[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-administrative-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":102},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2024-10-02T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121806","Wet maatschappelijke ondersteuning","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":24,"count":25},"121807","Algemene wet bestuursrecht",{"provisionId":30,"code":31,"article":24,"count":25},"121843","Wet op de huurtoeslag",[33,43,52,61,69,77,86,94],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":41,"updatedAt":42},"1178","ECLI:NL:RBROT:2026:7873","ecli-nl-rbrot-2026-7873","Rechtbank Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F4181\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres], te [plaats], eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. A.P.M.A. Laeyendecker),\n\nen\n\nde minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. W.J.C. Goorden).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.500,- die verweerder met het besluit van 8 november 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3.1.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 26 september 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder beschrijft in het rapport haar bevindingen nadat zij samen met een toezichthoudend dierenarts vanaf 15 juli 2024 een onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van een melding over eiseres die zou fokken met Shar-Pei’s met extreme uiterlijke kenmerken. In het rapport staat onder meer het volgende beschreven.\n\n3.1.1.. \n\nIn de I&R-databankzag de toezichthouder dat op het adres en de naam van eiseres sinds 16 september 2021 een UBNwas gevestigd met de productiedoelen: honden afleveren, honden fokken, honden verkoop en honden voorraad. Verder bleek uit deze databank dat er op naam van eiseres in de periode van 2014 tot 2021 veertien nesten zijn geboren en in de periode van 2021 tot 16 juli 2024 zes nesten zijn geboren. Op de website Dutch Dog Data heeft de toezichthouder de door de Raad van Beheer geregistreerde gegevens van stamboomhonden geraadpleegd en daaruit bleek dat eiseres van 2021 tot 16 juli 2024 vijf nesten met stamboom heeft gefokt en dat de kennel [kennelnaam] teruggaat tot 2005 met daarin 164 resultaten op individuele stamboeknummers.\n\nOok heeft de toezichthouder de website [website] van eiseres bekeken en gezien dat daarop teef [teef A] en reu [reu B] werden voorgesteld. Ook zag de toezichthouder op de website twee foto’s van pups met hechtingen rondom de oogleden.\n\nVerder heeft de toezichthouder het register van de Kamer van Koophandel geraadpleegd en daaruit bleek dat [kennelnaam] stond ingeschreven als eenmanszaak met eiseres als eigenaar en als bedrijfsactiviteit ‘Fokken en houden van overige dieren, Hondenkennel’.\n\nOp de website marktplaats.nl zag de toezichthouder een advertentie betreffende reu [reu B] staan, geplaatst door eiseres en met een verwijzing naar de website [website] Uit gegevens die Markplaats op vordering van de toezichthouder heeft verstrekt bleek de toezichthouder dat door eiseres in de periode van 20 oktober 2005 tot 16 juli 2024 in totaal 66 advertenties zijn geplaatst die zijn te relateren aan honden waarvan vier in de periode van 2021 tot 16 juli 2024.\n\nDe toezichthouder heeft tevens op 16 juli 2024 bij Dierenkliniek [naam] de patiëntenkaarten opgevraagd van de bij de kliniek bekende honden van eiseres, waaronder [teef A].\n\nOp 16 juli 2024 heeft de toezichthouder, samen met toezichthoudend dierenarts [naam] en een andere toezichthouder bij eiseres thuis een inspectie uitgevoerd. Daarbij zagen zij teef [teef A] en haar pup [naam]. Eiseres vertelde de toezichthouders dat zij recent een nestje van vier pups had gehad waarvan één pup is ingeslapen vanwege een vernauwde luchtpijp en dat bij één pup de huid boven de ogen was getackt. Ook zagen de toezichthouders in een bijgebouw in de tuin nog twee honden. Volgens de toezichthouder waren in dit bijgebouw drie dierenverblijven, zijnde hondenkennels, gerealiseerd. Tijdens de inspectie heeft de toezichthoudend dierenarts de honden veterinair beoordeeld en daarvan een veterinaire verklaring opgesteld.\n\n3.1.2.. \n\nIn de veterinaire verklaring van 25 juli 2024 schrijft de toezichthoudend dierenarts dat zij bij [teef A] een sterk snuivend ademgeluid hoorde waarbij zij zag dat bij iedere inademing de neus werd samengetrokken. Volgens de toezichthoudend dierenarts had [teef A] ernstig vernauwde neusgaten en gehoorgangen, was zij kalend over het gehele lichaam, had zij wondjes en korstjes en had de hond huidrimpels over het gehele lichaam met ontstekingen tussen de rimpels op de kop. Ook heeft de toezichthoudend dierenarts de patiëntenkaart van [teef A] van Dierenkliniek [naam] geraadpleegd en in de veterinaire verklaring schrijft zij wat haar daaruit bleek:\n\n“Op 5 maart 2020 werd er bij [teef A] op 10 maanden leeftijd een lytisch ulcus (cornea-aandoening) van het oog vastgesteld. Hierbij werden er zowel op het boven- alsonderooglid tackings geplaatst. Op 18 maart 2020 werd bij [teef A] trichiasis aanbeide oogleden vastgesteld. Bij trichiasis is er sprake van een afwijkende stand van de wimpers, waarbij deze richting de oogbol groeien en hier ernstige irritatie en beschadiging van het hoornvlies kunnen veroorzaken. Op 13 mei 2022 werd er beiderzijds een oorontsteking door een pseudomonas-infectie vastgesteld. Op 12 augustus 2022 staat genoteerd dat er bij een pup van [teef A] de ogen zijn getackt op 4 weken leeftijd. Ook op 5 juni 2023 werd een pseudomonas-infectie in de oren vastgesteld, waarbij staat genoteerd dat [teef A] zeer nauwe gehoorgangen heeft en dat het trommelvlies niet te beoordelen was. Op 12 juni 2024 werd bij een pup van [teef A] van 3 weken oud het rechteroog getackt vanwege entropion. Op 27 juni 2024 werd bij [teef A] diepe pyodermie met demodex-infectie vastgesteld.”\n\nOp basis van het onderzoek van de hond en de patiëntenkaart komt de toezichthoudend dierenarts in de veterinaire verklaring tot de volgende conclusie:\n\n“Bij [teef A] is door de eigen dierenarts trichiasis vastgesteld. Deze schadelijke aandoening van de oogleden kan erfelijk zijn en dus aan de nakomelingen worden doorgegeven. Daarnaast heeft [teef A] ernstig vernauwde neusgaten en een snuivend ademgeluid, wat duidt op een obstructie van de luchtweg. De gehoorgangen van [teef A] zijn zeer nauw en in haar patiëntendossier staat genoteerd dat zij al meermaals een ontsteking van de oren heeft gehad. Ook heeft [teef A] een overmaat van huidrimpels, waardoor er een verhoogd risico op huidproblemen is. Door de overmaat van huidrimpels kan ook de erfelijke aandoening entropion ontstaan. In het patiëntendossier van [teef A] staat dat dit bij meerdere van haar pups is vastgesteld. De ernst en de combinatie van deze schadelijke uiterlijke kenmerken maken [teef A] ongeschikt voor de fok.”\n\n3.2.. \n\nOp grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Het is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld. Er werd niet zoveel mogelijk voorkomen dat uiterlijke kenmerken werden doorgegeven aan of konden ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hadden voor welzijn of gezondheid van de dieren. Uw hond [teef A] was niet geschikt om mee te fokken.”\n\nVolgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 3.4, eerste lid en tweede lid, onder b, van het Besluit houders van dieren. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.500,-.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Eiseres voert aan dat verweerder niet handelt conform eigen beleid. Zij verwijst daarbij naar een voorlichting die op 14 december 2024 door de NVWA is gegevenwaaruit blijkt dat bij overtredingen een waarschuwingsbrief wordt verstuurd. Eiseres heeft echter direct een boete en een last onder dwangsom ontvangen. Dit is niet juist, verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing, aldus eiseres.\n\n4.1.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zij de overtreding heeft begaan. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dierenwas verweerder bevoegd om eiseres voor deze overtreding een boete op te leggen. Eiseres heeft verwezen naar presentatiemateriaal van een voorlichting die door een toezichthoudend dierenarts van de NVWA is gegeven, maar anders dan eiseres kan de rechtbank daaruit niet afleiden dat verweerder bij deze overtreding een waarschuwing geeft en nog geen boete oplegt. In de presentatie wordt een waarschuwing als een van de mogelijkheden genoemd. Ook wordt in de presentatie verwezen naar interventiebeleid van verweerder. In dit beleid staat hoe verweerder met zijn boetebevoegdheid omgaat. In dit geval is het Algemeen interventiebeleid NVWA 2024 en het Specifiek interventiebeleid NVWA Dierenwelzijnvan toepassing, zoals in het boetebesluit ook is beschreven. In de Bijlage bij dit interventiebeleid is per soort overtreding beschreven welke interventie daarop volgt. In deze bijlage wordt overtreding van artikel 3.4, tweede lid, van het Besluit houders van dieren aangemerkt als klasse middel of zwaar.Als sprake is van een (risico op) aantasting van het dierenwelzijn en de afwijking van de norm beperkt in ernst en incidenteel van aard is (klasse middel) wordt eerst een waarschuwing gegeven. Als sprake is van een (risico op) ernstige aantasting van het dierenwelzijn en de afwijking van de norm zwaar is en\u002Fof een meer structureel karakter heeft (klasse zwaar) wordt er direct een boete opgelegd.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden de overtreding aangemerkt als klasse zwaar en daarvoor direct een boete opgelegd. Zoals uit het rapport van bevindingen volgt heeft [teef A] kenbare schadelijke kenmerken die zij aan nakomelingen kan doorgeven. Zo is bij haar trichiasis vastgesteld, een oogaandoening die erfelijk kan zijn, heeft de toezichthouder vastgesteld dat sprake was van een obstructie van de luchtwegen en heeft [teef A] een overmaat van huidrimpels waardoor de erfelijke aandoening entropion kan ontstaan. In de veterinaire verklaring bij het rapport van bevindingen staat dat entropion ontstaat doordat de ooglidrand vanwege overmatige huidrimpels naar binnen krult, waardoor de haartjes op de ooglidrand over het hoornvlies schuren van het oog. Ter zitting heeft de toezichthoudend dierenarts toegelicht dat entropion veel pijn veroorzaakt en tot onherstelbare schade aan het oog kan lijden. Bij twee pups uit verschillende nestjes van [teef A] is ook daadwerkelijk entropion vastgesteld waardoor zij een medische ingreep hebben moeten ondergaan (tacken, zijnde hechtingen rondom het oog om het ooglid op te tillen). Gelet op de ernst van de gevolgen die het fokken met [teef A] voor de gezondheid en het welzijn van nakomelingen kan hebben en nu eiseres tot twee keer toe met deze hond heeft gefokt – wat ook tot medische gevolgen bij twee pups heeft geleid – heeft verweerder terecht gesteld dat de overtreding een (risico op) ernstige aantasting van het dierenwelzijn betekende en een meer structureel karakter had. Verweerder heeft dan ook in overeenstemming met zijn interventiebeleid voor deze overtreding een boete opgelegd. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in afwijking van zijn interventiebeleid een waarschuwing had moeten geven.\n\n4.3.. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dierenis de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 1.500,-. Dit is ook het bedrag dat verweerder aan eiseres heeft opgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete gematigd zou moeten worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.\n\nde rechter is verhinderd\n\ndeze uitspraak te tekenen\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet dierenArtikel 8.6, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1\n\nIn deze paragraaf wordt verstaan onder:\n\novertreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:\n\n1°. de artikelen […]2.6, eerste, tweede en derde lid,[…];\n\novertreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.\n\nArtikel 8.7\n\nOnze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.\n\nBesluit houders van dierenArtikel 3.4, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder b\n\nHet is verboden te fokken met gezelschapsdieren op een wijze waarop het welzijn en de gezondheid van het ouderdier of de nakomelingen wordt benadeeld.\n\nIn ieder geval wordt bij het fokken, bedoeld in het eerste lid, voor zover mogelijk voorkomen dat:\n\nb. uiterlijke kenmerken worden doorgegeven aan of kunnen ontstaan bij nakomelingen die schadelijke gevolgen hebben voor welzijn of gezondheid van de dieren;\n\nBesluit handhaving en overige zaken Wet dierenArtikel 2.2, eerste en onder b\n\n1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:\n\nb. categorie 2: € 1500;\n\nArtikel 2.4\n\nIndien een overtreding is begaan anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt het voor die overtreding op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 op te leggen boetebedrag gehalveerd.\n\nRegeling handhaving en overige zaken Wet dieren\n\nArtikel 1.2\n\nDe hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.\n\nBijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren\n\nBesluit houders van dieren Categorie\n\nArtikel 3.4 2\n\n Identificatie- en Registratiedatabank\n\n Uniek Bedrijfsnummer\n\n Het aanbrengen van hechtingen om het ooglid op te tillen\n\n Verweerder heeft in het besluit van 8 november 2024 tevens vastgesteld dat eiseres drie andere feiten heeft gepleegd, maar daarvoor geeft verweerder eiseres een schriftelijke waarschuwing.\n\n Presentatie ‘Richtlijnen en handhaving, stimulans voor bonafide professionele fokkers’\n\n Gelezen in samenhang met artikel 8.6, eerste lid, en artikel 2.6, tweede lid, Wet dieren\n\n IB03-SPEC 02, versie 8\n\n Regel 02R092300 en 02R092310\n\n Gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, Besluit houders van dieren","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7873","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:08.276Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":41,"updatedAt":51},"1762","ECLI:NL:RBROT:2026:7700","ecli-nl-rbrot-2026-7700","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 24\u002F11226 en ROT 24\u002F11960\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. F.Th.M. Peters),\n\nen\n\nde minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over twee bestuurlijke boetes van elk € 2.500,- die verweerder met de besluiten van 10 mei 2024 (ROT 24\u002F11226) en 16 augustus 2024 (ROT 24\u002F11960) aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boetes en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boetes.