verweerders] toe te wijzen en voor het overige te verwijzen naar de schadestaatprocedure;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen om aan [verzoekster] een immateriële schadevergoeding te voldoen van € 30.000,00 netto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van € 1.310,40 over de toeslag voor werk op zaterdag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van het gewijzigd verzoekschrift tot de dag van volledige betaling, zulks onder overlegging van een bruto\u002Fnetto specificatie;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen en verstrekken van een deugdelijke eindafrekening (bruto\u002Fnetto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het opeisbaar worden van de toegewezen geldelijke vorderingen;\n\n [verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [verzoekster] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling toegelicht dat het verzoek onder 1) primair is gebaseerd op artikel 7:673 lid 9 BW en subsidiair op artikel 7:658 BW. Het verzoek onder 2) moet zo worden begrepen dat de verzochte vergoeding van € 50.000,00 primair wordt verzocht als billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen en subsidiair wordt verzocht bij wijze van een voorschot op de schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW. In dat laatste geval wordt verzocht de schade reeds zoveel mogelijk vast te stellen en voor het overige te verwijzen naar de schadestaatprocedure. De onder 3) verzochte immateriële schadevergoeding wordt zowel op basis van de primaire als de subsidiaire grondslag verzocht.\n\n3.3.. \n [verweerders] voert verweer en vindt dat de verzoeken dienen te worden afgewezen.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover relevant worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVooraf\n\n4.1.. Het verzoekschrift richt zich tegen [verweerder 1] V.O.F. Het verweerschrift is ingediend namens [verweerders] Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is meegedeeld dat het verweerschrift zo gelezen dient te worden dat dit is ingediend namens de vennootschap onder firma en dat de gemachtigde optreedt namens de vennootschap onder firma en haar vennoten.\n\nHet primaire verzoek om voor recht te verklaren dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld\n\nHet toetsingskader\n\n4.2.. Uitgangspunt is dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt. Het staat daarmee een werkgever in beginsel vrij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen. De kantonrechter kan op grond van artikel 7:673 lid 9 BW een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt wel een billijke vergoeding toekennen als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt deze drempel overschreden. In de wetsgeschiedenis zijn als voorbeelden van ernstige verwijtbaarheid genoemd:\n\n- een aan de werkgever te verwijten verstoorde arbeidsverhouding;\n\n- de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd;\n\n- arbeidsongeschiktheid van de werknemer als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.\n\nGrondslag van het (primaire) verzoek en het verweer van [verweerders]\n\n4.3.. \n [verzoekster] stelt dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Daaraan legt zij kort gezegd ten grondslag dat zij tijdens haar dienstverband bij [verweerders] werd geïntimideerd, gepest en vernederd en dat [zoon] , die binnen [verweerders] een leidinggevende functie bekleedt, zich grensoverschrijdend jegens haar heeft gedragen. Verder stelt [verzoekster] dat het loon structureel te weinig en te laat werd betaald. Zij ontving immers geen toeslag voor de gewerkte uren op zaterdagen en feestdagen. Ook voert zij aan dat eerder goedgekeurd verlof zonder reden werd ingetrokken, zij na haar ziekmelding onder druk is gezet een vaststellingsovereenkomst te ondertekenen en [verweerders] heeft gedreigd met ontslag en juridische maatregelen.\n\n4.4.. \n [verweerders] stelt dat het contact en eventuele (affectieve) relatie tussen [verzoekster] en [zoon] buiten werktijd heeft plaatsgevonden en was gebaseerd op wederzijdse instemming. Volgens [verweerders] zijn er geen aanwijzingen dat er sprake was van dwang, intimidatie of misbruik van gezagspositie, noch heeft het contact negatieve gevolgen gehad voor de werkverhouding of de organisatie. Dat het aangaan van een dergelijke relatie mogelijk als onhandig kan worden gekwalificeerd brengt volgens [verweerders] nog niet mee dat daarmee sprake is van grensoverschrijdend gedrag of ernstig verwijtbaar handelen in arbeidsrechtelijke zin. [verweerders] geeft toe dat zij niet altijd optimaal heeft gehandeld, onhandig heeft gecommuniceerd en dat bepaalde zaken achteraf bezien beter hadden gekund, maar betwist dat er sprake is geweest van intimidatie, pesterijen en vernedering. Zij is van mening dat de drempel van ernstige verwijtbaarheid niet wordt gehaald.\n\nHet oordeel van de kantonrechter\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerders] . Zij zal de verzochte verklaring voor recht verlenen en aan [verzoekster] een billijke vergoeding toekennen. Hieronder zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nWat is er gebeurd?\n\n4.6.. Partijen verschillen van mening over diverse gebeurtenissen die zijn voorgevallen en die wel van belang zijn voor de beoordeling van hun geschil. Dit geldt met name ten aanzien van de relatie tussen [zoon] en [verzoekster] en hetgeen is voorgevallen op 13 juni 2025, de dag dat [verzoekster] zich ziek heeft gemeld. De kantonrechter zal daarom eerst, aan de hand wat hierover over en weer is aangevoerd, reconstrueren wat er feitelijk is gebeurd en vervolgens ingaan op de vraag of dit leidt tot, of bijdraagt aan, het oordeel dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.