[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-parental-authority-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":53},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},74,"parental-authority-nl","Parental Authority","NL","2026-07-08T16:54:48.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-05-18T00:00:00.000Z","2026-05-19T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124370","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 223 lid 1",1,[27,38,45],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"322","ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","ecli-nl-rbzwb-2026-5374","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F439595\u002F FA RK 25-4588\n\nbeschikking betreffende voorziening voogdij d.d. 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde Gecertificeerde Instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen: de GI of de jeugdbescherming,\n\nbetreffende de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\nverblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen de minderjarigen respectievelijk [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n- [de pleegmoeder], de pleegmoeder\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. M. Kramer te Haarlem.\n\nAls informant wordt aangemerkt: - [de biologische moeder], de biologische moeder,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het verloop van het geding\n\n1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 29 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan de Raad van 7 oktober 2025;\n\n- de brief van de Raad van 9 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer van 17 oktober 2025;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan mr. Kramer d.d. 23 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer d.d. 4 mei 2026 met bijlagen;\n\n- het op 11 mei 2026 ingediend F9-formulier van mr. Kramer met bijlagen;\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig een vertegenwoordigster van de GI, de pleegmoeder bijgestaan door mr. Kramer, de biologische moeder en een vertegenwoordigster van de Raad. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening aan de rechter kenbaar te maken. Mr. Kramer heeft namens de pleegmoeder het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota die op 11 mei 2026 al aan de rechtbank en andere belanghebbenden was toegezonden.2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 augustus 2017 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd over hen benoemd.\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 november 2022 is de GI benoemd tot (opvolgend) voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de rechtbank haar op grond van artikel 1:322, lid 1, sub c, van het Burgerlijk Wetboek te ontslaan van de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten gunste van de pleegmoeder.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De jeugdbescherming heeft de rechtbank gevraagd om ervoor te zorgen dat niet zij, maar de pleegmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat noemen we “voogdij” en dat is in de wet geregeld in artikel 322 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:322 BW). In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de pleegmoeder schriftelijk moet hebben verklaard dat zij bereid is om de voogdij over te nemen. Voorwaarde twee is dat de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.3.. De rechtbank zal de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overdragen van de jeugdbescherming naar de pleegmoeder.\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.4.. De rechtbank heeft tijdens een apart gesprek gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de zitting heeft de rechtbank gesproken met de pleegmoeder en haar advocaat, met de jeugdbescherming, met de Raad en met de biologische moeder. Hierna zal de rechtbank in het kort opschrijven wat zij aan de rechtbank hebben verteld.\n\n4.5.. De jeugdbescherming heeft verteld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al sinds zij 3 maanden oud waren bij de pleegouders wonen. Zij zijn daar samen opgegroeid. Sinds de scheiding van pleegouders wonen zij bij pleegmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegvader ook regelmatig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegouders als hun ouders. Zij hebben de jeugdbescherming meerdere keren verteld dat zij willen dat de pleegmoeder de voogdij over hen krijgt. Zij kan dan beslissingen over hen nemen zoals in een normaal gezin. Er is veel tijd en aandacht besteed om te onderzoeken wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben om fijn contact te hebben met hun biologische moeder. De jeugdbescherming heeft gezien dat zij geen hechte band hebben met hun biologische moeder. Uiteindelijk is er voor gekozen om het contact met de biologische moeder stop te zetten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich verder heel goed, ze hebben fijne sociale contacten en ze doen het zeer goed op school. In de thuissituatie bij pleegmoeder is de biologische moeder en de Indonesische afkomst van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd bespreekbaar. De pleegmoeder heeft het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de biologische moeder ook altijd ondersteund. Er is prettig contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De jeugdbescherming twijfelt er niet aan dat dat in de toekomst zo blijft.