[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-commercial-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":99},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},59,"commercial-law-nl","Commercial Law","NL","2026-07-08T16:54:05.553Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2024-05-29T00:00:00.000Z","2026-06-26T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122496","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 31",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122586","Burgerlijk Wetboek","art. 3:61 lid 2",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"123370","art. 140",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"121896","art. 6:44",{"provisionId":37,"code":28,"article":38,"count":25},"121897","art. 6:91",{"provisionId":40,"code":28,"article":41,"count":25},"121898","art. 6:92 lid 1",{"provisionId":43,"code":28,"article":44,"count":25},"121899","art. 6:92 lid 2",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"121900","art. 242",{"provisionId":49,"code":28,"article":50,"count":25},"121901","art. 3:303",{"provisionId":52,"code":28,"article":53,"count":25},"121902","art. 7:401",[55,65,74,83,91],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"819","ECLI:NL:RBROT:2026:7461","ecli-nl-rbrot-2026-7461","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11426273 CV EXPL 24-29911\n\ndatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. G.H. Kroon,\n\ntegen\n\n [bedrijf 2] B.V., tevens handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nvestigingsplaats: [plaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\nvoormalig gemachtigde: mr. I. Rhodes.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 7 november 2024, met bijlagen 1 t\u002Fm 9;\n\nhet antwoord;\n\nde brief van 18 februari 2026 van mr. Rhodes, waarbij hij zich als gemachtigde van [gedaagde] onttrekt;\n\nde brief van 15 mei 2026 met bijlage 10 van de kant van [eiseres] .\n\n1.2.. Op 28 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] (directeur van [eiseres] ) en mr. Kroon aanwezig. Ook [gedaagde] was voor de zitting uitgenodigd, maar van haar kant is niemand verschenen zonder enig bericht.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiseres] eist € 12.500,00 van [gedaagde] . [eiseres] baseert die eis op een contract dat zij heeft gesloten op 19 januari 2024. Volgens [eiseres] is [gedaagde] gebonden aan het in dat contract opgenomen relatiebeding en dient zij op grond daarvan te worden veroordeeld tot betaling van een boete en bijkomende kosten. [gedaagde] betwist dat. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de eis af.\n\n [gedaagde] is niet gebonden aan het contract van [eiseres]\n\n2.2.. \n [eiseres] kan [gedaagde] niet aanspreken op basis van het contract. In de weg staat dat het contract niet door [gedaagde] is gesloten en, voor zover het contract zou zijn gesloten in naam van [gedaagde] , er geen sprake is van de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\n2.3.. Het contract waar [eiseres] de eis op baseert, is volgens de tekst die in de kop van het contract staat, gesloten met:\n\n“ [opdrachtnemer] , kantoorhoudende te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de\n\n [adres] ,dezen handelend onder de naam [handelsnaam]\n\ningeschreven in het handelsregister onder nummer KVK : [kvk-nummer] hierna te noemen ‘opdrachtnemer’.”\n\nHet KvK-nummer is van [gedaagde] , maar de handelsnaam is onjuist. De geregistreerde handelsnaam van [gedaagde] is ‘ [bedrijf 2] ’. Ook het adres dat wordt genoemd, is niet het adres van [gedaagde] dat in het handelsregister staat geregistreerd. Uit het handelsregister blijkt evenmin dat [opdrachtnemer] bevoegd was [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe bepalingen van het contract duiden er daarnaast op dat [opdrachtnemer] werkzaam is als zelfstandige op het gebied van beveiliging en dat [eiseres] hem inhuurt om als zelfstandige beveiligingswerkzaamheden te doen. De directeur van [eiseres] heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat hij [opdrachtnemer] als zelfstandige wilde inhuren. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij [opdrachtnemer] heeft willen inhuren als zelfstandige onder zijn bedrijfsnaam – daarmee kennelijk doelend op “ [handelsnaam] ” – maar die bedrijfsnaam is niet dezelfde als de handelsnaam van [gedaagde] . De kantonrechter houdt het er daarom voor dat het contract is gesloten door [opdrachtnemer] en niet door [gedaagde] .\n\n2.4.. Voor zover aan het voorgaande voorbij zou moeten worden gegaan en het ervoor zou moeten worden gehouden dat het contract in naam van [gedaagde] is gesloten door [opdrachtnemer] , is [gedaagde] niet gebonden aan het contract. Er is namelijk geen sprake van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW). Enig handelen van [gedaagde] als pseudo-volmachtgever op basis waarvan [eiseres] erop heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen, ontbreekt namelijk. [eiseres] stelt weliswaar terecht dat ook in een niet-doen van de pseudo-volmachtgever een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid besloten kan liggen, maar in dit geval is dat niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat [gedaagde] ervan op de hoogte was, laat staan dat zij ermee instemde, dat [opdrachtnemer] een contract met [eiseres] sloot in haar naam. [eiseres] heeft het in de dagvaarding wel over mailberichten van [eiseres] aan [gedaagde] waarop [gedaagde] geen rectificatie of reactie heeft gestuurd, maar die mails zitten niet in het dossier en ook heeft [eiseres] niet uitgelegd wat voor mails het betreft. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om die mails in de procedure te overleggen, maar dat is niet gebeurd. Dat [opdrachtnemer] een mailadres van [gedaagde] heeft gebruikt om een mail te sturen naar een opdrachtgever van [eiseres] is ook onvoldoende voor het aannemen van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Niet alleen betreft het slechts een handelen van de pseudo-gevolmachtigde zelf en niet van de pseudo-volmachtgever, ook betreft het geen mail aan [eiseres] . Dat [opdrachtnemer] het mailadres heeft gebruikt, laat zich mogelijk verklaren door de stelling van [eiseres] dat [opdrachtnemer] een relatie heeft (gehad) met de eigenaar van [gedaagde] , maar ook dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [eiseres] er op heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe eisen worden afgewezen\n\n2.5.. De gevorderde contractuele boete is niet toewijsbaar, omdat [eiseres] [gedaagde] niet kan aanspreken op basis van het contract. De daarbij gevorderde rente en incassokosten zijn daarom ook niet toewijsbaar.\n\n [eiseres] moet de proceskosten betalen\n\n2.6.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 432,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 432,00), omdat de voormalige gemachtigde van [gedaagde] het antwoord heeft ingediend voordat die zich heeft onttrokken. Bij deze kosten kan nog een bedrag komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de eis af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 432,00;\n\n3.3.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7461","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:49.636Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":63,"updatedAt":73},"1216","ECLI:NL:RBROT:2026:6834","ecli-nl-rbrot-2026-6834","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F707012 \u002F HA ZA 25-825\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonend in [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nadvocaat: mr. C. Havelaar-Langereis,\n\ntegen\n\n1. DWW HOLDING B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. J.A.Th. van den Berg,\n\n2. [gedaagde sub 2],\n\nwonend in [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. J.A.Th. van den Berg,\n\n3. [gedaagde sub 3],\n\nwonend in [woonplaats 3] , [land] ,\n\ngedaagde,\n\nniet verschenen.\n\nPartijen worden hierna [eiser] en DWW c.s. genoemd. DWW c.s. worden afzonderlijk DWW, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] heeft werkzaamheden verricht in opdracht van De Woningwachter. Een deel van zijn facturen is onbetaald gebleven. De Woningwachter is in staat van faillissement verklaard en biedt geen verhaal voor de vordering van [eiser] .\n\n1.2.. In deze procedure spreekt [eiser] de (middellijk) bestuurders van De Woningwachter aan op grond van schending van de Beklamel-norm. De hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijk is in dit geval niet behaald. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. Dat geldt zowel voor de verschenen bestuurders (DWW en [gedaagde sub 2] ) als voor de niet verschenen bestuurder ( [gedaagde sub 3] ).\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaardingen van 4, 7 en 14 augustus 2025, met producties 1 tot en met 7;\n\nde conclusie van antwoord van DWW en [gedaagde sub 2] , met producties 1 en 2;\n\nde brief van 16 december 2025 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;\n\nhet bericht van 16 maart 2026 van de rechtbank, met een zittingsagenda waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;\n\nde akte overlegging aanvullende productie 8 van [eiser] ;\n\nde mondelinge behandeling van 24 april 2026 en de door [eiser] overgelegde spreekaantekeningen.\n\n2.2.. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er vonnis wordt gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] is ondernemer. Hij heeft, handelend onder de naam [naam bedrijf] , van november 2019 tot maart 2020 aannemingswerkzaamheden verricht in opdracht van Projectmanagement & Adviesbureau Langer Zelfstandig Thuiswonen Rotterdam B.V. (voorheen genaamd De Woningwachter Ledenservices B.V. en hierna te noemen: De Woningwachter).\n\n3.2.. DWW is bestuurder van De Woningwachter. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn (via hun houdstervennootschappen) bestuurders van DWW.\n\n3.3.. De facturen van [eiser] zijn voor een deel onbetaald gebleven.\n\n3.4.. Op 7 april 2020 is De Woningwachter in staat van faillissement verklaard. [eiser] heeft een vordering ingediend in het faillissement. De curator heeft deze vordering voor een totaalbedrag van € 27.439,52 op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen geplaatst.