\n\nDe relatie met [zoon]\n\n4.7.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij gedurende haar dienstverband voortdurend werd blootgesteld aan grensoverschrijdend gedrag, gestalk en terreur door [zoon] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in januari 2025, na een bedrijfsfeest, met [zoon] achterbleef nadat de rest van het personeel door de heer [verweerder 2] in een taxi was gezet om naar de stad te gaan. [zoon] heeft haar toen meegenomen naar een hotel en bracht haar pas later, nadat diverse collega’s hem hadden gebeld, terug naar de anderen. In het voorjaar van 2025 moest [verzoekster] onderzoeken ondergaan in het ziekenhuis. In die periode vroeg [zoon] opnieuw of zij met hem wilde afspreken. Hij deed eerst vriendelijk en zorgzaam, maar veranderde als een blad aan een boom toen [verzoekster] hem duidelijk maakte dat ze geen relatie met hem wilde. Hij dreigde haar die nacht op straat achter te laten en om met zijn ouders te spreken om haar te ontslaan. Hij schold en schreeuwde tegen haar, negeerde haar op het werk, stalkte en begluurde haar op de werkvloer en sprak in haar bijzijn over haar met andere collega’s in het Nederlands. Hij bleef haar ook berichten sturen op haar privételefoon om af te spreken en zette haar constant onder druk. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar verwijten verwezen naar de WhatsAppberichten die onder 2.4. zijn opgenomen, en op de verklaringen van twee van haar collega’s, mevrouw [naam 1]en mevrouw [naam 2].\n\n4.8.. \n [verweerders] heeft aangevoerd dat een eventuele relatie tussen [verzoekster] en [zoon] zich heeft afgespeeld buiten werktijd en was gebaseerd op wederzijdse instemming. Er zijn volgens [verweerders] geen aanwijzingen van dwang, intimidatie of misbruik van positie of dat het contact negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkverhoudingen of de organisatie. Volgens [verweerders] is [zoon] steeds respectvol met [verzoekster] omgegaan, heeft hij haar thuis gebracht en het contact beëindigd zodra [verzoekster] dat wenste. Er was geen sprake van ongewenste avances of ongepaste druk. [verweerders] betwist dat [zoon] [verzoekster] op de werkvloer heeft gepest of bedreigd. Ook heeft [verweerders] betwist dat [zoon] de direct leidinggevende van [verzoekster] was.\n\n4.9.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel de standpunten van partijen uiteenlopen kan in ieder geval het volgende worden vastgesteld. [zoon] heeft toegegeven [verzoekster] leuk te hebben gevonden en haar benaderd te hebben. Uit de overgelegde verklaringen van collega’s [naam 2] en [naam 1] blijkt ook dat [zoon] interesse toonde in [verzoekster] . Verder staat vast dat [zoon] commercieel manager is bij [verweerders] en [verzoekster] de functie van vouwmedewerker bekleedde en aldus een ondergeschikte medewerkster was. Dat [zoon] niet haar direct leidinggevende was, is gelet op de grootte van het bedrijf niet zo relevant. [zoon] bekleedt in het familiebedrijf een leidinggevende functie en is de zoon van beide eigenaren. Dat hij ten opzichte van [verzoekster] in een gezagspositie verkeerde, staat daarmee vast.\n\nOok staat vast dat [verzoekster] de Nederlandse en de Engelse taal niet machtig is. Zij maakt gebruik van een vertaalapp om te communiceren.\n\nUit de WhatsAppgesprekken leidt de kantonrechter af dat [verzoekster] in ieder geval vanaf 16 april 2025 aan [zoon] duidelijk heeft gemaakt dat zij wilde dat hij haar met rust liet. Ze verwoordtdat ze niet wil dat hij naast haar komt staan op het werk om grapjes te maken, omdat zij die niet begrijpt en niet weet hoe ze dan moet reageren. [zoon] reageert daarop met de mededeling dat hij in zijn eigen bedrijf doet wat hij wil en praat met wie hij wil, altijd. In dit antwoord wijst hij [verzoekster] erop dat hij haar manager is en geen collega.Meteen daarop deelt hij mede dat hij en [verzoekster] later wat zullen gaan drinken. Uit het vervolg van de communicatie komt naar voren dat [zoon] en [verzoekster] eerder een keer samen zijn uit gegaan en dat [verzoekster] dat afspraakje niet als prettig heeft ervaren omdat [zoon] haar zou hebben gedreigd achter te laten op een plek die zij niet kende. Hoewel [zoon] antwoordt dat hij [verzoekster] uiteindelijk wel heeft thuis gebracht, ontkent hij niet dat hun afspraak niet goed is verlopen.\n\nOp 2 mei 2025 benadert [zoon] [verzoekster] opnieuw, en vraagt haar of zij toch weer met hem wil afspreken.[verzoekster] antwoordt [zoon] dat ze niet met hem wil afspreken omdat ze niet wil omgaan met iemand die haar zo grof en respectloos behandelt. Ze vraagt wederom of [zoon] haar met rust wil laten.[zoon] antwoordt dat hij het antwoord van [verzoekster] respecteert maar voegt daaraan toe dat hij het laatst en het hardst zal lachen.\n\nOp 12 juni 2025 om 17:15 schrijft [zoon] vervolgens aan [verzoekster] : “And… when is our next date, Mrs. [verzoekster] ?”\n\nAls [verzoekster] daarop afwijzend reageert antwoordt [zoon] dat hij het gedrag van [verzoekster] jegens hem in gedachten zal houden en dat zij het niet leuk zal vinden. Hij voegt daar later aan toe dat hij het niet accepteert als iemand hem disrespectvol behandelt, in zijn privéleven of zijn bedrijf.Als [verzoekster] hem vraagt of zij degene is die [zoon] heeft bedreigd, tegen hem heeft geschreeuwd of iets van hem wil en zegt dat zij degene is die het recht heeft om beledigd te zijn, antwoordt [zoon] onder andere dat [verzoekster] zich moet gedragen (behave).