[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-immigration-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":56,"limit":57},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[],[22,32,40,49],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1725","ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","ecli-nl-rbdha-2026-18570","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35733\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 28 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000) van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Ophouding\n\nEiser voert ter zitting aan dat hij op de onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet direct kon worden vastgesteld. Na eisers aanhouding is zijn identiteit op het bureau onmiddellijk vastgesteld. Eisers identiteit was daarmee wel bekend bij verweerder. Te meer omdat hij eerder in bewaring is gesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat eisers ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 27 juni 2026 volgt dat eiser ten tijde van zijn staandehouding niet beschikte over identificerende documenten en zich niet onmiddellijk kon legitimeren. In zoverre kon eisers identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld. Dat de verbalisanten na aankomst op het bureau in het kader van het strafrechtelijk voortraject hebben vastgesteld wie eiser is, maakt niet dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nMaatregel van bewaring\n\n4. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb zich voordoen.\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:\n\na. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h) heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6. Eiser voert aan dat de gronden van de maatregel in algemene zin onvoldoende zijn gemotiveerd. In de gronden wordt steeds verwezen naar omstandigheden uit 2024 en 2025, terwijl eiser op basis van die omstandigheden in het verleden al in bewaring is gesteld.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarmee kan worden aangenomen dat er een risico bestaat op onderduiken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Lichter middel\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder niet heeft kunnen volstaan met een lichter middel. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is opgeheven na een belangenafweging en verweerder heeft niet heeft beoordeeld of deze belangen nog actueel zijn.\n\n9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Eiser heeft ter zitting niet geconcretiseerd welke belangen verweerder anders had moeten betrekken bij deze beoordeling. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.\n\nAmbtshalve toets\n\n10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.Conclusie\n\n11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 6 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:35.958Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"708","ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","ecli-nl-rbdha-2026-18498","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.22282\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R. Deniz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een mvvongegrond verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Metselaar. Ook waren aanwezig referent [referent] en de [tolk] .\n\nOverwegingen\n\n1. Middels besluit van 25 april 2023 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van asiel.Op 8 juni 2023 heeft referent voor zijn vrouw en biologische kinderen een aanvraag ingediend om verlening van een mvv. Op dezelfde dag heeft referent voor eiser bij verweerder ook een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. De aanvraag voor zijn vrouw en biologische kinderen is ingewilligd. Eiser is het gestelde kind van [broer van referent] (broer van referent) en [persoon] . Referent is de gestelde oom en pleegvader van eiser.\n\n2. In het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is de identiteit van de biologische moeder van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aangetoond. De pleegrelatie en feitelijke gezinsband tussen eiser en referent hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt. Tenslotte is er ook geen toestemmingsverklaring van de biologische vader overgelegd.\n\n3. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Referent is op 10 februari 2025 door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder alsnog de identiteit van de biologische moeder van eiser aannemelijk geacht. De familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders is nog altijd niet aannemelijk gemaakt, maar er is wel een begin van bewijs geleverd. Ditzelfde geldt voor de pleegrelatie tussen eiser en referent. De feitelijke pleegsituatie is nog altijd niet aannemelijk gemaakt.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat aan de overgelegde stukken meer bewijswaarde moet worden toegekend dan verweerder in het besluit toekent. De familierechtelijke relatie zou wel zijn aangetoond, net als de pleegrelatie en de feitelijke gezinsband. Verder acht eiser het besluit onlogisch en onduidelijk. Tenslotte wijst eiser op de belangen van het kind en artikel 8 van het EVRMen vindt hij dat de motivering daartoe zeer summier is.