[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-child-custody-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":64},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},52,"child-custody-nl","Child Custody","NL","2026-07-08T16:53:53.220Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-04-22T00:00:00.000Z","2026-05-20T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124370","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 223 lid 1",1,[27,38,47,56],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"496","ECLI:NL:RBZWB:2026:5441","ecli-nl-rbzwb-2026-5441","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F419261 \u002F FA RK 24-764 (echtscheiding met nevenvoorzieningen) C\u002F02\u002F439527 \u002F FA RK 25-4561 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)\n\nbeschikking d.d. 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. M. Kalle, kantoorhoudende te Middelburg,\n\nen\n\n [de man],\n\nbriefadres te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: voorheen mr. E.A.G. van Acker (gedesisteerd), thans mr. N.P.M. Planthof, kantoorhoudende te Goes.\n\nOuders van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen de GI.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren.\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\n- de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Kalle, met nadere producties;\n\n- de brief d.d.13 mei 2025 van mr. Planthof, met nadere producties;\n\n- het op 13 juni 2025 ingekomen rapport en advies van de Raad d.d. 11 juni 2025;\n\n- de brief d.d. 17 november 2025 van mr. Planthof tevens houdende aanvullend verzoek, met nadere producties;\n\n- het F-formulier van mr. Planthof d.d. 19 november 2025;\n\n- de brief d.d. 5 december 2025 van mr. Kalle, houdende verweerschrift laatste verzoek, tevens aanvulling verzoeken en overlegging stukken, met bijlagen;\n\n- de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Planthof overgelegde draagkrachtberekening;\n\n- de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Kalle overgelegde draagkrachtberekening.\n\n1.2.. De zaak is laatstelijk behandeld op de mondelinge behandeling van 16 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De man is verder bijgestaan door zijn forensisch begeleidster. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.\n\n1.3.. Na afloop van de mondelinge behandeling zijn de navolgende stukken ontvangen:\n\n- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 2 maart 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 maart 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 5 maart 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 18 maart 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 31 maart 2026 van mr. Kalle, met daarbij gevoegd een door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst;\n\n- het F-formulier d.d. 1 april 2026 van mr. Planthof.\n\n1.4.. De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een kindgesprek op 12 december 2025 en [minderjarige 1] door middel van het schrijven van een brief.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nIn de procedure FA RK 24-764;\n\n2.1.. De rechtbank verwijst naar de beschikking van 27 februari 2025 waarbij de echtscheiding in het huwelijk tussen partijen is uitgesproken en het hoofdverblijf van de minderjarigen is bepaald bij de vrouw. De echtscheidingsbeschikking is op 20 mei 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n2.2.. Verder volgt uit voornoemde beschikking van 27 februari 2025 dat de Raad naar aanleiding van diverse zorgmeldingen een beschermingsonderzoek zal starten ten aanzien van de minderjarigen. De Raad zal in dit beschermingsonderzoek tevens onderzoek doen naar de zorgregeling.\n\n2.3.. De Raad heeft op 11 juni 2025 gerapporteerd en geadviseerd. Samengevat en voor zover van belang adviseert de Raad om de minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van 12 maanden en de behandeling van de verzoeken m.b.t. de zorgregeling en het contact aan te houden voor een periode van een jaar in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling.2.4.. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 22 juli 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026.\n\n2.5.. In geschil zijn nog de (schorsing van de) zorgregeling, de informatieregeling en de kinderbijdrage.\n\nZorgregeling en informatieregeling;\n\n2.6.. De vrouw verzoekt om voor de duur van één jaar te bepalen dat er geen contacten zijn tussen vader en de kinderen, dan wel te bepalen dat de zorgregeling nader door hulpverlening zal worden vastgesteld. Verder heeft de vrouw verzocht te bepalen dat partijen eens per drie maanden met elkaar informatie zullen uitwisselen en zullen raadplegen volgens een nader door de hulpverlening vast te stellen wijze.\n\n2.7.. \n\nDe man kan niet instemmen met het verzoek van de vrouw om te bepalen dat er één jaar geen contact tussen de kinderen en de man zal zijn en is van mening dat dit verzoek dient te worden afgewezen. De man is van mening dat het contact tussen hem en de kinderen – met tussenkomst van de hulpverlening – zo spoedig mogelijk dient te worden hersteld.\n\nDe man is voorts van mening dat de informatieregeling die door de vrouw is verzocht, te beperkt is. De man krijgt weinig tot geen informatie over de kinderen. In het verlengde hiervan is de man van mening dat de vrouw één keer per maand op de eerste van iedere maand per e-mailbericht hem dient te informeren over de ontwikkelingen en het welzijn van de kinderen\n\n2.8.. Door de Raad is ter zitting onder verwijzing naar het raadsrapport van 11 juni 2025 geadviseerd om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen en over de informatievoorziening bij de GI te beleggen in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n2.9.. De rechtbank stelt vast dat er al geruime tijd geen contact is tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Beide minderjarigen hebben verklaard op dit moment ook geen contact met hun vader te willen. Duidelijk is dat beide minderjarigen angst hebben voor de man. Hoe dit beeld is ontstaan en of het is ‘aangepraat’ zoals door de man wordt gesteld, doet niet af aan de huidige feitelijke situatie bij de minderjarigen. Van belang is dat dit angstbeeld eerst moet verdwijnen. De minderjarige [minderjarige 1] staat wel open voor contact met zijn vader en er vinden - zo is ter zitting door de man verklaard - ook contacten plaats tussen hen. Verder is door de vrouw verklaard dat er door haar via de GI tweewekelijks een informatieoverdracht plaatsvindt over de minderjarigen aan de man.