\n\n4.6.. De pleegmoeder en haar advocaat hebben de rechtbank verteld dat het overnemen van de voogdij een logische stap is. De pleegmoeder zorgt al jaren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft de pleegmoeder altijd haar best gedaan om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun biologische moeder te ondersteunen. Zij zal dit in de toekomst ook blijven doen.\n\n4.7.. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om de voogdij aan de pleegmoeder over te dragen. Zij zijn het eens met de jeugdbescherming.\n\n4.8.. De biologische moeder heeft de rechtbank verteld dat het voor haar niet zoveel uitmaakt wie de voogdij heeft. Het is voor haar vooral belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact met haar kunnen hebben. Dat er nu geen contact is tussen haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt zij niet in hun belang.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Op school doen zij het heel goed. Ze hebben ook al een idee wat zij in de toekomst zouden willen gaan doen. Ze willen graag dat de pleegmoeder de voogdij overneemt. Zij denken dat zij dat heel goed kan, zij luistert goed naar hen. Dat maakt het dan vervolgens veel makkelijker om dingen te regelen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\n4.10.. De rechtbank stelt vast dat de pleegmoeder schriftelijk heeft verklaard dat zij bereid is de voogdij over te nemen. Er is dus voldaan aan de eerste voorwaarde in de wet.\n\n4.11.. Dan moet de rechtbank nog vaststellen of het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt van de jeugdbescherming (de tweede voorwaarde). De rechtbank vindt dat er ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal dat hierna toelichten.\n\n4.12.. De pleegmoeder zorgt al voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds zij drie maanden oud zijn. Door haar goede zorgen (en die van de pleegvader) ontwikkelen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed. Zij doen het zeer goed op school, hebben fijne sociale contacten, hebben hobby’s en interesses en een toekomstbeeld. Ook tijdens het gesprek dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gehad op de rechtbank heeft de rechter gezien dat zij goed in hun vel zitten. Zij konden ook open vertellen over het contact met hun biologische moeder. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de pleegmoeder de biologische moeder in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een plek zal blijven geven. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat de pleegmoeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd zal helpen om het contact te herstellen met hun biologische moeder als zij dat willen. Er is ook (goed) contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De pleegmoeder informeert de biologische moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongeveer vier keer per jaar. Er is door de jeugdbescherming een plan gemaakt waarin afspraken zijn vastgelegd. Dat kan de pleegmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] helpen als zij in de toekomst misschien tegen problemen aan lopen. Zij weten dan bij wie zij hulp kunnen vragen. Ook de Raad vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nConclusie\n\n4.13.. De rechtbank zal onder punt 5 nog in juridische woorden de beslissing opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. ontslaat de GI van de voogdij over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012;\n\n5.2.. benoemt [de pleegmoeder] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1961, wonende te [woonplaats 1] , tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nTegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nHet beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te\n\n's-Hertogenbosch.\n\nIngevolge artikel 1:322, lid 1, sub c, van het BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:24.340Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"378","ECLI:NL:RBZWB:2026:5383","ecli-nl-rbzwb-2026-5383","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441403 \u002F FA RK 25-5579\n\ndatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking betreffende wijziging gezag\n\n in de zaak van\n\n [de man] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\nen\n\n [de stiefmoeder] ,\n\nhierna te noemen: de stiefmoeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets te Terneuzen.\n\nbetreffende de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012, hierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1. Het procesverloop\n\nWelke stukken neemt de rechtbank mee in haar beoordeling?1.1.. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:\n\n- het op 24 oktober 2025 ontvangen verzoek van mr. De Vleesschauwer met bijlagen;\n\n- de op 18 mei 2026 ontvangen referteverklaring van mr. De Dobbelaere-Woets.\n\nDe aanwezigen tijdens de zitting\n\n1.2.. De advocaat van de vrouw, mr. De Dobbelaere-Woets, heeft de rechtbank middels een brief d.d. 18 mei 2026 op de hoogte gesteld dat de vrouw en haar advocaat niet aanwezig zullen zijn bij de zitting.\n\n1.3.. Het verzoek is mondeling behandeld op 19 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de stiefmoeder, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n1.4.. Voorafgaand aan de zitting zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en hebben op 18 mei 2026, ieder apart, een gesprek met de kinderrechter gehad.\n\n2. De feiten\n\nWat vaststaat:\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende (op dit moment nog minderjarige) kinderen zijn geboren:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de man en de stiefmoeder.\n\n2.3.. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.4.. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld dat is bekrachtigd bij beschikking door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 14 juli 2022.\n\n3. De verzoeken\n\nWat er in het kort aan de rechtbank is gevraagd:\n\n3.1.. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij belast wordt met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3.2.. De man en de stiefmoeder verzoeken, bij wijze van voorwaardelijk verzoek en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man en de stiefmoeder gezamenlijk belast zullen worden met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3.3.. De vrouw heeft in haar referteverklaring aangegeven dat zij zich niet verzet tegen de verzoeken van de man. Zij zal hiertegen geen verweer voeren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De man heeft de rechtbank allereerst gevraagd om ervoor te zorgen dat hij alleen, en dus niet samen met de vrouw, belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat heet het “eenhoofdig gezag”. Op dit moment is het zo dat de man en de vrouw het gezamenlijke gezag hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.3.. In artikel 253n van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:253n BW) is geregeld dat het gezamenlijk gezag beëindigd kan worden. Dat kan alleen als de omstandigheden zijn gewijzigd, of als er bij het nemen van een eerdere beslissing over het gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als hier sprake van is, kan de rechtbank bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt.\n\nDe wet regelt ook voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om het gezag te kunnen wijzigen. Die voorwaarden staan genoemd in artikel 251a onder punt 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:251a lid 1 BW). De voorwaarden zijn:\n\ner moet een groot risico zijn dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag de minderjarigen klem of verloren zouden raken tussen hun ouders en\n\ndat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen.\n\nDe wet regelt verder dat als er niet aan deze voorwaarden is voldaan, maar wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is, gezamenlijk gezag kan worden omgezet naar eenhoofdig gezag.\n\n4.4.. Indien bovenstaand verzoek wordt toegewezen door de rechtbank (dus van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig), vraagt de man om ervoor te zorgen dat niet alleen hij, maar ook de stiefmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dit is in de wet geregeld in artikel 253t van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:253t BW) en heet “gezamenlijk gezag”. In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de ouder en de ander, in dit geval de stiefmoeder, gedurende tenminste een aaneengesloten periode van een jaar gezamenlijk de zorg voor de minderjarigen hebben gehad. Voorwaarde twee is dat de ouder die het verzoek doet gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.5.. De rechtbank zal bepalen dat de man en de stiefmoeder samen het gezag zullen hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.6.. De man, de stiefmoeder en hun advocaat hebben de rechtbank verteld dat er sprake is van een hechte gezinssituatie. De man zorgt al vanaf de geboorte voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is in 2017 getrouwd met de stiefmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al ruim 9,5 jaar van hun leven samen met hun stiefmoeder en hebben een zeer warme en bestendige relatie met de stiefmoeder. Het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw is sinds een aantal jaren helemaal verbroken. Er zijn meerdere pogingen gedaan om het contact te herstellen, ook in het kader van een eerdere ondertoezichtstelling, maar dit is niet gelukt. De man en de stiefmoeder zullen het contact tussen de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw daarentegen altijd blijven stimuleren. De man en de stiefmoeder zouden graag belast worden met het gezamenlijk gezag. De gezondheid van de man is zeer kwetsbaar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn angstig dat zij niet bij de stiefmoeder mogen blijven wonen, als de man komt te overlijden. Naar aanleiding hiervan zijn de man en de stiefmoeder de procedure gestart, om ervoor te zorgen dat alles geregeld is en om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust te geven. De advocaat verzoekt de rechtbank om de driejaarstermijn in artikel 1:253t lid 2 sub b BW terzijde te schuiven nu toewijzing van het verzoek in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.