\n\n5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is en dat terecht in het bestreden besluit de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt, zodat nader onderzoek zinledig is. Volgens verweerder heeft hij de belangen van het kind voldoende meegewogen in het besluit en heeft hij gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6. Uit wet- en regelgevingvolgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin\n\nvan een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) moet daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij verweerder indienen. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. Verweerder betrekt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gestelde pleegkind in ieder geval:(-) de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn\u002Fhaar biologische ouders; (-) de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; (-) de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; (-) in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; (-) of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. Ook komt het pleegkind niet in aanmerking voor nareis als er een positieve verplichting onder artikel 8 van het EVRM bestaat om de biologische ouders te herenigen met het pleegkind in Nederland.\n\n7. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom\n\nde familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet is aangetoond met de door eiser overgelegde documenten. Verweerder heeft daarbij ook terecht het standpunt ingenomen dat nader onderzoek niet aangeboden hoeft te worden. Ook indien de familierechtelijke relatie zou worden vastgesteld, kan dit niet leiden tot de afgifte van een mvv. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser is aangetoond. De rechtbank zal deze voorwaarde hierna verder bespreken.\n\n8. Niet in geschil is dat eiser vanaf zijn 4e levensjaar tot aan het vertrek van de\n\noverige gezinsleden van referent naar Nederland (in 2024) gewoond heeft bij het gezin van referent. Op zichzelf is het enkele verblijf binnen het gezin niet voldoende om de feitelijke gezinsband aan te nemen. Verweerder heeft terecht alle omstandigheden meegewogen in de integrale beoordeling. Onder verwijzing naar Werkinstructie 2024\u002F4 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de biologische ouder niet meer voor een kind kan of wil zorgen bij eiser ligt. Verweerder heeft daarbij niet ten onterechte naar voren gebracht dat, wanneer een biologische ouder nog in beeld is en deze ook nog steeds betrokken is bij de zorg of opvoeding van een kind, zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een gestelde pleegrelatie. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in dit geval bij de beoordeling kunnen betrekken dat de moeder en vader van eiser nog steeds in beeld zijn en dat niet is gebleken dat ieder contact tussen eiser en zijn biologische ouders duurzaam is verbroken. Uit de inhoud van de overgelegde documenten, waaruit volgt dat de biologische vader bij de rechtbank is verschenen om toestemming te verlenen en een verklaring af te leggen, blijkt dat de vader nog in beeld is en zich uitlaat over de zorg die verleend wordt aan eiser. Ook heeft eiser zelf verklaard dat zijn vader hem bezoekt op islamitische feestdagen. De gestelde medische problematiek van zijn biologische vader is niet onderbouwd met medische documenten. Verweerder mocht dit wel van eiser verwachten, nu referent ter zitting heeft aangegeven dat het mogelijk is om contact te leggen met de biologische vader. Hoewel de biologische moeder woonachtig is bij haar ouders, is er niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor eiser kan zorgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame overdracht van de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid naar referent en zijn echtgenote. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.\n\n9. Verweerder heeft daarbij met verwijzing naar C2\u002F4.1.2.2. van de Vc terecht\n\nmeegewogen dat niet aannemelijk is dat het contact tussen eiser en zijn biologische ouders zo beperkt is dat er geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het EVRM zou ontstaan om eiser met zijn biologische ouders te herenigen in Nederland.\n\n10. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7, 8 en 9 is overwogen heeft verweerder\n\nzich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen nader onderzoek hoefde te verrichten naar: (-)de familierechtelijke relatie tussen de biologische ouders en eiser, (-)de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde pleegouders en (-)de toestemmings-verklaringen.\n\n11. Eiser heeft tenslotte nog gewezen op het belang van het kind. Verweerder heeft\n\ngemotiveerd deze belangen meegewogen in het bestreden besluit. Daarbij is terecht meegewogen dat het in het belang van eiser is dat hij niet ongewenst wordt onttrokken aan het ouderlijk gezag. Bovendien heeft verweerder uitgelegd waarom eiser niet in schrijnende omstandigheden achterblijft in Jemen. Hij wordt verzorgd door de zus van referent en haar man, hij woont nog in hetzelfde huis, gaat naar school en referent heeft dagelijks contact met hem. Hiermee heeft verweerder voldoende kenbaar de belangen van eiser meegewogen in het bestreden besluit.\n\n12. Verder verwijst verweerder referent terecht naar de reguliere procedure voor een\n\ntoetsing aan artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804) volgt dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb van toepassing is in nareiszaken en dat verweerder in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland is, een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. In het bestreden besluit is enkel gewezen op de aanwezigheid van een reguliere procedure voor de aanvraag van eiser en dat verweerder deze nationale procedure niet wil overslaan door direct aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Verweerder heeft met deze algemene motivering niet in eisers individuele geval toegelicht waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook heeft verweerder niet verwezen naar toepasselijk beleid. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. In het verweerschrift heeft verweerder alsnog een nadere individuele motivering gegeven voor het niet ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hij heeft verwezen naar het peilmoment en naar de ingebrachte medische stukken. Hiermee heeft verweerder alsnog voldaan aan het motiveringsvereiste zoals de Afdeling dit vereist. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.\n\n13. Het beroep is ongegrond.\n\n14. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank\n\nverweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor\n\nhet verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie artikel 29, tweede en vierde lid van de Vw, in samenhang met paragraaf C2\u002F4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldig tot 12 juni 2026.\n\n Zie paragraaf C2\u002F4.1.2.2 van de Vc, geldig tot 12 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","2026-07-13T00:28:44.158Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":44,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":30,"updatedAt":48},"1857","ECLI:NL:RBDHA:2026:17925","ecli-nl-rbdha-2026-17925","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.28927\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep deels gegrond is.Eiser krijgt dus in zoverre gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om afgifte van een mvv aan eiser afgewezen.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder is met het besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) bij de afwijzing gebleven en heeft het bezwaar ongegrond verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder, [de moeder van referent] (de moeder van [referent] ), en [tolk] als tolk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVoorgeschiedenis\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1980 en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij woont in Zuid-Soedan. Hij wil in Nederland bij zijn vrouw en zijn kinderen verblijven. Referent, de zoon van eiser, heeft op 5 mei 2022 daarom een aanvraag ingediend om eiser toegang te verlenen tot Nederland, maar deze aanvraag is in het primaire besluit afgewezen.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder weliswaar aanneemt dat er tussen eiser en referent familie- of gezinsleven is, maar dat de belangenafweging in het nadeel\n\nvan eiser en referent uitvalt. Volgens verweerder weegt het economische belang van de Nederlandse staat en het belang om een restrictief toelatingsbeleid te kunnen voeren zwaarder dan het belang van eiser om naar Nederland te komen. Hierbij is van belang dat ook een aanvraag kon worden ingediend door de moeder van referent en dat zij niet over financiële middelen beschikken om eiser te kunnen onderhouden. Verder is er geen objectieve belemmering om gezinsleven in Eritrea te kunnen uitoefenen. Ook kunnen eiser en referent gezinsleven uitoefenen in Zuid-Soedan, omdat ze een band hebben met dat land. Eiser woont al ongeveer 14 jaar in Zuid-Soedan en hij werkt daar. Daarnaast hebben referent, zijn moeder en zusje ook meerdere jaren in Zuid-Soedan gewoond. Eiser en referent hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege de veiligheidssituatie in Zuid-Soedan daar geen gezinsleven kunnen uitoefenen. Ook is niet gebleken dat het belang van het kind eraan in de weg staat om gezinsleven uit te oefenen in Zuid-Soedan. Tot slot weegt verweerder mee dat het mogelijk is om gezinsleven telefonisch voort te blijven zetten en dat de scheiding een keuze is geweest van de ouders. Verweerder heeft vervolgens getoetst of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van het arrest [naam] .Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan het vereiste dat hij daadwerkelijke zorgtaken verricht en dat referent zodanig van hem afhankelijk is dat hij gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiser geen verblijfsrecht krijgt in Nederland.\n\nRestrictief toelatingsbeleid en economisch belang\n\n3. Eiser voert aan dat ten onrechte in het nadeel is meegewogen dat er geen aanvraag is\n\ningediend door de moeder van referent. Zij dacht namelijk dat eiser op het moment van het indienen van de aanvraag een andere partner had. Het kan ook niet aan referent worden tegengeworpen dat de ouders voor hem een aanvraag hebben ingediend. Daarnaast is het economisch belang onterecht in het nadeel meegewogen. Referent is namelijk te jong om te werken. Ook de moeder van referent kan niet werken, omdat de kinderen inmiddels de leerplichtige leeftijd hebben. Verweerder had haar hierover moeten horen. In de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU wordt benadrukt dat gezinshereniging niet onmogelijk kan worden gemaakt door de voorwaarde dat iemand financieel zelfstandig moet zijn. Bovendien wil eiser in Nederland werken.\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het restrictief toelatingsbeleid niet ten onrechte in het nadeel van eiser is meegewogen. Dat de moeder van referent dacht dat eiser een andere partner had, maakt het belang van verweerder niet anders.