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert (samengevat) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, DWW c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:\n\n€ 27.439,52, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;\n\n€ 1.049,39 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nde proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de nakosten.\n\n4.2.. DWW en [gedaagde sub 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.\n\n4.3.. De relevante stellingen van partijen worden hierna verder besproken.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Voor aansprakelijkheid van bestuurders van een vennootschap geldt een hoge drempel. Die drempel is in dit geval niet behaald. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen, zowel tegen de verschenen gedaagden (DWW en [gedaagde sub 2] ) als tegen de niet verschenen gedaagde ( [gedaagde sub 3] ). De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.\n\nDe vorderingen tegen DWW en [gedaagde sub 2]\n\nHet verjaringsverweer slaagt niet\n\n5.2.. DWW en [gedaagde sub 2] doen een beroep op verjaring. Als dat beroep slaagt, stranden de vorderingen van [eiser] tegen DWW en [gedaagde sub 2] daar op. De rechtbank behandelt dit verweer daarom als eerste.\n\n5.3.. DWW en [gedaagde sub 2] voeren aan dat zij op 6 maart 2025 voor het eerst aansprakelijk zijn gesteld door [eiser] . Omdat op dat moment al meer dan vijf jaar was verstreken na het aangaan van de overeenkomsten tussen [eiser] en De Woningwachter, is volgens DWW en [gedaagde sub 2] een eventuele vordering van [eiser] op hen verjaard.\n\n5.4.. De rechtbank licht hierna toe waarom het verjaringsverweer niet slaagt.\n\n5.5.. Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.\n\n5.6.. Anders van DWW en [gedaagde sub 2] betogen, is de verjaringstermijn niet gaan lopen op het moment dat de overeenkomsten tussen [eiser] en De Woningwachter werden gesloten. Op dat moment wist [eiser] immers nog niet dat De Woningwachter zijn facturen onbetaald zou laten en dat hij daarvoor de bestuurders van De Woningwachter zou (kunnen of moeten) aanspreken.\n\n5.7.. De rechtbank gaat ervan uit dat de verjaringstermijn in dit geval is gaan lopen op 20 maart 2020. Op die dag heeft [eiser] De Woningwachter, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in een deurwaardersexploot gesommeerd om de openstaande facturen te betalen. Daaruit volgt dat hij op dat moment bekend was met de schade en met de (door hem gestelde) aansprakelijkheid van de bestuurders van De Woningwachter voor die schade. Dat hij daarmee al eerder bekend was, is niet door DWW en [gedaagde sub 2] gesteld en ook niet gebleken.\n\n5.8.. Dat het exploot van 20 maart 2020 niet ook gericht is aan DWW, is niet relevant. [eiser] was op 20 maart 2020 bekend met de (mogelijke) aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als indirect bestuurders van De Woningwachter en kan daarom op dat moment ook bekend worden geacht met de (mogelijke) aansprakelijkheid van DWW als direct bestuurder.\n\n5.9.. De vanaf 20 maart 2020 lopende verjaringstermijn van vijf jaar is op 6 maart 2025 (en dus tijdig) gestuit door de aansprakelijkstellingen van DWW en [gedaagde sub 2] van die datum. DWW en [gedaagde sub 2] komt daarom geen beroep op verjaring toe.\n\nDe Beklamel-norm is niet geschonden\n\n5.10.. Partijen hebben op de zitting toegelicht dat het faillissement van De Woningwachter zal worden opgeheven wegens een gebrek aan baten. Dat betekent dat de vordering van [eiser] op De Woningwachter onbetaald blijft.\n\n5.11.. Uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook aanleiding bestaan voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Voor het aannemen van deze aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen gelden dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Het is daarbij aan de benadeelde crediteur om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de betreffende bestuurder persoonlijk ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld.\n\n5.12.. Van een persoonlijk ernstig verwijt is in beginsel sprake indien, voor zover in deze zaak relevant, de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als hij tegen beter weten in verbintenissen aangaat namens de vennootschap.\n\n5.13.. Volgens [eiser] kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt aan de bestuurders van De Woningwachter, omdat zij in de gegeven omstandigheden geen verplichtingen tegenover hem hadden mogen aangaan. [eiser] voert daartoe het volgende aan.\n\n5.13.1.. Het is tweemaal mislukt om externe financiering voor De Woningwachter te verkrijgen. Begin 2019 werd een grote investering gedaan in softwareontwikkeling, vooruitlopend op een verwachte investering van een derde partij. Deze investeerder trok zich in april 2019 echter terug. Het bestuur probeerde vervolgens zonder succes een nieuwe financier aan te trekken. Eind 2019 werd exclusiviteit overeengekomen met een tweede investeerder, maar die trok zich in maart 2020 ook terug.\n\n5.13.2.. Het bestuur bleef desondanks verplichtingen aangaan. Na het afhaken van de eerste investeerder in april 2019 had het bestuur zich moeten realiseren dat de financiële positie van De Woningwachter precair was. Het voortzetten van de bedrijfsvoering en het aangaan van nieuwe verplichtingen zonder zekere dekking, terwijl de vennootschap afhankelijk was van een tweede investeerder, bracht een verhoogde zorgplicht mee. Deze tweede investeerder was immers nog niet gecommitteerd en het risico op opnieuw afhaken was reëel. Het bestuur had in deze omstandigheden geen nieuwe verplichtingen mogen aangaan zonder voorafgaande zekerheidstelling van financiering. Dat geldt temeer als, zoals hier vanaf eind 2019 aan de orde was, vertraagd en ad hoc-betalingsgedrag ontstaat. Daarnaast had het bestuur [eiser] moeten informeren over de afhankelijkheid van externe financiering en hadden de bedrijfsactiviteiten moeten worden beperkt tot wat financieel verantwoord was. Door dit na te laten hebben DWW en [gedaagde sub 2] willens en wetens het risico genomen dat schuldeisers onbetaald zouden blijven, aldus [eiser] .\n\n5.14.. DWW en [gedaagde sub 2] betwisten dat zij persoonlijk ernstig verwijtbaar hebben gehandeld. Zij voeren daartoe aan dat de problemen pas ontstonden toen op 13 maart 2020 de beoogde investeerder afhaakte. Eerder wisten zij niet en behoorden zij ook niet te weten dat De Woningwachter niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. De verplichtingen tegenover [eiser] zijn daarom verantwoord aangegaan, aldus DWW en [gedaagde sub 2] .\n\n5.15.. Uit de door [eiser] overgelegde debiteurenkaart blijkt dat zijn vordering is gebaseerd op onbetaald gebleven facturen die zijn gedateerd op 25 januari 2020, 1 februari 2020, 3 februari 2020, 4 februari 2020, 8 februari 2020, 11 februari 2020, 12 februari 2020, 16 februari 2020 en 29 februari 2020. De offertes die aan deze facturen ten grondslag liggen zijn uitgebracht in de periode tussen 2 januari 2020 en 11 februari 2020.\n\n5.16.. In deze procedure is relevant op welk moment DWW en [gedaagde sub 2] wisten of behoorden te begrijpen dat De Woningwachter haar verplichtingen niet meer kon nakomen. [eiser] heeft dat in de dagvaarding niet concreet onderbouwd. Op de zitting heeft hij desgevraagd toegelicht dat het peilmoment eind januari\u002Fbegin februari 2020 was.\n\n5.17.. Uit de debiteurenkaart kan niet worden afgeleid dat eind januari\u002Fbegin februari 2020 geen nieuwe verplichtingen namens De Woningwachter meer mochten worden aangegaan. Op 7 februari 2020 was de situatie bijvoorbeeld zo, dat twee facturen van [eiser] , die als vervaldatum 2 februari 2020 hadden, niet volledig waren betaald (er stonden bedragen van € 496,49 en € 1.143,35 open, die op 8 maart 2020 alsnog zijn voldaan). Een dag later, op 8 februari 2020, kwam daar een vervallen bedrag van € 1.820,00 bij. Dat is ook het eerste bedrag dat onbetaald is gebleven. Vervolgens zijn er, los van de hiervoor vermelde betalingen op 8 maart 2020, op 9 en 14 februari 2020 nog twee betalingen van € 4.000,00 gedaan, die in mindering strekten op facturen die vervielen op 14 en 17 februari 2020. Pas half\u002Feind februari 2020 liep de betalingsachterstand verder op. De opdrachten aan [eiser] waren op dat moment al (grotendeels) verstrekt. Op de zitting heeft [eiser] bevestigd dat hij de laatste opdracht medio of in de loop van februari 2020 kreeg.\n\n5.18.. Het enkele feit dat, toen nog opdrachten aan [eiser] werden verstrekt, niet al zijn facturen volledig waren voldaan binnen de vervaltermijn, rechtvaardigt geen aansprakelijkheid van DWW en [gedaagde sub 2] op grond van de Beklamel-norm. Dat geldt ook voor de door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat eerder, in november 2019, al twee facturen te laat en in termijnen zijn voldaan. Daarmee is nog niet gezegd dat, toen De Woningwachter de onbetaald gebleven opdrachten aan [eiser] verstrekte, zij haar daaruit voortvloeiende verplichtingen niet meer kon nakomen en DWW en [gedaagde sub 2] dat wisten of behoorden te begrijpen.\n\n5.19.. Dat De Woningwachter al sinds begin 2019 op zoek was naar externe financiering, maakt het voorgaande niet anders. Het afhaken van een eerste investeerder in april 2019 is zonder nadere toelichting die ontbreekt niet relevant in het kader van de vraag of De Woningwachter eind januari\u002Fbegin februari 2020 nog opdrachten mocht verstrekken aan [eiser] .\n\n5.20.. Dat De Woningwachter begin 2020 opnieuw bezig was met het verkrijgen van externe financiering, betekent ook niet dat zij op dat moment geen nieuwe verplichtingen mocht aangaan. De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat DWW en [gedaagde sub 2] [eiser] (nader) hadden moeten informeren over de financiële stand van zaken bij De Woningwachter. Uit de door DWW en [gedaagde sub 2] overgelegde term sheetvan 15 januari 2020, waarin de voorwaarden van de voorgenomen investering zijn samengevat, blijkt dat deze investering een serieuze optie leek. Dat het aan de bestuurders van De Woningwachter zou zijn te wijten dat de investering niet is doorgegaan, is niet gesteld en ook niet gebleken. In de e-mail van de beoogde investeerder aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] van 13 maart 2020 staat het volgende:\n\n“Hierbij bevestig ik dat ik afzie van de investering van mij in jullie bedrijf.