[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-contract-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":123},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},50,"contract-law-nl","Contract Law","NL","2026-07-08T16:53:53.185Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2024-05-29T00:00:00.000Z","2026-06-26T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121996","Burgerlijk Wetboek","art. 6:258",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122496","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 31",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122577","art. 140 lid 3",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"122582","art. 6:6 lid 1",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"122586","art. 3:61 lid 2",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"121896","art. 6:44",{"provisionId":43,"code":23,"article":44,"count":25},"121897","art. 6:91",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"121898","art. 6:92 lid 1",{"provisionId":49,"code":23,"article":50,"count":25},"121899","art. 6:92 lid 2",{"provisionId":52,"code":28,"article":53,"count":25},"121900","art. 242",[55,65,74,83,91,99,107,115],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"819","ECLI:NL:RBROT:2026:7461","ecli-nl-rbrot-2026-7461","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11426273 CV EXPL 24-29911\n\ndatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [plaats 1] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. G.H. Kroon,\n\ntegen\n\n [bedrijf 2] B.V., tevens handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nvestigingsplaats: [plaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\nvoormalig gemachtigde: mr. I. Rhodes.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 7 november 2024, met bijlagen 1 t\u002Fm 9;\n\nhet antwoord;\n\nde brief van 18 februari 2026 van mr. Rhodes, waarbij hij zich als gemachtigde van [gedaagde] onttrekt;\n\nde brief van 15 mei 2026 met bijlage 10 van de kant van [eiseres] .\n\n1.2.. Op 28 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [persoon A] (directeur van [eiseres] ) en mr. Kroon aanwezig. Ook [gedaagde] was voor de zitting uitgenodigd, maar van haar kant is niemand verschenen zonder enig bericht.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiseres] eist € 12.500,00 van [gedaagde] . [eiseres] baseert die eis op een contract dat zij heeft gesloten op 19 januari 2024. Volgens [eiseres] is [gedaagde] gebonden aan het in dat contract opgenomen relatiebeding en dient zij op grond daarvan te worden veroordeeld tot betaling van een boete en bijkomende kosten. [gedaagde] betwist dat. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk en wijst de eis af.\n\n [gedaagde] is niet gebonden aan het contract van [eiseres]\n\n2.2.. \n [eiseres] kan [gedaagde] niet aanspreken op basis van het contract. In de weg staat dat het contract niet door [gedaagde] is gesloten en, voor zover het contract zou zijn gesloten in naam van [gedaagde] , er geen sprake is van de schijn van vertegenwoordigings-bevoegdheid. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\n2.3.. Het contract waar [eiseres] de eis op baseert, is volgens de tekst die in de kop van het contract staat, gesloten met:\n\n“ [opdrachtnemer] , kantoorhoudende te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de\n\n [adres] ,dezen handelend onder de naam [handelsnaam]\n\ningeschreven in het handelsregister onder nummer KVK : [kvk-nummer] hierna te noemen ‘opdrachtnemer’.”\n\nHet KvK-nummer is van [gedaagde] , maar de handelsnaam is onjuist. De geregistreerde handelsnaam van [gedaagde] is ‘ [bedrijf 2] ’. Ook het adres dat wordt genoemd, is niet het adres van [gedaagde] dat in het handelsregister staat geregistreerd. Uit het handelsregister blijkt evenmin dat [opdrachtnemer] bevoegd was [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe bepalingen van het contract duiden er daarnaast op dat [opdrachtnemer] werkzaam is als zelfstandige op het gebied van beveiliging en dat [eiseres] hem inhuurt om als zelfstandige beveiligingswerkzaamheden te doen. De directeur van [eiseres] heeft tijdens de zitting ook bevestigd dat hij [opdrachtnemer] als zelfstandige wilde inhuren. Weliswaar stelt [eiseres] dat zij [opdrachtnemer] heeft willen inhuren als zelfstandige onder zijn bedrijfsnaam – daarmee kennelijk doelend op “ [handelsnaam] ” – maar die bedrijfsnaam is niet dezelfde als de handelsnaam van [gedaagde] . De kantonrechter houdt het er daarom voor dat het contract is gesloten door [opdrachtnemer] en niet door [gedaagde] .\n\n2.4.. Voor zover aan het voorgaande voorbij zou moeten worden gegaan en het ervoor zou moeten worden gehouden dat het contract in naam van [gedaagde] is gesloten door [opdrachtnemer] , is [gedaagde] niet gebonden aan het contract. Er is namelijk geen sprake van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW). Enig handelen van [gedaagde] als pseudo-volmachtgever op basis waarvan [eiseres] erop heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen, ontbreekt namelijk. [eiseres] stelt weliswaar terecht dat ook in een niet-doen van de pseudo-volmachtgever een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid besloten kan liggen, maar in dit geval is dat niet voldoende. Nergens blijkt namelijk uit dat [gedaagde] ervan op de hoogte was, laat staan dat zij ermee instemde, dat [opdrachtnemer] een contract met [eiseres] sloot in haar naam. [eiseres] heeft het in de dagvaarding wel over mailberichten van [eiseres] aan [gedaagde] waarop [gedaagde] geen rectificatie of reactie heeft gestuurd, maar die mails zitten niet in het dossier en ook heeft [eiseres] niet uitgelegd wat voor mails het betreft. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om die mails in de procedure te overleggen, maar dat is niet gebeurd. Dat [opdrachtnemer] een mailadres van [gedaagde] heeft gebruikt om een mail te sturen naar een opdrachtgever van [eiseres] is ook onvoldoende voor het aannemen van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Niet alleen betreft het slechts een handelen van de pseudo-gevolmachtigde zelf en niet van de pseudo-volmachtgever, ook betreft het geen mail aan [eiseres] . Dat [opdrachtnemer] het mailadres heeft gebruikt, laat zich mogelijk verklaren door de stelling van [eiseres] dat [opdrachtnemer] een relatie heeft (gehad) met de eigenaar van [gedaagde] , maar ook dat is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [eiseres] er op heeft mogen vertrouwen dat [opdrachtnemer] bevoegd was om [gedaagde] te vertegenwoordigen.\n\nDe eisen worden afgewezen\n\n2.5.. De gevorderde contractuele boete is niet toewijsbaar, omdat [eiseres] [gedaagde] niet kan aanspreken op basis van het contract. De daarbij gevorderde rente en incassokosten zijn daarom ook niet toewijsbaar.\n\n [eiseres] moet de proceskosten betalen\n\n2.6.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 432,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 432,00), omdat de voormalige gemachtigde van [gedaagde] het antwoord heeft ingediend voordat die zich heeft onttrokken. Bij deze kosten kan nog een bedrag komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de eis af;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 432,00;\n\n3.3.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7461","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:49.636Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":63,"updatedAt":73},"563","ECLI:NL:RBROT:2026:7412","ecli-nl-rbrot-2026-7412","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel & haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F700708 \u002F HA ZA 25-455\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. P.E. Epping,\n\ntegen\n\n1.. [gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] ,\n\nadvocaat: mr. S. de Wit, 2.[gedaagde 2], handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nte [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. T. Abbo,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagde partijen.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [eiser] heeft vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser] stelt dat hij recht had op hulp van die partijen en dat hij onvoldoende hulp van hen heeft gekregen. Daardoor heeft hij zijns inziens schade geleden. Hij grondt zijn vorderingen op wanprestatie, onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank wijst de vorderingen af omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Zijn vorderingen zijn niet deugdelijk onderbouwd. Daarom is het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vrijwel onmogelijk om de aan hen gemaakte verwijten te onderzoeken en om daarover in rechte een zinvol debat te voeren. [eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld. Hierna worden de genomen beslissingen nader toegelicht.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 27 mei 2025, met producties 1 t\u002Fm 8; - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties 1 t\u002Fm 8;\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties 1 en 2; - de brieven van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- het bericht van 23 oktober 2025 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;\n\n- de aanvullende producties 9 t\u002Fm 21 van [eiser] ;\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] is afkomstig uit Liberia, vanwaar hij is gevlucht voor een oorlog. In 2003 heeft hij zich in Nederland gevestigd. Hij is analfabeet, spreekt geen Nederlands en lijdt aan dyspraxie waardoor spreken überhaupt moeilijk is. In 2021 is hij gediagnosticeerd als autistisch.\n\n3.2.. Via het COA kwam [eiser] in 2006 terecht bij [gedaagde 2] . [eiser] en [gedaagde 2] hebben afspraken gemaakt op basis waarvan [gedaagde 2] – kort gezegd – [eiser] zou helpen bij zijn integratie in de maatschappij, onder andere door begeleiding bij het regelen van huisvesting en financiën.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht waaruit blijkt dat gedaagden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade met verwijzing van de zaak naar een schadestaatprocedure, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende hulp heeft gekregen van gedaagden. Hij benoemt in dat kader vijf voorbeelden, hieronder geciteerd uit de spreekaantekeningen van [eiser] :\n\n [eiser] moest op het kantoor van Woonbron tekenen voor een woning, die woning had hij nooit gezien. Van hem werd verwacht dat hij direct de huur zou voldoen. [eiser] was echter met lege handen bij de COA weggegaan en had geen inkomen of uitkering. [gedaagde 2] noch [gedaagde 1] hebben hem hierin bijgestaan;\n\n [eiser] kwam terecht in een woning zonder gas, water en licht. Onbekend met het systeem van Nederland en de taal heeft hij maandenlang zonder deze voorzieningen geleefd;\n\n [eiser] heeft van meet af aan te kennen gegeven dat hij een zoon heeft die hij naar Nederland wilde halen, hierin werd hem geen ondersteuning geboden terwijl [eiser] met eigen ogen heeft waargenomen dat derden deze hulp wel geboden kregen. Deze derden spraken de taal beter dan [eiser] ;\n\nDrie jaar lang heeft [eiser] van 50 euro per maand moeten leven vanwege een aanmelding bij de Kredietbank voor vele schulden, maar na die drie jaar waren de schulden niet opgelost, sterker nog, die waren alleen maar opgelopen;\n\nEr werd met de identiteit van [eiser] gefraudeerd. [eiser] moest zijn papieren\u002Fdocumenten inleveren bij [gedaagde 2] . Later zou hij van [gedaagde 1] een brief krijgen dat hij in Apeldoorn zou werken (terwijl hij in Rotterdam en\u002Fof Eindhoven woonde) en daarom geen uitkering kreeg. Het bedrijf in Apeldoorn kende hem echter niet. Het simpele antwoord van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] was: “je bent een fraudeur, we kunnen je niet helpen.”