[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-dublin-transfer-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":76,"limit":77},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},122,"dublin-transfer-nl","Dublin Transfer","NL","2026-07-08T16:57:28.069Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,40,48,55,62,69],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"683","ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","ecli-nl-rbdha-2026-18681","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.35381\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D. Schaap)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwen de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\nDeze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.\n\nToetsingskader\n\n2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo)van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo.In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.\n\n2. Op grond van het Vbkan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\n3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nk. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\nPrematuur opgelegde vreemdelingenbewaring\u002Flichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring prematuur is opgelegd, omdat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling eerst de overdracht aan Zwitserland had kunnen regelen en dan pas kort voorafgaand aan de overdracht tot inbewaringstelling had kunnen overgaan. Hij wijst daarbij op een andere zaak waarin eerst een concrete overdrachtsdatum met de betreffende lidstaat (Duitsland) was afgesproken en de vreemdeling daarna pas in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is gebleken waarom een dergelijke handelwijze in eisers geval niet mogelijk was. Verder is onvoldoende rekening gehouden met eisers medische omstandigheden. Hij had in verband met letsel aan zijn oogkas een medische afspraak staan, die door zijn staandehouding niet kon doorgaan.\n\n7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, bestaat er een risico op onderduiken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Zwitserland. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026 verklaard dat hij niet van plan is om mee te werken aan de door DT&Vgeregelde overdracht en dat hij niet wil terugkeren naar Zwitserland, omdat hij daar zal worden opgepakt en in de gevangenis zal belanden.Verder volgt uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026 dat eiser deze verklaringen heeft bevestigd en opnieuw heeft aangegeven niet terug te willen en kunnen keren naar Zwitserland.Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling noodzakelijk was om eisers overdracht aan Zwitserland veilig te stellen en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij de afweging of een lichter middel kon worden toegepast. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1351.\n\n Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-Vo.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dienst Terugkeer en Vertrek.\n\n Aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026, p. 7 van 7.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026, p. 4 van 6.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:43.078Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":36,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"1761","ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","ecli-nl-rbdha-2026-18236","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35072\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H. Toonders).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 23 juni 2026 om 14:21 uur opgehouden. Op 23 juni 2026 omstreeks 19:45 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd omdat aan hem een bevel om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Spanje is opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.\n\nEiser heeft zich akkoord verklaard met een schriftelijke behandeling van het beroep. Op 26 juni 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Turkse nationaliteit te hebben.\n\n2. Eiser voert aan dat hij niet kan toetsen of sprake is geweest van een verkapt vreemdelingrechtelijke staandehouding, omdat het dossier te beperkt is.\n\n3. Verweerder heeft bij brief van 1 juli 2026 meegedeeld dat de vreemdelingrechtelijke ophouding volgde op een strafrechtelijke aanhouding op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Verweerder heeft hierbij een proces-verbaal van bevindingen en een proces-verbaal van aanhouding verdachte geüpload in het digitale dossier. Hierin staat dat twee verbalisanten het voertuig waarin eiser zich bevond hebben gestopt vanwege een ANPR-melding. De toelichting daarbij was dat het een voertuig van een malafide verhuurbedrijf betrof. Bij controle van het voertuig is hennep aangetroffen in het dashboardkastje. Eiser is vervolgens aangehouden vanwege het rijden onder invloed en het niet voldoen aan de vordering om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van aanhouding aanhouding afdoende dat sprake was van een strafrechtelijke aanleiding om eiser naar zijn identiteitsdocumenten te vragen en ook dat de verbalisanten in het kader van hun algemene politietaak hebben gehandeld. Het is niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 3 juli 2026 gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","2026-07-13T00:29:37.546Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"709","ECLI:NL:RBDHA:2026:18500","ecli-nl-rbdha-2026-18500","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10343\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak van\n [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\nhangende het verzet tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2026 in het geschil tussen\n\nverzoeker\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\nIn de uitspraak van 21 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13742, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.