[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-civil-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":116},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},55,"civil-procedure-nl","Civil Procedure","NL","2026-07-08T16:54:05.484Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2024-05-29T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122496","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 31",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122118","Burgerlijk Wetboek","art. 8:755 lid 1",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122120","art. 3:31",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"123570","art. 197 lid 1",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"123571","art. 289",{"provisionId":40,"code":28,"article":41,"count":25},"122760","art. 7:290",{"provisionId":43,"code":28,"article":44,"count":25},"122761","art. 7:290 lid 1",{"provisionId":46,"code":28,"article":47,"count":25},"122762","art. 7:296",{"provisionId":49,"code":28,"article":50,"count":25},"122763","art. 7:296 lid 3",{"provisionId":52,"code":28,"article":53,"count":25},"123087","art. 1:15",[55,66,75,84,92,100,108],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"897","ECLI:NL:RBROT:2026:7465","ecli-nl-rbrot-2026-7465","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\ndatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\nvan\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\ngevestigd in [plaats] ,\n\nverzoekster,\n\nvoormalig gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en D.H.P. Groen,\n\nhuidige gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en K.H.M Brackel,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGemeente Rotterdam,\n\nzetelend in Rotterdam ,\n\nverweerder,\n\ngemachtigde: mr. N.C. van Eck,\n\nen in de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\nvan\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\ngevestigd in [plaats] ,\n\nverzoekster,\n\ngemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en K.H.M Brackel,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGemeente Rotterdam,\n\nzetelend in Rotterdam ,\n\nverweerder,\n\ngemachtigde: mr. N.C. van Eck.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.\n\n1. De procedures1.1.. Het verloop van de procedures blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 28 februari 2025), geregistreerd onder zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262;\n\nhet verweerschrift met bijlagen in reactie op dat verzoekschrift;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Brackel met bijlage voor de zitting van 9 juli 2025;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Van Eck met bijlage voor de zitting van 9 juli 2025;\n\nhet verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 28 november 2025), geregistreerd onder zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082;\n\nhet verweerschrift met bijlagen (ontvangen op 28 november 2025) in reactie op dat verzoekschrift;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Brackel voor de zitting van 18 mei 2026;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Van Eck voor de zitting van 18 mei 2026.\n\n1.2.. Op 9 juli 2025 is de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262 tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\nvan [verzoekster] [persoon A] ( [functie 1] ) en [persoon B] ( [functie 2] ) met mrs. Bäcker en Brackel;\n\nvan [verweerder] [persoon C] ( [functie 3] ) en [persoon D] ( [functie 4] ) met mr. Van Eck en verder van vastgoedbeheerder [naam vastgoedbeheerder] [persoon E] ( [functie 5] ).\n\n1.3.. De zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262 is vervolgens op verzoek van de partijen aangehouden voor onderling overleg.\n\n1.4.. Op 18 mei 2026 zijn beide zaken tegelijk op een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\nvan [verzoekster] [persoon A] ( [functie 1] ) en [persoon B] ( [functie 2] ) met mrs. Bäcker en Brackel;\n\nvan [verweerder] [persoon C] ( [functie 3] ) en [persoon D] ( [functie 4] ) met mr. Van Eck.\n\n1.5.. Gelet op het hiervoor geschetste verloop van de procedures, beschouwt de kantonrechter de processtukken in zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082 mede als een aanvulling op de processtukken in zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaan de zaken over?\n\n2.1.. Tussen (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] en [verweerder] is een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de bedrijfsruimte aan [adres] in [plaats] ( [naam bedrijfsruimte] ), een en ander zoals omschreven in die overeenkomst. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 januari 2013. [verweerder] heeft in een brief van 20 december 2023 de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2024 en aan [verzoekster] de ontruiming aangezegd per die datum. [verweerder] stelt zich in dat verband op het standpunt dat de huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW. [verzoekster] is het daar niet mee eens en stemt niet in met de opzegging, maar stelt wel voorwaardelijk een verzoek in om haar rechten met betrekking tot ontruimingsbescherming veilig te stellen.\n\n2.2.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter primair haar niet-ontvankelijk te verklaren omdat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW en een verklaring voor recht te geven dat de huurovereenkomst wordt beheerst door de artikelen 7:290 t\u002Fm 7:300 BW. Subsidiair en voorwaardelijk, namelijk voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:230a BW, verzoekt [verzoekster] om de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden te verlengen. [verzoekster] meent namelijk dat haar belangen ernstiger worden geschaad door de ontruiming dan die van [verweerder] bij voortzetting van het gebruik door [verzoekster] . [verweerder] is het niet eens met de verzoeken en wil dat die worden afgewezen. [verweerder] vindt dat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW en dat haar belangen bij ontruiming zwaarder wegen dan die van [verzoekster] bij voortgezet gebruik.\n\nWat is de kern?\n\n2.3.. \n [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat de huurovereenkomst onder het huurregime van artikel 7:230a BW valt en de huurovereenkomst is geëindigd. De beoordeling van het eerste verlengingsverzoek is niet meer relevant gelet op de verstreken tijd. Het tweede verlengingsverzoek wordt wel inhoudelijk beoordeeld en toegewezen: de ontruimingstermijn wordt verlengd tot en met 31 december 2026. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\nDe huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW\n\n2.4.. De huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n2.5.. Om het primaire verzoek te beoordelen moet worden vastgesteld of het gehuurde valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW of onder het huurregime van artikel 7:290 BW. Een huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:290 BW als sprake is van huur en verhuur van bedrijfsruimte (artikel 7:290 lid 1 BW). Onder bedrijfsruimte wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is (artikel 7:290 lid 2 onder a BW). Bij de beantwoording van de vraag voor welk doel of met welke bestemming de ruimte is verhuurd, is beslissend wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan.\n\n2.5.1.. De partijen betrekken de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de huurovereenkomst bij de kwalificatie. Die voorgeschiedenis is – kort samengevat – dat sinds 1997 (een vennootschap van) [bedrijf 2] (via rechtsvoorgangers) van [verweerder] circa 5.238 m2 ruimte aan de [adres] huurde. Over de contractuele bestemming van de oude huurovereenkomst zijn de partijen het niet helemaal eens, omdat zij uitgaan van twee verschillende versies van de oude huurovereenkomst. Volgens [verzoekster] is de contractuele bestemming “terminal, lounge, feestzaal annex cafe-restaurant”. [verweerder] wijst op een andere versie en stelt dat de bestemming verschillend is voor twee gedeeltes van de gehuurde ruimte: gedeelte A van in totaal 925 m2 is bestemd als café-restaurant en keuken met kantoorruimte, opslagruimte en toiletten en gedeelte B van in totaal 4.338 m2 heeft de bestemming entreehal met balie, terminal lounge\u002Ffeestzaal, kofferopstelruimte\u002Ffeestzaal en toiletten. De kantonrechter acht dit verschil evenwel niet relevant, omdat uit beide versies kan worden afgeleid dat slechts een deel van de ruimte is bestemd als café-restaurant. Wel relevant is dat de oude huurovereenkomst met ingang van 2013 is ‘gesplitst’ in twee huurovereenkomsten in die zin dat 578 m2 van de bovenverdieping wordt verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) en de benedenverdieping en een deel van de bovenverdieping (in totaal 4.174 m2) wordt verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] . Rondom de splitsing zijn wijzigingen aangebracht, waardoor de bovenverdieping – het deel dat nu door [bedrijf 3] wordt gehuurd – via een trap aan de buitenzijde een aparte ingang heeft gekregen. Die wijziging is ook vastgelegd in de nieuwe huurovereenkomst met [bedrijf 3] . Die huurovereenkomst is vormgegeven naar het model voor 290-bedrijfsruimte en daarin is als bestemming opgenomen: horecavoorziening met keuken, opslag en kantoorruimten.