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boetes ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nProcesverloop\n\n2. Met de bestreden besluiten van 5 november 2024 en 28 november 2024 op de bezwaren van eiseres is verweerder bij de boetebesluiten gebleven.\n\n2.1.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten onder kenmerk ROT 24\u002F11226, respectievelijk ROT 24\u002F11960.\n\n2.2.. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).\n\n2.4.. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst en verweerder de gelegenheid gegeven de keuze voor de grondslag van de boetes toe te lichten. Dit heeft verweerder bij brief van 18 februari 2026 gedaan. Bij brief van 3 april 2026 heeft eiseres daarop gereageerd. Nadat geen van de partijen te kennen heeft gegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank op 22 mei 2026 het onderzoek in beide zaken gesloten.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3.1.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit in ROT 24\u002F11226 gebaseerd op een rapport van bevindingen van 19 februari 2024, opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In het rapport staat over de bevindingen van de toezichthouder tijdens regulier toezicht bij eiseres onder meer het volgende:\n\n“Datum en tijdstip van de bevinding: 15 februari 2024 omstreeks 12.55 uur.[…]\n\nTijdens mijn inspectie bevond ik mij in de darmwasserij bij [eiseres] in deze darmwasserij is het bedrijf [bedrijf B] werkzaam. In deze ruimte worden darmpakketten gesplitst in bruikbare onderdelen. Bij binnenkomst van de darmwasserij ben ik richting koelcel 2 gelopen. Daar staan de producten gereed voor verzending.\n\nIn de koelcel zag ik na het openen van een recipiënt met varkensscheilvet (Ruffle fat), dat er bovenop een stuk lag met nog darmen eraan met vezelachtige partikels en de groen\u002Fbruine kleur, door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 1). Dit materiaal had als categorie 2 dierlijke bijproducten aangemerkt moeten worden. Op de recipiënt zat een sticker met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer 28 (zie foto 2). Doordat het erkenningsnummer [erkenningsnummer] op het recipiënt was aangebracht is het geschikt verklaard voor humane consumptie. Op mijn aanwijzen is het materiaal als categorie 2 dierlijke bijproducten afgevoerd. Hieruit bleek mij dat de dierlijke bijproducten niet identificeerbaar waren en tijdens het verzamelen niet gescheiden en identificeerbaar bleven, terwijl dat wel vereist was.”\n\n3.2.. \n\nVerweerder heeft zijn besluit in ROT 24\u002F11960 gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 6 mei 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In dit rapport schrijft de toezichthouder over zijn bevindingen tijdens regulier toezicht bij eiseres onder meer het volgende:\n\n“Datum en tijdstip van de bevinding: 1 mei 2024 omstreeks 13:00 uur.[…]\n\nTijdens mijn inspectie bevond ik mij in de darmwasserij bij [eiseres] in deze darmwasserij is het bedrijf [bedrijf B] werkzaam. In deze ruimte worden darmpakketten gesplitst in bruikbare onderdelen. Bij binnenkomst van de darmwasserij ben ik richting de koelcel gelopen. Daar staan de producten gereed voor verzending.\n\nIn de koelcel zag ik een recipiënt staan met varkens netvet (net fat) (zie foto 1, 2, 3 en 4). Ik zag dat er op de recipiënt een sticker was aangebracht met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer 28 (zie foto 1). Doordat het bedrijf [erkenningsnummer] op het label heeft staan is het product geschikt verklaard voor humane consumptie. Ik zag geen andere stickers die categorisering voor dierlijke bijproducten suggereerden. Ik zag dat het netvet (net fat) zichtbaar was verontreinigd met een bruin\u002Fgroene verontreiniging en vezelachtige partikels, door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 2, 3 en 4). Fecale bezoedeling behoort als categorie 2 (destructie) aangemerkt te worden en als zodanig verzameld te worden.\n\nIk zag in dezelfde ruimte na het openen van een recipiënt met varkens scheilvet (Ruffle fat), dat het varkens scheilvet zichtbaar was verontreinigd met een groen\u002Fbruine verontreiniging met vezelachtige partikels door mij herkend als fecale bezoedeling (zie foto 6, 7, 8 en 9). Dit materiaal had als categorie 2 (destructie) aangemerkt moeten worden. Op de recipiënt zat een sticker met daarop de slachtdatum, product omschrijving en het erkenningsnummer [erkenningsnummer] (zie foto 5). Doordat het erkenningsnummer [erkenningsnummer] op het recipiënt was aangebracht is het geschikt verklaard voor humane consumptie. Op mijn aanwijzen is het materiaal als categorie 2 (destructie) afgevoerd.\n\nHieruit bleek mij dat de dierlijke bijproducten niet identificeerbaar waren en tijdens het verzamelen niet gescheiden en identificeerbaar bleven, terwijl dat wel vereist was.”\n\n3.3.. \n\nOp grond van de rapporten van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:\n\n“De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten voldeden aan de eisen inzake identificatie van bijlage VIII, van Verordening 142\u002F2011. De exploitant heeft niet alle nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat dierlijke bijproducten tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong gescheiden en identificeerbaar blijven.”\n\nVolgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, in verbinding met artikel 3.3, eerste lid, onder b, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 17, eerste lid, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011, gelet op artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069\u002F2009.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4.1.. Eiseres voert aan dat het gaat om bezoedeld ruffle fat en netvet, voor humane consumptie bestemde en goedgekeurde halffabricaten die zijn gewonnen in de darmwasserij. Het betreffen levensmiddelen en daarop is Verordening 852\u002F2004van toepassing. Verordening 142\u002F2011 is pas van toepassing nadat een product uit de humane voedselketen is gehaald en wordt aangemerkt als een bijproduct. Dit zou voor het ruffle fat en netvet pas gelden nadat het op basis van HACCP-protocollen zou zijn afgewaardeerd naar categorie 3 of categorie 2 materiaal, maar dat stadium was hier nog niet bereikt. Het ruffle fat en netvet heeft namelijk nog verdere bewerking nodig bij een ander bedrijf ([bedrijf B]) en daar vindt een inslagcontrole plaats. Verder vindt eiseres dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt omdat de darmwasserij door [bedrijf B] wordt gebruikt. Daarnaast voert eiseres aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd. De halffabricaten leiden vanuit de slachterij namelijk nimmer naar een eindgebruiker en de goederen worden bij ontvangst door [bedrijf B] (wederom) onderworpen aan een HACCP-controle. Voorts is van belang dat het ruffle fat en netvet bij eindgebruik altijd gedurende langere tijd tot hoge temperaturen wordt verhit of gefrituurd, zodat de risico’s of gevaar voor de volksgezondheid afwezig zijn. Eiseres doet daarbij een beroep op artikel 3.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren.\n\n4.2.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de boetes op de juiste grondslag zijn opgelegd. Er was sprake van fecale bezoedeling op weefsel in recipiënten met andere varkensscheilvetten en netvetten en dat verspreidt zich over de gehele recipiënt. Het is niet meer weg te snijden, zoals een fecale bezoedeling bij een karkas dat wel is. Dit maakt dat de gehele recipiënten niet meer geschikt waren voor humane consumptie en direct als categorie 2 materiaal aangemerkt hadden moeten worden. Dit heeft eiseres nagelaten en daarom heeft verweerder een boete opgelegd voor overtreding van Verordening 142\u002F2011 en niet voor overtreding van Verordening 852\u002F2004. Verder vindt verweerder dat eiseres terecht als overtreder is aangemerkt omdat de recipiënten waren voorzien van het EG-nummer van eiseres. Ten slotte stelt verweerder dat de overtredingen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en ziet daarom geen reden voor matiging van de boetes.\n\nHeeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?\n\n5.1.. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zich in recipiënten in de koeling bezoedelde varkensscheilvetten (ruffle fat) en netvetten bevonden die waren goedgekeurd voor humane consumptie. Verweerder verwijt eiseres dat zij daarmee artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011 heeft overtreden. Hierin staat – kort gezegd – dat exploitanten ervoor moeten zorgen dat dierlijke bijproducten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven.\n\n5.2.. Onder meer is in geschil of Verordening 142\u002F2011 in deze situaties en op de momenten van de constateringen van de toezichthouders op de recipiënten met bezoedelde vetten van toepassing was. Uit de titel van deze verordening volgt dat deze dient ter uitvoering van Verordening 1069\u002F2009 en ziet op niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten. In Verordening 1069\u002F2009 worden dierlijke bijproducten ingedeeld in drie categorieën, gebaseerd op het risico voor de volks- en diergezondheid. Categorie 1 materiaal heeft het hoogste risico (bijvoorbeeld een kadaver van een koe besmet met BSE) en categorie 3 materiaal heeft het laagste risico (bijvoorbeeld veren of bepaalde etensresten). In beide verordeningen staan voorschriften over onder meer de hantering en de wijze van verzameling van dierlijke bijproducten, de traceerbaarheid ervan bij vervoer en de toegestane verwerkingsmethoden per soort dierlijk bijproduct. Op grond van artikel 3 van Verordening 1069\u002F2009 gaat het bij dierlijke bijproducten om producten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn.\n\n5.3.. Volgens eiseres was in deze zaak op het varkensscheilvet en netvet Verordening 852\u002F2004 van toepassing en die verordening ziet op levensmiddelen. In Verordening 178\u002F2002wordt onder een levensmiddel verstaan: alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd.\n\n5.4.. De rechtbank stelt vast dat het varkensscheilvet en netvet in de recipiënten door eiseres bestemd waren voor humane consumptie. De toezichthouder heeft gezien dat vetten in de recipiënten bezoedeld waren met fecaliën. Volgens verweerder betekent de aanwezigheid van die bezoedeling dat de vetten direct als dierlijke bijproducten moeten worden gekwalificeerd, maar dit volgt de rechtbank niet. Het varkensscheilvet en netvet is door eiseres namelijk steeds bestemd geweest voor humane consumptie en een fecale bezoedeling op deze producten maakt dit niet direct anders. Verweerder wijst erop dat bezoedeld varkensscheilvet en netvet niet meer geschikt is voor humane consumptie, wat ook navolgbaar is, maar dit maakt nog niet dat vetten of gehele recipiënten daarom ook direct als dierlijke bijproducten moeten worden gekwalificeerd. Voor dierlijke bijproducten is immers vereist dat ze niet (langer) bestemdzijn voor humane consumptie. Eiseres heeft gewezen op HACCP-controles die worden verricht. Als bij zo’n controle een bezoedeling wordt ontdekt, worden de vetten zo nodig afgewaardeerd. Op dat moment bestemt de exploitant de vetten niet langer voor humane consumptie en worden de vetten aangemerkt als dierlijke bijproducten. Dit punt was ten tijde van de constateringen door de toezichthouders (nog) niet bereikt. Op dat moment waren de vetten nog bestemd voor humane consumptie en dus aan te merken als levensmiddel, waarop niet Verordening 142\u002F2011 maar Verordening 852\u002F2004 van toepassing is.\n\n5.5.. In het bestreden besluit in ROT 24\u002F11960 stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres ookniet heeft voldaan aan punt 3 van hoofdstuk IX van Bijlage II, van Verordening 852\u002F2004. Dit voorschrift is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaken wel van toepassing. Op grond van dit voorschrift moeten namelijk levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie. Door de aanwezigheid van fecale bezoedeling op de levensmiddelen varkensscheilvet en netvet is daar niet aan voldaan. Verweerder heeft de boetes evenwel niet opgelegd voor overtreding van dit voorschrift. Overigens kan de rechtbank – los van het voorgaande – verweerder evenmin volgen in zijn betoog dat zowel een overtreding van Verordening 142\u002F2011 als van Verordening 852\u002F2004 aan de boete ten grondslag had kunnen worden gelegd, omdat eerstgenoemde verordening ziet op dierlijke bijproducten en laatstgenoemde verordening ziet op levensmiddelen. Een product kan niet op hetzelfde moment zowel een dierlijk bijproduct als een levensmiddel zijn. Een product is immers wel of niet bestemd voor humane consumptie.\n\n5.6.. De rechtbank concludeert dat verweerder in beide zaken ten onrechte heeft vastgesteld dat artikel 17, eerste lid, en Bijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a, van Verordening 142\u002F2011, gelet op artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069\u002F2009 is overtreden. De boetes zijn dus ten onrechte opgelegd. Gelet op dit oordeel behoeven de overige gronden van eiseres over overtrederschap en matiging van de boete geen bespreking meer.\n\nRedelijke termijn\n\n6. De rechtbank beoordeelt ambtshalveof de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden. Dit is bij punitieve sancties het geval als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De redelijke termijn is aangevangen met het uitbrengen van de voornemens.\n\n6.1.. In ROT 24\u002F11226 is het voornemen uitgebracht op 4 april 2024. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn in dit beroep met ruim drie maanden overschreden. Nu de boete vervalt en eiseres niet heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn in ROT 24\u002F11226 is overschreden.