[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-roermond-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":41,"total":16,"page":25,"limit":77},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},66,"Roermond","nl","roermond",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2025-12-02T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122087","Burgerlijk Wetboek","art. 7:629 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122088","art. 7:629 lid 3",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123252","art. 7:641 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123583","art. 1:439",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"123584","art. 3:1",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"123585","art. 3:6",[42,52,61,70],{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":46,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":47,"summary":46,"language":7,"source":48,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":50,"updatedAt":51},"479","ECLI:NL:RBLIM:2026:5820","ecli-nl-rblim-2026-5820","","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: 12191805 \\ CV EXPL 26-1957\n\nVonnis in kort geding van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. E.G.W. Hendriks,\n\ntegen\n\nDE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: mr. F.M.C. van Helmond.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- het e-mailbericht van 1 juni 2026 van mr. Hendriks met nadere producties - de mondelinge behandeling van 2 juni 2026 - de pleitnota van de gemachtigde van [werknemer] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] is met ingang van 23 september 2024 bij [werkgever] in dienst getreden voor de duur van twaalf maanden. De laatste arbeidsovereenkomst is aangegaan met ingang van 23 september 2025 voor de duur van twaalf maanden. [werknemer] vervult de functie van beroepsmatige verkeersregelaar voor minimaal 24 uur per week, tegen een uurloon van € 15,00 bruto, vermeerderd met 8% vakantiegeld (productie 1 van [werknemer] ).\n\n2.2.. \n [werknemer] heeft zich op 18 december 2025 ziekgemeld vanwege psychische klachten. Op 19 december 2025 heeft er een fysiek gesprek plaatsgevonden tussen [werknemer] en [werkgever] . Op 31 december 2025 en 2 januari 2026 heeft er een telefonisch gesprek tussen partijen plaatsgevonden.\n\n2.3.. Op 2 januari 2026 heeft [werknemer] zich voor de tweede keer ziekgemeld.\n\n2.4.. \n\nOp 6 januari 2026 is [werknemer] op het spreekuur bij [bedrijfsarts 1] geweest (productie 6 van [werknemer] ). De bedrijfsarts adviseert onder meer als volgt:\n\n“Betrokkene is tijdelijk is uitgevallen voor haar eigen werkzaamheden.\n\nGeadviseerd wordt over twee weken een koffiemoment in te plannen met de werkgever.\n\nHierna wordt geadviseerd om invulling en structuur te geven aan de week d.m.v. laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk. Start dan met 3 dagdelen van maximaal 4 uur\n\nin werk zonder tijdsdruk, zonder klantcontact, zonder deadlines, zonder hoge verantwoording.”\n\n2.5.. Op 9 januari 2026 heeft [werknemer] een second opinion aangevraagd.\n\n2.6.. \n\nOp 20 januari 2026 heeft er een koffiemoment tussen partijen plaatsgevonden.\n\nOp 26 januari 2026 heeft er een aansluitend telefonisch overleg plaatsgevonden tussen partijen.\n\nNaar aanleiding van dit gesprek heeft [werkgever] op 26 januari 2026 een e-mailbericht gestuurd aan [werknemer] , waarin zij schrijft dat partijen gezamenlijk hebben besloten om het advies van de bedrijfsarts iets te wijzigen en hier een eigen invulling aan te geven; “Wij hebben gezamenlijk besloten om te starten met kortere diensten van maximaal 5 uur per week, waarbij jij omstreeks de 12 uur, gelijk aan het advies van de arboarts zal gaan werken in jouw eigen functie als beroepsmatig verkeersregelaar.” (productie 8 van [werknemer] ).\n\n2.7.. \n\n [werknemer] heeft naar aanleiding van voornoemd e-mailbericht van [werkgever] per e-mailbericht van 26 januari 2026 als volgt gereageerd:\n\n“Hallo, dit klopt. Hopelijk gaat het me lukken. En ga ik niet alsnog te snel. Maar ik ga me best doen.” (productie 8 van [werknemer] ).\n\n2.8.. De heer [casemanager] , casemanager van de Arbodienst, heeft bij e-mailbericht van 26 januari 2026 onder meer geschreven dat het mogelijk is om af te wijken van het advies van de bedrijfsarts, als de werknemer aangeeft hiermee akkoord te gaan (productie 5 van [werkgever] ).\n\n2.9.. \n\nBij e-mailbericht van 28 januari 2026 heeft [werknemer] zich opnieuw ziekgemeld. [werknemer] geeft hierin onder meer het volgende aan:\n\n“Ik ben vandaag weer bij de huisarts geweest. (..) Ik zit op moment thuis. Met burn-out en depressie. Hierdoor kan ik toch niet starten volgende week met werken. Dit omdat mijn gezondheid me voorgaat. Verder om de stress te verminderen wens ik ook dat het contact verder verloopt via de mail.\n\nDit omdat ik veel te makkelijk beinvloedbaar ben en me daardoor veel te makkelijk laat ompraten en toch weer de druk voel om ja te zeggen en daar wil ik vanaf. (..)”\n\n(productie 9 van [werknemer] ).\n\n2.10.. \n\nBij e-mailbericht van 29 januari 2026 heeft [werkgever] aangegeven het salaris met ingang van die week tijdelijk stop te zetten (productie 9 van [werknemer] ).\n\nDit is nogmaals bevestigd bij brief van de gemachtigde van [werkgever] van 29 januari 2026. In de brief staat onder meer het volgende opgenomen:\n\n“ (..) U heeft zelf aangegeven graag naar buiten te willen. Uw werkgever heeft hier in mee gedacht en met akkoord van de bedrijfsarts zou u kunnen starten met buitenwerk.\n\nEvenwel heeft u nu aangegeven pas vanaf media maart te willen starten met deze vervangende werkzaamheden, omdat u eerst uw (nieuwe) honden zou willen trainen. U weigert daarmee überhaupt werkzaamheden uit te voeren. (..).\n\nDoor zonder deugdelijke grond na te laten de u aangeboden passende werkzaamheden te verrichten, belemmert en vertraagt u uw re-integratie.\n\nDe werkgever ziet zich dan ook genoodzaakt (..) met onmiddellijke ingang de doorbetaling van het loon te stoppen tot het moment waarop u aan al uw re-integratieverplichtingen voldoet. Alvorens uw werkgever daartoe overgaat, ontvangt u een waarschuwing.\n\n(..). Ik verzoek en voor zover nodig sommeer ik u om u op 2 februari 2026 om 07.30 uur te melden conform de planning voor het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden. (..).(productie 10 van [werknemer] ).\n\n2.11.. Bij brief van de gemachtigde van [werkgever] van 2 februari 2026 is aan [werknemer] de loonbetalingen per direct stopgezet (productie 6 van [werkgever] ).\n\n2.12.. \n [werknemer] heeft op 12 februari 2026 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV over de vraag of zij aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan (productie 8 van [werkgever] ).\n\n2.13.. Bij brief van 14 februari 2026 heeft de gemachtigde van [werknemer] gereageerd op de brief van de gemachtigde van [werkgever] van 29 januari 2026 (productie 11 van [werknemer] ).\n\n2.14.. \n\nOp 6 maart 2026 is [werknemer] door [bedrijfsarts 2] beoordeeld in het kader van de door [werknemer] aangevraagde second opinion. De second opinion arts schrijft onder meer het volgende:\n\n“Ik ben het eens met het advies d.d. 6-1-2026 van de POB’er\u002FBedrijfsarts (..).\n\nOp grond van hetgeen mevrouw mij vertelt bood de werkgever haar vervolgens haar eigen (niet passende) werk aan. Logischerwijs is zij daarin niet hervat.” (productie 12 van [werknemer] ).\n\n2.15.. Het UWV heeft op 25 maart 2026 een deskundigenrapport uitgebracht. De conclusie van de deskundige luidt: “De client is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid. Zie de beschouwing” (productie 13 van [werknemer] ).\n\n2.16.. \n\nOp 13 mei 2026 is [werknemer] op het spreekuur van [bedrijfsarts 3] geweest.\n\nDe bedrijfsarts schrijft onder meer het volgende:\n\n“Beperkingen: Er is geen verandering opgetreden in de reeds eerder beschreven beperkingen.\n\nMogelijkheden in eigen werkzaamheden\u002FMogelijkheden in vervangende werkzaamheden: ik vraag medische informatie op bij de behandelaar om een beter beeld te krijgen. Verder re-integratieadvies zal hierna vorm gegeven worden.”\n\n2.17.. \n\n [werkgever] heeft een onderzoeksbureau (bedrijfsrecherche) ingeschakeld, omdat zij vermoedens had dat [werknemer] elders werkzaamheden verrichte.\n\n [werknemer] is op 20 mei, 21 mei en 26 mei 2026 door het onderzoeksbureau geobserveerd. Het verslag van het onderzoeksbureau van 27 mei 2026 is als productie 10 door [werkgever] overgelegd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [werknemer] vordert - samengevat - de veroordeling van [werkgever] tot betaling van:\n\n1. het achterstallige salaris over de maanden februari en maart 2026 (de kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [werknemer] dat waar in het petitum onder 1 is opgenomen\n\n‘de maanden en februari 2026’ hiermee de maanden februari en maart 2026 wordt bedoeld) ad € 4.844,66 bruto per maand te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, te voldoen binnen twee dagen na 17 juni 2026, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n2. het maandelijkse loon ad € 2.422,33 bruto vanaf april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, met afgifte van de betreffende salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n3. het loon over de maand september 2025, december 2025 en januari 2026 aan te vullen tot een bruto maandloon van € 2.422,33 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging, met afgifte van de betreffende salarisspecificaties, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,\n\n4. de kosten van het deskundigenoordeel van het UWV ad € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n5. de kosten van de procedure.\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [werknemer] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisende belang ten aanzien van de vorderingen in de aard van die vorderingen ligt besloten. De gestelde spoedeisendheid van deze vordering is door [werknemer] bovendien voldoende aannemelijk gemaakt en door [werkgever] niet weersproken. [werknemer] is daarom ontvankelijk in haar vordering.\n\nUitgangspunt inhoudelijke beoordeling in kort geding\n\n4.2.. \n\nBij de beoordeling van de vordering van [werknemer] neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat deze vorderingen alleen toewijsbaar zijn in het geval zij voldoende aannemelijk maakt dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is.\n\nAls uitgangspunt geldt hiernaast dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.\n\nDe beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.\n\nLoonstop\n\n4.3.. \n\nOp grond van artikel 7:629 lid 1 BW is een werkgever gehouden om bij ziekte van een werknemer het loon door te betalen, tenzij zich een van de in lid 3 genoemde uitzonde-ringsgronden voordoet. Volgens [werkgever] is hier sprake van. Op het moment van de loonstop was er sprake van weigering van passende arbeid c.q. onvoldoende medewerking aan re-integratie in de zin van artikel 7:629 lid 3 BW (sub c), aldus [werkgever] .\n\nDe kern van het geschil tussen partijen is dan ook de vraag of door [werkgever] terecht een loonstop is opgelegd vanaf februari 2026. De kantonrechter zal, gezien de stellingen van partijen over en weer, de loonstop hierna over een aantal periodes verdelen en beoordelen.\n\nPeriode 2 februari 2026 (aanvang loonstop) tot 6 maart 2026\n\n4.4.. \n [werkgever] erkent dat [werknemer] zich op 28 januari 2026 (weer) ziek heeft gemeld. [werkgever] voert aan dat deze ziekmelding op gespannen voet staat met de kort daarvoor tussen partijen gemaakte afspraken over gefaseerde hervatting in de eigen werkzaamheden. Omdat [werknemer] zich niet aan de afspraak hield heeft ze op 2 februari 2026 de doorbetaling van het loon gestopt.\n\n4.5.. \n\nUit het verslag van de bedrijfsarts van 6 januari 2026 volgt dat aan [werknemer] laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk wordt geadviseerd van drie dagdelen van maximaal 4 uur per dag zonder tijdsdruk, zonder klantcontact, zonder deadlines, zonder hoge verantwoording.\n\nVolgens [werkgever] hebben partijen hiervan afgeweken en hebben zij op 26 januari 2026 gezamenlijk besloten dat [werknemer] weer zal gaan werken in haar eigen functie als verkeersregelaar. Dat dit was toegestaan blijkt volgens [werkgever] uit de bevestiging in het e-mailbericht van 26 januari 2026 van de heer [casemanager] , casemanager van de Arbodienst.\n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] zelf had aangegeven dat zij weer buitenwerkzaamheden (lees; haar eigen werkzaamheden) wilde gaan doen, maar volgens [werknemer] is dat niet juist. Volgens [werknemer] had [werkgever] op haar vraag of er aangepast werk aanwezig was, ontkennend geantwoord. Ze was vervolgens niet in staat om goed voor haarzelf op te komen en is daarom akkoord gegaan met werken in haar eigen functie.\n\n4.6.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat, nu [werknemer] zich op 28 januari 2026 opnieuw ziek had gemeld, het op de weg van [werkgever] had gelegen om ook opnieuw de bedrijfsarts in te schakelen.