\n\n4.7.. De advocaat van de vrouw, mr. De Dobbelaere-Woets heeft op 18 mei 2026 een door de vrouw ondertekende en door mr. De Dobbelaere-Woets medeondertekende referteverklaring overgelegd. Hieruit volgt dat de vrouw kennis heeft genomen van het verzoek, dat zij zich daartegen niet verzet en dat zij geen verweer voert tegen de verzoeken van de man. Kort samengevat betekent dit dat de vrouw het niet erg zou vinden als de man en de stiefmoeder belast worden met het gezamenlijk gezag.\n\n4.8.. De Raad adviseert de rechtbank om de verzoeken van de man toe te wijzen. Er is al langdurig geen contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw. De stiefmoeder is al een lange tijd betrokken in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de gezondheid van de man is onzeker. De Raad kan het zich in dat kader voorstellen dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de stiefmoeder ook belangrijke beslissingen mag nemen over hen, samen met de man. Dit zou [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een vorm van veiligheid en rust geven. Bovendien heeft de vrouw ook geen bewaar tegen de verzoeken. Of het verzoek van de man en de stiefmoeder ook vanuit een juridisch oogpunt kan worden toegewezen, laat de Raad aan de rechtbank over.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Het gaat goed op school, zij hebben fijne vrienden en vinden het thuis erg fijn. Zij ervaren de stiefmoeder als hun “echte” moeder en zijn angstig dat zij terug naar de vrouw moeten als er iets met de man gebeurt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen contact met de vrouw en hebben hier ook geen behoefte aan. Zij hebben een grote behoefte aan duidelijkheid en willen graag dat de man en de stiefmoeder belangrijke beslissingen voor hen mogen nemen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\nTen aanzien van het verzoek van de man tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag\n\n4.10.. De rechtbank heeft onder punt 4.2 en 4.3 de voorwaarden opgeschreven die de wet stelt om eenhoofdig gezag vast te leggen. De rechtbank vindt dat aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de man het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft. De rechtbank zal hieronder opschrijven waarom zij vindt dat aan die voorwaarden is voldaan.\n\n4.11.. Het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk gezag hebben en houden over hun kinderen. De rechtbank heeft gehoord en gelezen dat er tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw al erg lang geen contact meer is. De vrouw en de man hebben ook geen contact. De vrouw reageert niet op de berichten van de man die over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan. De vrouw heeft ook al een lange tijd geen enkele rol in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw heeft wel gezag, maar zij handelt daar niet naar. In dat geval is gezamenlijk gezag (gezag bij de man en de vrouw) niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw kan namelijk geen goede beslissingen nemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat zij geen idee heeft hoe het met hen gaat en wat hen bezighoudt. Ook bestaat het risico dat de man geen belangrijke beslissingen kan nemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terwijl dat wel nodig is, omdat de vrouw niet reageert op berichten van de man. De vrouw heeft tot slot de rechtbank laten weten dat zij het eens is met eenhoofdig gezag (en ook met gezamenlijk gezag bij de man en de stiefmoeder). De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de vrouw in de toekomst ook geen verandering wil brengen in deze situatie.\n\nTen aanzien van het verzoek van de man en de stiefmoeder tot het verkrijgen van gezamenlijk gezag\n\n4.12.. De rechtbank heeft in punt 4.4. opgeschreven welke voorwaarden de wet stelt aan gezag bij de man en bij de stiefmoeder samen. De rechtbank vindt dat aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank zal daarom bepalen dat de man en de stiefmoeder samen het gezag zullen hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank zal hieronder opschrijven waarom zij vindt dat aan die voorwaarden is voldaan.\n\n4.13.. De rechtbank stelt vast dat de stiefmoeder een hele grote rol speelt in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In de wet wordt dat “een nauwe persoonlijke betrekking” genoemd. De man en de stiefmoeder hebben al meer dan 9,5 jaar gezamenlijk de zorg over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de eerste voorwaarde die staat beschreven in de wet.