\n\nIk verwacht dat het bedrag waarmee ik in zou stappen onvoldoende is om het bedrijf op het level te krijgen waar ik deze zou willen krijgen met jullie\n\nDaarnaast verwacht ik dat de economische omstandigheden ivm Corona flink onzeker zullen zijn, misschien wel bovengemiddeld in jullie doelgroep”\n\n5.21.. \n [eiser] heeft verder nog aangevoerd dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in een gerelateerd faillissement (van DWW Wonen Nederland B.V.) door de curator zijn aangesproken in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurders, waarna een minnelijke regeling is getroffen. Voor de onderhavige procedure is dat echter niet relevant. Dat geldt ook voor de door [eiser] ingenomen (en door DWW en [gedaagde sub 2] betwiste) stelling dat de curator in het faillissement van De Woningwachter van oordeel was dat sprake was van onbehoorlijk bestuur, maar het niet in het belang van de boedel achtte om vervolgstappen te ondernemen. Deze stellingen kunnen geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of DWW en [gedaagde sub 2] in hun hoedanigheid van (indirect) bestuurder aansprakelijk zijn tegenover een schuldeiser van De Woningwachter wegens schending van de Beklamel-norm.\n\n5.22.. Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat het faillissement van De Woningwachter nare gevolgen voor hem en zijn gezin heeft gehad. De rechtbank begrijpt heel goed dat het vervelend is dat [eiser] door het faillissement van De Woningwachter achterblijft met een onbetaalde vordering. Dat kan er echter niet aan afdoen dat de drempel voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap hoog is en dat die in dit geval niet is behaald.\n\nProceskosten\n\n5.23.. \n [eiser] krijgt geen gelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DWW en [gedaagde sub 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.995,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.672,00\n\n(2 punten × € 836,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.856,00\n\n5.24.. DWW en [gedaagde sub 2] maken aanspraak op de wettelijke rente over (alleen) de nakosten. Deze wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde sub 3]\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.25.. \n [gedaagde sub 3] woont in België. Daarom moet ambtshalve worden beoordeeld of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] en zo ja, welk recht toepasselijk is.\n\n5.26.. De internationale bevoegdheid van de rechtbank moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening, die zowel materieel, formeel als temporeel van toepassing is. Tussen de vorderingen tegen iedere gedaagde bestaat een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Gelet daarop kunnen DWW en [gedaagde sub 2] de rol van ankergedaagden vervullen en is deze rechtbank op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I bis-Verordening ook bevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] .\n\n5.27.. De vraag welk recht van toepassing is moet worden beantwoord aan de hand van de Rome II-Verordening, die materieel, formeel en temporeel van toepassing is. Omdat de gevorderde schade zich voordoet in Nederland, is op grond van artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening Nederlands recht van toepassing.\n\nVerstek\n\n5.28.. \n [gedaagde sub 3] is niet in de procedure verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Omdat door [eiser] , DWW en [gedaagde sub 2] verder is geprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen alle partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.\n\n5.29.. In een geval waarin de rechtsbetrekking tussen partijen niet noopt tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing, strekt een door de verschenen gedaagden gevoerd en door de rechter aanvaard verweer niet mede ten gunste van de andere, niet verschenen gedaagde(n). Die situatie is hier aan de orde. Er is geen sprake van een ondeelbare rechtsverhouding. Op grond van artikel 139 Rv moet de rechtbank de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] daarom in beginsel toewijzen, tenzij deze de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen.\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde sub 3] komen ongegrond voor\n\n5.30.. De rechtbank is ook ten aanzien van [gedaagde sub 3] van oordeel dat de vordering onvoldoende onderbouwd is. In de dagvaarding is niet geconcretiseerd wanneer [gedaagde sub 3] wist of behoorde te begrijpen dat De Woningwachter haar verplichtingen niet meer kon nakomen en dus geen nieuwe verplichtingen meer mocht aangaan namens De Woningwachter. Daarmee is onvoldoende onderbouwd gesteld dat [gedaagde sub 3] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt ook als tegen de betreffende bestuurder verstek is verleend. Ook voor zover het de positie van [gedaagde sub 3] betreft is die drempel in dit geval niet behaald.\n\nProceskosten\n\n5.31.. \n [eiser] moet als de partij die geen gelijk krijgt ook in de zaak tegen [gedaagde sub 3] de proceskosten betalen. Omdat [gedaagde sub 3] niet in de procedure is verschenen en dus geen proceskosten heeft gemaakt, kan een veroordeling in dit kader achterwege blijven.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van DWW en [gedaagde sub 2] van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B.J.M.P. Cremers en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 1977\u002F1918\n\n Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012\n\n Verordening (EG) nr. 864\u002F2007\n\n Hoge Raad 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6834","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:10.488Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":63,"updatedAt":82},"420","ECLI:NL:RBROT:2026:7375","ecli-nl-rbrot-2026-7375","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F718652 \u002F KG ZA 26-394\n\nVonnis in kort geding van 5 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nPETIT PAIN B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaat: mr. Q.E.R. van 't Schip,\n\ntegen\n\nPUB CREATIONS B.V.,\n\ngevestigd in Berkel en Rodenrijs,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. M.J. Goedhart.\n\nPartijen worden hierna Petit Pain en Pub Creations genoemd.\n\nDe zaak in het kort\n\nPub Creations is begin dit jaar gestart met de realisatie van een nieuwe bedrijfslocatie voor Petit Pain. De afspraken tussen partijen zijn vastgelegd in een door Pub Creations opgestelde offerte, die door beide partijen is ondertekend. In de offerte staat dat een onderdeel van het werk de montage van koel- en vriescellen betreft, die door een externe partij op maat worden gemaakt en geleverd. Pub Creations heeft haar werkzaamheden opgeschort, onder andere omdat Petit Pain facturen onbetaald had gelaten. Vanwege een verschil van inzicht over de voorfinanciering van de koel- en vriescellen hebben partijen besloten om dit onderdeel uit de overeenkomst te halen. Pub Creations heeft het werk daarna niet hervat, omdat zij vond dat daarover, in het bijzonder de financiële aspecten, nadere afspraken moesten worden gemaakt. Petit Pain vordert in dit kort geding nakoming door Pub Creations van de overeenkomst zoals vastgelegd in de offerte.\n\nDe voorzieningenrechter wijst de vordering in dit vonnis af.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 13 mei 2026, met producties 1 tot en met 12,\n\nde producties 1 tot en met 6 van Pub Creations,\n\nde conclusie van antwoord van Pub Creations,\n\nde aanvullende producties 13 tot en met 16 van Petit Pain\n\nde pleitnota van mr. van ‘t Schip.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 22 mei 2026.\n\n1.3.. Petit Pain heeft bezwaar gemaakt tegen de conclusie van antwoord, omdat deze binnen een termijn van 48 voor de mondelinge behandeling is ingediend. De voorzieningenrechter heeft dit bezwaar ter zitting verworpen, omdat Petit Pain door het moment van indiening niet in haar processuele belangen is geschaad.\n\n1.4.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Petit Pain vier aanvullende producties overgelegd. Pub Creations heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Omdat de producties weinig nieuwe informatie bevatten en Pub Creations gedurende de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid heeft gekregen om daarop te reageren, heeft de voorzieningenrechter de producties bij de beoordeling van de vordering van Petit Pain betrokken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Petit Pain exploiteert een cateringbedrijf. Sinds december 2025 huurt zij van Petit Pain Holding B.V. een pand aan de [adres] in Rotterdam (hierna: het pand).\n\n2.2.. \n\nEind december 2025 vraagt Petit Pain aan aannemingsbedrijf Pub Creations om een offerte uit te brengen voor het realiseren van een nieuwe bedrijfslocatie in het pand. Op 31 december 2025 brengt Pub Creations een definitieve offerte uit. De (indirect) bestuurders van Petit Pain en Pub Creations ondertekenen die offerte op 2 januari 2026.\n\nIn de offerte staat dat de aanneemsom € 785.000,00 (exclusief btw) bedraagt. Daarvan ziet € 279.529,75 op de montage van koel- en vriescellen, die door World Cooling B.V. (hierna: World Cooling) op maat worden gemaakt en geleverd. Verder staat in de offerte dat Pub Creations op 30 december 2025 voor het projectmanagement al € 47.100,00 aan Petit Pain heeft gefactureerd. Petit Pain heeft die factuur aan het eind van 2025 voldaan.\n\n2.3.. Begin februari 2026 start Pub Creations met de werkzaamheden. Bij e-mail van 9 februari 2026 verzoekt Petit Pain Pub Creations om een week-tot-weekplanning toe te sturen. Ook vraagt zij aan Pub Creations wanneer de panelen van de koel- en vriescellen worden geleverd. Vervolgens vindt overleg plaats tussen partijen, waarbij zij bespreken dat World Cooling een aanbetaling verlangt voor de koel- en vriescellen.\n\n2.4.. Bij e-mail van 10 februari 2026 schrijft Pub Creations aan Petit Pain:\n\n“(…) Naar aanleiding van onze gesprekken over de aanbetaling willen wij graag het volgende voorstel helder op papier zetten.