\n\n2.5.2.. Bovenaan de huurovereenkomst met [verzoekster] staat “huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” en de hierbij horende algemene bepalingen zijn van toepassing verklaard. Het gehuurde heeft als contractuele bestemming: evenementenlocatie. Vóór de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst en ook nu wordt het (onderhavige) gehuurde (deel) ook als zodanig gebruikt door [verzoekster] . Daar is geen discussie over. De bedrijfsruimte is een lege hal en wordt alleen daadwerkelijk gebruikt als er een evenement is. Sommige van deze evenementen zijn periodiek terugkerende evenementen en worden niet alleen in het gehuurde georganiseerd, maar ook op locaties elders in Nederland. Van reguliere openingstijden of van even binnenlopen voor een hapje of drankje in het gehuurde is geen sprake. Er moet een evenement plaatsvinden en voor toegang tot het gehuurde tijdens een evenement moeten bezoekers een toegangskaart kopen. Ook externen kunnen gebruik maken van het gehuurde om een (besloten) evenement te organiseren. Het gehuurde beschikt zelf niet over horecafaciliteiten. Voor het verzorgen van eten en drinken tijdens evenementen maakte en maakt [verzoekster] gebruik van de faciliteiten van de ruimte die nu door [bedrijf 3] wordt gehuurd. Als dat niet meer mogelijk zou zijn, moet [verzoekster] externe catering inhuren, aldus [verzoekster] . Verder is van belang dat met [verzoekster] geen vaste huurprijs is afgesproken, maar afhankelijk van het aantal zogenoemde callsper jaar (eventueel) een basishuur en in ieder geval een vaste vergoeding per evenement. Deze afspraak houdt verband met de omstandigheid dat [verweerder] [naam bedrijfsruimte] voor een deel van de tijd verhuurt aan [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) als aankomst- en vertrekhal voor cruiseschepen. In de huurovereenkomst met [verzoekster] is vastgelegd dat het gebruik van de ruimte door [bedrijf 4] voorrang heeft. Als er eencallis en de ruimte moet door [bedrijf 4] worden gebruikt als aankomst- en vertrekhal, kan [verzoekster] op haar beurt geen gebruik maken van het gehuurde. Maar ook als er geencallszijn en [naam bedrijfsruimte] wel ter beschikking staat aan [verzoekster] , wordt het gehuurde uitsluitend geëxploiteerd als er een evenement plaatsvindt. Gelet op deze kenmerken kunnen de activiteiten van [verzoekster] niet worden gelijkgesteld met het uitoefenen van een restaurant- of cafébedrijf in een voor het algemeen publiek toegankelijk lokaal zoals bedoeld in artikel 7:290 BW. De door [verzoekster] aangevoerde omstandigheid dat een horecavergunning is afgegeven, brengt ook niet mee dat het gehuurde als restaurant- of cafébedrijf moet worden aangemerkt. Ook in het geval van een 230a-bedrijfsruimte kan een horecavergunning nodig zijn.\n\n2.5.3.. Dat [verzoekster] na de splitsing van de oude huurovereenkomst haar activiteiten op dezelfde manier heeft voortgezet als zij eerst deed – namelijk gebruik maken van de horecafaciliteiten van het nu door [bedrijf 3] gehuurde deel – overtuigt de kantonrechter niet van de stelling dat de partijen bij de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst voor ogen hebben gehad dat het door [verzoekster] gehuurde wordt gebruikt als restaurant-, café- of daarmee gelijk te stellen bedrijf in de zin van artikel 7:290 BW. De contractueel afgesproken bestemming, de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst waarbij het horecagedeelte is afgesplitst van de evenementenlocatie en de wijzigingen in de feitelijke situatie duiden juist op het tegenovergestelde.\n\n2.5.4.. De kantonrechter volgt [verzoekster] ook niet in de stelling, die door [verweerder] wordt betwist, dat uit een aantal bepalingen uit de huurovereenkomst moet worden afgeleid dat de partijen het gehuurde als 290-bedrijfsruimte hebben willen kwalificeren. Een aantal bepalingen uit de huurovereenkomst vertoont inderdaad enige gelijkenis met het huurregime van artikel 7:290 BW, maar dat betekent nog niet dat het gehuurde moet worden gekwalificeerd als 290-bedrijfsruimte. De toepasselijkheid van artikel 7:230a BW laat namelijk onverlet dat de partijen zelf afspreken dat zij (bepaalde regels van) het dwingendrechtelijke huurregime van artikel 7:290 BW van overeenkomstige toepassing (kunnen) verklaren op de huurovereenkomst.\n\nDe huurovereenkomst is geëindigd\n\n2.6.. Voordat aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt toegekomen, moet de voorvraag worden beantwoord of de huurovereenkomst is geëindigd. De partijen denken daar namelijk allebei anders over. De kantonrechter beantwoordt de vraag bevestigend.\n\n2.6.1.. De kantonrechter volgt [verzoekster] niet in haar stelling dat de opzegging van de huurovereenkomst tegen 31 december 2024 geen effect sorteert. [verzoekster] is die mening toegedaan, omdat in de huurovereenkomst is bepaald dat de wettelijke opzeggingsgronden in acht moeten worden genomen en [verweerder] in strijd daarmee geen wettelijke opzeggingsgronden heeft genoemd in de opzeggingsbrief. De kantonrechter stelt vast dat er geen discussie is over hoe de betreffende bepaling in de huurovereenkomst (artikel 3.4) moet worden begrepen. De partijen gaan allebei ervan uit dat met ‘de wettelijke opzeggingsgronden’ de opzeggingsgronden zoals genoemd in artikel 7:296 BW worden bedoeld. In de opzeggingsbrief wordt weliswaar niet uitdrukkelijk benoemd dat de huurovereenkomst wordt opgezegd op grond van de belangenafweging zoals bedoeld in artikel 7:296 lid 3 BW, maar de kantonrechter is met [verweerder] eens dat [verzoekster] dit wel uit de motivering van de opzegging in die brief heeft moeten begrijpen.\n\n2.6.2.. \n [verzoekster] meent dat de huurovereenkomst niet door opzegging is geëindigd, omdat zij niet heeft ingestemd met de opzegging. Echter, instemming met de opzegging is niet nodig. Dat is wel zo als de regels van het huurregime van artikel 7:290 BW van toepassing zouden zijn, maar dat is niet het geval.\n\n [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn\n\n2.7.. Het primair verzochte wordt afgewezen. [verzoekster] is wél ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat de huurovereenkomst onder het huurregime van artikel 7:230a BW valt.\n\nHet (eerste) verlengingsverzoek wordt niet inhoudelijk beoordeeld\n\n2.8.. Hoewel [verzoekster] ontvankelijk is in het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, beoordeelt de kantonrechter het (eerste) verlengingsverzoek niet inhoudelijk. De beoordeling van dat verzoek is niet meer relevant, omdat de (eerste) verlengingstermijn al is verstreken en de verplichting om te ontruimen geschorst is gebleven tot voorbij de maximale verlengingstermijn vanwege het tijdsverloop van de procedure (artikel 7:230a lid 3 BW).\n\nin de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\nAlleen het (tweede) verlengingsverzoek wordt beoordeeld\n\n2.9.. De kantonrechter beoordeelt het primair verzochte niet, omdat dat verzoek al in de eerste zaak is beoordeeld. Omdat [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, wordt hierna wel het (tweede) verlengingsverzoek beoordeeld.\n\nDe ontruimingstermijn wordt verlengd tot en met 31 december 2026\n\n2.10.. Het verlengingsverzoek wordt toegewezen en de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden wordt verlengd met een jaar, tot en met 31 december 2026. Het oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n2.11.. Vooropgesteld wordt dat een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn slechts wordt toegewezen als de belangen van de huurder door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder (artikel 7:230a lid 4 BW). In de wet is ook een aantal verplichte afwijzingsgronden bepaald, maar die doen zich hier niet voor. In deze zaak staat de belangenafweging centraal.\n\n2.11.1.. \n [verweerder] voert als belang bij ontruiming van het gehuurde aan dat de bestaande constructie niet meer wenselijk en houdbaar is. De bestaande constructie houdt zoals gezegd in dat de ruimte voor een deel van de tijd in gebruik is bij [verzoekster] , namelijk voor dat deel van de tijd dat de ruimte niet wordt gebruikt door [bedrijf 4] als aankomst- en vertrekhal voor cruiseschepen. Volgens [verweerder] was bij aanvang van de huurovereenkomst met [verzoekster] in 2013 niet voorzien dat het aantal callsmet de jaren enorm zou toenemen, wat wel het geval is. Het aantalcallsis de afgelopen jaren vrijwel verdubbeld. Door de sterke toename van het aantalcallsen de afspraken in de huurovereenkomst is de vergoeding die [verzoekster] aan [verweerder] betaalt afhankelijk van diens bedrijfsvoering en niet kostendekkend; dat past niet langer binnen haar beleid, aldus [verweerder] . [verzoekster] betwist het voorgaande niet, maar voert aan dat het pijnpunt niet zit in de huurrelatie tussen haar en [verweerder] , maar in de huurrelatie tussen [bedrijf 4] en [verweerder] en de inhoud van de afspraken die [bedrijf 4] en [verweerder] hebben over vergoeding voor het gebruik van het gehuurde en de kosten ( [verzoekster] noemt dit een ‘all-in’ huurovereenkomst). [verweerder] heeft dat niet bestreden, dus de kantonrechter gaat uit van de juistheid hiervan.\n\n2.11.2.. De kantonrechter is met [verzoekster] eens dat ontruiming door [verzoekster] niet tegemoet komt aan het (financiële) belang dat [verweerder] stelt. Door ontruiming zal [verweerder] juist inkomsten (namelijk de huur van [verzoekster] ) mislopen en niet de financiële moeilijkheden oplossen. Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dit anders maken. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom voortgezet gebruik van het gehuurde door [verzoekster] de belangen van [verweerder] schaadt.\n\n2.11.3.. \n [verzoekster] heeft wel belang bij voortgezet gebruik van het gehuurde en dat belang wordt geschaad als zij moet ontruimen. Zij licht toe dat er geen vervangende locaties zijn in [plaats] , dat het verlies van [naam bedrijfsruimte] als evenementenlocatie tot verlies van haar klantenkring zal leiden en dat zij haar onderneming zal moeten beëindigen omdat die dan niet langer levensvatbaar is. [verweerder] heeft nog wel andere locaties in [plaats] benoemd, maar [verzoekster] heeft gemotiveerd bestreden dat dat (beschikbare) alternatieven zijn.2.11.4.. Gelet op het voorgaande worden de belangen van [verzoekster] door ontruiming ernstiger geschaad dan de belangen van [verweerder] bij voortgezet gebruik door [verzoekster] . Dat leidt tot toewijzing van het verlengingsverzoek.\n\nin beide zaken\n\nProceskosten\n\n2.12.. De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\n3.1.. wijst het primair verzochte af;\n\n3.2.. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;\n\nin de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\n3.3.. verlengt de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden met een jaar, tot en met 31 december 2026;\n\n3.4.. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7465","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.564Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":74},"620","ECLI:NL:RBROT:2026:8210","ecli-nl-rbrot-2026-8210","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nRaadkamernummers : 26\u002F003756 ( [holding 1] B.V.)\n\n : 26\u002F003759 ( [holding 2] B.V.)\n\nDatum : 16 juni 2026\n\nBeslissing van de meervoudige kamer op de verzoeken op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\n [holding 1] B.V.,\n\ngevestigd te [adres 1] , [postcode 1] [plaats 1] ,\n\nen\n\n [holding 2] B.V.,\n\ngevestigd te [adres 2] , [postcode 2] [plaats 2] ,\n\nmede namens\n\n [vennootschap 1] B.V.\n\nen\n\n [vennootschap 2] B.V.,\n\nvertegenwoordigers: [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ,\n\nmrs. R.J. de Jong en R. Scherpenisse, advocaten te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de verzoeksters.\n\nFeiten\n\nHet gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde [veroordeelde] bij arrest van\n\n5 maart 2025 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 241.500,74. Deze ontnemingsmaatregel is op 20 maart 2025 onherroepelijk geworden.\n\nDe Staat heeft het gehele ontnemingsbedrag op 7 mei 2025 ontvangen, waarmee de ontnemingsmaatregel is afgedaan.\n\nProcedure\n\nDe verzoekschriften van de verzoeksters zijn op 2 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nHet Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) heeft op 12 mei 2026 naar aanleiding van de verzoekschriften een zaakcommentaar ingediend bij de rechtbank.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft op 21 mei 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.\n\nDe raadslieden van de verzoeksters hebben – naar aanleiding van een e-mailbericht van de rechtbank – op 1 juni 2026 schriftelijk gereageerd op de standpunten van het Openbaar Ministerie en het CJIB.\n\nDe rechtbank heeft op 16 juni 2026 de verzoeken op de openbare zitting behandeld.\n\nDe rechtbank heeft namens de verzoeksters [vertegenwoordiger 1] en de raadslieden mrs. R.J. de Jong en R. Scherpenisse, en de officier van justitie mr. F.M. van Peski op zitting gehoord.\n\nDe veroordeelde [veroordeelde] is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet op zitting verschenen.\n\nVerzoeken\n\nDe verzoeken strekken ertoe dat de rechtbank zal bevelen dat het door de veroordeelde reeds betaalde bedrag van € 241.500,74 aan de verzoeksters zal worden uitgekeerd.\n\nAangevoerd is dat de veroordeelde namens de verzoeksters (de [vennootschappen] : [vennootschap 1] B.V. en [vennootschap 2] B.V.) heimelijk en onbevoegd een claim heeft ingediend bij Epiq en vervolgens het van Epiq ontvangen bedrag van\n\n€ 241.500,74 buiten de verzoeksters om op zijn eigen rekening heeft laten storten (oplichting). De [vennootschappen] waren de daadwerkelijke rechthebbenden van dit geld. Door de rechtbank en het gerechtshof is vastgesteld dat zij benadeeld zijn door de veroordeelde en daarmee komt het bedrag van € 241.500,74 toe aan de verzoeksters als benadeelde derden.\n\nDe civielrechtelijke verjaringstermijn in de zin van artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing, nu sprake is van een eigen strafrechtelijke verjaringstermijn in de zin van artikel 6:6:26 lid 4 Sv. Tot slot was er geen afspraak tussen de verzoeksters en de veroordeelde over de verdeling van het geld dat zou worden uitgekeerd na toewijzing van de claim. Een eventuele verdeling had bovendien alleen tot stand gekomen als de claim niet achter de rug van de verzoeksters om was ingediend.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verzoeksters kunnen worden aangemerkt als benadeelde derden. Met betrekking tot de civiele verjaringstermijn refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank, na aanvankelijk het standpunt te hebben betrokken dat de claim van verzoeksters civielrechtelijk verjaard is en dit consequenties dient te hebben voor het verzoekschrift in onderhavige zaak.\n\nHet Openbaar Ministerie kan instemmen met uitbetaling aan de verzoeksters door het CJIB van het vanwege de ontnemingsmaategel geïncasseerde bedrag voor ten hoogste\n\n€ 161.000,49, nu er sprake was van een 1\u002F3 verdelingsafspraak tussen de veroordeelde en de verzoeksters.\n\nBeoordeling\n\nOp grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechter een aan een veroordeelde in rechte opgelegde betalingsverplichting van een bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een derde benadeelde verminderen of kwijtschelden of kan de rechter bevelen dat een reeds betaald of verhaald bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven of aan een derde wordt uitgekeerd.\n\nAan de veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 maart 2025 de verplichting opgelegd tot betaling van € 241.500,74 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nUit de schriftelijke toelichting van het CJIB van 12 mei 2026 blijkt dat het ontnemingsbedrag op 7 mei 2025 is voldaan aan de Staat.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verzoeksters (de [vennootschappen] en de holding B.V’s) als benadeelde derden kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 6:6:26 Sv.\n\nDe rechtbank overweegt dat de vordering van verzoeksters niet is verjaard, omdat deze, zoals vereist in artikel 6:6:26 lid 4 Sv, is ingediend binnen de termijn van drie jaar nadat het verschuldigde bedrag geheel is betaald. Uit de toelichting op artikel 6:6:26 Sv blijkt dat het civiele recht over de kwestie van verjaring in deze geen toepassing vindt, omdat de strafvorderlijke regeling prevaleert.\n\nVoorts volgt uit het dossier dat er een afspraak is gemaakt over een verdeling tussen de veroordeelde en de verzoeksters van een eventueel door Epiq uit te keren bedrag. Het uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de uitkering aan de benadeelde derden conform artikel 6:6:26 Sv acht de rechtbank de hypothetische situatie die zou hebben bestaan zonder het strafbare feit. Uit het dossier volgt verder nog dat door [vertegenwoordiger 2] , één der vertegenwoordigers van verzoeksters, is verklaard dat met de veroordeelde was afgesproken dat bij een eventuele uitkering door Epiq de opbrengst verdeeld zou worden en de veroordeelde 1\u002F3 zou krijgen.\n\nDe rechtbank acht het bestaan van deze afspraak te meer aannemelijk nu dit niet door de veroordeelde maar door [vertegenwoordiger 2] is verklaard en stelt aldus vast dat deze afspraak tot stand is gekomen tussen de veroordeelde en één der vertegenwoordigers van verzoeksters.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeksters 2\u002F3 van het totaal uitgekeerde bedrag dienen te ontvangen. De rechtbank stelt vast dat dit gaat om een bedrag van € 161.000,49. De rechtbank zal daarom, ingevolge artikel 6:6:26 eerste lid Sv, bepalen dat het reeds geïncasseerde bedrag ter hoogte van € 161.000,49 wordt uitgekeerd aan de verzoeksters.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek gedeeltelijk toe en beveelt dat van het reeds betaalde bedrag een gedeelte van € 161.000,49 zal worden uitgekeerd aan de verzoeksters.\n\nDeze beslissing is gegeven door:\n\nmr. G.C. Bos, voorzitter,\n\nmrs. J.C. Oord en J.C. Rous, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,\n\nen in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8210","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.605Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":64,"updatedAt":83},"1079","ECLI:NL:RBROT:2026:6826","ecli-nl-rbrot-2026-6826","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F714557 \u002F HA ZA 26-126\n\nVonnis in incident van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [curator],\n\nin zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam hotel] ,\n\nkantoorhoudend in [plaats] ,\n\neiser in de hoofdzaak,\n\nverweerder in het incident,\n\nadvocaat: mr. D.H. de Haan,\n\ntegen\n\n [persoon A],\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\ngedaagde in de hoofdzaak,\n\neiser in het incident,\n\nadvocaat: mr. M.W. Huijzer.\n\nPartijen worden hierna de curator en [persoon A] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 22 januari 2026, met producties 1 tot en met 54;\n\nde incidentele conclusie tot onbevoegdheid van [persoon A] ;\n\nde conclusie van antwoord naar aanleiding van de incidentele conclusie tot onbevoegdheid.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.\n\n2. De vordering in de hoofdzaak\n\n2.1.. \n\nDe curator vordert in de hoofdzaak, verkort weergegeven, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [persoon A] te veroordelen tot betaling van € 49.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nII. [persoon A] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.2.. De curator legt hieraan, verkort weergegeven, ten grondslag dat het bedrag van € 49.500,00 onverschuldigd aan [persoon A] is betaald en daarom door hem moet worden terugbetaald.\n\n2.3.. \n [persoon A] heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd in de hoofdzaak.\n\n3. Het geschil in het incident\n\n3.1.. \n [persoon A] vordert in het incident, verkort weergegeven, dat de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het geschil, met veroordeling van de curator, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. De curator concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [persoon A] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.3.. De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Partijen twisten over de vraag of de rechtbank Rotterdam in de hoofdzaak bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van de curator tegen [persoon A] . Volgens [persoon A] moet die vraag ontkennend worden beantwoord, omdat hij geen woonplaats heeft in een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente. Van een overeengekomen woonplaatskeuze (in de zin van artikel 1:15 BW) of van een exclusieve forumkeuze (in de zin van artikel 108 Rv) is volgens [persoon A] geen sprake. Volgens de curator is de rechtbank Rotterdam wel bevoegd, omdat [persoon A] woonplaats heeft gekozen in Papendrecht en dus binnen het arrondissement van de rechtbank Rotterdam (locatie Dordrecht).