[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-criminal-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":183},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},84,"criminal-procedure-nl","Criminal Procedure","NL","2026-07-08T16:55:34.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},25,{"min":18,"max":19},"2025-03-28T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123951","Wetboek van Strafrecht","art. 41",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"124381","Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens","art. 13",[31,41,49,56,63,70,78,87,95,102,109,116,123,130,137,144,152,161,169,176],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1224","ECLI:NL:RBROT:2026:8069","ecli-nl-rbrot-2026-8069","","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F043912-23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2\n\nHij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Leusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie\n\nvoorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.\n\n3\n\nHij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nRotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze aan de politie over te leggen, althans te doen overleggen.\n\n4\n\nHij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\nin een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde\n\nen\u002Fof daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten\n\nter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 20 december 2023 (zaaknr.\u002Frolnr. C\u002F10\u002F652291 \u002F HA ZA 23-129) als getuige gehoord zijnde in een civielrechtelijke procedure tegen [medeverdachte] , althans enige rechter,\n\nmondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij begin 2021 aanwezig was bij de verkoop van een Rolex horloge, door [naam 1] aan [medeverdachte] .2. Bewijs feit 1 \u002F vrijspraak feiten 2 tot en met 42.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeit 12.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit 1 is gebaseerd op de opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 18 januari 2022 waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg A28.\n\nOmstreeks 16.45 uur stonden wij geparkeerd in een parkeervak bij de foodcourt. Wij zagen dat een voertuig, van het merk Mercedes, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] , de foodcourt op reed. Wij zagen dat er zich in het voertuig een persoon bevond. Dit bleek later de verdachte: [verdachte] te zijn. (..)\n\nWij zagen dat de genoemde Mercedes naast een Fiat Punto, voorzien van het kenteken, [kentekennummer 2] geparkeerd stond. Nadat wij nog geen minuut later in onze binnen spiegel keken, zagen wij dat er inmiddels een andere man als bijrijder in de Mercedes zat. Deze bijrijder bleek later [naam 2] te zijn. Wij zagen dat [naam 2] uit de Mercedes stapte. Wij zagen dat [naam 2] vervolgens in de naast gelegen genoemde Fiat Punto stapte.\n\n(..) Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij een stopteken, aan de bestuurder van de Fiat Punto. Hieraan werd door de bestuurder voldaan.\n\n(..) Hierop verklaarde [naam 2] uit zichzelf dat hij zojuist 17 ponypacks met cocaïne had gekocht van de bestuurder van de Mercedes. Wij zagen dat [naam 2] een klein zakje uit zijn zak haalde. Later bleken daar 17 zogenoemde ponypacks in te zitten.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n(..)Op 18 augustus 2022 is [verdachte] staande gehouden.\n\n(..) Ik heb vervolgens genoemde Mercedes doorzocht. Ik trof enkele getekende aantekeningen welke over bedragen gingen.\n\nIk heb vervolgens een transportfouillering uitgevoerd bij verdachte [verdachte] . Hierna trof ik in de linker broekzak van verdachte een gebundeld contant geldbedrag aan van totaal 2775 Euro. Dit bedrag bestond uit diverse biljetten van 5 en 50 euro.\n\n3. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\nV: Wie was de man waarbij jij in de Mercedes bent gestapt?\n\nA: Dat is [naam 3] .\n\nV: Hoeveel geld had u afgegeven aan [naam 3] ?\n\nA: Dat weet ik niet precies, maar ik dacht ongeveer 3000 euro. Bij benadering dan.\n\nV: Wanneer heeft u die 17 cachetjes gekregen?\n\nA: Vrijdag\n\nV: Hoe hebben jullie een afspraak gemaakt, McDonalds Amersfoort?\n\nA: Telegram.\n\nO: Je hebt aan een collega van de politie de code van de telefoon gegeven die je bij je had. Hierin zijn chatberichten aangetroffen vanaf 17 januari 2022 vanaf 13.06 uur.\n\nV: Wat kun je verklaren over deze chatberichten en dan bedoel ik de berichten die van belang zijn betreffende hetgeen jij wordt verdacht?\n\nA: Het ging in ieder geval over het ophalen van deze cocaïne en het wegbrengen en collecteren. Waar het heen moest etc. Ik had alleen met [naam 3] contact via Telegram.\n\n4. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\n0: In het voertuig van uw medeverdachte zijn briefjes aangetroffen, verbalisant toont 4 foto's bijgevoegd als fotobijlage 1. Herkent u deze briefjes?\n\nA: Ja.\n\nV: Wat kan u vertellen over deze briefjes, wat betekenen ze of kunnen we lezen op deze briefjes?\n\nA: Nou ja.\n\nFoto 1, van fotobijlage 1:\n\naanvang 34, betreft dan aanvang 34 ponypacks.\n\nEinde 12, betreft wat er over is na 1 dag.\n\n3 zijn er dan weggegeven zonder te betalen. Of later terug te betalen. 1 was met korting voor 40 euro. Dan bleven er 18 over. Die zijn verkocht voor 50 euro per stuk waardoor je uit komt op 940 euro.\n\nV: Heeft u deze briefjes geschreven en overhandigd aan \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\nV: De persoon bij wie u in de auto, een Mercedes-Benz, bent gestapt op 18 januari 2022 op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort, waarna u bent uitgestapt en bent weggereden betreft deze persoon in de Mercedes Benz deze \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 was ik, belast met het testen, wegen en bemonsteren van de vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen bij verdachte [naam 2] op 18 januari 2022.\n\nIk zag dat er 17 ponypacks in beslag waren genomen onder goednummer [beslagnummer] .\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: [beslagnummer]\n\nSIN: AAQA1727NL\n\nRelatie met SIN: AAQW1827NL\n\nAantal: 17\n\nOmschrijving: wikkels met wit poeder\n\nBijzonderheden: 17 ponypacks met opschrift van pinguïn en smart seal de luxe\n\nGewicht netto: 11,51 gram\n\nRuybal: positief op cocaïne\n\n7. Deskundigenverslag\n\nKenmerk\n\nOmschrijving FO\n\nConclusie\n\nAAQW1827NL\n\nPoeder, wit, uit 11,51 gram; aantal 3 bemonsteringen in onderzoek\n\nBevat cocaïne\n\n8. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 heb ik, [naam 4] , de navolgende zaken bekeken:\n\n- Verhoor van verdachte [naam 2] ,\n\n- Chatgesprek op Telegram, op de telefoon behorende bij [naam 2] ,\n\n- Bevindingen van verbalisanten ter plaatse McDonalds Amersfoort,\n\n- Telefoon behorende bij [naam 2]\n\nIn de telefoon wordt bevestigd dat verdachte [naam 2] met ene \" [naam 3] \" communiceert via de\n\ndienst Telegram.\n\nOp 18 januari 2022 hebben deze [naam 3] en verdachte [naam 2] een gesprek.\n\n [naam 3] 06:04: Goedemorgen als je de enveloppen meeneemt dan ik je op de terugweg rond\n\n16:00 meeten ergens kalm an\n\nBij1 09:51: Isg\n\n [naam 3] 14:55: Geef je ff een gil als je vertrokken bent\n\n [naam 3] 15:27: Maat je hebt bestelling 17:05 Comschate\n\nWaar zie ik je tussendoor en Hoelaat kan je waar zijn\n\n(..)\n\n [naam 3] 15:47: Beter als je naar Mcdonald's huis ter heide rijdt\n\nNu is dat nog op je heenweg\n\nJe rijdt daar toch langs\n\n [naam 2] 15:47: Red ik nooit\n\nAank 16:30\n\nRed ik colm niet\n\n [naam 3] 15:49 Oke ik kom Amersfoort\n\nJooo\n\n [naam 2] : 1620\n\nZorg dat je er bent\n\n [naam 2] 16:22 Ik ben er\n\nWaar rij je\n\n [naam 3] 16:22 Onderweg\n\nHaal maar broodje voor jezelf\n\neerder rijd afspreken\n\nNiet 45 min van te voren tot zo\n\n [naam 2] 16:23: Als ik nu vertrek ben ik pas om 17:06 in colm\n\njij schreef rond 16 uur\n\nMaatje\n\n [naam 3] 16:23: Het is jou schuld\n\nNiet\n\nDus don't worry\n\n [naam 2] 16:23: Ik doe mijn best\n\nIn deze chat is te zien dat [naam 3] en verdachte [naam 2] afspreken op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort op 18 januari 2022. Deze [naam 3] geeft aan er niet om 16.00\n\nuur te kunnen zijn maar rond 16.30 uur. Gezien de bevindingen van de collega's bij de McDonalds Amersfoort kan worden aangenomen dat deze \" [naam 3] \" verdachte [verdachte] is.\n\nTevens blijkt uit de telefoon van verdachte [naam 2] dat er zeker vanaf 14 januari dagelijks meermaals contact is tussen deze \" [naam 3] \" en verdachte [naam 2] . Tevens hebben verbalisanten onderzoek gedaan in het voertuig van verdachte [verdachte] . Daarop werden onder andere een viertal briefjes aangetroffen zoals deze ook is verstuurd tussen verdachte [naam 2] en verdachte [verdachte] via de app Telegram.\n\nDit betreft exact hetzelfde briefje als is gestuurd tussen Verdachte [naam 2] en \" [naam 3] \" via de Telegram app.\n\nZondag 16\u002F1\u002F22\n\nAanvang: 23\n\nEinde: 12\n\n-------------------\n\n11 x 50 = 550\n\nRetour P ---- 50\n\nCash 6002.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ‘ [naam 3] ’ is. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam 2] heeft verklaard dat hij de drugs heeft ontvangen van de man in de Mercedes die hij kent als ‘ [naam 3] ’ en waar hij contact mee heeft via Telegram. Deze verklaring wordt gestaafd door de bevindingen van de politie. Zij zien een ontmoeting tussen [naam 2] en de verdachte en uit het onderzoek naar de telefoon van de [naam 2] volgt dat hij met ‘ [naam 3] ’ afspreekt rond het tijdstip op de locatie waar door de politie een ontmoeting wordt gezien tussen de verdachte en [naam 2] . Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat de getekende aantekeningen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen hem bekend voorkomen, omdat hij deze briefjes aan ‘ [naam 3] ’ heeft gegeven en komt de inhoud van de briefjes ook terug in het gesprek tussen [naam 2] en ‘ [naam 3] ’ op Telegram. Op basis van deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] de cocaïne heeft gekregen van de verdachte.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte 11,51 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het ten laste gelegde verstrekken en verhandelen van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende bewijs.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeksde periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althanseenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad,\n\nongeveer11,51 gram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattendecocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2.3.4.. Vrijspraak feiten 2 tot en met 4\n\nFeit 2 (Witwassen)\n\nVaststaande feiten\n\nBij de aanhouding op 18 januari 2022 voor bovengenoemd feit droeg de verdachte een Rolex-horloge. De verdachte heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder is (medeverdachte [medeverdachte] ). Uit onderzoek volgt dat het betreffende Rolex-horloge een marktwaarde heeft van tussen de € 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nHet gegeven dat de verdachte werd verdacht van het medeplegen dan wel aanwezig hebben van cocaïne tezamen met de resultaten van de ICOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen. Daar staat tegenover dat de verklaring van de verdachte dat het horloge van zijn moeder is, wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder, tevens medeverdachte, [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de verdachte het horloge heeft gekocht bij [horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 3 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de medeverdachte.\n\nUit het onderzoek volgt dat de medeverdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de medeverdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de medeverdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de verdachte is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een civielrechtelijke procedure die de medeverdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 5] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 5] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de medeverdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de medeverdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte het ten laste gelegde horloge heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nFeit 3 (valsheid in geschrift)\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de medeverdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nFeit 4 (meineed)\n\nTen aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde meineed overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens de civielrechtelijke procedure omtrent de teruggave van het Rolex-horloge aan de medeverdachte onder ede onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de aankoop van het horloge.\n\nZoals hiervoor reeds is overwogen, bevat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de verklaring van de verdachte als onwaar aan te merken. Nu aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, volgt vrijspraak.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nMedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs ontwrichtend werken in levens van veel mensen en daarmee ontwrichtend zijn voor de samenleving. Ook is veel criminaliteit verbonden aan drugs.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en volgt verder dat artikel 63 Sr van toepassing is.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die doorgaans bij het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne wordt een taakstraf voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt genoemd. Omdat artikel 63 Sr van toepassing is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 2.775,- dat in beslag is genomen verbeurd moet worden verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gelet op het pleidooi tot vrijspraak bepleit dat het geldbedrag dient te worden teruggeven aan de verdachte.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.Ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.775,- kan niet door middel van of uit de baten van dit strafbare feit zijn verkregen. Om die reden zal dit geldbedrag worden teruggegeven aan de verdachte.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 24 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n-gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.775,-.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 3\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 26\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 69 tot en met 75.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 76 tot en met 80.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 52 tot en met 58.\n\n Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 94 tot en met 96.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 97.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 64 tot en met 69.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8069","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:10.921Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"1193","ECLI:NL:RBROT:2026:8030","ecli-nl-rbrot-2026-8030","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-292536-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres:\n\n [adres] [postcode] [woonplaats]\n\ngedetineerd in [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M. Schmit\n\nOfficier van justitie: mr. K. Broere\n\nBenadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , bijgestaan door advocaat mr. F.J.M. Hamers en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , bijgestaan door advocaat\n\nmr. S. Epema\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft op 1 november 2025 een vuurwapen in handen genomen, geladen en doorgeladen en dat vuurwapen is op enig moment afgegaan. Hierdoor is het slachtoffer [slachtoffer] in de borst geraakt en ten gevolge daarvan overleden. De verdachte wordt vrijgesproken van doodslag. De verdachte wordt veroordeeld voor dood door schuld (roekeloosheid) tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd (primair) dan wel dat het aan zijn schuld te wijten is dat het slachtoffer [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft opgelopen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Daarnaast wordt hij ervan beschuldigd dat hij een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\n1 primair\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel af te vuren\u002Faf te schieten in de borst, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] ;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, roekeloos in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te richten en\u002Fof te houden in de richting van die [slachtoffer] en\u002Fof - vervolgens het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst, althans het bovenlichaam heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II en\u002Fof III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber en\u002Fof - munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie II onder 1º en\u002Fof categorie III, te weten één of meer kogelpatr(o)on(en) van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber, voorhanden heeft gehad.