\n\nZoals ik eerder heb aangegeven, is het voor ons helaas niet mogelijk om de koel- en vriescellen te bestellen zonder aanbetaling. Voor de overige onderdelen van de order heb ik aangegeven dat betaling kan plaatsvinden op het moment dat de goederen zijn geleverd op het project of wanneer de dienst is uitgevoerd. Voor de koel- en vriescellen is dit echter niet mogelijk.\n\nNu de order definitief is, stellen wij daarom voor om dit onderdeel los te koppelen van de bouw.\n\nIk heb hierover contact gehad met de Rabobank met betrekking tot een bankgarantie op uw betaling dit is helaas niet mogelijk. Daarbij werd aangegeven dat een verzekering een goed alternatief is en aanzienlijk sneller gerealiseerd kan worden. Ook heb ik hierover gesproken met Allianz; zij geven aan dat een verzekering doorgaans binnen circa één week kan worden ingericht.\n\nConcreet betekent dit:\n\nDe bouw, installatie en afbouwblijven via ons lopen zoals afgesproken.\n\nDe koel- en vriescellenwordenapart gefactureerd, rechtstreeks doorWorld Coolingvoor hun deel van het project.\n\nZodra de verzekering bij Allianz is afgesloten, vallen zowel Pub Creations B.V. als World Cooling binnen deze verzekeringsstructuur. Hiermee heeft u de zekerheid dat het financiële risico rondom de betaling en levering van de koel- en vriescellen is afgedekt. (…)”\n\n2.5.. Bij e-mail van 13 februari 2026 zendt Pub Creations een balkenplanning aan Petit Pain. Daarin wordt 27 april 2026 als streefdatum voor de oplevering genoemd.\n\n2.6.. Bij e-mail van 23 februari 2026 laat Pub Creations aan Petit Pain weten dat Petit Pain vier facturen onbetaald heeft gelaten en dat Pub Creations vreest dat Petit Pain ook toekomstige betalingsverplichtingen niet nakomt. Pub Creations schort de uitvoering van de werkzaamheden daarom op, totdat Petit Pain de facturen voldoet.\n\n2.7.. Bij brief van 6 maart 2026 verzoekt Petit Pain Pub Creations om de werkzaamheden te hervatten. Volgens Petit Pain heeft Pub Creations de werkzaamheden ten onrechte opgeschort, omdat de betaaltermijn van de facturen op 23 februari 2026 nog niet was verstreken. Daarnaast stelt Petit Pain dat partijen zijn overeengekomen dat Petit Pain geen aanbetalingen doet en dat dit ook geldt voor de koel- en vriescellen. Volgens Petit Pain moet Pub Creations zelf in de voorfinanciering van de koel- en vriescellen voorzien.\n\n2.8.. Bij brief van 11 maart 2026 weerspreekt Pub Creations dat zij met Petit Pain heeft afgesproken dat zij de koel- en vriescellen voorfinanciert.\n\n2.9.. Bij brief van 16 maart 2026 verzoekt Petit Pain Pub Creations opnieuw om de werkzaamheden te hervatten. Daarnaast laat zij weten dat zij zich genoodzaakt ziet om de levering van de koel- en vriescellen uit de overeenkomst te halen en deze direct bij World Cooling te bestellen. Petit Pain verzoekt Pub Creations om te bevestigen dat de koel- en vriescellen uit de overeenkomst worden gehaald.\n\n2.10.. Bij brief van 18 maart 2026 stemt Pub Creations ermee in dat de koel- en vriescellen uit de overeenkomst worden gehaald. Pub Creations schrijft dat dit ook gevolgen heeft voor de werkzaamheden die functioneel en technisch afhankelijk zijn van de levering en montage van de koel- en vriescellen. Daarbij gaat het onder meer om werkzaamheden die zien op het storten van de betonvloer in de vriescel, de verlichting, de palletstellingen, de oprit voor de vriescel, de stalen hoekprofielen, de rekstellingen van de koelcel, de epoxyvloer, de schuine plinten, de snelroldeur en trekschakelaar, een brandwerend raam en een handwasbak met spiegel. Pub Creations stelt voor om ook deze werkzaamheden uit de overeenkomst te halen en afspraken te maken over de (resterende) werkzaamheden en de betaling.\n\n2.11.. Bij brief van 20 maart 2026 laat Petit Pain aan Pub Creations weten dat zij de openstaande facturen zal betalen. Daarnaast verzoekt zij Pub Creations om de werkzaamheden te hervatten en stelt zij dat € 326.629,75 exclusief btw op de aanneemsom in mindering dient te worden gebracht. Volgens Petit Pain heeft zij van dit bedrag in december 2025 al € 47.100,00 aan Pub Creations betaald. Petit Pain schrijft verder dat bij het uitblijven van een bevestiging de overeenkomst ongewijzigd blijft.\n\n2.12.. Bij brief van 26 maart 2026 schrijft Pub Creations aan Petit Pain dat zij het voor de voortzetting van de werkzaamheden noodzakelijk acht dat partijen een aanvullende overeenkomst sluiten waarin de aangepaste scope van het werk en de betalingsafspraken worden vastgelegd. Doordat de koel- en vriescellen geen onderdeel meer uitmaken van de overeenkomst en een aantal randwerkzaamheden daardoor niet meer kan worden uitgevoerd, bedraagt de aanneemsom volgens haar € 414.921,42 exclusief btw. Pub Creations stelt voor dat Petit Pain deze som in vier termijnen betaalt, overeenkomstig een door Pub Creations opgesteld en bijgevoegd betalingsschema.\n\n2.13.. Bij brief van 9 april 2026 sommeert mr. Van ’t Schip Pub Creations om de werkzaamheden te hervatten. Daarbij laat hij weten dat Petit Pain de overeenkomst zonder levering en montage van de koel- en vriescellen wenst te handhaven, met uitzondering van het storten van de betonvloer in de vriescel, de verlichting en de oprit voor de vriescel. Verder verzoekt mr. Van t Schip Pub Creations om een bedrag van € 47.1000,00 aan Petit Pain terug te betalen, omdat dit bedrag ziet op de projectplanning van de koel- en vriescellen en de koel- en vriescellen geen onderdeel meer uitmaken van de overeenkomst.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Petit Pain vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nPub Creations veroordeelt om binnen een week na betekening van dit vonnis haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst na te komen, waaronder begrepen het hervatten, voortzetten en voltooien van de aangenomen werkzaamheden, zulks met inachtneming van de tussen partijen gemaakte afspraken en overeenkomstig de overeengekomen, althans op de aannemingsovereenkomst gebaseerde, balkenplanning,\n\nPub Creations veroordeelt tot betaling van een dwangsom indien zij in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen,\n\nPub Creations veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. Pub Creations voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Petit Pain in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Petit Pain vordert nakoming van de overeenkomst tussen partijen, zoals vastgelegd in de ondertekende offerte. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van eiser volgt, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.\n\n4.2.. \n\nPetit Pain stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, waardoor de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dat spoedeisend belang is er volgens haar in gelegen dat zij de nieuwe bedrijfslocatie op korte termijn in gebruik moet nemen en al een huurder op het oog heeft voor de oude locatie. Petit Pain stelt dat zij per 1 juli 2026 uitvoering dient te geven aan een overheidsopdracht met landelijke dekking, waarvoor tijdige beschikbaarheid van voldoende productiecapaciteit, logistieke inrichting en operationele schaalgrootte essentieel is. Daarvoor is noodzakelijk dat zij overstapt op een automatische productielijn, die zij op de oude bedrijfslocatie niet kan realiseren.\n\nAfgezien van het feit dat Petit Pain haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd aan de hand van stukken, volgt de voorzieningenrechter Pub Creations in haar stelling dat Petit Pain zelf aan de afronding van het werk in de weg heeft gestaan. Petit Pain neemt in dit kort geding het standpunt in dat de koel- en vriescellen nog steeds onderdeel uitmaken van de overeenkomst, terwijl zij in haar brief van 16 maart 2026 heeft voorgesteld (zie 2.9. hiervoor) om deze uit de overeenkomst te halen en zelf van World Cooling af te nemen. In de correspondentie daarna gaat zij daar ook van uit (zie 2.11., met de toevoeging dat de gevraagde bevestiging volgt uit 2.12., en 2.13.). Na instemming door Pub Creations met dit voorstel, lijkt Petit Pain richting World Cooling geen actie te hebben ondernomen. Verder heeft Petit Pain geweigerd om met Pub Creations het gesprek aan te gaan over de voortzetting van de resterende werkzaamheden, terwijl ook dit van belang was voor een spoedige afwikkeling van het project. Dit maakt dat twijfel bestaat over het spoedeisend belang van Petit Pain bij haar vordering.\n\n4.3.. \n\nDe voorzieningenrechter acht het daarnaast niet aannemelijk dat de bodemrechter het standpunt van Petit Pain volgt. Naar voorlopig oordeel is sprake van een onvoorziene omstandigheid die maakt dat een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van Pub Creations mag worden verwacht (artikel 6:258 BW). Daartoe wordt het volgende overwogen.\n\nOp 2 januari 2026 hebben Petit Pain en Pub Creations de offerte ondertekend en daarmee een overeenkomst gesloten. Anders dan Petit Pain stelt, is daarbij niet afgesproken dat Petit Pain geen aan- of vooruitbetalingen zou doen, althans dat Pub Creations de koel- en vriescellen zou voorfinancieren. Dit staat namelijk niet in de offerte. Daarnaast blijkt uit artikel 9 lid 3 van de algemene voorwaarden van Pub Creations, waarvan niet in geschil is dat deze op de overeenkomst van toepassing zijn, dat Pub Creations gerechtigd is om het werk in door haar te bepalen termijnen te facturen.\n\nNa het sluiten van de overeenkomst heeft World Cooling te kennen gegeven dat zij een aanbetaling voor de koel- en vriescellen verlangde. Bij e-mail van 10 februari 2026 (zie 2.4.) heeft Pub Creations aan Petit Pain laten weten dat zij de koel- en vriescellen zonder aanbetaling van Petit Pain niet bij World Cooling kon bestellen. Om die reden heeft zij voorgesteld om dit onderdeel los te koppelen van de bouw. In tegenstelling tot wat Petit Pain betoogt, kan hierin geen bevestiging worden gelezen van een afspraak dat Petit Pain geen aan- of vooruitbetalingen zou doen zodat Pub Creations de koel- en vriescellen diende voor te financieren. Uit de e-mail volgt juist dat partijen werden geconfronteerd met een omstandigheid waarin zij bij het sluiten van de overeenkomst niet hadden voorzien.