\n\nHierbij kan in het midden blijven wat partijen wel of niet met elkaar hadden afgesproken op 20 januari 2026 en 26 januari 2026 naar aanleiding van het advies van de bedrijfsarts van 6 januari 2026.\n\nUit de ziekmelding van 28 januari 2026 had [werkgever] kunnen afleiden dat [werknemer] zich op het standpunt stelde dat zij zich ( [werknemer] spreekt over een burn-out en depressie) niet aan de gemaakte afspraken kon houden. Het is niet aan de werkgever om te beoordelen of dit juist is. Bovendien ziet het e-mailbericht van de heer [casemanager] van 26 januari 2026 niet op een medische beoordeling over de mogelijkheid tot het verrichten van de eigen werkzaamheden door [werknemer] , maar wordt uitsluitend aangegeven dat het mogelijk is om af te wijken van het advies van de bedrijfsarts, als de werknemer hiermee akkoord gaat.\n\n4.7.. \n\n [werkgever] stelt verder dat zij aan [werknemer] (al dan niet op een later moment) ook vervangende arbeidstherapeutische werkzaamheden heeft aangeboden, doch dat [werknemer] daar geen gebruik van heeft gemaakt, waardoor [werknemer] zich heeft onttrokken van haar re-integratieverplichtingen. Dit standpunt kan eveneens niet slagen.\n\nUit de overgelegde correspondentie (productie 11 van [werknemer] ) volgt slechts een algemeen aanbod om deze werkzaamheden te komen verrichten, zonder nadere toelichting wat deze werkzaamheden concreet inhouden en hoe het opbouwschema er in dat geval uit zou zien, een en ander conform het advies van de bedrijfsarts. Een algemeen aanbod van [werkgever] is in ieder geval onvoldoende. Het is aan de werkgever om deze werkzaamheden aan de werknemer concreet aan te bieden.\n\nBovendien heeft [werknemer] in haar e-mailbericht van 28 januari 2026 aangegeven dat zij niet kon starten met werken, waaruit [werkgever] had kunnen afleiden dat zij ook geen vervangende werkzaamheden kon verrichten.\n\n4.8.. Nu [werknemer] eerst op 6 maart 2026 (in het kader van een second opinion) door een bedrijfsarts is gezien, is de loonstop onterecht opgelegd en dient het salaris over deze periode door [werkgever] te worden doorbetaald.\n\n4.9.. Daarnaast geldt voor deze periode eveneens de beoordeling in overwegingen 4.10 en verder, met betrekking tot het deskundigenoordeel.\n\nPeriode 6 maart 2026 tot 25 maart 2026\n\n4.10.. De bedrijfsarts heeft op 6 maart 2026 in het kader van de second opinion geoordeeld dat hij zich aansluit bij het eerdere advies van de bedrijfsarts van 6 januari 2026 en dat het logisch is dat [werknemer] niet haar eigen werkzaamheden heeft hervat. Vervolgens heeft het UWV een deskundigenrapport opgemaakt op 25 maart 2026. Het UWV komt tot de conclusie dat [werknemer] per geschildatum, dat wil zeggen met ingang van de in de vraagstelling opgenomen periode vanaf 18 december 2025 tot aan de datum van het deskundigenrapport op 25 maart 2026, niet geschikt te achten is voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.\n\n4.11.. \n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat het rapport van het UWV is gebaseerd op een door [werknemer] onjuist geschetste feitencomplex met betrekking tot de gemaakte re-integratieafspraken, haar instemming met een gefaseerde hervatting in de eigen werkzaamheden en de uitkomsten over de second opinion.\n\nDe kantonrechter volgt [werkgever] hierin niet. In de sociaal-medische beoordeling van [werknemer] heeft de deskundige onder meer het volgende verklaard:\n\n“Op het moment is de situatie als volgt.\n\nOp basis van de gegevens uit de anamnese, dagverhaal, onderzoek psyche, observatie tijdens spreekuur en de beschikbare dossiergegevens is het consistent en plausibel dat cliënt momenteel lijdt aan een ernstige psychische stoornis (..).\n\nIn het kader van de aanvraag deskundigenoordeel het volgende: cliënt kan, in deze toestand, echt niet werken. De vraagstelling van werknemer was dat of zij genoeg heeft gedaan om weer aan het werk te gaan. Wat mij betreft is het antwoord ‘ja’. Bovenstaande zal worden overlegd met de bedrijfsarts waarna het definitieve oordeel volgt. Wat betreft de concrete vraagstelling van de arbeidsdeskundige kan ik kort zijn. Er is sprake van geen benutbare mogelijkheden (..)\n\nConclusie\n\nDe cliënt is per geschildatum niet geschikt te achten voor het uitvoeren van de bedongen arbeid.”.\n\n4.12.. \n\nVoor zover [werkgever] zich op het standpunt stelt dat de deskundige bij zijn onderzoek geen informatie bij haar heeft opgehaald, geldt dat de focus op de medische situatie van de werknemer ligt en de werkgever geen medische partij is.\n\nDe deskundige heeft in dit geval de belastbaarheid beoordeeld op basis van eigen onderzoek en daarnaast op basis van de verkregen gegevens van de second opinion arts. De deskundige heeft getracht informatie op te halen van de primaire [bedrijfsarts 2] , maar uit het rapport blijkt dat dit niet is gelukt.\n\nDe kantonrechter ziet, in het kader van dit kort geding, geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van het deskundigenoordeel van het UWV.\n\n4.13.. Het voorgaande betekent dat [werknemer] een geldige reden had om niet mee te werken aan haar re-integratie, haar geen concrete passende arbeid is aangeboden en in het geval hier wel sprake van is geweest, er sprake is geweest van een deugdelijke grond om deze te weigeren. Dat betekent dat de loonstop over deze periode onterecht is opgelegd en het salaris door [werkgever] alsnog dient te worden betaald.\n\nPeriode vanaf 25 maart 2026\n\n4.14.. \n\n [werknemer] is op 13 mei 2026 gezien op het spreekuur van [bedrijfsarts 3] . De bedrijfsarts heeft aangegeven dat er geen verandering is opgetreden in de al eerder beschreven beperkingen. Ten aanzien van de mogelijkheden in eigen werkzaamheden danwel vervangende werkzaamheden heeft de bedrijfsarts aangegeven medische informatie op te vragen bij de behandelaar om een beter beeld te krijgen en dat verdere re-integratie-advies hierna vorm zal worden gegeven.\n\nDat betekent dat, nu de bedrijfsarts op 13 mei 2026 geen uitspraak heeft kunnen doen over het hervatten van de eigen danwel vervangende werkzaamheden, de bevindingen uit het deskundigenrapport het uitgangspunt blijft totdat [werknemer] opnieuw bij het spreekuur van de bedrijfsarts is geweest.\n\n4.15.. \n\n [werkgever] stelt zich op het standpunt dat uit het rechercheonderzoek van Recherche Bureau Zuid volgt dat [werknemer] tijdens haar ziekteverzuim in mei 2026 feitelijk werkzaamheden heeft verricht bij een autopoetsbedrijf. Volgens [werkgever] komt dit niet overeen met het standpunt van [werknemer] dat zij volledig arbeidsonge-geschikt is en geen enkele re-integratie kan verrichten.\n\n [werknemer] heeft tijdens de zitting op vraag van de kantonrechter waarom zij deze werkzaamheden heeft verricht en waarom zij dit niet vooraf bij [werkgever] had gemeld, geantwoord dat zij niet wist dat het een verplichting was om dit aan haar werkgever te melden en dat haar door de bedrijfsarts was geadviseerd om zich niet in huis op te sluiten.\n\nVolgen [werknemer] had een kennis van haar moeder haar aangeboden om als afleiding te komen helpen bij de autowasserette. Dat heeft zij drie keer gedurende een aantal uren gedaan. [werknemer] heeft hier geen salaris voor ontvangen. Dit alles is niet door [werkgever] betwist.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat het verstandiger was geweest als [werknemer] eerst toestemming aan [werkgever] had gevraagd, maar dat onder de geschetste omstandigheden niet blijkt dat [werknemer] nevenwerkzaamheden tijdens ziekte heeft verricht, die zodanig zijn geweest dat deze een loonstop rechtvaardigen.\n\nConclusie\n\n4.16.. Op grond van de voorgaande overwegingen is de conclusie gerechtvaardigd dat de loonstop onterecht is opgelegd en het salaris vanaf de loonstop moet worden betaald.\n\nHoogte van het brutosalaris\n\n4.17.. Partijen verschillen verder van mening over de hoogte van het bruto maandsalaris van [werknemer] . [werknemer] beroept zich op het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. Volgens [werknemer] is er sprake van een hogere arbeidsomvang per maand dan het in de arbeidsovereenkomst vastgestelde minimum van 24 uur (104 uur per maand), uitgaande van de gewerkte uren in de drie maanden (september, oktober en november 2025) voorafgaande aan haar ziekmelding op 18 december 2025. Daarom heeft zij vanaf september 2025 recht op een brutosalaris van € 2.422,33 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en emolumenten, aldus [werknemer] .\n\n4.18.. Volgens [werkgever] vormen de maanden september tot en met november 2025 geen representatieve afspiegeling van de gemiddelde arbeidsomvang, omdat dit de piekperiodes betreft binnen haar bedrijfsvoering. [werkgever] heeft een urenoverzicht van de door [werknemer] gewerkte uren in 2024 en 2025 en een uitdraai van het maandelijks planningsysteem overgelegd, waaruit dit volgens haar blijkt (productie 15 en 16).\n\n4.19.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] het vermoeden, dat de gemiddelde arbeidsomvang die na berekening, uitgaande van een salaris van € 2.422,33 bruto per maand, 161,49 uren per maand zou bedragen, heeft weerlegd. Uit de met stukken onderbouwde stellingen van [werkgever] volgt voldoende dat de arbeid zich in pieken en dalen aandient en dat de periode van drie maanden voorafgaande aan de ziekmelding daarom geen representatieve arbeidsperiode is voor de berekening van de gemiddelde arbeidsomvang per maand.\n\n In het overzicht van [werkgever] is te zien dat de maanden oktober en november in 2024 en in 2025 (maar ook maart en april 2025) veel meer uren is gewerkt dan in de overige maanden van het jaar. Dit is niet weersproken door [werknemer] .\n\n4.20.. \n\n [werkgever] stelt verder dat, als de piekmaanden november en december buiten beschouwing worden gelaten, berekend over het jaar 2025 er sprake is van een gemiddelde arbeidsomvang van 104 uren per maand.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat dit standpunt niet kan slagen.\n\nUitgaande van een representatieve arbeidsperiode die ziet op het gehele jaar 2025 dienen alle gewerkte maanden in de berekening te worden meegenomen, met uitzondering van de maand december 2025, omdat [werknemer] vanaf 18 december 2025 wegens ziekte niet heeft kunnen werken. Dat betekent dat, uitgaande van het totaal aantal feitelijk gewerkte uren over de periode januari tot en met november 2025, zijnde 1.333,25, de gemiddelde arbeidsomvang 121,20 uren per maand bedraagt. Het daarbij behorende salaris per maand bedraagt € 1.818,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Van dit bedrag zal dan ook worden uitgegaan.\n\nSalaris vanaf februari 2026\n\n4.21.. Nu [werkgever] vanaf februari 2026 geen salaris meer aan [werknemer] heeft betaald, wordt zij veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [werknemer] het salaris van € 1.818,00 bruto per maand te betalen, vanaf februari 2026 tot aan de datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling.\n\n4.22.. \n\nHet salaris vanaf 17 juni 2026 wordt afgewezen, omdat dit niet door [werknemer] is onderbouwd. Het spoedeisend belang hiervan is eveneens niet gebleken.\n\nBovendien is onduidelijk of het loon vanaf heden ook daadwerkelijk verschuldigd wordt.\n\n4.23.. De kantonrechter ziet redenen om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen naar 25%. [werkgever] is er vanwege de geschetste omstandigheden vanuit gegaan dat zij niet gehouden was om het loon te betalen en dat zij op terechte gronden een loonstop had opgelegd. Er is geen sprake van een situatie waarbij de werkgever over de gehele periode het loon tegen beter weten in niet aan de werknemer heeft betaald. Dit is een omstandigheid die matiging rechtvaardigt.\n\nAanvulling salaris over de maanden september 2025, december 2025 en januari 2026\n\n4.24.. \n\n [werknemer] stelt zich op het standpunt dat [werkgever] gehouden is het loon over september 2025, december 2025 en januari 2026 te corrigeren tot een bedrag van € 2.422,33. Nu eerder is vastgesteld dat uitgegaan moet worden van een salaris van\n\n€ 1.818,00 bruto per maand, zal de vordering tot aanvulling van het salaris over de maanden september 2025 en januari 2026 worden toegewezen tot een bedrag van € 1.818,00 bruto per maand.\n\n4.25.. \n\nTen aanzien van de maand december 2025 heeft [werkgever] zich onweersproken op het standpunt gesteld dat op grond van de arbeidsovereenkomst bij ziekte twee wachtdagen wordt aangehouden.\n\nDe kantonrechter zal de vordering tot aanvulling van het salaris over de maand december 2025 dan ook toewijzen, zoals in de beslissing vermeld.\n\n4.26.. \n\nDe wettelijke rente wordt toegewezen over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling.\n\nDe wettelijke verhoging wordt in dit geval eveneens gematigd tot 25%.\n\nAfgifte salarisspecificaties en dwangsom\n\n4.27.. De gevorderde afgifte van de salarisspecificaties is toewijsbaar. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. [werknemer] heeft niet onderbouwd op grond waarvan zij deze vordert. Bovendien heeft zij de stelling van [werkgever] , dat zij vrijwillig aan een veroordeling tot het verstrekken van salarisspecificaties zal voldoen, niet weersproken.