\n\n2.10.. De rechtbank is van oordeel dat de prioriteit moet liggen bij de kwetsbare minderjarigen. Zij moeten eerst kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkeling. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het er over eens zijn - overeenkomstig het advies van de Raad – om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen alsmede over de informatieregeling te beleggen bij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal dit op onderstaande wijze bepalen. Partijen hebben ter zitting hun verzoeken ingetrokken.\n\nKinderbijdrage;\n\n2.11.. De vrouw verzoekt om een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 300,= per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift ‒ zijnde 26 juni 2024.\n\nBehoefte minderjarigen;\n\n2.12.. Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.\n\n2.13.. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (verder: NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2023, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.\n\n2.14.. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het erover eens zijn dat het NBGI € 6.279,= bedroeg, hetgeen ook volgt uit de door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de tabel bedraagt op basis van dat NBGI € 1.630,=. Geïndexeerd naar 2024 is dit € 1.731,=.\n\nDraagkracht onderhoudsplichtigen;\n\n2.15.. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2024 bij inkomens vanaf € 2.065,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.065,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.\n\n2.16.. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders NBI, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.\n\nDraagkracht man;\n\n2.17.. De rechtbank gaat bij gebrek aan recente inkomensgegevens van de man uit van de door de man overgelegde loonstroken over 2024. Daaruit volgt een jaarinkomen van € 51.584,=. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.\n\n2.18.. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 3.240,= per maand, hetgeen ook volgt uit voornoemde door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening.\n\nDraagkracht vrouw;\n\n2.19.. De rechtbank zal aan de zijde van de vrouw eveneens uitgaan van haar inkomensgegevens over 2024. De rechtbank zal geen rekening houden met het hogere inkomen van de vrouw per 1 augustus 2025 zoals dat volgt uit de door haar overgelegde salarisspecificaties, omdat de man mogelijk ook een hoger inkomen heeft en dit – in tegenstelling tot de vrouw - niet inzichtelijk heeft gemaakt.\n\n2.20.. De vrouw heeft volgens de jaaropgaaf over 2024 een inkomen van € 40.137,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige inkomen van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.010 ,= per maand. Het NBI van de vrouw wordt verhoogd met het kind gebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop waarvoor zij thans in aanmerking komt. Het totale NBI van de vrouw bedraagt aldus € 3.949,=. Dit NBI volgt overigens ook uit de draagkrachtberekeningen die door advocaten ter zitting zijn overgelegd.\n\nDraagkrachtvergelijking;\n\n2.21.. De draagkracht van de man is volgens vorenstaande formule € 699,= per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.046,= per maand.\n\n2.22.. \n\nDe verdeling van de kosten van de minderjarigen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de minderjarigen, oftewel:\n\nhet aandeel van de man bedraagt: € 699 \u002F € 1.745 x € 1.731 = € 693,=;\n\nhet aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.046 \u002F € 1.745 x € 1.731 = € 1.038,=.\n\nZorgkorting;\n\n2.23.. Partijen zijn het erover eens dat er geen zorgkorting van toepassing is. Dit betekent dat de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht, zijnde € 693,= ofwel € 231,= per kind per maand in de kosten van de minderjarigen moet voorzien. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook deels toewijzen.\n\nIngangsdatum;\n\n2.24.. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage laten ingaan op 26 juni 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met de vaststelling van een bijdrage en deze ingangsdatum tussen partijen verder ook niet in geschil is.\n\nIn de procedure FA RK 25-4561;\n\n2.25.. Partijen zijn op 25 april 2008 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden opgemaakt bij akte op 23 april 2008. Deze akte is verleden door [notaris] , notaris te [plaats 1] . De huwelijkse voorwaarden houden een gemeenschap van inboedel in, met uitsluiting van elke andere gemeenschap van goederen.\n\n2.26.. Partijen hebben na een schorsing ter zitting overeenstemming bereikt. Partijen zijn overeengekomen dat de voormalige echtelijke woning staande en gelegen te [plaats 1] , gemeente Borsele, [adres] , zal worden verkocht en dat de man (van zijn deel van de verkoopopbrengst) eenmalig een bedrag van € 6.000,= zal voldoen aan de vrouw. Partijen stellen dat daarmee de huwelijkse voorwaarden zijn afgewikkeld. Partijen hebben voornoemde afspraken nader uitgewerkt en vastgelegd in de door mr. Kalle bij F-formulier van 31 maart 2026 ter kennisneming ingediende door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst.\n\n2.27.. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, welke mede is vastgelegd in een door hen opgemaakte vaststellingsovereenkomst, zullen de verzoeken van partijen worden afgewezen. Mr. Kalle heeft met instemming van mr. Planthof aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de vaststellingsovereenkomst aan de beschikking wordt gehecht. De rechtbank laat dit dan ook achterwege. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat partijen aan de door hen overeengekomen afspraken zijn gebonden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat de regie over de zorgregeling en over de informatieregeling betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011, en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016, bij de GI zal zijn;\n\nbepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen op € 231,= per kind per maand, met ingang van 26 juni 2024;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5441","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:33.438Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":36,"updatedAt":46},"378","ECLI:NL:RBZWB:2026:5383","ecli-nl-rbzwb-2026-5383","2026-05-19T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441403 \u002F FA RK 25-5579\n\ndatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking betreffende wijziging gezag\n\n in de zaak van\n\n [de man] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\nen\n\n [de stiefmoeder] ,\n\nhierna te noemen: de stiefmoeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets te Terneuzen.\n\nbetreffende de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012, hierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1. Het procesverloop\n\nWelke stukken neemt de rechtbank mee in haar beoordeling?1.1.. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:\n\n- het op 24 oktober 2025 ontvangen verzoek van mr. De Vleesschauwer met bijlagen;\n\n- de op 18 mei 2026 ontvangen referteverklaring van mr. De Dobbelaere-Woets.\n\nDe aanwezigen tijdens de zitting\n\n1.2.. De advocaat van de vrouw, mr. De Dobbelaere-Woets, heeft de rechtbank middels een brief d.d. 18 mei 2026 op de hoogte gesteld dat de vrouw en haar advocaat niet aanwezig zullen zijn bij de zitting.\n\n1.3.. Het verzoek is mondeling behandeld op 19 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de stiefmoeder, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n1.4.. Voorafgaand aan de zitting zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en hebben op 18 mei 2026, ieder apart, een gesprek met de kinderrechter gehad.\n\n2. De feiten\n\nWat vaststaat:\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende (op dit moment nog minderjarige) kinderen zijn geboren:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de man en de stiefmoeder.\n\n2.3.. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.4.. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld dat is bekrachtigd bij beschikking door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 14 juli 2022.\n\n3. De verzoeken\n\nWat er in het kort aan de rechtbank is gevraagd:\n\n3.1.. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij belast wordt met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3.2.. De man en de stiefmoeder verzoeken, bij wijze van voorwaardelijk verzoek en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man en de stiefmoeder gezamenlijk belast zullen worden met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3.3.. De vrouw heeft in haar referteverklaring aangegeven dat zij zich niet verzet tegen de verzoeken van de man. Zij zal hiertegen geen verweer voeren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De man heeft de rechtbank allereerst gevraagd om ervoor te zorgen dat hij alleen, en dus niet samen met de vrouw, belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat heet het “eenhoofdig gezag”. Op dit moment is het zo dat de man en de vrouw het gezamenlijke gezag hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.3.. In artikel 253n van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:253n BW) is geregeld dat het gezamenlijk gezag beëindigd kan worden. Dat kan alleen als de omstandigheden zijn gewijzigd, of als er bij het nemen van een eerdere beslissing over het gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als hier sprake van is, kan de rechtbank bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt.\n\nDe wet regelt ook voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om het gezag te kunnen wijzigen. Die voorwaarden staan genoemd in artikel 251a onder punt 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:251a lid 1 BW). De voorwaarden zijn:\n\ner moet een groot risico zijn dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag de minderjarigen klem of verloren zouden raken tussen hun ouders en\n\ndat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen.\n\nDe wet regelt verder dat als er niet aan deze voorwaarden is voldaan, maar wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is, gezamenlijk gezag kan worden omgezet naar eenhoofdig gezag.\n\n4.4.. Indien bovenstaand verzoek wordt toegewezen door de rechtbank (dus van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig), vraagt de man om ervoor te zorgen dat niet alleen hij, maar ook de stiefmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dit is in de wet geregeld in artikel 253t van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:253t BW) en heet “gezamenlijk gezag”. In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de ouder en de ander, in dit geval de stiefmoeder, gedurende tenminste een aaneengesloten periode van een jaar gezamenlijk de zorg voor de minderjarigen hebben gehad. Voorwaarde twee is dat de ouder die het verzoek doet gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.5.. De rechtbank zal bepalen dat de man en de stiefmoeder samen het gezag zullen hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.6.. De man, de stiefmoeder en hun advocaat hebben de rechtbank verteld dat er sprake is van een hechte gezinssituatie. De man zorgt al vanaf de geboorte voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is in 2017 getrouwd met de stiefmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al ruim 9,5 jaar van hun leven samen met hun stiefmoeder en hebben een zeer warme en bestendige relatie met de stiefmoeder. Het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw is sinds een aantal jaren helemaal verbroken. Er zijn meerdere pogingen gedaan om het contact te herstellen, ook in het kader van een eerdere ondertoezichtstelling, maar dit is niet gelukt. De man en de stiefmoeder zullen het contact tussen de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw daarentegen altijd blijven stimuleren. De man en de stiefmoeder zouden graag belast worden met het gezamenlijk gezag. De gezondheid van de man is zeer kwetsbaar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn angstig dat zij niet bij de stiefmoeder mogen blijven wonen, als de man komt te overlijden. Naar aanleiding hiervan zijn de man en de stiefmoeder de procedure gestart, om ervoor te zorgen dat alles geregeld is en om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust te geven. De advocaat verzoekt de rechtbank om de driejaarstermijn in artikel 1:253t lid 2 sub b BW terzijde te schuiven nu toewijzing van het verzoek in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.