\n\nIn de daaropvolgende correspondentie (de brief van Petit Pain van 16 maart 2026 en de reactie daarop van Pub Creations van 18 maart 2026, zie 2.9. en 2.10.) hebben partijen besloten om de koel- en vriescellen uit de overeenkomst te halen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leidt dit ertoe dat nakoming van de overeenkomst, zoals vastgelegd in de offerte, niet van Pub Creations mag worden verwacht. Daar komt bij dat onduidelijk is welke werkzaamheden nog door Pub Creations moeten worden uitgevoerd. Een deel daarvan hangt immers samen met de levering en montage van de koel- en vriescellen. Daarvoor geldt dat het op grond van de offerte aannemelijk is dat het, anders dan mr. Van ’t Schip in zijn brief van 9 april 2026 (zie 2.13.) schrijft, om meer gaat dan het storten van de betonvloer en het realiseren van de verlichting en oprit.\n\n4.4.. De vordering van Petit Pain stuit ten slotte af op praktische bezwaren. Zoals hiervoor overwogen kan niet worden vastgesteld welke resterende werkzaamheden nog door Pub Creations moeten worden verricht. Een veroordelend vonnis zou daarmee voer opleveren voor executiegeschillen. Daar komt bij dat de in de balkenplanning genoemde termijnen zijn verstreken. Nu Pub Creations te kennen heeft gegeven dat zij de werkzaamheden wil hervatten als daar duidelijke afspraken over worden gemaakt, geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging om alsnog in overleg te treden.\n\n4.5.. Petit Pain is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Pub Creations betalen. De proceskosten worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n4.6.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Petit Pain af,\n\n5.2.. veroordeelt Petit Pain in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Petit Pain niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Petit Pain tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling in 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026. [2971\u002F2009]\n\nplus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7375","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.007Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":63,"updatedAt":90},"344","ECLI:NL:RBROT:2026:5540","ecli-nl-rbrot-2026-5540","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam Handel en Haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F694548 \u002F HA ZA 25-157\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTRANSNORDIC SHIPPING & LOGISTICS B.V.,\n\ngevestigd te Dordrecht,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Transnordic,\n\nadvocaat: mr. Z.F. Poortvliet te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nDELINA GMBH,\n\ngevestigd te Kempen (Duitsland),\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Delina,\n\nadvocaat: mr. W.E. Boonk te Rotterdam.\n\n1. De kern van het geschil\n\nTransnordic wil betaald worden voor haar werkzaamheden als ontvangstexpediteur. Bij de import van voor Delina bestemde goederen zijn er vertragingen geweest in de haven van Rotterdam. Transnordic heeft daarover informatie aan Delina verschaft. Delina vraagt zich echter nog steeds af of die vertragingen aan Transnordic te verwijten zijn, wil nog meer informatie van Transnordic en vordert een schadevergoeding.\n\nDe rechtbank oordeelt – kort gezegd – dat Delina Transnordic moet betalen voor de door Transnordic verrichte werkzaamheden. Transnordic heeft ook voldoende informatie gegeven aan Delina. De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van Delina af omdat zij daarvoor onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld. De rechtbank legt dat hieronder uit.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding 12 december 2024, met producties 1 tot en met 20; - de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie van 23 juli 2025, met producties 1 tot en met 3;\n\n- de brieven van de rechtbank van 5 augustus 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- het bericht van de rechtbank van 5 november 2025, met daarin een zittingsagenda;\n\n- de op 21 november 2025 ingekomen akte van Delina van 4 december 2025, met producties 4 tot en met 9;\n\n- de op 23 november 2025 ingekomen conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende wijziging van eis in conventie en overlegging producties in conventie van 4 december 2025, met producties 21 tot en met 28;\n\n- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Poortvliet en Boonk .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Delina is een handelsonderneming die actief is in de levensmiddelenindustrie. Zij importeert goederen van buiten de EU.\n\n3.2.. Transnordic is een logistiek dienstverlener en treedt op als ontvangstexpediteur van Delina in de haven van Rotterdam. Dat houdt onder meer in dat zij binnenkomende containers van de zeevervoerder in ontvangst neemt en zorg draag voor het inklaren en (fytosanitaire) keuren van de goederen. Transnordic maakt daarbij gebruik van verschillende douane-agenten.\n\n3.3.. Partijen hebben ruim 16 jaar samengewerkt. De meest recente offerte op basis waarvan partijen hebben samengewerkt is op 21 december 2022 aan Delina gestuurd per e-mail. Onderaan de e-mail heeft Transnordic de ‘Transnordic Warehousing Conditions version 2019’ van toepassing verklaard op ‘any warehousing activities’ en op alle andere activiteiten de ‘Transnordic Forwarding Conditions version 2018’ (hierna: TFC), met daarbij hyperlinks naar die voorwaarden.\n\n3.4.. Sinds, althans vooral in het tweede kwartaal van 2024 is sprake van significante vertragingen tussen aankomst van de goederen in de haven van Rotterdam en het moment dat deze door de Douane en de NVWA zijn goedgekeurd voor verder transport. De hieraan verbonden extra kosten heeft Transnordic aan Delina doorbelast.\n\n3.5.. In de periode van augustus 2024 tot en met december 2024 heeft Transnordic 59 facturen verstuurd, welke Delina aanvankelijk niet heeft betaald. Het daarmee in totaal gefactureerde bedrag bedraagt € 127.006,44.\n\n3.6.. Op 28 oktober 2024 stelt Delina Transnordic formeel aansprakelijk voor de door haar geleden schade door de vertragingen en schorst zij betaling van de nog openstaande facturen op. Delina voegt daarbij een excel-overzicht van de vertraagde vrachten en verzoekt Transnordic om dat overzicht aan te vullen met haar gegevens, om te achterhalen hoe en waar de vertragingen werkelijk zijn ontstaan.\n\n3.7.. Op 31 oktober 2024 heeft Transnordic aan Delina geschreven dat opschorting volgens haar ongegrond is en contractueel niet is toegelaten. Het excel-overzicht heeft Transnordic aangevuld en gelijktijdig aan Delina toegezonden. Transnordic maant Delina daarbij aan tot betaling van de facturen en buitengerechtelijke kosten over de facturen waarvan de vervaldatum op dat moment is verstreken.\n\n3.8.. Op 6 november 2024 vraagt Delina aan Transnordic ook om alle onderliggende documenten dan wel ander beschikbaar bewijs van de door Transnordic ingevulde data.\n\n3.9.. Op 14 november 2024 reageert Transnordic dat zij dat een onnodig en disproportioneel aanvullend verzoek acht, en maant zij opnieuw aan tot betaling van de facturen en buitengerechtelijke kosten over de facturen waarvan de vervaldatum op dat moment is verstreken.\n\n3.10.. Op 20 november 2024, nadat partijen intussen enkele berichten hebben gewisseld, stelt Delina voor dat zij € 81.753,44 – volgens Delina de kosten exclusief demurrage(productie 18 bij dagvaarding) – van de openstaande facturen zal betalen, en dat Transnordic daarna de genoemde documenten zal toesturen.\n\n3.11.. Op 26 november 2024 heeft Delina € 66.795,74 aan Transnordic betaald, en op 4 december 2024 € 15.600,17. In beide gevallen heeft Delina daarbij gespecificeerd op welke facturen deze betalingen zien.\n\n3.12.. Op 18 april 2025 heeft Transnordic inzage gegeven in onderliggende documenten (die zij in de tussentijd al had verzameld) aan de advocaat van Delina. In mei heeft Delina ook zelf (technisch) toegang gekregen tot die documenten.\n\n3.13.. Op 8 juli 2025 heeft Delina inhoudelijk commentaar geleverd op de aangeleverde documenten, met nadere vragen.\n\n3.14.. Op 15 juli 2025 heeft Transnordic aangegeven geen nadere informatie meer te willen verstrekken.\n\n3.15.. Na het uitbrengen van dagvaarding heeft Transnordic van rederijen nog kosten doorbelast gekregen die ten behoeve van Delina zijn gemaakt. Op 24 januari 2025, 28 januari 2025, 25 februari 2025 respectievelijk 5 augustus 2025 heeft Transnordic die kosten doorbelast aan Delina met een negental facturen. Deze facturen bedragen gezamenlijk € 1.180,00. Delina heeft deze facturen niet betaald.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n\nTransnordic vordert, na wijziging van eis, – samengevat – de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. Delina te veroordelen om aan haar te betalen € 43.790,53 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over het per factuur openstaande bedrag van oorspronkelijk € 125.006,44 vanaf de vervaldatum van iedere factuur, met in achtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW ten aanzien van de tussentijds gedane betalingen;\n\nII. Delina te veroordelen aan haar te betalen € 12.465,64 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\nIII. Voor recht te verklaren dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige en toekomstige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nIV. Delina te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na dit vonnis.\n\n4.2.. Delina voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Transnordic, met veroordeling van Transnordic in de kosten van deze procedure, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nin reconventie\n\n4.3.. \n\nDelina vordert – samengevat – de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Transnordic te veroordelen:\n\nI. aan haar te betalen € 118.100,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2025 (de datum van de conclusie van eis in reconventie); en\n\nII. in de proceskosten.\n\n4.4.. Transnordic voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Delina, met veroordeling van Transnordic in de kosten van deze procedure, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nDe rechtbank Rotterdam is (internationaal) bevoegd\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter omdat Delina buiten Nederland is gevestigd. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht van toepassing is.\n\n5.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de TFC van toepassing zijn. In artikel 21 lid 3 TFC is bepaald dat, onder meer, de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van geschillen verbonden aan overeenkomsten waarop de TFC van toepassing zijn. De rechtbank Rotterdam is daarom bevoegd kennis te nemen van dit geschil (artikel 25 Brussel I-bis).\n\n5.3.. In artikel 21 lid 1 TFC is voorts bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op overeenkomsten waarop de TFC van toepassing zijn. Nederlands recht is zodoende van toepassing op dit geschil (artikel 3 Rome I).\n\nin conventie\n\nDe gevorderde openstaande factuurbedragen zijn toewijsbaar\n\n5.4.. Transnordic vordert aan hoofdsom € 43.790,53 aan onbetaald gebleven facturen. Zij stelt dat Transnordic de overeengekomen logistieke diensten heeft verleend. Daarnaast komen extra kosten wegens langere laad- en lostijden, waaronder demurrageen wachttijd, voor rekening van Delina, gelet op artikel 6 lid 6 TFC:\n\n“Article 6. Remunerations\n\n(…)\n\n6. Other than in cases of intent or deliberate recklessness on the part of the Freight Forwarder, in the event of the loading and\u002For unloading time being inadequate, all costs resulting therefrom, such as demurrage, waiting times, etc. shall be borne by the Client, even when the Freight Forwarder has accepted the bill of lading and\u002For the charter party from which the additional costs arise without protestation. The Freight Forwarder must make every effort to avoid these costs.”\n\nDelina is daarom verplicht om Transnordic de nog openstaande factuurbedragen te betalen op grond van artikel 15 lid 1 TFC. Opschorting daarvan is contractueel uitgesloten in artikel 15 lid 10 TFC, aldus Transnordic:\n\n“Article 15. Payment conditions\n\n1. The Client shall pay to the Freight Forwarder the agreed remunerations and other costs, freights, duties, etc. ensuing from the Agreement upon commencement of the Services, unless agreed otherwise.\n\n(…)\n\n10. It shall not be permissible for claims receivable to be set off against payment of remunerations arising from the Agreement on any other account in respect of the Services owed by the Client or of other costs chargeable against the Goods with claims of the Client or suspension of the aforementioned claims by the Client.”\n\n5.5.. Delina voert aan dat zij niet gehouden is te betalen voor diensten die niet deugdelijk zijn verleend. Als de vertragingen die zijn opgelopen in het traject bij de Douane en de NVWA aan Transnordic te verwijten zijn, dan heeft Transnordic haar werk niet goed gedaan. Delina voert aan dat zij nog steeds niet over de volledige benodigde informatie beschikt. Of Transnordic haar werk goed heeft gedaan, is voor Delina tot op heden nog niet te beoordelen geweest. Delina voert aan daarom nog niet verplicht te zijn de facturen te betalen en dat zij de betaling van de facturen daarom heeft opgeschort.\n\n5.6.. Daarnaast voert Delina aan dat als Transnordic haar werk niet goed heeft gedaan, Delina dan een schadevordering heeft op Transnordic, waardoor zij eveneens kan opschorten en verrekenen.\n\n5.7.. De rechtbank oordeelt dat in artikel 15 lid 1 TFC is bepaald dat Transnordic de aan haar verschuldigde bedragen voor door haar verleende diensten direct opeisbaar zijn vanaf het moment dat die betreffende diensten zijn verleend. Daaronder vallen ook de extra kosten (artikel 6 lid 6 TFC). Of Transnordic al dan niet deugdelijk heeft gepresteerd doet daaraan niet af. Op grond van artikel 15 lid 10 TFC is Delina namelijk niet bevoegd deze betalingsverplichtingen op te schorten. Vaststaat dat er aanvankelijk € 128.186,44 onbetaald is gebleven en dat Delina daarvan intussen € 82.395,91 heeft voldaan (zie 3.5, 3.11 en 3.15). Dat betekent dat er in ieder geval nog een bedrag van € 45.790,53 aan factuurbedragen openstaat. De door Transnordic gevorderde hoofdsom van € 43.790,53 is daarom toewijsbaar.\n\nTransnordic vordert wettelijke handelsrente over € 125.006,44\n\n5.8.. Bij dagvaarding heeft Transnordic gevorderd “Delina te veroordelen om aan Transnordic te betalen een hoofdsom van EUR 125.006,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande bedrag vanaf de vervaldatum van iedere factuur (…), alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten (…)”, waarna het totaal moet “worden verminderd met het reeds door Delina betaalde bedrag (…), waarbij betalingen worden toegerekend conform artikel 6:44 BW”. Daarbij heeft Transnordic toegelicht dat de intussen door Delina gedane betalingen op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering op de reeds verlopen rente en buitengerechtelijke kosten moeten worden gebracht en daarna pas op de hoofdsom.\n\n5.9.. Bij wijziging van eis heeft Transnordic gevorderd “Delina te veroordelen om aan Transnordic te betalen een hoofdsom van EUR 43.790,53, waarbij de betalingen worden toegerekend conform artikel 6:44 BW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande bedrag vanaf de vervaldatum van iedere factuur (…), alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten (…)”.\n\n5.10.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Transnordic, op vragen van de rechtbank, toegelicht dat zij nog steeds de wettelijke handelsrente vordert over het bedrag van € 125.006,44, waarbij ten aanzien van de tussentijdse betaling van Delina rekening moet worden gehouden met hetgeen in artikel 6:44 BW is bepaald.\n\n5.11.. De rechtbank begrijpt de vordering van Transnordic zo dat zij nog steeds de wettelijke handelsrente over € 125.006,44 vordert. Transnordic heeft namelijk herhaaldelijk gewezen op de systematiek van artikel 6:44 BW, waaronder in de letterlijke tekst van haar eisvermindering. Bij het vorderen van de wettelijke handelsrente over € 43.790,53 zou dat artikel niet meer van belang zijn geweest. De rechtbank begrijpt uit die verwijzing dat Transnordic haar eis niet heeft willen wijzigen ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente en dat dat ook voor Delina duidelijk moet zijn geweest.\n\nDe gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar5.12. Transnordic hanteert, anders dan uit de directe opeisbaarheid van artikel 15 lid 1 TFC volgt, in haar facturen een vervaltermijn van 30 dagen. Met het uitblijven van betaling van de betreffende facturen binnen de daarin gestelde vervaltermijnen is sprake van verzuim aan de zijde van Delina vanaf die vervaltermijnen (artikel 6:83 aanhef en onder a BW).\n\n5.13.. De gevorderde wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW is daarom toewijsbaar over € 125.006,44, zijnde het totaal van de bij dagvaarding gevorderde factuurbedragen, vanaf de vervaldata van die facturen, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina ten aanzien van die facturen gedane betalingen.\n\nDe gevorderde BIK is toewijsbaar na matiging\n\n5.14.. Transnordic stelt dat tot het moment van dagvaarden Delina in verzuim is geraakt met de betaling van 55 facturen, met een totaal factuurbedrag van € 124.656,44. Uit het bepaalde in artikel 16 lid 2 TFC volgt dat Delina daardoor 10% van dat bedrag aan Transnordic verschuldigd is als buitengerechtelijke kosten, te weten € 12.465,64:\n\n“Article 16. Allocation of payments and judicial and extrajudicial costs\n\n(…)\n\n2. The Freight Forwarder shall be entitled to charge to the Client extrajudicial and judicial costs for collection of the claim. The extrajudicial collection costs are owed as from the time at which the Client is in default and these amount to 10% of the claim, with a minimum of € 100.00.”\n\nDe advocaat van Transnordic is anderhalve week bezig geweest met het invullen van het overzicht van Delina en het verzamelen van alle onderliggende documenten, met als doel buiten rechte tot een oplossing te komen. Van een boetebeding is geen sprake omdat het gaat om een beding over buitengerechtelijke kosten. Onaanvaardbaar is het beding niet, omdat het al 16 jaar tussen partijen geldt en het een gebruikelijk beding is in de branche, aldus Transnordic.\n\n5.15.. Delina betwist dat zij dit bedrag verschuldigd is. Direct vanaf de eerste brief werd aangemaand tot het betalen van € 8.763,85 aan buitengerechtelijke kosten. Het kan niet zo zijn dat deze buitengerechtelijke kosten werkelijk zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke kosten staan ook niet in verhouding tot de in deze procedure resterende hoofdsom. Delina verzoekt de rechtbank daarom de buitengerechtelijke kosten te matigen.\n\n5.16.. Betreffende het beroep van Transnordic op artikel 16 lid 2 TFC voert Delina aan dat dit een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW is. Daarom kan Transnordic niet én nakoming én betaling van de boete vorderen (artikel 6:92 lid 1 BW), waarbij de boete dan ook in de plaats treedt van de gevorderde wettelijke rente (artikel 6:92 lid 2 BW).\n\n5.17.. Ten slotte voert Delina het verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Transnordic aanspraak maakt op vergoeding van niet-gemaakte kosten, terwijl zij weigert om werkelijk inzicht te geven in de wijze waarop zij haar dienstverlening heeft verricht.\n\n5.18.. De rechtbank oordeelt als volgt. Transnordic vordert in deze procedure de buitengerechtelijke kosten over € 124.656,44 aan te laat betaalde facturen, zoals deze kosten, samen met de gerechtelijke kosten, contractueel zijn bedongen in artikel 16 lid 2 TFC. Dit artikel betreft een boetebeding. Echter, anders dan Delina betoogt, is artikel 6:92 lid 1 BW hier niet van toepassing. Het boetebeding ziet hier namelijk alleen op de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten (artikel 16 lid 2 TFC). Artikel 6:92 lid 2 BW is daarom wel van toepassing en houdt, zoals Delina wel terecht aanvoert, niets anders in dan dat naast de contractuele buitengerechtelijke kosten niet ook de wettelijke buitengerechtelijke kosten kunnen worden gevorderd. Aangezien de wettelijke buitengerechtelijke kosten niet ook worden gevorderd, heeft artikel 6:92 lid 2 BW hier geen verdere betekenis.