\n\nAls [verzoekster] daarop antwoordt dat [zoon] geen respect heeft voor vrouwen en zij nog nooit zo’n verschrikkelijke houding heeft meegemaakt, antwoordt [zoon] dat hij die avond met zijn ouders zal gaan praten.\n\n4.10.. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze Whatsappberichten voldoende blijkt dat [zoon] meerdere keren (tegen de duidelijk uitgesproken wens van [verzoekster] in) aandringt op privécontact met [verzoekster] . Anders dan [verweerders] betoogt, gebruikt [zoon] zijn positie als hiërarchisch meerdere wel degelijk om [verzoekster] ervan te overtuigen om met hem af te spreken en ook om haar verzoek om met rust gelaten te worden niet serieus te nemen. Zijn opmerkingen dat hij in zijn eigen bedrijf doet wat hij wil, dat hij het laatst en hardst zal lachen, dat hij zich niet disrespectvol laat behandelen in zijn bedrijf en dat hij met zijn ouders (de eigenaren van [verweerders] ) zal gaan praten als [verzoekster] hem afwijst, laten geen andere interpretatie toe.\n\n4.11.. Dat de relatie tussen [verzoekster] en [zoon] zich alleen in de privésfeer afspeelde, wordt evenmin gevolgd. [naam 1] heeft verklaard dat de sfeer op het werk veranderde nadat [zoon] interesse in [verzoekster] begon te vertonen en dat [verzoekster] haar vroeg om niet weg te gaan zodat zij niet met [zoon] alleen op de werkplek zou achterblijven. Ook in de verklaring van [naam 2] staat dat [verzoekster] op momenten aan het einde van de werkdag vroeg of iemand op haar kon wachten, omdat ze bang was alleen naar buiten te gaan vanwege [zoon] .\n\nDe gebeurtenissen op 13 juni 2025\n\n4.12.. Op basis van hetgeen partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard alsmede de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [verzoekster] op 13 juni 2025 heeft geweigerd om desgevraagd naar de heer [verweerder 2] te lachen. Op de vraag van de heer [verweerder 2] waarom ze niet glimlachte wilde [verzoekster] aanvankelijk niet antwoorden maar uiteindelijk heeft ze gezegd dat dit met [zoon] te maken had. Vervolgens is [verzoekster] op zijn verzoek met de heer [verweerder 2] naar het kantoor gegaan, samen met een collega die kon vertalen. [verzoekster] heeft daar duidelijk gemaakt dat zij last had van [zoon] . De heer [verweerder 2] heeft [verzoekster] gevraagd dit niet met de andere personeelsleden te bespreken.Wat er verder is besproken, is gelet op de uiteenlopende verklaringen niet vast te stellen, maar wel staat vast dat [verzoekster] trillend en huilend het kantoor heeft verlaten. Zij heeft vervolgens nog wel gewerkt. [zoon] is later op de dag op het werk verschenen. Hij heeft - met zijn handen zwaaiend – naar [verzoekster] geroepen “ga weg, ga weg” en is achter [verzoekster] aan gerend, waarna mevrouw [verweerder 3] ook nog achter [verzoekster] is aangerend.\n\nHeeft [verweerders] ernstig verwijtbaar jegens [verzoekster] gehandeld?\n\n4.13.. De kantonrechter komt nu toe aan de behandeling van de gronden \u002F de verwijten aan het adres van [verweerders] die [verzoekster] aanvoert ter onderbouwing van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] . Deze verwijten zien 1) op de omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de ziekmelding door [verzoekster] en die volgens haar de aanleiding waren voor de ziekmelding, 2) de wijze waarop [verweerders] na haar ziekmelding heeft geacteerd en 3) de wijze waarop [verweerders] haar andere arbeidsrechtelijke verplichtingen, zoals het tijdig betalen van het loon en de juiste toeslagen, heeft verzaakt. In het onderstaande wordt daarop verder ingegaan.\n\nDe aanloop naar de ziekmelding\n\n4.14.. \n [verzoekster] stelt dat zij tijdens haar dienstverband “voortdurend werd blootgesteld aan ongewenste avances van [zoon] ”, die zich aan haar opdrong, eiste dat zij met hem uitging en haar bestookte met telefoontjes en appjes. [zoon] zou na de afwijzing door [verzoekster] agressief zijn geworden, hetgeen zich vertaalde in pestgedrag en geschreeuw op de werkvloer, waarbij [zoon] [verzoekster] achtervolgde, heel dicht naast haar ging staan en haar begluurde als zij zich omkleedde, haar strafte met extra zwaar werk en haar uitschold ten overstaan van collega’s.\n\n4.15.. Niet al deze aantijgingen zijn komen vast te staan. Zoals hiervoor onder ro. 4.9 en 4.10 is overwogen kan worden vastgesteld dat [zoon] enkele keren (tegen de uitdrukkelijk geuite wens van [verzoekster] in) er bij [verzoekster] op heeft aangedrongen privé met hem af te spreken en dat hij daarbij het feit dat hij haar manager was als argument heeft gebruikt om [verzoekster] te overtuigen. Dat deze avances ook invloed hadden op de situatie op het werk, omdat [verzoekster] aan collega’s heeft gevraagd haar niet alleen te laten met [zoon] , staat ook vast. De overgelegde WhatsAppberichten zijn op drie verschillende dagen gewisseld. Dat rechtvaardigt niet het oordeel dat [zoon] zich “voortdurend aan [verzoekster] opdrong” en haar “bestookte” met appjes. Dat [zoon] op 13 juni 2025 tegen [verzoekster] heeft geschreeuwd, staat naar het oordeel van de kantonrechter wel vast, maar de andere verwijten (dat hij agressief is geweest, vaker tegen [verzoekster] schreeuwde op de werkvloer en haar pestte, begluurde en strafte met extra zwaar werk) missen