\n\n5. Verweerder heeft verder het economisch belang niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen. Hierbij is van belang dat de moeder van referent niet werkt. Dat zij niet werkt vanwege de leerplichtige leeftijd van haar kinderen heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om tot een andere conclusie te komen. Zij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij moeite heeft gedaan om werk te vinden of dat dit onmogelijk was vanwege de leeftijd van de kinderen. Het is allereerst aan haar om dit te onderbouwen. Verweerder heeft haar daarom niet hoeven horen. De stelling van eiser dat hij hier wil werken maakt dit ook niet anders, nu verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser mogelijk wel gebruik zal maken van publieke voorzieningen. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.\n\nAard en intensiteit gezinsleven\n\n6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de scheiding niet vrijwillig was, maar dat sprake was van een vluchtsituatie. In de periode dat ze bij elkaar leefden was hij, vader, soms afwezig, omdat hij moest werken om het gezin te onderhouden. Verweerder had ook meer waarde moeten hechten aan de verklaring van de leerkrachten, omdat het een observatie is van de leerkrachten die referent dagelijks spreekt en ziet.\n\n7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aard en intensiteit van het gezinsleven onvoldoende is om aan eiser een verblijfsvergunning te moeten verlenen. Hierbij is van belang dat eiser een toestemmingsverklaring heeft ondertekend. Daardoor heeft verweerder kunnen stellen dat de scheiding een keuze is geweest van de ouders. De verklaring van de leerkrachten heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht, omdat de leerkrachten geen gedragsdeskundigen zijn. De stelling dat het niet goed gaat met referent vanwege het feit dat zijn vader niet bij hem is, is dus onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het mogelijk is om gezinsleven telefonisch te blijven uitoefenen. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit niet mogelijk zou zijn. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nObjectieve belemmering Eritrea\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een objectieve belemmering om gezinsleven uit te oefenen in Eritrea. Hij is namelijk illegaal Eritrea uitgereisd. Ook kan referent in een razzia terecht komen en geldt voor zowel eiser als referent een dienstplicht. Daarbij komt dat uit het landenbeleid van verweerder blijkt dat asielaanvragen van Eritreeërs vanwege een illegale uitreis of vanwege de dienstplicht worden ingewilligd.Dat eiser een paspoort heeft kunnen krijgen wordt ten onrechte tegengeworpen, nu uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2015 blijkt dat het makkelijker is om vanuit het buitenland een paspoort te verkrijgen.\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in een asielprocedure dient te worden beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Eritrea gevaar loopt vanwege de dienstplicht. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij daadwerkelijk illegaal Eritrea is uitgereisd. Verweerder heeft daarbij terecht meegewogen dat eiser een geldig paspoort heeft kunnen krijgen, waarvan de geldigheidsduur nadien ook nog is verlengd. De stelling van eiser dat het vanuit het buitenland makkelijker is om een paspoort te verkrijgen heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht om de illegale uitreis aannemelijk te achten. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geen objectieve belemmering aangenomen voor uitoefening van gezinsleven in Eritrea. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nBinding met Zuid-Soedan en het belang van het kind.\n\n10. Eiser voert aan dat er in Zuid-Soedan sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.Verweerder heeft ook geen rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser geen geschikte woonruimte heeft en dat referent geen verblijfsrecht heeft in Zuid-Soedan.\n\n11. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17022, volgt dat eiser in deze stelling gevolgd moet worden. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat in Zuid-Soedan sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarom is onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een belemmering om gezinsleven uit te oefenen in Zuid-Soedan en dat dit niet in strijd is met het belang van het kind. Deze beroepsgrond slaagt en het beroep is in zoverre gegrond.\n\nGelet op het voorgaande is echter niet gebleken dat gezinsleven niet in Eritrea kan worden uitgeoefend en dat onvoldoende gemotiveerd is dat de belangenafweging voor het overige in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand laten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Het beroep is gegrond voor zover dit ziet op de overweging dat gezinsleven kan worden uitgeoefend in Zuid-Soedan, omdat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het motiveringsbeginsel.De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de motivering dat gezinsleven kan worden uitgeoefend in Zuid-Soedan. Het beroep is voor het overige ongegrond. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand blijven.\n\n13. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 aan eiser vergoedt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 4 juni 2025 voor zover daarbij is overwogen dat gezinsleven kan\n\n worden uitgeoefend in Zuid-Soedan;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868\n\n (eenduizendachthonderdachtenzestig).