\n\n6.2.. In ROT 24\u002F11960 is het voornemen uitgebracht op 10 juli 2024 en is de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak niet overschreden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De beroepen zijn gegrond omdat verweerder niet bevoegd was de boetes op te leggen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en herroept de primaire besluiten. Dit betekent dat de boetes vervallen.\n\n8. Omdat de beroepen gegrond zijn moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Dit bedraagt € 371,- per beroep, dus in totaal € 742,-. Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank merkt beide zaken in de beroepsfase aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, omdat de beroepen gelijktijdig op zitting zijn behandeld en de werkzaamheden van de gemachtigde in beide beroepen nagenoeg identiek zijn geweest. In de bezwaarfase was hiervan geen sprake. Dit betekent dat de zaken voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand in de beroepsfase als één zaak en in de bezwaarfase als twee zaken worden beschouwd. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft in beide zaken een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.532,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten van 5 november 2024 en 28 november 2024;\n\nherroept de primaire besluiten;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;\n\nbepaalt dat verweerder het griffierecht van in totaal € 742,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder tot betaling van € 4.532,- aan proceskosten van eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nVerordening 142\u002F2011\n\nArtikel 17, eerste lid, aanhef en onder a\n\nExploitanten zien erop toe dat dierlijke bijproducten en afgeleide producten:\n\na) voldoen aan de eisen inzake verzameling, vervoer en identificatie van bijlage VIII, hoofdstukken I en II.\n\nBijlage VIII, Hoofdstuk II, punt 1, aanhef en onder a,\n\n1. Alle nodige maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat:\n\na) zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten identificeerbaar zijn en tijdens het verzamelen op de plaats van oorsprong van de dierlijke bijproducten alsook tijdens het vervoer gescheiden en identificeerbaar blijven.\n\nVerordening 1069\u002F2009\n\nArtikel 3, aanhef en eerste lid\n\nIn deze verordening worden verstaan onder:\n\n„dierlijke bijproducten”: dode dieren of delen van dieren, producten van dierlijke oorsprong of andere producten die uit dieren zijn verkregen en die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, met inbegrip van oöcyten, embryo’s en sperma;\n\nArtikel 21, eerste lid\n\nExploitanten verzamelen, identificeren en vervoeren dierlijke bijproducten onverwijld onder voorwaarden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid.\n\nVerordening 178\u002F2002\n\nArtikel 2\n\nIn deze verordening wordt verstaan onder \"levensmiddel\" (of \"voedingsmiddel\"): alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd. […]\n\nVerordening 852\u002F2004\n\nBijlage II, hoofdstuk IX, punt 3\n\nIn alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.\n\nWet dieren\n\nArtikel 6.2, eerste lid\n\nHet is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.\n\nArtikel 8.7\n\nOnze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.\n\n Verordening (EU) nr. 142\u002F2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97\u002F78\u002FEG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn.\n\n Verordening (EG) nr. 1069\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774\u002F2002.\n\n Verordening (EG) nr. 852\u002F2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004\n\ninzake levensmiddelenhygiëne\n\n Verordening (EG) nr. 178\u002F2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden. Op grond van artikel 2, tweede lid, van Verordening 852\u002F2004 zijn die definities van Verordening 178\u002F2002 eveneens van toepassing.\n\n Gelet op ECLI:NL:CBB:2025:7 en ECLI:NL:RVS:2024:4761\n\n Zie bijv. ECLI:NL:HR:2023:1337 en ECLI:NL:HR:2024:1422","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7700","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.596Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":56,"fullText":57,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":59,"parsedAt":41,"updatedAt":60},"597","ECLI:NL:RBROT:2026:7538","ecli-nl-rbrot-2026-7538","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F8091\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [bedrijf] V.O.F., uit [plaats] , eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van nadeelcompensatie die aan eiseres is toegekend vanwege de werkzaamheden bij knooppunt Roseknoop in Rotterdam . Eiseres is het niet eens met de wijze waarop de hoogte van het nadeel is vastgesteld. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de vaststelling van het nadeel.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college vanwege de coronacrisis uit heeft kunnen gaan van één referentiejaar, in dit geval 2022. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het normaal maatschappelijke risico van 25% had moeten afwijken. Wel heeft het college ten onrechte geen kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar vergoed. Eiseres krijgt op dit punt gelijk en het beroep is dus in zoverre gegrond. Het bestreden besluit wordt, voor zover de proceskosten in bezwaar niet zijn vergoed, vernietigd. De rechtbank zal die proceskostenvergoeding zelf vast stellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft het college verzocht om nadeelcompensatie voor omzetdaling door de werkzaamheden aan knooppunt Roseknoop. Het college heeft met het besluit van 8 januari 2025 het verzoek toegewezen en het nadeel vastgesteld op € 16.849,- (exclusief € 245,- wettelijke rente, uitgaande van het moment van het volledig aangevulde verzoek).\n\n2.1.. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 is het bezwaar voor zover gericht tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente gegrond verklaard. Het college heeft de ingangsdatum van de wettelijke rente bepaald op de datum van ontvangst van het verzoek en gelet daarop de wettelijke rente verhoogd en vastgesteld op € 1.593,96. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] , de gemachtigde van het college en mr. A. Şengür van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) als deskundige namens het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres heeft een woninginrichtingszaak aan [straat] in [plaats] . Als gevolg van de werkzaamheden aan het knooppunt Roseknoop heeft eiseres nadeel geleden (omzetderving). Op 23 augustus 2023 heeft eiseres voor het jaar 2023 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het college.\n\n3.1.. Met het besluit van 8 januari 2025 heeft het college het nadeel van eiseres voor het jaar 2023 vastgesteld op € 17.094 (inclusief wettelijke rente). Het college baseert zich daarbij op het rapport van de SAOZ van 18 december 2024. Voor zover relevant voor dit beroep is de hoogte van het nadeel vastgesteld aan de hand van de omzetdaling in 2023 ten opzichte van het referentiejaar 2022. Volgens de SAOZ is de werkelijke omzet over 2023 (€ 300.175,-) € 77.042,- lager uitgevallen dan mocht worden verwacht op basis van 2022, rekening houdend met de branchecorrectie van 3,1% voor de groei in 2023. Het nadeel is vervolgens vastgesteld aan de hand van de brutowinstmarge waarop de korting voor het normaal maatschappelijk risico van 25% is toegepast. Het voor vergoeding in aanmerking komend nadeel bedraagt € 16.849,-. De wettelijke rente is berekend vanaf het moment dat het verzoek van eiseres volledig was voorzien van de juiste gegevens (29 oktober 2024) en bedraagt € 245,-.\n\n3.2.. In het bestreden besluit houdt het college onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 5 augustus 2025 vast aan het hiervoor vastgestelde nadeel. Wel wordt de wettelijke rente opnieuw berekend omdat de datum van ontvangst van het verzoek om nadeelcompensatie (23 augustus 2023) als uitgangspunt moet worden genomen. De wettelijke rente wordt daarom vastgesteld op € 1.593,96. Het college heeft niet beslist op het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding in bezwaar.\n\nToetsingskader\n\n4. Tot de inwerkingtreding van de wettelijke regeling voor nadeelcompensatie in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd nadeelcompensatie toegekend op grond van vaste rechtspraak.Uitgangspunt is dat als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico (onevenredig nadeel) en die de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, dit nadeel wordt vergoed. De gemeente Rotterdam heeft in de destijds toepasselijke Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) en de bijbehorende Beleidsregel nadere regels opgenomen om de hoogte van de nadeelcompensatie vast te stellen.\n\n4.1.. Het wettelijk kader van deze zaak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nIs de juiste referentieperiode tot uitgangspunt genomen en is de normomzet daarmee correct vastgesteld?\n\n5. Eiseres stelt dat het college ten onrechte is afgeweken van het uitgangspunt dat voor de berekening van het nadeel een referentieperiode van drie jaar voorafgaand aan het schadejaar wordt gebruikt. Doordat het college uitsluitend 2022 als referentiejaar heeft genomen, is de normomzet aanzienlijk lager dan wanneer was uitgegaan van de periode 2020-2022 of een gemiddelde van de jaren 2020 en 2022 zonder piekjaar 2021. In dat verband heeft eiseres erop gewezen dat bij 50-60 andere ondernemers in de omgeving voor de berekening van het nadeel wel is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar.\n\n5.1.. Het college stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van het nadeel gebruik is gemaakt van het rapport van de SAOZ en zij kon uitgaan van de juistheid van dit advies. Het college wijst er verder op dat voor de berekening van het nadeel in beginsel een referentieperiode van drie jaar wordt aangehouden, maar dat dit niet is voorgeschreven. De SAOZ heeft in het rapport van 18 december 2024 aangegeven dat hiervan kan worden afgeweken vanwege evidente maatschappelijke en\u002Fof economische ontwikkelingen en\u002Fof omstandigheden en de omzet van verzoeker als gevolg daarvan een autonome (bestendige) daling dan wel stijging heeft laten zien. De SAOZ stelt in dat verband dat niet voorbij kan worden gegaan aan de invloed van de coronacrisis (2020-2022). Door de maatregelen die de overheid heeft getroffen in 2020 en 2021, stelt de SAOZ dat die boekjaren niet representatief zijn. Voor 2022 ligt dat anders omdat de invloed van de coronacrisis en de bijbehorende maatregelen vanaf begin 2022 is afgenomen.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan als sprake is van een onpartijdige en onafhankelijk deskundige en op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn.Het bestuursorgaan dient zich ervan te vergewissen dat daaraan is voldaan. Als voldoende concrete aanknopingspunten worden aangevoerd om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies, kan het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de deskundige om een reactie op wat over het advies is aangevoerd.\n\n5.3.. De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 4 van de AVN het nadeel in beginselwordt bepaald door uit te gaan van een referentieperiode vanzo mogelijkdrie jaar. In de toelichting op de AVN is opgenomen dat het kan voorkomen dat de omzetten uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode niet beschikbaar zijn of niet voldoende representatief zijn. Ook kan het voorkomen dat de omzet in de jaren voorafgaande aan de schadeperiode een dusdanig trendmatig verloop vertoont, dat het gemiddelde van deze omzetten geen objectief beeld oplevert. In die gevallen zal de normomzet anderszins moeten worden berekend. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of in dit geval kon worden uitgegaan van referentieperiode van één jaar, te weten het jaar 2022. De rechtbank overweegt in dit verband dat de SAOZ kwalificeert als deskundige en het college in dit geval heeft kunnen uitgaan van het advies van de SAOZ. Het college heeft – onder verwijzing naar de adviezen van de SAOZ – voldoende gemotiveerd dat de coronacrisis zo een uitzonderlijke situatie betrof dat die jaren niet als referentieperiode kunnen gelden. Omdat deze crisis volgens de SAOZ een dusdanige invloed (in positieve en negatieve zin) heeft gehad op de omzetontwikkeling van bedrijven, en iedere branche \u002F bedrijf een eigen unieke reactie heeft gehad op de coronamaatregelen, kan in algemene zin niet meer gesproken worden van representatieve omzetten voor het vaststellen van het nadeel. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres tijdens de hoorzitting van de SAOZ de invloed van de coronacrisis zelf heeft erkend. Zij heeft destijds aangegeven dat de verkopen in 2020 en 2021 behoorlijk zijn gestegen omdat mensen door de coronacrisis meer thuis zaten (omzetgroei van 42,5% respectievelijk 19,3%). De omzet in 2022 was volgens eiseres juist weer gekrompen (daling van 22% ten opzichte van 2021) en als het ware genormaliseerd ten opzichte van de fors positieve coronajaren. Tegen de achtergrond van de uitzonderlijke omstandigheden van de coronacrisis is de rechtbank van oordeel dat het college in dit geval heeft kunnen uitgaan van een referentieperiode van één (1) jaar en daarvoor 2022 als uitgangspunt heeft kunnen nemen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en, zoals ter zitting is gebleken, het evenredigheidsbeginsel, leidt niet tot een andere conclusie. In dat verband heeft eiseres weliswaar aangevoerd dat bij andere ondernemingen wel is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar, maar eiseres heeft dat niet geconcretiseerd en met stukken onderbouwd. Ter zitting heeft de SAOZ desgevraagd bevestigd dat slechts in een enkel geval is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar, maar dat daar sprake was van een stabiele omzet gedurende de referentieperiode. Omdat eiseres het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet anders heeft onderbouwd dan dat zij op dezelfde wijze behandeld wil worden als andere ondernemingen en vindt dat een langere referentieperiode had moeten worden aangehouden, leidt dat standpunt onder verwijzing naar het voorgaande niet tot een andere uitkomst. Verder is ter zitting komen vast te staan dat met de toegepaste branchecorrectie van 3,1% in het voordeel van eiseres het hoogste groeipercentage is toegepast, zodat eiseres geen belang heeft bij de beoordeling van de vraag of de winkel van eiseres in een andere branche valt. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college de normomzet juist heeft vastgesteld.\n\n5.4.. \n\nDeze beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs het toegepaste normaal maatschappelijk risico van 25% disproportioneel?\n\n6. Eiseres stelt dat, gelet op de grote hinder en de lange duur van de werkzaamheden, sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het normaal maatschappelijk risico lager moet worden vastgesteld (bijvoorbeeld 10%) dan het toegepaste percentage van 25% waar het college op grond van de AVN standaard van uitgaat. Eiseres stelt in dat verband dat de Roseknoop één van de drukste verkeersknooppunten is van Rotterdam en dat het kruispunt volledig afgesloten was voor het autoverkeer, tram- en buslijnen niet reden en fietsers en voetgangers grote omwegen moesten maken via drukke routes, met een structurele vermindering van bezoekersstromen en omzetdaling voor omliggende ondernemingen tot gevolg. Daarbij stelt eiseres dat er in de eerste maanden van de werkzaamheden geen adequate bewegwijzering en informatievoorziening voor bezoekers en winkeliers was, zodat geen mitigerende maatregelen konden worden getroffen.\n\n6.1.. Het college geeft aan dat bij het vaststellen van het normaal maatschappelijk risico beoordelingsruimte bestaat. Daarbij is als uitgangspunt gekozen voor 25%, welk percentage – zo bevestigt de SAOZ in het rapport van 18 december 2024 – overeenkomt met de stand van het recht en de algemene praktijk. Van dat percentage kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als de werkzaamheden langer duren dan normale infrastructurele werken of onderhoudswerken. Het college stelt dat uit vaste rechtspraakvolgt dat reconstructieve beheersmatige- en\u002Fof onderhoudswerkzaamheden aan de openbare infrastructuur en de publieke ruimte, zoals de werkzaamheden rondom de Roseknoop, niet uitzonderlijk zijn en worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling.\n\n6.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het gebruikelijke percentage van 25% had moeten afwijken. Voor de vraag of gelet op de aard, omvang en duur van de werkzaamheden sprake was van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot een lager kortingspercentage, heeft het college zich onder meer kunnen baseren op rechtspraak over vergelijkbare werkzaamheden.Ook daar was – ondanks bijvoorbeeld een duur van 23 maanden voor werkzaamheden, veel langer dan in dit geval – geen sprake van bijzondere omstandigheden die konden leiden tot een lager normaal maatschappelijk risico.Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de winkel van eiseres door de werkzaamheden helemaal niet meer toegankelijk was. Ook voor het overige is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het college niet mocht uitgaan van een normaal maatschappelijk risico van 25%. De rechtspraak waar eiseres naar verwijst voor een andersluidend standpunt, ziet niet op vergelijkbare situaties en blijft om die reden buiten bespreking.\n\n6.3.. \n\nDeze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft het college de juiste startdatum voor de wettelijke rentevergoeding gehanteerd?\n\n7. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het college ten onrechte heeft bepaald dat de wettelijke rente pas begint te lopen bij het verzoek om nadeelcompensatie (23 augustus 2023) en niet op het moment van aanvang van het schadeveroorzakend handelen (9 januari 2023).\n\n7.1.. Uit zowel artikel 7, aanhef en onder b, van de AVN als rechtspraakvolgt dat de wettelijke rente aanvangt op het moment van het verzoek om nadeelcompensatie dan wel – als het nadeel later ontstaat – op het moment dat dat nadeel ontstaat. Hieruit kan niet worden afgeleid dat – voor zover later om nadeelcompensatie is verzocht dan het nadeel is ontstaan – de wettelijke rente met terugwerkende kracht tot aan de aanvang van het schadeveroorzakend handelen moet worden berekend. Dat volgt ook niet uit de rechtspraak waar eiseres naar verwijst. De rechtbank is van oordeel dat het college voor het bepalen van de wettelijke rente in het bestreden besluit terecht is uitgegaan van het moment van het verzoek om nadeelcompensatie.\n\n7.2.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHad het college de kosten voor rechtsbijstand in bezwaar moeten vergoeden?\n\n8. Eiseres heeft tot slot verzocht om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in bezwaar. Die kosten zien op het inschakelen van een deskundige en een advocaat en haar eigen tijdsbesteding.\n\n8.1.. De rechtbank heeft het beroep zo opgevat dat eiseres stelt dat het college ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in bezwaar. In bezwaar is daar wel om verzocht. Ter zitting heeft het college onderkend dat hier in het bestreden besluit niet op is besloten, maar dat geen aanleiding bestaat om de proceskosten te vergoeden. Het college stelt dat het besluit van 8 januari 2025 is gehandhaafd, omdat daarin ook al wettelijke rente is toegekend. In het bestreden besluit is uitsluitend de datum voor de berekening verschoven en dat leidt maar tot een beperkte aanpassing van de toegekende wettelijke rente.\n\n8.2.. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vergoedt het bestuursorgaan op verzoek de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moet maken voor de behandeling van het bezwaar voor zover het bestreden besluit wordt herroepen door een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit vaste rechtspraak volgt dat van herroeping alleen sprake is als een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van het primaire besluit (zodanig dat het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg).Van ‘herroepen’ is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. Met het bestreden besluit heeft het college de aanvangsdatum – conform de voorschriften als beschreven onder 7.1 – voor het bepalen van de wettelijke rente immers gewijzigd. Dat is – anders dan het college betoogt – een materiële wijziging van het primaire besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en heeft tot gevolg dat – door de aanpassing van die aanvangsdatum – eiseres een hoger bedrag aan wettelijke rente krijgt vergoed. Dat de wijziging van het primaire besluit volgens het college heeft geleid tot een beperkte aanpassing van de wettelijke rente, maakt voorgaande niet anders. Uit het dossier volgt dat dit punt in bezwaar is aangevoerd door de advocaat van eiseres, die tevens aanwezig was bij de hoorzitting op 23 juni 2025. De rechtbank oordeelt daarom dat het college ten onrechte de kosten voor voornoemde professionele rechtsbijstand niet heeft vergoed. Omdat de deskundige geen bijdrage heeft geleverd aan dit onderdeel, komen deze kosten niet in aanmerking voor vergoeding. De eigen tijdsbesteding van eiseres is geen kostenpost die onder het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) valt. Omdat het Bpb uitputtend opsomt welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, is het college niet verplicht deze kosten te vergoeden.\n\n8.3.. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Voor zover het beroep van eiseres ziet op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar slaagt het beroep. De overige beroepsgronden slagen niet.\n\n9.1.. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vernietigen voor zover daarbij de kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar niet zijn vergoed.Dat betekent dat de overige onderdelen van het bestreden besluit (omvang van het nadeel en de uiteindelijk vastgestelde wettelijke rente) in stand blijven.\n\n9.2.. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de proceskostenvergoeding in bezwaar vast te stellen. De rechtbank beschouwt de zaak als van gemiddeld gewicht waarvoor een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. De rechtbank zal daarom de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken onder toepassing van het huidige Bpb vaststellen op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, € 666,- per punt, wegingsfactor 1). Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit.\n\n9.3.. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in beroep, omdat in beroep geen bijstand is verleend door een professioneel rechtsbijstandverlener en alleen bij professionele rechtsbijstandverlening een proceskostenvergoeding aan de orde is.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar niet zijn vergoed;\n\n- bepaalt dat het college aan eiseres een bedrag van € 1.332,- aan kosten van rechtsbijstand in bezwaar vergoedt;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;\n\n- bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 385,- vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A. Dingemanse, leden, in aanwezigheid van A. Ay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: het wettelijk kader van deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 7:15\n\n2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.\n\nAlgemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam\n\nArtikel 2 Recht op nadeelcompensatie\n\nHet bestuursorgaan kent op aanvraag van degene die schade heeft geleden ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak een vergoeding toe, voor zover de benadeelde daardoor in het bijzonder en in abnormale mate wordt getroffen.\n\nNiet voor vergoeding komt in aanmerking schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico.\n\nHet college van B&W kan nadere regels stellen met betrekking tot de omvang van het normaal ondernemersrisico en het normaal maatschappelijk risico.\n\nIndien een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 1 voor de aanvrager naast schade tevens voordeel oplevert, dan wordt dit, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering gebracht.\n\nArtikel 4 Winst- of inkomstenderving\n\n1. Indien de schade bestaat uit winst- of inkomstenderving, wordt de omvang daarvan in beginsel bepaald door:\n\na. de gemiddelde omzet gedurende een periode van zo mogelijk drie jaar te vergelijken met de omzet in het jaar waarin de schade is geleden. Daarbij wordt een inflatiecorrectie toegepast en waar mogelijk een branchecorrectie of een trendcorrectie;\n\nb. van de vastgestelde gemiste omzet worden afgetrokken de kosten van het product of de dienst alsmede de kosten die ten gevolge van de omzet- of inkomstenderving bespaard zijn of redelijkerwijs bespaard hadden kunnen worden.\n\nArtikel 7 Andere voor nadeelcompensatie in aanmerking komende kosten\n\nVoor vergoeding komen tevens in aanmerking:\n\n(…)\n\nb. de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag of indien het nadeel op een later tijdstip is ontstaan, vanaf dat tijdstip;Artikelsgewijze toelichting op de AVN\n\nArtikel 4\n\n(…)\n\nNormomzet\n\nHet uitgangspunt bij de omzetbenadering wordt gevormd door de ‘normomzet' die wordt bepaald aan de hand van in het verleden gerealiseerde omzetten. Als normomzet wordt beschouwd de omzet die naar redelijke verwachting behaald zou zijn in de schadeperiode, de schadeveroorzakende omstandigheid weggedacht. De berekening van de normomzet gebeurt in 3 stappen. In de eerste plaats wordt een referentieperiode vastgesteld. Vervolgens worden de in de referentieperiode behaalde omzetten gecorrigeerd voor inflatie naar een peildatum voorafgaand aan het eerste schadejaar (inflatiecorrectie). Tenslotte wordt van deze gecorrigeerde omzetten het gemiddelde genomen en wordt op dat gemiddelde een branchecorrectie toegepast die representatief wordt verondersteld voor de gemiddelde bedrijfsontwikkeling in de betreffende branche sedert de peildatum.\n\nReferentieperiode\n\nVoor de bepaling van de normomzet wordt een referentieperiode vastgesteld die bij voorkeur bestaat uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode. Het kan voorkomen dat de omzetten uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode niet beschikbaar zijn of niet voldoende representatief zijn. Ook kan het voorkomen dat de omzet in de jaren voorafgaande aan de schadeperiode een dusdanig trendmatig verloop vertoont, dat het gemiddelde van deze omzetten geen objectief beeld oplevert. In die gevallen zal de normomzet anderszins moeten worden berekend\n\nBeleidsregel behorende bij de Algemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam\n\nNormaal maatschappelijk risico\n\nGroei, ontwikkeling en verbetering zijn in een stad als Rotterdam voortdurend aan de orde en noodzakelijk om aan de behoeften van alle gebruikers van de stad te blijven voldoen. Veel van de (onder-houds)werkzaamheden die in de stad worden uitgevoerd, gelden dan ook als normale maatschappelijke ontwikkeling, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffene(n) mogen worden gelaten. Dit verschijnsel wordt aangeduid met het begrip 'normaal maatschappelijk risico'.\n\nVoor de gemeente Rotterdam geldt dat in ieder geval tot de normale maatschappelijke ontwikkelingen behoren alle periodieke en reguliere werkzaamheden en onderhoud aan de infrastructuur in de stad (zoals wegen, fiets- en voetgangerspaden, straatverlichting, bruggen, riolering, kabels en leidingen). Maar ook nieuwbouw en herinrichting van wijken en straten en al dan niet tijdelijke verkeersmaatregelen, gelden als normaal maatschappelijk verschijnsel.\n\nNormaal ondernemersrisico\n\nVoor bedrijven geldt daarnaast het normale bedrijfs- of ondernemersrisico. Uitgangspunt is dat elke zelfstandige ondernemer zijn onderneming drijft voor zijn eigen risico en ook zelf verantwoordelijk is voor zijn beslissingen. Tot het normale ondernemersrisico behoren nadelen die direct samenhangen met de keuze voor een bepaald type bedrijfsvoering of een bepaalde inrichting van het bedrijf inclusief de keuze voor een bepaalde locatie (bijv. garages die in drukke straten gevestigd zijn, horeca die rekening moet houden met wijzigingen in sluitingstijdenbeleid, supermarkten gelegen in gebieden met beperkte laad en losmogelijkheden). Ondernemers hebben te maken met een uitgebreidere risicotoerekening. Alleen als de maatregel sterk afwijkt van het normale verwachtingspatroon, waarop elke ondernemer bedacht dient te zijn, kan een aanspraak op nadeelcompensatie bestaan.