\n\nKosten deskundigenoordeel\n\n4.28.. \n\n [werknemer] stelt dat zij € 100,00 aan kosten heeft moeten maken voor het aanvragen van een deskundigenoordeel. [werkgever] betwist de gevorderde kosten verschuldigd te zijn. Het feit dat een deskundigenoordeel in kort geding niet verplicht is betekent niet dat een deskundigenoordeel niet van belang kan zijn voor de beoordeling in kort geding, zoals ook nu is gebleken. [werknemer] heeft het deskundigenoordeel aangevraagd omdat [werkgever] over was gegaan tot een salarisstop. Nu de kantonrechter, in het kader van dit kort geding heeft geoordeeld dat de loonstop onterecht is geweest, dient [werkgever] de kosten van het deskundigenoordeel te vergoeden.\n\nDe vordering is toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.\n\nProceskosten\n\n4.29.. \n [werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [werknemer] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.4.30.. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.102,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] binnen twee dagen na betekening van het vonnis het salaris van € 1.818,00 bruto per maand te betalen, vanaf februari 2026 tot 17 juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging van 25%,\n\n5.2.. veroordeelt [werkgever] om het salaris over de maanden september 2025, december 2025 en januari 2026 aan te vullen tot € 1.818,00 bruto per maand, waarbij over de maand december 2025 over de eerste twee ziektedagen geen loon verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente over de respectievelijk verschuldigde bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid daarvan tot aan de dag van volledige betaling en de wettelijke verhoging van 25%,\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] tot afgifte van de op overweging 5.1. en 5.2. van toepassing zijnde salarisspecificaties,\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van € 100,00 aan kosten deskundigenoordeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op\n\n17 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5820","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:32.503Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":46,"courtId":5,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":46,"language":7,"source":48,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":50,"updatedAt":60},"1155","ECLI:NL:RBLIM:2026:3937","ecli-nl-rblim-2026-3937","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: 11859659 \\ CV EXPL 25-3648\n\nVonnis van 29 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [werknemer],\n\ngemachtigde: mr. L.E.I.K. Jaminon,\n\ntegen\n\n [werkgever],\n\nte [plaats 2],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [werkgever],\n\ngemachtigde: mr. M.L.M. van de Laar.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 12 producties - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 14 producties - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de ten behoeve van de mondelinge behandeling ingekomen producties 15 en 16 van [werkgever]\n\n- de ten behoeve van de mondelinge behandeling ingekomen producties 13 en 14 van [werknemer]\n\n- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Jaminon\n\n- het bericht van [werkgever] dat partijen geen regeling hebben getroffen.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] is met ingang van 1 oktober 2002 in dienst getreden bij [werkgever]. Laatstelijk was zij werkzaam in de functie van opzichter ruimtelijk beheer op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [werknemer] verricht werkzaamheden op het gebied van faunabeheer, ongediertebestrijding, en overige gemeentelijke taken waaronder begrafenissen. De CAO Gemeenten is van toepassing op de arbeidsovereenkomst.\n\n2.2.. In 2022 hebben partijen afspraken gemaakt over de opname van verlof en de ingang van het vroegpensioen. In het door partijen ondertekende schriftelijke stuk “addendum arbeidsovereenkomst: opname verlof en vroegpensioen” is opgenomen:\n\n“Medewerker neemt verlof op vanaf 1 oktober 2024 tot 1 april 2025. Dit verlof kan medewerker opnemen gedurende maximaal 6 maanden.\n\nMedewerker aansluitend op het verlof van 6 maanden met vroegpensioen gaat. Uitgangspunt is dat dit met ingang van 1 april 2025 zal gebeuren.\n\nMedewerker koopt bovenwettelijk verlof van 2022, 2023, 2024 en deels 2025 om het verlof van 6 maanden vanaf oktober 2024 op te kunnen nemen.”\n\n2.3.. Op 3 oktober 2024 hebben partijen nader afgesproken dat [werknemer] met betrekking tot ongediertebestrijding en faunabeheer 8 uur per week zou blijven werken en wel na 10 oktober 2024.\n\n2.4.. Op vrijdag 10 oktober 2024 is aan [werknemer] een afscheidsfeest aangeboden door [werkgever].\n\n2.5.. Tijdens de kerstperiode 2024 heeft [werknemer] vanwege de minimale bezetting bij [werkgever] werkzaamheden verricht met betrekking tot begrafenissen en opgravingen.\n\n2.6.. \n\nBij brief van 22\u002F23 januari 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] bericht:\n\n“Op [datum] 2026 bereik je je AOW- gerechtigde leeftijd. Met deze brief informeren wij je over de afspraken in verband met jouw (vroeg)pensionering.\n\nJij hebt om ontslag verzocht in verband met jouw vroegpensioen per 1 april 2025. Wij bevestigen jouw verzoek om ontslag, op grond van het bepaalde in artikel 7:672 Burgerlijke Wetboek. Met ingang van 1 april 2025 verlenen wij jouw ontslag uit jouw functie van opzichter ruimtelijk beheer.”\n\n2.7.. \n\nNa ontvangst van deze brief heeft [werknemer] telefonisch contact opgenomen met haar leidinggevende, de heer Eggen, en met hem gesproken over (onder meer) deze brief.\n\nDaarna hebben partijen meerdere gesprekken gehad met elkaar.\n\n2.8.. \n\nBij e-mail van 19 februari 2025 heeft de leidinggevende van [werknemer] aan haar bericht:\n\n“Ik heb ook aangegeven dat vanaf dit gesprek 04-02 je je echt moet gaan houden aan de gemaakte afspraak van 1 dag per week en de rest wat mij betreft verlof is.\n\nWe hebben het gehad over de overmacht situatie rond de kerstperiode rond begrafenissen. Dit was een soort wet van Murphy waar ineens een heleboel onverwachte zaken bij elkaar kwamen terwijl de bezetting op zijn smalst was.\n\nIk heb mijn waardering uitgesproken dat je rond dit gevoelige onderwerp je verantwoording hebt genomen en dat de uren ook gehonoreerd zouden worden.”\n\n2.9.. Op 9 maart 2025 heeft [werknemer] (onder meer) aan [werkgever] laten weten dat zij onverwachts geconfronteerd is geworden met het gegeven dat haar account bij [werkgever] was afgesloten, terwijl zij nog niet alle zaken had afgehandeld. Ook heeft zij aan [werkgever] gevraagd hoe de financiële afhandeling van het einde van haar dienstverband gaat plaatsvinden.\n\n2.10.. \n\nOp 10 maart 2025 heeft [werknemer] een e-mail van [werkgever] ontvangen met in de bijlagen een brief gedateerd 27 februari 2025. In die brief is onder meer opgenomen:\n\n“Onlangs is gebleken dat je geen verlof hebt opgenomen. Sterker nog, je hebt verlof bijgekocht. Je gaf aan dat je geen verlof hebt kunnen opnemen, omdat je werkzaamheden hebt verricht. Het was bekend dat je 8 uur per week zou blijven werken. Daarom is het ook akkoord als je een maand langer verlof krijgt, zodat het vroegpensioen ingaat per 5 mei 2025.\n\nJe hebt niet kunnen aantonen welke andere werkzaamheden je hebt verricht. Dit staat nog los van het feit dat je dit ook niet hebt afgestemd met je leidinggevende of met mij. Ik ga nog steeds uit van de afspraak die wij hebben gemaakt en dat je dus de afgelopen maanden, met uitzondering van de genoemde 8 uur per week, verlof hebt gehad.”\n\nVerder is in deze brief opgenomen dat [werknemer] vóór 1 maart 2025 alle spullen dient in te leveren en zij vanaf die datum geen werkzaamheden meer dient te verrichten.\n\n2.11.. Bij brief van 10 april 2025 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan [werkgever] onder meer laten weten dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst nooit heeft opgezegd en dat [werknemer] bereid is met vroegpensioen te gaan als het volledige verlof is opgenomen.\n\n2.12.. Bij brief van 22 april 2025 heeft de gemachtigde van [werkgever] laten weten niet in te stemmen met de inhoud van de brief van 10 april 2025. [werkgever] geeft aan zij de uitlatingen en gedragingen van [werknemer] heeft kunnen en mogen opvatten als een duidelijke ondubbelzinnige en op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte verklaring. [werkgever] vindt dat [werknemer] haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en dat [werknemer] heeft toegezegd dat zij per 1 april 2025, later aangepast naar 5 mei 2025, met vroegpensioen zou gaan. [werknemer] had er volgens [werkgever] op moeten toezien dat de overeengekomen uren (8 per week) niet zouden worden overschreden en dat zij tot de einddatum verlof zou opnemen.\n\n2.13.. \n\nPartijen hebben elkaar bericht dat zij hun ingenomen standpunten handhaven.\n\nGelet op deze impasse is [werknemer] een procedure gestart.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n [werknemer] vordert:\n\n- te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen vigerend is;\n\nPrimair:\n\n [werkgever] te veroordelen tot betaling van:\n\n€ 5.393,90 betreffende loon over de maand mei 2025;\n\n€ 2.696,95 betreffende de wettelijke verhoging over het loon van mei 2025;\n\n€ 6.193,00 betreffende loon over de maand juni 2025;\n\n€ 3.096,50 betreffende de wettelijke verhoging over het loon van juni 2025;\n\n€ 6.193,00 betreffende loon over de maand juli 2025;\n\nde ten tijde van het wijzen van het vonnis toepasselijke maximale wettelijke verhoging over het loon van juli 2025;\n\nalle voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;\n\net periodiek loon over alle resterende maanden die de arbeidsovereenkomst zal voortduren met toepassing van de loonsverhoging conform CAO;\n\nSubsidiair:\n\n [werkgever] te veroordelen tot betaling van:\n\n€ 32.438,25 bruto in het kader van aanspraak op uitkering in geld terzake van niet genoten vakantiedagen ex artikel 7:641 lid 1;\n\n€ 5.530,72 bruto van het IKB over de aanspraak op uitkering in geld terzake van niet genoten vakantiedagen;\n\n€ 18.984,485 In het kader van de wettelijke verhoging over de aanspraak op uitkering in geld terzake van niet genoten vakantiedagen en over het IKB;\n\nalle voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening.\n\n- [werkgever] te veroordelen in de proceskosten, met rente.\n\n3.2.. \n [werknemer] heeft het navolgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd.\n\nPrimair:\n\nPartijen hebben in 2022 afspraken gemaakt over het opnemen van verlof en haar vroegpensioen. Deze afspraken zijn opgenomen in een addendum bij de arbeidsovereenkomst. Partijen zijn overeengekomen dat [werknemer] vanaf 1 oktober 2024 verlof zou opnemen gedurende maximaal 6 maanden (tot 1 april 2025) en dat [werknemer] na het verlof van 6 maanden met vroegpensioen zou gaan. Partijen zijn - zoals in het addendum vermeld - als uitgangssituatieovereengekomen dat [werknemer] met ingang van 1 april 2025 met vroegpensioen zou gaan. Hieruit vloeit echter geen verplichting voort. Blijkens dit addendum zijn partijen – anders dan [werkgever] aanvoert - dus geen einde van het dienstverband overeengekomen. [werkgever] vindt ten onrechte dat het dienstverband is geëindigd per 5 mei 2025 en is gestopt met het betalen van loon per die datum.\n\n [werknemer] heeft echter steeds aan [werkgever] aangegeven dat zij pas met vroegpensioen gaat op het moment dat al haar verlof is opgenomen. [werknemer] heeft berekend dat dit per 30 november 2025 is. [werknemer] vordert daarom nog loon van [werkgever], alsmede wettelijke verhoging en wettelijke rente.\n\nSubsidiair:\n\nIndien uitgegaan wordt van een einddatum dienstverband per 5 mei 2025, zoals [werkgever] betoogt, maakt [werknemer] aanspraak op uitbetaling van openstaande verlofuren.\n\nAnders dan [werkgever] aanvoert, heeft [werknemer] vanaf oktober 2024 meer werkzaamheden verricht dan 8 uur per week.\n\n3.3.. \n [werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer].\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.5.. \n [werkgever] vordert:\n\nvoor recht te verklaren dat het dienstverband van [werknemer] met ingang van 5 mei 2025 is beëindigd vanwege opzegging door [werknemer] dan wel instemming met de beëindiging door [werkgever] dan wel op grond van een beëindigingsovereenkomst;\n\nIndien het dienstverband van [werknemer] niet per 5 mei 2025 is geëindigd, voor recht te verklaren dat deze per 1 oktober 2025 is geëindigd;\n\nIndien de door [werknemer] gevorderde wettelijke verhoging wordt toegewezen, deze verhoging te matigen;\n\n [werknemer] aansprakelijk te stellen voor de door [werkgever] geleden schade wegens tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst;\n\n [werknemer] te veroordelen tot vergoeding van de door [werkgever] geleden schade. De schade bestaat uit het loon dat aan [werknemer] sinds 5 mei 2025 zou zijn verschuldigd, de wettelijke verhoging over het loon en de wettelijke rente,\n\n [werknemer] te veroordelen in de proceskosten, met rente.\n\n3.6.. \n\n [werkgever] heeft het navolgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd.\n\nVolgens [werkgever] volgt uit het addendum dat partijen hebben afgesproken dat uitgangspunt is, dat het vroegpensioen met ingang van 1 april 2025 zou ingaan. Partijen zijn daarna overeengekomen dat [werknemer] toch 8 uur per week werkzaamheden zou verrichten voor [werkgever]. Volgens [werkgever] is de einddatum van het dienstverband daardoor met één maand verschoven naar 5 mei 2025. Door het aangaan van het addendum heeft [werknemer] haar dienstverband opgezegd dan wel zijn haar gedragingen en handelingen te kwalificeren als instemming met beëindiging van het dienstverband dan wel als het aangaan van een beëindigingsovereenkomst.\n\n [werknemer] had zich volgens [werkgever] moeten houden aan de gemaakte afspraken. Dat betekent dat zij wekelijks 8 uur werkzaamheden zou verrichten voor ongediertebestrijding en faunabeheer en overigens verlof zou opnemen zodat zij met ingang van 5 mei 2025 met vroegpensioen zou gaan. [werknemer] is deze afspraken niet nagekomen, zodat er sprake is van wanprestatie aan haar zijde. [werkgever] lijdt schade op het moment dat het dienstverband met [werknemer] niet zou zijn geëindigd.\n\n3.7.. \n [werknemer] voert verweer.\n\n3.8.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter zal de vorderingen van partijen gezamenlijk behandelen en beoordelen vanwege de onderlinge samenhang.\n\nArbeidsovereenkomst geëindigd met ingang van 5 mei 2025\n\n4.2.. \n\nPartijen twisten over de vraag op welke datum het dienstverband is geëindigd. Volgens [werkgever] is dit met ingang van 5 mei 2025, terwijl [werknemer] zich op het standpunt stelt dat dit per 30 november 2025 is (na het opnemen van haar verlof en na haar opzegging tegen die datum).\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] gelijk heeft en hij legt dit als volgt uit.\n\n4.3.. Partijen twisten over de uitleg van de tussen hen gemaakte afspraken. Bij de uitleg van wat schriftelijk is overeengekomen moet worden beoordeeld welke bedoeling de partijen bij (een onderdeel van) de overeenkomst hebben gehad. Voor de beantwoording van de vraag hoe (een onderdeel van) een schriftelijke contract moet worden uitgelegd komt het in de meeste gevallen aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op wat zij daarbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit is de Haviltex-maatstaf; vaste rechtspraak sinds het Haviltex-arrest. Tot die omstandigheden van het geval horen bijvoorbeeld:\n\na. a) De tekst van het hele contract.\n\nb) Omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór het sluiten van de overeenkomst, zoals de inhoud van e-mails, brieven en chatberichten en wat er is gezegd tijdens besprekingen of telefoongesprekken.\n\nc) Omstandigheden die hebben plaatsgevonden ná het sluiten van de overeenkomst (zie ook 4.4 hierna).\n\nd) de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of de andere uitleg.\n\n4.4.. \n\nSoms is er aanleiding om een voortschrijdende toepassing te geven aan de Haviltex-maatstaf. Valk en Schelhaasschrijven hierover:\n\n“Dynamische uitleg is het verschijnsel dat een overeenkomst of andere rechtshandeling (..) na verloop van tijd in een andere zin wordt uitgelegd dan eerder, op de grond dat in verband met inmiddels ingetreden feiten en omstandigheden de redelijke verwachtingen van de handelende partijen zijn gewijzigd. In het bijzonder in duurverhoudingen kan zich dit gemakkelijk voordoen. (..) Nadere verklaringen en gedragingen tussen partijen kunnen ertoe leiden dat wat eerder tussen partijen gold, later niet meer (ten volle) geldt en dat in plaats daarvan wat anders geldt, eenvoudig omdat in verband met die nadere verklaringen en gedragingen de wederzijdse redelijke verwachtingen gewijzigd zijn.”.\n\n4.5.. De kantonrechter stelt voorop dat het vertrekpunt voor de uitleg van de afspraak het door partijen in 2022 gesloten addendum bij de arbeidsovereenkomst is, waarin is opgenomen:\n\n“Medewerker neemt verlof op vanaf 1 oktober 2024 tot 1 april 2025. Dit verlof kan medewerker opnemen gedurende maximaal 6 maanden.\n\nMedewerker aansluitend op het verlof van 6 maanden met vroegpensioen gaat. Uitgangspunt is dat dit met ingang van 1 april 2025 zal gebeuren.\n\nMedewerker koopt bovenwettelijk verlof van 2022, 2023, 2024 en deels 2025 om het verlof van 6 maanden vanaf oktober 2024 op te kunnen nemen.”\n\n4.6.. \n\nUit de tekst van het addendum leidt de kantonrechter af dat partijen hebben beoogd om het vroegpensioen van [werknemer] – en daarmee het einde van het dienstverband - te laten ingaan met ingang van 1 april 2025. Dat is immers het genoemde uitgangspunt. Een “uitgangspunt” impliceert volgens de kantonrechter dat daarmee de uitkomst vastligt tenzij er nog veranderingen optreden.\n\nOok hebben partijen afgesproken dat [werknemer] voorafgaand aan de ingang van haar pensioen verlof zal opnemen. Uit de tekst van het addendum kan de kantonrechter (anders dan [werknemer]) echter niet afleiden dat het vroegpensioen pas kan ingaan naopname van haargeheleverlofsaldo. Evenmin kan de kantonrechter (anders dan [werkgever]) uit het addendum afleiden dat [werknemer] haar gehele verlofsaldo vóór 1 april 2025moetopnemen.\n\nNaar het oordeel van de kantonrechter hebben partijen afgesproken dat er een periode is – van 1 oktober 2024 tot 1 april 2025 – waarin [werknemer] maximaal 6 maanden verlof kan opnemen. Dat kan dus ook minder verlof zijn. Na 1 april 2025 gaat [werknemer] met pensioen, ongeacht de stand van haar verlofsaldo.\n\n4.7.. Vervolgens maken partijen een nadere afspraak. Op of omstreeks 3 oktober 2024, circa 1 week vóór haar afscheidsfeest, spreken partijen af dat [werknemer] na haar afscheidsfeest 8 uur per week zal blijven werken ten behoeve van de ongediertebestrijding en het faunabeheer. Partijen maken geen nadere afspraken over de gevolgen van deze wijziging, dus ook niet met betrekking tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.8.. \n\nOp enig moment heeft [werkgever] aan [werknemer] laten weten dat als compensatie voor de werkzaamheden gedurende 8 uur per week het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden opgeschoven naar 5 mei 2025. Daardoor krijgt zij langer salaris betaald dan aanvankelijk was voorzien. Strikt genomen is deze datum niet afgesproken tussen partijen.\n\n [werknemer] is het niet eens met de datum 5 mei 2025 maar heeft ook niet aangegeven te willen vasthouden aan de oorspronkelijke datum, 1 april 2025. In tegendeel, zij wil primair dat de kantonrechter vaststelt dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt. Subsidiair is zij kennelijk van oordeel dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval nog voortduurt tot al haar verlofdagen zijn opgenomen, dat is per 30 november 2025. Kortom, ook [werknemer] heeft als gevolg van de gewijzigde afspraken 1 april 2025 als einddatum van de arbeidsovereenkomst losgelaten.\n\n4.9.. \n\nGelet op al hetgeen hiervoor is overwogen – de basisafspraak, de gewijzigde afspraken en de voortschrijdende uitleg van de overeenkomst – acht de kantonrechter 5 mei 2025 de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Die datum sluit het meest aan bij de oorspronkelijke afspraak met betrekking tot het einde van de arbeidsovereenkomst maar doet ook recht aan de wijzigingen die partijen later overeengekomen zijn. Dat is niet het geval bij de vordering van [werknemer], inhoudende dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat en evenmin als het einde van de arbeidsovereenkomst gekoppeld zou worden aan het opnemen van alle vakantiedagen\n\nDit betekent ook dat de primaire vordering van [werknemer] afgewezen dient te worden.\n\n4.10.. \n\n [werkgever] vordert voor recht te verklaren dat het dienstverband is geëindigd met ingang van 5 mei 2025. Zij verzoekt de kantonrechter ook zich uit te laten over de grond voor de beëindiging, namelijk opzegging door [werknemer], instemming van [werknemer] met beëindiging door [werkgever] dan wel op grond van de gesloten beëindigingovereenkomst.\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen zal de kantonrechter het verzochte toewijzen. Uit wat hiervoor is overwogen volgt ook dat sprake is van uitvoering van de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst, zoals die uitgelegd moet worden naar aanleiding van de door partijen doorgevoerde wijzigingen in hun afspraken.\n\nDit alles betekent ook dat de door [werkgever] gevorderde voorwaardelijke verklaring voor recht dat het dienstverband per 1 oktober 2025 is geëindigd (indien het dienstverband van [werknemer] niet per 5 mei 2025 is geëindigd) niet behandeld hoeft te worden.\n\nUitbetaling openstaande vakantiedagen\n\n4.11.. \n\n [werknemer] stelt dat zij uitgaande van een einddatum van 5 mei 2025 recht heeft op een uitkering in geld ter zake van niet-genoten vakantiedagen ex artikel 7:641 lid 1 BW.\n\nWat betreft de hoogte van het saldo heeft [werknemer] wisselende aantallen genoemd. Uiteindelijk stelt zij dat het saldo per 5 mei 2025 786 uren en 9 minuten bedraagt (productie 14). [werkgever] heeft dit saldo op zich niet betwist zodat dit vast staat.\n\n4.12.. \n\n [werkgever] heeft in haar conclusie van antwoord verwezen naar artikel 6.1. lid 2 CAO Gemeenten waarin volgens [werkgever] is opgenomen dat wettelijke vakantie-uren vervallen twaalf maanden na het kalenderjaar waarin deze vakantie-uren zijn opgebouwd. [werkgever] heeft ook verwezen naar artikel 6.5 lid 2 CAO Gemeenten, waarin volgens [werkgever] is opgenomen dat bovenwettelijke vakantie-uren die voor verlofsparen worden gebruikt niet vervallen door verjaring.\n\nDe kantonrechter stelt vast dat [werkgever] geen expliciet beroep doet op het vervallen zijn van de wettelijke vakantie-uren terwijl de vervaltermijn betreffende niet genoten vakantie-uren een vervaltermijn is die de kantonrechter niet ambtshalve kan toepassen. De kantonrechter zal dus geen consequenties verbinden aan deze “overpeinzingen” van [werkgever].\n\n4.13.. \n [werkgever] heeft aangevoerd dat [werknemer] geen recht heeft op uitbetaling van de niet genoten vakantie-uren omdat zij deze op grond van de afspraken in het addendum uit 2022 had moeten opnemen. De kantonrechter kan [werkgever] hierin niet volgen.\n\n4.14.. Zoals hiervoor al is overwogen hebben partijen niet afgesproken dat [werknemer] voor het einde van de arbeidsovereenkomst (eerst 1 april 2025, later gewijzigd in 5 mei 2025) al haar vakantiedagen moest opnemen. Dat blijkt niet uit het addendum en ook niet uit wat partijen verder hebben aangevoerd. [werknemer] heeft dus geen afspraak geschonden op grond waarvan zij haar vakantieaanspraken zou hebben verspeeld.\n\n4.15.. \n\n [werknemer] heeft daarnaast aangevoerd dat zij, anders dan de bedoeling was, heeft doorgewerkt. Dat betreft dan niet alleen het concreet afgesproken werk ( 8 uur per week) maar ook ten behoeve van een grote scala aan andere klussen. Dat hield verband met het feit dat [werkgever] de vervanging bij haar vertrek niet deugdelijk had geregeld. Collega’s, die haar vanwege haar wekelijkse aanwezigheid nog steeds wisten te vinden, spraken haar daarom aan op allerlei zaken waarvan zij weet had maar die collega’s kennelijk niet.\n\n [werknemer] heeft een groot aantal e-mails uit deze periode overgelegd waaruit blijkt dat zij inderdaad werd benaderd door collega’s met werkgerelateerde vragen en dat zij daarop antwoord gaf. Overigens gebeurde dat niet buiten [werkgever] om, vast staat dat haar direct leidinggevende hier weet van had en er geen bezwaar tegen had, althans het zonder commentaar liet gebeuren.\n\n4.16.. \n [werknemer] heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat het haar feitelijk onmogelijk was de openstaande vakantie-uren op te nemen doordat [werkgever] haar bleef benutten voor het verrichten van arbeid. Onder die omstandigheid kan [werkgever] [werknemer] geen verwijt maken dat zij de openstaande vakantiedagen niet heeft opgenomen. Ook daarom heeft [werknemer] recht op uitbetaling ervan.\n\n4.17.. \n\nDe kantonrechter becijfert de waarde in geld van de niet genoten vakantiedagen (gelet op het voorgaande) op € 31.210,16 bruto (786 uren en 9 minutenx € 39,70). Dit bedrag is toewijsbaar.\n\nHet IKB waarop [werknemer] recht heeft ingevolge de CAO Gemeenten bedraagt € 5.321,33 bruto (17,05 % van € 31.210,16). Ook dit bedrag is toewijsbaar.\n\nWettelijke verhoging\n\n4.18.. \n\n [werknemer] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging over deze bedragen.\n\n [werkgever] heeft verzocht om de gevorderde wettelijke verhoging af te wijzen dan wel te matigen.\n\n4.19.. \n\nDe kantonrechter stelt voorop dat de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW slechts verschuldigd is als de niet tijdige voldoening aan de werkgever kan worden toegerekend. Van deze situatie is in de gegeven omstandigheden sprake, zodat [werknemer] recht heeft op een wettelijke verhoging. De kantonrechter zal het verzoek tot matiging niet honoreren. Dit acht de kantonrechter gelet op de uitkomst in deze zaak niet passend.\n\nDe kantonrechter zal hierna toewijzen € 18.265,75 aan wettelijke verhoging over niet genoten vakantiedagen en IKB.