\n\n4.3.. Aan zijn vorderingen legt [eiser] primair ten grondslag dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van overeengekomen plannen. [eiser] stelt daardoor (vooral emotionele) schade te hebben geleden. Subsidiair grondt [eiser] zijn vordering op onrechtmatige daad. Daartoe stelt hij dat gedaagden in strijd met “de overeenkomst” hebben gehandeld en in strijd met ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer. Meer subsidiair voert [eiser] aan dat gedaagden, in het bijzonder [gedaagde 2] , ongerechtvaardigd is\u002Fzijn verrijkt ten koste van hem omdat [gedaagde 2] voor de hulpverlening budget heeft gekregen maar aan [eiser] geen hulp is verleend.\n\n4.4.. Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten de stellingen van [eiser] , voeren aan dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en beroepen zich op verjaring. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde 1] verzoekt de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente als die kosten niet binnen 14 dagen na het vonnis zijn betaald.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Voor de primaire en subsidiaire grondslag geldt dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Voor de meer subsidiaire grondslag geldt dat de juridische redenering ondeugdelijk is. Dat wordt hierna toegelicht.\n\nPrimaire en subsidiaire grondslag: [eiser] voldoet niet aan zijn stelplicht\n\n5.2.. \n [eiser] stelt dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten dan wel onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Op hem rust de stelplicht. Dat houdt in dat hij alle feitelijke elementen moet stellen die benodigd zijn voor het intreden van de door hem beoogde rechtsgevolgen. Die stellingen moet hij in voldoende mate concretiseren. Anders gezegd: het is aan [eiser] om concreet te onderbouwen wat gedaagden verkeerd zouden hebben gedaan. Dat geldt temeer nu het gaat om vermeende tekortkomingen dan wel onrechtmatige daden uit een inmiddels vrij ver verleden. Dat brengt immers mee dat het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitermate lastig is om de relevante feiten te achterhalen.\n\n5.3.. \n [eiser] heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. De voorbeelden die hij heeft genoemd zijn niet concreet genoeg. Zo blijkt nergens uit op wie van gedaagden welke specifieke contractuele verplichting rustte en waarom die gedaagde ten aanzien van die verplichting is tekortgekomen. [eiser] lijkt ervan uit te gaan dat ieder probleem waarop hij bij zijn inburgering is gestuit opgelost had moeten worden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat waar dergelijke problemen niet of niet snel genoeg zijn opgelost dat per definitie een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] oplevert. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welke concrete contractuele verplichtingen van welke van gedaagden een dergelijk vergaande verantwoordelijkheid meebrengen. Hij heeft ook anderszins niet aangetoond welke afspra(a)k(en) gedaagden toerekenbaar zouden hebben geschonden. Ook blijft onduidelijk waar de vermeende onrechtmatige da(a)d(en) uit zou(den) hebben bestaan. Het had op de weg van [eiser] gelegen om duidelijk te maken wat hij gedaagden precies verwijt. [eiser] stelt dat er naast de door hem genoemde (maar niet voldoende uitgewerkte) voorbeelden nog “talloze voorbeelden” te noemen zijn, maar hij benoemt die voorbeelden vervolgens niet. Door zijn stellingen onvoldoende te concretiseren maakt [eiser] het vrijwel onmogelijk voor gedaagden om zich adequaat te verdedigen. Gedaagden hebben dus terecht aangevoerd dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.\n\nMeer subsidiaire grondslag: de juridische redenering is ondeugdelijk\n\n5.4.. De vordering kan ook niet worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking zoals beschreven in artikel 6:212 BW. Daarvoor is immers onder meer vereist dat sprake is van verarming van [eiser] . Als [gedaagde 2] ten onrechte budget van [gedaagde 1] niet zou hebben gebruikt voor hulpverlening aan [eiser] (zoals [eiser] stelt), dan is er geen sprake van verarming van [eiser] in juridisch relevante zin. [eiser] heeft immers niet betaald voor de hulpverlening. Voor de stelling dat [gedaagde 1] ongerechtvaardigd is verrijkt heeft [eiser] in het geheel niets aangevoerd.\n\nTen slotte\n\n5.5.. In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank nog als volgt. Het komt de rechtbank voor dat de verwachtingen van [eiser] over de mogelijkheden van gedaagden om zijn problemen voor hem op te lossen, te optimistisch zijn geweest. [eiser] kwam in aanmerking voor zorg. Die is in uren geïndiceerd in WMO-beschikkingen. In sommige perioden was dat 0,5 uur en in sommige perioden 2 uur per week, zo heeft [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd. De zorg die kon worden geboden was niet van zodanige omvang dat van een hulpverlenende instantie als [gedaagde 2] kon worden verwacht dat zij onder meer alle mogelijke praktische problemen zou oplossen. Dat is ook niet de taak van die instantie, noch van [gedaagde 1] .\n\n5.6.. \n [eiser] heeft aangevoerd dat zijn problemen zijn opgelost sinds hij zijn vrouw heeft leren kennen. Zijn vrouw is in feite zijn mantelzorger en biedt hem een mate van zorg en begeleiding die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet (hebben) kunnen bieden, in ieder geval niet op basis van de gestelde WMO-indicaties. [eiser] had kennelijk behoefte aan een mate van zorg die niet door [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] wordt verleend. Dat het leven van [eiser] na zijn vestiging in Nederland niet is gelopen zoals hij had gewild, betekent niet dat hij schade heeft geleden waarvoor gedaagden uit wanprestatie of onrechtmatige daad aansprakelijk zijn.\n\n5.7.. Opmerking verdient dat [gedaagde 2] gemotiveerd heeft gesteld dat zij in de loop der jaren wel degelijk hulp heeft verleend aan [eiser] en dat [eiser] daar ook baat bij heeft gehad. [gedaagde 2] heeft in dat kader concrete voorbeelden genoemd die door [eiser] niet zijn weersproken. Nu [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal de rechtbank echter niet inhoudelijk ingaan op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd.\n\nProceskosten\n\n5.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , ieder afzonderlijk, worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5.9.. De door [gedaagde 1] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] , binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde 1] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. 3533 \u002F 1729","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7412","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.905Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":63,"updatedAt":82},"1984","ECLI:NL:RBROT:2026:7247","ecli-nl-rbrot-2026-7247","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12150418 CV EXPL 26-7713\n\ndatum uitspraak: 19 juni 2026\n\nvonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres], hierna: ‘[eiseres]’,\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. Heijstek (Juridisch Advies Rotterdam),\n\ntegen\n\nSTICHTING HUMANITAS, hierna: ‘Humanitas’,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\ngedaagde,\n\nvertegenwoordigd door [naam], bedrijfsjurist.\n\n1. De procedure\n\nHet dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 17 maart 2026, met bijlagen;\n\nde schriftelijke reactie van Humanitas, met bijlagen;\n\nde conclusie van repliek, met bijlagen;\n\nde schriftelijke reactie van Humanitas.\n\n2. Het geschil2.1.. \n [eiseres] eist samengevat:\n\nHumanitas te veroordelen aan haar te betalen € 124,10, vermeerderd met de kosten van de aangetekende brieven,\n\nHumanitas te veroordelen in de proceskosten, en\n\nhet vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n2.2.. Ter toelichting heeft zij – kort en goed – gesteld dat Humanitas ten onrechte bedragen heeft geïncasseerd voor tv-diensten aan de inmiddels overleden echtgenoot van [eiseres], zowel voor als na zijn overlijden. Ondanks herhaald verzoek is Humanitas echter niet overgegaan tot terugbetaling van die bedragen, in totaal € 124,10.\n\n2.3.. Humanitas heeft op de vordering gereageerd. Op haar reactie en op wat [eiseres] verder heeft aangevoerd, wordt hierna, voor zover van belang voor de uitkomst, teruggekomen.\n\n3. De beoordeling3.1.. Humanitas heeft bij antwoord gesteld dat zij betreurt dat de (incasso van de) tv-diensten niet tijdig (is) zijn stopgezet, dat zij [eiseres] daarvoor haar excuses aanbiedt en dat zij het bedrag van € 124,10 inmiddels, op 19 maart 2026, aan [eiseres] heeft overgemaakt.3.2.. \n [eiseres] heeft vervolgens niet betwist dit bedrag te hebben ontvangen zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat de hoofdsom is betaald. Dit deel van de vordering hoeft daarom niet meer te worden beoordeeld.\n\n3.3.. Verder heeft Humanitas bij antwoord verklaard de kosten van de aangetekende brieven, € 60,05 in totaal, te willen en zullen vergoeden maar daarvoor van de gemachtigde van [eiseres] nog geen bankrekeningnummer te hebben ontvangen. Nu uit de daarna gewisselde processtukken niet is gebleken dat Humanitas dit bedrag inmiddels heeft betaald, wordt zij daartoe hierna veroordeeld.\n\n3.4.. Met betrekking tot de proceskosten wordt overwogen dat niet in geschil is dat Humanitas ten onrechte bedragen heeft geïncasseerd en dat zij ondanks herhaalde verzoeken heeft nagelaten die terug te betalen. Niet gezegd kan dan ook worden dat [eiseres] zonder recht of reden tot dagvaarding is overgegaan. Volgens de reactie van Humanitas heeft zij toen de gemachtigde van [eiseres] vergeefs om zijn bankrekeningnummer gevraagd om de geëiste bedragen en de explootkosten te kunnen betalen zodat de zaak zonder verdere proceskosten kon worden ingetrokken. Zij is niet bereid de door het niet reageren van die gemachtigde gevallen proceskosten te betalen. Daarmee miskent zij echter dat de gemachtigde van [eiseres] ook de dagvaarding heeft opgesteld, waarvoor hem, althans [eiseres], volgens de geldende forfaitaire tarieven € 43,- aan gemachtigdensalaris toekomt. Nu uit haar stellingen niet blijkt dat Humanitas zich voor de eerst dienende dag bereid heeft verklaard ook dit bedrag te betalen, kan niet gezegd worden dat [eiseres] de procedure ten onrechte heeft doorgezet.\n\n3.5.. Dat alles betekent dat de proceskosten voor rekening van Humanitas komen, nu zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die zij aan [eiseres] moet betalen op € 155,67 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan griffierecht, € 86,- aan salaris voor haar gemachtigde (twee punten á € 43,-) en € 21,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 356,17. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3.6.. Wat verder is aangevoerd, meer bepaald over de communicatie tussen Humanitas en de gemachtigde van [eiseres], kan tot geen andere uitkomst leiden en blijft daarom onbesproken.\n\n3.7.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en Humanitas daartegen geen bezwaar heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1.. veroordeelt Humanitas om aan [eiseres] te betalen € 60,05;\n\n4.2.. veroordeelt Humanitas in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 356,17;\n\n4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.