\n\n5.19.. Op grond van artikel 242 Rv kan de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b en c BW ambtshalve matigen tot de krachtens de wet te begroten proceskosten dan wel buitengerechtelijke kosten.\n\n5.20.. Zoals al geconstateerd is, vordert Transnordic alleen buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 16 lid 2 TFC. De gerechtelijke kosten vordert zij immers afzonderlijk zonder een beroep op deze contractuele bepaling. De door Transnordic van meet af aan gesommeerde buitengerechtelijke kosten komen de rechtbank over als in ieder geval op dat moment nog buitensporige kosten. Voor zover in deze procedure is gebleken en vaststaat, betroffen de buitengerechtelijke handelingen van Transnordic tot dan toe nog slechts één sommatiebrief en, voor zover dat niet eigenlijk bij het uitvoeren van de informatieplicht van de opdrachtnemer hoort, het aanvullen van het door Delina aangeleverde excel-overzicht. Het toesturen van de onderbouwende stukken heeft Transnordic eerst gedaan nadat Delina daartoe concrete gerechtelijke stappen had voorbereid en aangezegd aan Transnordic. Delina had op dat moment ook al een groot deel van de nog openstaande facturen betaald. Het voorgaande neemt gelijktijdig niet weg dat het verzamelen van die onderbouwende stukken uiteindelijk wel buiten rechte is geweest en dat dit Transnordic veel tijd heeft gekost. Transnordic heeft met die onderbouwende stukken, naast de communicatie tijdens het uitvoeren van de opdrachten en alle eerder gegeven toelichtingen daarover, voldoende inzicht gegeven in de wijze waarop zij haar dienstverlening heeft verricht.\n\n5.21.. De volgens de wet conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te begroten buitengerechtelijke kosten over € 124.656,44 bedragen € 2.446,09 inclusief btw. Gelet op het voorgaande matigt de rechtbank de gevorderde buitengerechtelijke kosten tot 50% van het gevorderde bedrag, te weten € 6.232,82. Dit is toewijsbaar, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina gedane betalingen. Toekenning van de gevorderde € 12.465,64 als toepassing van een boetebeding zou in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leiden.\n\nDe gevolgen van de eiswijziging in het licht van artikel 6:44 BW\n\n5.22.. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat gelet op de systematiek van artikel 6:44 BW moeten de door Delina tussentijds gedane betalingen eerst in mindering worden gebracht op de op dat moment reeds verlopen rente en de buitengerechtelijke kosten. Vermoedelijk resteert daarna een groter bedrag aan openstaande facturen dan waarvan is uitgegaan in overweging 5.7. De eiswijziging in deze procedure biedt de rechtbank geen ruimte voor toewijzing van dat meerdere.\n\nTransnordic heeft gedeeltelijk belang bij de gevorderde verklaring voor recht5.23.. De door Transnordic gevorderde verklaring voor recht dat Delina alle huidige en toekomstige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic moet vergoeden, is toewijsbaar voor zover het alle huidigekosten betreft. In de overwegingen 5.7 en 5.22 is reeds overwogen dat de door Transnordic in deze procedure gevorderde betalingen niet dekkend zijn voor ‘alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic’. Daarbij is eveneens gebleken dat Transnordic wel recht heeft op betaling daarvan.5.24.. De door Transnordic gevorderde verklaring voor recht wordt echter afgewezen voor zover het toekomstigekosten betreft omdat Transnordic daarbij onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW). Deze procedure ziet al op alle huidige kosten, met inbegrip van het toewijsbare deel van de gevorderde verklaring voor recht. Transnordic heeft verder niet kunnen toelichten dat en waarom er nog toekomstige kosten te verwachten zijn, anders dan dat rederijen soms erg laat factureren. Het gaat hier echter over zendingen tot in 2024, waarbij de als laatste aan Delina doorbelaste kosten in januari, februari en vervolgens pas augustus 2025 zijn gefactureerd. Een redelijke verwachting dat er nog toekomstige kosten te verwachten zijn, is er niet.\n\n5.25.. De rechtbank verklaart zodoende voor recht dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata van de daartoe aan Delina toegezonden facturen tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nin reconventie\n\nDe gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen\n\n5.26.. Delina vordert € 118.100,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. De schade bestaat uit kosten die zij wegens vertraging heeft moeten betalen. Het totaalbedrag dat Delina heeft moeten betalen voor de vertraagde zendingen waarover Transnordic geen openheid van zaken heeft wil geven bedraagt € 118.100,00. Voor al die zendingen heeft Delina, ook met de in april respectievelijk mei 2025 ontvangen informatie, niet kunnen vaststellen dat Transnordic zich als goed opdrachtnemer heeft gekweten van haar taken. Daarom gaat Delina ervan uit dat bij die zendingen ten minste een groot deel van de vertraging te wijten is aan handelen of nalaten van Transnordic in strijd met hetgeen Delina onder de overeenkomst van haar mocht verwachten.\n\n5.27.. Transnordic betwist de vordering van Delina. Transnordic voert, onder meer, aan dat zij niet toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, dat zij wel inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd, voor zover mogelijk, waardoor er vertraging is ontstaan, dat die vertraging niet aan haar te verwijten is. Voorts betwist Transnordic dat Delina schade heeft geleden en de hoogte van de door Delina gestelde schade.\n\n5.28.. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vordering van Delina worden afgewezen als onvoldoende onderbouwd gesteld.\n\n5.29.. Transnordic is als opdrachtnemer verplicht om bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (artikel 7:401 BW). Daarbij moet worden beoordeeld of zij heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan.\n\n5.30.. Daarnaast is Transnordic verplicht aan de opdrachtgever rekening en verantwoording af te leggen van de wijze waarop zij zich van de opdracht heeft gekweten (artikel 7:403 lid 2 eerste zin BW). In hoeverre verantwoording is verschuldigd, hangt af van de aard en inhoud van de opdracht en de verhouding tussen partijen.\n\n5.31.. Allereerst, Transnordic heeft de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen.\n\n5.32.. Al tijdens de uitvoering van de vertraagde opdrachten heeft Transnordic daarover gecommuniceerd en heeft zij meegedacht om de vertragingen te beperken. Transnordic heeft aangeboden om van douane-agent te wisselen en heeft dat ook gedaan. Dat sorteerde op de langere termijn echter geen effect. Transnordic heeft ook voorgesteld via de haven van Antwerpen te verschepen in plaats van de haven van Rotterdam, omdat in Antwerpen al invoercontroles kunnen worden uitgevoerd voordat de goederen zijn aangekomen.\n\n5.33.. Delina heeft bij haar conclusie van eis in reconventie voor een aantal specifieke zendingen uitgelicht waarom de opgelopen vertragingen aan Transnordic te verwijten zouden zijn. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft Transnordic die voorbeelden weerlegt, in die zin dat de bij die zendingen opgelopen vertragingen niet aan haar kunnen worden verweten, maar dat deze (grotendeels) aan de Douane en\u002Fof de NVWA te verwijten zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Delina die weerleggingen niet bestreden en waren partijen het er wel over eens dat ten minste een groot deel van de vertragingen is ontstaan door toedoen van de NVWA en\u002Fof de Douane. Dat is niet aan Transnordic te verwijten.\n\n5.34.. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door Delina wederom zeer specifieke stellingen ingenomen ten aanzien van een aantal andere vertraagde zendingen. Deze stellingen zijn door haar echter te laat ingenomen om Transnordic voldoende gelegenheid te geven daarop nog te kunnen reageren. Deze voorbeelden moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten (artikel 19 Rv).\n\n5.35.. Delina heeft (verder) niet concreet gesteld welke (verwijtbare) fouten door Transnordic zouden zijn gemaakt en welk causaal verband er zou bestaan tussen het handelen van Transnordic en de (al dan niet) door Delina geleden schade. Die schade is bovendien ook slechts genoemd, maar geenszins door Delina inzichtelijk gemaakt. Onder meer over wat voor schade het betreft heeft Delina niets gesteld. Daarbij vordert Delina bijna € 120.000 aan schadevergoeding, terwijl zij eerder zelf aan Transnordic heeft geschreven dat zij slechts ruim € 40.000 aan factuurbedragen onbetaald heeft gelaten omdat die bedragen zagen op door Transnordic gefactureerde extra kosten wegens vertraging.\n\n5.36.. Ten tweede, betreffende het afleggen van rekening en verantwoording aan Delina treft Transnordic eveneens geen blaam. Het excel-overzicht van Delina heeft zij in drie dagen ingevuld en aan Delina retour gestuurd.\n\n5.37.. Ook nadien heeft Transnordic adequaat verantwoording afgelegd. De onderliggende stukken heeft Transnordic uiteindelijk ook aan Delina toegestuurd. Daarover is door Transnordic gesteld en door Delina niet betwist dat het verzamelen en toesturen van alle onderliggende stukken ongebruikelijk is in de branche, zeker nu dit niet tevoren is overeengekomen en daaraan dus ook niet een hogere vergoeding is verbonden voor Transnordic.\n\n5.38.. Bij het weerleggen van de specifieke voorbeelden van Delina heeft Transnordic bij conclusie van antwoord in reconventie nog stukken in het geding gebracht. Delina stelt dat daaruit blijkt dat Transnordic haar niet volledig heeft geïnformeerd. Echter, naar het oordeel van de rechtbank past dit juist in het beeld dat het niet nodig is om altijd alle stukken te achterhalen, onder meer bij derden als de douane-agent, maar dat het wel nodig is om bij concrete vragen daar achteraan te gaan.\n\n5.39.. Op een gegeven moment kan dat laatste ook weer anders liggen - zoals bij de nieuwe specifieke voorbeelden en daaraan verbonden vragen in de spreekaantekeningen van mr. Boonk - mede gelet op het gegeven dat verzamelen en toesturen van onderliggende stukken in deze situatie ongebruikelijk is en de eerdere concrete voorbeelden respectievelijk (impliciete) vragen ook niets hebben opgeleverd.