\n\nWettelijke rente\n\n4.20.. De door [werknemer] gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen is niet betwist en toewijsbaar.\n\nWanprestatie en schade\n\n4.21.. \n [werkgever] vordert (naar de kantonrechter begrijpt) voor recht te verklaren dat [werknemer] aansprakelijk is voor de door [werkgever] geleden schade wegens tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en [werknemer] te veroordelen tot betaling van de door [werkgever] geleden schade (zijnde het loon dat aan [werknemer] vanaf 5 mei 2025 verschuldigd zou zijn, wettelijke verhoging en rente).\n\n4.22.. \n\nDe door [werkgever] gevorderde verklaring voor recht dat [werknemer] aansprakelijk is voor de door [werkgever] geleden schade wegens tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst wordt afgewezen, enkel al omdat van de gestelde tekortkoming door [werknemer] geen sprake is.\n\n [werkgever] heeft voorwaardelijk, voor het geval de arbeidsovereenkomst na 5 mei 2025 doorloopt, eveneens schadevergoeding gevorderd.\n\nNu de kantonrechter reeds heeft geoordeeld dat het dienstverband is geëindigd per 5 mei, is de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld niet vervuld. Bespreking van deze vordering is daarom niet aan de orde.\n\nDe proceskosten\n\n4.23.. \n [werkgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:\n\nKosten dagvaarding € 147,42\n\nGriffierecht € 732,00\n\nSalaris gemachtigde conventie € 1.732,00 (2 punten x € 866,00)\n\nSalaris gemachtigde reconventie € 144,00 (1 punt × factor 0,5 × € 288,00)\n\nNakosten € 144,00\n\nTotaal € 2.899,42\n\nDe gevorderde informatiekosten zijn overeenkomstig de aanbevelingen van het LOVCK toegewezen.\n\n4.24.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:\n\n€ 31.210,16 bruto aan niet genoten vakantiedagen;\n\n€ 5.321,33 bruto aan IKB over de niet genoten vakantiedagen;\n\n€ 18.265,75 aan wettelijke verhoging over niet genoten vakantiedagen en het IKB,\n\nte vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,\n\nin reconventie\n\n5.2.. verklaart voor recht dat het dienstverband van [werknemer] met ingang van 5 mei 2025 is beëindigd op grond van een beëindigingsovereenkomst,\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 2.899,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis (met uitzondering van de verklaring voor recht) uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.\n\n De vorderingen van [werkgever] zoals geformuleerd onder II, III en IV van haar petitum betreffen reconventionele vorderingen en zullen daarom op die wijze behandeld worden.\n\n Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158\n\n Monografieën Privaatrecht: Uitleg van rechtshandelingen, prof mr. H.N. Schelhaas en mr. W.L. Valk, jaar 2022, pagina 24.\n\n 786 uren en 9 minuten = 786,15 uur","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3937","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.157Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":46,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":46,"language":7,"source":48,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":50,"updatedAt":69},"1302","ECLI:NL:RBLIM:2026:2870","ecli-nl-rblim-2026-2870","2026-04-08T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer: 11799056 \\ CV EXPL 25-3161\n\nVonnis van 8 april 2026\n\nin de zaak van\n\nLIMBURG BEWIND B.V. IN DE HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN DIE TOEBEHOREN AAN [eiseres],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Limburg Bewind\n\nrespectievelijk [eiseres] ,\n\ngemachtigde: mr. L.H. Janssen,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. E.H.J. van Gerven.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- de beslissing waarbij een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de akte van Limburg Bewind met twee producties\n\n- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier\n\naantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Sinds 13 juli 2020 is [eiseres] in dienst van de (rechtsvoorgangster) van [gedaagde] als all round medewerkster. Haar laatste (gekorte) salaris bedroeg € 1.576,88 bruto. Sinds 4 oktober 2022 is [eiseres] arbeidsongeschikt.\n\n2.2.. De rechtbank Limburg heeft per 1 maart 2024 een beschermingsbewind ingesteld over de goederen van [eiseres] . Daarbij is Limburg Bewind tot haar bewindvoerder benoemd.\n\n2.3.. In de whats-app van 20 september 2024 aan de moeder van [eiseres] heeft [gedaagde] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst na twee jaar arbeidsongeschiktheid eindigt en de formele afhandeling daarvan of via het UWV gaat of via een vaststellingsovereenkomst. Alleen in het laatste geval bestaat recht op de transitievergoeding.\n\n2.4.. Op 4 oktober 2024 heeft [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst naar [eiseres] gestuurd. Daarin is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2024 eindigt. [eiseres] heeft dit ondertekend. Het door haar ondertekende exemplaar heeft [gedaagde] op 30 oktober 2024 ontvangen.\n\n2.5.. \n\nOndanks diverse reminders heeft [eiseres] pas eind september 2024 de WIA aanvraag naar het UWV gestuurd.\n\nBij beschikking van 3 oktober 2024 heeft het UWV aangegeven dat die WIA aanvraag te laat is ingediend en dat [gedaagde] daarom tot 13 december 2024 het loon van [eiseres] moet doorbetalen. [gedaagde] heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het UWV heeft dat bezwaar op 13 november 2024 ongegrond verklaard.\n\n2.6.. \n\nBij beslissing van 20 november 2024 heeft het UWV [gedaagde] een verdere loonsanctie opgelegd vanwege het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen: [gedaagde] dient daarom het loon aan [eiseres] door te betalen tot 12 december 2025. In verband daarmee heeft het UWV de behandeling van de WIA-aanvraag aangehouden.\n\n [gedaagde] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij beslissing van 25 april 2025 heeft UWV dat bezwaar ongegrond verklaard. [gedaagde] is vervolgens daartegen in beroep gegaan bij de rechtbank, die dat beroep heeft afgewezen. [gedaagde] heeft hiertegen geen appel meer ingesteld.\n\n2.7.. \n\nBij brief van 8 april 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] de\n\nvaststellingsovereenkomst namens haar vernietigd vanwege het bestaan van een wilsgebrek. Hij maakt daarin aanspraak op doorbetaling van het loon met ingang van 1 oktober 2024.\n\n2.8.. Bij brief van 18 april 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aangegeven deze vernietiging niet te accepteren.\n\n2.9.. Bij e-mail van 12 juni 2025 heeft de gemachtigde namens [eiseres] én Limburg Bewind bericht dat op grond van art 1:439 BW de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is gesloten. Hij maakt ten behoeve van zijn cliënte aanspraak op loon, wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten.\n\n2.10.. Bij e-mail van 20 juni 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagde] dit standpunt betwist.\n\n2.11.. Per 12 december 2025 is [eiseres] een WIA uitkering verleend met een ongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.\n\n2.12.. Behalve de transitievergoeding heeft [gedaagde] sinds 1 oktober 2024 niets meer aan loon betaald aan [eiseres] .\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nLimburg Bewind vordert - na wijziging van de vordering ter mondelinge behandeling - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):\n\nI voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] niet rechtsgeldig is geëindigd c.q. dat de vaststellingsovereenkomst op goede gronden is vernietigd en dat als gevolg daarvan de arbeidsovereenkomst vanaf 1 oktober 2024 is blijven voortbestaan c.q. met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2024 wordt hersteld,\n\nII [gedaagde] te veroordelen om, onder verrekening van de transitievergoeding, het achterstallige salaris en emolumenten vanaf 1 oktober 2024, binnen 14 dagen na dit vonnis te betalen aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf de dag van opeisbaarheid,\n\nIII [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het salaris en emolumenten, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid,\n\nIV [gedaagde] te veroordelen tot afgifte aan [eiseres] van deugdelijke en correcte salarisspecificaties met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2024 tot 12 december 2025, een correcte jaaropgaaf over 2024, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel van een dag dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen,\n\nV [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van\n\n€ 1.031,16 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nVI [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.\n\n3.2.. \n\nHet geschil tussen partijen draait om de vraag of de met [eiseres] aangegane en door haar ondertekende vaststellingsovereenkomst geldig is gesloten. Limburg Bewind stelt dat dat niet het geval is om twee redenen: ten eerste omdat er bij het sluiten ervan bij [eiseres] een wilsgebrek bestond: er was namelijk sprake van dwaling danwel van misbruik van omstandigheden. Ten tweede omdat de vaststellingsovereenkomst is aangegaan met [eiseres] zelf en niet met de daartoe bevoegde entiteit Limburg Bewind.\n\nVolgens [gedaagde] is er wel sprake van een geldig gesloten vaststellingsovereenkomst: dwaling en\u002Fof misbruik van omstandigheden was niet aan de orde en de bewindvoerder heeft – al dan niet impliciet - ingestemd met deze vaststellingsovereenkomst, althans heeft niet binnen een redelijke termijn laten blijken van bezwaren daartegen.\n\n3.3.. Op de uitgebreidere stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid tot het aangaan van een vaststellingsovereenkomst ligt bij de bewindvoerder\n\n4.1.. Vast staat dat alle goederen die aan [eiseres] (zullen) toebehoren onder (beschermings-) bewind zijn gesteld . Met goederen worden ook vermogensrechten bedoeld. Dat zijn rechten die overdraagbaar zijn of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel, verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. Een arbeidsovereenkomst geeft recht op loon en daarmee dus een materieel voordeel. Daarmee is het recht op loon een goed dat onder bewind staat. Gevolg daarvan is dat over kwesties die het loon betreffen alleen de bewindvoerder de bevoegde persoon is om overeenkomsten daaromtrent te sluiten. De onderbewindgestelde is dus niet zelfstandig bevoegd om een arbeidsovereenkomst te beëindigen, voor zover hij\u002Fzij daardoor het recht op loon, dan wel een ander onder het bewind vallend “goed” prijsgeeft c.q. afstand doet van bepaalde uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten. Voor een dergelijke handeling is de medewerking van de bewindvoerder nodig.\n\n4.2.. De conclusie is dan ook dat de aan de orde zijnde vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is gesloten, omdat deze niet is aangegaan met de tot het sluiten ervan bevoegde bewindvoerder. De overeenkomst is daarom vernietigbaar maar blijft in stand totdat de vernietiging is ingeroepen.\n\nDe bewindvoerder heeft buiten rechte een beroep gedaan op de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.\n\n4.3.. \n\nBij brief van 8 april 2025 heeft [eiseres] zelf, via haar gemachtigde, de overeenkomst buitenrechtelijk vernietigd wegens het bestaan van een wilsgebrek. De vraag of dit beroep wel enig rechtsgevolg heeft kan in het midden blijven nu de gemachtigde in zijn latere e-mail van 12 juni 2025 heeft aangegeven ook op te treden namens de bewindvoerder. De grond om de vaststellingsovereenkomst te vernietigen heeft hij daarbij aangevuld met een beroep op het feit dat de overeenkomst met een onbevoegde persoon was aangegaan.\n\nVolledigheidshalve heeft de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling nog eens aangegeven het eens te zijn met de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.\n\nDaarmee treft de buitengerechtelijke vernietiging doel.\n\nVernietiging niet onredelijk\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert aan dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de bewindvoerder het eens was met het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] is, omdat contact met [eiseres] onmogelijk bleek, op enig moment in contact gekomen met de moeder van [eiseres] . Daar is overleg mee geweest over de vaststellingsregeling. De moeder van [eiseres] stond weer in contact met de bewindvoerder. Daardoor ontstond bij [gedaagde] de indruk dat de bewindvoerder instemde met de gemaakte afspraken. Die indruk wordt nog eens versterkt door het feit dat de bewindvoerder niet binnen een redelijke termijn daar bezwaar tegen heeft gemaakt. Pas in juni 2025, dus zeven maanden na het sluiten van die vaststellingsovereenkomst, heeft Limburg Bewind het standpunt ingenomen dat die overeenkomst niet rechtsgeldig is gesloten. De bewindvoerder mag dus aan de vaststellingsovereenkomst gehouden worden. Dit standpunt van [gedaagde] deelt de kantonrechter niet. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.5.. \n [gedaagde] is op enig moment vóór het aangaan van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte geraakt van het feit dat [eiseres] onder bewind stond. Ook de gegevens van de bewindvoerder zijn toen bekend geworden. De situatie dat [gedaagde] geen weet had van het bewind, of de bewindvoerder niet zou hebben kunnen bereiken, doet zich dus niet voor.