\n\nKortingspercentage\n\nWanneer sprake is van overlast of nadeel dat het normaal maatschappelijk risico en dus de drempelwaarde van 8% overstijgt, komt een verzoek om nadeelcompensatie wel voor behandeling in aanmerking. De berekening van de schade zal in deze gevallen plaatsvinden aan de hand van de algemene regels voor wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (Boek 6, Titel 1, afdeling 10 BW). Dit betekent dat ook aspecten als causaal verband, verrekening van voordeel, eigen schuld en de plicht tot schadebeperking, worden meegewogen.\n\nBij toekenning van nadeelcompensatie wordt – van oudsher – de aanwezigheid van enig normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico vervolgens verdisconteerd door middel van een korting in de vorm van een percentage van het schadebedrag. Bij de kortingspercentages gaat het om de vraag in welke mate een eenmaal vastgesteld onevenredig nadeel voor rekening van de getroffene dient te blijven. Dus in die gevallen waarin vaststaat dat sprake is van een onevenredig nadeel, wordt niet alle schade vergoed, omdat een deel daarvan tot het normaal maatschappelijk of het normaal ondernemersrisico wordt gerekend. Het College van B&W heeft gekozen voor een kortingspercentage van 25%. Dit deel van het nadeel blijft zo, vanwege normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico, voor rekening van de benadeelde.\n\nBijzondere omstandigheden\n\nOp grond van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de drempelwaarde van 8% en het kortingspercentage van 25%. Het is niet mogelijk om in alle gevallen de daar genoemde percentages te hanteren, gezien het brede toepassingsbereik van deze verordening. Het is lastig om thans een uitspraak te doen over de vraag hoe de genoemde percentages zullen uitpakken en daarom is in de AVN de mogelijkheid opgenomen om deze percentages te kunnen bijstellen.\n\nIn bijzondere omstandigheden kan het college er voor kiezen een aanvullende regeling vast te stellen. Dit doet zich voor als te verwachten is dat de ingreep zodanig is dat deze langer gaat duren dan normale infrastructurele werken of onderhoudswerken. Daarbij kan gedacht worden aan grote herinrichtingsplannen of aanleg van ingrijpende verkeers- en vervoersinfrastructuur.\n\n Per 1 januari 2024 is de regeling voor nadeelcompensatie vastgelegd in artikel 4:126 e.v. van de Awb. Tot die datum volgde de regeling uit rechtspraak over het ongeschreven égalitébeginsel (zie hieronder). Voor de toepasselijkheid van de wettelijke regeling wordt gekeken naar de datum van het schadeveroorzakend besluit. Dat ligt hier voor 1 januari 2024. Dit betekent dat het toepasselijk kader in deze zaak wordt bepaald door de rechtspraak.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2317), onder 9.\n\n Dit volgt uit artikel 3:2 van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3623), onder 16.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1650).\n\n Zoals bijvoorbeeld voornoemde uitspraak van de Afdeling\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:124), onder 30.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1969).\n\n Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:941), onder 3.2 en de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:716).\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1254), onder 4.3.\n\n Dit volgt uit artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7538","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.632Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":68},"1789","ECLI:NL:RBROT:2026:7860","ecli-nl-rbrot-2026-7860","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4323\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ),\n\nen\n\nde Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, namens deze de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) (de staatssecretaris)\n\n(gemachtigden: [naam gemachtigde 2] , [naam gemachtigde 3] en mr. P.J. Kooiman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de opgelegde last onder bestuursdwang wegens het overnemen en het in bezit hebben van twee kraagpapegaaien met een microchiptransponder, te weten nummer [nummer X] (man) en nummer [nummer Y] (vrouwelijke vogel: pop ).\n\n1.1.. Met het besluit van 30 september 2025 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris verzoeker een last onder bestuursdwang opgelegd. De staatssecretaris heeft het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit met het bestreden besluit van 9 februari 2026 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van de staatssecretaris vergezeld door mr. N. Hoek.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n2. Verzoeker houdt verschillende soorten papegaaien. Op 12 en 26 mei 2025 is een inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (de NVWA) langs geweest voor een inspectie naar aanleiding van een door het CITES management Autoriteit afgewezen aanvraag voor een vervangend EU-certificaat voor een roodwangara. Naar aanleiding van de inspectie heeft de inspecteur op 15 augustus 2025 verzoeker gevraagd om documentatie aan te leveren om de legale herkomst van onder meer het koppel kraagpapegaaien aan te tonen. De kraagpapegaaien zijn zonder merkteken en er zijn geen gegevens bekend over de kweker. Verzoeker heeft toegelicht dat hij de kraagpapegaaien enkele jaren geleden heeft overgenomen van een bekende, [persoon A] . [persoon A] heeft bevestigd dat hij begin 2020 de kraagpapegaaien heeft overgedragen aan verzoeker. Hij had ze zelf in 2013 of 2014 overgenomen van een oudere man waarmee hij via internet in contact was gekomen. De RVO heeft geen contactgegevens van deze persoon ontvangen. Op 25 augustus 2025 heeft verzoeker meegedeeld dat hij de kraagpapegaaien wil verkopen aan een vriend in Italië en dat hij de vogels daarom naar een dierenarts heeft gebracht om ze te laten voorzien van een microchiptransponder. De man bleek al een microchiptransponder te hebben met nummer [nummer X] . De dierenarts heeft de pop (geboren op 2 juni 2010) met pootring (knijpring) met nummer [nummer Z] voorzien van een microchiptransponder met nummer [nummer Y] .\n\n2.1.. Volgens de staatssecretaris bieden zowel het microchiptranspondernummer van de man als het nummer van de knijpring van de pop geen aanknopingspunten die de kweekstatus en herkomst van de kraagpapegaaien kunnen aantonen. De staatssecretaris heeft daarom met het primaire besluit een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoeker, die bij het bestreden besluit is gehandhaafd. Verzoeker is gelast om de onrechtmatige situatie binnen de begunstigingstermijn te herstellen door de legale herkomst van de twee kraagpapegaaien aan te tonen. Als verzoeker hieraan niet voldoet, dan worden de twee kraagpapegaaien meegevoerd en opgeslagen op kosten van verzoeker.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de staatssecretaris die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker, als volgt af.\n\n3.1.. De voorzieningenrechter zal niet onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat verzoeker heeft toegelicht dat hij kort voor de zitting stukken heeft ontvangen, die hij in de beroepsprocedure wil overleggen.\n\nToetsingskader\n\n4. Dier- en plantsoorten in het wild die door handel worden bedreigd met uitsterven, hebben een beschermde status gekregen in The Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (het CITES-verdrag). Dit verdrag is in de Europese Unie uitgewerkt in Verordening (EG) nr. 338\u002F97 (de CITES-basisverordening) en Verordening (EG) nr. 865\u002F2006 (de CITES-uitvoeringsverordening). In de bijlagen A tot en met D bij de CITES-basisverordening zijn de dier- en plantsoorten aangewezen die Europees zijn beschermd. De kraagpapegaai (Deroptyus accipitrinus) is genoemd in Bijlage B van de CITES-basisverordening.\n\n4.1.. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Sindsdien is de CITES-regelgeving door de Nederlandse wetgever opgenomen in de Ow en uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), meer specifiek in artikel 4.3, tweede lid, onder a, van de Ow, gelezen in combinatie met paragraaf 11.2.9 van het Bal.\n\n4.2.. Vóór 1 januari 2024, ten tijde van het verkrijgen van de specimens door verzoeker, was de CITES-regelgeving opgenomen in de Wet natuurbescherming (Wnb) en verder uitgewerkt in het Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb). Deze wet- en regelgeving is met de inwerkingtreding van de Ow ingetrokken.\n\n4.3.. Op grond van artikel 2.9, vierde lid, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet is oud recht (alleen) van toepassing op handhavingszaken wanneer voor de inwerkingtreding van de Ow een overtreding plaatsvond, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding van het bepaalde bij en krachtens de Wnb klaarblijkelijk dreigde, en voor die overtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd of een schriftelijk voornemen daartoe is verzonden aan een belanghebbende.\n\n4.4.. De RVO heeft op 17 september 2025, dus na 1 januari 2024, het voornemen kenbaar gemaakt om de last onder bestuursdwang op te leggen. Dat betekent dat het huidige recht van toepassing is op de last onder bestuursdwang en het bestreden besluit.\n\nIs er sprake van een overtreding?\n\n5. Verzoeker stelt dat er geen sprake is van een overtreding omdat hij de legale herkomst van de kraagpapegaaien heeft aangetoond met documentatie zoals de importvergunning en de verklaringen van de eerdere eigenaren van de kraagpapegaaien. Volgens verzoeker was de staatssecretaris in het verleden minder strikt met betrekking tot het aantonen van de legale herkomst van dieren. Zo was een gesloten administratie die correspondeerde met de dieren die werden gehouden, al voldoende.\n\n5.1.. Op grond van artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8, vijfde lid, van de CITES-basisverordening is de aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van onder meer de kraagpapegaai verboden. Dit verbod geldt niet indien ten genoegen van de staatssecretaris is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna. De staatssecretaris komt bij het toezicht op de naleving van dit verbod beoordelingsruimte toe die hij in overeenstemming met de verordeningen en de bedoelingen daarvan moet invullen. Aan de tekst van artikel 8, eerste en vijfde lid van de Basisverordening in combinatie met artikel 54 van de Uitvoeringsverordening kan verder worden ontleend dat het aan verzoeker is om aan te tonen dat de vogels een legale herkomst hebben. De Europese Commissie heeft Richtsnoeren geformuleerd over bewijs van legale verwerving voor levende dieren van in bijlage B genoemde diersoorten (Pb EU 2019\u002FC 107\u002F2, de Richtsnoeren).\n\n5.2.. Artikel 11.93, eerste lid, van het Bal verbiedt onder meer het handelen in strijd met artikel 8, eerste lid in samenhang met het vijfde lid van de CITES-basisverordening. Verder is het verboden om een kraagpapegaai in bezit te hebben (artikel 11.96, tweede lid, van het Bal). Van dit verbod wordt vrijstelling verleend als sprake is van een aantoonbaar gefokte vogel (artikel 11.97, eerste lid, onder b, van het Bal). Op grond van artikel 11.97, derde lid, onder c, van het Bal geldt deze vrijstelling alleen als de kraagpapegaai aantoonbaar is gefokt of het product of het ei van een dergelijke vogel afkomstig is of de vogel, het product of het ei aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening binnen het grondgebied van Nederland is gebracht of verkregen en is voldaan aan de administratieplicht als bedoeld in artikel 11.103 van het Bal in samenhang met artikel 4.32 van de Omgevingsregeling. Op deze administratieplicht gelden een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld voor gefokte vogels die zijn voorzien van een gesloten pootring (artikel 11.103, eerste lid, onder c, van het Bal).\n\n5.3.. De voorzieningenrechter neem als uitgangspunt de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 waarin op het verzoek om voorlopige voorziening in de bezwaarprocedure is beslist (ECLI:NL:RBROT:2025:14639). Ook dat eerdere verzoek is afgewezen omdat de voorzieningenrechter toen vond dat de staatssecretaris zich op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker de legale herkomst van de kraagpapegaaien niet heeft aangetoond. De voorzieningenrechter volgt de staatssecretaris in het standpunt dat verzoeker met de nadien overgelegde documentatie nog steeds niet de legale herkomst van de kraagpapegaaien heeft aangetoond en dat er dus sprake is van een overtreding van artikel 8, eerste lid, in samenhang met artikel 8, vijfde lid, van de CITES-basisverordening en artikel 11.96, tweede lid, van het Bal. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de importvergunning, de verklaringen van eerdere eigenaren en zowel het nummer van de pootring van de pop als het microchiptranspondernummer van de man geen aanknopingspunten geven voor het aantonen van de legale herkomst van de kraagpapegaaien. Verzoeker heeft ook geen documentatie overgelegd waaruit de herkomst van de ouderdieren van de gekweekte pop volgt. De voorzieningenrechter vindt de overgelegde documentatie van verzoeker ook niet op alle punten consistent. Zo heeft de pootring van de pop de codering E96, wat wijst op productiejaar 1996, terwijl de pop in 2010 zou zijn geboren. Verzoeker heeft z’n best gedaan om met diverse stukken de legale herkomst van de beide dieren aan te tonen maar het komt er kort gezegd op neer dat de bewijskracht van die stukken onvoldoende is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker verder niet aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris in het verleden minder strikt was met betrekking tot het aantonen van de legale herkomst van dieren. In wat verzoeker verder heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet bevoegd was ter zake handhavend op te treden. Gelet op het voorgaande was de staatssecretaris dus in zoverre bevoegd om te handhaven.