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair en 2.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair, omdat het vereiste opzet op de dood van het slachtoffer ontbreekt. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat vrijspraak moet volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de trekker heeft overgehaald. Het wapen kan zomaar zijn afgegaan en dan kan niet worden gesproken van enige verwijtbaarheid. In ieder geval kan de ten laste gelegde roekeloosheid niet worden bewezen. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 1 primair\n\nAnders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting is niet vast te stellen dat de verdachte de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte, zoals tenlastegelegd, met (voorwaardelijk) opzet een kogel heeft afgevuurd of afgeschoten. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte\n\n1. subsidiair\n\nop 1 november 2025 te Rotterdam roekeloos heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te houden in de richting van die [slachtoffer] en\n\n- het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber en\n\n- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie III, te weten kogelpatronen van een tot op heden onbekend merk\u002Ftype\u002Fkaliber, voorhanden heeft gehad.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nFeit 2\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Deskundigenverslag\n\n3. Proces-verbaal van politie\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 subsidiair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1 subsidiair\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 1 november 2025 zat ik met drie personen waaronder [slachtoffer] in de keuken van mijn woning in Rotterdam. De keuken is een kleine ruimte met een tafel in het midden. Ik had veel sterke drank gedronken die avond en nacht. Ik heb het vuurwapen uit mijn kelderbox gepakt om stoer te doen. Ik zat een beetje te spelen met het vuurwapen. Ik heb het vuurwapen in mijn handen genomen en vastgehouden. Ik heb het magazijn, dat gevuld was met kogels, er meerdere keren in gedaan en er uit gehaald. Ik heb de slede naar achteren gehaald. Ik heb de anderen laten zien hoe je een vuurwapen doorlaadt. Op een gegeven moment ging het wapen af toen ik het vasthad. Het slachtoffer was toen ongeveer 2 meter van mij vandaan, de tafel zat ertussen.\n\nHet vuurwapen heb ik niet eerder in mijn handen gehad.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 1]\n\nHet geweer ging van de oom naar de vader en weer terug. Ze deden alsof ze op elkaar aan het richten waren. Ze zeiden ik ga je schieten. [naam 2] en ik zeiden dat ze moesten stoppen. Toen hoorde ik een knal. Ik zag [naam 2] zijn vader zijn hoofd naar achteren vallen.\n\n3. Proces-verbaal van politie\n\nDe medewerkers van de ambulancedienst zagen op 1 november 2025 te Rotterdam dat het slachtoffer een gat in zijn lichaam had ter hoogte van zijn linkerborst. Ik hoorde een van de ambulancemedewerkers zeggen dat het een schotwond was. Ik zag een gat in zijn rug.\n\n4. Deskundigenverslag\n\nBij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] wordt het overlijden zonder meer verklaard door één doorschot door de borstkas.\n\nBewijsmotivering\n\nDe vraag die mede gelet op het gevoerde verweer moet worden beantwoord is of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als - kort gezegd - roekeloos of (zeer) aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat\n\n [slachtoffer] als gevolg van dat handelen is overleden. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer] een ongeluk is geweest. Hoewel voor de rechtbank met voldoende zekerheid vaststaat dat de verdachte nooit heeft gewild dat het wapen zou afgaan en het slachtoffer zou komen te overlijden, zijn de fatale gevolgen wel aan zijn schuld te wijten.\n\nDoor zijn handelen heeft de verdachte de voorwaarden geschapen voor het laten afgaan van het vuurwapen. De verdachte heeft bewust meerdere handelingen verricht met een vuurwapen, zoals het met kogels gevulde magazijn erin doen en het vuurwapen door te laden. Het slachtoffer is door een uit het vuurwapen verschoten kogel in de borstkas geraakt, wat maakt dat de verdachte het wapen in de richting van het slachtoffer heeft gehouden. Dit heeft hij gedaan in een relatief kleine keuken waarin zich drie anderen personen bevonden, terwijl hij sterk onder invloed was van alcohol. De verdachte had het wapen nooit eerder in handen gehad, wat maakt dat hij de werking van dit vuurwapen niet kende. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zo te handelen zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en de verdachte had zich daarvan bewust moeten zijn. De verdachte had het risico van zijn handelen in behoren te zien en hij had anders moeten en kunnen handelen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat dit gedrag als de zwaarste vorm van onvoorzichtig en gevaarzoekend gedrag is aan te merken en daarmee als schuld in de zin van roekeloosheid. Feit 1 subsidiair is daarmee bewezen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1. subsidiair\n\naan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid;\n\nde eendaadse samenloop van\n\n2.\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II;\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in strafverminderende zin te laten meewegen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft nadat hij veel sterke drank had gedronken, in een kleine ruimte met een door hem doorgeladen vuurwapen gespeeld in het bijzijn van zijn zwager (het latere slachtoffer), diens 18-jarige zoon (neef van de verdachte) en diens 17-jarige vriend. Als gevolg van dit roekeloze gedrag is het wapen afgegaan en is een kogel in de borst van het slachtoffer terecht gekomen, waardoor het slachtoffer is overleden. Het is daarmee aan de schuld van de verdachte te wijten dat het slachtoffer op deze tragische wijze zijn leven is ontnomen.\n\nOp de zitting hebben de vrouw van het slachtoffer, de ouders en de neef van het slachtoffer verteld hoeveel verdriet en onherstelbaar leed de onverwachte dood van het slachtoffer bij hen, zijn kinderen en andere familie en vrienden heeft veroorzaakt. De nabestaanden voelen de pijn van het verlies van het slachtoffer dagelijks.\n\nDe verdachte heeft daarnaast een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Deze zaak laat zien dat het bezit van een vuurwapen gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Alleen al daarom moet tegen vuurwapenbezit streng worden opgetreden. De vrouw van het slachtoffer (tevens zus van de verdachte) heeft in haar verklaring op zitting het gevaar van vuurwapens treffend verwoord. Zij heeft opgeroepen uit de buurt te blijven van wapens, geen wapens voor anderen te bewaren en wapens niet vast te pakken uit nieuwsgierigheid, omdat één moment van onoplettendheid of één verkeerde keuze levens voorgoed kan verwoesten.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nRapport van deskundige\n\nIn het rapport van psycholoog drs. T. ’t Hoen van 26 maart 2026 staat het volgende. Bij de verdachte is sprake van een lichte stoornis in het gebruik van alcohol waarvan ook sprake was tijdens de ten laste legde feiten. Het advies is om de feiten volledig toe te rekenen aan de verdachte, omdat bij de verdachte mag worden aangenomen dat hij zich voldoende bewust is van de invloed die alcohol op hem heeft.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de aard en ernst van de strafbare feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal aan de verdachte een lagere straf opleggen dan geëist, omdat de rechtbank niet uitgaat van doodslag zoals de officier van justitie. De maximale gevangenisstraf voor dood door schuld door roekeloos handelen, is vier jaar. De rechtbank houdt rekening met de impact die deze zaak op de verdachte heeft; hij zal moeten leven met het besef dat het slachtoffer, die zijn zwager was en iemand die de verdachte als een broer beschouwde, door zijn handelen is overleden. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft en oog voor het verdriet en het leed dat door zijn handelen bij de nabestaanden is veroorzaakt. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vordering van de benadeelde partijen5.1.. \n\nDe vorderingen\n\nIn dit strafproces hebben zeven nabestaanden, te weten de partner, de vier kinderen, de vader en de moeder van het slachtoffer immateriële schadevergoeding van de verdachte gevorderd voor feit 1. Al deze partijen hebben verzocht om de toegekende bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vorderingen samengevat in het hieronder opgenomen overzicht.\n\nBenadeelde partij\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\n [benadeelde 1]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 2]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade) +\n\n€ 40.000 (schokschade)\n\n€60.000\u002F€ 57.500\n\n [benadeelde 3]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade) +\n\n€ 30.000 (aantasting in de persoon ‘op andere wijze’)\n\n€50.000\u002F€ 47.500\n\n [benadeelde 4]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 5]\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 20.000\u002F€ 17.500\n\n [benadeelde 6]\n\n€ 17.500 (affectieschade)\n\n€ 17.500\n\n [benadeelde 7]\n\n€ 17.500 (affectieschade) + € 20.000 (schokschade)\n\n€ 37.5005.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is van oordeel dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van de bedragen heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partijen moeten primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vorderingen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair voert de verdediging geen verweer tegen de vorderingen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. Algemene uitgangspunten\n\nAffectieschade\n\nAffectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van personen die hiervoor in aanmerking komen. Indien een persoon niet onder één van deze categorieën valt, kan een beroep worden gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW waarin de mogelijkheid tot het toekennen van affectieschade is geopend voor een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat deze persoon voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nSchokschade\n\nIemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt kan - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden - ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Dit wordt schokschade genoemd.\n\nGezichtspunten die hierbij een rol spelen zijn:\n\nde aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;\n\nde wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;\n\nde aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.\n\nAan de hand van (onder meer) deze gezichtspunten dient de rechtbank van geval tot geval te beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid en daarmee of de nabestaanden in aanmerking komen voor vergoeding van schokschade. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.\n\nAantasting in de persoon ‘op andere wijze’\n\nVan aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als bij de benadeelde partij geestelijk letsel is vastgesteld, dan wel indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van een dergelijke aantasting zonder meer kan worden uitgegaan. Buiten die (uitzonderlijke) situaties zal de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.5.4.2.. \n\nBeoordeling van de vorderingen\n\nHieronder zal de rechtbank de vorderingen achtereenvolgens bespreken.\n\n [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij is de levensgezel van de overledene. Vast is komen te staan dat zij met de overledene ruim twintig jaar een affectieve relatie had en dat zij samen duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerden. Zij hadden op papier beiden een eigen woning, maar leefden met elkaar en hun kinderen als gezin samen. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\n [benadeelde 2]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de (meerderjarige) thuiswonende zoon van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van\n\n€ 20.000,-.\n\nSchokschade\n\nVast is komen te staan dat er tussen de benadeelde (zoon van het slachtoffer) en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. De benadeelde was bij het slachtoffer toen hij door de kogel in zijn borst werd geraakt. De benadeelde heeft geprobeerd het slachtoffer te reanimeren, maar het slachtoffer is in zijn bijzijn overleden. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die het gevolg is van geestelijk letsel dat in voldoende mate is geobjectiveerd. Onvoldoende is onderbouwd dat van dergelijk letsel sprake is. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n [benadeelde 3]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de minderjarige dochter van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nAantasting in de persoon ‘op andere wijze’\n\nDe benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor schade door aantasting in de persoon op andere wijze, bestaande uit het verlies van een vaderfiguur, wat een ernstige inbreuk op haar zelfvertrouwen en ontwikkeling oplevert.\n\nIn het vonnis van 21 maart 2024heeft de rechtbank Rotterdam met verwijzing naar de totstandkoming van de wettelijke systematiek van derdenschade, overwogen dat de afzonderlijke kwalificatie van aantasting in de persoon op andere wijze wegens het verlies van een ouder als grond voor toekenning van vergoeding van immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt. Om als derde boven op de regeling van de affectieschade aanspraak te kunnen maken op een hogere vergoeding van immateriële schade, dient sprake te zijn van een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. Dat daarvan sprake is, kan zonder nadere concrete onderbouwing, die ontbreekt, niet worden aangenomen. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n [benadeelde 4] en [benadeelde 5]\n\nDe benadeelde partijen zijn de kinderen van de levensgezel van de overledene. Zij hebben een andere biologische vader dan de overledene. Vast is komen te staan dat het slachtoffer duurzaam in gezinsverband voor de benadeelde partijen heeft gezorgd vanaf dat zij één jaar oud waren. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen voor een bedrag van € 20.000,-.\n\n [benadeelde 6]\n\nDe benadeelde partij is de vader van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding\n\naffectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij\n\nhem inwoonde.\n\n [benadeelde 7]\n\nAffectieschade\n\nDe benadeelde partij is de moeder van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding\n\naffectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij\n\nhaar inwoonde.\n\nSchokschade\n\nVast is komen te staan dat er tussen de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. Zij stelt dat zij bij de uitvaartverzorger is geconfronteerd met de verwondingen aan het lichaam van haar zoon en de gevolgen van het pathologisch onderzoek. Ook stelt zij dat zij vlak nadat zij had vernomen dat haar zoon was overleden via de media informatie vernam over wat zou zijn voorgevallen. De rechtbank begrijpt dat het op deze wijze verliezen van een kind onbegrijpelijk is en kan leiden tot geestelijk letsel. De rechtbank moet echter vaststellen dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, anders dan de voorlopige diagnose door een psycholoog dat sprake is van een rouwstoornis, depressieve klachten en trauma-gerelateerde klachten. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel nadere bewijslevering vraagt en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\n5.4.3.. \n\nConclusie\n\nDe verdachte moet de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen zoals hieronder vermeld. De schadevergoedingen zullen vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025. Daarnaast wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. De gijzeling wordt, rekening houdend met artikel 36f, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht, bepaald op 364 dagen. Het aantal dagen gijzeling per vordering zal naar evenredigheid worden vastgesteld.