\n\n654","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7247","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:48.405Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":63,"updatedAt":90},"816","ECLI:NL:RBROT:2026:7444","ecli-nl-rbrot-2026-7444","2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummers: 11441918 CV EXPL 24-31349 & 11696043 CV EXPL 25-11328\n\ndatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de hoofdzaak met nummer 11441918 CV EXPL 24-31349 van\n\n [eiser],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\ngemachtigde: mr. S. Broekzitter-Nieuwland,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde sub 1,\n\ndie niet in de procedure is verschenen,\n\n2. [gedaagde sub 2] ,\n\nwoonplaats: [woonplaats 3] ,\n\ngedaagde sub 2,\n\ngemachtigde: mr. I.P. Biemond,\n\nén\n\nin de vrijwaringszaak met nummer 11696043 CV EXPL 25-11328 van\n\n [eiseres],\n\nwoonplaats: [woonplaats 3] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. I.P. Biemond,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\ndie niet in de procedure is verschenen.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘ [gedaagde sub 1] ’ en ‘ [gedaagde sub 2] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat in de hoofdzaak uit de volgende processtukken:\n\nhet tussenvonnis van 11 april 2025 met de daarin genoemde stukken;\n\neen aanvullende productie van [gedaagde sub 2] ;\n\neen akte aanvulling rechtsgronden en wijziging eis tevens akte toelichting en indiening producties, met bijlagen.\n\n1.2.. Het dossier bestaat in de vrijwaringszaak uit de dagvaarding van 22 april 2025.\n\n1.3.. \n [gedaagde sub 1] heeft in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak niet gereageerd. Tegen hem wordt in beide zaken verstek verleend (artikel 139 Rv). Het vonnis in de hoofdzaak geldt wel als een vonnis op tegenspraak (artikel 140 lid 3 Rv).\n\n1.4.. Op 11 mei 2026 zijn beide zaken tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde sub 2] was ook aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde.\n\n1.5.. De kantonrechter zal hieronder eerst de eisen in de hoofdzaak beoordelen en vervolgens de eisen in de vrijwaringszaak beoordelen.\n\n2. De beoordeling in de hoofdzaak\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiser] zegt dat het volgende is gebeurd. Hij heeft aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 5.700,00 geleend, zodat [gedaagde sub 1] zijn schulden kon betalen. [eiser] heeft het geld overgemaakt naar [gedaagde sub 2] . De lening zou binnen een maand worden afgelost. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] konden het geleende bedrag niet in één keer betalen, waardoor partijen een betalingsregeling hebben afgesproken. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zouden € 50,00 per maand gaan betalen. Na verschillende betalingsherinneringen hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de lening niet geheel terugbetaald aan [eiser] . Op dit moment moeten zij nog € 4.300,00 betalen aan [eiser] . In deze procedure eist hij dat de kantonrechter bevestigt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het terugbetalen van het geld dat zij van hem hebben geleend. Daarnaast vordert hij dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 4.300,00 moeten terugbetalen aan hem.\n\n2.2.. \n [gedaagde sub 2] is het niet eens met de eis. Zij geeft aan dat zij geen partij is bij de lening. Als [gedaagde sub 2] het geleende bedrag wel moet terugbetalen aan [eiser] , dan vindt zij dat de kantonrechter alleen kan toewijzen dat zij het geld in termijnen van € 50,00 moet terugbetalen.\n\n2.3.. Tijdens de zitting hebben [eiser] en [gedaagde sub 2] een betalingsregeling afgesproken. [gedaagde sub 2] moet in termijnen van € 100,00 per maand in totaal € 3.440,00 terugbetalen aan [eiser] ; dat is inclusief rente en kosten.\n\n2.4.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het terugbetalen van de lening. De kantonrechter oordeelt verder dat [gedaagde sub 2] zich moet houden aan de betalingsregeling. [gedaagde sub 1] moet wat overblijft van de vorderingen in de hoofdzaak betalen aan [eiser] . Hieronder wordt dit oordeel uitgelegd.\n\n [gedaagde sub 2] heeft een betalingsregeling gesloten en daarmee haar verweren prijsgegeven\n\n2.5.. \n [eiser] en [gedaagde sub 2] hebben tijdens de zitting een betalingsregeling afgesproken. [gedaagde sub 2] heeft afgesproken om met ingang van 1 juni 2026 in totaal € 3.440,00 aan hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten aan [eiser] te betalen in maandelijkse termijnen van € 100,00. De maandelijkse termijnen betaalt zij uiterlijk voor de eerste dag van de maand op rekeningnummer [rekeningnummer] van [eiser] . Als [gedaagde sub 2] een termijn niet of te laat betaalt, dan moet zij het totale bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan [eiser] betalen. Over dit bedrag moet dan ook direct wettelijke rente worden betaald. Als [gedaagde sub 2] meer financiële ruimte heeft, dan lost zij per maand een hoger bedrag af.\n\n2.6.. Uit het feit dat [eiser] en [gedaagde sub 2] tijdens de zitting een betalingsregeling hebben gesloten, leidt de kantonrechter af dat zij haar verweren tegen de vordering van [eiser] heeft prijsgegeven.\n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de lening terugbetalen\n\n2.7.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de lening aan [eiser] moeten terugbetalen. Het bedrag is namelijk aan zowel [gedaagde sub 1] als aan [gedaagde sub 2] uitgeleend. Dit wordt niet (meer) betwist.\n\n2.8.. Partijen zijn ieder aansprakelijk voor de helft van de lening.[eiser] heeft namelijk onvoldoende gesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het terugbetalen van de lening. [eiser] en [gedaagde sub 2] hebben afgesproken dat het bedrag dat [gedaagde sub 2] terugbetaalt aan [eiser] voor € 2.500,00 bestaat uit aflossing van de geldlening. Het restant (€ 4.300,00 - € 2.500,00) = € 1.800,00 moet [gedaagde sub 1] nog betalen aan [eiser] .\n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de incassokosten en de rente betalen\n\n2.9.. De incassokosten van € 671,55 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).\n\n2.10.. De rente wordt ook toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat niet hebben betwist.\n\n2.11.. \n [gedaagde sub 2] heeft met [eiser] afgesproken om € 440,00 aan incassokosten en rente aan [eiser] te betalen. De kantonrechter begrijpt de afspraak zo dat dit bedrag bestemd is voor haar helft van de incassokosten (€ 335,78) en de rente over het deel van de lening dat zij moet terugbetalen aan [eiser] . [gedaagde sub 1] wordt dus veroordeeld om zijn deel van de buitengerechtelijke incassokosten van € 335,78 aan [eiser] te betalen. De rente over het deel van de lening dat [gedaagde sub 1] aan [eiser] moet terugbetalen wordt toegewezen vanaf 10 oktober 2024.\n\n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen\n\n2.12.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). [gedaagde sub 2] heeft afgesproken om € 500,00 aan proceskosten te betalen. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde sub 1] aan [eiser] moet betalen op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 43,50 aan (de helft van het) griffierecht, € 144,00 aan salaris voor de gemachtigde (1\u002F2 punt voor het opstellen van de dagvaarding van [gedaagde sub 1] ) en € 72,00 aan (de helft van de) nakosten. Dat is in totaal € 396,22. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten die [gedaagde sub 1] moet betalen, wordt toegewezen.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.13.. Het vonnis in de hoofdzaak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben daar geen bezwaar tegen gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beoordeling in de vrijwaringszaak\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n3.1.. \n [eiser] en [gedaagde] hebben, volgens [eiseres] , afgesproken dat [eiser] € 5.700,00 uitleent aan [gedaagde] . Hij kon met dit bedrag de huurachterstand en de achterstand in de betaling van de maandelijkse leasetermijnen van zijn auto betalen. Dit geld is naar [eiseres] gestort. [eiseres] heeft het bedrag vervolgens overgemaakt naar de schuldeisers van [gedaagde] . [eiseres] vindt dat zij niet aansprakelijk is voor het geld dat [eiser] aan [gedaagde] heeft uitgeleend, omdat het geld bestemd was voor de schulden van [gedaagde] . Zij heeft alleen het geld ontvangen, omdat [gedaagde] het geld mogelijk voor andere doelen zou gebruiken. In deze procedure vordert [eiseres] dan ook terugbetaling van het bedrag dat zij al aan [eiser] heeft terugbetaald (€ 425,00). Daarnaast vordert zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waartoe [eiseres] wordt veroordeeld in de hoofdzaak.\n\nDe vorderingen worden toegewezen\n\n3.2.. De kantonrechter wijst de vorderingen toe en houdt bij het toewijzen rekening met de betalingsregeling die [eiseres] en [eiser] hebben afgesproken. De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor (artikel 139 Rv).\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n3.3.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 90,00 aan griffierecht, € 253,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt) en € 126,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 614,95. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n3.4.. Het vonnis in de vrijwaringszaak wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin de hoofdzaak\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser] te betalen € 2.135,78, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.800,00 vanaf 10 oktober 2024 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de overgebleven proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 396,22 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.3.. veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiser] te betalen € 3.440,00;\n\n4.4.. bepaalt dat [eiser] het onder 4.3 genoemde bedrag niet kan opeisen zolang [gedaagde sub 2] elke maand uiterlijk voor de eerste dag van de maand € 100,00 aflost op rekeningnummer [rekeningnummer] ;\n\n4.5.. bepaalt dat, als [gedaagde sub 2] een maandelijkse termijn niet of te laat betaalt, zij het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan [eiser] moet betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf dat moment tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7.. wijst al het andere af;\n\nin de vrijwaringszaak\n\n4.8.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.440,00;\n\n4.9.. bepaalt dat [eiseres] het onder 4.8 genoemde bedrag niet kan opeisen zolang [gedaagde] elke maand uiterlijk voor de eerste dag van de maand € 100,00 aflost;\n\n4.10.. bepaalt dat, als [gedaagde] een maandelijkse termijn niet of te laat betaalt,hij het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan [eiseres] moet betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf dat moment tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.11.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 425,00;\n\n4.12.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de vrijwaring, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 614,95;\n\n4.13.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.\n\n Artikel 6:6 lid 1 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7444","2026-07-13T00:28:49.517Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":63,"updatedAt":98},"420","ECLI:NL:RBROT:2026:7375","ecli-nl-rbrot-2026-7375","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F718652 \u002F KG ZA 26-394\n\nVonnis in kort geding van 5 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nPETIT PAIN B.V.,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaat: mr. Q.E.R. van 't Schip,\n\ntegen\n\nPUB CREATIONS B.V.,\n\ngevestigd in Berkel en Rodenrijs,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat: mr. M.J. Goedhart.\n\nPartijen worden hierna Petit Pain en Pub Creations genoemd.