iedere onderbouwing. Weliswaar schrijven [naam 1] en [naam 2] dat [verzoekster] herhaaldelijk “grote manden” kreeg, maar [naam 2] schrijft in haar andere verklaring ook dat zij ook regelmatig grote manden kreeg.Bovendien is verder niet onderbouwd waarom het krijgen van “grote manden” te kwalificeren zou zijn als pestgedrag. Verder schrijft [naam 1] dat [zoon] een keer uit het raam keek en hen observeerde toen ze buiten stonden, maar dit kan moeilijk als een onderbouwing van het verweten “begluren” worden beschouwd. Ook verklaart [naam 1] dat er persoonlijke spullen van [verzoekster] verdwenen, maar dat dit door toedoen van [zoon] kwam blijkt verder nergens uit. Tot slot acht de kantonrechter nog van belang dat [verzoekster] zelf aan [verweerders] schrijft dat zij niet zegt dat zij op het werk slecht wordt behandeld.\n\n4.16.. Ondanks het feit dat niet alle aantijgingen van [verzoekster] kunnen worden vastgesteld, kwalificeert de kantonrechter de gedragingen van [zoon] wel als grensoverschrijdend. Daarbij speelt ook nog mee dat [verzoekster] vluchteling is, de Nederlandse en Engelse taal niet machtig is en ondergeschikte was. Gelet op deze kwetsbare positie waarin [verzoekster] zich bevond, had [zoon] , die een leidinggevende positie had binnen [verweerders] en zich bewust was van zijn machtspositie, zich moeten onthouden van zijn gedrag en [verzoekster] met rust moeten laten, zeker nadat zij daarom (meermaals) expliciet had verzocht.\n\n4.17.. \n\n [verweerders] heeft er nimmer adequaat op gereageerd dat een van haar leidinggevenden zich op deze wijze richting een ondergeschikte gedroeg. Dit valt [verweerders] te verwijten. Zij is immers als werkgever verantwoordelijkheid voor de (sociale) veiligheid van haar werknemers. Ten tijde van voornoemd handelen (en thans nog steeds) beschikte [verweerders] niet over een gedragsprotocol inzake relaties op de werkvloer en was daarover geen beleid vastgelegd in het personeelshandboek.\n\nHet door de heer [verweerder 2] ter zitting ingenomen standpunt dat hij de verhouding tussen zijn [zoon] en [verzoekster] en het werk als twee losse zaken ziet, deelt de kantonrechter niet. In deze zaak betreft het niet enkel een privékwestie van zijn zoon, nu [zoon] manager is bij [verweerders] en [verzoekster] aldaar ook - als ondergeschikte - werkzaam was en zichtbaar last had van het gedrag van [zoon] ten opzichte van haar. Dat het contact tussen hen geen negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkverhouding of de organisatie kan evenmin standhouden. Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] blijkt voldoende dat de werksfeer negatief beïnvloed werd door de situatie, dat [verzoekster] bang was voor [zoon] en haar collega’s meermaals vroeg haar niet alleen te laten met hem. Ook de heer [verweerder 2] moet het duidelijk zijn geweest dat [verzoekster] leed onder de situatie met [zoon] . Op 13 juni 2025 is de hele situatie uiteindelijk geëscaleerd. [verweerder 2] had [verzoekster] in bescherming moeten nemen, maar heeft de situatie afgedaan als een privékwestie tussen [verzoekster] en zijn zoon en [verzoekster] verzocht daar niet met de andere personeelsleden over te praten. Dat getuigt niet van goed werkgeverschap.\n\n4.18.. \n [verweerders] heeft op de zitting nog aangevoerd dat [verzoekster] zich tot de vertrouwenspersoon had kunnen wenden. Nergens blijkt echter uit dat [verweerders] ooit naar haar werknemers heeft gecommuniceerd dat er een vertrouwenspersoon was. Bovendien wordt de functie van vertrouwenspersoon blijkbaar bekleed door mevrouw [verweerder 3] , die medevennoot van [verweerder 1] en de moeder van [zoon] is, en aldus niet onafhankelijk en objectief kan worden beschouwd. Dat [verzoekster] zich niet tot haar heeft gewend, kan uiteraard niet aan haar worden tegengeworpen.\n\nHet handelen van [verweerders] na de ziekmelding door [verzoekster]\n\n4.19.. Voldoende is gebleken dat partijen de intentie hadden om bij gebleken geschiktheid de arbeidsrelatie voort te zetten. Dit blijkt uit de arbeidsovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] tot aan haar ziekmelding naar behoren heeft gefunctioneerd, zodat een verlenging van de arbeidsovereenkomst in het vooruitzicht lag.\n\n4.20.. Dit alles veranderde nadat [verzoekster] zich op 13 juni 2025 ziekmeldde. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de reden waardoor [verzoekster] arbeidsongeschikt is geworden en zich heeft moeten ziekmelden, in ieder geval voor een belangrijk deel was gelegen in de situatie met [zoon] en de gebeurtenissen op 13 juni 2025. Vervolgens heeft [verweerders] de ziekmelding gesanctioneerd met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en het goedgekeurde verlof van [verzoekster] , dat pas twee maanden later was gepland, zonder gegronde redenen ingetrokken. Ook heeft [verweerders] de ziekmelding van [verzoekster] aangegrepen om de rest van het personeel te waarschuwen.Vervolgens heeft [verweerders] aan [verzoekster] vrij snel na haar ziekmelding een vaststellingsovereenkomst aangeboden, waarmee [verzoekster] een groot deel van haar rechten zou prijsgeven. In plaats van meteen een consult bij de bedrijfsarts te plannen, heeft [verweerders] [verzoekster] na drie weken gevraagd of zij weer ingepland kon worden voor werk, heeft zij [verzoekster] verkeerd geïnformeerd over de rol van de bedrijfsarts (anders dan [verweerders] aan [verzoekster] meedeelde, is het júist de bedrijfsarts – en niet de huisarts – die oordeelt of een