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen immateriële schade\n\nTotaal\n\n [benadeelde 1]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 2]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 3]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 4]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 5]\n\n€ 20.000\n\n€ 20.000\n\n [benadeelde 6]\n\n€ 17.500\n\n€ 17.500\n\n [benadeelde 7]\n\n€ 17.500\n\n€ 17.500\n\n€ 135.0006. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 55, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 6]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 7]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 7] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C. Sikkel, voorzitter,\n\nen mrs. W.J. de Veld en M.C. Spoormaker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. Spoormaker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 209 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Pagina 98 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n pagina 53 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Pagina 15 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 46 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .\n\n HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405.\n\nECLI:NL:RBROT:2024:2282.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8030","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:09.115Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":53,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":55},"1188","ECLI:NL:RBROT:2026:7973","ecli-nl-rbrot-2026-7973","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-051220-26\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1948 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres], [postcode] [plaatsnaam],\n\ngedetineerd in [naam P.I.].\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. R.G. van der Laan\n\nOfficier van justitie: mr. P.J. Wijnands\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. J.J. van Horen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft over een periode van ruim anderhalf jaar kinderporno verspreid, aangeboden, verworven en in zijn bezit gehad. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen die betrekking hebben op seksueel kindermisbruik. De bijzondere voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 kinderporno in zijn bezit heeft gehad en heeft verspreid. Daarnaast beschuldigt zij de verdachte ervan ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met een (meerderjarig) persoon in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\neen of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof\n\nmobiele telefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop, bevattende afbeeldingen\n\nvan een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien\n\njaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\u002Fof\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele\n\nstrekking\n\nwaarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,\n\nwas betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft\n\nverspreid en\u002Fof\n\naangeboden en\u002Fof\n\nverworven en\u002Fof\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof\n\nzich daartoe de toegang heeft verschaft,\n\nte weten afbeeldingen en\u002Fof gegevensdragers, te weten USB-sticks en\u002Fof mobiele\n\ntelefoons en\u002Fof een harde schijf en\u002Fof een laptop,\n\nbevattende afbeeldingen,\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\u002Fof\n\neen ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof\n\nvoorwerp door die persoon\n\nen\u002Fof\n\nhet eigen lichaam vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand\n\nen\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand worden\n\naangeraakt\n\nen\u002Fof\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en\u002Fof\n\nmond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze\n\nvan kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms\n\nnadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld\n\nworden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\u002Fof\n\n- dat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\u002Fof\n\n- bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof\n\nzichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;\n\n2\n\nhij in of omstreeks 1 januari 2005 tot en met 31 december 2016 te Zwijndrecht en\u002Fof\n\n [plaatsnaam], in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\ndoor geweld of andere feitelijkheden en\u002Fof bedreiging met geweld of andere\n\nfeitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of\n\nmeer ontuchtige handelingen,\n\nbestaande uit het (onverhoeds) betasten van de penis van die [slachtoffer] en\u002Fof het\n\naanraken van de lippen en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer]\n\nen bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en\u002Fof die bedreiging met\n\ngeweld of die andere feitelijkheden uit\n\n- het onverhoeds uitvoeren van die ontuchtige handelingen en\u002Fof\n\n- het voorbijgaan aan zijn (verbale en\u002Fof non-verbale) protesten en\u002Fof\n\n- het feit dat hij, verdachte, wetenschap had van de psychische problematiek van\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof de kwetsbaarheid van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het benadrukken dat de relatie tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] geheim moest\n\nblijven en\u002Fof\n\n- het (regelmatig) geven van cadeau’s, althans een of meer goederen, en\u002Fof geld aan\n\ndie [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het misbruik maken van het uit feitelijke verhoudingen en\u002Fof uit omstandigheden\n\nvoortvloeiend overwicht, te weten het (voormalig) burgemeesterschap van\n\nverdachte en\u002Fof\n\n- het (aanzienlijke) leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer].2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor feit 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 1 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, beschrijving kinderpornografisch materiaal aanwezig op inbeslaggenomen gegevensdragers\n\n3. Proces-verbaal van de politie, duiden pleegperiode2.3.2.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1\n\nhij in de periode van 20 januari 2023 tot en met 23 oktober 2025 te [plaatsnaam],\n\nmeermalen,\n\n(in de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024, artikel 240b Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer afbeeldingen en een gegevensdrager, te weten een mobiele telefoon, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken\n\nheeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft,\n\nen\n\n(in de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025 artikel 252 Wetboek van\n\nStrafrecht)\n\nmeer visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof verworven en in bezit heeft gehad en zich daartoe de toegang heeft verschaft, te weten afbeeldingen en gegevensdragers, te weten USB-sticks en mobiele telefoons en een harde schijf en een laptop, bevattende afbeeldingen, waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een penis\n\nen\n\neen ander persoon oraal en anaal wordt gepenetreerd met een penis en voorwerp door die persoon\n\nen\n\nhet eigen lichaam vaginaal en anaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en voorwerp door die persoon\n\n(afbeeldingsnummers 1 tot en met 14)\n\nen\n\nde geslachtsdelen van die persoon met een penis en vinger\u002Fhand worden aangeraakt\n\nen\n\nde geslachtsdelen van een ander kind\u002Fpersoon met een vinger\u002Fhand en mond\u002Ftong worden aangeraakt door die persoon\n\nen\n\ndie persoon de eigen geslachtsdelen met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n(afbeeldingsnummers 15 tot en met 20)\n\nen\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\n\n- die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar\n\nkleding ontdoet en\n\n- door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die persoon en de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n(afbeeldingsnummers 19, 22 tot en met 25)\n\nen\n\n- dat bij het gezicht en het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd\n\nen\n\n- op het gezicht en het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en zichtbaar wordt gemaakt\n\n(afbeeldingsnummer 21)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;\n\n2.3.3.. \n\nVrijspraak\n\nHet onder 2 ten laste gelegde is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.\n\nVooraf\n\nZedenstrafzaken worden vaak gekenmerkt door het feit dat er slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Ook hier is er geen getuige die de ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft waargenomen. In dit geval wordt de waarheidsvinding verder bemoeilijkt door het gegeven dat de vermeende gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden over een tijdspanne van ruim tien jaar, waarbij het laatste incident tien jaar geleden zou hebben plaatsgevonden.\n\nBewijsminimum\n\nOp grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, oftewel in dit geval enkel op grond van de verklaring van aangever. Van belang is dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel. Niet vereist is dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.\n\nNiet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. Het is voor het bewijs afdoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.\n\nVerklaringen van aangever\n\nAangever heeft verklaard dat hij de verdachte ergens tussen 2004 en 2006 heeft leren kennen toen hij ongeveer vierentwintig of vijfentwintig was. Aangever was in die periode kwetsbaar. Hij werd namelijk in 2006 en 2007 opgenomen in een kliniek, waarna hij afgekeurd is voor werk. De ten laste gelegde gebeurtenissen zouden volgens aangever vanaf 2005 zijn gestart. De verdachte zou aangever op meerdere momenten hebben aangeraakt op een manier die aangever niet fijn vond. Zo zou de verdachte aangever heel vaak hebben aangeraakt aan zijn gezicht, waaronder bij zijn mond, lippen en wang. Ook zou de verdachte aangever één keer aan zijn geslachtsdeel hebben geraakt. Aangever zou de verdachte steeds hebben afgeweerd en hebben aangegeven dat hij de aanrakingen niet fijn vond, maar de verdachte zou telkens geen gehoor hebben gegeven aan de bezwaren van aangever.\n\nDe verdachte heeft vanaf zijn eerste politieverhoor stellig ontkend dat hij het geslachtsdeel van aangever heeft aangeraakt. De verdachte heeft verklaard dat, als hij het gezicht en de lippen van aangever heeft aangeraakt, deze aanrakingen niet in een seksuele context hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij een soort begeleider en vaderfiguur was voor aangever en dat de aanrakingen binnen die context moeten worden bezien.\n\nNu de verklaringen van aangever en de verdachte haaks op elkaar staan voor wat betreft het plaatsvinden van aanrakingen, dan wel de ontuchtige context waarin dat zou zijn gebeurd, is voor een eventuele bewezenverklaring van belang dat de verklaring van aangever steun vindt in ander objectief bewijsmateriaal.\n\nVerklaringen van de ouders van aangever\n\nDe moeder van aangever heeft bij de politie verklaard dat de aangever zich soms heel boos uitliet over de verdachte. Ze noemt daarbij als voorbeeld dat aangever eens een boek en een beeldje die hij van de verdachte had gekregen in de tuin had gesmeten en daarbij had gezegd dat hij de verdachte wel wilde killen. Zij heeft aan aangever gevraagd wat er is gebeurd met de verdachte. Aangever zou toen hebben geantwoord. “Ja, vieze handen”. Ze stelde vervolgens de vraag of de verdachte hem had aangerand. Aangever heeft toen als antwoord gegeven dat zijn hoofd ermee vol zat.\n\nOok de vader van aangever heeft bij de politie een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat aangever wel heeft gedeeld dat er iets zou zijn gebeurd, maar aangever zou toen niet hebben gezegd wat precies.\n\nUit de verklaringen van de ouders van aangever wordt duidelijk dat aangever (een lange tijd) met vele tegenslagen en moeilijkheden heeft geworsteld in zijn leven. Over de tenlastegelegde gebeurtenissen bieden de verklaringen van de ouders echter onvoldoende duidelijkheid. Wat er precies met aangever heeft plaatsgevonden, is voor zijn ouders nooit duidelijk geworden. De verklaringen van de ouders bevatten daardoor te weinig concrete details of eigen waarnemingen, die vervolgens steun kunnen bieden aan de verklaringen van aangever.\n\nNu het dossier verder geen ander bewijsmateriaal bevat dat steun biedt aan de verklaring van aangever, komt de rechtbank tot de conclusie dat de onder feit 2 tenlastegelegde aanranding niet kan worden bewezen, omdat er met het aanwezige bewijsmateriaal niet wordt voldaan aan het wettelijk bewijsminimum. Ten aanzien van handelingen die op zichzelf door de verdachte worden erkend (het aanraken van het hoofd van aangever) kan de rechtbank niet zonder twijfel vaststellen dat die een ontuchtig karakter hebben gehad.\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van dit feit.3. Kwalificatie en strafbaarheid\n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nin de periode van 20 januari 2023 tot en met 30 juni 2024:\n\neen afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 oktober 2025:\n\neen visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt.\n\n3.1.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet (voor beide feiten) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd, waaronder een contactverbod met minderjarigen. De bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard en de reclassering moet toezicht houden op de naleving van deze voorwaarden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat, gezien de aard en de ernst van de feiten, de leeftijd van de verdachte, de impact van de publiciteit van de zaak op de verdachte, en de justitiële documentatie van de verdachte, de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht reeds volstaat. De verdediging verzoekt de rechtbank om, indien zij daar aanleiding toe ziet, de voorlopige hechtenis zo spoedig mogelijk op te heffen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft een gewoonte gemaakt van het verspreiden, aanbieden, verwerven en bezitten van kinderporno, een zeer ernstig strafbaar feit. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers van de verdachte zijn in totaal 1.036 visuele weergaven, waaronder 632 foto’s en 404 video’s, aangetroffen waarop te zien is dat seksuele handelingen met, soms zeer jonge, kinderen worden verricht. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij vanwege zijn leeftijd steeds minder seksueel opgewonden raakte en dat hij daardoor op zoek is gegaan naar erotische prikkels. In zijn zoektocht naar nieuwe prikkels is verdachte kennelijk beland in de verwerpelijke wereld van kinderporno. Voor de verdachte lag de focus enkel op de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes. Hij heeft in dat kader beelden bekeken, bewaard en doorgestuurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat de kinderen bij de vervaardiging van kinderpornografische afbeeldingen veelvuldig seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Kinderen die seksuele handelingen moeten verrichten of moeten ondergaan ten behoeve van de kinderporno-industrie kunnen aanzienlijke psychische schade oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Door de verspreiding van het beeldmateriaal wordt de schade voor de afgebeelde jeugdigen nog vergroot. Beelden zijn niet eenvoudig te verwijderen van het internet en blijven daar vaak nog jarenlang circuleren, waardoor de slachtoffers ook jaren nadat het misbruik heeft plaatsgevonden, daarmee kunnen worden geconfronteerd. Daarnaast heeft verdachte in een chat met een contact genaamd ‘[naam 1]’ actief gefantaseerd over de wijze waarop bij name genoemde jonge kinderen misbruikt konden worden. De teksten die daarbij door verdachte zijn geuit, zijn bijzonder schokkend te noemen. Door handelingen zoals die door de verdachte zijn gepleegd wordt de vraag naar kinderporno en daarmee het misbruik van kinderen in stand gehouden. Daarbij komt dat de verdachte de kinderporno niet enkel voor zichzelf heeft bewaard, maar op meerdere momenten heeft doorgestuurd en daarmee verder heeft verspreid. De verdachte heeft daarmee een actieve bijdrage geleverd aan de instandhouding van deze illegale markt.