\n\n4.2.. De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.\n\nHet wettelijk kader\n\n4.3.. In artikel 99 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij bevoegd is, tenzij de wet anders bepaalt.\n\n4.4.. Artikel 1:10 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt te zijner woonstede. Artikel 1:15 BW bepaalt dat een persoon een andere woonplaats dan zijn werkelijke woonplaats slechts kan kiezen, als de wet hem daartoe verplicht, of wanneer die keuze bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane overeenkomst voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is.\n\nRechtbank Rotterdam is relatief bevoegd\n\n4.5.. Er is in dit geval geen sprake van een uit de wet voortvloeiende, van de hoofdregel van artikel 99 Rv afwijkende bevoegdheidsbepaling. De bevoegde rechter is in beginsel dus de rechter van de woonplaats van [persoon A] . [persoon A] heeft geen woonplaats in een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente.\n\n4.6.. De rechtbank Rotterdam zou desalniettemin relatief bevoegd zijn als [persoon A] een vrijwillige woonplaatskeuze in de zin van artikel 1:15 BW heeft gemaakt voor een tot het arrondissement van de rechtbank Rotterdam behorende gemeente. Uit artikel 1:15 BW volgt dat voor een rechtsgeldige, vrijwillige woonplaatskeuze het volgende nodig is:\n\nDe woonplaatskeuze moet geschieden bij schriftelijk of langs elektronische weg aangegane overeenkomst.\n\nDe woonplaatskeuze kan slechts plaatsvinden voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen.\n\nVoor de gekozen woonplaats moet een redelijk belang aanwezig zijn.\n\n4.7.. De curator leidt uit een aan hem gezonden brief van mr. Huijzer, ook toen al de advocaat van [persoon A] , van 21 juli 2025 af dat [persoon A] in dit geval woonplaats heeft gekozen in Papendrecht. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“ (…) Uw opmerking dat - bij gebreke van betaling of ontvangst van een passend voorstel - een procedure in zicht komt, maakt dat niet anders. Een eventuele procedure wordt met vertrouwen tegemoet gezien. U kunt zo nodig de dagvaarding op mijn kantooradres betekenen; cliënt kiest aldaar uitdrukkelijk domicilie. Ik ga er echter van uit dat het zo ver niet behoeft te komen en het boek hiermee gesloten kan worden. (…)”\n\n4.8.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze brief volgt dat [persoon A] met de curator is overeengekomen dat hij voor het voeren van de onderhavige procedure woonplaats kiest op het kantoor van zijn advocaat in Papendrecht. Dat staat in voldoende duidelijke bewoordingen in de brief en de curator heeft dat ook zo mogen begrijpen. Aan de hiervoor vermelde vereisten is voldaan: de woonplaatskeuze is schriftelijk gemaakt en door de curator aanvaard, is bedoeld voor deze procedure (die al door de curator was aangekondigd) en er is een redelijk belang aanwezig voor zowel [persoon A] als de curator. Dat de curator pas een half jaar later tot dagvaarding is overgegaan betekent, anders dan [persoon A] lijkt te betogen, niet dat hij zich niet (meer) op de woonplaatskeuze mocht beroepen.\n\n4.9.. \n [persoon A] stelt zich op het standpunt dat het bieden van een praktische manier voor het betekenen van de dagvaarding (namelijk op het kantooradres van de behandelend advocaat) nog geen woonplaats- of forumkeuze impliceert. De rechtbank acht dat standpunt in beginsel juist. In dit geval is in de brief echter niet slechts aangegeven dat de dagvaarding op het kantooradres van de advocaat betekend kon worden, maar is daaraan toegevoegd dat [persoon A] op dat adres uitdrukkelijk domicilie kiest. Dat die woonplaatskeuze uitsluitend betrekking zou hebben op het betekenen van de dagvaarding (en niet ook op het voeren van de procedure) kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet uit de brief worden afgeleid. Voldaan is dan ook aan de vereisten van artikel 1:15 BW.\n\n4.10.. Als een gedaagde overeenkomstig artikel 1:15 BW woonplaats heeft gekozen, dan is ingevolge artikel 99 lid 1 Rv de rechter van de gekozen woonplaats relatief bevoegd om van de zaak kennis te nemen. [persoon A] stelt dat vaste rechtspraak en literatuur bevestigen dat een domiciliekeuze geen invloed heeft op de relatieve bevoegdheid van de rechter, maar de rechtbank volgt hem daarin gelet op het voorgaande niet. Die conclusie kan ook niet worden getrokken uit de door [persoon A] genoemde rechtspraaken literatuur.\n\n4.11.. Voor zover [persoon A] nog heeft opgemerkt dat in de dagvaarding (randnummer 102) ten onrechte is vermeld dat de advocaat van [persoon A] kantoor houdt in Barendrecht (in plaats van Papendrecht), gaat de rechtbank daaraan voorbij. Sprake lijkt te zijn van een verschrijving. Op de eerste pagina van de dagvaarding is vermeld dat [persoon A] woonplaats heeft gekozen op het kantoor van zijn advocaat in Papendrecht en de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, is gebaseerd op die gemeente.\n\n4.12.. Conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. De incidentele vordering van [persoon A] zal dan ook worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.13.. \n [persoon A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.15.. De veroordeling in de proceskosten wordt, zoals onweersproken gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst de incidentele vordering af,\n\n5.2.. veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon A] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [persoon A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.5.. verwijst de zaak naar de rol van 22 juli 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van [persoon A] ,\n\n5.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 1977\u002F3669\n\n Zie onder andere GS Personen- en familierecht, art. 1:15 BW, aant. 4, T&C BW, commentaar op art. 1:15 BW, aant. 1 en de conclusie van AG De Bock van 9 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:484 (4.13).\n\n Rechtbank Noord-Nederland 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3445.\n\n [persoon A] verwijst naar “Asser Procesrecht\u002FVeegens-Korthals Altes-Groen 1, nr. 56”. Deze verwijzing lijkt niet te kloppen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6826","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.015Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":91},"901","ECLI:NL:RBROT:2026:7471","ecli-nl-rbrot-2026-7471","2026-05-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11908220 CV EXPL 25-20955\n\ndatum uitspraak: 8 mei 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiser] ,die handelt onder de naam[bedrijf 1],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\ngemachtigde: mr. M. Leung,\n\ntegen\n\n [gedaagde], die handelt onder de naam[bedrijf 2],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 22 september 2025, met bijlagen 1 tot en met 5;\n\nhet antwoord, met bijlage;\n\nde akte van [eiser] , met bijlagen 6 tot en met 33.\n\n1.2.. Op 7 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] met, namens zijn gemachtigde, mr. A. den Drijver. [gedaagde] en zijn gemachtigde waren bij de zitting niet aanwezig.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?2.1.. \n [eiser] heeft beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd in opdracht van [gedaagde] . [gedaagde] heeft twee facturen die [eiser] daarvoor heeft verstuurd, niet tijdig en volledig betaald. [eiser] vordert betaling van het openstaande deel, te weten € 224,35. Daarnaast vordert [eiser] handelsrente van € 44,27 en € 476,53 aan buitengerechtelijke incassokosten.\n\n2.2.. \n [gedaagde] stelt dat hij de openstaande facturen heeft verrekend met een zogenaamde ‘no show’-factuur die hij aan [eiser] heeft gestuurd. Volgens [gedaagde] is dit een factuur die in rekening wordt gebracht voor geleden schade als een opdrachtnemer niet verschijnt voor afgesproken werkzaamheden en is dit heel gebruikelijk in de branche. [eiser] is niet verschenen op 27 en 28 juni 2025 voor afgesproken werkzaamheden en [gedaagde] heeft daardoor schade geleden.\n\n [gedaagde] moet een bedrag van € 224,35 aan [eiser] betalen2.3.. \n [gedaagde] betwist de hoofdsom niet. Het beroep op verrekening van [gedaagde] slaagt niet. Weliswaar staat vast dat [eiser] de overeengekomen werkzaamheden op 27 en 28 juni 2025 niet heeft uitgevoerd, maar [gedaagde] heeft, mede gelet op de betwisting van [eiser] ter zitting, onvoldoende onderbouwd dat hij daardoor schade heeft geleden. Daar komt bij dat [gedaagde] ook niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat het in de branche gebruikelijk is om een no show factuur te sturen. Dit had gelet op de betwisting door [eiser] wel op zijn weg gelegen. De vordering van [eiser] is dan ook toewijsbaar en een bedrag van € 224,35 wordt toegewezen.\n\n [gedaagde] moet incassokosten van € 442,69 betalen\n\n2.4.. Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 442,69 toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde vergoeding te matigen tot het bedrag waarop [eiser] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv). [eiser] heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken.\n\n [gedaagde] moet rente betalen\n\n2.5.. De handelsrente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het toegewezen bedrag € 44,27 aan vervallen handelsrente.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.6.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 123,73 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 823,73. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. [eiser] eist de handelsrente (artikel 6:119a BW), maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk weliswaar rente betalen over de hoofdsom, maar het betalen van proceskosten behoort niet tot de primaire betalingsverplichting. Daarom wordt de rente over de proceskosten toegewezen op basis van artikel 6:119 BW.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.7.