werknemer ziek is).Vervolgens heeft [verweerders] de adviezen van de bedrijfsarts in de wind geslagen. Waar de bedrijfsarts uitdrukkelijk adviseerde om het contact te minimaliseren, bleef [verweerders] [verzoekster] stelselmatig lastigvallen met e-mailberichten en druk op [verzoekster] uitoefenen. Ook al oordeelde de bedrijfsarts dat er medisch geen bezwaar bestond tegen het opnemen van verlof door [verzoekster] , toch bleef [verweerders] bij de intrekking van het aanvankelijk goedgekeurde verlof zonder daarvoor een gegronde reden te hebben. [verweerders] heeft vervolgens ook nog eens [verzoekster] gedreigd met arbeidsrechtelijke maatregelen omdat zij zonder daarvoor toestemming te hebben in het buitenland zou verblijven, hetgeen volgens [verzoekster] niet het geval was. Deze ongefundeerde beschuldiging is door [verweerders] momenteel nog steeds niet voorzien van enige onderbouwing.\n\n4.21.. Het voorgaande laat naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie toe dan dat [verweerders] haar re-integratieverplichtingen jegens [verzoekster] grovelijk heeft veronachtzaamd.\n\n [verweerders] heeft niet al het loon (tijdig) betaald\n\n4.22.. Ook neemt [verweerders] het niet zo nauw met het tijdig en volledig betalen van het loon. Het loon over de maanden augustus, oktober en november 2025is te laat (en niet volledig) betaald. De onregelmatigheidstoeslag voor de gewerkte uren op zaterdag en feestdagen is uiteindelijk pas op 7 maart 2026 betaald, nadat de gemachtigde van [verzoekster] daar meermaals om verzocht heeft en onderhavig verzoekschrift is ingediend. De wettelijke verhoging hierover is nog steeds niet betaald.\n\nConclusie ernstig verwijtbaar handelen of nalaten [verweerders]\n\n4.23.. De kantonrechter acht al met al voldoende aannemelijk geworden dat [verweerders] de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet heeft verlengd als gevolg van de ziekmelding van [verzoekster] op 13 juni 2025. Uit het hiervoor onder randnummer 2.7. weergegeven e-mailbericht van 14 juni 2025 van [verweerders] blijkt dit immers overduidelijk. Ook acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat deze ziekmelding het gevolg is geweest van verwijtbaar onvoldoende zorg van [verweerders] voor de arbeidsomstandigheden van [verzoekster] , met name de door [verweerders] te waarborgen veiligheid op de werkvloer en het gevrijwaard blijven van ongewenste avances door een leidinggevende. Tevens staat vast dat [verweerders] haar re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd. Uit het vorenstaande volgt dat aan het vereiste oorzakelijk verband tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is voldaan.\n\n4.24.. De conclusie uit het voorgaande is dat de hoge drempel in dit geval wordt gehaald en dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Er bestaat aldus een causaal verband tussen de ernstige verwijtbaarheid en het einde van het dienstverband oftewel aannemelijk is dat zonder ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] de arbeidsovereenkomst, die van rechtswege is beëindigd, wel zou zijn voortgezet.\n\n4.25.. Het voorgaande betekent dat de verzochte verklaring voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zal worden toegewezen. Nu het primair verzochte wordt toegewezen, wordt aan de beoordeling van het subsidiair verzochte, te weten of [verweerders] jegens [verzoekster] aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW en\u002Fof 7:611 BW, niet toegekomen.\n\nHet verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding\n\n4.26.. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter een billijke vergoeding toekennen.\n\n4.27.. \n [verzoekster] verzoekt een bedrag van € 50.000,00 aan billijke vergoeding. Zij baseert dat op haar verwachting dat de arbeidsovereenkomst nog tenminste drie jaar geduurd zou hebben. [verzoekster] verwacht, gelet op haar arbeidsongeschiktheid en de beperkte toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, niet binnen een redelijke termijn uitzicht te hebben op een baan elders. Zij berekent haar tekort op het verschil van het loon bij [verweerders] en de door haar ontvangen ziektewetuitkering (21 november 2025 tot 21 november 2027) en daarna te ontvangen leefgeld (een voorziening voor Oekraïense vluchtelingen die zij zal ontvangen over de periode 21 november 2027 tot 21 november 2028) over een periode van drie jaar op € 38.568,00. Daarnaast stelt zij haar pensioenschade vast op € 2.520,00. Naast dit inkomensverlies van in totaal € 41.088,00 wenst zij nog een compensatie te zien voor het feit dat de situatie een grote impact op haar levensgeluk heeft. Volgens [verzoekster] is het verzochte bedrag een passende compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen.\n\n4.28.. \n [verweerders] betwist dat [verzoekster] de komende drie jaar geen arbeid zal kunnen verrichten.\n\n4.29.