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft ter zitting weliswaar iets meer inzicht gegeven in zijn seksuele beleving dan voorheen, maar hij nam voor zijn handelen onvoldoende verantwoordelijkheid. Hij beriep zich meerdere keren op zijn onkunde op digitaal gebied, gaf geen verklaring voor het aantreffen van een grote hoeveelheid bestanden op meerdere gegevensdragers en schoof het merendeel van de verantwoordelijkheid af op de voor de rechtbank onbekend gebleven persoon met de Snapchat-gebruikersnaam ‘[naam 1]’. De rechtbank heeft daardoor niet het volle vertrouwen verkregen dat de verdachte zichzelf in de toekomst in bedwang kan houden.4.3.3.. \n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.4.3.4.. \n\nRapporten van deskundigen en de reclassering\n\nIn het rapport van psycholoog [naam 2] van 19 mei 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft over de onderwerpen seksualiteit en het ten laste gelegde nauwelijks met onderzoekers in gesprek willen gaan. De indruk bestaat dat hij niet het achterste van zijn tong wil laten zien. De verdachte lijkt zich te verschuilen achter naïviteit en onwetendheid. Er is geen sprake van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening. Omdat er geen zicht is gekomen op de seksualiteitsbeleving van de verdachte en het ten laste gelegde nauwelijks besproken heeft kunnen worden, is het niet mogelijk om een uitspraak te kunnen doen over het recidiverisico. Er zijn wel veel beschermende factoren aanwezig. Ondanks dat er geen stoornis is vast te stellen, maar ook niet geheel uit te sluiten, en er geen recidiverisico kan worden bepaald, komen uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren. Het is van belang dat na veroordeling een nadere delictanalyse wordt uitgevoerd, die mogelijk, na het los kunnen laten van de procespositie, beter bewerkt kan worden. Het is van belang dat de seksuele belevingen en gedragingen van betrokkene nader onderzocht en geduid worden. Het is van belang dat seksuele thema’s bespreekbaar worden gemaakt en dat er meer openheid komt. Genoemde behandeling kan worden gerealiseerd bij een forensische polikliniek als De Waag of een soortgelijke instelling. Naast het bewerken van het delictscenario en seksualiteit, is nader onderzoek aangewezen naar een parafiele stoornis en er dient aandacht te zijn voor cognitieve achteruitgang, waarbij zo nodig nader neuropsychologisch onderzoek kan worden ingezet. De behandeling kan bij een bewezenverklaring worden opgelegd in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 12 juni 2026 staat het volgende.\n\nUit het diagnostisch onderzoek door een gedragsdeskundige is naar voren gekomen dat een stoornis niet kan worden vastgesteld, maar ook niet geheel kan worden uitgesloten. Ook kan er geen recidiverisico worden bepaald. Wel wordt geconstateerd dat uit het strafdossier de nodige zorgen naar voren komen, waardoor het van belang wordt geacht dat er nadere delictsanalyse wordt uitgevoerd en dat seksuele belevingen en gedragingen worden onderzocht. De reclassering adviseert daarom ook een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek gespecialiseerd in seksueel delictgedrag. Verder worden als bijzondere voorwaarden geadviseerd een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod, het vermijden van digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik en een verbod op bepaalde werkzaamheden.\n\n4.3.5.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In strafverminderende zin is in aanmerking genomen dat de verdachte een first offender is en op gevorderde leeftijd is.\n\nDe officier van justitie heeft haar eis gebaseerd op bewezenverklaring van beide feiten. Hoewel de rechtbank slechts tot bewezenverklaring van één feit komt, zal zij niettemin de door de officier van justitie geëiste straf opleggen. Een lagere straf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit, de proceshouding van de verdachte en de gevaarzetting die daarvan uitgaat.\n\nDit betekent concreet dat een gevangenisstraf van twaalf maanden wordt opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd, omdat de rechtbank het van belang acht dat de verdachte in de toekomst de nodige behandelingen volgt en meewerkt aan nadere diagnostisch onderzoek, zodat daarmee een eventueel risico op herhaling kan worden beperkt.\n\nHet onvoorwaardelijk deel van deze straf is langer dan verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Bovendien zijn de bezwaren en gronden die tot het bevel voorlopige hechtenis hebben geleid nog aanwezig. Er is dus geen aanleiding om de voorlopige hechtenis thans op te heffen.\n\nHet voorwaardelijk deel van de straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf enkele bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.\n\nDe bijzondere voorwaarden zijn: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en vermijding van digitale omgevingen met betrekking tot seksueel kindermisbruik. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod ten aanzien van direct aanwijsbare slachtoffers, een verbod op bepaalde werkzaamheden of het vermijden van contact met minderjarigen als bijzondere voorwaarde op te leggen. Het is de rechtbank immers niet gebleken dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan kindermisbruik, in welk geval dergelijke voorwaarden wel aangewezen zouden zijn.\n\nGelet op het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom is het belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De rechtbank verklaart de bijzondere voorwaarden om die reden dadelijk uitvoerbaar.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 240b (oud) en 252 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 4 (vier) maandenniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 5 (vijf) dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n3. de verdachte gedurende de proeftijd:\n\na. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;\n\nb. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;\n\nc. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);\n\nd. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder a en b zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\nHet toezicht op de naleving van de onderdelen a. tot en met c. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de verdachte in gebruik heeft. De verdachte werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de verdachte in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de verdachte de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) 6 (zes) keer worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de verdachte;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nbeveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. A.M.H. Geerars, voorzitter,\n\nen mrs. J.L. Luiten en R.P.W. van de Meerakker, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.E. Jacobino, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [nummer].\n\n Afgelegd tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Pagina’s 31-51\n\nPagina’s 58-60.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7973","2026-07-13T00:29:08.883Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":39,"updatedAt":62},"1225","ECLI:NL:RBROT:2026:8068","ecli-nl-rbrot-2026-8068","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.007837.23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. F.T. Sakrak\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van witwassen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nZij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of\n\nanderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd\n\nwas om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [naam horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze bij de rechtbank Rotterdam en\u002Fof de rechtbank Midden-Nederland, in een raadkamerprocedure en\u002Fof kort geding en\u002Fof bodemprocedure, in te dienen en\u002Fof in te zenden en\u002Fof in te brengen en\u002Fof over te leggen en\u002Fof te gebruiken althans te doen indienen en of inzenden en\u002Fof inbrengen en\u002Fof overleggen en\u002Fof gebruiken.\n\n2\n\nZij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nLeusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp\n\n- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de\n\nverplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor feit 1 en feit 2.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVaststaande feiten\n\nOp 18 januari 2022 zagen verbalisanten een verdachte situatie waarbij een man in een Mercedes stapte die op naam staat van de medeverdachte [medeverdachte] . De man bleef even zitten in de Mercedes en is vervolgens in zijn eigen auto gestapt en weggereden. Omdat de auto waar deze man instapte en in wegreed, geregistreerd stond op naam van iemand die antecedenten had op het gebied van overtredingen van de Opiumwet, hebben de verbalisanten besloten om beide auto’s staande te houden. Als bij de man in de andere auto 17 ponypacks met cocaïne worden aangetroffen, verklaart hij dat hij deze drugs verhandelde in opdracht van de bestuurder van de Mercedes. Naar aanleiding van deze bevindingen is de Mercedes staande gehouden. De bestuurder is de medeverdachte [medeverdachte] . In zijn jaszak wordt een geldbedrag van € 2.775,- aangetroffen en om zijn pols draagt hij een Rolex-horloge. Hij heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder (de verdachte) is. Uit onderzoek volgt dat het Rolex-horloge een marktwaarde heeft tussen de\n\n€ 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nDat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat deze een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nDe hierboven onder vaststaande feiten weergegeven bevindingen en de resultaten van de iCOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen.\n\nDaar staat tegenover dat de verdachte heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de medeverdachte [medeverdachte] het horloge heeft gekocht bij [naam horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 2 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [naam horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Uit dit onderzoek volgt dat de verdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [naam horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de verdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de verdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een procedure die de verdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen onder meer verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 2] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 2] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen verdere objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de verdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het horloge heeft witgewassen, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nValsheid in geschrift\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de verdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.3. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.4. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8068","2026-07-13T00:29:10.971Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":67,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":39,"updatedAt":69},"1227","ECLI:NL:RBROT:2026:8071","ecli-nl-rbrot-2026-8071","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F009948-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. N. Hendriksen\n\nOfficier van justitie: mr. W.L. van Prooijen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 kwam container [containernummer] in de haven van Rotterdam aan met het containerschip [naam schip] . De container was geladen met druiven, afkomstig uit Peru en de ontvanger was het bedrijf [naam bedrijf 1] . te Ridderkerk. Na aankomst in de haven van Rotterdam werd de container gecontroleerd door de douane en tijdens deze controle werden er in de achterwand van deze container 70 pakketten (70.05 kilogram) cocaïne aangetroffen. Nadat de verdovende middelen waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal.\n\nTevens bleek dat de container op 20 december 2022 omstreeks 08.03 uur was uitgehaald door chauffeur [verdachte] met gebruikmaking van zijn truck gekentekend [kentekennummer 1] , namens het transportbedrijf [naam bedrijf 2] . De container was na het uithalen vervoerd naar het bedrijf [naam bedrijf 3] . te Hoek van Holland. Uit de gegevens van het douanesysteem AFIS bleek dat de container diezelfde dag ook leeg was ingeleverd om 13.45 uur.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 werd ik gebeld door de wachtcommandant van Douanekantoor Rotterdam Haven. Hij vertelde mij dat door speurhondengeleiders van Douane Rotterdam Haven, in een container, vermoedelijk verdovende middelen waren aangetroffen.\n\nTer plaatse aangekomen op wees een speurhondengeleider mij een container aan voorzien van een uniek nummer [containernummer]\n\nIk zag dat de lading was gelost. Wij hebben vervolgens een gedeelte van het kopschot verwijderd en zagen daarachter in de luchtkanalen een onbekende hoeveelheid pakketten vermoedelijk verdovende middelen zitten. Vervolgens heb ik de 70 pakketten vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen op grond van de Opiumwet.\n\nBerekening netto gewicht\n\nNetto gewicht van 1 pakket = 7005,5 \u002F 7 = 1000,78 gram\n\nNetto gewicht 70 pakketten = 1000,78 gram x 70 pakketten= 70.05 kilogram\n\nVervolgens maakte ik ter begeleiding van de 7 gripzakjes inhoudende circa 3 gram witte poederachtige substantie een aanvraagformulier ten behoeve van de analyse door Douanelaboratorium. Hierna werden alle gripzakjes aangeboden bij het Douanelaboratorium. D0115954NL, D0115953NL, D0115952NL, D0115951NL, D0115950NL, D0115949NL, D0115948NL.\n\n3. Deskundigenverslag\n\nOp 03-01-2023 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:\n\nD011954NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011953NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011952NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011951NL) een plastic zakje met wit. korrelig materiaal\n\nD011950NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011949NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011948NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nHet materiaal werd onderzocht. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 13 juni 2023 werd in het kader van onderzoek 03Farao een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [medeverdachte] . Bij deze doorzoeking werd een Apple iPhone 7 in beslag genomen.\n\nIn dit proces-verbaal worden specifiek twee video's beschreven die zijn aangetroffen in de iPhone 7.\n\nDe twee video's zijn op 11 april 2023 door het telefoonnummer [gsm-nummer 1] met naam \" [naam 1] \" (geïdentificeerd als zijnde [medeverdachte] ) via Signal verstuurd\n\nBeschrijving videodeel 1\n\nIk zie vervolgens dat de vrachtwagen met de container achterwaarts verder het terrein op komt rijden. Ik zie tegelijkertijd linksboven in beeld een man aan komen lopen richting de ingang van de loods (NNman1).\n\nIk zie dat de vrachtwagen dichter naar de ingang van de loods rijdt. Ik zie nu op de container het containernummer [containernummer] en [kenmerk] staan. Ik zie dat de oplegger voorzien is van kenteken [kentekennummer 2] .\n\nIk zie dat de camera weer beweegt naar de achterzijde van de vrachtwagen. Ik zie aan de linkerzijde (bestuurderszijde) van de vrachtwagen een man in beeld komen (NNman2). Omdat hij van de bestuurderszijde van de vrachtwagen aan komt lopen vermoed ik dat hij de chauffeur van vrachtwagen is.\n\nIk zie dat NNman2 verder de loods in loopt. Vervolgens zie ik een andere man (NNman3) in beeld komen. Deze persoon draagt zwarte handschoenen en een zwarte bivakmuts over het hoofd. Ik zie dat NNman2 de man met de bivakmuts (NNman3) een hand geeft.\n\nIk zie dat NNman3 naar de container loopt en de vergrendeling van de container vast pakt. Ik zie dat tegelijkertijd NNman2 een andere persoon met zwarte handschoen en zwarte mouw (NNpersoon4) een boks geeft.\n\nIk zie dat NNman3 de vergrendeling van de container los maakt en de rechterdeur van de container opent.\n\nIk zie dat NNman3 richting de houten kast rechts in de loods loopt. Ik zie op deze kast een opengeklapte zwarte laptop en daarnaast een lichtblauwe weegschaal staan.\n\nIk zie dat NNman2 de container in kijkt. Ik zie vervolgens dat de inhoud van de container nog even gefilmd wordt. Ik zie dat de container geen lading in de laadruimte bevat.