\n\n4.7.. De advocaat van de vrouw, mr. De Dobbelaere-Woets heeft op 18 mei 2026 een door de vrouw ondertekende en door mr. De Dobbelaere-Woets medeondertekende referteverklaring overgelegd. Hieruit volgt dat de vrouw kennis heeft genomen van het verzoek, dat zij zich daartegen niet verzet en dat zij geen verweer voert tegen de verzoeken van de man. Kort samengevat betekent dit dat de vrouw het niet erg zou vinden als de man en de stiefmoeder belast worden met het gezamenlijk gezag.\n\n4.8.. De Raad adviseert de rechtbank om de verzoeken van de man toe te wijzen. Er is al langdurig geen contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw. De stiefmoeder is al een lange tijd betrokken in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de gezondheid van de man is onzeker. De Raad kan het zich in dat kader voorstellen dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de stiefmoeder ook belangrijke beslissingen mag nemen over hen, samen met de man. Dit zou [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een vorm van veiligheid en rust geven. Bovendien heeft de vrouw ook geen bewaar tegen de verzoeken. Of het verzoek van de man en de stiefmoeder ook vanuit een juridisch oogpunt kan worden toegewezen, laat de Raad aan de rechtbank over.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Het gaat goed op school, zij hebben fijne vrienden en vinden het thuis erg fijn. Zij ervaren de stiefmoeder als hun “echte” moeder en zijn angstig dat zij terug naar de vrouw moeten als er iets met de man gebeurt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen contact met de vrouw en hebben hier ook geen behoefte aan. Zij hebben een grote behoefte aan duidelijkheid en willen graag dat de man en de stiefmoeder belangrijke beslissingen voor hen mogen nemen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\nTen aanzien van het verzoek van de man tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag\n\n4.10.. De rechtbank heeft onder punt 4.2 en 4.3 de voorwaarden opgeschreven die de wet stelt om eenhoofdig gezag vast te leggen. De rechtbank vindt dat aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de man het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft. De rechtbank zal hieronder opschrijven waarom zij vindt dat aan die voorwaarden is voldaan.\n\n4.11.. Het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk gezag hebben en houden over hun kinderen. De rechtbank heeft gehoord en gelezen dat er tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw al erg lang geen contact meer is. De vrouw en de man hebben ook geen contact. De vrouw reageert niet op de berichten van de man die over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan. De vrouw heeft ook al een lange tijd geen enkele rol in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw heeft wel gezag, maar zij handelt daar niet naar. In dat geval is gezamenlijk gezag (gezag bij de man en de vrouw) niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw kan namelijk geen goede beslissingen nemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat zij geen idee heeft hoe het met hen gaat en wat hen bezighoudt. Ook bestaat het risico dat de man geen belangrijke beslissingen kan nemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terwijl dat wel nodig is, omdat de vrouw niet reageert op berichten van de man. De vrouw heeft tot slot de rechtbank laten weten dat zij het eens is met eenhoofdig gezag (en ook met gezamenlijk gezag bij de man en de stiefmoeder). De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de vrouw in de toekomst ook geen verandering wil brengen in deze situatie.\n\nTen aanzien van het verzoek van de man en de stiefmoeder tot het verkrijgen van gezamenlijk gezag\n\n4.12.. De rechtbank heeft in punt 4.4. opgeschreven welke voorwaarden de wet stelt aan gezag bij de man en bij de stiefmoeder samen. De rechtbank vindt dat aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank zal daarom bepalen dat de man en de stiefmoeder samen het gezag zullen hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank zal hieronder opschrijven waarom zij vindt dat aan die voorwaarden is voldaan.\n\n4.13.. De rechtbank stelt vast dat de stiefmoeder een hele grote rol speelt in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In de wet wordt dat “een nauwe persoonlijke betrekking” genoemd. De man en de stiefmoeder hebben al meer dan 9,5 jaar gezamenlijk de zorg over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de eerste voorwaarde die staat beschreven in de wet.\n\n4.14.. Aan de tweede voorwaarde, dat de man gedurende drie jaar alleen met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet zijn belast, wordt niet voldaan. De man heeft namelijk pas door deze beslissing het eenhoofdig gezag gekregen. Ondanks dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, zal de rechtbank het verzoek toch toewijzen, omdat de rechtbank vindt dat wel is voldaan aan de redenen waarom die voorwaarde in de wet is opgenomen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.