\n\nBeginselplicht tot handhaving\n\n6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak.Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie.\n\nBijzondere omstandigheden\n\n7. Verzoeker voert aan dat handhaving onevenredig is, omdat het verplaatsen van de kraagpapegaaien een impact heeft op hun welzijn.7.1.. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker gestelde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is dat van handhavend optreden had moeten worden afgezien. Het door verzoeker gestelde belang van het dierenwelzijn weegt in dit geval niet op tegen het belang van handhaving. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de staatssecretaris wil voorkomen dat er gekweekt wordt met de kraagpapegaaien en dat hiermee de overtreding wordt voortgezet. Er is namelijk al een nakweekdier van de vogels. Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat het dierenwelzijn altijd in ogenschouw wordt genomen en geborgd. Daarbij had verzoeker eerder juist te kennen gegeven dat hij de kraagpapegaaien wilde verkopen aan een vriend in Italië, terwijl op de zitting pas duidelijk is geworden dat verzoeker dit niet meer van plan is.\n\n8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de staatssecretaris door kan gaan met handhaven. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\nDe griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.\n\n ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7860","2026-07-13T00:29:38.996Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":41,"updatedAt":76},"292","ECLI:NL:RBROT:2026:7145","ecli-nl-rbrot-2026-7145","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F3279\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. J.J.A Leemans),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college\n\n(gemachtigde: mr. S. Ercan).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 5 augustus 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. In een uitspraak van 28 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n3. Met een besluit van 3 april 2026 op het bezwaar van verzoeker (het bestreden besluit) heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. Over dit verzoek gaat deze uitspraak. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n5. Verzoeker lijdt aan ernstige astma. Verzoeker beschikte over een Europese gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder (een gehandicaptenparkeerkaart), die op 3 oktober 2025 is verlopen. Op 5 juni 2025 heeft verzoeker een aanvraag om verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart ingediend. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag van verzoeker afgewezen. Volgens het college is verzoeker namelijk in redelijkheid in staat om zelfstandig (eventueel met gebruik van hulpmiddelen) een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te overbruggen. Het college heeft dit standpunt gebaseerd op een medisch advies van [arts 1] (hierna: [arts 1] ), arts bij het Team Sociaal Medische Advisering (hierna: Team SMA) van 4 augustus 2025.\n\n6. In de bezwaarfase heeft verzoeker [arts 2] (hierna: [arts 2] ), als arts verbonden aan het expertisebureau Trompetter & partners, verzocht een contra-expertise uit te voeren. [arts 2] is in zijn rapport van 22 januari 2026 tot de conclusie gekomen, kort gezegd, dat verzoeker niet in staat is om in redelijkheid een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk lopend af te leggen.\n\n7. In een e-mail van 27 februari 2026 heeft [arts 3] , een andere arts van het Team SMA, hierop gereageerd, mede namens [arts 1] . In deze e-mail hebben de artsen geconcludeerd dat het rapport van [arts 2] geen aanleiding geeft om het eerdere medische advies te herzien.\n\n8. Het college heeft vervolgens in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart gehandhaafd.\n\nHet standpunt van verzoeker\n\n9. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart. Hij voert daartoe aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verzoeker in het verleden wel in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart en op dit moment niet meer. De arts van het Team SMA heeft een te theoretische benadering gehanteerd bij het onderzoek en heeft onvoldoende rekening gehouden met de aard en de variabiliteit van de aandoening van verzoeker. Het college heeft bovendien een aanvullend rapport van [arts 2] van 26 maart 2026 ten onrechte niet bij het bestreden besluit betrokken. Ook heeft het college het fair play-beginsel geschonden door geen onafhankelijke derde deskundige in te schakelen. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat aan hem tijdelijk een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt, totdat op het beroep is beslist.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n10. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.\n\n11. Voldoende aannemelijk is geworden dat de afwijzing substantiële gevolgen heeft voor de mobiliteit van verzoeker. Evenals in de uitspraak van 28 oktober 2025 zal de voorzieningenrechter daarom een spoedeisend belang aannemen.\n\nHerhaald verzoek om een voorlopige voorziening\n\n12. Naar vaste rechtspraak is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. Een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening kan alleen voor toewijzing in aanmerking komen als de verzoeker een beroep doet op nieuwe feiten of omstandigheden die toewijzing van zo’n verzoek kunnen rechtvaardigen. Dit is het geval als sprake is van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter of van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden.\n\n13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden, nu verzoeker in de bezwaarfase een tegenrapport heeft overgelegd waarvan de conclusie afwijkt van de medische beoordeling van de arts van het Team SMA. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening dus inhoudelijk behandelen. Dit is tussen partijen overigens niet in geschil.\n\nWat zijn de toepasselijke regels?\n\n14. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (de Regeling) kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke hulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.\n\n15. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling kunnen voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben.\n\nHet verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen\n\n16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. De voorzieningenrechter licht dit oordeel als volgt toe. Het oordeel van de voorzieningenrechter is niet bindend in de beroepsprocedure.\n\n17. Het college heeft de weigering van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart gebaseerd op het medisch advies van de arts van het Team SMA van 4 augustus 2025 en op de e-mail van de twee artsen van het Team SMA van 27 februari 2026. Het bestuursorgaan mag, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.Indien de betrokkene een tegenrapport overlegt, moet worden beoordeeld of er op basis daarvan aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid van het medisch advies.\n\n18. Verzoeker heeft met het rapport van [arts 2] een uitgebreid gemotiveerd rapport met een tegengestelde conclusie overgelegd. In het rapport van [arts 2] is onder meer vermeld dat, hoewel verzoeker met zijn longfunctie over een redelijke inspanningstolerantie en duurbelastbaarheid beschikt, de prikkelgevoeligheid van de luchtwegen, door specifieke en aspecifieke prikkels, maakt dat de longfunctie frequent veel beperkter is. In de e-mail van 27 februari 2026 hebben de artsen van het Team SMA hierop gereageerd. In deze e-mail is onder meer vermeld dat de gevoeligheid voor aspecifieke prikkels niet naar voren komt uit de medische informatie. De artsen zien geen reden om van het eerdere advies terug te komen. In zijn nadere rapport van 26 maart 2026 heeft [arts 2] op deze e-mail gereageerd. Hierin is onder meer vermeld dat [arts 2] de conclusie van de artsen van het Team SMA dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerkaart, niet redelijk vindt en niet passend bij de medische situatie van verzoeker. [arts 2] heeft er in zijn nadere rapport op gewezen dat een maximale loopafstand altijd een schatting is en dat de geschatte maximale afstand van 100-250 op zijn beperktst nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft dit nadere rapport niet voorgelegd aan een arts van het Team SMA.\n\n19. Hoewel het nadere rapport van [arts 2] op het punt van de aspecifieke prikkels niet geheel duidelijk is, heeft de voorzieningenrechter toch te veel twijfel aan de juistheid van de door de artsen van Team SMA getrokken conclusie dat verzoeker in redelijkheid in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Hierbij is met name ook het volgende van belang. Uit het medisch advies van 4 augustus 2025 blijkt dat de arts van het Team SMA zelf ook uitgaat van een forse en aantoonbare loopbeperking als gevolg van de chronische luchtwegaandoening van verzoeker. Verder staat in het advies: “Schatting van de maximale loopafstand: 100-250 meter”. De arts schat dus in dat verzoeker in het slechtste geval maximaal 100 meter lopend kan overbruggen. Daarvan uitgaande zou verzoeker wél in aanmerking komen voor een gehandicaptenparkeerkaart. Dat is immers het geval als verzoeker niet in staat is om zelfstandig een afstand van “meer dan” 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Ook als de schatting van de maximale loopafstand zo moet worden begrepen dat verzoeker wel iets meer dan 100 meter zou moeten kunnen lopen, neemt dit de twijfel niet weg. De geschatte maximale afstand komt dan nog steeds heel dicht bij de afstand die wel recht geeft op een gehandicaptenparkeerkaart.\n\n20. De voorzieningenrechter betrekt verder bij zijn oordeel dat bovenaan de reactie van de artsen van het Team SMA op het rapport van [arts 2] is vermeld: “Nee, deze contra-expertise geeft geen aanleiding het eerdere advies te herzien. Allereerst het is afkomstig van een commercieel adviesbureau. Deze moet u per definitie direct opzij leggen.” Hoewel het college hiervan in het bestreden afstand heeft genomen en heeft benadrukt dat de artsen wel inhoudelijk op het rapport van [arts 2] zijn ingegaan, draagt deze opmerking niet bij aan het vertrouwen dat het rapport van [arts 2] voldoende serieus is genomen.\n\n21. Er bestaat al met al op dit moment te veel twijfel of het bestreden besluit in beroep stand zal houden. Nu daarnaast verzoeker vóór 3 oktober 2025 jarenlang wel over een gehandicaptenparkeerkaart heeft beschikt en hij genoegzaam heeft toegelicht dat het ontbreken van een zo’n kaart voor hem een substantiële belemmering van zijn mobiliteit betekent, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, inhoudend dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.Conclusie en gevolgen\n\n22. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat verzoeker moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.\n\n23. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Het rapport van [arts 2] is ook in de beroepsprocedure ingediend. Over de vraag of het college ook de kosten van dat rapport dient te vergoeden, zal in de beroepsprocedure een beslissing genomen worden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- treft de voorlopige voorziening dat het college verzoeker moet behandelen als ware hij in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, tot vier weken na de uitspraak op het beroep;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 7 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2141.\n\n In het medische advies is verwezen naar Richtlijn gehandicaptenkaart 2022 van de Vereniging Artsen Volksgezondheid.\n\n Zie de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1609.\n\n Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:516, en van de Raad van 8 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2238.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7145","2026-07-13T00:28:22.984Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":84,"parsedAt":41,"updatedAt":85},"291","ECLI:NL:RBROT:2026:6801","ecli-nl-rbrot-2026-6801","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F2970\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, het college\n\n(gemachtigden: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2026 toegewezen in de vorm van zorg in natura. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en [persoon A] ( [functie] ).\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Verzoeker heeft op 16 februari 2026 een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding. In het bestreden besluit van 13 maart 2026 is het college overgegaan tot het verstrekken van individuele begeleiding in de vorm van zorg in natura. Het college heeft twee passende zorgaanbieders aangedragen: [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] . Volgens het college kan geen ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Verzoeker heeft namelijk tot twee keer toe onvolledige stukken aangeleverd. Het college heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker de administratieve en organisatorische taken die horen bij het beheren van een pgb, zelfstandig kan uitvoeren. Het college heeft verzoeker daarom niet pgb-vaardig geacht. Het college overweegt daarbij ook dat verzoeker moeite ervaart met het vragen om hulp en het aanspreken van anderen en dat er risico’s bestaan voor een terugval in verslavingsproblematiek.\n\n3. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat zorg in natura niet passend is bij zijn situatie. [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] kunnen niet de begeleiding bieden die verzoeker nodig heeft. Zorgorganisatie [zorginstelling 3] kan dit wel. Verzoeker heeft begeleiding door een ervaringsdeskundige nodig. Verzoeker wenst daarom een pgb te ontvangen. Het college heeft volgens verzoeker onvoldoende onderzocht of verzoeker pgb-vaardig is. Ook had het college een herstelmogelijkheid moeten bieden als het dossier werkelijk onvolledig was. Verzoeker wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het college wordt opgedragen om verzoeker tijdelijk een pgb te verstrekken.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n4. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist en de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5. Verzoeker voert aan dat zijn begeleiding per 14 april 2026 is beëindigd en dat op dit moment sprake is van een zorggat. Dit brengt volgens verzoeker reële en concrete risico’s op destabilisatie en een terugval met zich mee.\n\n6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat verzoeker een zodanig spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening dat hij niet kan wachten op een beslissing op het bezwaarschrift. Ook als aangenomen zou moeten worden dat de door het college genoemde zorgaanbiedersgeen begeleiding door een ervaringsdeskundige kunnen bieden, betekent dat nog niet dat het op onoverkomelijke problemen zou stuiten als verzoeker voor de duur van de bezwaarprocedure zou zijn aangewezen op zorg door één van die zorgaanbieders. Dit heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat het college heeft gesteld dat de genoemde zorgaanbieders expertise hebben op het gebied van verslavingszorg. Verzoeker heeft dit op zichzelf niet betwist.\n\nIs het bestreden besluit evident onrechtmatig?\n\n7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit in de bezwaarprocedure niet in stand zal blijven. Hoewel de motivering van het bestreden besluit vragen oproept (met name ten aanzien van het standpunt van het college dat – onder meer – uit het niet tijdig aanleveren van stukken blijkt dat verzoeker niet pgb-vaardig is) kan de voorzieningenrechter niet tot de conclusie komen dat het bestreden besluit waarschijnlijk niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter neemt daarbij mee dat het aan het college is om te beoordelen of aan de voorwaarden voor verstrekking van een pgb is voldaan.Dit betekent dat het college beoordelingsruimte heeft en dat de rechter terughoudend moet zijn bij het toetsen van de overwegingen van het college. Het college kan gedurende de bezwaarfase nader onderzoek doen naar de pgb-vaardigheid van verzoeker en in de beslissing op bezwaar eventuele motiveringsgebreken herstellen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college vooralsnog aan verzoeker geen pgb hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.\n\nde griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n In het verweerschrift heeft het college ook nog [zorginstelling 4] genoemd.\n\n Dit is geregeld in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6801","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.938Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":90,"fullText":91,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":92,"sourceTimestamp":90,"parsedAt":41,"updatedAt":93},"303","ECLI:NL:RBROT:2025:2705","ecli-nl-rbrot-2025-2705","2025-03-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F2901\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),\n\nen\n\nStichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. S. Ercan en mr. S.B.H. Fijneman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toewijzing van een urgentieverklaring op basis van de urgentiegrond medische noodzaak.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopig voorziening te treffen. Bij uitspraak van 15 november 2023 (zaaknummer: ROT 23\u002F6965) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek afgewezen.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Eiser woont in Rotterdam en heeft op 25 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een urgentieverklaring, omdat zijn huidige woning niet langer voldoet vanwege zijn medische problemen. De woning bevindt zich op de vierde verdieping en eiser moet daarvoor zes trappen op. Eiser heeft aangegeven dat hij vanwege zijn medische situatie geen trap kan lopen, althans niet tot de vierde verdieping. Een arts van het team Sociaal Medische Advisering (SMA) heeft op verzoek van verweerder advies uitgebracht over de situatie van eiser. De conclusie van de arts SMA is dat bij eiser sprake is van chronische progressieve problematiek met een onvoorspelbaar beloop en veel onverwachte exacerbaties, waardoor de mobiliteit beperkt is en ook is er sprake van verminderde inspanningstolerantie. Er is geen sprake van een medisch stabiele situatie en traplopen is een zware inspanning voor hem. Hij kan volgens de arts maximaal één trap op en in verband met hoogtevrees durft eiser ook niet hoog te wonen. De problematiek is van dien aard, ernst en beloop dat er sprake is van een leven ontwrichtende woonsituatie op medische gronden. Er is volgens de arts SMA sprake van een medisch urgente situatie, waardoor eiser op zeer korte termijn (binnen drie maanden) een passende woning moet hebben. Verweerder heeft bij besluit van 19 oktober 2023 de urgentieverklaring toegekend op basis van ‘medische noodzaak’. Om het huisvestingsprobleem op te lossen heeft verweerder, mede gelet op het advies van een adviserend arts, het volgende zoekprofiel vastgesteld:\n\nFlatwoning met lift, gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping\n\nMinimaal twee en maximaal twee slaapkamers\n\nMaximale kale huurprijs ter hoogte van € 693,60\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam\n\n3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woonruimtetypering is gekozen om te voorkomen dat een wooncarrièrekan worden gemaakt. Eiser heeft in bezwaar aangegeven dat hij het zoekprofiel uitgebreid wenst te zien zodat hij sneller een passende woning kan vinden. Verweerder is van mening dat dit geen grond is om het zoekprofiel uit te breiden. Ten aanzien van de maximale huurprijs stelt verweerder zich op het standpunt dat de huurprijs is gebaseerd op het gehanteerde principe van het passend toewijzen van een urgentieverklaring waarvoor het inkomen bepalend is. Ook hier geldt dat met een urgentieverklaring geen wooncarrière moet worden gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hardheidsclausule niet toegepast kan worden aangezien er geen sprake is van een bijzondere, onvoorziene omstandigheid die gelet op het doel van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de Verordening) redelijkerwijs tot een wijziging van het zoekprofiel zou moeten leiden. Ten tijde van de behandeling van het beroep op de zitting was eiser toegelaten tot de tweede fase, waarin bemiddeld wordt om passende woonruimte te vinden. Dit had nog geen resultaat.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de toewijzing van de urgentieverklaring met bovenstaand zoekprofiel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5.1.. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nHeeft verweerder een passend zoekprofiel vastgesteld?\n\n6. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het vastgestelde zoekprofiel voldoende is om het huisvestingsprobleem op te lossen. Eiser meent dat hij met dit zoekprofiel niet binnen een redelijke termijn een geschikte woning kan vinden. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde toegekend aan het feit dat hij al maanden zonder enig succes reageert op woningen; het woningaanbod is zeer beperkt en de concurrentie is groot. Ook heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan zijn medische situatie die maakt dat hij met spoed dient te verhuizen. Eiser wil dat het zoekprofiel wordt aangevuld met een ander woningtype, een eengezinswoning, een woning met drie slaapkamers en dat de maximale huurprijs wordt verhoogd naar € 808,06 (maximum voor huurtoeslag). Daarnaast voert eiser aan dat het opnemen van een maximale huurprijs in het algemeen onrechtmatig is.\n\n6.1.. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in het algemeen een zoekprofiel niet in strijd is met de Huisvestingswet 2014. Gemeenten zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de schaars beschikbare sociale huurwoningen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat iedere urgent woningzoekende een woning krijgt toegewezen die aansluit op zijn of haar situatie. De vraag wanneer een woning passend is hangt af van de situatie van de aanvrager. Vast staat dat niet iedere sociale huurwoning passend is voor iedere urgent woningzoekende. Het is tegen deze achtergrond dat het college het beperkt aantal woningen dat beschikbaar komt, toekent aan woningzoekenden die dat type woning het hardst nodig hebben. Dit betekent dat doorgaans de grotere woningen, met meer slaapkamers worden toegekend aan (grote) gezinnen. Het toekennen van een woning met meer dan twee slaapkamers aan een huishouden bestaande uit een echtpaar en één kind betekent dat een groter gezin (nog) langer moet wachten op passende woonruimte, terwijl voor het echtpaar met één kind in beginsel woonruimte met twee slaapkamers passend is. Het opnemen van een zoekprofiel bij een urgentieverklaring, waarmee verweerder waarborgt dat met de urgentieverklaring geen inbreuk wordt gemaakt op een evenwichtige en rechtvaardige woonruimteverdeling, is daarom niet in strijd met de Huisvestingswet 2014.\n\n6.2.. Het huishouden van eiser bestaat uit drie personen; eiser zelf, zijn echtgenote en zijn dochtertje. Overeenkomstig artikel 3.4. van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de bijlage) heeft verweerder aan eiser een voorrangsverklaring toegekend voor een woning met twee slaapkamers. In het advies van de arts van het team SMA staat opgenomen dat een aparte slaapkamer niet noodzakelijk is. Dit onderdeel van het zoekprofiel acht de rechtbank, gelet op wat hiervoor onder 6.1. is overwogen, niet onevenredig. De daartegen gerichte beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nWoonruimtetype6.3.. Verweerder heeft de arts SMA gevraagd of een benedenwoning noodzakelijk is. De arts heeft die vraag ontkennend beantwoord en geadviseerd dat volstaan kan worden met een woning op maximaal de eerste etage, ongeacht de aanwezigheid van een lift. Verweerder heeft dit advies opgevolgd en het zoekprofiel als hiervoor onder 2. weergegeven vastgesteld. Hierbij heeft verweerder kennelijk als uitgangspunt genomen dat eiser geen trap mag lopen en daarom een lift als eis gesteld.6.4.. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het aanbod dat past bij dit voor eiser vastgestelde zoekprofiel, een flatwoning met lift op maximaal de eerste verdieping, beperkt is. Voor alle woonlagen boven de eerste verdieping komt eiser niet in aanmerking en ook de flatwoning zonder lift valt af. De kans op succes is daarmee veel kleiner dan voor andere woningzoekenden met een urgentieverklaring die kunnen reageren op elke verdieping van een flatgebouw met lift. En de andere woningzoekenden met een urgentieverklaring voor het woningtype flatgebouw kunnen ook reageren op een vrijgekomen woning waarop eiser wel mag reageren. Dat eiser na ruim een jaar waarin hij voldoende inspanningen heeft geleverd nog altijd geen andere woning heeft gevonden, lijkt hiervan een bevestiging te zijn. De rechtbank is van oordeel dat door het zoekprofiel (woningtype) van eiser de kans dat hij spoedig een woning toegewezen krijgt dermate klein is dat het zoekprofiel in zoverre, in aanmerking genomen de medische urgentie, een onevenredige beperking vormt.6.5.. In het kader van de verkenning van de mogelijkheden voor finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank het volgende. Op medische gronden heeft verweerder het zoekprofiel beperkt tot een flatwoning metlift op maximaal de eerste verdieping. Daarmee valt af de begane grond van een flatwoningzonderlift. Niet valt in te zien, ook niet gelet op het medisch rapport, waarom zo’n woning niet passend zou zijn. Verder geldt dat overeenkomstig artikel 3.3. vierde lid, van de Bijlage de typering van de woonruimte dusdanig wordt gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn. Een urgentieverklaring wordt dus afgegeven voor een standaard woonruimtetype, tenzij er iets bijzonders aan de hand is. Hoewel de arts SMA een benedenwoning medisch niet noodzakelijk heeft geacht, kan een benedenwoning wel een oplossing vormen voor het woonprobleem. Het komt immers tegemoet aan de beperkingen die samenhangen met traplopen en hoogtevrees. Gelet op de beperktheid van het zoekprofiel ten aanzien van het woningtype, is sprake van een bijzonderheid die afwijking van het standaard woonruimtetype kan rechtvaardigen. Gelet op het voorgaande is het zoekprofiel te beperkt vastgesteld, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.\n\nMaximale huurprijs6.6.. Verweerder heeft in het zoekprofiel een maximale huurprijs opgenomen en heeft toegelicht dat daarmee toepassing is gegeven aan 3.3. lid 2 onder c van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020. Op grond van dit artikel moet volgens verweerder met het oog op passende toewijzing van woningen een bij het inkomen passende maximale huurprijs in het zoekprofiel worden opgenomen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4175) is de rechtbank van oordeel dat het opnemen van een maximale huurprijs in het zoekprofiel onrechtmatig is. De Afdeling heeft overwogen dat op grond van artikel 46, tweede lid, van de Woningwet 2015, gelezen in samenhang met artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, als een woningzoekende in aanmerking wil komen voor een woning, een inkomenstoets moet worden uitgevoerd. Tot een bepaalde inkomensgrens geldt een maximumhuurprijs (‘aftoppingsgrens’). Dit wordt ook ‘passend toewijzen’ genoemd. Het moet voorkomen dat huishoudens een woning krijgen toegewezen die zij niet kunnen betalen en dat de uit te keren bedragen aan huurtoeslagen te hoog oplopen. Woningcorporaties zijn gehouden om 95% van de woning passend toe te wijzen, in 5% van de gevallen kunnen zij hiervan afwijken. Het inkomen van eiser valt onder de aftoppingsgrens. Dit betekent dat hij in oktober 2023 op basis van passend toewijzen een woning kon huren met een huurprijs van maximaal € 693,60. Zoals de Afdeling heeft overwogen is het is echter de taak van de woningcorporatie en niet die van het college om te bepalen wanneer zij de uitzondering van 5% toepast. Door het opnemen van een maximale huurprijs kan eiser echter niet met zijn urgentieverklaring reageren op woningen boven deze grens en heeft verweerder daarmee op voorhand uitgesloten dat een woningcorporatie kan afwijken van de norm voor passend toewijzen. Zo’n afwijking zou juist in een geval als dat van eiser de woningcorporatie de mogelijkheid kunnen bieden om meer maatwerk te leveren en eiser zo sneller een andere woning te kunnen bieden. Verweerder heeft aangevoerd dat in de zaak die voorlag bij de Afdeling de vastgestelde maximale huurprijs geen grondslag had in een verordening of beleid. Het enkele feit dat in de Verordening van de gemeente Rotterdam een bepaling is opgenomen over het bij urgentieverlening vaststellen van een maximale huurprijs en dat daarbij een toelichting staat over het principe van passend toewijzen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hoewel de Afdeling overweegt dat het college heeft nagelaten te motiveren waarom het een maximum huurprijs in het zoekprofiel heeft opgenomen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling ook dat het niet slechts gaat om een (herstelbaar) motiveringsgebrek, maar om een voorwaarde die gelet op het wettelijk stelsel niet mocht worden gesteld. Dit betekent dat artikel 3.3. lid 2 onder c van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 in strijd is met de uit de Woningwet volgende systematiek van toewijzen van huurwoningen en in zoverre onverbindend moet worden geacht. Het bestreden besluit kan daarom ook op dit punt niet in stand blijven. Deze beroepsgrond slaagt.