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 711,31 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 224,35 vanaf 22 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 823,73 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7471","2026-07-13T00:28:53.732Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":96,"fullText":97,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":99},"502","ECLI:NL:RBROT:2026:7478","ecli-nl-rbrot-2026-7478","2026-04-16T00:00:00.000Z","beschikkingRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\n Zeeschip ‘Hein’\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F713749 \u002F HA RK 26-64 en C\u002F10\u002F714137 \u002F HA RK 26-82\n\nBeschikking van 16 april 2026\n\nin de zaken van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nBAGGER- EN AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ VAN DER KAMP B.V.\n\ngevestigd te Zwolle,\n\nhierna: BAVDK,\n\nadvocaat mr. J. Smit te Rotterdam,\n\nen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nVAN DER KAMP BAGGER BEHEER B.V.\n\ngevestigd te Zwolle,\n\nhierna: Van der Kamp,\n\nadvocaat mr. A. van Hal,\n\nen in het 195 Rv incident van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nNiedersachsen Ports GmbH & Co. KG.\n\ngevestigd te Oldenburg, Duitsland\n\nhierna: Niedersachsen Ports\n\nadvocaat mr. P.J. Hoepel\n\ntegen\n\nBAVDK\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank heeft kennis genomen van het op 22 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van BAVDK en van het op 27 januari 2026 ontvangen aanhaakverzoek met bijlagen van Van der Kamp.\n\n1.2.. De rechtbank heeft een datum voor de mondelinge behandeling bepaald en de griffier heeft verzoeksters en de in de verzoekschriften genoemde belanghebbenden voor die mondelinge behandeling opgeroepen.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 maart 2026. [huidige naam havenbedrijf] (voorheen [voormalige naam havenbedrijf] ) heeft per brief van 9 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat zij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zal zijn. Zij gaven daarbij aan dat zij wel (nog steeds) een vordering op verzoeksters hebben. De andere in de verzoekschriften genoemde belanghebbende, Niedersachsen Ports, is op de mondelinge behandeling verschenen. De spreekaantekeningen van mr. Smit, mr. Van Hal en mr. Hoepel zijn aan de procesdossiers toegevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben mr. Smit en mr. Van Hal aangegeven dat zij de verklaringen van de ander over en weer wensen over te nemen.\n\n1.4.. De rechtbank heeft kennis genomen van het op 17 maart 2026 namens Niedersachsen Ports ingediende verweerschrift (inclusief een incidentele vordering ex 195 Rv) door mr. P.J. Hoepel (tegen het beperkings- en het aanhaakverzoek).1.5.. Van het verhandelde op de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.6.. Op de zitting is de datum van de beschikking bepaald op 16 april 2026.\n\n2. De beoordeling2.1.. \n\nHet verzoek van BAVDK strekt tot het vaststellen van het bedrag van het zakenfonds waartoe haar aansprakelijkheid is beperkt op SDR 2.310.904 overeenkomstig artikel 8:755 lid 1 BW en\u002Fof het LLMC 1996, ter zake van een schadevaring op 25 juli 2025 waarbij de Hein in aanraking is gekomen met een kade in de haven van Brake (Duitsland).\n\nVan der Kamp verzoekt om te bepalen dat het zakenfonds dat door BAVDK zal worden gesteld, mede wordt geacht te zijn gesteld door Van der Kamp.\n\nDeze rechtbank is bevoegdheid\n\n2.2.. BAVDK en Van der Kamp zijn in Nederland gevestigd. BAVDK wordt naar aanleiding van de schadevaring door een Nederlandse partij (Van der Kamp) aansprakelijk gehouden. Van der Kamp wordt door Duitse partijen – [huidige naam havenbedrijf] en Niedersachsen Ports – aansprakelijk gehouden. De bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van dit beperkings- en aanhaakverzoek is door Niedersachsen Ports betwist.\n\n2.3.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Als het verzoek op grond van artikel 642a lid 1 Rv binnen de reikwijdte valt van de Brussel 1 bis-Voen de artikelen 4 tot en met 8 Brussel 1 bis-Vo zich lenen voor toepassing op dit verzoek, dan is de rechtbank op grond van artikel 4 Brussel I-bis-Vo jo. artikel 642a lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van BAVDK voor zover dat is gericht tegen de Nederlandse belanghebbenden door wie BAVDK aansprakelijk is gehouden (waaronder Van der Kamp). Voor zover het beperkings- of aanhaakverzoek is gericht tegen buitenlandse belanghebbenden (zoals J. Müller en Niedersachsen Ports) moet dan ook worden aangenomen dat op grond van artikel 8, aanhef, onder 1 Brussel I-bis-Vo de vereiste ‘nauwe band’ bestaat.\n\nAls het verzoek niet valt binnen de materiële werkingssfeer van de Brussel I-bis Vo is deze rechtbank op grond van artikelen 3, aanhef onder a en c, 10 en 642a lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.\n\nTot slot wordt daarom ook voldaan aan het bepaalde in artikel 11 lid 1 LLMC.\n\nBAVDK en Van der Kamp zijn ontvankelijk en behoren tot de kring van beperkingsgerechtigden\n\n2.4.. Niedersachsen Ports heeft betwist dat BAVDK en Van der Kamp ontvankelijk zijn in hun verzoeken, en daarmee gerechtigd tot het beperken van hun aansprakelijkheid. Zij zet vraagtekens bij het bestaan van de bevrachtingsovereenkomst tussen BAVDK en Van der Kamp. Indien geen bevrachtingsovereenkomst van kracht was op het moment van de schadevaring, dan is BAVDK ook niet ontvankelijk in haar verzoek, aldus Niedersachsen Ports. Zij heeft de advocaten van BAVDK en Van der Kamp daarom gevraagd om facturen en betaalbewijzen over te leggen ten aanzien van de gestelde bevrachting in 2025 alsook overige documentatie op basis waarvan kan worden geverifieerd dat sprake is van een waarachtige bevrachting en een werkelijke vrijwaringsvordering. Tijdens de mondelinge behandeling bevestigde Niedersachsen Ports dat zij naar aanleiding van haar verzoek enkele stukken en toelichting heeft ontvangen van de advocaat van BAVDK. Niedersachsen Ports gaf daarbij aan dat deze stukken het bestaan van een bevrachtingsovereenkomst lijken te bevestigen. Echter, ook de (aannemings)overeenkomst, op grond waarvan de Hein op 25 juli 2025 werd ingezet, dient volgens haar overgelegd te worden ten einde inzicht te geven in welke partij de Hein op dat moment exploiteerde.\n\n2.5.. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft BAVDK toegelicht dat Van der Kamp iedere maand een verzamelfactuur stuurt aan BAVDK voor de verhuur van aan Van der Kamp in eigendom toebehorende schepen en ander verhuurd baggermateriaal. De dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de advocaat van BAVDK aan de advocaat van Niedersachsen Ports de facturen gestuurd (en ter zitting aan de spreekaantekeningen gehecht) die zien op de maanden januari en juli 2025. Zoals ook in haar e-mail aan Niedersachsen Ports van 17 maart 2026 (eveneens aan de spreekaantekeningen gehecht) is toegelicht, vermelden de facturen onder meer het in de bevrachtingsovereenkomst vermelde tarief. De rechtbank is van oordeel dat met de overgelegde bevrachtingsovereenkomst tussen Van der Kamp en BAVDK aangaande de Hein (bijlage 4 bij het verzoekschrift van BAVDK) en de door BAVDK overgelegde facturen met toelichting, in het kader van de voorfase van deze beperkingsprocedure voldoende is toegelicht dat BAVDK de rompbevrachter van de Hein was ten tijde van de schadevaring. Zij valt daarom binnen de kring van gerechtigden van de Hein als bedoeld in artikel 11 lid 1 en 2 LLMC en kan zodoende voorshands haar recht tot beperking van aansprakelijkheid inroepen.\n\n2.6.. Gezien dit oordeel heeft Niedersachsen Ports (thans) onvoldoende belang bij het door haar verzochte afschrift van gegevens. Het verzoek ex artikel 195 Rv wordt dan ook afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n2.7.. \n\nVan der Kamp is de eigenaresse van de Hein, zo blijkt uit het overgelegde Kadastrale uittreksel, en is daarom medegerechtigd om haar aansprakelijkheid te beperken op grond van artikel 11 lid 1 en 2 LLMC.\n\nDat het zakenfonds door BAVDK nog niet is gevormd, maakt niet, zoals door Niedersachsen Ports is aangevoerd, dat Van der Kamp niet ontvankelijk is in haar verzoek om te mogen aanhaken bij het door BAVDK te stellen zakenfonds. Noch het LLMC, noch de Nederlandse wettelijke bepalingen staan in de weg aan een geclausuleerde toewijzing van het aanhaakverzoek, in die zin dat het door BAVDK te stellen fonds, zodra gesteld, mede geacht moet worden te zijn gesteld door Van der Kamp als eigenaar van het schip en daarmee beperkingsgerechtigde.\n\nEr is geen sprake van misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:31 BW\n\n2.8.. Volgens Niedersachsen Ports maken Van der Kamp en BAVDK misbruik van hun bevoegdheid. Zij voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. Niedersachsen Ports is op 17 november 2025 een bodemprocedure in Duitsland gestart tegen Van der Kamp. Aan haar was niet medegedeeld dat er een rompbevrachtingsovereenkomst bestond met BAVDK. De bodemprocedure die Van der Kamp daarna bij deze rechtbank aanhangig heeft gemaakt, waarin zij vordert dat BAVDK gehouden is haar te vrijwaren, is geen waarachtige procedure en is volgens Niedersachsen Ports enkel bedoeld om de mogelijkheid te scheppen om in Nederland een beperkingsprocedure te starten. Immers, Van der Kamp en BAVDK hebben (deels) dezelfde bestuurders, zijn op hetzelfde adres gevestigd en hebben één en dezelfde P&I Club. Verder blijkt nergens uit dat BAVDK de verplichting tot vrijwaring betwist. In plaats van een beperkingsprocedure in Duitsland te starten, hebben BAVDK en Van der Kamp hun verzoeken in Nederland ingediend met geen ander doel dan om Niedersachsen Ports te schaden, op kosten te jagen en van het natuurlijke en bevoegde gerecht in Duitsland te onttrekken. Deze wijze van handelen is volgens Niedersachsen Ports vergelijkbaar met het misbruiken van de in artikel 8 lid 1 EEX-Vo gecreëerde mogelijkheid van het overdagen van meerdere verweerders. Volgens het Hof van Justitie kwalificeren kunstmatig gecreëerde procedures als misbruik van recht als daarmee verweerders van de rechter van hun woonplaats worden afgetrokken.De schadevaring en de daaruit voortgevloeide Duitse bodemprocedure alwaar het toepasselijke Duitse recht zal worden toegepast, heeft geen enkele band met Nederland of de Nederlandse jurisdictie, aldus Niedersachsen Ports.