\n\nDe zaak in het kort\n\nPub Creations is begin dit jaar gestart met de realisatie van een nieuwe bedrijfslocatie voor Petit Pain. De afspraken tussen partijen zijn vastgelegd in een door Pub Creations opgestelde offerte, die door beide partijen is ondertekend. In de offerte staat dat een onderdeel van het werk de montage van koel- en vriescellen betreft, die door een externe partij op maat worden gemaakt en geleverd. Pub Creations heeft haar werkzaamheden opgeschort, onder andere omdat Petit Pain facturen onbetaald had gelaten. Vanwege een verschil van inzicht over de voorfinanciering van de koel- en vriescellen hebben partijen besloten om dit onderdeel uit de overeenkomst te halen. Pub Creations heeft het werk daarna niet hervat, omdat zij vond dat daarover, in het bijzonder de financiële aspecten, nadere afspraken moesten worden gemaakt. Petit Pain vordert in dit kort geding nakoming door Pub Creations van de overeenkomst zoals vastgelegd in de offerte.\n\nDe voorzieningenrechter wijst de vordering in dit vonnis af.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 13 mei 2026, met producties 1 tot en met 12,\n\nde producties 1 tot en met 6 van Pub Creations,\n\nde conclusie van antwoord van Pub Creations,\n\nde aanvullende producties 13 tot en met 16 van Petit Pain\n\nde pleitnota van mr. van ‘t Schip.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 22 mei 2026.\n\n1.3.. Petit Pain heeft bezwaar gemaakt tegen de conclusie van antwoord, omdat deze binnen een termijn van 48 voor de mondelinge behandeling is ingediend. De voorzieningenrechter heeft dit bezwaar ter zitting verworpen, omdat Petit Pain door het moment van indiening niet in haar processuele belangen is geschaad.\n\n1.4.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Petit Pain vier aanvullende producties overgelegd. Pub Creations heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Omdat de producties weinig nieuwe informatie bevatten en Pub Creations gedurende de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid heeft gekregen om daarop te reageren, heeft de voorzieningenrechter de producties bij de beoordeling van de vordering van Petit Pain betrokken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Petit Pain exploiteert een cateringbedrijf. Sinds december 2025 huurt zij van Petit Pain Holding B.V. een pand aan de [adres] in Rotterdam (hierna: het pand).\n\n2.2.. \n\nEind december 2025 vraagt Petit Pain aan aannemingsbedrijf Pub Creations om een offerte uit te brengen voor het realiseren van een nieuwe bedrijfslocatie in het pand. Op 31 december 2025 brengt Pub Creations een definitieve offerte uit. De (indirect) bestuurders van Petit Pain en Pub Creations ondertekenen die offerte op 2 januari 2026.\n\nIn de offerte staat dat de aanneemsom € 785.000,00 (exclusief btw) bedraagt. Daarvan ziet € 279.529,75 op de montage van koel- en vriescellen, die door World Cooling B.V. (hierna: World Cooling) op maat worden gemaakt en geleverd. Verder staat in de offerte dat Pub Creations op 30 december 2025 voor het projectmanagement al € 47.100,00 aan Petit Pain heeft gefactureerd. Petit Pain heeft die factuur aan het eind van 2025 voldaan.\n\n2.3.. Begin februari 2026 start Pub Creations met de werkzaamheden. Bij e-mail van 9 februari 2026 verzoekt Petit Pain Pub Creations om een week-tot-weekplanning toe te sturen. Ook vraagt zij aan Pub Creations wanneer de panelen van de koel- en vriescellen worden geleverd. Vervolgens vindt overleg plaats tussen partijen, waarbij zij bespreken dat World Cooling een aanbetaling verlangt voor de koel- en vriescellen.\n\n2.4.. Bij e-mail van 10 februari 2026 schrijft Pub Creations aan Petit Pain:\n\n“(…) Naar aanleiding van onze gesprekken over de aanbetaling willen wij graag het volgende voorstel helder op papier zetten.\n\nZoals ik eerder heb aangegeven, is het voor ons helaas niet mogelijk om de koel- en vriescellen te bestellen zonder aanbetaling. Voor de overige onderdelen van de order heb ik aangegeven dat betaling kan plaatsvinden op het moment dat de goederen zijn geleverd op het project of wanneer de dienst is uitgevoerd. Voor de koel- en vriescellen is dit echter niet mogelijk.\n\nNu de order definitief is, stellen wij daarom voor om dit onderdeel los te koppelen van de bouw.\n\nIk heb hierover contact gehad met de Rabobank met betrekking tot een bankgarantie op uw betaling dit is helaas niet mogelijk. Daarbij werd aangegeven dat een verzekering een goed alternatief is en aanzienlijk sneller gerealiseerd kan worden. Ook heb ik hierover gesproken met Allianz; zij geven aan dat een verzekering doorgaans binnen circa één week kan worden ingericht.\n\nConcreet betekent dit:\n\nDe bouw, installatie en afbouwblijven via ons lopen zoals afgesproken.\n\nDe koel- en vriescellenwordenapart gefactureerd, rechtstreeks doorWorld Coolingvoor hun deel van het project.\n\nZodra de verzekering bij Allianz is afgesloten, vallen zowel Pub Creations B.V. als World Cooling binnen deze verzekeringsstructuur. Hiermee heeft u de zekerheid dat het financiële risico rondom de betaling en levering van de koel- en vriescellen is afgedekt. (…)”\n\n2.5.. Bij e-mail van 13 februari 2026 zendt Pub Creations een balkenplanning aan Petit Pain. Daarin wordt 27 april 2026 als streefdatum voor de oplevering genoemd.\n\n2.6.. Bij e-mail van 23 februari 2026 laat Pub Creations aan Petit Pain weten dat Petit Pain vier facturen onbetaald heeft gelaten en dat Pub Creations vreest dat Petit Pain ook toekomstige betalingsverplichtingen niet nakomt. Pub Creations schort de uitvoering van de werkzaamheden daarom op, totdat Petit Pain de facturen voldoet.\n\n2.7.. Bij brief van 6 maart 2026 verzoekt Petit Pain Pub Creations om de werkzaamheden te hervatten. Volgens Petit Pain heeft Pub Creations de werkzaamheden ten onrechte opgeschort, omdat de betaaltermijn van de facturen op 23 februari 2026 nog niet was verstreken. Daarnaast stelt Petit Pain dat partijen zijn overeengekomen dat Petit Pain geen aanbetalingen doet en dat dit ook geldt voor de koel- en vriescellen. Volgens Petit Pain moet Pub Creations zelf in de voorfinanciering van de koel- en vriescellen voorzien.\n\n2.8.. Bij brief van 11 maart 2026 weerspreekt Pub Creations dat zij met Petit Pain heeft afgesproken dat zij de koel- en vriescellen voorfinanciert.\n\n2.9.. Bij brief van 16 maart 2026 verzoekt Petit Pain Pub Creations opnieuw om de werkzaamheden te hervatten. Daarnaast laat zij weten dat zij zich genoodzaakt ziet om de levering van de koel- en vriescellen uit de overeenkomst te halen en deze direct bij World Cooling te bestellen. Petit Pain verzoekt Pub Creations om te bevestigen dat de koel- en vriescellen uit de overeenkomst worden gehaald.\n\n2.10.. Bij brief van 18 maart 2026 stemt Pub Creations ermee in dat de koel- en vriescellen uit de overeenkomst worden gehaald. Pub Creations schrijft dat dit ook gevolgen heeft voor de werkzaamheden die functioneel en technisch afhankelijk zijn van de levering en montage van de koel- en vriescellen. Daarbij gaat het onder meer om werkzaamheden die zien op het storten van de betonvloer in de vriescel, de verlichting, de palletstellingen, de oprit voor de vriescel, de stalen hoekprofielen, de rekstellingen van de koelcel, de epoxyvloer, de schuine plinten, de snelroldeur en trekschakelaar, een brandwerend raam en een handwasbak met spiegel. Pub Creations stelt voor om ook deze werkzaamheden uit de overeenkomst te halen en afspraken te maken over de (resterende) werkzaamheden en de betaling.\n\n2.11.. Bij brief van 20 maart 2026 laat Petit Pain aan Pub Creations weten dat zij de openstaande facturen zal betalen. Daarnaast verzoekt zij Pub Creations om de werkzaamheden te hervatten en stelt zij dat € 326.629,75 exclusief btw op de aanneemsom in mindering dient te worden gebracht. Volgens Petit Pain heeft zij van dit bedrag in december 2025 al € 47.100,00 aan Pub Creations betaald. Petit Pain schrijft verder dat bij het uitblijven van een bevestiging de overeenkomst ongewijzigd blijft.\n\n2.12.. Bij brief van 26 maart 2026 schrijft Pub Creations aan Petit Pain dat zij het voor de voortzetting van de werkzaamheden noodzakelijk acht dat partijen een aanvullende overeenkomst sluiten waarin de aangepaste scope van het werk en de betalingsafspraken worden vastgelegd. Doordat de koel- en vriescellen geen onderdeel meer uitmaken van de overeenkomst en een aantal randwerkzaamheden daardoor niet meer kan worden uitgevoerd, bedraagt de aanneemsom volgens haar € 414.921,42 exclusief btw. Pub Creations stelt voor dat Petit Pain deze som in vier termijnen betaalt, overeenkomstig een door Pub Creations opgesteld en bijgevoegd betalingsschema.\n\n2.13.. Bij brief van 9 april 2026 sommeert mr. Van ’t Schip Pub Creations om de werkzaamheden te hervatten. Daarbij laat hij weten dat Petit Pain de overeenkomst zonder levering en montage van de koel- en vriescellen wenst te handhaven, met uitzondering van het storten van de betonvloer in de vriescel, de verlichting en de oprit voor de vriescel. Verder verzoekt mr. Van t Schip Pub Creations om een bedrag van € 47.1000,00 aan Petit Pain terug te betalen, omdat dit bedrag ziet op de projectplanning van de koel- en vriescellen en de koel- en vriescellen geen onderdeel meer uitmaken van de overeenkomst.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Petit Pain vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nPub Creations veroordeelt om binnen een week na betekening van dit vonnis haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst na te komen, waaronder begrepen het hervatten, voortzetten en voltooien van de aangenomen werkzaamheden, zulks met inachtneming van de tussen partijen gemaakte afspraken en overeenkomstig de overeengekomen, althans op de aannemingsovereenkomst gebaseerde, balkenplanning,\n\nPub Creations veroordeelt tot betaling van een dwangsom indien zij in gebreke blijft om aan het vonnis te voldoen,\n\nPub Creations veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. Pub Creations voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Petit Pain in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Petit Pain vordert nakoming van de overeenkomst tussen partijen, zoals vastgelegd in de ondertekende offerte. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van eiser volgt, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, en indien van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.\n\n4.2.. \n\nPetit Pain stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, waardoor de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dat spoedeisend belang is er volgens haar in gelegen dat zij de nieuwe bedrijfslocatie op korte termijn in gebruik moet nemen en al een huurder op het oog heeft voor de oude locatie. Petit Pain stelt dat zij per 1 juli 2026 uitvoering dient te geven aan een overheidsopdracht met landelijke dekking, waarvoor tijdige beschikbaarheid van voldoende productiecapaciteit, logistieke inrichting en operationele schaalgrootte essentieel is. Daarvoor is noodzakelijk dat zij overstapt op een automatische productielijn, die zij op de oude bedrijfslocatie niet kan realiseren.\n\nAfgezien van het feit dat Petit Pain haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd aan de hand van stukken, volgt de voorzieningenrechter Pub Creations in haar stelling dat Petit Pain zelf aan de afronding van het werk in de weg heeft gestaan. Petit Pain neemt in dit kort geding het standpunt in dat de koel- en vriescellen nog steeds onderdeel uitmaken van de overeenkomst, terwijl zij in haar brief van 16 maart 2026 heeft voorgesteld (zie 2.9. hiervoor) om deze uit de overeenkomst te halen en zelf van World Cooling af te nemen. In de correspondentie daarna gaat zij daar ook van uit (zie 2.11., met de toevoeging dat de gevraagde bevestiging volgt uit 2.12., en 2.13.). Na instemming door Pub Creations met dit voorstel, lijkt Petit Pain richting World Cooling geen actie te hebben ondernomen. Verder heeft Petit Pain geweigerd om met Pub Creations het gesprek aan te gaan over de voortzetting van de resterende werkzaamheden, terwijl ook dit van belang was voor een spoedige afwikkeling van het project. Dit maakt dat twijfel bestaat over het spoedeisend belang van Petit Pain bij haar vordering.