\n\n4.14.. Aan de tweede voorwaarde, dat de man gedurende drie jaar alleen met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet zijn belast, wordt niet voldaan. De man heeft namelijk pas door deze beslissing het eenhoofdig gezag gekregen. Ondanks dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, zal de rechtbank het verzoek toch toewijzen, omdat de rechtbank vindt dat wel is voldaan aan de redenen waarom die voorwaarde in de wet is opgenomen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.\n\n4.15.. De tweede voorwaarde is opgenomen in de wet om te voorkomen dat er lichtvaardig (zonder er goed over na te denken) gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om het gezag aan iemand anders dan een ouder te geven. De rechtbank is van mening dat er in dit geval heel goed nagedacht is over de mogelijkheid om het gezag aan de man en de stiefmoeder te geven. De relatie tussen de man en de vrouw is rond 2013 beëindigd. Na de relatie is er weinig tot geen contact geweest tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw en sinds ongeveer drie jaar is het contact helemaal verbroken. De man is in 2017 getrouwd met de stiefmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al het grootste gedeelte van hun leven samen met de man en de stiefmoeder. De man heeft sinds de geboorte feitelijk alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingevuld, hij had geen contact of overleg met de vrouw over belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De relatie tussen de man en de stiefmoeder is al een lange tijd goed en de rechtbank verwacht dat deze relatie ook goed blijft. De band tussen de stiefmoeder en de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is zeer hecht. Daarnaast hebben de man en de stiefmoeder verklaard dat zij altijd het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw zullen blijven stimuleren. In de afgelopen periode is de man ernstig ziek geworden. De man heeft vanwege zijn nierziekte een niertransplantatie gehad en de situatie is nog steeds kwetsbaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maken zich zorgen over de mogelijke gevolgen als er iets met de man gebeurt. Zij willen dan in hun vertrouwde omgeving bij de stiefmoeder en hun broertjes blijven wonen en absoluut niet bij de vrouw wonen. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een gevoel van rust en veiligheid ervaren. Tot slot is de vrouw het ermee eens dat de man en de stiefmoeder het gezag samen zullen hebben.\n\nConclusie\n\n4.16.. De rechtbank zal onder punt 5 de beslissing nog in juridische woorden opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. \n\nbeëindigt het gezag van de vrouw over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012,\n\nen bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan toekomt aan de man en de stiefmoeder.\n\n5.2.. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Voorn, rechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5383","2026-07-13T00:28:26.810Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":49,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":36,"updatedAt":52},"1840","ECLI:NL:RBZWB:2026:5344","ecli-nl-rbzwb-2026-5344","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaak-\u002Frekestnummer: C\u002F02\u002F446209 \u002F FA RK 26-1423\n\nbeschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. M.S. Yap, kantoorhoudende te Bergen op Zoom,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. R.G.J. van Kerkhof, kantoorhoudende te Gilze.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 11 maart 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties;\n\n- de brief d.d. 23 maart 2026 van mr. Yap, met productie 6.\n\n1.2 Bij verzoekschrift ontvangen op 7 mei 2024 is de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C\u002F02\u002F422236 \u002F FA RK 24-2168. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot wijziging van het gezag en vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling ter beoordeling voor.\n\n1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 24 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, waarnemend voor mr. M.S. Yap. Daarnaast was aanwezig de man, bijgestaan door zijn advocaat en een vertegenwoordigster namens de Raad.\n\n1.4 Na te noemen minderjarige [minderjarige] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.2. De feiten\n\n2.1.. \n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgend, thans nog minderjarig, kind is geboren:\n\n- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017.2.2.. De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.2.3.. De minderjarige verblijft bij de vrouw.