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\n4.30.. Het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen na ommekomst van de overeengekomen bepaalde duur, houdt verband met het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Dat [verzoekster] , indien het ernstig verwijtbaar handelen wordt weggedacht, nog minstens drie jaar voor [verweerders] zou hebben gewerkt, acht de kantonrechter echter onvoldoende aannemelijk. [verzoekster] was immers pas iets langer dan een half jaar – op basis van een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – in dienst bij [verweerders] voordat zij zich ziekmeldde. Gelet op de korte duur van het dienstverband is het moeilijk te voorspellen hoe dit zou zijn verlopen als de arbeidsverhouding zou zijn gecontinueerd. Wel had er een grote kans bestaan, indien het verwijtbaar handelen wordt weggedacht en de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege zou zijn geëindigd, dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] met een jaar zou zijn verlengd. Immers uit het e-mailbericht van 14 juni 2025 (randnummer 2.7) volgt dat het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen is ingegeven door de ziekmelding. Verder staat vast dat [verzoekster] tot haar ziekmelding naar behoren heeft gefunctioneerd en dat ingevolge de arbeidsovereenkomst in dat geval het contract in ieder geval met één jaar zou worden verlengd. Als uitgangspunt wordt daarom genomen dat [verzoekster] inkomensschade gedurende een jaar na 20 november 2025 lijdt als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] . Nu [verweerders] de door [verzoekster] gemaakte berekeningen als hierboven vermeld niet gemotiveerd heeft betwist (over de eerste twee jaar € 16.128,00 aan inkomensverlies) zal die inkomensschade in overeenstemming daarmee worden gesteld op een bedrag van € 8.000,- (voor één jaar).\n\n4.31.. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend karakter. Anderzijds is ze mede bedoeld om [verweerders] te prikkelen de volgende keer zorgvuldiger te handelen. Het behoeft naar het oordeel van de kantonrechter geen nader betoog dat de wijze waarop [verweerders] met [verzoekster] is omgegaan absoluut niet door de beugel kan. Om de ernst van de aan [verweerders] te maken verwijten te benadrukken, acht de kantonrechter een prikkel ter hoogte van € 7.000,00 op zijn plaats.\n\n4.32.. Uit het vorenstaande volgt dat [verweerders] zal worden veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding aan [verzoekster] van € 15.000,00 bruto en wel binnen veertien dagen na deze beschikking. De kantonrechter acht dit een redelijkere termijn dan de verzochte termijn van zeven dagen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt eveneens toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na opeisbaarheid.\n\nHet verzoek tot toekenning van een immateriële schadevergoeding\n\n4.33.. \n [verzoekster] maakt aanspraak op € 30.000,00 aan immateriële schadevergoeding. [verzoekster] stelt dat de door [verweerders] veroorzaakte en nog steeds voortdurende arbeidsongeschiktheid een aanzienlijke aantasting van haar persoon vormt en leidt tot enorm verdriet. Het verlies van haar gezondheid en haar uitzichtloze situatie hebben een enorme wissel op haar levensgeluk getrokken, aldus [verzoekster] .\n\n4.34.. Een benadeelde heeft recht op vergoeding van immateriële schade indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast (artikel 6:106 lid 1 BW). Van bedoelde aantasting in haar persoon op andere wijze is in elk geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van bedoelde aantasting in haar persoon sprake is. Het is aan de benadeelde om met voldoende concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat een dergelijke situatie aan de orde is (Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Dat heeft [verzoekster] echter niet, althans niet voldoende gedaan. Dat de door [verzoekster] thans ervaren klachten het gevolg zijn van het handelen van [verweerders] is niet komen vast te staan.\n\n4.35.. \n\nDe in het geding gebrachte stukken bieden immers onvoldoende steun en onderbouwing voor dit standpunt van [verzoekster] . Aan de door [verzoekster] in het geding gebrachte verklaringen van de behandelend huisarts, psychiater, psycholoogen neuroloogkan in dit verband geen althans onvoldoende gewicht worden toegekend. Uit deze stukken blijkt genoegzaam dat [verzoekster] kampt met diverse klachten, zoals stress, slaapstoornissen, vermijdingsgedrag, somberheid, prikkelbaarheid apathie en herbelevingen en is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis zonder psychotische symptomen. In de stukken van de huisarts, de psychiater en de psycholoog wordt ook melding gemaakt van problemen in de werksituatie van [verzoekster] . De psychiater heeft geconcludeerd dat de depressieve stoornis is getriggerd door externe stressoren, met als primaire uitlokkende factor de werksituatie van [verzoekster] . De psycholoog schrijft dat haar hypothese is dat de klachten voortkomen uit langdurende werkgerelateerde traumatisering in combinatie met migratiestress, verlieservaringen en beperkte regie op de leefomstandigheden.\n\nEchter, al deze artsen baseren zich op de anamnese die hen enkel door [verzoekster] is aangereikt. Zij hebben niet zelf onderzoek gedaan naar de werksituatie en het oorzakelijk verband met de klachten van [verzoekster] . Daarom kan aan deze verklaringen maar zeer beperkt gewicht worden toegekend. Dat geldt temeer nu diverse verwijten over de werksituatie die [verzoekster] aan [verweerders] in deze procedure heeft gemaakt, niet zijn komen vast te staan. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de psycholoog en psychiater ook dat er diverse andere oorzaken zijn aan te wijzen die de klachten van [verzoekster] kunnen verklaren. Dat die klachten enkel of grotendeels het gevolg zijn van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] , is door [verzoekster] dan ook onvoldoende onderbouwd. De gevorderde (immateriële) schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen.\n\nWettelijke verhoging en wettelijke rente over de onregelmatigheidstoeslag voor werk op zaterdag\n\n4.36.. Nu betaling van de onregelmatigheidstoeslag niet tijdig heeft plaatsgevonden, maakt [verzoekster] op goede gronden aanspraak op vergoeding van de wettelijke verhoging. De verzochte wettelijke verhoging zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter acht de verzochte termijn van zeven dagen niet redelijk en zal [verweerders] veroordelen om dit bedrag binnen veertien dagen na deze beschikking te betalen. De gevorderde wettelijke rente, die door het enkele betalingsverzuim verschuldigd wordt, ligt ook voor toewijzing gereed op de hierna in de beslissing weergegeven wijze.\n\nBetalen en verstrekken deugdelijke eindafrekening\n\n4.37.. \n [verweerders] zal hoofdelijk veroordeeld worden tot het betalen en verstrekken van een deugdelijke eindafrekening (bruto\u002Fnetto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren. De termijn van betalen en afgifte, alsmede de verzochte dwangsom zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing weergegeven.\n\nProceskosten\n\n4.38.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerders] , omdat [verweerders] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerders] . De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).\n\n4.39.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld,\n\n5.2.. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,00, onder overlegging van een correcte bruto\u002Fnetto specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van\n\n€ 1.310,40 over de onregelmatigheidstoeslag voor werk op zaterdag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot de dag van volledige betaling, zulks onder overlegging van een bruto\u002Fnetto specificatie,\n\n5.4.. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] te betalen en te verstrekken een deugdelijke afrekening (een bruto\u002Fnetto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [verweerders] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00,\n\n5.5.. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.6.. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.7.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.8.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\n Bijlage 1 verzoekschrift\n\n Bijlage 12 verzoekschrift\n\n Bijlage 13 verzoekschrift\n\n Bijlage 15 verzoekschrift\n\n Bijlage 14 verzoekschrift\n\n Bijlage 20 verzoekschrift\n\n Bijlage 21 verzoekschrift\n\n Bijlage 22 verzoekschrift\n\n Bijlage 27 verzoekschrift\n\n Bijlage 29 verzoekschrift\n\n Bijlage 30 verzoekschrift\n\n Bijlage 31 verzoekschrift\n\n Bijlage 32 verzoekschrift\n\n Bijlage 33 verzoekschrift\n\n Bijlagen 4 en 36 verzoekschrift\n\n Beslissing van het UWV van 22 december 2025, bijlage 5 verzoekschrift\n\n Bijlage 53 verzoekschrift\n\nKamerstukken II2013-2014, 33 818, nr. 3.\n\n Productie 56A verzoekschrift\n\n Producties 55A verzoekschrift\n\n Appbericht 17:40 uur\n\n 16 april 2025 19:13 uur\n\n 1e WhatsApp bericht 2 mei 2025\n\n [datum] 2025 8:04 uur\n\n [datum] 2025 8:14 uur\n\n [datum] 18:38 uur\n\n [datum] 19:48 uur\n\n Zie bijlage 48 verzoekschrift, waarin een foto is ingeplakt van een stuk vertaalde tekst die [verzoekster] tijdens het gesprek heeft gemaakt.\n\n Verklaring [verzoekster] en [naam 2]\n\n Verklaring [verzoekster] , [naam 2]\n\n Productie 55B verzoekschrift\n\n WhatsAppbericht 16 april 2025 om 19:22 uur\n\n Zie hiervoor onder 2.7.\n\n Bijlagen 35, 38, 40, 41, 44 en 45 verzoekschrift\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).\n\n Bijlage 34 verzoekschrift\n\n Bijlage 57a verzoekschrift\n\n Bijlage 57b verzoekschrift\n\n Bijlage 57d verzoekschrift\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6145","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.196Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":32,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":114,"summary":32,"language":7,"source":52,"sourceUrl":115,"sourceTimestamp":116,"parsedAt":55,"updatedAt":117},"1305","ECLI:NL:RBLIM:2026:2682","ecli-nl-rblim-2026-2682","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12073941 \\ AZ VERZ 26-10\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: ARAG SE,\n\ntegen\n\n [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: mr. S.X.J. Zuidema.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren [geboortedag] 2001, is sinds 16 augustus 2023 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is leerling machinist minigraaf met een loon van € 2.834,19 bruto per maand.\n\n2.2.. Op 21 oktober 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst met hem ontbindt per 1 november 2025.\n\n2.3.. Ondanks verzoeken van [werknemer] , voor het laatst bij brief van zijn gemachtigde van 9 januari 2026, heeft [werkgever] tot op heden geen transitievergoeding en geen eindafrekening betaald aan [werknemer] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [werknemer] verzoekt de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen tot:\n\nbetaling van een transitievergoeding van € 2.258,19 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nbetaling van € 1.133,86 bruto vakantiebijslag;\n\nbetaling van € 4.450,32 bruto aan resterende verlof- en adv-dagen;\n\nbetaling van de wettelijke rente over de onderdelen a. t\u002Fm c.;\n\nbetaling van de wettelijke verhoging over de onderdelen b. en c.;\n\nverstrekking van een netto\u002Fbruto specificatie waarin de bedragen en betalingen van de onderdelen a. t\u002Fm e. zijn verwerkt op straffe van een dwangsom;\n\nverstrekking van de ontbrekende loonstroken over de maanden januari tot en met november 2025, eveneens op straffe van een dwangsom;\n\nbetaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 767,11, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nbetaling van de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [werkgever] heeft geen verweerschrift ingediend en namens haar is niemand verschenen bij de mondelinge behandeling op 19 maart 2026.