\n\n4.3.. \n\nDe voorzieningenrechter acht het daarnaast niet aannemelijk dat de bodemrechter het standpunt van Petit Pain volgt. Naar voorlopig oordeel is sprake van een onvoorziene omstandigheid die maakt dat een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van Pub Creations mag worden verwacht (artikel 6:258 BW). Daartoe wordt het volgende overwogen.\n\nOp 2 januari 2026 hebben Petit Pain en Pub Creations de offerte ondertekend en daarmee een overeenkomst gesloten. Anders dan Petit Pain stelt, is daarbij niet afgesproken dat Petit Pain geen aan- of vooruitbetalingen zou doen, althans dat Pub Creations de koel- en vriescellen zou voorfinancieren. Dit staat namelijk niet in de offerte. Daarnaast blijkt uit artikel 9 lid 3 van de algemene voorwaarden van Pub Creations, waarvan niet in geschil is dat deze op de overeenkomst van toepassing zijn, dat Pub Creations gerechtigd is om het werk in door haar te bepalen termijnen te facturen.\n\nNa het sluiten van de overeenkomst heeft World Cooling te kennen gegeven dat zij een aanbetaling voor de koel- en vriescellen verlangde. Bij e-mail van 10 februari 2026 (zie 2.4.) heeft Pub Creations aan Petit Pain laten weten dat zij de koel- en vriescellen zonder aanbetaling van Petit Pain niet bij World Cooling kon bestellen. Om die reden heeft zij voorgesteld om dit onderdeel los te koppelen van de bouw. In tegenstelling tot wat Petit Pain betoogt, kan hierin geen bevestiging worden gelezen van een afspraak dat Petit Pain geen aan- of vooruitbetalingen zou doen zodat Pub Creations de koel- en vriescellen diende voor te financieren. Uit de e-mail volgt juist dat partijen werden geconfronteerd met een omstandigheid waarin zij bij het sluiten van de overeenkomst niet hadden voorzien.\n\nIn de daaropvolgende correspondentie (de brief van Petit Pain van 16 maart 2026 en de reactie daarop van Pub Creations van 18 maart 2026, zie 2.9. en 2.10.) hebben partijen besloten om de koel- en vriescellen uit de overeenkomst te halen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leidt dit ertoe dat nakoming van de overeenkomst, zoals vastgelegd in de offerte, niet van Pub Creations mag worden verwacht. Daar komt bij dat onduidelijk is welke werkzaamheden nog door Pub Creations moeten worden uitgevoerd. Een deel daarvan hangt immers samen met de levering en montage van de koel- en vriescellen. Daarvoor geldt dat het op grond van de offerte aannemelijk is dat het, anders dan mr. Van ’t Schip in zijn brief van 9 april 2026 (zie 2.13.) schrijft, om meer gaat dan het storten van de betonvloer en het realiseren van de verlichting en oprit.\n\n4.4.. De vordering van Petit Pain stuit ten slotte af op praktische bezwaren. Zoals hiervoor overwogen kan niet worden vastgesteld welke resterende werkzaamheden nog door Pub Creations moeten worden verricht. Een veroordelend vonnis zou daarmee voer opleveren voor executiegeschillen. Daar komt bij dat de in de balkenplanning genoemde termijnen zijn verstreken. Nu Pub Creations te kennen heeft gegeven dat zij de werkzaamheden wil hervatten als daar duidelijke afspraken over worden gemaakt, geeft de voorzieningenrechter partijen in overweging om alsnog in overleg te treden.\n\n4.5.. Petit Pain is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Pub Creations betalen. De proceskosten worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\nTotaal\n\n€\n\n2.101,00\n\n4.6.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Petit Pain af,\n\n5.2.. veroordeelt Petit Pain in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Petit Pain niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Petit Pain tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling in 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026. [2971\u002F2009]\n\nplus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7375","2026-07-13T00:28:29.007Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":103,"fullText":104,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":103,"parsedAt":63,"updatedAt":106},"344","ECLI:NL:RBROT:2026:5540","ecli-nl-rbrot-2026-5540","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam Handel en Haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F694548 \u002F HA ZA 25-157\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTRANSNORDIC SHIPPING & LOGISTICS B.V.,\n\ngevestigd te Dordrecht,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Transnordic,\n\nadvocaat: mr. Z.F. Poortvliet te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nDELINA GMBH,\n\ngevestigd te Kempen (Duitsland),\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Delina,\n\nadvocaat: mr. W.E. Boonk te Rotterdam.\n\n1. De kern van het geschil\n\nTransnordic wil betaald worden voor haar werkzaamheden als ontvangstexpediteur. Bij de import van voor Delina bestemde goederen zijn er vertragingen geweest in de haven van Rotterdam. Transnordic heeft daarover informatie aan Delina verschaft. Delina vraagt zich echter nog steeds af of die vertragingen aan Transnordic te verwijten zijn, wil nog meer informatie van Transnordic en vordert een schadevergoeding.\n\nDe rechtbank oordeelt – kort gezegd – dat Delina Transnordic moet betalen voor de door Transnordic verrichte werkzaamheden. Transnordic heeft ook voldoende informatie gegeven aan Delina. De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van Delina af omdat zij daarvoor onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld. De rechtbank legt dat hieronder uit.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding 12 december 2024, met producties 1 tot en met 20; - de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie van 23 juli 2025, met producties 1 tot en met 3;\n\n- de brieven van de rechtbank van 5 augustus 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- het bericht van de rechtbank van 5 november 2025, met daarin een zittingsagenda;\n\n- de op 21 november 2025 ingekomen akte van Delina van 4 december 2025, met producties 4 tot en met 9;\n\n- de op 23 november 2025 ingekomen conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende wijziging van eis in conventie en overlegging producties in conventie van 4 december 2025, met producties 21 tot en met 28;\n\n- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Poortvliet en Boonk .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Delina is een handelsonderneming die actief is in de levensmiddelenindustrie. Zij importeert goederen van buiten de EU.\n\n3.2.. Transnordic is een logistiek dienstverlener en treedt op als ontvangstexpediteur van Delina in de haven van Rotterdam. Dat houdt onder meer in dat zij binnenkomende containers van de zeevervoerder in ontvangst neemt en zorg draag voor het inklaren en (fytosanitaire) keuren van de goederen. Transnordic maakt daarbij gebruik van verschillende douane-agenten.\n\n3.3.. Partijen hebben ruim 16 jaar samengewerkt. De meest recente offerte op basis waarvan partijen hebben samengewerkt is op 21 december 2022 aan Delina gestuurd per e-mail. Onderaan de e-mail heeft Transnordic de ‘Transnordic Warehousing Conditions version 2019’ van toepassing verklaard op ‘any warehousing activities’ en op alle andere activiteiten de ‘Transnordic Forwarding Conditions version 2018’ (hierna: TFC), met daarbij hyperlinks naar die voorwaarden.\n\n3.4.. Sinds, althans vooral in het tweede kwartaal van 2024 is sprake van significante vertragingen tussen aankomst van de goederen in de haven van Rotterdam en het moment dat deze door de Douane en de NVWA zijn goedgekeurd voor verder transport. De hieraan verbonden extra kosten heeft Transnordic aan Delina doorbelast.\n\n3.5.. In de periode van augustus 2024 tot en met december 2024 heeft Transnordic 59 facturen verstuurd, welke Delina aanvankelijk niet heeft betaald. Het daarmee in totaal gefactureerde bedrag bedraagt € 127.006,44.\n\n3.6.. Op 28 oktober 2024 stelt Delina Transnordic formeel aansprakelijk voor de door haar geleden schade door de vertragingen en schorst zij betaling van de nog openstaande facturen op. Delina voegt daarbij een excel-overzicht van de vertraagde vrachten en verzoekt Transnordic om dat overzicht aan te vullen met haar gegevens, om te achterhalen hoe en waar de vertragingen werkelijk zijn ontstaan.\n\n3.7.. Op 31 oktober 2024 heeft Transnordic aan Delina geschreven dat opschorting volgens haar ongegrond is en contractueel niet is toegelaten. Het excel-overzicht heeft Transnordic aangevuld en gelijktijdig aan Delina toegezonden. Transnordic maant Delina daarbij aan tot betaling van de facturen en buitengerechtelijke kosten over de facturen waarvan de vervaldatum op dat moment is verstreken.\n\n3.8.. Op 6 november 2024 vraagt Delina aan Transnordic ook om alle onderliggende documenten dan wel ander beschikbaar bewijs van de door Transnordic ingevulde data.\n\n3.9.. Op 14 november 2024 reageert Transnordic dat zij dat een onnodig en disproportioneel aanvullend verzoek acht, en maant zij opnieuw aan tot betaling van de facturen en buitengerechtelijke kosten over de facturen waarvan de vervaldatum op dat moment is verstreken.\n\n3.10.. Op 20 november 2024, nadat partijen intussen enkele berichten hebben gewisseld, stelt Delina voor dat zij € 81.753,44 – volgens Delina de kosten exclusief demurrage(productie 18 bij dagvaarding) – van de openstaande facturen zal betalen, en dat Transnordic daarna de genoemde documenten zal toesturen.\n\n3.11.. Op 26 november 2024 heeft Delina € 66.795,74 aan Transnordic betaald, en op 4 december 2024 € 15.600,17. In beide gevallen heeft Delina daarbij gespecificeerd op welke facturen deze betalingen zien.\n\n3.12.. Op 18 april 2025 heeft Transnordic inzage gegeven in onderliggende documenten (die zij in de tussentijd al had verzameld) aan de advocaat van Delina. In mei heeft Delina ook zelf (technisch) toegang gekregen tot die documenten.\n\n3.13.. Op 8 juli 2025 heeft Delina inhoudelijk commentaar geleverd op de aangeleverde documenten, met nadere vragen.\n\n3.14.. Op 15 juli 2025 heeft Transnordic aangegeven geen nadere informatie meer te willen verstrekken.\n\n3.15.. Na het uitbrengen van dagvaarding heeft Transnordic van rederijen nog kosten doorbelast gekregen die ten behoeve van Delina zijn gemaakt. Op 24 januari 2025, 28 januari 2025, 25 februari 2025 respectievelijk 5 augustus 2025 heeft Transnordic die kosten doorbelast aan Delina met een negental facturen. Deze facturen bedragen gezamenlijk € 1.180,00. Delina heeft deze facturen niet betaald.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n\nTransnordic vordert, na wijziging van eis, – samengevat – de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. Delina te veroordelen om aan haar te betalen € 43.790,53 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over het per factuur openstaande bedrag van oorspronkelijk € 125.006,44 vanaf de vervaldatum van iedere factuur, met in achtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW ten aanzien van de tussentijds gedane betalingen;\n\nII. Delina te veroordelen aan haar te betalen € 12.465,64 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\nIII. Voor recht te verklaren dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige en toekomstige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nIV. Delina te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na dit vonnis.