\n\nBeschrijving video deel 2\n\nIk zie dat Nnman3 naar de open container loopt. Ik zie dat hij een rood doosje, een schroefboormachine en nog wat gereedschap bij zich heeft en dit in de container zet. Ik zie dat hij via het keukentrapje in de container klimt.\n\nIk zie dat degene die aan het filmen is ook naar de container verplaatst, in de container komt en vervolgens de binnenzijde van de container filmt. Ik zie dat het containernummer [containernummer] , welke ook in de binnenzijde van de container staat, gefilmd wordt.\n\nIk zie dat NNman3 de schroefboormachine tegen de achterwand houdt.\n\nIk zie dat het NNman3 lukt om de schroef uit de achterwand te schroeven. Ik zie hem de schroef op de grond leggen en vervolgens met de schroefboormachine naar een andere schroef in de achterwand van de container gaan. Vervolgens wordt de video beëindigd.\n\nLocatie\n\nDoor mij is de locatie op de [adres 2] in [plaats] bekeken op Google maps \u002F streetview. Ik zag dat de omgeving van deze locatie overeenkwam met het bedrijventerrein wat zichtbaar is op de video. Hieruit maak ik op dat de video's zijn gemaakt in de loods van het bedrijf op de [adres 2] in [plaats] . Deze loods ligt op circa 24 kilometer afstand ten zuiden van de Rotterdamse haven.\n\nVrachtwagen\n\nIn de video wordt de container vervoerd met een vrachtwagen oplegger met het kenteken [kentekennummer 2] . Uit de politiesystemen blijkt dat dit kenteken sinds 01-09-2020 op naam staat van rechtspersoon [naam verhuurbedrijf] De gevolmachtigde van [naam verhuurbedrijf] is [verdachte] ( [geboortedatum] -1965).\n\nDoor mij is de rijbewijsfoto van [verdachte] bekeken. Ik zag hierbij zeer sterke gelijkenissen met NNman2 welke zichtbaar is in de video. Ik zie overeenkomsten in het donkere haar (op de video wordt het haar wat langer gedragen), de oren, wenkbrauwen, neus mond en kin\u002Fonderkin. Op basis van bovenstaande identificeer ik NNman2 als zijnde [verdachte] .\n\nDoor mij is in de iPhone 7 van [medeverdachte] gezocht op de roepnaam \" [naam 2] \" om te onderzoeken of hij mogelijk contact heeft gehad met [verdachte] . Ik zag in de contactenlijst van het toestel twee maal de naam [naam 2] staa:\n\n [naam 3] - [gsm-nummer 2]\n\n [naam 4] - + [gsm-nummer 3]\n\nMij is ambtshalve bekend dat met \"Tp\" transport bedoeld wordt. Dit sluit dus aan bij NNman2 die de chauffeur van de vrachtwagen met container lijkt te zijn. Het telefoonnummer [gsm-nummer 2] komt in de politiesystemen voor en is gekoppeld aan [verdachte] . Ik zag dat er op 10 april 2023 20 24 uur verzonden werden) door [accountnaam 1] ( [medeverdachte] ) het WhatsApp bericht \"Hey maat kan je op onze vriend reageren .!” gestuurd werd naar [accountnaam 2] .\n\n5. Verhoor van de verdachte\n\n0: Zoals reeds eerder in het vorige verhoor werd aangegeven was container [containernummer] beladen met druiven en moest deze in opdracht van [naam bedrijf 1] gelost worden bij [naam bedrijf 3] te Hoek van Holland en na lossing leeg weer ingeleverd worden op de Maasvlakte. U bent echter met deze lege container naar een loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats] gereden.\n\n0: Wij tonen de verdachte drie snapshots uit de getoonde filmpjes en hebben deze snapshots genummerd en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. 2408201255.D01, D02 en D03.\n\nV: Bent u dat op dat beeld?\n\nA: Ja dat ben ik.\n\nV: Waar kent u deze personen van?\n\nA: Ik heb ze in de loods gezien.\n\nV: Waarom moest de persoon met de bivakmuts de container openen, de container in klimmen en boren\u002Fschroeven in de achterwand van deze container?\n\nV: Vond je dat niet vreemd?\n\nA: Tuurlijk is dat vreemd, maar er zat niks achter die wand, ik heb gezien dat de achterwand werd los gemaakt.\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nStandpunt verdediging\n\nHet kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Met de verklaring van de verdachte bij de politie dient behoedzaam te worden omgegaan, omdat hem is gevraagd naar gebeurtenissen eind 2023 terwijl de zaak zich afspeelde eind 2022.\n\nVaststaande feiten\n\nOp 19 december 2022 is een container met containernummer [containernummer] (hierna: de container) in de haven van Rotterdam binnengekomen die afkomstig was uit Peru. De container is gecontroleerd en na het losschroeven van de achterwand werden 70 pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze pakketten in totaal 70,05 kilogram cocaïne bevatten. Nadat de pakketten waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal. De verdachte heeft de container vervolgens op 20 december 2022 opgehaald met behulp van zijn vrachtwagen. In een in een ander strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen video is de truck met de container te zien terwijl deze een loods in [plaats] binnenrijdt. Ook de verdachte komt in beeld terwijl hij een hand geeft aan een persoon die een bivakmuts draagt. Deze persoon schroeft vervolgens de achterwand van de container los. Verder bevindt het telefoonnummer van de verdachte zich in de telefoon van diegene bij wie de video is aangetroffen.\n\nVerklaring verdachte\n\nDe verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren verklaard dat hij inderdaad in de loods aanwezig is geweest, dat hij de container heeft vervoerd en naar de loods heeft gebracht, dat hij te zien is op de video, dat hij het wel vreemd vond dat in de loods door iemand met een bivakmuts over zijn gezicht de achterwand van de container werd opengeschroefd, maar dat hij dit alles onder bedreiging had gedaan. Ter terechtzitting heeft hij zijn verklaring deels gewijzigd in die zin dat hij niet onder bedreiging met de container naar de loods was gegaan en dat er niets uit de container zou worden gehaald maar dat hij de container daar in het kader van zijn reguliere werkzaamheden moest laten controleren. Hij heeft aangevoerd dat hem tijdens de verhoren ten onrechte het jaartal 2023 is voorgehouden, waardoor hij dacht dat de vragen betrekking hadden op een incident uit 2023. Daardoor zou hij gebeurtenissen met elkaar hebben verward.\n\nDe rechtbank acht deze verklaring op de terechtzitting niet geloofwaardig. Indien de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hem vragen werden gesteld over een andere gebeurtenis, had het op zijn weg gelegen dit reeds tijdens zijn tweede verhoor, dat ongeveer twee weken na het eerste verhoor plaatsvond, naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de verdachte heeft verklaard slechts eenmaal in [plaats] te zijn geweest en slechts eenmaal te zijn benaderd. Dat maakt zijn beroep op een vergissing ten aanzien van de gebeurtenissen des te minder geloofwaardig.\n\nDe rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van de verdachte bij de politie, met dien verstande dat niet is gebleken van enige dwang of dreiging jegens de verdachte zoals de verdachte in eerste instantie heeft gesteld. De video toont dat de verdachte zich direct na aankomst in de loods begeeft naar de aanwezige personen, hun begroet door ze een hand dan wel een boks te geven en vervolgens aanwezig blijft terwijl de achterwand van de container wordt losgeschroefd. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar met de aanvankelijke stelling van de verdachte dat er sprake was van dwang of dreiging.\n\nTer zitting heeft de verdachte gezegd dat hij niet wist dat zich verdovende middelen in de vrachtwagen bevonden. Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Alleen al niet omdat degene die in het bijzijn van de verdachte in de container de achterwand openschroefde een bivakmuts droeg, hetgeen duidt op illegale activiteiten. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die betrokken zijn bij het vervoer van een zeer waardevolle illegale lading, zoals een grote hoeveelheid cocaïne, het transport daarvan in de regel niet overlaten aan een willekeurige of onwetende derde.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap had van het criminele karakter van het transport en nauw en bewust heeft meegewerkt aan het vervoer van de container naar een andere locatie dan het officiële afleveradres met als doel daar cocaïne uit te halen. Door als chauffeur het transport naar de loods in [plaats] te verzorgen, heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde ofvijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buitenhet grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid enmiddelenen\u002Fof inlichtingentot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen,eenvervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn\u002Fhaarmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendatzijhetbestemdwarenwastot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van 3 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte is als chauffeur betrokken geweest bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne. Hij heeft een container opgehaald en naar een andere locatie gebracht voordat hij de container bij het officiële afleveradres afleverde, zodat op de tussenlocatie de cocaïne uit de container kon worden gehaald. Het is\n\nalgemeen bekend dat (hard)drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging\n\nvormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft bij het plegen\n\nvan de feiten kennelijk alleen oog gehad voor zichzelf en zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de\n\nnadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nGelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 28 tot en met 29.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 36 tot en met 42.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met kenmerk [kenmerknummer] , pagina 53.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 27.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte op 13 september 2024, pagina’s 68 tot en met 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8071","2026-07-13T00:29:11.058Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":74,"fullText":75,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":77},"1422","ECLI:NL:RBROT:2026:7917","ecli-nl-rbrot-2026-7917","2026-06-30T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-247847-25\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nDatum zitting: 16 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte], geboren op [geboortedatum 1] 1977 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), ingeschreven op het adres:\n\n [adres] , [postcode] [plaatsnaam] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Krimpen aan den IJssel.\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. P. van Tour\n\nOfficier van justitie: mr. B.M. van Heemst\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het belagen (stalking) en mishandelen van zijn (ex)vriendin. De feiten kunnen de verdachte in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 250 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen. Ook wordt aan de verdachte een 38v-maatregel opgelegd in de vorm van een contactverbod met de aangeefster.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - zijn (ex)vriendin heeft belaagd, mishandeld en bedreigd.\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat:\n\nfeit 1 hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 28 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door: - veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en\u002Fof - veelvuldig te (video)bellen naar die [slachtoffer] en\u002Fof - naar de vader van die [slachtoffer] te bellen en\u002Fof - zich veelvuldig, althans meerdere malen, op te houden in de buurt van het werk en\u002Fof de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof - door de brievenbus van die [slachtoffer] naar binnen in de woning van die [slachtoffer] te kijken met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nfeit 2 hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door aan haar haren te trekken en\u002Fof aan haar oorbel te trekken; feit 3 hij op of omstreeks 13 september 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"straks gooi ik je in de sloot en laat ik je verdrinken\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 3. Verder heeft de verdediging verzocht de pleegperiode met betrekking tot feit 1 te beperken tot de periode vanaf 14 september 2025. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen belaging en mishandeling (feiten 1 en 2)\n\nBewezen is dat de verdachte zijn (ex)vriendin heeft belaagd en mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en 2 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster]\n\n3. Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring [aangeefster]\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\n5. Proces-verbaal van de politie2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1\n\nhij in de periode van 14 september 2025 tot en met 28 december 2025 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:\n\n- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en\n\n- veelvuldig te (video)bellen naar die [slachtoffer] en\n\n- zich meerdere malen op te houden in de buurt van de woning van die [slachtoffer] en\n\n- door de brievenbus van die [slachtoffer] naar binnen in de woning van die [slachtoffer] te kijken\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en\u002Fof te dulden;\n\nFeit 2\n\nhij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door aan haar haren te trekken.2.3.3.. \n\nVrijspraak bedreiging (feit 3)\n\nDe bedreiging waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar heeft bedreigd met de woorden: “straks gooi ik je in de sloot en laat ik je verdrinken”. De moeder van de aangeefster heeft weliswaar verklaard dat de verdachte zou hebben gedreigd, maar zij heeft het gebruik door de verdachte van deze specifieke, dan wel daarmee vergelijkbare, bewoordingen niet bevestigd. Zij spreekt over wezenlijk andere bewoordingen. De verdachte heeft de gestelde bedreiging bovendien uitdrukkelijk ontkend. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nbelaging;\n\nFeit 2\n\nmishandeling.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf en maatregel4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging (ongemaximeerd), de 38v-maatregel (een contactverbod) en de 38z-maatregel worden opgelegd.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVerzocht is een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en af te zien van oplegging van een tbs-maatregel met dwang, omdat dit niet proportioneel en noodzakelijk is. Als toch een tbs-maatregel wordt opgelegd, dan wordt verzocht deze maatregel met voorwaarden op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en mishandeling van zijn (ex)vriendin. De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld door aan haar haren te trekken. Toen de relatie kort daarna door de aangeefster werd verbroken is de verdachte haar gaan stalken. Zo heeft hij haar in een periode van bijna vier maanden veelvuldig berichten gestuurd en gebeld, heeft hij zich in de buurt van haar woning opgehouden en door haar brievenbus naar binnen gekeken. Dit alles terwijl de verdachte wist dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde. Ook dat de verdachte was aangehouden voor de belaging en hij daarvoor in voorarrest zat, weerhield hem er niet van om contact op te nemen met de aangeefster, evenmin na oplegging van een contactverbod door de officier van justitie. Tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is eveneens door de rechtbank een contactverbod met de aangeefster opgelegd aan de verdachte. Tot drie keer toe is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst en tot drie keer toe heeft verdachte de schorsingsvoorwaarden overtreden door steeds weer opnieuw contact te zoeken met de aangeefster. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Dat de feiten een grote impact hebben gehad blijkt onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de aangeefster. Hieruit blijkt dat zij zich nog altijd niet veilig voelt en veel angst heeft overgehouden aan de gebeurtenissen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 26 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.\n\nRapporten van deskundigen en de reclassering\n\nIn het rapport van de psycholoog [naam 1]van 6 januari 2026 staat onder meer dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne.\n\nIn het aanvullende rapport van de psycholoog [naam 1]van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende. De eerder genoemde stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Het alcoholgebruik zorgde voor spanningen binnen de relatie en de verdachte werd door het gebruik agressiever, ook naar de aangeefster. Vervolgens bleek ook sprake van een terugval in cocaïnegebruik en was sprake van achterdocht bij de verdachte. Toen de aangeefster de relatie met de verdachte wilde verbreken werd dit door hem niet geaccepteerd. Hij zocht haar veelvuldig op en stuurde haar berichten. Het niet beantwoorden van zijn oproepen door de aangeefster zorgde voor boosheid en agressiedoorbraken, zoals het aan de haren trekken van de aangeefster. De verdachte lijkt het gedrag van de aangeefster bovendien onjuist te hebben geïnterpreteerd en hij had onvoldoende inzicht in zijn grensoverschrijdende gedrag en dat dit angst kon oproepen bij de aangeefster. Voorgaande zaken, zoals een beperkte frustratietolerantie, onvoldoende inlevingsvermogen, impulsiviteit en het onvoldoende overzien van de gevolgen van zijn eigen gedrag, zijn passend bij een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het alcohol en cocaïnegebruik van de verdachte lijkt zijn vermogen om eigen gedrag te plannen en te reguleren verder negatief te hebben beïnvloed. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.\n\nHet risico op geweld bij stalking wordt bij verdachte matig-hoog ingeschat en het risico op volharding in het stalkingsgedrag wordt ingeschat als hoog. Gelet op dit risico en de ernst van de problematiek wordt intensieve forensische behandeling met een hoge mate van toezicht geïndiceerd, waarbij een klinische behandeling wordt gevolgd door een ambulante behandeling. Verwacht wordt dat deze behandeling een periode van meerdere jaren in beslag zal nemen. In het rapport van 6 januari 2026 beschreef de psycholoog haar twijfels omtrent de haalbaarheid van een behandel- en interventietraject binnen het kader van bijzondere voorwaarden. Deze twijfels zijn toegenomen door het aanvullende gesprek met de verdachte en de ontwikkelingen in december 2025. Voor een strafrechtelijk kader met voorwaarden (waaronder tbs met voorwaarden) is intrinsieke motivatie nodig. Dit is slechts beperkt aanwezig bij de verdachte. Hoewel hij in eerste instantie aangaf dat hij bereid was om mee te werken aan behandeling, was hij ambivalent over de bereidheid om mee te werken aan klinische behandeling. Daarnaast is de kans dat de verdachte terugvalt in middelengebruik groot, en is gebleken dat hij bij tegenslagen en middelengebruik sterker geneigd is om terug te vallen in stalkingsgedrag. De verdachte heeft bovendien nauwelijks besef van eigen problematiek en de aanwezige risicofactoren. Ook heeft hij nauwelijks inzicht in de gevolgen van zijn gedrag voor de aangeefster en toont weinig empathie. Gelet op het voorgaande in combinatie met de ingeschatte risico's, de aard van de problematiek, het beloop ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis en de noodzaak van een langdurige intensievere vorm van forensische behandeling rest enkel nog het kader van een tbs met dwangverpleging. Daarnaast adviseert de psycholoog om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nIn het rapport van de psychiater [naam 2]van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende.\n\nBij de verdachte is sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is er sprake van een licht verstandelijke beperking. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Door het middelengebruik is de relatie tussen de verdachte en de aangeefster meermaals onder spanning komen te staan. Vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis is de verdachte gevoelig voor krenking. De verdachte kan zich nauwelijks inleven en heeft een gebrekkige gewetensfunctie. Hij is wantrouwend en voelt zich emotioneel tekort gedaan. Hij reageert dwangmatig en rigide. Hij heeft de afwijzing van de aangeefster niet kunnen verdragen en raakt emotioneel overspoeld. Als gevolg hiervan gaat de verdachte stalkingsgedrag vertonen en voelt hij geen rem meer. Hij is impulsief en heeft problemen met agressieregulatie. Vanuit zijn problematiek blijft de verdachte de aangeefster herhaaldelijk benaderen, gaat over haar grenzen en laat fysieke agressie zien. Doordat de verdachte onvoldoende adequate copingsmechanismen heeft om met gevoelens om te gaan vervalt hij in het gebruik van middelen, hetgeen het stalkingsgedrag voedt. Hij kan zijn middelengebruik onvoldoende controleren. De verdachte beschikte dus over onvoldoende vaardigheden om zich staande te houden binnen de intieme relatie en kon de emoties als gevolg van de relatiebreuk onvoldoende reguleren. Hij kon de gevolgen van zijn gedrag niet overzien. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in een verminderde mate toe te rekenen.\n\nHet risico op geweld en belaging op korte, lange en middellange termijn wordt ingeschat als hoog. Om dit risico terug te dringen is behandeling nodig gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Er is intensieve behandeling nodig in een forensische psychiatrische intramurale setting op een zeer hoog beveiligingsniveau en passend bij het intelligentieniveau van de verdachte. De inschatting is dat de klinische fase van de behandeling voldoende lang dient plaats te vinden om het recidiverisico te doen verlagen en de verdachte veilig te kunnen resocialiseren naar de maatschappij. De verdachte is niet gemotiveerd voor behandeling en heeft nauwelijks probleembesef of het vermogen tot zelfreflectie. De verdachte heeft recentelijk meermaals zijn schorsingsvoorwaarden overtreden. Voor een voorwaardelijk kader dient er niet alleen voldoende motivatie maar ook enige mate van inzicht te zijn. De psychiater schat de duurzame bereidwilligheid van de verdachte om zich te conformeren aan voorwaarden beperkt in. De inschatting is dat hij door beperkt ziektebesef en zijn impulsieve levensstijl niet in staat is zich langere tijd aan voorwaarden te conformeren. De combinatie van de persoonlijkheidsproblematiek en de stoornissen in middelengebruik, gebrekkige gewetensfunctie, weinig respons op eerdere behandeling, ontbreken van intrinsieke motivatie en het hardnekkige delictpatroon maken dat tbs met dwangverpleging wordt geadviseerd. De psychiater beseft dat dit een vergaande maatregel is, maar stelt dat alleen op deze wijze de kern van de problematiek behandeld kan worden en dat gedragsverandering kan worden gerealiseerd. De verwachting is dat behandeling middels tbs met voorwaarden niet zal slagen en dat de maatschappij daarmee onvoldoende beveiligd zal worden. Mogelijk is de duur van de geadviseerde maatregel, mocht deze gemaximeerd zijn, niet voldoende. De psychiater geeft daarom in overweging een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nIn het rapport van de Verslavingsreclassering GGZvan 3 juni 2026 staat onder meer het volgende. Er is sprake van een patroon aangaande geweld gepleegd binnen de huiselijke kring. Ondanks de verdachte zich conformeerde aan de meldplichtafspraken binnen de schorsing van de preventieve hechtenis, is er geen sprake van intrinsieke motivatie tot gedragsverandering. Ten grondslag hieraan ligt mogelijk zijn onvermogen, waarbij er een gebrek is aan ziekte-inzicht en geen sprake is van probleembesef. De verdachte legt de verantwoordelijkheid voor onderhavige feiten volledig buiten zichzelf. Eerdere reclasseringscontacten zijn vroegtijdig negatief beëindigd. De verdachte ontkent een verslaving te hebben wat betreft alcohol en cocaïne en wenst hiervoor niet behandeld te worden. De leefgebieden van de verdachte zijn ontwricht, dit maakt dat er geen beschermende factoren waarneembaar zijn. De reclassering ziet dat het welenwee van zijn ex-partner bij de verdachte nog geheel op de voorgrond staat. In het verleden is de verdachte meermaals veroordeeld wegens vermogens- en geweldsfeiten, meermaals gepleegd tegen vrouwen. Om het hoge risico op recidive te verminderen is het van belang een langdurige klinische behandeling in te zetten gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Er dient gewerkt te worden aan algehele abstinentie. Gezien het verleden en zijn problematiek dient hiervoor een langdurig intensief traject plaats te vinden. Het verleden leert dat de verdachte zich uiteindelijk binnen een voorwaardelijk kader niet conformeert aan bijzondere voorwaarden, zich hieraan onttrekt en zich zorgmijdend opstelt. Hiernaast is er geen sprake van een behandelcommitment. De inschatting is dat de verdachte door beperkt ziektebesef en zijn impulsieve levensstijl niet in staat zal zijn zich langdurig te kunnen conformeren aan voorwaarden binnen een voorwaardelijk kader. De reclassering ziet gezien de hoge risico’s op recidive, de psychiatrische- en verslavingsproblematiek waarbij een wens tot behandeling ontbreekt en de houding van de verdachte geen mogelijkheden om hem te begeleiden binnen een tbs-maatregel met voorwaarden.\n\nOp basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte psychische stoornissen en een verstandelijke handicap bestonden en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedden. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.4.3.3.. Oplegging straf en maatregelen\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de feiten is een gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur hiervan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en zal dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 250 dagen opleggen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTbs-maatregel\n\nDe rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een licht verstandelijke beperking, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is de belaging een in de wet vermeld misdrijf waarvoor oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de over de verdachte uitgebrachte rapporten acht de rechtbank de tbs met dwangverpleging het enige passende kader, waarbinnen de verdachte de noodzakelijke behandeling kan krijgen en het hoge recidiverisico voldoende ingeperkt kan worden. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard, ernst en complexiteit van de stoornissen, alsmede de langdurige intensieve behandeling die nodig wordt geacht. De rechtbank realiseert zich dat een bevel verpleging een verstrekkende en ingrijpende maatregel betreft, maar ziet mede gelet op het beperkte ziekte-inzicht en probleembesef bij de verdachte geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling in een lichter kader te realiseren. Daarbij weegt de rechtbank uitdrukkelijk mee dat de voorlopige hechtenis van de verdachte drie keer is geschorst en dat die schorsing vervolgens drie keer weer is opgeheven omdat de verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden hield. De rechtbank onderschrijft, gelet op het voorgaande, de bevindingen van de deskundigen dat de verdachte op dit moment niet in staat is om zich gedurende een langere periode aan voorwaarden te kunnen houden. Een voorwaardelijk kader, zoals door de verdediging is bepleit, is om die reden geen passende optie.\n\nDuur van de terbeschikkingstelling\n\nOp grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat de totale duur van de tbs-maatregel een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is. Belaging kan niet zonder meer worden aangemerkt als een misdrijf als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. In deze zaak zien de belagingshandelingen voornamelijk op het veelvuldig telefonisch contacteren van de aangeefster en het zich nabij haar woning bevinden. De contacten waren niet dreigend van aard. Dat maakt dat de wijze waarop en de inhoud van de belaging in dit geval niet zodanig was dat gesproken kan worden van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Weliswaar wordt de verdachte ook veroordeeld voor een (eenvoudige) mishandeling van de aangeefster, maar een dergelijke mishandeling is geen strafbaar feit waarvoor oplegging van een tbs-maatregel wettelijk mogelijk is. Deze mishandeling vond bovendien plaats enige tijd voorafgaand aan de stalking, en hield daarmee geen verband. Dit betekent dat de duur van de dwangverpleging is gemaximeerd tot vier jaar.\n\nVoorwaardelijk verzoekDe verdediging heeft gevraagd om het laten opmaken van een aanvullend reclasseringsrapport over de wenselijkheid van oplegging van tbs met dwang, als de rechtbank komt tot oplegging van deze maatregel. De reclassering benoemt dit in haar maatregelenrapport van 3 juni 2026 namelijk niet expliciet.\n\nDe rechtbank vindt het niet noodzakelijk om een aanvullend reclasseringsrapport op te laten maken. De psycholoog en psychiater hebben hun advies om tbs met dwangverpleging op te leggen uitvoerig toegelicht, waarbij ook gemotiveerd is aangegeven waarom een voorwaardelijk kader niet toereikend is. De reclassering heeft de rapporten van voornoemde deskundigen betrokken bij haar advies van 3 juni 2026 en is tot eenzelfde conclusie gekomen: namelijk dat een tbs met voorwaarden niet toereikend is. Gelet hierop acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht. Het verzoek wordt afgewezen.\n\nOverige maatregelen (38v en 38z Wetboek van Strafrecht)\n\nOm strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren. Deze maatregel houdt een contactverbod in met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1985). Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale maximale duur van zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.\n\nDe rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er gelet op de eerdere aanhoudende contactpogingen van de verdachte - ook na oplegging van een contactverbod (als schorsingsvoorwaarde) - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de zich verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van de aangeefster. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.\n\nDe rechtbank ziet, mede gelet op de zeer summiere onderbouwing door de deskundigen, geen aanleiding om naast de tbs-maatregel met dwangverpleging en de 38v-maatregel ook nog de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z op te leggen.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 38v, 38w, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf en maatregelen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 250 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nTBS-maatregel\n\nbeveelt dat de verdachte voor feit 1 ter beschikking wordt gestelden beveelt dat de terbeschikkinggesteldevan overheidswege wordt verpleegd;\n\nVrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)\n\nlegt de verdachte voor de feiten 1 en 2 op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaar na dit vonnis, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1985), bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden;\n\nbeveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. E. IJspeerd, voorzitter,\n\nen mrs. J.A. Terstegge en B.R.D. Hoebeke, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.\n\nMrs. Terstegge en Hoebeke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 16 juni 2026.\n\n Pagina’s 1-7 van het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 1].\n\n Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 8 december 2025.\n\n Het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 2].\n\n Pagina’s 9-17 van het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 3].","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7917","2026-07-13T00:29:20.427Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":82,"fullText":83,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":39,"updatedAt":86},"1814","ECLI:NL:RBROT:2026:7837","ecli-nl-rbrot-2026-7837","2026-06-26T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer TUL: 10-100184-22\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nBeslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak tegen de veroordeelde:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboorteland] op [geboortedatum] 1954,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngemachtigd raadsman mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam.1. Vordering\n\nOp 2 februari 2026 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 13 maanden die de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank bij vonnis van 11 december 2024 voorwaardelijk aan de veroordeelde heeft opgelegd.\n\nBij de vordering is gevoegd een rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) d.d. 27 maart 2025. Voorts zijn later nog bij de stukken gevoegd: een rapport van de Forensisch Artsen Rotterdam-Rijnmond (hierna: FARR) d.d. 26 mei 2026, een mailbericht van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) d.d. 2 juni 2026 en een mailbericht van de reclassering van 28 mei 2026.2. Feiten\n\nBij het vonnis, dat onherroepelijk is geworden, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Een deel van die straf, groot 13 maanden, is voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 3 jaren (hierna: de voorwaardelijke straf). De gestelde voorwaarden zijn onder meer:\n\nde veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Heerderweg 25, 6624 LA Maastricht of op telefoonnummer 088-8041501. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nde veroordeelde laat zich opnemen in [zorginstelling 1] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo snel als mogelijk. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\nde veroordeelde laat zich behandelen door [zorginstelling 1] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, observatie of diagnostiek. Als de voor de indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.\n\nDe mededeling voorwaardelijke veroordeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 19 januari 2026 aan de veroordeelde verzonden. De proeftijd is dus inmiddels geruime tijd geleden ingegaan.3. Procedure\n\nDe vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 12 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd. De veroordeelde zelf was niet aanwezig. Wel verschenen is zijn gemachtigd raadsman.\n\nDe als getuige-deskundige opgeroepen reclasseringswerker die met het reclasseringstoezicht is belast is wegens verhindering niet verschenen. Hij heeft, in aanvulling op het reclasseringsadvies, op 27 mei 2026 een e-mail verzonden aan de officier van justitie. Die mail is, zoals hiervoor aangegeven, bij de stukken gevoegd.4. Conclusie officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering wordt toegewezen, zodat de voorwaardelijke straf ten uitvoer kan worden gelegd.5. Standpunt verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat de veroordeelde 72 jaar oud is en een vergevorderde vorm van prostaatkanker heeft. Dit was bekend tijdens de uitspraak in deze zaak, maar de situatie is verslechterd. Daarnaast heeft de veroordeelde in 2025 een heftige infectie gehad waardoor een ziekenhuisopname en revalidatie nodig waren. Hierdoor is zijn mobiliteit verder verslechterd, is hij bedlegerig en niet meer stabiel.\n\nHet hoofddoel van de opgelegde straf was dat de veroordeelde nooit meer iemand zou behandelen. Met de thans gevorderde tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf wordt dit doel niet bereikt. De proeftijd moet worden verlengd, zodat de voorwaarden van het behandelverbod en het verbod om naar het buitenland te gaan kunnen doorlopen. Uit het reclasseringsadvies van 27 maart 2025 en de e-mail van de reclasseringswerker op 28 mei 2026 blijkt dat het recidiverisico is verlaagd.6. Beoordeling vordering\n\nHet rapport van de reclasseringvan 27 maart 2025 houdt in:\n\nDe reclassering is van mening dat de veroordeelde de opgelegde bijzondere voorwaarden heeft overtreden.\n\nEr is geprobeerd om samen met de veroordeelde afspraken te maken over de bijzondere voorwaarden. Echter, in de gesprekken toont hij geen enkel inzicht in zijn psychisch functioneren en is het onmogelijk om tot een realistisch gesprek met hem te komen.\n\nDe gezondheid van de veroordeelde is met momenten erg slecht. Het is voor de toezichthouder van de reclassering moeilijk in te schatten of de veroordeelde met momenten zijn (ziekte) gezondheid inzet of dat hij daadwerkelijk te ziek is om mee te werken. Er is op verschillende manieren geprobeerd om de veroordeelde hierin serieus te nemen en ruimte te bieden. Er is met momenten ruimte gegeven in de afspraken, maar er is geen verbetering in de samenwerking gekomen. De bijzondere voorwaarden zijn niet bespreekbaar met de veroordeelde, zonder dat er verwijten richting de reclassering komen. De veroordeelde probeert met momenten aan te geven dat de reclassering hem onthoudt van behandeling van zijn kanker. Dit geeft een zeer onrealistische kijk van de veroordeelde weer op zijn huidige functioneren, daar hij volledig zelf kan besluiten tot het krijgen van medische behandelingen.\n\nOp 17 januari 2025 ontvangt de toezichthouder een attest van de veroordeelde via Whatsapp. Hierin staat: “verklaring voor Reclassering Maastricht [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1954. Ik verklaar niet meer te kunnen meewerken aan de reclasseringsmaatregelen wegens kankerziekte. Ter verklaring voeg ik het medisch attest van mijn huisarts toe”.\n\nHierna wordt een nieuwe afspraak gemaakt met de veroordeelde samen met zijn begeleider van [zorginstelling 2] in [plaats 1] , waar hij verblijft en wordt begeleid. De veroordeelde geeft aan dat hij doodziek is en in bed hoort te liggen. Het gesprek wordt daarna beëindigd.\n\nDe toezichthouder ziet in de houding van de veroordeelde geen enkele medewerking, behalve dat hij zicht lijkt te verschuilen achter het attest en dat dit attest hem ontslaat van de verantwoordelijkheid mee te werken aan de bijzondere voorwaarde. Inhoudelijk hierover een gesprek te hebben blijkt niet mogelijk.\n\nOp 25 februari 2025 stuurt de veroordeelde aan de toezichthouder via Whatsapp een brief van de huisarts, welke aan de veroordeelde zelf gericht is en waarin de huisarts aangeeft dat er door de veroordeelde nog geen vervolgstappen zijn ondernomen om tot een behandeling van zijn kanker te komen.\n\nHierna is er nog een paar keer contact via Whatsapp, waarin de veroordeelde laat weten erg ziek te zijn. Het is voor toezichthouder niet goed in te schatten of de veroordeelde zijn ziekte inzet om onder het toezicht uit te komen.\n\nDe reclasseringswerkerheeft per e-mail van 28 mei 2026 in aanvulling op het rapport meegedeeld:\n\nDe veroordeelde weigert structureel elk contact met de reclassering en houdt zich hiermee niet aan de opgelegde voorwaarden. Ook weigert hij de noodzakelijke behandeling en toont hij hierin geen enkele medewerking.\n\nDe veroordeelde verblijft nog steeds bij [zorginstelling 2] . Zijn somatische gesteldheid is wisselend en varieert van bedlegerigheid tot het buitenshuis drinken van koffie. Er is doorlopend contact met de begeleiding op locatie en de politie. De begeleiding geeft aan dat de situatie complex is: de veroordeelde is ernstig ziek en heeft op momenten intensieve (medische) zorg nodig. De huidige locatie is echter niet uitgerust of bevoegd om deze specifieke zorg te leveren. De veroordeelde heeft een passend alternatief aangeboden gekregen, maar weigert hieraan mee te werken.\n\nGezien het verloop van het toezicht en de hardnekkige weigering van de veroordeelde, ziet de reclassering op dit moment geen mogelijkheden meer voor ambulante begeleiding. Een (klinische) behandeling acht de reclassering inhoudelijk nog steeds noodzakelijk. Het risico op recidive lijkt, als gevolg van de slechte gezondheid en de sterk beperkte mobiliteit van de veroordeelde, inmiddels behoorlijk te zijn afgenomen.\n\nHet rapport van de FARRvan 27 mei 2026 omtrent de insluitings(detentie) geschiktheid van de veroordeelde houdt in:\n\nEr zijn nu geen aanwijzingen voor acute gezondheidsrisico’s. Er is sprake van een redelijk stabiele situatie met betrekking tot de uitgezaaide prostaatkanker. In 2016 is vastgesteld dat er uitzaaiingen zijn van de prostaatkanker in de buik en andere klieren. Er is daarom sprake van stadium 4 (van 4) prostaatkanker, echter nog niet van terminale ziekte. De veroordeelde wordt tot op heden behandeld met hormoontherapie voor de prostaatkanker. De afgelopen twee jaar zijn er wel aanwijzingen voor groei van de kanker, maar dit gaat zeer geleidelijk en geeft geen reden tot medisch ingrijpen. In januari 2026 zou de veroordeelde voor controle naar de uroloog gaan, echter deze afspraak heeft hij afgezegd.\n\nIn 2025 is de veroordeelde nog opgenomen geweest in het ziekenhuis vanwege een ernstige infectie in de diepe buikspieren heeft daarna verbleven in een revalidatie instelling.\n\nEr is sprake van insluitgeschiktheid, wanneer er voldaan wordt aan enkele voorwaarden:\n\nBeschikbaarheid van papegaai (bedheffer, hulpmiddel voor boven het bed);\n\nBeschikbaarheid van verstelbaar hoog-laag bed of verhoogd bed;\n\nBeschikbaarheid van rollator\u002Fgebruik van eigen rollator toestaan;\n\nHulp bij schoonmaken van bed en leefruimte;\n\nHulp bij het doen van de was;\n\nVerstrekken van incontinentiemateriaal;\n\nVerstrekken van urinaal;\n\nVerstrekken van glijkous;\n\nFaciliteren van de mogelijkheid tot controles door een uroloog (met een voorkeur voor zijn eigen uroloog in het [ziekenhuis] , [plaats 2] . Indien dit niet mogelijk blijkt zou dit overgedragen kunnen worden aan een uroloog in ziekenhuis nabij eventuele detentielocatie).\n\nProstaatkanker is een vorm van kanker met, afhankelijk van het stadium, een zeer wisselend beloop. Bij de veroordeelde is sinds 2016 sprake van stadium 4 prostaatkanker vanwege uitzaaiingen op afstand. Voor deze groep geldt een 10-jaarsoverleving van ongeveer 28%. Dit betekent dat uit de hele groep patiënten met dit stadium prostaatkanker na 10 jaar 28% nog in leven is. Hoewel dit percentage beperkt lijkt, behoort de veroordeelde inmiddels tot de groep die deze periode heeft overleefd. Dat is prognostisch relevant, aangezien patiënten die reeds tien jaar hebben overleefd, een geschatte kans van 64% hebben om ook de daaropvolgende vijf jaar te overleven.\n\nHet mailbericht van de DJIvan 2 juni 2026 houdt in:\n\n [zorginstelling 3] heeft de stukken beoordeeld en aangegeven dat ze de medische zorg kunnen bieden.\n\nDe rechtbankis op grond van bovenstaande stukken van oordeel dat de veroordeelde de hierboven onder 2 en 3 vermelde bijzondere voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd.\n\nDe rechtbank is op grond van die stukken voorts van oordeel dat de medische situatie van de veroordeelde niet aan naleving van de bijzondere voorwaarden in de weg heeft gestaan en evenmin aan de insluitings- oftewel detentiegeschiktheid van de veroordeelde.\n\nDaarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 maanden. Dat het recidiverisico is verlaagd doet er niet aan af dat de veroordeelde zich niet aan de gestelde bijzondere voorwaarden heeft gehouden en is ook geen reden om de tenuitvoerlegging niet te gelasten. Een straf wordt bovendien niet alleen opgelegd ter voorkoming van herhaling maar ook als vergelding.\n\nDe gezondheid van de veroordeelde vormt ook geen belemmering voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf, nu door de FARR is vastgesteld dat de veroordeelde onder voorwaarden insluitingsgeschikt is en de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft laten weten dat [PI] in die voorwaarden kan voorzien.7. Beslissing\n\nDe rechtbank\n\ngelast de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van deze rechtbank van 11 december 2024 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijkegevangenisstrafvoor de duur van13 maanden;\n\nbepaalt dat deze gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd in [PI] .\n\nDeze beslissing is genomen door mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,\n\nmrs. L. Feraaune en H. Wielhouwer, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2026.\n\nMr. H. Wielhouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7837","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.130Z",{"id":88,"ecli":89,"slug":90,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":92,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":39,"updatedAt":94},"1847","ECLI:NL:RBROT:2026:7854","ecli-nl-rbrot-2026-7854","2026-06-24T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nUTL-nummer: [UTL-nummer]\n\nParketnummer: 71\u002F094110-25\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nUitspraakvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:\n\n [de opgeëiste persoon] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] (Turkije),\n\nvan Nederlandse nationaliteit,\n\ningeschreven in de basisadministratie personen op het adres:\n\n [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nverder te noemen: de opgeëiste persoon.\n\n1. Procedure\n\nDe Turkse autoriteiten hebben bij brief van 23 april 2025 van de ambassade van de Republiek Turkije (hierna: de Turkse ambassade) aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.\n\nDe Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij brief van 6 mei 2025 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie bij het Landelijk Parket (hierna: de officier van justitie) gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.\n\nDe officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 7 mei 2025 gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.\n\nOp 14 oktober 2025 heeft de rechtbank op de openbare zitting gehoord:\n\nde officier van justitie, mr. C. Goedegebuure;\n\nde opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen.\n\nDe rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen onder gelijktijdige schorsing van de gevangenhouding onder voorwaarden. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van de zaak geschorst voor onbepaalde tijd.\n\nOp 10 juni 2026 heeft de nadere behandeling van het uitleveringsverzoek op de openbare zitting plaatsgevonden. De rechtbank, die met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling zit, heeft op deze zitting de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman gehoord.\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting aan de rechtbank overgelegd.\n\n2. Verzoek\n\nDe uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten die zijn omschreven in het uitleveringsverzoek en de twee daarbij gevoegde nationale aanhoudingsbevelen van 18 maart 2025, die zijn uitgevaardigd door het gerecht in Istanbul, genaamd ‘ [aanhoudingsbevel] ’, waarvoor zijn aanhouding is gelast.\n\nHet betreft de volgende strafbare feiten:\n\nlidmaatschap van een organisatie die is opgericht met het oogmerk een misdrijf te plegen, strafbaar gesteld in artikel 220, leden 1 en 2 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237;\n\nhandel in of levering van verdovende of stimulerende middelen, strafbaar gesteld in artikel 188, leden 1, 3 en 5 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237.\n\nVan een gedeelte van de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.\n\n3. Toepasselijk verdrag\n\nVan toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.\n\n4. Identiteit van de opgeëiste persoon\n\nDe opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is, genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.\n\n5. Genoegzaamheid van de stukken\n\n5.1. \n\nStandpunt opgeëiste persoon\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat in de stukken van de Turkse autoriteiten niet is vermeld dat de opgeëiste persoon in Turkije eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1,5 jaar en dat de opgeëiste persoon deze straf nog dient te ondergaan. Hierover is het Openbaar Ministerie door hem aangeschreven. Ter illustratie van hetgeen is aangevoerd heeft de raadsman op de terechtzitting van 10 juni 2026 een “arrest in hoger beroep” van 18 maart 2024 van de “1e strafkamer” van het “Gerechtshof Diyarbakir” overgelegd (hierna: het overgelegde stuk), alsmede een Nederlandse vertaling daarvan. Het gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon na uitlevering en de beëindiging\u002Fvoltooiing van deze strafzaak die straf in Turkije dient te ondergaan, wat volgens de verdediging zou neerkomen op een verkapte executie-uitlevering. Dit laatste is niet toegestaan op grond van artikel 4 van de Uitleveringswet (UW). De enkele garantie dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten zonder toestemming van Nederland is niet voldoende, omdat het ten dien aanzien niet om een nieuwe vervolging gaat maar om de executie van een gevangenisstraf. Gelet hierop is – zo begrijpt de rechtbank het betoog van de verdediging met een beroep op het overgelegde stuk - sprake van ongenoegzaamheid van de stukken.\n\n5.2.. \n\n Beoordeling\n\nAan de orde is een verzoek tot vervolgingsuitlevering. De vraag is of de rechtbank beschikt over de vereiste stukken ter beoordeling van de toelaatbaarheid daarvan.\n\nOnder de door de Turkse autoriteiten overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht en het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon.\n\nDe stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, EUV en artikel 18 UW. Het standpunt van de opgeëiste persoon dat deze stukken niet genoegzaam zijn wordt verworpen.\n\nMet betrekking tot het overgelegde stuk overweegt de rechtbank dat dit stuk in het kader van de toetsing door de Minister mogelijk – mede afhankelijk van de authenticiteit daarvan - nadere aandacht vergt. De rechtbank ziet aanleiding om aan de Minister te adviseren om navraag te doen over dat stuk en de betekenis ervan voor de rechtspositie van de opgeëiste persoon na voltooiing van de strafvervolging in de voorliggende zaak.