\n\nDeze uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:EU:C:2017:354.\n\n Eiser verwijst naar paragraaf C7\u002F13.4.1.1 tot en met paragraaf C7\u002F13.5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Eiser verwijst hierbij naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 3 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1200 en ECLI:NL:RBDHA:2025:1201; een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 15 april 2025, ECLI:NLRBDHA:2025:6210; en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 28 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9411.\n\n Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 3:46 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17925","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.338Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":55},"702","ECLI:NL:RBDHA:2026:18482","ecli-nl-rbdha-2026-18482","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB25\u002F9223\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.H.P.M. Kelderman).\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 19 november 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 12 mei 2026 aanvullende stukken overgelegd aangaande zijn werkzaamheden en inkomsten.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten en standpunten\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 23 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in het kader van arbeid als zelfstandige. Eiser wenst verblijf in Nederland als zelfstandig ondernemer, namelijk als eigenaar van [eenmanszaak] , waarbij hij zich richt op het knippen en stylen van haar. Eiser heeft in Spanje de status van langdurig ingezetene als bedoeld in de Richtlijn langdurig ingezetenen.\n\n2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij aan de geldende voorwaardenvoor de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Er is geen bewijs van de start van de activiteiten als kapper, het ondernemingsplan is summier, er is niet aangetoond onder welke voorwaarden de kapsalon wordt uitgeoefend noch is aangetoond dat de middelen van bestaan uit deze werkzaamheden duurzaam zijn door middel van overeenkomsten die niet zomaar kunnen worden opgezegd.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser heeft met documenten aangetoond dat sprake is van een economische activiteit sinds 1 november 2024. Verweerder heeft onvoldoende acht geslagen op de door eiser ingebrachte documenten, zodat de besluitvorming onzorgvuldig is. Bovendien heeft verweerder ten onrechte en zonder te verzoeken om een nadere toelichting of aanvullende stukken, overwogen dat bewijs van de zelfstandige en duurzame economische activiteiten ontbreekt. Eiser kan met de werkzaamheden die hij als kapper hier te lande verricht zelfstandig en duurzaam in zijn levensonderhoud voorzien. Bovendien had verweerder eiser moeten horen op zijn bezwaren.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nArbeid als zelfstandige\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat eiser bij de aanvraag en in de bezwaarfase geen enkel stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inmiddels daadwerkelijk dienovereenkomstig ondernemingsactiviteiten verricht. Zo ontbreken aangiftes omzetbelasting, facturen of kassabonnen, bewijzen van inkoop van materialen en enig ander bewijs dat inmiddels uitvoering wordt gegeven aan de overeenkomst van 5 oktober 2024 met [kapsalon] , waar eiser een stoel huurt. Bovendien is het wel ingebrachte ondernemingsplan uiterst summier en kan hieruit niet worden afgeleid dat de onderneming levensvatbaar is. Het financiële gedeelte van het plan, onder meer bestaande uit een summiere exploitatiebegroting en verwachting van bedrijfsresultaten, is niet nader onderbouwd zodat daar niet de waarde aan kan worden toegekend die eiser daaraan toekent. Uit het ondernemingsplan valt derhalve evenmin op te maken dat eiser als zelfstandige duurzaam, voldoende middelen van bestaan zal gaan genereren.\n\n5. Aan een beoordeling van de door eiser bij schrijven van 12 mei 2026 overgelegde documenten komt de rechtbank niet toe, gelet op de ex-tunc toets in beroep. Deze documenten dateren van na het bestreden besluit van 11 april 2025 en vallen daarmee buiten de periode die de rechtbank bij haar beoordeling betrekt.\n\n6. Verweerder is in het bestreden besluit op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser ook in bezwaar niet heeft aangetoond dat hij als zelfstandige duurzaam en voldoende middelen van bestaan zal verwerven en daardoor niet aan de gestelde voorwaarden van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ voldoet. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook mogen afwijzen.\n\nHoorplicht\n\n7. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Ook heeft de gemachtigde van eiser in bezwaar niet verduidelijkt wat eiser bij een eventueel nader gehoor nog had willen toelichten. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.\n\n9. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe rechter is verhinderddeze uitspraak te ondertekenen.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.\n\n Zie artikel 15, vierde lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen in samenhang met artikel 3.30, eerste lid, onder b, en vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B6\u002F4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18482","2026-07-13T00:28:43.898Z",1,20]