\n\n6.7.. De rechtbank merkt daarbij op dat het ontbreken van een maximale huurprijs in het zoekprofiel geenszins inhoudt dat eiser dan altijd aanspraak kan maken op een woning met een huurprijs hoger dan € 693,60. Woningcorporaties zijn verplicht om minimaal 95% van de woningen passend toe te wijzen. Er bestaat geen verplichting om in het geval van eiser van de uitzondering gebruik te maken. Eiser maakt nog steeds meer kans door te reageren op woningen onder deze grens. Daarnaast beperkt het in het zoekprofiel opgenomen woningtype en het aantal kamers de maximale huurprijs. Anders gezegd, de grootste woningen kosten het meest, maar daarvoor komt eiser vanwege de terechte beperkingen ten aanzien van het woningtype en het aantal kamers al niet in aanmerking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond, omdat verweerder in het zoekprofiel het woningtype onevenredig heeft beperkt en ten onrechte een maximale huurprijs heeft opgenomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n8. Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding om zelf te voorzien in de zaak en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt dat de begane grond van een flatwoning zonderlift en een gelijkvloerse benedenwoning worden toegevoegd aan het zoekprofiel. Tot slot bepaalt de rechtbank dat het zoekprofiel geen maximale huurprijs bevat. Hiermee komt het zoekprofiel van eiser als volgt te luiden:\n\nFlatwoning metlift gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping, of;\n\nFlatwoning zonderlift, begane grond, gelijkvloers, of;\n\nBenedenwoning, gelijkvloers;\n\nMinimaal 2 en maximaal 2 slaapkamers;\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam.\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 8 februari 2024;\n\n- herroept het besluit van 19 oktober 2023 ten aanzien van het in het zoekprofiel opgenomen woningtype en de maximale huurprijs van € 693,60;\n\n- bepaalt het zoekprofiel als volgt:\n\nFlatwoning metlift gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping, of;\n\nFlatwoning zonderlift, begane grond, gelijkvloers, of;\n\nBenedenwoning, gelijkvloers;\n\nMinimaal twee en maximaal twee slaapkamers;\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam.\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit van 8 februari 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWoningwet 2015\n\nArtikel 46\n\n2. De toegelaten instelling gaat slechts overeenkomsten van huur en verhuur aan, voor zover aan ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage van huishoudens als eerstbedoeld of laatstbedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, die een huishoudinkomen hebben dat niet hoger is dan het voor het betrokken huishouden toepasselijke bedrag, bedoeld in artikel 14 van die wet, woongelegenheden waarvoor huurtoeslag ontvangen kan worden op grond van die wet worden verhuurd met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 20, tweede lid, van die wet eerstgenoemde respectievelijk laatstgenoemde bedrag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen huishoudens worden uitgezonderd van en nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de eerste volzin. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de wijze waarop de inkomensvaststelling door de toegelaten instelling plaatsvindt.\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 20\n\n2. De aftoppingsgrens is:\n\na. € 650,43 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat;\n\nb. € 697,07 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat.\n\nVerordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020:\n\nArtikel 2.3.8. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring\n\n1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.\n\n2. In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:\n\na. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,\n\nb. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt,\n\nc. de inhoud van deze verklaringen en\n\nd. de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op de woningmarkt van de bezitter ervan.\n\nVerordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 bijlage I:\n\nArtikel 2.5. Hardheidsclausule\n\n1. Het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:\n\na. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,\n\nb. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.\n\n2. Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 2.5.2 van de verordening bedoelde overleg.\n\nArtikel 3.3. Het woonruimtetype\n\n1. In het zoekprofiel wordt het woonruimtetype opgenomen dat nodig is voor de oplossing van het huisvestingsprobleem.\n\n2. Het woonruimtetype bevat in ieder geval de volgende elementen:\n\na. het slaapkamertal van de woonruimte\n\nb. de typering van de woonruimte;\n\nc. de huurprijs waarbij woonruimte passend wordt geacht voor het huishoudinkomen van aanvrager.\n\n3. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat de houder met de urgentieverklaring geen wooncarrière kan maken, tenzij het maken van wooncarrière uitsluitend het gevolg is van het afhankelijk zijn van een woonruimtetype dat noodzakelijk is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. Onder wooncarrière wordt verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar de maatstaf van een redelijk handelend woningzoekende als gewilder beschouwd moet worden.\n\n4. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn.\n\n5. Indien de toepasselijke urgentiegrond of de samenstelling van het ingevolge artikel 2.1.1 van de verordening aangewezen deel van de woonruimtevoorraad daartoe naar het oordeel van het bestuursorgaan dat op de aanvraag om urgentieverklaring beslist aanleiding geeft, kan naast het in het vorige lid bedoelde woonruimtetype een tweede woonruimtetype in het zoekprofiel worden opgenomen. Dit tweede woonruimtetype is alleen van toepassing in de tweede fase van de urgentie en bovendien op woonruimte gelegen in de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring verleend heeft.\n\nArtikel 3.4. Slaapkamertal\n\n1. Het in het woonruimtetype op te nemen slaapkamertal van de urgentie wordt bepaald aan\n\nde hand van de grootte en samenstelling van het huishouden dat houder is van de urgentieverklaring, overeenkomstig de onderstaande tabel.\n\nAantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden\n\nNadere beschrijving van de samenstelling van het huishouden\n\nAantal slaapkamers\n\n3\n\n2 ouders* en kind\n\n2\n\n* of daaraan, gelet op de zorg van het inwonende kind of de inwonende kinderen, gelijk te stellen persoon of personen zoals voogd, pleeg- of stiefouder.\n\n Onder wooncarrière wordt volgens artikel 3.3, derde lid, van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar maatstaf van een redelijk handelend woningzoekende als gewilder moet worden beschouwd.\n\n Zie overweging 5.2. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4175).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:2705","2026-07-13T00:28:23.510Z",{"id":95,"ecli":96,"slug":97,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":98,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":100,"parsedAt":41,"updatedAt":101},"1604","ECLI:NL:RBROT:2024:9837","ecli-nl-rbrot-2024-9837","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 23\u002F2712\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [plaats] , eiser,\n\ngemachtigde: mr. A. Bakker,\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,\n\ngemachtigde: mr. R.P.M.M. Mols.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van 8 maart 2023.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] (de woning) per 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 339.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [plaats] voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslag).\n\n1.2.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de WOZ-waarde gehandhaafd.\n\n1.3.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eiser heeft nadere stukken ingediend.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Namens de heffingsambtenaar is ook [taxateur] verschenen.\n\nFeiten\n\n2. Eiser is eigenaar van de woning, een twee-onder-één-kapwoning uit het jaar 1981. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 131 m² en een perceeloppervlakte van 250 m². De woning heeft een garage.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de woning per 1 januari 2021 niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHeeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld?\n\n4. Eiser betoogt dat de waarde van de woning ten hoogste € 268.000,- bedraagt. De heffingsambtenaar heeft slechts in algemene bewoordingen aangegeven dat met eventuele verschillen tussen de woning en niet met name genoemde vergelijkingsobjecten rekening zou zijn gehouden. Eiser bestrijdt dat de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Eiser bestrijdt bij gebrek aan wetenschap dat de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten juist zijn. De heffingsambtenaar heeft niet duidelijk aangegeven welk deel van het perceel onder de vrijstelling voor waterverdedigingswerken valt. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de slechte ligging van de woning nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser een WOZ-deskundigenrapport van 19 juli 2024 en overzichten van ‘De Juiste Waarde B.V.’ overgelegd. Ook heeft eiser informatie van Vastgoedpro (prijsontwikkeling woningen) overgelegd. De heffingsambtenaar heeft volgens eiser geen rekening gehouden met het achterstallig onderhoud en de minder goede voorzieningen van de woning.\n\n5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld.\n\n6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Uit het door verweerder overgelegde taxatierapport blijkt dat de waarde van de woning is bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, waarbij de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn toegelicht. De vergelijkingsobjecten ( [vergelijkingsobject 1] , [vergelijkingsobject 2] , [vergelijkingsobject 3] , [vergelijkingsobject 4] en [vergelijkingsobject 5] ) zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en gebruiksoppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten is hoger dan de vierkantemeterprijs van de woning.\n\n7. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Met de matrix heeft de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten zijn verdisconteerd. In de matrix heeft de heffingsambtenaar de waarde van de objectonderdelen vermeld. Het besluit is terzake voldoende gemotiveerd. Eiser heeft de juistheid van die objectkenmerken niet (gemotiveerd) betwist.\n\n7.1. Op de zitting heeft eiser verklaard dat de ligging van de woning aan of op een waterverdedigingswerk en nabij een bedrijventerrein en een gebied met kassen geen punten van geschil meer zijn. De rechtbank zal deze stellingen (en in combinatie daarmee het beroep op het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel) daarom verder niet bespreken. Eiser heeft zijn stelling dat de heffingsambtenaar geen rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, uitsluitend onderbouwd, door te wijzen op het verschil in bouwjaar waardoor met gebruikmaking van andere NEN-normen is gebouwd, hetgeen vooral tot verschil in de mogelijkheid tot energiebesparing leidt. Eiser heeft niet onderbouwd dat verweerder het onderhoudsniveau en het niveau van de voorzieningen van de woning anders had moeten waarderen dan hij heeft gedaan.\n\n7.2. In het door eiser overgelegde WOZ-deskundigenrapport wordt de waarde onderbouwd met verkoopcijfers van woningen die weliswaar een bouwjaar hebben dat meer overeenkomt met dat van de woning, maar die zijn gelegen in een andere wijk. De heffingsambtenaar heeft ter zitting uitgelegd dat de wijk waarin de woning van eiser ligt ( [wijk 1] ) een ander waardeniveau heeft dan de wijk waarin de woningen zijn gelegen waarmee in het door eiser overgelegde taxatierapport wordt vergeleken ( [wijk 2] ). De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de vergelijkingsobjecten in het taxatierapport van eiser daardoor minder goed bruikbaar zijn.\n\n7.3. Tot slot is in de matrix van de heffingsambtenaar sprake van een bandbreedte van € 76.111,- (door het verschil) tussen de vierkantemeterprijs van de woning en de gemiddelde gecorrigeerde vierkantemeterprijs van de vergelijkingsobjecten, waarin eventuele nadere verschillen, waaronder die in bouwjaar, geacht kunnen worden te zijn verdisconteerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde van de woning hetzelfde blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. C. Laukens, rechter, in aanwezigheid van mr.Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2024.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.\n\n Kamerstukken II 1992\u002F93, 22 885, nr. 3, blz. 44.\n\n HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300.\n\n € 2.539 - € 1.958 * 131 = € 76.11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:9837","2024-10-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.204Z",20]