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Ter zitting is komen vast te staan dat [werkgever] deugdelijk is opgeroepen door de rechtbank en dat de gemachtigde van [werknemer] het verzoekschrift per exploot aan [werkgever] heeft laten betekenen en haar heeft opgeroepen om op de mondelinge behandeling te verschijnen. De kantonrechter heeft daarom in het feit dat niemand namens [werkgever] is verschenen geen aanleiding gezien de behandeling van de zaak aan te houden om [werkgever] alsnog te laten oproepen voor een latere mondelinge behandeling.\n\n4.2.. De kantonrechter zal het verzoek van [werknemer] op de onderdelen a. tot en met h. volledig toewijzen, met uitzondering van onderdeel d voor zover [werknemer] daarin [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de transitievergoeding. [werkgever] heeft dat namelijk ook al verzocht in onderdeel a. en er is geen grond om [werkgever] twee keer te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de transitievergoeding. Hieronder zal de kantonrechter een en ander nader uitleggen.\n\nonderdeel a: de transitievergoeding\n\n4.3.. \n [werknemer] heeft berust in de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] . Dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, staat daarmee vast. [werkgever] is daarom op grond van art. 7:673 BW aan [werknemer] een transitievergoeding verschuldigd.\n\n4.4.. \n [werknemer] stelt dat hij al sinds 2024 geen loonstroken meer ontvangt waardoor hij niet weet hoe hoog zijn bruto-loon is. Vervolgens heeft hij een berekening gemaakt op grond waarvan hij meent dat zijn brutoloon laatstelijk € 2.834,19 per maand bedroeg. Tegen dit plausibele betoog is geen verweer gevoerd. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het door [werknemer] gestelde brutoloon. Dit brutoloon heeft [werknemer] dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de berekening van de hoogte van de door hem verzochte transitievergoeding. Ook overigens komt die berekening de kantonrechter juist voor. Hieruit volgt dat de verzochte transitievergoeding van € 2.258,19 bruto zal worden toegewezen.\n\n4.5.. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 december 2025 (art. 7:686a lid 1 BW).\n\nde onderdelen b. tot en met h.\n\n4.6.. In het verzoekschrift heeft [werknemer] vanaf nr. 38 deze onderdelen van zijn verzoek nader onderbouwd. Daartegen is geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van [werknemer] stellingen. Op basis van die onderbouwing zijn de onderdelen b. tot en met h. toewijsbaar, met uitzondering van de in onderdeel d. verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding aangezien [werknemer] dat ook al in onderdeel a. verzocht heeft.. De verzochte wettelijke rente over de onderdelen b. en c. zal worden toegewezen vanaf de verzuimdatum.\n\nde proceskosten en de nakosten\n\n4.7.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 842,00 (€ 265,00 aan griffierecht en € 577,00 aan salaris gemachtigde.\n\n4.8.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.9.. In deze beschikking wordt geen afzonderlijke beslissing genomen over de verzochte nakosten. Een kostenveroordeling levert immers ook een executoriale titel op voor de nakosten. De kantonrechter verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853).\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 2.258,19 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.2.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 1.133,68 bruto vakantiebijslag over de periode juni 2025 tot en met 1 november 2025,\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 4.450,32 bruto resterende verlofdagen en adv dagen,\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente over de onderdelen 5.2. en 5.3., vanaf de verzuimdatum tot de dag van betaling,\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging over de onderdelen 5.2. en 5.3.,\n\n5.6.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een schriftelijke en deugdelijke netto\u002Fbruto specificatie te verstrekken waarin de bedragen en de betalingen van de onderdelen 5.1. tot en met 5.5. zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [werkgever] na betekening van deze beschikking niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,\n\n5.7.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de ontbrekende loonstroken over de maanden januari tot en met november 2025 te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat [werkgever] na betekening van deze beschikking niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,\n\n5.8.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 767,11 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking tot de dag van betaling,\n\n5.9.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.10.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.11.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.12.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2682","2026-03-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.011Z",20]