\n\n2.9.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Het gaat hier om een bevoegdheid op grond van het LLMC, een verdrag met rechtstreekse werking in Nederland. Voor zover al de uitoefening van een door het LLMC gegeven bevoegdheid kan worden bestreden op basis van de Nederlandse interne norm van misbruik van bevoegdheid, oordeelt de rechtbank dat van zodanig misbruik hier niet gebleken is.\n\nVan der Kamp is in Nederland een bodemprocedure gestart tegen BAVDK. Niet in geschil is dat - op grond van een forumkeuzebeding in de bevrachtingsovereenkomst - de Nederlandse rechter bevoegd is om van dat geschil kennis te nemen. In deze bodemprocedure acht Van der Kamp BAVDK op grond van contractuele afspraken gehouden om haar te vrijwaren voor alle schade naar aanleiding van de schadevaring. Volgens Niedersachsen Ports is deze procedure geen waarachtige procedure; maar bedoeld om de rechtbank ertoe te bewegen om BAVDK en Van der Kamp toe te staan in Nederland te beperken in plaats van in Duitsland.\n\nMet haar standpunten lijkt Niedersachsen Ports voorwaarden aan het karakter van de ‘legal proceedings’ te stellen die in artikel 11 lid 1 van het LLMC zelf niet zijn terug te vinden en daar - bij een redelijke verdragsuitleg, overeenkomstig de regels uit het Weens verdragenverdrag - ook niet noodzakelijkerwijs uit voortvloeien. Voorwaarde voor het beperken van aansprakelijkheid is niet dat de aansprakelijkheid en\u002Fof het vorderingsrecht wordt\u002Fworden betwist en evenmin dat degene die ‘legal proceedings’ begint niet in een vennootschapsrechtelijke betrekking mag staan tot de aansprakelijk gehouden partij. Ook indien aan die of dergelijke ‘voorwaarden’ niet is voldaan kan sprake zijn van een reële, voor beperking vatbare vordering.\n\nDat dit hier anders is en dat de vordering van Van der Kamp in werkelijkheid niet bestaat, volgt onvoldoende uit wat Niedersachsen Ports aanvoert.\n\n2.10.. Dat Niedersachsen Ports advocaatkosten moet maken in Nederland voor een beperkingsprocedure is géén grond voor afwijzing van het verzoek op grond van misbruik van bevoegdheid. Voor een Duitse beperkingsprocedure had zij dit immers ook moeten doen.\n\n2.11.. Bovendien heeft de schadevaring, anders dan Niedersachsen Ports stelt, wel een band met Nederland, aangezien de Hein vaart onder de Nederlandse vlag, eigendom is van een Nederlandse partij (Van der Kamp) en geëxploiteerd wordt door een Nederlandse partij (BAVDK). Het is bovendien inherent aan het internationale karakter van de maritieme zaken en de systematiek van een beperkingsprocedure, dat partijen geconfronteerd kunnen worden met beperkingsprocedures in andere landen dan hun ‘thuisland’ en de daarmee gepaard gaande juridische complicaties. BAVDK en Van der Kamp maken gebruik van de mogelijkheden die het beperkingsrecht hen biedt. Dit levert geen misbruik van bevoegdheid op.\n\n2.12.. \n\nDaarnaast wordt Niedersachsen Ports, met een bodemprocedure en de daaropvolgende beperkingsprocedure in Nederland, niet van de bevoegde rechter van haar woonplaats onttrokken. Als hiervoor geoordeeld onder 2.3 is de rechtbank Rotterdam bevoegd om kennis te nemen van de onderhavige verzoeken. Een procedure tot aansprakelijkheidsbeperking in Nederland laat onverlet dat de bodemprocedure ten aanzien van de schadeplichtigheid in Duitsland kan worden gevoerd.\n\nVan der Kamp en BAVDK hebben aangevoerd dat de keuze om op lange termijn in Nederland te dagvaarden verband houdt met het afwachten van wat er in de Duitse bodemprocedure gebeurt. Van der Kamp en BAVDK sluiten ook niet uit dat de uitkomst van de Duitse bodemprocedure dienstig kan zijn voor de verificatie van de schuldvorderingen in de Nederlandse beperkingsprocedure.\n\nDe door Niedersachsen Ports bepleite analoge toepassing van uitspraken van het Hof van Justitie aangaande (thans) artikel 8 Brussel I-Bis Vo volgt de rechtbank dan ook niet.\n\nEr is geen sprake van litispendentie of samenhang in de zin van artikel 29 of 30 Brussel I-bis Vo\n\n2.13.. \n\nIndien en voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat BAVDK niet niet ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat het verzoek niet onmiddellijk dient te worden afgewezen, heeft Niedersachsen Ports verzocht om de beperkingsprocedure, althans het aanhaakverzoek, aan te houden op grond van artikel 29 lid 1 Brussel I-bis Vo (litispendentie), dan wel artikel 30 lid 1 (samenhang). Zij voert daartoe het volgende aan.\n\nIn de bodemprocedure in Duitsland tegen Van der Kamp, vordert Niedersachsen Ports: 1) betaling van de contractueel overeengekomen kosten van de berging van de Hein van € 1.150.000,- en 2) een verklaring voor recht dat Van der Kamp aansprakelijk is voor de schade van Niedersachsen Ports tot het bedrag van de maximale aansprakelijkheid op grond van het LLMC\u002FProtocol 1996, te weten SDR 2.310.904. Onderwerp van de Duitse procedure is onder meer de vraag of de bergingskosten worden beknot door de LLMC limiet en de vraag of het beperkingsbedrag integraal aan Niedersachsen Ports toekomt vanwege het voorrecht waarover zij zou beschikken op grond van artikel 614 van het Duitse Handelswetboek. Niedersachsen Ports verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank in de Perficioen voert aan dat in onderhavig geval zowel de verzoeken van BAVDK en Van der Kamp als de Duitse bodemprocedure draaien om de beperkingsvraag. Nu de Duitse procedure eerder aanhangig is gemaakt, moet deze rechtbank haar uitspraak aanhouden, aldus Niedersachsen Ports.\n\n2.14.. \n\nDe rechtbank oordeelt dat geen sprake is van litispendentie en dat er dus ook geen reden is om de beperkingsprocedure aan te houden op grond van artikel 29 Brussel I-bis Vo. Zij overweegt daartoe als volgt. De litispendentieregeling van artikel 29 Brussel I-bis Vo vereist onder meer dat voor de gerechten van verschillende lidstaten vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten. Aan de eis van ‘hetzelfde onderwerp’ is voldaan als de vorderingen hetzelfde doel hebben. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in de Duitse bodemprocedure en de onderhavige beperkingsprocedure geen sprake. De vordering tot schadevergoeding in de Duitse bodemprocedure is erop gericht de aansprakelijkheid van Van der Kamp vast te stellen, terwijl de vordering tot beperking van aansprakelijkheid tot doel heeft te verkrijgen dat, ingeval de aansprakelijkheid wordt vastgesteld, deze wordt beperkt.\n\nAan de eis van ‘dezelfde oorzaak’ is voldaan als de vorderingen gegrond zijn op hetzelfde feitencomplex en op dezelfde rechtsregels die tot staving van de vordering worden aangevoerd. Ook aan deze eis is in onderhavige zaak niet voldaan, aangezien de vorderingen in de Duitse bodemprocedure en de beperkingsprocedure op verschillende rechtsregels zijn gebaseerd: de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd op het recht inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid, terwijl de vordering om een fonds te vormen is gebaseerd op het LLMC. Dat Niedersachsen Ports voor de hoogte van haar vordering tegen Van der Kamp heeft aangesloten bij het beperkingsbedrag op grond van het LLMC maakt dat niet anders. Zoals ook door verzoeksters aangevoerd, betekent dit niet dat de Duitse rechter zich moet uitlaten over het recht op beperking van Van der Kamp. Daarnaast onderschrijft het juist het standpunt van verzoeksters dat geen sprake zal zijn van tegengestelde beslissingen in het kader van artikel 30 Brussel I-bis Vo, zoals hierna te bespreken, aangezien Niedersachsen Ports niet meer vordert dan het beperkingsbedrag.\n\n2.15.. De vraag of de kosten van Niedersachsen Ports voor de bergingsoperatie van de Hein worden beknot door een zakenfonds, alsmede de vraag of het voorrecht dat Niedersachsen Ports mogelijk heeft op grond van artikel 614 Duits Handelswetboek dat ziet op schade aan havenwerken tot gevolg heeft dat het beperkingsbedrag integraal toekomt aan Niedersachsen Ports (en er dus geen ruimte bestaat voor concurrerende vorderingen), maakt dit oordeel ook niet anders. Deze onderwerpen raken niet aan de vraag ofVan der Kamp en BAVDK hun aansprakelijkheid mogen beperken. Deze onderwerpen raken aan de vraag of aansprakelijkheid voor een bepaald type vordering mag worden beperkt en\u002Fof hoe bepaalde vorderingen eventueel gerangschikt moeten worden. De discussie hierover volgt eventueel in de verificatiefase en – indien nodig – tijdens renvooiprocedures. Dat een renvooiverwijzing tot onoverkomelijke juridische complicaties in Nederland en Duitsland zou leiden, zoals door Niedersachsen Ports gesteld, is niet, althans onvoldoende door Niedersachsen Ports onderbouwd en volgt de rechtbank, gelet op voorgaand oordeel, niet.\n\n2.16.. Ook het beroep op artikel 30 Brussel I-bis Vo gaat niet op. Zoals door Van der Kamp aangevoerd, zal de Duitse bodemrechter een uitspraak doen over de aard en omvang van de vordering van Niedersachsen Ports op Van der Kamp, en die uitspraak laat onverlet dat een andere rechter zich kan en mag uitlaten over de vraag of Van der Kamp en BAVDK een beroep toekomt op het recht om hun aansprakelijkheid voor alle vorderingen naar aanleiding van één en bepaald voorval te beperken. Van tegenstrijdige beslissingen is dan ook geen sprake.\n\nVerdere beoordeling\n\n2.17.. BAVDK stelt dat het bruto tonnage van de Hein 3.326 bedraagt. Dit wordt bevestigd in het door BAVDK overgelegde afschrift van het International Tonnage Certificate in bijlage vijf. BAVDK stelt verder dat op grond van dit bruto tonnage het beperkingsbedrag overeenkomstig artikel 8:755 lid 1 BW en het LLMC 1996 neerkomt op SDR 2.310.904.\n\n2.18.. Naast de hierboven behandelde en afgewezen verweren heeft de verschenen belanghebbende geen andere verweren gevoerd tegen het verzoek van BAVDK met betrekking tot de beperking van aansprakelijkheid voor de schadevaring. Evenmin is verweer gevoerd tegen de berekening van het te stellen zakenfonds zoals opgenomen in het verzoekschrift.