\n\n4.6.. Beschermingsbewind wordt niet voor niets ingesteld. Uitgangspunt is de omstandigheid dat de betreffende persoon bescherming nodig heeft omdat het niet meer lukt de eigen belangen zelf naar behoren te behartigen. Die bescherming zou niet effectief zijn als deze al te gemakkelijk ter zijde zou kunnen worden geschoven.\n\n4.7.. \n\nDat [eiseres] niet meer in staat was “op haar eigen winkel te passen” heeft [gedaagde] ook zelf ervaren. [eiseres] verscheen niet meer op het werk en ontweek elk rechtstreeks contact. Het contact met [eiseres] verliep daardoor (groten)deels via haar moeder. Het moet voor [gedaagde] duidelijk zijn geweest dat [eiseres] bezig was “haar eigen ruiten in te gooien”. In zo’n situatie – [gedaagde] weet dat sprake is van bewind en zij kan zelf vaststellen dat dat niet zonder reden is - mag van [gedaagde], als werkgeefster, verwacht worden dat zij extra zorgvuldig optreedt.\n\nDat houdt bijvoorbeeld in dat [gedaagde] - als het gaat om zo een belangrijk onderwerp als het einde van de arbeidsovereenkomst - rechtstreeks contact had moeten opnemen met de daartoe bestemde persoon, de bewindvoerder. De kantonrechter wil graag geloven dat [gedaagde] niet op de hoogte is van alle finesses rondom “bewind” maar dat zij bij de bewindvoerder moet zijn voor het maken van afspraken betreffende [eiseres] is ook voor haar duidelijk. Op z’n minst had zij bij de bewindvoerder moeten controleren hoe de rolverdeling (bewindvoerder, moeder?) richting de werkgeefster lag. En als zij dat vervolgens niet doet, al dan niet bewust, komen de risico’s die daaruit voortvloeien voor haar rekening.\n\nTussenconclusie\n\n4.8.. Nu in casu de vaststellingsovereenkomst gesloten is met een onbevoegde persoon – en er geen gronden zijn die maken dat die onbevoegdheid niet aan [gedaagde] zou mogen worden tegengeworpen - is die vaststellingsovereenkomst op juiste gronden buiten rechte vernietigd.\n\n4.9.. De andere voor vernietiging aangevoerde gronden (dwaling en\u002Fof misbruik van omstandigheden) hoeven daarmee niet meer te worden beoordeeld.\n\nGevolgen vernietiging: loon betalen\n\n4.10.. Door de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst niet per 1 oktober 2024 geeïndigd. Gevolg daarvan is dat [gedaagde] ook na die datum nog steeds loon verschuldigd is aan [eiseres] , tot de loondoorbetalingsperiode eindigt. De daarop gerichte vordering is dan ook toewijsbaar, evenals de gevorderde betalingstermijn van 14 dagen.\n\n4.11.. \n\n [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiseres] geen arbeid heeft aangeboden zodat om die reden er toch geen loonbetalingsverplichting bestaat. Die opvatting deelt de kantonrechter niet.\n\n“Aanbod van arbeid” is een vereiste als er twijfel over bestaat of de werknemer wel bereid is de arbeid – of bij ziekte re-integratie activiteiten – te verrichten, terwijl duidelijk is dat de werkgever daarvoor open staat. In dit geval heeft de werkgever echter meerdere keren duidelijk te kennen gegeven dat er geen arbeidsovereenkomst meer bestond. Daaruit volgt dat [gedaagde] al kenbaar had gemaakt dat zij [eiseres] niet zou toelaten tot de arbeid en evenmin re-ïntegratie activiteiten zou ontplooien. In dat licht zou het aanbieden van arbeid een formaliteit zonder inhoud zijn geweest.\n\nGeen matiging\n\n4.12.. \n\nTer zitting is matiging van de loonvordering aan de orde gesteld. De kantonrechter zal daartoe niet over gaan. Daarvoor is het navolgende van belang.\n\nAls gevolg van de door het UWV opgelegde (en inmiddels onherroepelijk geworden) loonsancties dient [gedaagde] het loon van [eiseres] door te betalen tot 12 december 2025.\n\nZou [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst niet gesloten hebben, dan had zij in exact dezelfde situatie verkeerd. Het enige verschil zou zijn geweest dat zij dan wellicht de periode van de loonsanctie had kunnen bekorten. Er is echter niets aangevoerd met betrekking tot de wijze waarop en de mate waarin dat succesvol moet worden geacht. De kantonrechter acht de kans op een groot verschil tussen beide uitkomsten daarom klein. Daarnaast wordt er nog maar eens aan herinnerd dat de onderhavige situatie primair is ontstaan omdat [gedaagde] zich niet in verbinding heeft gesteld met de persoon die daarvoor aangewezen was, de bewindvoerder.\n\nWettelijke verhoging\n\n4.13.. Limburg Bewind vordert betaling van de wettelijke verhoging vanaf de dag der opeisbaarheid. De wettelijke verhoging heeft als doel de werkgever te dwingen het loon tijdig te betalen. In de omstandigheid dat [gedaagde] in een bezwaar- en beroepsprocedure verwikkeld is geweest tegen de door het UWV opgelegde loonsanctie, en daarmee tegen de verschuldigdheid van het loon, ziet de kantonrechter aanleiding te bepalen dat de wettelijke verhoging pas verschuldigd wordt indien het loon niet binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis is betaald.\n\nWettelijke rente\n\n4.14.. \n\nLimburg Bewind vordert wettelijke rente over het loon. Nu er sprake is van te late betaling zal de kantonrechter deze toewijzen vanaf de vervaldata van het loon.\n\nDe wettelijke rente over de wettelijke verhoging is enkel toewijsbaar na bovengenoemde\n\n14 dagen na dit vonnis.\n\nSalarisspecificaties\n\n4.15.. De vordering tot het verstrekken van deugdelijke en correcte salarisspecificaties met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2024 tot en met 12 december 2025, alsmede een correcte jaaropgave over 2024 binnen 14 dagen na dit vonnis, acht de kantonrechter toewijsbaar. Indien [gedaagde] hiertoe niet overgaat zal zij een dwangsom verbeuren van € 200,00 per dag of gedeelte van een dag. De kantonrechter acht het redelijk de maximum te verbeuren dwangsom te bepalen op € 5.000,00.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.16.. \n\nLimburg Bewind vordert een bedrag van € 1.031,16 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat Limburg Bewind voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het terzake gevorderde bedrag voldoet aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en is daarmee toewijsbaar.\n\nDe wettelijke rente daarover zal worden toegewezen vanaf de 14e dag na heden.\n\nProceskosten\n\n4.17.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Limburg Bewind B.V. worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,95\n\n- griffierecht\n\n€\n\n340,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punt × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.470,95.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] niet rechtsgeldig is geëindigd en dat de arbeidsovereenkomst na 1 oktober 2024 is blijven voortbestaan,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het achterstallige salaris en emolumenten vanaf 1 oktober 2024, onder verrekening van de transitievergoeding, binnen 14 dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf de dag van opeisbaarheid,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging over het salaris en emolumenten vanaf de 14e dag na heden, indien deze niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 14e dag na heden,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiseres] van deugdelijke salarisspecificaties met betrekking tot de periode vanaf 1 oktober 2024 tot 12 december 2025 en een correcte jaaropgaaf over 2024, binnen 14 dagen na heden en bepaalt dat [gedaagde] bij niet-voldoening daaraan een dwangsom verbeurt van € 200,00 per dag, zulks tot een maximum is bereikt van € 5.000,00,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.031,16 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.470,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.7.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en\n\n5.8.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.\n\n Zoals bedoeld in artikel 1:431 lid 1 sub a BW\n\n Artikel 3:1 BW in combinatie met artikel 3:6 BW\n\n Zie ook Rechtbank Midden-Nederland ECLI:NL:RBMNE:2025:5109\n\n Volgens het Gerechtshof Den Haag, 22 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:616","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2870","2026-03-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:14.831Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":46,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":74,"summary":46,"language":7,"source":48,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":50,"updatedAt":76},"1150","ECLI:NL:RBLIM:2025:11921","ecli-nl-rblim-2025-11921","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11893065 \\ AZ VERZ 25-106\n\nBeschikking van 2 december 2025\n\nin de zaak van\n\nHUMBY B.V.,\n\ngevestigd te Panningen, kantoorhoudende te Venlo,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Humby,\n\ngemachtigde: mr. P. Caris,\n\ntegen\n\n1. [bedrijfsnaam 1] B.V.,\n\ngevestigd te Venlo, 2. [verweerder sub 2],\n\nwonende te [plaatsnaam] ,\n\nverwerende partijen,\n\nverzoekende partijen in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ,\n\ngemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met producties, met zelfstandig tegenverzoek,\n\n- het verweerschrift in het tegenverzoek, met producties in het verzoek en tegenverzoek,\n\n- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnota van mr. Oudenhoven.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Humby is een dienstverlener, actief op het gebied van opslag en transport (warehouse & logistics).\n\n2.2.. \n [verweerder sub 2] heeft vanaf 1 januari 2023 werkzaamheden voor Humby verricht.\n\n2.3.. Humby en [verweerder sub 1] hebben op 12 juli 2023 met ingang van 1 januari 2023 een schriftelijke overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, met als titel “overeenkomst van opdracht tussen Humby B.V. en [bedrijfsnaam 1] B.V.” (productie 1 van Humby).\n\n2.4.. Humby en [verweerder sub 2] hebben op 12 juli 2023 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Door middel van een separate overeenkomst van koop en verkoop heeft [verweerder sub 2] 25% van de aandelen in Humby verworven, tegen een koopprijs van € 230.000,00.\n\n2.5.. Humby heeft aan [verweerder sub 1] over de periode van 1 januari 2023 tot 27 februari 2025 een bedrag van € 6.611,00 exclusief BTW per maand betaald voor de verrichte werkzaamheden.\n\n2.6.. Bij e-mailbericht van 27 februari 2025 heeft Humby de overeenkomst met [verweerder sub 1] opgezegd met inachtneming van de in artikel 3 opgenomen opzegtermijn van drie maanden (productie 3 van Humby).\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. Humby verzoekt, zoals tijdens de mondelinge behandeling gewijzigd en verkort weergegeven;\n\nI. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,\n\nII. in het geval wel sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat deze door opzegging is geëindigd en dat [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] niet binnen twee maanden ex artikel 7:686a lid 4 onder a BW een vordering tot vernietiging of herstel heeft ingesteld, zodat deze rechtsvordering is komen te vervallen,\n\nIII. in het geval sprake is van een arbeidsovereenkomst, te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd,\n\nIV. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten, begroot op € 5.000,00 ex BTW.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft Humby - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Er is geen sprake geweest van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Partijen hebben samen uitdrukkelijk gekozen voor het sluiten van een managementovereenkomst. Humby heeft de managementovereenkomst opgezegd tegen 1 juni 2025. Zelfs in het geval er wel sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst is deze eveneens op 1 juni 2025 door opzegging geëindigd. Er is hoe dan ook een einde gekomen aan de werkrelatie tussen partijen, zodat [verweerder sub 1] op grond van de aandeelhoudersovereenkomst haar aandelen met peildatum 1 juni 2025 aan Humby dient aan te bieden.\n\n3.3.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Humby, dan wel tot afwijzing van het verzoek van Humby, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Humby in de kosten van deze procedure.\n\n4. Het tegenverzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] verzoeken, zoals tijdens de mondelinge behandeling verminderd (netto wordt bruto), - verkort weergegeven -;\n\nI. te verklaren voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 2] een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en nog steeds bestaat,\n\nII. Humby te veroordelen het salaris van € 8.000,00 bruto te vermeerderen met vakantiebijslag en emolumenten aan [verweerder sub 2] te voldoen vanaf 27 februari 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,\n\nIII. aan [verweerder sub 2] de proceskosten te voldoen.