\n\nVerzoeker heeft verzet (AWB 26\u002F4023 V) gedaan tegen deze uitspraak. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.\n\n2. Volgens het besluit van 11 maart 2026 op de asielaanvraag van verzoeker moet hij worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland op grond van de Verordening (EU) Nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening). Artikel 29, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat overdracht moet plaatsvinden binnen zes maanden na aanvaarding van het terugnameverzoek. De autoriteiten van Duitsland hebben op 22 januari 2026 het verzoek van verweerder om verzoeker terug te nemen aanvaard. Gelet daarop komt de uiterste overdrachtsdatum (UOD) in zicht. Daarmee is de vereiste onverwijlde spoed gegeven, zodat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak kan worden gedaan.\n\n3. Verzoeker heeft aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag gelegd dat hij een mondelinge behandeling van het verzetschrift wenst en dat hij daarbij in persoon aanwezig wenst te zijn. Daarom verzoekt hij de voorzieningenrechter om de overdracht op te schorten totdat op het verzetschrift is beslist.\n\n4. Gelet op artikel 8:55, vierde lid, van de Awb moet het verzetschrift op een zitting worden behandeld. Verzoeker heeft een belang om daarbij aanwezig te zijn. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat hij niet wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzetschrift aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. Daarnaast betekent opschorting van de overdracht dat de UOD wordt gestuit, zodat dit in zoverre niet nadelig is voor de mogelijkheden om verzoeker over te dragen.\n\n5. Er is niet gebleken van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen voordat op zijn verzetschrift in de zaak met nummer AWB 26\u002F4023 V is beslist.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18500","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.192Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":54},"691","ECLI:NL:RBDHA:2026:18465","ecli-nl-rbdha-2026-18465","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.19668\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nHet onderzoek ter zitting is geopend op 28 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.H.P.M. Kelderman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat partijen weliswaar tijdig en correct waren uitgenodigd, maar verweerder feitelijk niet op de hoogte bleek te zijn van de planning en de inhoud van de zaak.\n\nHet onderzoek ter zitting is hervat op 18 juni 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Hartog.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is volgens zijn eigen opgave geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Iraakse nationaliteit.\n\n2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordeningis vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 1 juni 2022 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 12 februari 2026 een verzoek om terugname gezonden aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 17 februari 2026 aanvaard.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft overwogen dat de gezinsband van eiser met zijn ouders en broers en zussen niet voldoende is onderbouwd. Dit standpunt heeft verweerder pas bij het bestreden besluit ingenomen zodat eiser hierop in de bestuursrechtelijke fase niet heeft kunnen reageren. Eiser overlegt in beroep alsnog kopieën van paspoorten van zijn gezinsleden, en kopieën van de aanmeldgehoren van zijn vader en zijn moeder, waaruit blijkt dat zij eiser noemen als hun zoon, die met het gezin is meegereisd naar Nederland. Er is daarom geen reden om te twijfelen aan de gezinsband tussen eiser en zijn overige in Nederland verblijvende gezinsleden. Het is in het belang van eiser en van zijn gezinsleden dat zij niet gescheiden worden. Ook overlegt eiser documenten ter onderbouwing van de medische situatie van zijn moeder; zij heeft psychische problemen als gevolg van het verlies van de oudste dochter van het gezin in Griekenland, en kan niet van eiser gescheiden worden. Door in deze omstandigheden geen toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening is het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd.\n\nEiser voert daarnaast aan dat het bestreden besluit een risico op refoulement inhoudt, nu eiser in Duitsland al eerder een negatieve beschikking heeft gekregen. Hij vreest daarom dat hij bij overdracht aan Duitsland zonder verdere inhoudelijke behandeling zal worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst, waar hij te vrezen heeft voor zijn leven. Ook om deze reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.\n\n5. In Eurodac staat alleen van eiser een eerdere asielaanvraag geregistreerd in Duitsland. Daarom is alleen voor eiser een terugnameverzoek aan Duitsland gezonden en worden de aanvragen van de andere gezinsleden in de nationale procedure in Nederland behandeld. Verweerder betwist niet dat eiser als onderdeel van een gezin is ingereisd, maar hecht daar geen doorslaggevende betekenis aan. Het gegeven dat een vreemdeling familie heeft in Nederland is voor verweerder niet genoeg om toepassing te geven aan zijn discretionaire bevoegdheid. Dat eiser in de beroepsfase kopieën van identiteitsbewijzen van de verschillende gezinsleden heeft overgelegd maakt het besluit daarom niet anders.