\n\n5.40.. Zodoende oordeelt de rechtbank dat Transnordic niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen als opdrachtnemer (artikel 6:74, 7:401 en 7:403 BW). Gelet op het voorgaande is eveneens geen sprake van onrechtmatig handelen van Transnordic jegens Delina in de zin van artikel 6:162 BW. De vorderingen van Delina worden daarom afgewezen.\n\nin conventie en reconventie\n\nDelina wordt in de proceskosten veroordeeld\n\n5.41.. Delina wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. Delina wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Transnordic worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 135,97\n\n- griffierecht € 2.995,00\n\n- salaris advocaat conv. € 2.580,00 (2 x 1 punt × tarief IV € 1.290,00)\n\n- salaris advocaat reconv. € 2.051,00 (2 x 0,5 punt x tarief V € 2.051,00)\n\n- nakosten € 296,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 8.057,97\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.42.. De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt Delina aan Transnordic te betalen € 43.790,53;\n\n6.2.. veroordeelt Delina aan Transnordic te betalen de wettelijke handelsrente over € 125.006,44 vanaf de vervaldata van de onderliggende factuurbedragen en € 6.228,32 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina gedane betalingen;\n\n6.3.. verklaart voor recht dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata van de daartoe aan Delina toegezonden facturen tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nin reconventie6.4. wijst de vorderingen van Delina af;\n\nin conventie en reconventie\n\n6.5.. veroordeelt Delina in de proceskosten van € 8.057,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;\n\n6.6.. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. 3718\u002F32\n\n Zoals hierna verder toegelicht onder 5.8 t\u002Fm 5.11.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).\n\n HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6159.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5540","2026-07-13T00:28:25.343Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":95,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":63,"updatedAt":98},"764","ECLI:NL:RBROT:2024:4686","ecli-nl-rbrot-2024-4686","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F657425 \u002F HA ZA 23-422\n\nHerstelvonnis in gevoegde zaken van 29 mei 2024\n\nin de zaak met zaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F657425 \u002F HA ZA 23-422 van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nROWOOD B.V.,\n\ngevestigd te Ridderkerk,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde naamloze vennootschap\n\nTIMBER AND BUILDINGS SUPPLIES HOLLAND N.V.,\n\ngevestigd te Zaandam,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in reconventie,\n\nadvocaat mr. J.P. van der Klein te Amsterdam,\n\nen in de zaak met zaaknummer \u002F rolnummer C\u002F10\u002F657427 \u002F HA ZA 23-423 van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nROWOOD B.V.,\n\ngevestigd te Ridderkerk,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHOUTHANDEL LOOIJMANS B.V.,\n\ngevestigd te Someren,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in reconventie,\n\nadvocaat mr. J.P. van der Klein te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna Rowood, TABS en Looijmans genoemd worden.\n\n1. Het verzoek tot verbetering1.1.. Bij brief van 16 april 2024 heeft Rowood de rechtbank verzocht om verbetering van het op 3 april 2024 in deze zaak gewezen vonnis, in die zin dat de proceskostenveroordelingen in het vonnis worden verbeterd op het punt van – samengevat – het griffierecht. Volgens Rowood is in haar zaken tegen TABS en Looijmans ten onrechte € 5.737,00 aan griffierecht geheven en had dit € 2.837,00 moeten zijn.\n\n1.2.. De rechtbank heeft TABS en Looijmans in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.\n\n1.3.. Uit de brief van 22 april 2024 van TABS en Looijmans volgt – samengevat – dat zij niet met alle door Rowood verzochte verbeteringen instemmen. Volgens TABS en Looijmans dient het vonnis van 3 april 2024 alleen op de volgende punten, weergegeven voor zover relevant, verbeterd te worden:\n\ni) wijziging van het griffierecht in de proceskostenveroordeling in de zaak Rowood tegen Looijmans (zaak- en rolnummer 657427\u002F23-423) van € 5.737,00 in € 2.837,00;\n\nii) wijziging van het salaris advocaat in de proceskostenveroordeling in de zaak Rowood tegen TABS (zaak- en rolnummer 657425\u002F23-422) op het punt van het toegepaste liquidatietarief, in die zin dat in plaats van liquidatietarief IV liquidatietarief V wordt toegepast. Volgens TABS is het hier door de rechtbank geheven griffierecht van € 5.737,00 wel juist.\n\nHet voorgaande leidt volgens TABS en Looijmans tot een proceskostenveroordeling van Rowood jegens TABS van € 9.877,44 en van Rowood jegens Looijmans van € 5.547,44.\n\n1.4.. De rechtbank heeft Rowood vervolgens in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren.\n\n1.5.. Bij brief van 26 april 2024 is namens Rowood ingestemd met de hiervoor in 1.3 door TABS en Looijmans verzochte verbeteringen van het vonnis van 3 april 2024. Zij heeft erkend dat het door de rechtbank geheven griffierecht van € 5.737,00 in haar zaak tegen Looijmans (wel) juist is.\n\n2. De beoordeling2.1.. De rechtbank stelt vast dat in het vonnis van 3 april 2024 bij de begroting van de proceskosten helaas een aantal fouten zijn geslopen. Deze fouten lenen zich voor eenvoudig herstel (ex art. 31 Rv) en de rechtbank zal het verzoek van partijen dan ook als volgt toewijzen.\n\nRowood \u002F TABS2.2.. Het verzoek van Rowood om verbetering (verlaging) van het geheven griffierecht in haar zaak tegen TABS, is gebaseerd op een kennelijke verschrijving in het vonnis van de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten onder r.o. 4.1 onder B. Daar staat een bedrag van € 4.771,96, terwijl dit € 14.771,96 had moeten zijn. Op grond van deze schrijffout heeft Rowood haar verzoek tot wijziging (verlaging) van het geheven griffierecht gebaseerd. Nu zij in haar brief van 26 april 2024 erkent dat het geheven griffierecht van (wel) € 5.737,00 juist is, ziet de rechtbank hierin aanleiding de schrijffout in r.o. 4.1 onder B te corrigeren en om daar het juiste bedrag van € 14.771,96 op te nemen. Zoals TABS en Looijmans terecht opmerken is in deze zaak evenwel ten onrechte uitgegaan van liquidatietarief IV. Dat had inderdaad tarief V moeten zijn. Dat leidt in deze zaak tot een salaris voor de advocaat van € 3.858,00. Partijen zijn het daarmee (ook) eens. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling hier uitkomt op € 9.877,44 in plaats van het onder 5.22 opgenomen bedrag van € 8.447,44, terwijl in het dictum onder 6.2 bovendien ten onrechte € 8.4474,44 staat vermeld. Het voorgaande leidt dan ook tot aanpassing van r.o. 4.1 onder B, r.o. 5.22 en onder 6.2.\n\nRowood \u002F Looijmans2.3.. In de zaak van Rowood tegen Looijmans is (wel) ten onrechte een bedrag van € 5.737,00 aan griffierecht geheven. Dit had in die zaak € 2.837,00 moeten zijn. Dit zal dan ook worden hersteld. Partijen zijn het hiermee ook eens. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling hier uitkomt op € 5.547,44. Dit leidt tot aanpassing van r.o. 5.22 en onder 7.2, waar ook hier ten onrechte € 8.4474,44 staat vermeld.\n\n2.4.. Rechtsoverweging 5.22 wordt gewijzigd in de volgende rechtsoverweging:\n\n“Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rowood worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van TABS en Looijmans in conventie en in reconventie. De proceskosten in conventie van TABS en Looijmans worden tot aan deze uitspraak begroot op:\n\nin zaak 23-422\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 5.737,00\n\nsalaris advocaat € 3.858,00 (twee punten in liquidatietarief V)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 9.877,44.\n\nin zaak 23-423\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 2.837,00\n\nsalaris advocaat € 2.428,00 (twee punten in liquidatietarief IV)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.547,44.”\n\n2.5.. In 6.2 van het dictum in zaak Rowood tegen TABS (zaak- en rolnummer 657425 \u002F 23-422) wordt het bedrag € 8.4474,44 gewijzigd in € 9.877,44.\n\n2.6.. In 7.2 van het dictum in zaak Rowood tegen Looijmans (zaak- en rolnummer 657427 \u002F 23-423) wordt het bedrag € 8.4474,44 gewijzigd in € 5.547,44.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. bepaalt dat onder 4.1 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 4.771,96”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 14.771,96”,\n\n3.2.. bepaalt dat onder 5.22 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis als volgt komt te luiden:\n\n“Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rowood worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van TABS en Looijmans in conventie en in reconventie. De proceskosten in conventie van TABS en Looijmans worden tot aan deze uitspraak begroot op:\n\nin zaak 23-422\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 5.737,00\n\nsalaris advocaat € 3.858,00 (twee punten in liquidatietarief V)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 9.877,44.\n\nin zaak 23-423\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 2.837,00\n\nsalaris advocaat € 2.428,00 (twee punten in liquidatietarief IV)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.547,44”.\n\n3.3.. bepaalt dat onder 6.2 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 8.4474,44”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 9.877,44”,\n\n3.4.. bepaalt dat nr. 7.2 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 8.4474,44”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 5.547,44”,\n\n3.5.. bepaalt dat deze verbeteringen onder de vermelding van de datum 29 mei 2024 worden vermeld op de minuut van het vonnis van 3 april 2024,\n\n3.6.. gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 3 april 2024 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2024.\n\n901\u002F3455","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4686","2024-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.038Z",20]