\n\n4.2.. Aan het verzoek hebben [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] - verkort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. [verweerder sub 2] heeft vanaf het begin zijn werkzaamheden bij Humby verricht op basis van een arbeidsovereenkomst. De managementovereenkomst is weliswaar tussen partijen gesloten maar hier is nooit uitvoering aan gegeven. De opzegging van Humby was niet gericht aan [verweerder sub 2] als werknemer, maar aan [verweerder sub 1] , zodat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt. [verweerder sub 2] heeft zijn salaris van € 8.000,00 netto uit hoofde van de arbeidsovereenkomst vanaf 27 februari 2025 niet meer betaald gekregen.\n\n4.3.. Humby verzet zich tegen toewijzing van het tegenverzoek en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel tot afwijzing van het tegenverzoek van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , met veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] in de kosten van deze procedure.\n\n5. De beoordeling\n\nIn het verzoek en in het zelfstandig tegenverzoek\n\n5.1.. Humby vordert een negatieve verklaring voor recht dat er tussen haar en [verweerder sub 1] althans [verweerder sub 2] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kern van het geschil tussen partijen betreft de beantwoording van de vraag of er tussen [verweerder sub 2] en Humby sprake is (geweest) van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt als volgt.\n\n5.2.. \n\nDe Hoge Raad heeft met betrekking het toetsingskader of er sprake is van een arbeidsovereenkomst in het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR: 2023:443) het volgende overwogen.\n\n“3.2.2 Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.\n\n3.2.3.\n\nOm te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.\n\n3.2.4.\n\nAls de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.\n\n3.2.5.\n\nOf een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.\n\nHet gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht.”\n\n5.3.. De Haviltexmaatstaf die de Hoge Raad in nummer 3.2.3. noemt, is een uitlegmaatstaf voor een schriftelijk contract. Deze maatstaf houdt - kort samengevat - in dat bij de beantwoording van de vraag hoe een verhouding van partijen is geregeld niet alleen de taalkundige uitleg van de bepalingen van een contract van belang zijn, maar ook de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle bijzondere omstandig-heden van het geval van belang.\n\n5.4.. De kantonrechter zal hierna per gezichtspunt bespreken of, gelet op wat partijen in de processtukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, aan de voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst is voldaan of dat sprake is van een overeen-komst van opdracht.\n\nde aard en duur van de werkzaamheden\n\n5.5.. \n\nPartijen zijn het erover eens dat de aard van de werkzaamheden, zoals beoogd in de overeenkomst, bestond uit het verrichten van commerciële werkzaamheden voor Humby. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben op de mondelinge behandeling onbetwist gesteld dat [verweerder sub 2] nauwelijks commerciële werkzaamheden heeft verricht, maar vooral magazijn-werkzaamheden in de loods heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat de verrichte werkzaamheden bijzondere verrichtingen betreffen. Uit de schriftelijke overeenkomst volgt niet dat er sprake is van een resultaatsverbintenis. Daarnaast is de overeenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de aard van de werkzaamheden en de overeengekomen duur van de overeenkomst aanwijzingen vormen dat sprake is (geweest) van een arbeids-overeenkomst.\n\nDe wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald\n\n5.6.. \n\nPartijen staan in dit kader lijnrecht tegenover elkaar.\n\nHumby stelt als volgt. [verweerder sub 2] genoot, via [verweerder sub 1] , volledige vrijheid in de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden (wanneer en waar hij wilde). Het maakt Humby niet uit of [verweerder sub 2] zijn werkzaamheden in 1 uur per maand of 60 uur per week uitvoerde, zolang hij zijn taken maar uitvoerde en klanten uit zijn netwerk binnenbracht. Humby gaf [verweerder sub 2] geen instructies en er was er geen gezagsverhouding. [verweerder sub 2] zocht zelf opdrachten en voerde deze uit. Hij hoefde aan niemand verantwoordelijkheid af te leggen. [verweerder sub 2] had geen toestemming nodig voor het opnemen van verlof, ondanks dat hij wel om toestemming vroeg, aldus Humby.\n\n5.7.. \n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben naar voren gebracht dat Humby de werkzaamheden bepaalde en hij werd aangestuurd door [naam 1] , leidinggevende bij Humby, die hem instructies en opdrachten gaf. Hij had geen vrijheid om zijn werkzaam-heden inhoudelijk in te richten. Het stond hem niet vrij om opdrachten naar eigen believen aan te nemen en\u002Fof terug te geven. Volgens [verweerder sub 2] werkte hij, net als andere werknemers, dagelijks van 07.00 uur (of eerder) tot 16.00 uur (of later) op de locatie van Humby in Venlo. [verweerder sub 2] werd door Humby ingeroosterd en kon wel net als iedere andere werknemer van Humby zijn beschikbaarheid opgeven.\n\nOok diende hij voor het opnemen van verlof en elke afwijking van de reguliere werktijden toestemming te vragen aan [leidinggevende] .\n\n5.8.. Naar het oordeel van de kantonrechter geven de voorgaande aspecten geen duidelijkheid over het bestaan van een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst. Humby heeft weliswaar een verklaring overlegd van [naam 2] , waarin deze onder meer aangeeft dat [verweerder sub 2] nooit verlof aanvroeg en [verweerder sub 2] kwam werken wanneer hij wilde en geen vaste werktijden had, maar deze verklaring is door [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] gemotiveerd betwist. Bovendien heeft Humby onvoldoende gesteld over de positie van [naam 2] binnen Humby. Dit gezichtspunt zal daarom niet worden meegenomen in de beoordeling.\n\nDe inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht\n\n5.9.. \n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat de functie van commercieel medewerker volledig is ingebed in de organisatie van Humby en een structureel karakter heeft. [verweerder sub 2] werkte op de locatie van Humby in Venlo.\n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] voeren verder aan dat [verweerder sub 2] geen eigen bedrijfsmiddelen heeft gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden. Hij kreeg en droeg werkkleding van Humby met het logo van Humby en had een visitekaartje met de naam van Humby erop (productie 2 van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ).\n\nDit alles is niet door Humby weersproken. De stelling van Humby dat de veiligheidsvoor-schriften voorschrijven dat je op de werkvloer werkkleding aan moest hebben, maakt dit niet anders. Wat betreft het inbeddingsaspect zijn er naar het oordeel van de kantonrechter aanwijzingen voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst.\n\nHet al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren\n\n5.10.. \n\nTen aanzien van dit gezichtspunt stelt Humby dat de overeenkomst [verweerder sub 1] niet verplicht dat [verweerder sub 2] persoonlijk voor een lange, vaste periode feitelijk de diensten verricht. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] geacht werd de werkzaamheden persoonlijk uit te voeren, zonder de mogelijkheid zich te laten vervangen.\n\nIn de schriftelijke overeenkomst staat niets vermeld over een verplichting tot persoonlijk uitvoeren van het werk. Nu de overeenkomst is aangegaan met een onderneming en niet met [verweerder sub 2] in privé, had het voor de hand gelegen dat een dergelijke bepaling in de overeenkomst was opgenomen, als Humby uitsluitend van de diensten van [verweerder sub 2] gebruik wilde maken. Nu een dergelijk beding niet is opgenomen, blijkt niet dat [verweerder sub 2] zich niet mocht laten vervangen door een derde. [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben deze stelling ook niet verder onderbouwd of bewijs hiervan aangedragen.\n\nDit onderdeel is naar het oordeel van de kantonrechter een aanwijzing dat er sprake is (geweest) van een overeenkomst van opdracht.\n\nDe wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen\n\n5.11.. \n\nOp dit onderdeel voert Humby het volgende aan. Humby wilde [verweerder sub 1] inhuren voor commerciële activiteiten en laten participeren in Humby, om op die manier incentive te creëren. [verweerder sub 2] gaf aan altijd ondernemer te zijn geweest en dat te willen blijven. Partijen hebben toen gekozen voor een participatie via [verweerder sub 1] en niet via [verweerder sub 2] privé. Voorts is samen gekozen voor een managementovereenkomst omdat [verweerder sub 1] de opdracht zelfstandig naar eigen inzicht en expertise wilde uitvoeren. Humby en [verweerder sub 1] hebben per 1 januari 2023 een schriftelijke managementovereenkomst gesloten waarin [verweerder sub 1] optreedt als opdrachtnemer. Namens [verweerder sub 1] worden deze activiteiten uitgevoerd door [verweerder sub 2] . In de overeenkomst hebben partijen uitdrukkelijk afgesproken dat zij wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW en uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Humby biedt van deze stelling getuigenbewijs aan. Verband houdende met de managementovereenkomst heeft [verweerder sub 2] in juli 2023 ook een aandeelhoudersovereenkomst gesloten, waarbij [verweerder sub 2] een groot aandelenbelang van 25% in Humby heeft gekregen.\n\n [verweerder sub 2] is naast bij Humby ook bestuurder en aandeelhouder bij een andere entiteit (Indexica).\n\n5.12.. \n\nVolgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] is er niet onderhandeld over de overeen-komst. [verweerder sub 2] was voor zijn participatie in Humby al werkzaam voor Humby, op basis van een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2023. Toen had hij nog geen eigen bv. [verweerder sub 2] is niet actief geweest als zelfstandige voor de indiensttreding bij Humby. Pas later op initiatief van [naam 3] van [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby, zijn de bv’s opgericht. [bedrijfsnaam 2] heeft de samenwerking tussen partijen geformaliseerd.\n\nEerst werd Indexica B.V. opgericht, een gezamenlijke vennootschap tussen Humby en [verweerder sub 2] (ieder 50%), bedoelt voor de bandenhandel. Daarnaast is de persoonlijke holding [verweerder sub 1] opgericht, uitsluitend voor de administratieve afhandeling van de maandelijkse betalingen. In de aandeelhoudersovereenkomst is ook vermeld dat [verweerder sub 2] in dienst is getreden bij Humby. [verweerder sub 2] heeft nimmer bewust en doelgericht gekozen voor een zelfstandige constructie.\n\n5.13.. De kantonrechter is van oordeel dat zowel uit de schriftelijke overeenkomst (waarvan [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] ter mondelinge behandeling hebben erkend dat deze door [verweerder sub 1] is ondertekend en daadwerkelijk tussen partijen heeft bestaan) en uit de aandeelhoudersovereenkomst blijkt dat partijen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. In de schriftelijke overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“In aanmerking nemen dat:\n\n(..)\n\nPartijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW;\n\nPartijen uitdrukkelijk niet beogen een arbeidsovereenkomst aan te gaan in de zin van artikel 7:610 e.v. BW;\n\n(..)\n\nArtikel 1. Werkzaamheden en uitvoering van de opdracht1.1.. Opdrachtgever verleent aan opdrachtnemer de opdracht tot het uitvoeren van de volgende werkzaamheden: (..)\n\n(..)1.3.. \n\nOpdrachtnemer deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in (..)\n\n(..)1.4.. \n\nOpdrachtnemer is bij het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van Opdrachtgever (..).\n\n(..)”\n\n5.14.. \n\nDaarnaast blijkt ook uit de doelstelling in artikel 2, lid 2 van de door [verweerder sub 2] ondertekende aandeelhoudersovereenkomst dat partijen het voornemen hebben om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en\u002Fof diens meester en Humby. In artikel 2 is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Partijen hebben het voornemen om met elkaar samen te werken zolang er sprake is van een managementovereenkomst tussen [verweerder sub 2] en\u002Fof diens meester en Humby (..)”\n\n5.15.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat uit de voornoemde afspraken voldoende volgt dat partijen samen de wens hadden op basis van een overeenkomst van opdracht samen te gaan werken. Zeker nu niet [verweerder sub 2] , maar [verweerder sub 1] partij is bij de gesloten overeenkomst. Aangezien arbeid alleen verricht kan worden door een natuurlijk persoon, zou [verweerder sub 1] niet aan deze verplichting kunnen voldoen.\n\nDit alles wijst er in beginsel op dat partijen een managementovereenkomst zijn overeengekomen en geen arbeidsovereenkomst.\n\nDe wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd\n\n5.16.. \n\nHumby stelt zich op het standpunt dat uit de overeenkomst volgt dat [verweerder sub 1] een (vaste) vergoeding voor de werkzaamheden ontving en dat [verweerder sub 1] haar werkzaamheden op grond van artikel 5.5. mocht opschorten als er sprake was van een openstaande factuur. Humby betaalde geen salaris, maar voldeed de facturen van [verweerder sub 1] . Humby betaalde de btw over deze facturen en [verweerder sub 1] droeg dan zelfstandig de btw af aan de Belastingdienst. [verweerder sub 1] had een arbeidsovereenkomst gesloten met [verweerder sub 2] en [verweerder sub 2] verloonde zichzelf vanuit zijn vennootschap, waarin hij een eigen salarisadministratie voerde, aldus Humby.