\n\n2.19.. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid voor vorderingen waarvoor beperking wordt verzocht voorshands is beperkt, te weten het zakenfonds, beloopt daarom SDR 2.310.904, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, te weten 26 juli 2025, tot en met de dag volgende op de dag waarop het fonds zal zijn gesteld. De genoemde rekeneenheid SDR is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds (IMF), naar de koers van de dag van het stellen van het fonds om te rekenen in euro’s volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.\n\n2.20.. Tot zover voldoen de verzoeken aan de wettelijke vereisten. Daarom zal de rechtbank bepalen dat BAVDK fonds dient te stellen tot het in 2.19 bedoelde totaal beloop en dat dit zakenfonds, zodra gesteld, wordt geacht mede te zijn gesteld door Van der Kamp. Verder zal de rechtbank bepalen dat verzoeksters fonds dienen te stellen ter bestrijding van de kosten van de procedures zoals hierna te vermelden. Deze kosten zijn door de vereffenaar voorlopig begroot op € 8.500,00 per zaak. Verzoeksters hebben zich hier tijdens de mondelinge behandeling mee akkoord verklaard. Verder zal de rechtbank een rechter-commissaris aanwijzen en de vereffenaar benoemen.\n\n2.21.. Fondsvorming zal plaatsvinden middels storting in de consignatiekas, zoals door BAVDK in haar verzoekschrift verzocht.\n\nVerzoeksters dienen bij storting in de consignatiekas een kopie van deze beschikking te sturen aan:\n\nMinisterie van Financiën\n\nt.a.v. de Consignatiekas\n\nPostbus 20201\n\n2500 EE Den Haag\n\ne-mail: consignatiekas@minfin.nl\n\nZij zullen in de begeleidende brief bij deze beschikking worden geïnformeerd over de praktische afhandeling.\n\nVoeging\n\n2.22.. \n\nHet verzoek tot voeging van de aanhaakprocedure met de beperkingsprocedure, is ingevolge artikel 642b Rv toewijsbaar. De verzoekschriften betreffen hetzelfde voorval en geen van de in het verzoekschrift vermelde belanghebbenden heeft bezwaar gemaakt tegen de verzochte voeging. Het ligt voor de hand dat vorderingen tegen de ‘aanhakende’\n\npartij door dezelfde vereffenaar worden behandeld en ten overstaan van dezelfde\n\nrechter-commissaris. Daarmee worden de vorderingen van alle schuldeisers binnen\n\nhetzelfde beperkingsfonds op efficiënte, gelijk(vormig)e en proceseconomische wijze\n\nbehandeld. Voeging van de procedures tot beperking van aansprakelijkheid ligt daarom in\n\nde rede. Geen verdragsrechtelijke of wettelijke regeling verzet zich tegen voeging van een\n\nverzoek tot ‘aanhaken’ bij een lopende procedure tot beperking van aansprakelijkheid. De\n\nrechtbank zal daarom de voeging bevelen.\n\n2.23.. Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de zaken van BAVDK en Van der Kamp\n\n3.1.. bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van BAVDK ter zake van de zaakschade in verband met het in 2.1 bedoelde voorval voorshands is beperkt op SDR 2.310.904 om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, te weten 26 juli 2025, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds;\n\n3.2.. bepaalt dat BAVDK uiterlijk op 28 mei 2026 fonds dient te stellen tot het beloop van het in 3.1 bedoelde bedrag aan hoofdsom en rente, te vermeerderen met € 8.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure, en wel door storting van dit totale bedrag in de consignatiekas op naam van de rechter-commissaris en de vereffenaar;\n\n3.3.. bepaalt dat het door BAVDK te stellen zakenfonds ter uitvoering van deze beschikking, zodra gesteld, mede wordt geacht te zijn gesteld door Van der Kamp;\n\n3.4.. stelt vast dat de eventuele aansprakelijkheid van ieder van verzoeksters tezamen voor het voorval voorshands is beperkt tot het in deze beschikking bepaalde bedrag;\n\n3.5.. bepaalt dat Van der Kamp uiterlijk op 28 mei 2026 het bedrag van € 8.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure dient te storten in de consignatiekas op naam van de rechter-commissaris en de vereffenaar;\n\n3.6.. benoemt tot vereffenaar van het fonds mr. A. van Steenderen, [adres] , [postcode] [woonplaats] , arnold.vansteenderen@mainportlawyers.com;\n\n3.7.. beveelt de voeging van de procedure die door Van der Kamp aanhangig is gemaakt onder C\u002F10\u002F714137 \u002F HA RK 26-82 met de door BAVDK ingeleide procedure tot beperking van aansprakelijkheid onder C\u002F10\u002F713749 \u002F HA RK 26-64;\n\n3.8.. wijst aan als rechter-commissaris ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds mr. D.L. Spierings;\n\n3.9.. houdt alle verdere beslissingen aan;\n\nin het 195 Rv incident\n\n3.10.. wijst het verzoek van Niedersachsen Ports op grond van artikel 195 Rv af;\n\n3.11.. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\n3597\u002F2459\n\n Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen 1976 zoals gewijzigd bij het Protocol van 1996.\n\nVerordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n Vgl Hof Den Haag 19 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:344, ro. 4.3.\n\nHvJEU, 13 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:471 en HvJEU, 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335.\n\n Stolt Commitment \u002F Thorco Cloud bij Hof Den Haag 19-02-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:346.\n\n Rechtbank Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9088.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7478","2026-07-13T00:28:33.725Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":104,"fullText":105,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":106,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":64,"updatedAt":107},"1298","ECLI:NL:RBROT:2026:2803","ecli-nl-rbrot-2026-2803","2026-03-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F696632 \u002F HA RK 25-277\n\nBeschikking van 18 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\nadvocaat: mr. M.C.V. Dornstedt,\n\ntegen\n\nSTICHTING ONDERSTEUNENDE DIENSTEN CURAMARE,\n\nte Dirksland,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: CuraMare,\n\nadvocaten: mrs. M.H.G. van de Mortel en J.S.C. Bos.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 19 maart 2025, met producties 1 tot en met 12;\n\n- de brieven van de rechtbank van 25 april 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald op 20 juni 2025;\n\n- de brief van [verzoeker] van 20 mei 2025, waarin wordt verzocht de mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden vanwege mediation;\n\n- de brief van CuraMare van 21 mei 2025, waarin wordt ingestemd met het verzoek van [verzoeker] tot aanhouding van de mondelinge behandeling;\n\n- het bericht van de rechtbank van 27 mei 2025, dat de zaak wordt aangehouden en de mondelinge behandeling van 20 juni 2025 geen doorgang vindt;\n\n- de brief van [verzoeker] van 16 juni 2025, de brief van CuraMare van 30 juni 2025, de brief van [verzoeker] van 12 september 2025, de brief van [verzoeker] van 20 november 2025, allen met het verzoek om de procedure nader aan te houden;\n\n- de brief van [verzoeker] van 28 januari 2026, met het verzoek een nieuwe mondelinge behandeling te plannen;\n\n- de brief van CuraMare van 6 februari 2026;\n\n- de brieven van de rechtbank van 11 februari 2026, waarin mondelinge behandeling is bepaald op 2 april 2026;\n\n- het bericht van CuraMare van 6 maart 2026, waarin zij, voor alle weren, de rechtbank verzoekt te verwijzen naar de sector kanton van deze rechtbank;\n\n- het bericht van de rechtbank van 10 maart 2026, waarin [verzoeker] om reactie daarop wordt gevraagd;\n\n- de twee berichten van [verzoeker] van 10 maart 2026, met reactie op het verzoek van CuraMare om te verwijzen.\n\n2. Het verzoek van [verzoeker]\n\n2.1.. verzoekt de rechtbank om, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een deskundige te benoemen en aan hem te bevelen voorlopig deskundigenonderzoek te doen over de in het verzoekschrift opgenomen onderwerpen, met bepaling dat de deskundigenkosten ten laste van CuraMare komen, kosten rechtens.\n\n2.2.. Aan het verzoek heeft [verzoeker] – kort samengevat – onder meer ten grondslag gelegd dat zij voor CuraMare werkt, maar CuraMare haar wettelijke verplichtingen uit de arbeidsomstandighedenregelgeving en uit goed werkgeverschap op grond van artikel 7:611 BW niet nakomt. Het voorlopig deskundigenonderzoek zou moeten gaan over de uitval van [verzoeker] doordat CuraMare niet een veilige werkomgeving heeft gecreëerd voor [verzoeker], aldus [verzoeker].\n\n2.3.. CuraMare heeft nog geen verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker].\n\n3. Het verwijzingsverzoek van CuraMare\n\n3.1.. CuraMare verzoekt de rechtbank om deze zaak te verwijzen naar de sector kanton van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam op grond van het bepaalde in artikel 71 lid 2 Rv. CuraMare verzoekt de rechtbank hierop te beslissen voordat de mondelinge behandeling, gepland op 2 april 2026, zal plaatsvinden ter waarborging van een efficiënt debat in rechte.\n\n3.2.. Aan dit verwijzingsverzoek legt CuraMare ten grondslag dat een verzoek tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting op grond van artikel 197 lid 1 Rv wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de bodemzaak kennis te nemen. In een zaak die door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek aan de kantonrechter gedaan. Zaken betreffende arbeidsrechtelijke geschillen behoren op grond van artikel 93 aanhef en onder c Rv tot de exclusieve bevoegdheid van de kantonrechter. Het deskundigenonderzoek dat [verzoeker] verzoekt, ziet op een arbeidsrechtelijk geschil. Het verzoek van [verzoeker] strekkende tot het bevelen van een deskundigenonderzoek moet daarom ook aan de kantonrechter worden voorgelegd.