\n\n4.15.. De tweede voorwaarde is opgenomen in de wet om te voorkomen dat er lichtvaardig (zonder er goed over na te denken) gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om het gezag aan iemand anders dan een ouder te geven. De rechtbank is van mening dat er in dit geval heel goed nagedacht is over de mogelijkheid om het gezag aan de man en de stiefmoeder te geven. De relatie tussen de man en de vrouw is rond 2013 beëindigd. Na de relatie is er weinig tot geen contact geweest tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw en sinds ongeveer drie jaar is het contact helemaal verbroken. De man is in 2017 getrouwd met de stiefmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al het grootste gedeelte van hun leven samen met de man en de stiefmoeder. De man heeft sinds de geboorte feitelijk alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingevuld, hij had geen contact of overleg met de vrouw over belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De relatie tussen de man en de stiefmoeder is al een lange tijd goed en de rechtbank verwacht dat deze relatie ook goed blijft. De band tussen de stiefmoeder en de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is zeer hecht. Daarnaast hebben de man en de stiefmoeder verklaard dat zij altijd het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw zullen blijven stimuleren. In de afgelopen periode is de man ernstig ziek geworden. De man heeft vanwege zijn nierziekte een niertransplantatie gehad en de situatie is nog steeds kwetsbaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maken zich zorgen over de mogelijke gevolgen als er iets met de man gebeurt. Zij willen dan in hun vertrouwde omgeving bij de stiefmoeder en hun broertjes blijven wonen en absoluut niet bij de vrouw wonen. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een gevoel van rust en veiligheid ervaren. Tot slot is de vrouw het ermee eens dat de man en de stiefmoeder het gezag samen zullen hebben.\n\nConclusie\n\n4.16.. De rechtbank zal onder punt 5 de beslissing nog in juridische woorden opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. \n\nbeëindigt het gezag van de vrouw over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012,\n\nen bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan toekomt aan de man en de stiefmoeder.\n\n5.2.. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Voorn, rechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5383","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.810Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":36,"updatedAt":55},"1840","ECLI:NL:RBZWB:2026:5344","ecli-nl-rbzwb-2026-5344","2026-05-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaak-\u002Frekestnummer: C\u002F02\u002F446209 \u002F FA RK 26-1423\n\nbeschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. M.S. Yap, kantoorhoudende te Bergen op Zoom,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. R.G.J. van Kerkhof, kantoorhoudende te Gilze.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 11 maart 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties;\n\n- de brief d.d. 23 maart 2026 van mr. Yap, met productie 6.\n\n1.2 Bij verzoekschrift ontvangen op 7 mei 2024 is de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C\u002F02\u002F422236 \u002F FA RK 24-2168. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot wijziging van het gezag en vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling ter beoordeling voor.\n\n1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 24 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, waarnemend voor mr. M.S. Yap. Daarnaast was aanwezig de man, bijgestaan door zijn advocaat en een vertegenwoordigster namens de Raad.\n\n1.4 Na te noemen minderjarige [minderjarige] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.2. De feiten\n\n2.1.. \n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgend, thans nog minderjarig, kind is geboren:\n\n- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017.2.2.. De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.2.3.. De minderjarige verblijft bij de vrouw.\n\n2.4.. Bij vonnis in kort geding van 21 mei 2024 van deze rechtbank is de vrouw veroordeeld tot nakoming van de omgangsregeling, inhoudende dat [minderjarige] en de man elke woensdag uit school tot 20:00 uur omgang met elkaar hebben, alsmede één keer in de veertien dagen op zaterdag omgang van 9:00 uur tot 20:00 uur. De vrouw is verder veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,- per keer dat zij niet aan de hiervoor opgenomen veroordeling tot nakoming van deze voorlopige omgangsregeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt. Verder zijn partijen en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West verwezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nDe vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, te bepalen:\n\nI. dat voor de duur van de hoofdprocedure de omgang wordt gewijzigd, in de zin dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige wordt stopgezet;\n\nII. een dag en uur te bepalen, waarop de behandeling van dit verzoekschrift zal aanvangen.\n\n3.2.. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.\n\nWettelijk kader\n\n4.3.. Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien:\n\nomgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,\n\nde ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,\n\nhet kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,\n\nindien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\n4.4.. De vrouw heeft verzocht voor de duur van de hoofdprocedure de omgang te wijzigen, in die zin dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige wordt stopgezet. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij zorgen heeft over de opvoedsituatie en -omgeving van de man. Deze zorgen worden door de casusregisseur van [praktijk] gedeeld en bestaan onder andere uit: meldingen van geluidsoverlast, in het bezit zijn van verdovende middelen, het gebruiken van verdovende middelen en een incident waarbij een mishandeling heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de politie de woning van de man verzegeld. Nu door de hulpverlening niet kan worden ingeschat hoe veilig het voor de minderjarige is om bij de man thuis te verblijven, is de vrouw door de hulpverlening geadviseerd om de omgangsregeling tijdelijk stop te zetten. De vrouw heeft dan ook de omgangsregeling stopgezet. Zij stelt zich op het standpunt dat de omgangsregeling kan worden hervat, mits er sprake is van begeleide omgang door een professional en deze omgang plaatsvindt op een neutrale locatie.