\n\n4.2.. Delina voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Transnordic, met veroordeling van Transnordic in de kosten van deze procedure, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nin reconventie\n\n4.3.. \n\nDelina vordert – samengevat – de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Transnordic te veroordelen:\n\nI. aan haar te betalen € 118.100,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2025 (de datum van de conclusie van eis in reconventie); en\n\nII. in de proceskosten.\n\n4.4.. Transnordic voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Delina, met veroordeling van Transnordic in de kosten van deze procedure, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nDe rechtbank Rotterdam is (internationaal) bevoegd\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter omdat Delina buiten Nederland is gevestigd. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht van toepassing is.\n\n5.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de TFC van toepassing zijn. In artikel 21 lid 3 TFC is bepaald dat, onder meer, de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van geschillen verbonden aan overeenkomsten waarop de TFC van toepassing zijn. De rechtbank Rotterdam is daarom bevoegd kennis te nemen van dit geschil (artikel 25 Brussel I-bis).\n\n5.3.. In artikel 21 lid 1 TFC is voorts bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op overeenkomsten waarop de TFC van toepassing zijn. Nederlands recht is zodoende van toepassing op dit geschil (artikel 3 Rome I).\n\nin conventie\n\nDe gevorderde openstaande factuurbedragen zijn toewijsbaar\n\n5.4.. Transnordic vordert aan hoofdsom € 43.790,53 aan onbetaald gebleven facturen. Zij stelt dat Transnordic de overeengekomen logistieke diensten heeft verleend. Daarnaast komen extra kosten wegens langere laad- en lostijden, waaronder demurrageen wachttijd, voor rekening van Delina, gelet op artikel 6 lid 6 TFC:\n\n“Article 6. Remunerations\n\n(…)\n\n6. Other than in cases of intent or deliberate recklessness on the part of the Freight Forwarder, in the event of the loading and\u002For unloading time being inadequate, all costs resulting therefrom, such as demurrage, waiting times, etc. shall be borne by the Client, even when the Freight Forwarder has accepted the bill of lading and\u002For the charter party from which the additional costs arise without protestation. The Freight Forwarder must make every effort to avoid these costs.”\n\nDelina is daarom verplicht om Transnordic de nog openstaande factuurbedragen te betalen op grond van artikel 15 lid 1 TFC. Opschorting daarvan is contractueel uitgesloten in artikel 15 lid 10 TFC, aldus Transnordic:\n\n“Article 15. Payment conditions\n\n1. The Client shall pay to the Freight Forwarder the agreed remunerations and other costs, freights, duties, etc. ensuing from the Agreement upon commencement of the Services, unless agreed otherwise.\n\n(…)\n\n10. It shall not be permissible for claims receivable to be set off against payment of remunerations arising from the Agreement on any other account in respect of the Services owed by the Client or of other costs chargeable against the Goods with claims of the Client or suspension of the aforementioned claims by the Client.”\n\n5.5.. Delina voert aan dat zij niet gehouden is te betalen voor diensten die niet deugdelijk zijn verleend. Als de vertragingen die zijn opgelopen in het traject bij de Douane en de NVWA aan Transnordic te verwijten zijn, dan heeft Transnordic haar werk niet goed gedaan. Delina voert aan dat zij nog steeds niet over de volledige benodigde informatie beschikt. Of Transnordic haar werk goed heeft gedaan, is voor Delina tot op heden nog niet te beoordelen geweest. Delina voert aan daarom nog niet verplicht te zijn de facturen te betalen en dat zij de betaling van de facturen daarom heeft opgeschort.\n\n5.6.. Daarnaast voert Delina aan dat als Transnordic haar werk niet goed heeft gedaan, Delina dan een schadevordering heeft op Transnordic, waardoor zij eveneens kan opschorten en verrekenen.\n\n5.7.. De rechtbank oordeelt dat in artikel 15 lid 1 TFC is bepaald dat Transnordic de aan haar verschuldigde bedragen voor door haar verleende diensten direct opeisbaar zijn vanaf het moment dat die betreffende diensten zijn verleend. Daaronder vallen ook de extra kosten (artikel 6 lid 6 TFC). Of Transnordic al dan niet deugdelijk heeft gepresteerd doet daaraan niet af. Op grond van artikel 15 lid 10 TFC is Delina namelijk niet bevoegd deze betalingsverplichtingen op te schorten. Vaststaat dat er aanvankelijk € 128.186,44 onbetaald is gebleven en dat Delina daarvan intussen € 82.395,91 heeft voldaan (zie 3.5, 3.11 en 3.15). Dat betekent dat er in ieder geval nog een bedrag van € 45.790,53 aan factuurbedragen openstaat. De door Transnordic gevorderde hoofdsom van € 43.790,53 is daarom toewijsbaar.\n\nTransnordic vordert wettelijke handelsrente over € 125.006,44\n\n5.8.. Bij dagvaarding heeft Transnordic gevorderd “Delina te veroordelen om aan Transnordic te betalen een hoofdsom van EUR 125.006,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande bedrag vanaf de vervaldatum van iedere factuur (…), alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten (…)”, waarna het totaal moet “worden verminderd met het reeds door Delina betaalde bedrag (…), waarbij betalingen worden toegerekend conform artikel 6:44 BW”. Daarbij heeft Transnordic toegelicht dat de intussen door Delina gedane betalingen op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering op de reeds verlopen rente en buitengerechtelijke kosten moeten worden gebracht en daarna pas op de hoofdsom.\n\n5.9.. Bij wijziging van eis heeft Transnordic gevorderd “Delina te veroordelen om aan Transnordic te betalen een hoofdsom van EUR 43.790,53, waarbij de betalingen worden toegerekend conform artikel 6:44 BW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande bedrag vanaf de vervaldatum van iedere factuur (…), alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten (…)”.\n\n5.10.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Transnordic, op vragen van de rechtbank, toegelicht dat zij nog steeds de wettelijke handelsrente vordert over het bedrag van € 125.006,44, waarbij ten aanzien van de tussentijdse betaling van Delina rekening moet worden gehouden met hetgeen in artikel 6:44 BW is bepaald.\n\n5.11.. De rechtbank begrijpt de vordering van Transnordic zo dat zij nog steeds de wettelijke handelsrente over € 125.006,44 vordert. Transnordic heeft namelijk herhaaldelijk gewezen op de systematiek van artikel 6:44 BW, waaronder in de letterlijke tekst van haar eisvermindering. Bij het vorderen van de wettelijke handelsrente over € 43.790,53 zou dat artikel niet meer van belang zijn geweest. De rechtbank begrijpt uit die verwijzing dat Transnordic haar eis niet heeft willen wijzigen ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente en dat dat ook voor Delina duidelijk moet zijn geweest.\n\nDe gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar5.12. Transnordic hanteert, anders dan uit de directe opeisbaarheid van artikel 15 lid 1 TFC volgt, in haar facturen een vervaltermijn van 30 dagen. Met het uitblijven van betaling van de betreffende facturen binnen de daarin gestelde vervaltermijnen is sprake van verzuim aan de zijde van Delina vanaf die vervaltermijnen (artikel 6:83 aanhef en onder a BW).\n\n5.13.. De gevorderde wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW is daarom toewijsbaar over € 125.006,44, zijnde het totaal van de bij dagvaarding gevorderde factuurbedragen, vanaf de vervaldata van die facturen, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina ten aanzien van die facturen gedane betalingen.\n\nDe gevorderde BIK is toewijsbaar na matiging\n\n5.14.. Transnordic stelt dat tot het moment van dagvaarden Delina in verzuim is geraakt met de betaling van 55 facturen, met een totaal factuurbedrag van € 124.656,44. Uit het bepaalde in artikel 16 lid 2 TFC volgt dat Delina daardoor 10% van dat bedrag aan Transnordic verschuldigd is als buitengerechtelijke kosten, te weten € 12.465,64:\n\n“Article 16. Allocation of payments and judicial and extrajudicial costs\n\n(…)\n\n2. The Freight Forwarder shall be entitled to charge to the Client extrajudicial and judicial costs for collection of the claim. The extrajudicial collection costs are owed as from the time at which the Client is in default and these amount to 10% of the claim, with a minimum of € 100.00.”\n\nDe advocaat van Transnordic is anderhalve week bezig geweest met het invullen van het overzicht van Delina en het verzamelen van alle onderliggende documenten, met als doel buiten rechte tot een oplossing te komen. Van een boetebeding is geen sprake omdat het gaat om een beding over buitengerechtelijke kosten. Onaanvaardbaar is het beding niet, omdat het al 16 jaar tussen partijen geldt en het een gebruikelijk beding is in de branche, aldus Transnordic.\n\n5.15.. Delina betwist dat zij dit bedrag verschuldigd is. Direct vanaf de eerste brief werd aangemaand tot het betalen van € 8.763,85 aan buitengerechtelijke kosten. Het kan niet zo zijn dat deze buitengerechtelijke kosten werkelijk zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke kosten staan ook niet in verhouding tot de in deze procedure resterende hoofdsom. Delina verzoekt de rechtbank daarom de buitengerechtelijke kosten te matigen.\n\n5.16.. Betreffende het beroep van Transnordic op artikel 16 lid 2 TFC voert Delina aan dat dit een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW is. Daarom kan Transnordic niet én nakoming én betaling van de boete vorderen (artikel 6:92 lid 1 BW), waarbij de boete dan ook in de plaats treedt van de gevorderde wettelijke rente (artikel 6:92 lid 2 BW).\n\n5.17.. Ten slotte voert Delina het verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Transnordic aanspraak maakt op vergoeding van niet-gemaakte kosten, terwijl zij weigert om werkelijk inzicht te geven in de wijze waarop zij haar dienstverlening heeft verricht.\n\n5.18.. De rechtbank oordeelt als volgt. Transnordic vordert in deze procedure de buitengerechtelijke kosten over € 124.656,44 aan te laat betaalde facturen, zoals deze kosten, samen met de gerechtelijke kosten, contractueel zijn bedongen in artikel 16 lid 2 TFC. Dit artikel betreft een boetebeding. Echter, anders dan Delina betoogt, is artikel 6:92 lid 1 BW hier niet van toepassing. Het boetebeding ziet hier namelijk alleen op de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten (artikel 16 lid 2 TFC). Artikel 6:92 lid 2 BW is daarom wel van toepassing en houdt, zoals Delina wel terecht aanvoert, niets anders in dan dat naast de contractuele buitengerechtelijke kosten niet ook de wettelijke buitengerechtelijke kosten kunnen worden gevorderd. Aangezien de wettelijke buitengerechtelijke kosten niet ook worden gevorderd, heeft artikel 6:92 lid 2 BW hier geen verdere betekenis.\n\n5.19.. Op grond van artikel 242 Rv kan de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b en c BW ambtshalve matigen tot de krachtens de wet te begroten proceskosten dan wel buitengerechtelijke kosten.\n\n5.20.. Zoals al geconstateerd is, vordert Transnordic alleen buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 16 lid 2 TFC. De gerechtelijke kosten vordert zij immers afzonderlijk zonder een beroep op deze contractuele bepaling. De door Transnordic van meet af aan gesommeerde buitengerechtelijke kosten komen de rechtbank over als in ieder geval op dat moment nog buitensporige kosten. Voor zover in deze procedure is gebleken en vaststaat, betroffen de buitengerechtelijke handelingen van Transnordic tot dan toe nog slechts één sommatiebrief en, voor zover dat niet eigenlijk bij het uitvoeren van de informatieplicht van de opdrachtnemer hoort, het aanvullen van het door Delina aangeleverde excel-overzicht. Het toesturen van de onderbouwende stukken heeft Transnordic eerst gedaan nadat Delina daartoe concrete gerechtelijke stappen had voorbereid en aangezegd aan Transnordic. Delina had op dat moment ook al een groot deel van de nog openstaande facturen betaald. Het voorgaande neemt gelijktijdig niet weg dat het verzamelen van die onderbouwende stukken uiteindelijk wel buiten rechte is geweest en dat dit Transnordic veel tijd heeft gekost. Transnordic heeft met die onderbouwende stukken, naast de communicatie tijdens het uitvoeren van de opdrachten en alle eerder gegeven toelichtingen daarover, voldoende inzicht gegeven in de wijze waarop zij haar dienstverlening heeft verricht.