[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-childcare-benefits-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":59,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},117,"childcare-benefits-compensation-nl","Childcare Benefits Compensation","NL","2026-07-08T16:57:11.266Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2024-11-26T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"448","ECLI:NL:RBROT:2026:8191","ecli-nl-rbrot-2026-8191","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1810\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),\n\nen\n\nDienst Toeslagen\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\n1. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2012 en 2013 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de compensatie voor de periode van 1 januari 2012 tot\n\n5 oktober 2012 ten onrechte afgewezen. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met besluiten van 19 september 2022 (UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2012 en 2013 afgewezen.\n\n2.1.. Met een besluit van 22 september 2022 (UHT-DC I) is aan eiseres een compensatiebedrag van € 74.729,- toegekend voor de jaren 2008, 2009 en 2011.\n\n2.2.. Met een besluit van 22 september 2022 (UHT-O OGS B) is aan eiseres een tegemoetkoming opzet\u002Fgrove schuld (O\u002FGS) van € 12.702,- toegekend voor de jaren 2012 en 2013.\n\n2.3.. Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 september 2022 (UHT-DC I) gegrond verklaard en het compensatiebedrag vastgesteld op € 77.209,- en de bezwaren van eiseres tegen de overige besluiten ongegrond verklaard.\n\n2.4.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft met brieven van\n\n10 maart 2026 en 24 maart 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. J. van den Ende, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 19 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag afgewezen voor het toeslagjaar 2012. Volgens de Dienst Toeslagen is in het jaar 2012 vooringenomen gehandeld, omdat er geen rappelbrief is verzonden aan eiseres na een verzoek om informatie, maar bestaat geen recht op compensatie, omdat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. Niet zou zijn gebleken dat opvang is genoten en de toeslagpartner van eiseres zou niet voldoen aan de vereisten van artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko), zoals geldend op 1 januari 2012. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft in dat jaar wel kinderopvang afgenomen en voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van kinderopvangtoeslag. Dat uit de kinderopvanginstelling (KOI)-viewerniet blijkt dat sprake was van kinderopvang, is onvoldoende voor de conclusie dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Eiseres is op 5 oktober 2012 getrouwd met [persoon A] . Hij is ten onrechte aangemerkt als toeslagpartner voor heel 2012, nu hij pas in 2013 bij eiseres in Nederland is komen wonen.4.1.. De Dienst Toeslagen heeft erkend dat in het toeslagjaar 2012 vooringenomen is gehandeld. De rechtbank laat daarom het betoog van eiseres daarover – waaronder het betoog over de vermeende onjuiste afhandeling van een herzieningsverzoek – buiten beschouwing.\n\n4.2.. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid, waardoor geen recht bestaat op compensatie voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft evident geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat haar toeslagpartner niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6, derde lid, van de Wko en niet is gebleken dat kinderopvang is afgenomen. Voor het eerst op de zitting heeft de Dienst Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat ook niet is gebleken dat eiseres zelf in het toeslagjaar 2012 voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko.\n\n4.3.. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang.\n\n4.3.1.. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen.De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn.Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond, bijvoorbeeld als het kind in het geheel geen opvang heeft genoten.\n\n4.3.2.. Degene die voor een deel van het berekeningsjaar als partner wordt aangemerkt, wordt ook als partner aangemerkt in de andere perioden van het berekeningsjaar, voor zover hij in die perioden op het zelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.\n\n4.3.3.. Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar, kort gezegd, arbeid verricht of gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012. De Dienst Toeslagen heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ernstige onregelmatigheid. De echtgenoot van eiseres was de toeslagpartner van eiseres vanaf het huwelijk op 5 oktober 2012.Omdat hij in de periode daarvoor niet met eiseres samenwoonde, kon hij in die periode niet als toeslagpartner worden aangemerkt.De activeringscoach van de gemeente Rotterdam heeft verklaard dat eiseres vanaf 8 april 2011 heeft deelgenomen aan ‘ [traject 1] ’ en vanaf 23 november 2012 aan ‘ [traject 2] ’. Dit zijn voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Volgens eiseres hebben deze trajecten elkaar opgevolgd, zodat zij