\n\n2.4.. Bij vonnis in kort geding van 21 mei 2024 van deze rechtbank is de vrouw veroordeeld tot nakoming van de omgangsregeling, inhoudende dat [minderjarige] en de man elke woensdag uit school tot 20:00 uur omgang met elkaar hebben, alsmede één keer in de veertien dagen op zaterdag omgang van 9:00 uur tot 20:00 uur. De vrouw is verder veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,- per keer dat zij niet aan de hiervoor opgenomen veroordeling tot nakoming van deze voorlopige omgangsregeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt. Verder zijn partijen en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West verwezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nDe vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, te bepalen:\n\nI. dat voor de duur van de hoofdprocedure de omgang wordt gewijzigd, in de zin dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige wordt stopgezet;\n\nII. een dag en uur te bepalen, waarop de behandeling van dit verzoekschrift zal aanvangen.\n\n3.2.. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.\n\nWettelijk kader\n\n4.3.. Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien:\n\nomgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,\n\nde ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,\n\nhet kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,\n\nindien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\n4.4.. De vrouw heeft verzocht voor de duur van de hoofdprocedure de omgang te wijzigen, in die zin dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige wordt stopgezet. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij zorgen heeft over de opvoedsituatie en -omgeving van de man. Deze zorgen worden door de casusregisseur van [praktijk] gedeeld en bestaan onder andere uit: meldingen van geluidsoverlast, in het bezit zijn van verdovende middelen, het gebruiken van verdovende middelen en een incident waarbij een mishandeling heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de politie de woning van de man verzegeld. Nu door de hulpverlening niet kan worden ingeschat hoe veilig het voor de minderjarige is om bij de man thuis te verblijven, is de vrouw door de hulpverlening geadviseerd om de omgangsregeling tijdelijk stop te zetten. De vrouw heeft dan ook de omgangsregeling stopgezet. Zij stelt zich op het standpunt dat de omgangsregeling kan worden hervat, mits er sprake is van begeleide omgang door een professional en deze omgang plaatsvindt op een neutrale locatie.\n\n4.5.. De vertegenwoordigster van de Raad adviseert dat er zo snel mogelijk weer contact tussen de minderjarige en de man moet komen, mits dit contact op een veilige wijze kan plaatsvinden. Gelet op de huidige omstandigheden is de inzet van een professional bij de omgangsbegeleiding het meest passend. Ook is het fijn voor de minderjarige als zij door een professional uitleg krijgt waarom het contact tussen haar en haar vader zeer abrupt gestopt is en wat zij de aankomende periode kan verwachten in het contact met haar vader.\n\n4.6.. Ter gelegenheid van de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt. Zij zijn overeengekomen dat op zo kort mogelijke termijn gestart gaat worden met begeleide omgang tussen de minderjarige en de man onder regie van de casusregisseur van [praktijk] . Het is aan de casusregisseur om te bepalen op welke wijze, de locatie, frequentie en de duur van deze omgang dient plaats te vinden. Indien naar het inzicht van de casusregisseur ruimte bij de minderjarige ontstaat, alsmede de veiligheid van de minderjarige voldoende gewaarborgd blijft, kan worden overgaan tot uitbreiding van de omgangsmomenten en\u002Fof kunnen de omgangsmomenten onder begeleiding vanuit het eigen netwerk en\u002Fof onbegeleid plaatsvinden. Toegewerkt dient te worden naar de oorspronkelijke omgangsregeling, waarbij de man en de minderjarige elke woensdag uit school tot 20:00 uur, alsmede één keer in de veertien dagen op zaterdag omgang van 9:00 uur tot 20:00 uur omgang met elkaar hebben. Daarnaast hebben partijen afgesproken dat de man informatie vanuit zijn hulpverleningsinstelling, namelijk vanuit ‘ [voetbalclub] ’, onderdeel van Novadic Kentron, verstrekt aan de casusregisseur, zodat deze op de hoogte is van de actuele stand van zaken bij de man\n\n4.7.. Gelet op de bereikte overeenstemming, en nu de belangen van de minderjarige zich hiertegen niet verzetten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak is beslist, dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, voorlopig recht hebben op begeleid contact met elkaar onder regie van de casusregisseur van [praktijk] , of een soortgelijke organisatie, op een door de casusregisseur te bepalen wijze, frequentie en duur, waarbij het ter beoordeling is aan de casusregisseur of en zo ja, wanneer en op welke wijze de omgang kan worden uitgebreid en\u002Fof onbegeleid kan plaatsvinden, zulks met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.6.;\n\n5.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, en, in tegenwoordigheid van mr. De Haard, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5344","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:41.374Z",20]