\n\n5.21.. De volgens de wet conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te begroten buitengerechtelijke kosten over € 124.656,44 bedragen € 2.446,09 inclusief btw. Gelet op het voorgaande matigt de rechtbank de gevorderde buitengerechtelijke kosten tot 50% van het gevorderde bedrag, te weten € 6.232,82. Dit is toewijsbaar, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina gedane betalingen. Toekenning van de gevorderde € 12.465,64 als toepassing van een boetebeding zou in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leiden.\n\nDe gevolgen van de eiswijziging in het licht van artikel 6:44 BW\n\n5.22.. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat gelet op de systematiek van artikel 6:44 BW moeten de door Delina tussentijds gedane betalingen eerst in mindering worden gebracht op de op dat moment reeds verlopen rente en de buitengerechtelijke kosten. Vermoedelijk resteert daarna een groter bedrag aan openstaande facturen dan waarvan is uitgegaan in overweging 5.7. De eiswijziging in deze procedure biedt de rechtbank geen ruimte voor toewijzing van dat meerdere.\n\nTransnordic heeft gedeeltelijk belang bij de gevorderde verklaring voor recht5.23.. De door Transnordic gevorderde verklaring voor recht dat Delina alle huidige en toekomstige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic moet vergoeden, is toewijsbaar voor zover het alle huidigekosten betreft. In de overwegingen 5.7 en 5.22 is reeds overwogen dat de door Transnordic in deze procedure gevorderde betalingen niet dekkend zijn voor ‘alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic’. Daarbij is eveneens gebleken dat Transnordic wel recht heeft op betaling daarvan.5.24.. De door Transnordic gevorderde verklaring voor recht wordt echter afgewezen voor zover het toekomstigekosten betreft omdat Transnordic daarbij onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW). Deze procedure ziet al op alle huidige kosten, met inbegrip van het toewijsbare deel van de gevorderde verklaring voor recht. Transnordic heeft verder niet kunnen toelichten dat en waarom er nog toekomstige kosten te verwachten zijn, anders dan dat rederijen soms erg laat factureren. Het gaat hier echter over zendingen tot in 2024, waarbij de als laatste aan Delina doorbelaste kosten in januari, februari en vervolgens pas augustus 2025 zijn gefactureerd. Een redelijke verwachting dat er nog toekomstige kosten te verwachten zijn, is er niet.\n\n5.25.. De rechtbank verklaart zodoende voor recht dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata van de daartoe aan Delina toegezonden facturen tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nin reconventie\n\nDe gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen\n\n5.26.. Delina vordert € 118.100,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. De schade bestaat uit kosten die zij wegens vertraging heeft moeten betalen. Het totaalbedrag dat Delina heeft moeten betalen voor de vertraagde zendingen waarover Transnordic geen openheid van zaken heeft wil geven bedraagt € 118.100,00. Voor al die zendingen heeft Delina, ook met de in april respectievelijk mei 2025 ontvangen informatie, niet kunnen vaststellen dat Transnordic zich als goed opdrachtnemer heeft gekweten van haar taken. Daarom gaat Delina ervan uit dat bij die zendingen ten minste een groot deel van de vertraging te wijten is aan handelen of nalaten van Transnordic in strijd met hetgeen Delina onder de overeenkomst van haar mocht verwachten.\n\n5.27.. Transnordic betwist de vordering van Delina. Transnordic voert, onder meer, aan dat zij niet toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, dat zij wel inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd, voor zover mogelijk, waardoor er vertraging is ontstaan, dat die vertraging niet aan haar te verwijten is. Voorts betwist Transnordic dat Delina schade heeft geleden en de hoogte van de door Delina gestelde schade.\n\n5.28.. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vordering van Delina worden afgewezen als onvoldoende onderbouwd gesteld.\n\n5.29.. Transnordic is als opdrachtnemer verplicht om bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (artikel 7:401 BW). Daarbij moet worden beoordeeld of zij heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan.\n\n5.30.. Daarnaast is Transnordic verplicht aan de opdrachtgever rekening en verantwoording af te leggen van de wijze waarop zij zich van de opdracht heeft gekweten (artikel 7:403 lid 2 eerste zin BW). In hoeverre verantwoording is verschuldigd, hangt af van de aard en inhoud van de opdracht en de verhouding tussen partijen.\n\n5.31.. Allereerst, Transnordic heeft de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen.\n\n5.32.. Al tijdens de uitvoering van de vertraagde opdrachten heeft Transnordic daarover gecommuniceerd en heeft zij meegedacht om de vertragingen te beperken. Transnordic heeft aangeboden om van douane-agent te wisselen en heeft dat ook gedaan. Dat sorteerde op de langere termijn echter geen effect. Transnordic heeft ook voorgesteld via de haven van Antwerpen te verschepen in plaats van de haven van Rotterdam, omdat in Antwerpen al invoercontroles kunnen worden uitgevoerd voordat de goederen zijn aangekomen.\n\n5.33.. Delina heeft bij haar conclusie van eis in reconventie voor een aantal specifieke zendingen uitgelicht waarom de opgelopen vertragingen aan Transnordic te verwijten zouden zijn. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft Transnordic die voorbeelden weerlegt, in die zin dat de bij die zendingen opgelopen vertragingen niet aan haar kunnen worden verweten, maar dat deze (grotendeels) aan de Douane en\u002Fof de NVWA te verwijten zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Delina die weerleggingen niet bestreden en waren partijen het er wel over eens dat ten minste een groot deel van de vertragingen is ontstaan door toedoen van de NVWA en\u002Fof de Douane. Dat is niet aan Transnordic te verwijten.\n\n5.34.. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door Delina wederom zeer specifieke stellingen ingenomen ten aanzien van een aantal andere vertraagde zendingen. Deze stellingen zijn door haar echter te laat ingenomen om Transnordic voldoende gelegenheid te geven daarop nog te kunnen reageren. Deze voorbeelden moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten (artikel 19 Rv).\n\n5.35.. Delina heeft (verder) niet concreet gesteld welke (verwijtbare) fouten door Transnordic zouden zijn gemaakt en welk causaal verband er zou bestaan tussen het handelen van Transnordic en de (al dan niet) door Delina geleden schade. Die schade is bovendien ook slechts genoemd, maar geenszins door Delina inzichtelijk gemaakt. Onder meer over wat voor schade het betreft heeft Delina niets gesteld. Daarbij vordert Delina bijna € 120.000 aan schadevergoeding, terwijl zij eerder zelf aan Transnordic heeft geschreven dat zij slechts ruim € 40.000 aan factuurbedragen onbetaald heeft gelaten omdat die bedragen zagen op door Transnordic gefactureerde extra kosten wegens vertraging.\n\n5.36.. Ten tweede, betreffende het afleggen van rekening en verantwoording aan Delina treft Transnordic eveneens geen blaam. Het excel-overzicht van Delina heeft zij in drie dagen ingevuld en aan Delina retour gestuurd.\n\n5.37.. Ook nadien heeft Transnordic adequaat verantwoording afgelegd. De onderliggende stukken heeft Transnordic uiteindelijk ook aan Delina toegestuurd. Daarover is door Transnordic gesteld en door Delina niet betwist dat het verzamelen en toesturen van alle onderliggende stukken ongebruikelijk is in de branche, zeker nu dit niet tevoren is overeengekomen en daaraan dus ook niet een hogere vergoeding is verbonden voor Transnordic.\n\n5.38.. Bij het weerleggen van de specifieke voorbeelden van Delina heeft Transnordic bij conclusie van antwoord in reconventie nog stukken in het geding gebracht. Delina stelt dat daaruit blijkt dat Transnordic haar niet volledig heeft geïnformeerd. Echter, naar het oordeel van de rechtbank past dit juist in het beeld dat het niet nodig is om altijd alle stukken te achterhalen, onder meer bij derden als de douane-agent, maar dat het wel nodig is om bij concrete vragen daar achteraan te gaan.\n\n5.39.. Op een gegeven moment kan dat laatste ook weer anders liggen - zoals bij de nieuwe specifieke voorbeelden en daaraan verbonden vragen in de spreekaantekeningen van mr. Boonk - mede gelet op het gegeven dat verzamelen en toesturen van onderliggende stukken in deze situatie ongebruikelijk is en de eerdere concrete voorbeelden respectievelijk (impliciete) vragen ook niets hebben opgeleverd.\n\n5.40.. Zodoende oordeelt de rechtbank dat Transnordic niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen als opdrachtnemer (artikel 6:74, 7:401 en 7:403 BW). Gelet op het voorgaande is eveneens geen sprake van onrechtmatig handelen van Transnordic jegens Delina in de zin van artikel 6:162 BW. De vorderingen van Delina worden daarom afgewezen.\n\nin conventie en reconventie\n\nDelina wordt in de proceskosten veroordeeld\n\n5.41.. Delina wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. Delina wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Transnordic worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 135,97\n\n- griffierecht € 2.995,00\n\n- salaris advocaat conv. € 2.580,00 (2 x 1 punt × tarief IV € 1.290,00)\n\n- salaris advocaat reconv. € 2.051,00 (2 x 0,5 punt x tarief V € 2.051,00)\n\n- nakosten € 296,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 8.057,97\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.42.. De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt Delina aan Transnordic te betalen € 43.790,53;\n\n6.2.. veroordeelt Delina aan Transnordic te betalen de wettelijke handelsrente over € 125.006,44 vanaf de vervaldata van de onderliggende factuurbedragen en € 6.228,32 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina gedane betalingen;\n\n6.3.. verklaart voor recht dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata van de daartoe aan Delina toegezonden facturen tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nin reconventie6.4. wijst de vorderingen van Delina af;\n\nin conventie en reconventie\n\n6.5.. veroordeelt Delina in de proceskosten van € 8.057,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;\n\n6.6.. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. 3718\u002F32\n\n Zoals hierna verder toegelicht onder 5.8 t\u002Fm 5.11.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).\n\n HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6159.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5540","2026-07-13T00:28:25.343Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":111,"fullText":112,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":113,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":63,"updatedAt":114},"901","ECLI:NL:RBROT:2026:7471","ecli-nl-rbrot-2026-7471","2026-05-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11908220 CV EXPL 25-20955\n\ndatum uitspraak: 8 mei 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiser] ,die handelt onder de naam[bedrijf 1],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\ngemachtigde: mr. M. Leung,\n\ntegen\n\n [gedaagde], die handelt onder de naam[bedrijf 2],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 22 september 2025, met bijlagen 1 tot en met 5;\n\nhet antwoord, met bijlage;\n\nde akte van [eiser] , met bijlagen 6 tot en met 33.