aaneensluitend kinderopvang nodig had. Verder blijkt uit het overzicht arbeidsverleden van het UWV dat eiseres in 2012 in beperkte mate heeft gewerkt. Daarmee is het niet evident dat eiseres in het toeslagjaar 2012 niet voldeed aan de vereisten van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko (oud). De deelname aan de voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling is bovendien een aanwijzing dat eiseres wel daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen, nu het bij zulke trajecten doorgaans verplicht is gebruik te maken van kinderopvang. Het feit dat in de KOI-viewergeen opvanggegevens stonden geregistreerd, legt daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal, omdat kinderopvanginstellingen in 2012 niet verplicht waren gegevens over de opvang aan de Dienst Toeslagen te verstrekken. Het voorgaande betekent dat het niet evident is dat eiseres geen recht had op kinderopvangtoeslag van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.1, tweede lid, van de Wht en kan niet in stand blijven. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat de berekening van de hoogte van de eventuele compensatie te ingewikkeld is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de afwijzing van compensatie betreft over de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012 en de Dienst Toeslagen opdragen ten aanzien van deze periode een nieuw besluit op het bezwaar nemen. De rechtbank geeft de Dienst Toeslagen hiervoor een termijn van zes weken.\n\n5.1.. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de periode van 1 januari 2012 tot 5 oktober 2012;\n\ndraagt de Dienst Toeslagen op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres vergoedt;\n\nveroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Nieuwstraten, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nDe rechter is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wht.\n\n Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\nKamerstukken II2021\u002F22, 35151, nr. 3, p. 72.\n\n Artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), zoals geldend op 1 januari 2012.\n\n Artikel 1.6, eerste lid, van de Wko, zoals geldend op 1 januari 2012.\n\n Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir (oud).\n\n Artikel 3, tweede lid, van de Awir (oud).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8191","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:30.851Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1066","ECLI:NL:RBROT:2026:8084","ecli-nl-rbrot-2026-8084","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F1343\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J. van den Ende),\n\nen\n\nDienst Toeslagen\n\n(gemachtigde: [naam 1]).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over de toeslagjaren 2010 en 2011. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Met een besluit van 7 maart 2023 (UHT-DCHA) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2010 en 2011 afgewezen.\n\n1.2.. Met een besluit van 8 maart 2023 (UHT-O OGS B) heeft de Dienst Toeslagen de tegemoetkoming in verband met een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld bepaald op € 6.629,-. Omdat dit bedrag lager is dan het bedrag van € 30.000,- dat eiseres al eerder had ontvangen, heeft zij geen extra geld ontvangen.\n\n1.3.. Met het besluit van 3 januari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen de besluiten van 7 maart 2023 en 8 maart 2023 gehandhaafd.\n\n1.4.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.1.5.. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit, voor zover van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Over de jaren 2010 en 2011 is sprake geweest van vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen omdat eiseres voorafgaand aan de nihilstellingen van 23 juli 2010 en 9 juni 2011 niet schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om informatie toe te sturen. Eiseres heeft echter geen recht op compensatie op deze grond omdat eiseres evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Eiseres was namelijk geen zogenoemde doelgroeper, onder meer omdat de partner van eiseres destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte.\n\n3. Eiseres heeft aangevoerd dat de Dienst Toeslagen haar ten onrechte geen compensatie op basis van vooringenomenheid, dan wel hardheid van het stelsel heeft toegekend. Zij is slachtoffer geworden van een derde, [naam 2] . Deze had gezegd dat eiseres het geld van de kinderopvangtoeslag naar hem moest overmaken en hij zou dan de opvang voor haar betalen. De Dienst Toeslagen had een onderzoek naar [naam 2] moeten uitvoeren, nu de kinderopvangtoeslag door hem was aangevraagd. In een zaak van een ander slachtoffer van [naam 2] heeft de Dienst Toeslagen wel compensatie toegekend, aldus eiseres.\n\n4.1.. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de ouder evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in het desbetreffende jaar.\n\n4.2.. Eiseres heeft geen beroepsgronden gericht tegen het standpunt van de Dienst Toeslagen dat eiseres geen doelgroeper was omdat haar partner destijds geen rechtmatig verblijf had en niet werkte. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres zelf van mening is dat zij wel doelgroeper was maar dat die stelling niet kan worden onderbouwd. Ook ter zitting is het genoemde standpunt van de Dienst Toeslagen daarom niet voldoende gemotiveerd betwist. Nu aangenomen moet worden dat eiseres geen doelgroeper was, had eiseres om deze reden evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Dat is een ernstige onregelmatigheid. Deze kan eiseres worden toegerekend. Hierbij is van belang dat het de bedoeling van eiseres was dat kinderopvangtoeslag zou worden aangevraagd en dat de kinderopvangtoeslag ook op de rekening van eiseres is bijgeschreven. Gelet hierop heeft de Dienst Toeslagen terecht toepassing gegeven aan artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\n4.3.. Voor zover van belang, overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen destijds onderzoek had moeten doen naar [naam 2] . Niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen had moeten vermoeden dat sprake was van oplichting. Over de verwijzing naar het besluit over een ander slachtoffer van [naam 2] , waarin de Dienst Toeslagen wel compensatie heeft toegekend, merkt de rechtbank op dat het niet gaat om vergelijkbare situaties. Uit het andere besluit blijkt namelijk dat er in dat geval geen aanknopingspunten waren om vast te stellen dat de kinderopvangtoeslag is overgemaakt naar een rekening die op naam stond van de betrokkene.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr.J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II 2021\u002F22, 36151, nr. 3, p. 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8084","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:02.310Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"1952","ECLI:NL:RBROT:2026:7681","ecli-nl-rbrot-2026-7681","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F9486\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen\n \n [naam 1] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDe minister van Financiën, de minister\n\n(gemachtigde: [naam 2] ).\n\nInleiding\n\n1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van betaalde schulden. Deze aanvraag is met het besluit van 1 mei 2024 afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\n1.2.. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser is slachtoffer in de toeslagenaffaire. Hij heeft op 30 december 2023 een aanvraag gedaan voor compensatie van vijf schulden bij de ABN AMRO en een schuld BMW Financial Services Nederland. Eiser is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.\n\n3. Eiser betoogt dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar zijn schulden en verwijst hiervoor naar artikel 3:2 Awb. Door dit na te laten is het bestreden besluit volgens eiser onzorgvuldig voorbereid.\n\n3.1. De rechtbank is van oordeel dat het niet op de weg van de minister lag om bij schuldeisers zoals ABN AMRO te informeren naar de schulden van eiser. Dat zou ook niet zomaar kunnen. De minister heeft aan eiser bij brief van 20 juni 2024 (de ontvangstbevestiging van het bezwaar van eiser) aan eiser aangegeven wat hij nodig heeft om te beoordelen of een schuld voor compensatie in aanmerking komt. Daarmee heeft de minister eiser geholpen om de vereiste informatie aan te leveren. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat deze brief hem heeft geholpen om de informatie op te vragen. De minister heeft daarmee zorgvuldig gehandeld.\n\n4. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij vervolgens ook contact heeft opgenomen met ABN AMRO en dat de bank heeft aangegeven dat eiser een schuld heeft bij hen, maar dat die schuld niet opeisbaar is. ABN AMRO kon daarom geen verklaring van de opeisbaarheid afgeven, aldus eiser.\n\n4.1. \n\nOm voor compensatie van een afgeloste schuld in aanmerking te komen, bestaan er kort gezegd drie voorwaarden en een van die voorwaarden is dat een schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was.Dat was bij eisers schulden bij ABN AMRO niet het geval en ook van eisers schuld bij BMW is dat niet gebleken.\n\nOmdat niet aan alle voorwaarden is voldaan voor de compensatie voor afbetaalde schulden, heeft de minister een juiste beslissing genomen. De regeling waar het hier om gaat, is niet bedoeld als compensatie voor schade, maar is bedoeld om mensen te helpen die te maken hebben met invorderingsmaatregelen door schuldeisers. Dat is bij eiser niet het geval.\n\nHet bestreden besluit is daarom begrijpelijk en voldoende gemotiveerd.\n\n5. Eiser voert verder aan dat het onevenredig is om aan hem geen compensatie toe te kennen voor de afgeloste schulden. In het geval van eiser is er geen sprake van onevenredigheid. Het gaat (gelukkig) goed met eiser en er is voor eiser geen schrijnende situatie. Er daarom geen disbalans tussen het doel dat wordt nagestreefd met de regeling die aan de orde is in deze zaak en de gevolgen van het bestreden besluit voor eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Omdat de beroepsgronden niet slagen, is het beroep ongegrond.\n\n7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.