\n\n4.5.. De vertegenwoordigster van de Raad adviseert dat er zo snel mogelijk weer contact tussen de minderjarige en de man moet komen, mits dit contact op een veilige wijze kan plaatsvinden. Gelet op de huidige omstandigheden is de inzet van een professional bij de omgangsbegeleiding het meest passend. Ook is het fijn voor de minderjarige als zij door een professional uitleg krijgt waarom het contact tussen haar en haar vader zeer abrupt gestopt is en wat zij de aankomende periode kan verwachten in het contact met haar vader.\n\n4.6.. Ter gelegenheid van de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt. Zij zijn overeengekomen dat op zo kort mogelijke termijn gestart gaat worden met begeleide omgang tussen de minderjarige en de man onder regie van de casusregisseur van [praktijk] . Het is aan de casusregisseur om te bepalen op welke wijze, de locatie, frequentie en de duur van deze omgang dient plaats te vinden. Indien naar het inzicht van de casusregisseur ruimte bij de minderjarige ontstaat, alsmede de veiligheid van de minderjarige voldoende gewaarborgd blijft, kan worden overgaan tot uitbreiding van de omgangsmomenten en\u002Fof kunnen de omgangsmomenten onder begeleiding vanuit het eigen netwerk en\u002Fof onbegeleid plaatsvinden. Toegewerkt dient te worden naar de oorspronkelijke omgangsregeling, waarbij de man en de minderjarige elke woensdag uit school tot 20:00 uur, alsmede één keer in de veertien dagen op zaterdag omgang van 9:00 uur tot 20:00 uur omgang met elkaar hebben. Daarnaast hebben partijen afgesproken dat de man informatie vanuit zijn hulpverleningsinstelling, namelijk vanuit ‘ [voetbalclub] ’, onderdeel van Novadic Kentron, verstrekt aan de casusregisseur, zodat deze op de hoogte is van de actuele stand van zaken bij de man\n\n4.7.. Gelet op de bereikte overeenstemming, en nu de belangen van de minderjarige zich hiertegen niet verzetten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak is beslist, dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, voorlopig recht hebben op begeleid contact met elkaar onder regie van de casusregisseur van [praktijk] , of een soortgelijke organisatie, op een door de casusregisseur te bepalen wijze, frequentie en duur, waarbij het ter beoordeling is aan de casusregisseur of en zo ja, wanneer en op welke wijze de omgang kan worden uitgebreid en\u002Fof onbegeleid kan plaatsvinden, zulks met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.6.;\n\n5.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, en, in tegenwoordigheid van mr. De Haard, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5344","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.374Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":36,"updatedAt":63},"1924","ECLI:NL:RBZWB:2026:4488","ecli-nl-rbzwb-2026-4488","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F445479 \u002F KG ZA 26-96\n\nVonnis in kort geding van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiser in reconventie,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\nPartijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;\n\n- de op 13 april 2026 ontvangen aanvullende stukken van mr. Planthof.\n\n1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 15 april 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en\u002Fof de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.\n\n1.3. Tijdens die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.\n\n1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende nog minderjarige kinderen geboren:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022.\n\n2.2.. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.3.. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg d.d. 30 januari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben en is, in afwachting van de inzet van ouderschapsbemiddeling, een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald. De beschikking van 30 januari 2025 is op 4 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Terneuzen.\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van 27 november 2025 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is de\n\nbeschikking van 30 januari 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bekrachtigd.\n\n2.5.. \n\nIn de door partijen opgestelde afsprakenlijst, welke door partijen op 5 juni 2025 is ondertekend, hebben partijen – voor zover voor deze procedure van belang – afgesproken:\n\n‘‘ [minderjarige 1] is ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op zaterdagochtend. [de vrouw] regelt dit ook voor [minderjarige 2] zodra zij 3 jaar is’’.\n\n3. Het geschil in conventie en reconventie\n\n3.1.. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. primair, de man te gebieden en te bevelen, binnen 24 uur na het in dezen te wijzen\n\nvonnis, de tussen partijen overeengekomen afspraak ten aanzien van de zwemles van\n\n [minderjarige 1] zoals beschreven in de afsprakenlijst na te komen, zulks op verbeurte van een\n\ndwangsom van € 250,00 voor elke dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke\n\nblijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;\n\nsubsidiair, de afspraak ten aanzien van de zwemles van [minderjarige 1] zoals beschreven in de\n\nafsprakenlijst te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] de zwemles bij de zwemschool in [plaats 1]\n\nvolgt op de wijze zoals ingedeeld door de zwemschool en de man te veroordelen de\n\ngewijzigde afspraak na te komen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00\n\nvoor elke dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke blijft aan deze\n\nveroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;\n\nII. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.