\n\n [verweerder sub 2] gaf zelf de opdracht aan Humby om de facturen op te stellen en administratief te verwerken en zijn btw-nummer te gebruiken. De accountant verwerkte in opdracht en namens [verweerder sub 1] alle inkomende en uitgaande facturen, stelde de btw-aangifte op die [verweerder sub 2] goedkeurde en maakte de btw over aan de Belastingdienst. Datzelfde geldt voor de verloning binnen [verweerder sub 1] . De accountant zette alles klaar voor de verloning, de loonstrook, de af te dragen loonbelasting binnen [verweerder sub 1] .\n\n [verweerder sub 2] betaalde dus zijn eigen salaris, loonbelasting en btw vanuit [verweerder sub 1] . Humby betaalde alleen de facturen van [verweerder sub 1] .\n\n5.17.. \n\nVolgens [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] kreeg [verweerder sub 2] salaris betaald van Humby, zowel voor als na de participatie. Hij heeft geen invloed gehad op de hoogte. [verweerder sub 2] kreeg ook doorbetaald bij ziekte of bij opnemen van vakantie. [verweerder sub 2] had slechts een keer onbetaald verlof opgenomen.\n\n [verweerder sub 2] heeft nooit zelf een factuur opgesteld of verstuurd. De administratie daarvan werd gedaan door [naam 4] , zijnde een vriend van de boekbouder bij Humby. [naam 4] stuurde de facturen rechtstreeks naar de [bedrijfsnaam 2] , de accountant van Humby. Het geld werd elke maand automatisch overgemaakt. Het betrof een louter interne administratieve verwerking. De gehele administratie verliep via [bedrijfsnaam 2] . [verweerder sub 2] droeg ook geen btw af.\n\n5.18.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt.\n\nIn de schriftelijke overeenkomst is over de beloning onder het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 5. Urenverantwoording en facturatie5.1.. Opdrachtgever betaalt aan Opdrachtnemer voor de werkzaamheden die hij overeenkomstig artikel 1.1 en\u002Fof artikel 1.6 uitvoert € 6.611,00 per maand, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur per week. Alle genoemde bedragen zijn exclusief 21% BTW, en inclusief reiskosten woon-werkverkeer. (..)5.2. (..). Opdrachtnemer draagt zelf de eventueel verschuldigde sociale premies en\u002Fof inkomstenbelasting af en vrijwaart Opdrachtgever voor eventuele aanspraken, ingevolge deze opdracht, van de fiscus, het UWV en\u002Fof vergelijkbare instanties.5.3.. \n\nFacturatie geschiedt aan het einde van de maand en opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 14 dagen na de factuurdatum. (..). Facturen met declaratiestaat dienen in één pdf ingediend te worden bij: [e-mailadres]\n\n(..)”\n\n5.19.. \n\nVast staat dat [verweerder sub 1] , in de persoon van [verweerder sub 2] , de werkzaamheden uit de opdracht heeft uitgevoerd en uit naam van [verweerder sub 1] voor de verrichte werkzaamheden facturen zijn gestuurd aan Humby. Deze facturen zijn door Humby overgelegd als productie 10. In de facturen staat als omschrijving ‘managementfee’.\n\nBij de facturen bracht [verweerder sub 1] ook btw in rekening. De factuurbedragen moesten worden overgemaakt naar [verweerder sub 1] .\n\nBovendien heeft Humby onweersproken gesteld dat [verweerder sub 1] aan [verweerder sub 2] salaris heeft betaald voor voornoemde werkzaamheden uit hoofde van een arbeidsovereenkomst tussen [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] .\n\nHet feit dat [naam 4] , een vriend van de boekhouder van Humby, de administratie verzorgde en namens [verweerder sub 1] de facturen van de fee opmaakte en naar Humby verstuurde, maakt niet dat deze facturen niet in opdracht van [verweerder sub 1] zijn gemaakt. Bij e-mailbericht van 8 augustus 2023 van [verweerder sub 2] aan [naam 4] verzoekt [verweerder sub 2] ook om het btw-nummer van [verweerder sub 1] op de factuur naar Humby te vermelden.\n\nVanwege het feit dat [verweerder sub 1] btw in rekening bracht, kan het niet anders zijn dan dat zij ook btw afdroeg. Bovendien heeft [verweerder sub 1] de eerste factuur pas in rekening gebracht nadat de aandeelhoudersovereenkomst in juli 2023 was gesloten. [verweerder sub 2] heeft in de periode daarvoor, waarin hij stelt dat er al sprake was van een arbeidsovereenkomst, slechts twee keer een voorschot ontvangen en destijds geen loon gevorderd. Humby heeft ook onweersproken gesteld dat zij geen premies en loonbelasting voor [verweerder sub 2] heeft afgedragen.\n\n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hebben zich nog op het standpunt gesteld dat in het door hen als productie 3 overgelegd overzicht van betaling twee keer salaris is vermeld. Het feit dat tweemaal in de betaling aan [verweerder sub 1] het woord ‘salaris’ is gebruikt, is door Humby toegelicht als zijnde een administratief foute benaming vanwege de afwezigheid van de financiële administratie. Dit is niet weersproken.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat dit alles een sterke aanwijzing vormt voor het aannemen van een overeenkomst van opdracht en niet van een arbeidsovereenkomst.\n\nDe hoogte van de beloning\n\n5.20.. \n [verweerder sub 1] factureerde een bedrag van € 6.611,57 ex btw, zijnde € 8.000,00 inclusief btw. Partijen hebben zich niet uitgelaten of de hoogte van de beloning van [verweerder sub 1] al dan niet vergelijkbaar is met werknemers van Humby, zodat de kantonrechter dit gezichtspunt niet verder zal meenemen in de beoordeling.\n\nHet lopen van commercieel risico bij het verrichten van de werkzaamheden\n\n5.21.. \n\nHumby stelt zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] financieel risico loopt in verband met zijn participatie in Humby, omdat hij 25% van de aandelen in Humby bezit. Dit standpunt kan niet slagen. Het risico van het bezit van aandelen staat los van het risico wat [verweerder sub 2] loopt bij het verrichten van de werkzaamheden. Vast staat dat [verweerder sub 1] een vast bedrag per maand van € 8.000,00 inclusief btw van Humby heeft ontvangen, onafhankelijk van de door haar daadwerkelijk gewerkte uren. Gesteld noch gebleken is dat [verweerder sub 1] bijvoorbeeld bepaalde opdrachten moest binnenhalen of verantwoordelijk was voor de kwaliteit voor de door haar verrichte werkzaamheden.\n\nDit wijst naar het oordeel van de kantonrechter eerder in de richting van een arbeidsover-eenkomst.\n\nHet gedragen als ondernemer in het economisch verkeer bij het verrichten van de werkzaamheden\n\n5.22.. \n\nOp dit onderdeel heeft Humby het volgende aangevoerd. [verweerder sub 2] is altijd ondernemer geweest en heeft jarenlang een onderneming gedreven onder [bedrijfsnaam X] in Azië en ook andere ondernemingen. [verweerder sub 2] is ook bestuurder en voor 50% aandeelhouder bij Indexica B.V., welke onderneming voorheen een eenmanszaak van [verweerder sub 2] was. De ervaring van [verweerder sub 2] als zelfstandig ondernemer was voor Humby de essentie om de samenwerking met [verweerder sub 1] aan te gaan.\n\nHumby heeft als productie 7 e-mailberichten overgelegd waaruit volgt dat [verweerder sub 2] , naast zijn werkzaamheden ter uitvoering van de managementovereenkomst, ook voor Indexica B.V. werkzaam is.\n\n5.23.. \n [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] stellen zich op het standpunt dat [verweerder sub 2] vanaf 1 januari 2023 niet actief is (geweest) als zelfstandig consultant of adviseur, zich niet zodanig profileert en ook niet beschikt over andere opdrachtgevers dan Humby.\n\n5.24.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest voor het eerst invulling gegeven aan het begrip ondernemerschap als contra-indicatie voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Indien men kan aantonen zich als ondernemer te presenteren, als ondernemer gewerkt te hebben in het verleden en door de fiscus als zodanig behandeld wordt, zijn dit belangrijke contra-indicaties voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.\n\nUit de maandelijkse facturen van [verweerder sub 1] blijkt dat [verweerder sub 2] , onder de naam [verweerder sub 1] , op het moment dat hij voor Humby werkzaamheden verrichtte, maar in ieder geval vanaf juli 2023, met zijn onderneming ingeschreven stond bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast staat vast dat [verweerder sub 2] 25% van de aandelen bezit in Humby. [verweerder sub 2] heeft ook niet betwist jarenlang een onderneming gedreven te hebben onder [bedrijfsnaam X] in Azië. [verweerder sub 2] heeft verder niet betwist dat hij tijdens zijn werkzaamheden ook aandeelhouder en bestuurder was van Indexica B.V.\n\nUit productie 7 van Humby blijkt dat [verweerder sub 2] naast de uitvoering van zijn werkzaamheden uit de overeenkomst met Humby, in ieder geval ook in 2024 werkzaamheden uit naam van Indexica B.V. heeft verricht.\n\nBovendien heeft [verweerder sub 2] namens [verweerder sub 1] , zoals al is overwogen in overweging 5.19, btw in rekening gebracht en afgedragen aan de Belastingdienst, waaruit volgt dat hij zich naar buiten en naar de Belastingdienst toe als ondernemer heeft opgesteld.\n\nDe stelling van [verweerder sub 2] dat hij slechts één opdrachtgever heeft, zijnde Humby, is daarbij niet van doorslaggevende betekenis.\n\nUit het voorgaande volgt voldoende dat [verweerder sub 2] zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt en dit ook voorheen al deed, hetgeen een aanwijzing vormt voor het bestaan van een overeenkomst van opdracht.\n\nConclusie\n\n5.25.. \n\nDe Hoge Raad heeft in het Deliveroo-arrest gekozen voor een zogenoemde holistische benadering van het kwalificatievraagstuk. Dat betekent dat alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien van belang zijn. Geen van deze factoren is doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsover-eenkomst.\n\nGelet op alle omstandigheden van dit geval, ook in onderling verband bezien, komt de kantonrechter tot de slotsom dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kan worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst.\n\nPartijen hebben zich naar het oordeel van de kantonrechter bij de inrichting van de overeenkomst (de overeengekomen rechten en plichten) en de wijze waarop zij aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven, meer als opdrachtgever en opdrachtnemer gedragen, dan als werkgever en werknemer.\n\n5.26.. \n\nNu geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, ligt het eerste verzoek van Humby tot verklaring voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, voor toewijzing gereed. Het verzoek onder II en III komt niet voor beoordeling in aanmerking, nu niet aan de voorwaarde is voldaan dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.\n\nHet tegenverzoek van [verweerder sub 1] onder I en II moeten worden afgewezen.\n\nProceskosten in het verzoek en in het tegenverzoek\n\n5.27.. \n\nHumby verzoekt de hoofdelijke veroordeling van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] tot betaling van de volledige proceskosten. Volgens Humby is er sprake van misbruik van recht doordat zij in een procedure gedwongen wordt terwijl de uitkomst van de procedure in het voordeel van Humby wordt beslist. Dit verzoek kan niet worden toegewezen. Een proces-kostenveroordeling omvat in beginsel een forfaitaire vergoeding. Onder buitengewone omstandigheden kan de rechter echter een ruimere of zelfs volledige proceskostenveroordeling toekennen, bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan is sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente onge-grondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven, wanneer de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Daar is in dit geval geen sprake van.\n\nAls een partij in een procedure tegen beter weten in onware stellingen inneemt en daarmee de andere partij onnodig op kosten jaagt, kan er sprake zijn van onrechtmatig procederen. Daar is eveneens geen sprake van, althans dat is onvoldoende door Humby onderbouwd.\n\nDat betekent dat aan Humby een forfaitaire procesvergoeding zal worden toegekend.\n\n5.28.. \n\nDe proceskosten komen (hoofdelijk) voor rekening van [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] , omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten aan de zijde van Humby worden begroot op € 1.084,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe kantonrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een aparte kostenveroor-deling in het zelfstandig tegenverzoek.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het verzoek\n\n6.1.. verklaart voor recht dat tussen Humby en [verweerder sub 1] , althans [verweerder sub 2] , geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan,\n\n6.2.. veroordeelt [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.084,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder sub 1] en [verweerder sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin het tegenverzoek\n\n6.4.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.\n\nMH","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:11921","2026-07-13T00:29:06.878Z",20]