\n\n Dit staat in artikel 4.1 lid 2 onderdeel a van de Wet hersteloperatie toeslagen","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7681","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.060Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"1332","ECLI:NL:RBROT:2024:11964","ecli-nl-rbrot-2024-11964","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 23\u002F6315\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),\n\nen\n\nDienst Toeslagen\n\n(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).\n\n1.1.. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag met het besluit van 25 augustus 2021 afgewezen voor de toeslagjaren 2012 en 2013. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2023 op het bezwaar van eiseres is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.2.. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Partijen hebben nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor het toeslagjaar 2013. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n2.1.. Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen ook beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie voor het toeslagjaar 2012. Eiseres heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres voor het toeslagjaar 2013 terecht afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n3.1.. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] . Zij heeft in ieder geval in 2013 kinderopvangtoeslag aangevraagd en gekregen. Op 22 november 2019 heeft eiseres een aanvraag gedaan om compensatie. Voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2014 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres compensatie toegekend van € 69.521,-.\n\nHeeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?\n\n4. Eiseres betoogt dat zij niet heeft kunnen nagaan of de Dienst Toeslagen institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, omdat zij niet over haar volledige persoonlijke dossier beschikt. Er ontbreken e-mails, telefoonnotities en stukken over interne communicatie. De kinderopvangtoeslag is verrekend met de huur- en zorgtoeslag van eiseres. Zonder de beschikkingen op basis waarvan deze verrekeningen hebben plaatsgevonden, kan eiseres de juistheid daarvan niet controleren.\n\n4.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt waarop de ontbrekende emails, telefoonnotities of stukken over interne communicatie betrekking zouden moeten hebben. Het bestreden besluit gaat over de aanvraag om compensatie van eiseres. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt wat de relevantie is van de beschikkingen over de verrekening van huur- en zorgtoeslag voor de beoordeling van het bestreden besluit. Dit betekent dat beide partijen in deze beroepsprocedure beschikten over alle relevante stukken. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen voor het toeslagjaar 2013?\n\n5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen voor het toeslagjaar 2013 ten onrechte heeft vastgesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen. Voor dat toeslagjaar is het recht op kinderopvangtoeslag naar beneden bijgesteld op grond van informatie van de kinderopvanginstelling. Deze informatie is niet betrouwbaar en eiseres heeft zich hiertegen niet kunnen verweren. Uit de beschikking waarin de wijziging is vastgelegd, blijkt niet de reden van de wijziging. Een medewerker van de Belastingdienst had stukken van eiseres bij haar thuis meegenomen voor een onderzoek, waardoor zij geen bezwaar kon instellen. De Dienst Toeslagen zou verder moeten onderzoeken of bij dat onderzoek vooringenomen is gehandeld.\n\n5.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat geen sprake is van vooringenomen handelen voor het toeslagjaar 2013.De Dienst Toeslagen mag in beginsel uitgaan van de informatie die een kinderopvanginstelling verstrekt. Als eiseres het niet eens was met de wijziging, had zij destijds bezwaar kunnen instellen tegen de beschikking waarin de wijziging is vastgelegd. Daarvoor is niet vereist dat de reden voor de wijziging uit de beschikking zelf blijkt: het ontbreken daarvan kan namelijk op zichzelf reden zijn om bezwaar te maken. Uit het dossier blijkt dat eiseres in andere toeslagjaren wel bezwaar heeft gemaakt tegen dergelijke beschikkingen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen bezwaar kon maken. Uit de e-mails die zij heeft overgelegd, blijkt wel van contact tussen haar en een medewerker van de Belastingdienst, maar niet dat diegene stukken had meegenomen voor onderzoek. De Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van deze e-mails nogmaals het dossier van eiseres doorzocht. De Dienst Toeslagen heeft geen aanwijzingen gevonden dat eiseres betrokken is geweest bij een onderzoek in het kader van kinderopvang-, huur- of zorgtoeslag of het kindgebonden budget. Daarmee bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen nader onderzoek had moeten verrichten.Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2013. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2024.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 8:42 van de Awb.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht.\n\n Artikel 3:2 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:11964","2024-12-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:16.362Z",1,20]