\n\n3.2.. Door en namens de vrouw is daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Partijen hebben in de afsprakenlijst bewust de afspraak opgenomen dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op de zaterdagochtend. Ook toen partijen nog samen waren, was het al zo dat de kinderen naar de zwemschool in [plaats 1] zouden gaan. Dit vanwege de kwaliteit van de zwemschool en de historie die de vrouw met deze zwemschool in [plaats 1] heeft. De vrouw wil graag bij alle zwemlessen van [minderjarige 1] aanwezig zijn, nu dit zeer belangrijk voor haar is en zij zelf ook 25 jaar op een waterclub heeft gezeten. Nu blijkt dat de zwemlessen voor [minderjarige 1] voor twintig keer op de donderdagavond (groep 1) zijn, daarna volgens afspraak op de zaterdag (groep 2 en 3) en vervolgens op de vrijdag (groep 4). De vrouw is bereid om mee te denken in oplossingen. Zij stelt voor dat zij [minderjarige 1] ophaalt en terugbrengt, dat [minderjarige 1] op de donderdag bij de vrouw slaapt of dat het contactmoment van beide kinderen met de vrouw eens in de twee weken op de woensdag tijdelijk wordt gewisseld met de donderdag. Vanaf september 2026 kan [minderjarige 1] starten met de zwemlessen in [plaats 1] en de laatste zwemles zal op donderdagavond 7 januari 2027 zijn, waarna de Westerscheldetunnel vanaf 11 januari 2027 wordt afgesloten. Gezien de reisafstand voor de vrouw en de onduidelijkheid over op welke dagen en tijden de zwemlessen bij de door de man voorgestelde zwemschool in [plaats 2] zullen zijn, is dat geen optie. Verder is de communicatie tussen partijen verslechterd, nadat de ouderschapsbemiddeling is gestopt. De vrouw heeft het gevoel dat zij door de man buitenspel wordt gezet, nu de man zonder overleg beslissingen over de kinderen neemt. De vrouw geeft desgevraagd aan dat zij ervoor open staat om de ouderschapsbemiddeling te herstarten.\n\n3.3.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen.\n\nDe man vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, de man vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] bij de zwemschool te [plaats 2] .\n\n3.4.. Door en namens de man is daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De man is het niet meer eens met de door partijen gemaakte afspraak over de zwemlessen in [plaats 1] , zoals opgenomen in de afsprakenlijst. Destijds waren de zwemtijden voor de man niet bekend en ook was het nog niet bekend dat de vrouw hoger beroep zou instellen. Mede daardoor is het vertrouwen van de man beschadigd geraakt. De man stelt dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en zijn rust is om zwemlessen in [plaats 1] te volgen, niet tijdelijk op donderdagavond en ook niet op zaterdagochtend. De man kan zich niet vinden in de door de vrouw voorgestelde, tijdelijke oplossingen voor de twintig keer dat de zwemles op donderdagavond zal zijn, nu dit niet volgens de zorgregeling is, het tot extra reisbewegingen leidt en het te vermoeiend voor [minderjarige 1] zal zijn. Als [minderjarige 1] zwemles in [plaats 1] volgt, is hij op donderdagavond laat thuis terwijl hij vrijdagochtend vroeg naar school moet. Daar komt nog bij dat er vaak files zijn en dat de Westerscheldetunnel vanaf januari 2027 een tijd lang wordt afgesloten. Het is in het belang van [minderjarige 1] om in de buurt van zijn gewone verblijfplaats zwemlessen te volgen. In oktober 2026 kan [minderjarige 1] starten bij de zwemschool in [plaats 2] . Op welke dagen en tijden dit zal zijn, is voor de man nog niet bekend.\n\n3.5.. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en in reconventie\n\n4.1.. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] is dat hij op korte termijn bij een zwemschool wordt ingeschreven en zwemlessen kan volgen.\n\n4.2.. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\n4.3.. Tijdens de mondelinge behandeling van 15 april 2026 heeft de Raad, kort samengevat, aangegeven dat partijen in de afsprakenlijst de afspraak hebben gemaakt dat de kinderen bij de zwemschool in [plaats 1] zwemlessen zullen volgen en daar is de man volgens de Raad te makkelijk aan voorbij gegaan. De Raad erkent dat het gebruikelijk is dat kinderen zwemlessen in de buurt van hun gewone verblijfplaats volgen, maar partijen hebben dit bewust afgesproken en daarnaast gaat het om een tijdelijke situatie van twintig keer op de donderdagavond. Die situatie is volgens de Raad niet onoverkomelijk. Dat partijen niet bij elkaar in de buurt wonen, is op dit moment de situatie en daartoe moeten de kinderen zich ook leren verhouden. De Raad adviseert de tussen partijen gemaakte afspraak te volgen en daarmee dat [minderjarige 1] naar de zwemschool in [plaats 1] gaat. Aan partijen adviseert de Raad om hulpverlening gericht op de oudercommunicatie te gaan volgen.\n\n4.4.. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in de op 5 juni 2025 ondertekende afsprakenlijst, als resultaat van het ouderschapsbemiddelingstraject bij [jeugdzorg] , overeen zijn gekomen dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op de zaterdagochtend. Gebleken is nu dat de zwemlessen bij de zwemschool in [plaats 1] zo zijn ingedeeld dat [minderjarige 1] in 4 groepen zijn ABC-diploma zal behalen. Groep 1 bestaat uit twintig zwemlessen op de donderdagavond in plaats van de zaterdagochtend, zoals partijen overeen waren gekomen. De zwemlessen in groep 2 en 3 zullen wel op de zaterdag zijn en de zwemlessen in groep 4 op de vrijdag. De man stelt nu dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en zijn rust is om zwemlessen in [plaats 1] te volgen, niet tijdelijk op donderdagavond en ook niet op zaterdagochtend en verzoekt om die reden vervangende toestemming aan de rechtbank om [minderjarige 1] bij de zwemschool in Zelzate in te schrijven.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter betreurt allereerst dat de situatie en de communicatie tussen partijen is verslechterd en dat het vertrouwen in elkaar is beschadigd. Zij acht dit niet in het belang van de kinderen. Tegelijkertijd stelt zij ook vast dat dat niet wegneemt dat partijen destijds samen en bewust de afspraak hebben gemaakt dat de kinderen zwemlessen bij de zwemschool in [plaats 1] zullen volgen en dat de man tijdens het maken van deze afspraak blijkbaar ook heeft ingezien waarom het volgen van zwemlessen door de kinderen in [plaats 1] belangrijk voor de vrouw én de kinderen is. Daar komt bij dat de man met de kinderen toen ook al in [woonplaats 2] woonde. Dat de man nu verzoekt om vervangende toestemming om [minderjarige 1] bij de zwemschool in [plaats 2] in te schrijven, wijkt af van de afspraak die partijen hebben gemaakt. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter verder geconstateerd dat de vrouw bereid is om mee te denken in (tijdelijke) oplossingen en dat dit, hoewel begrijpelijk waar dit vandaan komt, bij de man in mindere mate aanwezig is. Zo is door en namens de vrouw voorgesteld dat de vrouw [minderjarige 1] ophaalt en terugbrengt, dat [minderjarige 1] op de donderdagavond bij de vrouw overnacht of dat tijdelijk het contactmoment tussen de vrouw en beide kinderen van eens in de twee weken op de woensdag wordt gewisseld met de donderdag. De man stelt slechts dat al deze opties niet mogelijk zijn.\n\n4.6.. Verder is door en namens de vrouw toegelicht dat het aanwezig zijn bij de zwemlessen en het leren zwemmen van de kinderen in [plaats 1] erg belangrijk voor de vrouw is en dat zij dit graag met de kinderen wil delen, hetgeen gelet op de door partijen gemaakte afspraak naar het oordeel van de voorzieningenrechter destijds ook door de man is erkend. Door de woonsituatie van de vrouw, wat mogelijk deels haar eigen keuze is, staat zij op een bepaalde afstand tot de kinderen. Het volgen van zwemlessen door [minderjarige 1] in [plaats 1] kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter iets zijn wat [minderjarige 1] echt met zijn moeder deelt en dat is waardevol en acht zij in het belang van [minderjarige 1] . Juist nu de kinderen bij de man hun gewone verblijfplaats hebben en ook veel momenten met hun vader delen. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter begrijpt dat het belastend voor [minderjarige 1] kan zijn om tijdelijk op de donderdagavond na school naar [plaats 1] te reizen om zwemles te volgen en dat hij wellicht iets later dan normaal naar bed zal gaan. Dit betreft echter een tijdelijke situatie van twintig keer welke zodanig is beperkt in tijd dat [minderjarige 1] rond 20.00 uur thuis bij de man in [woonplaats 2] kan zijn. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet onoverkomelijk is. Daarnaast is gebleken dat de laatste zwemles van [minderjarige 1] in groep 1 op donderdagavond 7 januari 2027 zal zijn en daarmee voor het afsluiten van de Westerscheldetunnel vanaf 11 januari 2027, zodat partijen daar op de donderdagavonden dat [minderjarige 1] zwemles in [plaats 1] volgt geen hinder van zullen ondervinden.\n\n4.7.. Gezien al het voorgaande en met name de afspraak die partijen samen en bewust over het volgen van zwemlessen in [plaats 1] hebben gemaakt en de tijdelijkheid van de zwemlessen op de donderdagavond (twintig keer) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het volgen van zwemlessen in [plaats 1] in het belang van [minderjarige 1] is. Zij geeft aan partijen mee om samen afspraken te maken voor de twintig keer dat de zwemles van [minderjarige 1] in [plaats 1] op de donderdagavond zal zijn en geeft met name aan partijen in overweging de door de vrouw aangeboden oplossing om tijdelijk het contactmoment tussen de vrouw en de kinderen van eens in de twee weken op de woensdag – en daarmee dus voor tien keer – te wisselen met de donderdag. Deze oplossing is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het meest in het belang van de kinderen en biedt de meeste rust aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder geeft zij aan partijen mee om het advies van de Raad op te volgen en opnieuw een hulpverleningstraject aan te gaan met als doel om de samenwerking en oudercommunicatie te verbeteren, zodat partijen in de toekomst op een constructieve manier samen en in overleg beslissingen voor en over de kinderen kunnen nemen. Beide partijen hebben aangegeven hiervoor open te staan.\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw in conventie toewijzen. Een deel van de primaire vordering kan niet worden toegewezen, nu de voorzieningenrechter bepaalt dat [minderjarige 1] eerst twintig zwemlessen op de donderdagavond bij de zwemschool in [plaats 1] zal volgen en niet zoals conform de door partijen in de afsprakenlijst gemaakte afspraak op de zaterdagochtend. De voorzieningenrechter zal voor die periode het subsidiaire verzoek van de vrouw toewijzen. Na die twintig zwemlessen op de donderdagavond zal [minderjarige 1] conform de door partijen in de afsprakenlijst gemaakte afspraak zwemlessen op de zaterdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgen en daarna op de vrijdag. De man wordt veroordeeld om dit na te komen. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat beide partijen deze beslissing zullen naleven. Om die reden ziet zij op dit moment onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.\n\n4.9.. De vordering van de man in reconventie zal worden afgewezen.\n\n4.10.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.\n\n4.11.. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n4.12.. Het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie zal worden afgewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. bepaalt dat [minderjarige 1] de eerste twintig zwemlessen op de donderdagavond bij de zwemschool in [plaats 1] volgt en na die periode conform de door partijen gemaakte afspraak in de op 5 juni 2025 ondertekende afsprakenlijst waarin overeen is gekomen dat [minderjarige 1] zwemlessen op de zaterdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgt en bepaalt dat [minderjarige 1] daarna zwemlessen op de vrijdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgt;\n\n5.2.. veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan het bepaalde in rechtsoverweging 5.1;\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Verschoor-Bergsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Vork, griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4488","2026-05-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.773Z",20]