\n\n6. Ter zitting is de vraag besproken in hoeverre de Dublinverordening verweerder verplicht om rekening te houden met de gezinsband, nu eiser meerderjarig is, en of dit een element is dat moet worden meegewogen bij toepassing van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, van de Dublinverordening. Op grond van overweging 14, van de preambule bij de Dublinverordening dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening immers de eerbiediging van het familie- en gezinsleven voorop te staan. Deze, en andere uit de preambule van de Dublinverordening voortvloeiende waarborgen met betrekking tot het familie- en gezinsleven hebben, waar deze bepalend zijn voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, hun weerslag gevonden in de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening. De Afdeling heeft eerder bepaald dat de genoemde waarborgen in de preambule verweerder niet verplichten om in gezinsbanden die de Dublinverordening in voormelde artikelen niet beoogt te beschermen, aanleiding te zien om de behandeling van een aanvraag onverplicht aan zich te trekken.Nu vaststaat dat eiser meerderjarig was op het moment van de indiening van de asielaanvraag in Nederland en hij daarom geen beroep kan doen op de genoemde artikelen in de Dublinverordening die de gezinsband beschermen, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder op grond van de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.\n\n7. Verweerder maakt terughoudend gebruik van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken.Hij beoordeelt of in het voorliggende geval sprake is van zodanige humanitaire gronden dat het in de rede ligt om het asielverzoek van de vreemdeling over te nemen. De rechter mag die beoordeling slechts terughoudend toetsen.Dit betekent dat de rechter het bestreden besluit op dit punt moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, maar staat eraan in de weg dat de rechter bij die toetsing zijn eigen oordeel in de plaats stelt van dat van verweerder.\n\n8. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiser om bij het gezin te verblijven, maar is gezien het bestreden besluit en de behandeling ter zitting van oordeel dat verweerder het besluit zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft bij de beoordeling of toepassing moest worden gegeven aan zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kunnen betrekken dat het verblijf van familie in Nederland geen doorslaggevende betekenis toekomt en dat ook als eisers betoog over de medische problemen van de moeder en de verdwijning van zijn oudste zus in Griekenland gevolgd wordt, dit niet tot een situatie van onevenredige hardheid leidt. De moeder krijgt in Nederland immers de behandeling die zij nodig heeft en eiser kan vanuit Duitsland contact onderhouden met het gezin.\n\n9. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024.Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land. Eiser heeft voor dit laatste geen aanknopingspunten gegeven. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien op dit punt tot een ander oordeel te komen en nu eiser ook in beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hier in het bestreden besluit onvoldoende op is ingegaan of dat de motivering van verweerder het standpunt niet kan dragen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2385, punt 5.\n\n Dit is vastgelegd in onderdeel C2\u002F5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die gold ten tijde van het beroep.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666, recent bevestigd in de uitspraak van 11 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3293.\n\n ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2359.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18465","2026-07-13T00:28:43.446Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":59,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":61},"695","ECLI:NL:RBDHA:2026:18468","ecli-nl-rbdha-2026-18468","Uitspraak buiten zitting\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32656\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.2\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1988 en de Turkse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 24 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.\n\nDe Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.3 Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.4 Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2021 in België een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Verweerder heeft op 4 april 2026 de Belgische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 13 mei 2026 heeft België, na een verzoek om een second opinion, het verzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening Hiermee staat de verantwoordelijkheid van België vast.\n\n1. Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n2 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3 Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n4 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n3. Eiser voert aan dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State5 van 23 juli 2025.6 Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in België systeemfouten bevatten, welke leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM7 en artikel 4 van het Handvest.8 Eiser heeft gedurende zijn verblijf in België een zwervend bestaan geleid en is verstoken gebleven van opvang. Eisers psychische problemen zijn hierdoor ernstig verslechterd en hij is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Hiervan heeft eiser geen stukken kunnen overleggen. Eiser is kwetsbaar vanwege zijn psychische problemen. Zonder garanties voorafgaand aan eisers overdracht aan België, is het voorzienbaar dat hij in dezelfde omstandigheden terecht zal komen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Een overdracht aan België getuigt in zijn geval van onevenredige hardheid gelet op zijn psychische toestand en zijn bijzondere kwetsbaarheid. Daarnaast vreest eiser te worden uitgezet naar Turkije na te zijn overgedragen aan België, zonder dat daar een inhoudelijke asielprocedure aan vooraf zal gaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Vaststaat dat België in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uitgangspunt is verder dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit wordt gegaan dat de EU-lidstaten hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. Hoewel de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 over Dublinoverdrachten aan België heeft geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan, omdat zij geen toegang hadden tot opvangvoorzieningen, heeft verweerder met zijn verwijzing in het bestreden besluit naar de brief van 5 februari 2026 van de Belgische autoriteiten voldoende gemotiveerd dat alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten feitelijk weer toegang hebben tot een (nood)opvangplaats in België. Eiser heeft geen andersluidende informatie ingebracht. Gelet hierop is voor bedoelde uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van België geen aanleiding meer.\n\n5. Ten aanzien van eisers gestelde ervaringen in België heeft verweerder terecht geconcludeerd dat deze geen reden zijn om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt immers aangenomen dat eiser in België kan klagen indien de Belgische autoriteiten tekortschieten in de naleving van hun verplichtingen tegenover eiser. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Aldus is niet aannemelijk geworden dat overdracht van eiser naar België zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.\n\n6. Voor zover eiser in dit kader nog heeft aangevoerd dat hij vreest voor indirect refoulement omdat België hem zal terugsturen naar Turkije overweegt de rechtbank als\n\n5 Afdeling.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n7 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nvolgt. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 9en de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 12 juni 202410 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan ten aanzien van België nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7. Uit het arrest Tarakhel volgt dat verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties kan vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. 11 Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties geen toegang zal krijgen tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in België. Voor zover eiser zich beroept op de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiser, de relevante medische gegevens aan de Belgische autoriteiten worden overgedragen alvorens de overdracht van eiser zal plaatsvinden. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.\n\n8. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening door de asielaanvraag van eiser onverplicht inhoudelijke te beoordelen. Door eiser is ook in dit verband gewezen op zijn gestelde slechte ervaringen in België. Eisers verklaringen hierover zijn beoordeeld bij de vraag of er aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 201412 is er geen aanleiding voor een beoordeling van dezelfde omstandigheden bij de vraag of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eisers van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser zich beroept op zijn psychische toestand, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet met objectieve stukken heeft onderbouwd.\n\n9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9 ECLI:EU:C:2023:934.\n\n10 ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n11 ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 r.o. 100-105.\n\n12 ECLI:NL:RVS:2014:3164. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M. L. Weerkamp rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nDocumentcode: 024-573-028-293","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18468","2026-07-13T00:28:43.635Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":66,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":68},"697","ECLI:NL:RBDHA:2026:18474","ecli-nl-rbdha-2026-18474","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\n Bestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19669\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nOverwegingen\n\n1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\n2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.19668, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18474","2026-07-13T00:28:43.725Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":73,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":75},"698","ECLI:NL:RBDHA:2026:18472","ecli-nl-rbdha-2026-18472","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.32657\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\nVerzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.Overwegingen\n\n1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.32656, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18472","2026-07-13T00:28:43.756Z",1,20]