\n\n1.2.. Op 7 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] met, namens zijn gemachtigde, mr. A. den Drijver. [gedaagde] en zijn gemachtigde waren bij de zitting niet aanwezig.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?2.1.. \n [eiser] heeft beveiligingswerkzaamheden uitgevoerd in opdracht van [gedaagde] . [gedaagde] heeft twee facturen die [eiser] daarvoor heeft verstuurd, niet tijdig en volledig betaald. [eiser] vordert betaling van het openstaande deel, te weten € 224,35. Daarnaast vordert [eiser] handelsrente van € 44,27 en € 476,53 aan buitengerechtelijke incassokosten.\n\n2.2.. \n [gedaagde] stelt dat hij de openstaande facturen heeft verrekend met een zogenaamde ‘no show’-factuur die hij aan [eiser] heeft gestuurd. Volgens [gedaagde] is dit een factuur die in rekening wordt gebracht voor geleden schade als een opdrachtnemer niet verschijnt voor afgesproken werkzaamheden en is dit heel gebruikelijk in de branche. [eiser] is niet verschenen op 27 en 28 juni 2025 voor afgesproken werkzaamheden en [gedaagde] heeft daardoor schade geleden.\n\n [gedaagde] moet een bedrag van € 224,35 aan [eiser] betalen2.3.. \n [gedaagde] betwist de hoofdsom niet. Het beroep op verrekening van [gedaagde] slaagt niet. Weliswaar staat vast dat [eiser] de overeengekomen werkzaamheden op 27 en 28 juni 2025 niet heeft uitgevoerd, maar [gedaagde] heeft, mede gelet op de betwisting van [eiser] ter zitting, onvoldoende onderbouwd dat hij daardoor schade heeft geleden. Daar komt bij dat [gedaagde] ook niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat het in de branche gebruikelijk is om een no show factuur te sturen. Dit had gelet op de betwisting door [eiser] wel op zijn weg gelegen. De vordering van [eiser] is dan ook toewijsbaar en een bedrag van € 224,35 wordt toegewezen.\n\n [gedaagde] moet incassokosten van € 442,69 betalen\n\n2.4.. Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 442,69 toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde vergoeding te matigen tot het bedrag waarop [eiser] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (artikel 242 Rv). [eiser] heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken.\n\n [gedaagde] moet rente betalen\n\n2.5.. De handelsrente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het toegewezen bedrag € 44,27 aan vervallen handelsrente.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.6.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 123,73 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 823,73. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. [eiser] eist de handelsrente (artikel 6:119a BW), maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk weliswaar rente betalen over de hoofdsom, maar het betalen van proceskosten behoort niet tot de primaire betalingsverplichting. Daarom wordt de rente over de proceskosten toegewezen op basis van artikel 6:119 BW.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.7.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 711,31 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 224,35 vanaf 22 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 823,73 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7471","2026-07-13T00:28:53.732Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":119,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":120,"sourceTimestamp":121,"parsedAt":63,"updatedAt":122},"764","ECLI:NL:RBROT:2024:4686","ecli-nl-rbrot-2024-4686","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F657425 \u002F HA ZA 23-422\n\nHerstelvonnis in gevoegde zaken van 29 mei 2024\n\nin de zaak met zaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F657425 \u002F HA ZA 23-422 van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nROWOOD B.V.,\n\ngevestigd te Ridderkerk,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde naamloze vennootschap\n\nTIMBER AND BUILDINGS SUPPLIES HOLLAND N.V.,\n\ngevestigd te Zaandam,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in reconventie,\n\nadvocaat mr. J.P. van der Klein te Amsterdam,\n\nen in de zaak met zaaknummer \u002F rolnummer C\u002F10\u002F657427 \u002F HA ZA 23-423 van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nROWOOD B.V.,\n\ngevestigd te Ridderkerk,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHOUTHANDEL LOOIJMANS B.V.,\n\ngevestigd te Someren,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiseres in reconventie,\n\nadvocaat mr. J.P. van der Klein te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna Rowood, TABS en Looijmans genoemd worden.\n\n1. Het verzoek tot verbetering1.1.. Bij brief van 16 april 2024 heeft Rowood de rechtbank verzocht om verbetering van het op 3 april 2024 in deze zaak gewezen vonnis, in die zin dat de proceskostenveroordelingen in het vonnis worden verbeterd op het punt van – samengevat – het griffierecht. Volgens Rowood is in haar zaken tegen TABS en Looijmans ten onrechte € 5.737,00 aan griffierecht geheven en had dit € 2.837,00 moeten zijn.\n\n1.2.. De rechtbank heeft TABS en Looijmans in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten.\n\n1.3.. Uit de brief van 22 april 2024 van TABS en Looijmans volgt – samengevat – dat zij niet met alle door Rowood verzochte verbeteringen instemmen. Volgens TABS en Looijmans dient het vonnis van 3 april 2024 alleen op de volgende punten, weergegeven voor zover relevant, verbeterd te worden:\n\ni) wijziging van het griffierecht in de proceskostenveroordeling in de zaak Rowood tegen Looijmans (zaak- en rolnummer 657427\u002F23-423) van € 5.737,00 in € 2.837,00;\n\nii) wijziging van het salaris advocaat in de proceskostenveroordeling in de zaak Rowood tegen TABS (zaak- en rolnummer 657425\u002F23-422) op het punt van het toegepaste liquidatietarief, in die zin dat in plaats van liquidatietarief IV liquidatietarief V wordt toegepast. Volgens TABS is het hier door de rechtbank geheven griffierecht van € 5.737,00 wel juist.\n\nHet voorgaande leidt volgens TABS en Looijmans tot een proceskostenveroordeling van Rowood jegens TABS van € 9.877,44 en van Rowood jegens Looijmans van € 5.547,44.\n\n1.4.. De rechtbank heeft Rowood vervolgens in de gelegenheid gesteld op deze brief te reageren.\n\n1.5.. Bij brief van 26 april 2024 is namens Rowood ingestemd met de hiervoor in 1.3 door TABS en Looijmans verzochte verbeteringen van het vonnis van 3 april 2024. Zij heeft erkend dat het door de rechtbank geheven griffierecht van € 5.737,00 in haar zaak tegen Looijmans (wel) juist is.\n\n2. De beoordeling2.1.. De rechtbank stelt vast dat in het vonnis van 3 april 2024 bij de begroting van de proceskosten helaas een aantal fouten zijn geslopen. Deze fouten lenen zich voor eenvoudig herstel (ex art. 31 Rv) en de rechtbank zal het verzoek van partijen dan ook als volgt toewijzen.\n\nRowood \u002F TABS2.2.. Het verzoek van Rowood om verbetering (verlaging) van het geheven griffierecht in haar zaak tegen TABS, is gebaseerd op een kennelijke verschrijving in het vonnis van de door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten onder r.o. 4.1 onder B. Daar staat een bedrag van € 4.771,96, terwijl dit € 14.771,96 had moeten zijn. Op grond van deze schrijffout heeft Rowood haar verzoek tot wijziging (verlaging) van het geheven griffierecht gebaseerd. Nu zij in haar brief van 26 april 2024 erkent dat het geheven griffierecht van (wel) € 5.737,00 juist is, ziet de rechtbank hierin aanleiding de schrijffout in r.o. 4.1 onder B te corrigeren en om daar het juiste bedrag van € 14.771,96 op te nemen. Zoals TABS en Looijmans terecht opmerken is in deze zaak evenwel ten onrechte uitgegaan van liquidatietarief IV. Dat had inderdaad tarief V moeten zijn. Dat leidt in deze zaak tot een salaris voor de advocaat van € 3.858,00. Partijen zijn het daarmee (ook) eens. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling hier uitkomt op € 9.877,44 in plaats van het onder 5.22 opgenomen bedrag van € 8.447,44, terwijl in het dictum onder 6.2 bovendien ten onrechte € 8.4474,44 staat vermeld. Het voorgaande leidt dan ook tot aanpassing van r.o. 4.1 onder B, r.o. 5.22 en onder 6.2.\n\nRowood \u002F Looijmans2.3.. In de zaak van Rowood tegen Looijmans is (wel) ten onrechte een bedrag van € 5.737,00 aan griffierecht geheven. Dit had in die zaak € 2.837,00 moeten zijn. Dit zal dan ook worden hersteld. Partijen zijn het hiermee ook eens. Dit betekent dat de proceskostenveroordeling hier uitkomt op € 5.547,44. Dit leidt tot aanpassing van r.o. 5.22 en onder 7.2, waar ook hier ten onrechte € 8.4474,44 staat vermeld.\n\n2.4.. Rechtsoverweging 5.22 wordt gewijzigd in de volgende rechtsoverweging:\n\n“Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rowood worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van TABS en Looijmans in conventie en in reconventie. De proceskosten in conventie van TABS en Looijmans worden tot aan deze uitspraak begroot op:\n\nin zaak 23-422\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 5.737,00\n\nsalaris advocaat € 3.858,00 (twee punten in liquidatietarief V)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 9.877,44.\n\nin zaak 23-423\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 2.837,00\n\nsalaris advocaat € 2.428,00 (twee punten in liquidatietarief IV)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.547,44.”\n\n2.5.. In 6.2 van het dictum in zaak Rowood tegen TABS (zaak- en rolnummer 657425 \u002F 23-422) wordt het bedrag € 8.4474,44 gewijzigd in € 9.877,44.\n\n2.6.. In 7.2 van het dictum in zaak Rowood tegen Looijmans (zaak- en rolnummer 657427 \u002F 23-423) wordt het bedrag € 8.4474,44 gewijzigd in € 5.547,44.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. bepaalt dat onder 4.1 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 4.771,96”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 14.771,96”,\n\n3.2.. bepaalt dat onder 5.22 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis als volgt komt te luiden:\n\n“Als de in het ongelijk gestelde partij zal Rowood worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van TABS en Looijmans in conventie en in reconventie. De proceskosten in conventie van TABS en Looijmans worden tot aan deze uitspraak begroot op:\n\nin zaak 23-422\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 5.737,00\n\nsalaris advocaat € 3.858,00 (twee punten in liquidatietarief V)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 9.877,44.\n\nin zaak 23-423\n\ndagvaardingskosten € 109,44\n\ngriffierecht € 2.837,00\n\nsalaris advocaat € 2.428,00 (twee punten in liquidatietarief IV)\n\nnakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.547,44”.\n\n3.3.. bepaalt dat onder 6.2 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 8.4474,44”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 9.877,44”,\n\n3.4.. bepaalt dat nr. 7.2 van het op 3 april 2024 tussen Rowood en TABS\u002FLooijmans gewezen vonnis, waar staat\n\n“€ 8.4474,44”\n\ndit bedrag wordt gewijzigd in\n\n“€ 5.547,44”,\n\n3.5.. bepaalt dat deze verbeteringen onder de vermelding van de datum 29 mei 2024 worden vermeld op de minuut van het vonnis van 3 april 2024,\n\n3.6.. gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 3 april 2024 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2024.\n\n901\u002F3455","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4686","2024-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.038Z",20]