\n\n3.3.. Hoewel [verzoeker] meent dat de rechtbank ook bevoegd is kennis te nemen van haar verzoek strekkende tot het bevelen van een deskundigenonderzoek, refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Als daarbij sprake is van een kostenveroordeling, hoort deze ten laste te komen van CuraMare, gelet op de geruime tijd dat dit verzoek al bij de rechtbank voorligt en CuraMare dit formele punt eerst relatief kort voor de mondelinge behandeling van 2 april 2026 maakt. Een kostenveroordeling hoort om die reden in ieder geval niet ten laste van haarzelf te komen, aldus [verzoeker].\n\n4. De beoordeling van het verwijzingsverzoek4.1.. In verzoeken strekkende tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting is bevoegd de rechter die vermoedelijk bevoegd is kennis te nemen van het geschil in de bodemzaak. Als die zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter (artikel 197 lid 1 Rv).4.2.. De rechtbank stelt vast dat het achterliggende geschil waarover het verzochte voorlopige deskundigenbericht gaat, een arbeidsrechtelijk geschil betreft. De kantonrechter is als enige bevoegd om te oordelen in arbeidsrechtelijke geschillen (artikel 93 aanhef en onder c Rv). Daarom moet het verzoek van [verzoeker] aan de kantonrechter worden voorgelegd.\n\n4.3.. Gelet hierop moet de rechtbank het verzoek van [verzoeker] verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank (artikel 71 lid 2 Rv).\n\n4.4.. De mondelinge behandeling van 2 april 2026 bij de rechtbank vindt hierom geen doorgang.\n\n4.5.. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling (artikel 289 Rv).\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verwijst het verzoek in de stand waarin dat zich bevindt naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Rotterdam, waarna de kantonrechter zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;\n\n5.2.. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;\n\n5.3.. wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het te veel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.\n\n3718\u002F2819","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2803","2026-07-13T00:29:14.670Z",{"id":109,"ecli":110,"slug":111,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":112,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":114,"parsedAt":64,"updatedAt":115},"764","ECLI:NL:RBROT:2024:4686","ecli-nl-rbrot-2024-4686","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F657425 \u002F HA ZA 23-422\n\nHerstelvonnis in gevoegde zaken van 29 mei 2024\n\nin de zaak met zaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F657425 \u002F HA ZA 23-422 van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nROWOOD B.V.,\n\ngevestigd te Ridderkerk,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde naamloze vennootschap\n\nTIMBER AND BUILDINGS SUPPLIES HOLLAND N.V.,\n\ngevestigd te Zaandam,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in reconventie,\n\nadvocaat mr. J.P. van der Klein te Amsterdam,\n\nen in de zaak met zaaknummer \u002F rolnummer C\u002F10\u002F657427 \u002F HA ZA 23-423 van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nROWOOD B.V.,\n\ngevestigd te Ridderkerk,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHOUTHANDEL LOOIJMANS B.V.,\n\ngevestigd te Someren,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in reconventie,\n\nadvocaat mr. J.P. van der Klein te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna Rowood, TABS en Looijmans genoemd worden.\n\n1. Het verzoek tot verbetering1.1.. Bij brief van 16 april 2024 heeft Rowood de rechtbank verzocht om verbetering van het op 3 april 2024 in deze zaak gewezen vonnis, in die zin dat de proceskostenveroordelingen in het vonnis worden verbeterd op het punt van – samengevat – het griffierecht. Volgens Rowood is in haar zaken tegen TABS en Looijmans ten onrechte € 5.737,00 aan griffierecht geheven en had dit € 2.837,00 moeten zijn.\n\n1.2.. De rechtbank heeft TABS en Looijmans in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.\n\n1.3.. Uit de brief van 22 april 2024 van TABS en Looijmans volgt – samengevat – dat zij niet met alle door Rowood verzochte verbeteringen instemmen. Volgens TABS en Looijmans dient het vonnis van 3 april 2024 alleen op de volgende punten, weergegeven voor zover relevant, verbeterd te worden:\n\ni) wijziging van het griffierecht in de proceskostenveroordeling in de zaak Rowood tegen Looijmans (zaak- en rolnummer 657427\u002F23-423) van € 5.737,00 in € 2.837,00;\n\nii) wijziging van het salaris advocaat in de proceskostenveroordeling in de zaak Rowood tegen TABS (zaak- en rolnummer 657425\u002F23-422) op het punt van het toegepaste liquidatietarief, in die zin dat in plaats van liquidatietarief IV liquidatietarief V wordt toegepast. Volgens TABS is het hier door de rechtbank geheven griffierecht van € 5.737,00 wel juist.\n\nHet voorgaande leidt volgens TABS en Looijmans tot een proceskostenveroordeling van Rowood jegens TABS van € 9.877,44 en van Rowood jegens Looijmans van € 5.547,44.\n\n1.4.. De rechtbank heeft Rowood vervolgens in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren.\n\n1.5.. Bij brief van 26 april 2024 is namens Rowood ingestemd met de hiervoor in 1.3 door TABS en Looijmans verzochte verbeteringen van het vonnis van 3 april 2024. Zij heeft erkend dat het door de rechtbank geheven griffierecht van € 5.737,00 in haar zaak tegen Looijmans (wel) juist is.\n\n2. De beoordeling2.1.. De rechtbank stelt vast dat in het vonnis van 3 april 2024 bij de begroting van de proceskosten helaas een aantal fouten zijn geslopen. Deze fouten lenen zich voor eenvoudig herstel (ex art. 31 Rv) en de rechtbank zal het verzoek van partijen dan ook als volgt toewijzen.\n\nRowood \u002F TABS2.2.. Het verzoek van Rowood om verbetering (verlaging) van het geheven griffierecht in haar zaak tegen TABS, is gebaseerd op een kennelijke verschrijving in het vonnis van de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten onder r.o. 4.1 onder B. Daar staat een bedrag van € 4.771,96, terwijl dit € 14.771,96 had moeten zijn. Op grond van deze schrijffout heeft Rowood haar verzoek tot wijziging (verlaging) van het geheven griffierecht gebaseerd. Nu zij in haar brief van 26 april 2024 erkent dat het geheven griffierecht van (wel) € 5.737,00 juist is, ziet de rechtbank hierin aanleiding de schrijffout in r.o. 4.1 onder B te corrigeren en om daar het juiste bedrag van € 14.771,96 op te nemen. Zoals TABS en Looijmans terecht opmerken is in deze zaak evenwel ten onrechte uitgegaan van liquidatietarief IV. Dat had inderdaad tarief V moeten zijn. Dat leidt in deze zaak tot een salaris voor de advocaat van € 3.858,00. Partijen zijn het daarmee (ook) eens. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling hier uitkomt op € 9.877,44 in plaats van het onder 5.22 opgenomen bedrag van € 8.447,44, terwijl in het dictum onder 6.2 bovendien ten onrechte € 8.4474,44 staat vermeld. Het voorgaande leidt dan ook tot aanpassing van r.o. 4.1 onder B, r.o. 5.22 en onder 6.2.\n\nRowood \u002F Looijmans2.3.. In de zaak van Rowood tegen Looijmans is (wel) ten onrechte een bedrag van € 5.737,00 aan griffierecht geheven. Dit had in die zaak € 2.837,00 moeten zijn. Dit zal dan ook worden hersteld. Partijen zijn het hiermee ook eens. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling hier uitkomt op € 5.547,44. Dit leidt tot aanpassing van r.o. 5.22 en onder 7.2, waar ook hier ten onrechte € 8.4474,44 staat vermeld.\n\n2.4.. Rechtsoverweging 5.22 wordt gewijzigd in de volgende rechtsoverweging:\n\n“Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rowood worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van TABS en Looijmans in conventie en in reconventie. De proceskosten in conventie van TABS en Looijmans worden tot aan deze uitspraak begroot op:\n\nin zaak 23-422\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 5.737,00\n\nsalaris advocaat € 3.858,00 (twee punten in liquidatietarief V)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 9.877,44.\n\nin zaak 23-423\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 2.837,00\n\nsalaris advocaat € 2.428,00 (twee punten in liquidatietarief IV)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.547,44.”\n\n2.5.. In 6.2 van het dictum in zaak Rowood tegen TABS (zaak- en rolnummer 657425 \u002F 23-422) wordt het bedrag € 8.4474,44 gewijzigd in € 9.877,44.\n\n2.6.. In 7.2 van het dictum in zaak Rowood tegen Looijmans (zaak- en rolnummer 657427 \u002F 23-423) wordt het bedrag € 8.4474,44 gewijzigd in € 5.547,44.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. bepaalt dat onder 4.1 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 4.771,96”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 14.771,96”,\n\n3.2.. bepaalt dat onder 5.22 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis als volgt komt te luiden:\n\n“Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rowood worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van TABS en Looijmans in conventie en in reconventie. De proceskosten in conventie van TABS en Looijmans worden tot aan deze uitspraak begroot op:\n\nin zaak 23-422\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 5.737,00\n\nsalaris advocaat € 3.858,00 (twee punten in liquidatietarief V)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 9.877,44.\n\nin zaak 23-423\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 2.837,00\n\nsalaris advocaat € 2.428,00 (twee punten in liquidatietarief IV)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.547,44”.\n\n3.3.. bepaalt dat onder 6.2 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 8.4474,44”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 9.877,44”,\n\n3.4.. bepaalt dat nr. 7.2 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 8.4474,44”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 5.547,44”,\n\n3.5.. bepaalt dat deze verbeteringen onder de vermelding van de datum 29 mei 2024 worden vermeld op de minuut van het vonnis van 3 april 2024,\n\n3.6.. gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 3 april 2024 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2024.\n\n901\u002F3455","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4686","2024-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.038Z",20]