\n\n6. Inhoudelijke beoordeling en bespreking verweer\n\n6.1. \n\nDubbele strafbaarheid\n\nDe feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar.\n\nOok naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:\n\n1. deelneming aan een criminele organisatie, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht,\n\ndanwel\n\ndeelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, strafbaar gesteld bij artikel 11b van de Opiumwet, en;\n\n2. ( (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A gegeven verbod en\u002Fof de in artikel 2 onder B gegeven verboden, strafbaar gesteld in (artikel 47 van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met) artikel 2 in verbinding met artikel 10 van de Opiumwet.\n\nVoor deze feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.\n\nGezien het vorenstaande is voldaan aan de vereisten ten aanzien van de dubbele strafbaarheid in artikel 2, eerste lid, EUV en artikel 5 UW.\n\n6.2. Dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM\n\nStandpunt opgeëiste persoon\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het\n\nrisico van een flagrante inbreuk op zijn rechten op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM en hem na uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zal staan. Hij heeft, onder verwijzing naar meerdere open bronnen, gesteld dat daarvan sprake is, gelet op (onder meer recente) ontwikkelingen met betrekking tot de Turkse rechtsstaat in verband waarmee grote zorgen bestaan over de situatie van de rechtsstaat in Turkije en er op zijn minst twijfel bestaat over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije. Met name personen die tegenstander zijn van het huidige regime (de AK-partij) en\u002Fof van president Erdogan lopen het risico geen eerlijk proces te krijgen. Dat kan ook het geval zijn als sprake is van vervolging voor een commuun feit. Ook daarbij kan de vervolging zijn ingegeven vanuit een politiek motief. De opgeëiste persoon is Koerd en uitgesproken tegenstander van president Erdogan. Het is daarom ondenkbaar dat hij een eerlijk proces zal krijgen en dat dit binnen de redelijke termijn zal plaatsvinden.\n\nBeoordeling\n\nUitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren.\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de bevoegdheidstoedeling in uitleveringszaken geldt dat, indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM en\u002Fof artikel 14, eerste lid, IVBPR, het in de regel niet aan de uitleveringsrechter is om te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Een dergelijk verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in wat er aangevoerd wordt reden kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in artikel 30 UW, deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.\n\nOp grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en\u002Fof artikel 14, eerste lid, IVBPR.\n\nOp het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende mensenrechtenschendingen, kan een uitzondering gemaakt worden als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan\n\ndat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens\n\ndat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.\n\nUit de door de raadsman gegeven onderbouwing blijkt niet dat en waarom ten aanzien van specifiek de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een flagrante schending van artikel 6 EVRM dreigt en hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat, zodat dit verweer wordt verworpen. Het enkel (zonder enige onderbouwing) benoemen dat de opgeëiste persoon Koerd en uitgesproken tegenstander van president Erdogan is en het beroep op de algemene zorgwekkende situatie van de rechtsstaat in Turkije is daarvoor onvoldoende. Daaruit blijkt niet waarom voor specifiek de opgeëiste persoon een reëel gevaar zou bestaan dat zijn recht op een eerlijk proces of enig ander hem op grond van artikel 6 EVRM toekomend recht zal worden geschonden bij de strafvervolging wegens de commune delicten die ten grondslag liggen aan het uitleveringsverzoek.\n\n7. Slotsom\n\nVoor de feiten waarvoor de uitlevering ter strafvervolging wordt verzocht, is aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen voldaan. Daarom wordt de gevraagde uitlevering toelaatbaar verklaard.\n\n8. Advies aan de Minister\n\nVoor het geval de rechtbank de uitlevering toelaatbaar zou verklaren, heeft de raadsman de rechtbank subsidiair verzocht een advies aan de Minister te geven omtrent het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg.\n\n8.1.. \n\nDreigende schending van de artikelen 3 en 6 EVRM en weigeringsgrond artikel 10 UW\n\nDe raadsman heeft verzocht de Minister in het advies te wijzen op hetgeen hij ten aanzien van de gestelde dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM naar voren heeft gebracht, zodat de Minister dit kan betrekken bij de beoordeling of sprake is van een dreigende schending van artikel 6 EVRM.\n\nOok heeft hij, onder verwijzing naar hetgeen hij heeft aangevoerd, gesteld dat een gegrond vermoeden bestaat dat de opgeëiste persoon bij uitlevering zal worden vervolgd of gestraft in verband met zijn politieke overtuiging en de uitlevering gelet daarop moet worden geweigerd op grond van artikel 10 UW. Hij heeft verzocht ook dat onder de aandacht te brengen van de Minister.\n\nDe raadsman heeft verder aangevoerd dat de opgeëiste persoon, als Koerd en tegenstander van de AK-partij, een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende situatie of bestraffing en er dus sprake is van een flagrante dreigende schending van artikel 3 EVRM. Daarbij heeft hij gewezen op een rapport van de Human Rights Association Istanbul, van mei 2020 en met name het hoofdstuk ‘Torture als Ill-Treatment’. Daarin staat dat er significante bevindingen zijn waaruit blijkt dat een grote toename is van zaken in Turkije waarbij marteling en onmenselijke behandeling worden gebruikt om te intimideren, bekentenissen af te dwingen of uit machtsmisbruik en dat dit ook gebeurt vanuit een politiek oogpunt en Turkije niet genoeg doet om deze praktijken te stoppen.\n\nBij gebrek aan een onderbouwing ten aanzien van de achtergrond en politieke overtuiging van de opgeëiste persoon en (daarmee) ook een concrete onderbouwing ten aanzien van deze weigeringsgronden, ziet de rechtbank geen reden om hetgeen de raadsman hierover heeft aangevoerd onder de aandacht van de Minister te brengen.\n\nDe rechtbank constateert dat in de garanties die zijn gegeven in het uitleveringsverzoek niet expliciet staat dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. De rechtbank zal daarom wel in haar advies de Minister adviseren om, alvorens de gevraagde uitlevering toe te staan, van de Turkse autoriteiten de garantie te verlangen dat de opgeëiste persoon daar niet aan zal worden blootgesteld.\n\n8.2.. \n\nTerugkeergarantie (artikel 4 UW) en specialiteitsbeginsel (artikel 14 EUV)\n\nOmdat de opgeëiste persoon ook de Nederlandse nationaliteit heeft, geldt op grond van artikel 4 UW dat hij alleen mag worden uitgeleverd als naar het oordeel van de Minister is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, naar Nederland mag terugkeren om de straf daar te ondergaan.\n\nDe Turkse autoriteiten hebben bij brief van 16 mei 2025 van de Turkse ambassade aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een terugkeergarantie verstrekt.\n\nDe raadsman heeft gesteld dat deze terugkeergarantie te vrijblijvend en niet onvoorwaardelijk is en daarmee niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 4 UW. Deze terugkeergarantie biedt daarom volgens de raadsman onvoldoende zekerheden dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk zal worden teruggeleverd door Turkije na beëindiging\u002Fvoltooiing van zijn strafzaak.\n\nDe rechtbank ziet in de gegeven onderbouwing aanleiding om de Minister te adviseren om van de Turkse autoriteiten, in geval van toestemming voor uitlevering, te verlangen dat een specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon gegeven onvoorwaardelijke terugkeergarantie wordt gegeven waarin staat dat iedere aan hem op te leggen vrijheidsbenemende straf ter zake van de feiten waarvoor hij wordt uitgeleverd, door hem in Nederland kan worden ondergaan, alsmede gelet op het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 14 EUV van de Turkse autoriteiten de garantie te verlangen dat na de beëindiging\u002Fvoltooiing van deze strafzaak niet zal worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde maar nog niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf.\n\n8.3.. \n\nAanwezigheidsrecht lopende strafzaak\n\nDe raadsman heeft tot slot naar voren gebracht dat er een lopende strafzaak in Nederland is waarin de opgeëiste persoon wordt verdacht van witwassen. Er is nog geen parketnummer aan deze zaak gekoppeld, maar als in deze zaak een zitting wordt gepland wenst de opgeëiste persoon gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Gelet daarop heeft hij verzocht om de Minister te adviseren hier rekening mee te houden en de uitlevering eventueel op te schorten totdat de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht.\n\nDat sprake is van een lopende strafzaak tegen de opgeëiste persoon is niet gebleken noch nader onderbouwd door de raadsman.\n\nDe rechtbank ziet daarom geen reden om de Minister hierover te adviseren.\n\n9. Toepasselijke artikelen\n\nDe beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op\n\nde artikelen 1 en 2 EUV,\n\nde artikelen 2, 5, 26 en 28 UW.\n\n10. Vrijheidsbeneming\n\nIn de op 14 oktober 2025 bevolen gevangenhouding van de opgeëiste persoon, welke vrijheidsbeneming met ingang van diezelfde dag is geschorst onder zeven voorwaarden zal de rechtbank geen wijziging aanbrengen.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart toelaatbaarde uitlevering aan Turkije van [de opgeëiste persoon] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] (Turkije), ter strafvervolging van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde nationale aanhoudingsbevelen.\n\nDeze beslissing is genomen door:\n\nmr. J.J. Bade, voorzitter,\n\nmrs. D. van der Sluis en A.M. Nuijens, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Van der Sluis en Nuijens zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.\n\nBijlage:\n\nEen door de griffier gewaarmerkte fotokopie van een gedeelte van de Nederlandse vertaling\n\nvan het uitleveringsverzoek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7854","2026-07-13T00:29:41.870Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":99,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":101},"1543","ECLI:NL:RBROT:2026:7874","ecli-nl-rbrot-2026-7874","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-098783-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.C.A. Schulpen\n\nOfficieren van justitie: mrs. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers. en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe officier van justitie baseert de bewezenverklaring voornamelijk op de beschrijving van camerabeelden van [café] in Rotterdam alwaar een groep mannen waar de verdachte bij hoorde het slachtoffer ernstig heeft mishandeld. De verbalisant die de camerabeelden heeft bekeken heeft geverbaliseerd dat hij de verdachte heeft herkend en dat hij heeft gezien dat de verdachte geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij zichzelf niet herkent op deze beelden en dat hij geen geweld heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging. De rechtbank stelt namelijk vast dat op de camerabeelden moeilijk is vast te stellen wie wie is en dat er sprake is van een chaotische situatie waarin allerlei personen door elkaar bewegen. De rechtbank kan alles afwegende uiteindelijk niet met voldoende zekerheid uitsluiten dat de verbalisant zich heeft vergist en de verklaring van de verdachte klopt dat hij geen geweld heeft gebruikt. De verdachte wordt daarom vrijgesproken.3. Vordering van de benadeelde partij3.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige, nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.3.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken.\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.\n\n4. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op nihil.5. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7874","2026-07-13T00:29:26.251Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":106,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":108},"1544","ECLI:NL:RBROT:2026:7875","ecli-nl-rbrot-2026-7875","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-098791-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.A. Lubbers\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uur op. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.\n\n2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit ten aanzien van het derde geweldsincident. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 5 is ter verduidelijking groen omcirkeld.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 50:00 richting het midden van het café liep richting het slachtoffer en de andere verdachten. Ik zag dat verdachte 5 aan de rechterzijde van het slachtoffer ging staan, gezien vanuit de camera.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 51 een slaande beweging maakte met zijn rechterarm en vuist en deze snel richting het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de vuist van verdachte 5 tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam. Ik zag dat het slachtoffer direct met zijn hoofd naar achteren bewoog. Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer door een andere verdachte aan zijn nek werd weggetrokken uit het gevecht. Ik zag dat het slachtoffer richting de rechterkant van het café werd getrokken. Ik zag dat de andere verdachte hem nog bij zijn nek vast had, waardoor het slachtoffer omhoog werd gehouden. Ik zag dat verdachte 5 nog vijfmaal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer terwijl hij werd weggetrokken. Ik zag dat deze klappen raak waren doordat het slachtoffer en de andere verdachte op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat verdachte 5 weer terugliep richting het midden van het café. Ik zag dat verdachte 5 keek richting verdachte 1 die aan de linkerzijde van het café stond. Ik zag dat, nadat verdachte 1 een kopstoot beweging in de lucht maakte, verdachte 5 zich omdraaide richting de rechterzijde van het café. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een\n\nsnelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor naar achteren bewoog. Ik zag dat hierna direct het gevecht met het slachtoffer weer begon.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 bij de rest van de verdachten buiten voor het café ging staan. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 56 terug in beeld kwam lopen in de richting van [café 1] . Ik zag dat verdachte 5 richting het slachtoffer liep.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van politie\n\nIk was belast met de opsporing van het in dit registratienummer genoemde strafbare feit.\n\nIn dit onderzoek waren er nog verdachten en waarvan de identiteit ons nog niet\n\nbekend was. Dit betrof verdachte 5.\n\nOp 27 maart 2023 zijn verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 6 aangehouden en\n\nverhoord. In deze verhoren zijn de verdachten geconfronteerd met foto’s van de camerabeelden waar de overige verdachten op te zien zijn. Op deze foto's zijn de verdachten geïdentificeerd als:\n\nVerdachte 5: [verdachte]\n\nHierop heb ik op deze gegevens gezocht in de politieprocessensystemen. Hierbij heb ik\n\nde politiefoto's bekeken. Verdachte 5 is mij bekend geworden als [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Nederland). Ik herken [verdachte] op zijn politiefoto, gemaakt op 15-09-2014, als zijnde verdachte 5 op de camerabeelden aan de volgende uiterlijke kenmerken:\n\n- blanke huidskleur,\n\n- kort bruin haar,\n\n- haarlijn,\n\n- wenkbrauwen,\n\n- vorm van kaak en gezicht.\n\n6. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik op 23 december 2023 het slachtoffer binnen in het [café 1] een klap in zijn gezicht en een klap op zijn borst heb gegeven. Het klopt dat ik het slachtoffer buiten een halfhoge schop heb gegeven.\n\n7. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Wat is er gebeurd op 23 december 2023?\n\nA: Wij zijn naar de Witte de Withstraat gelopen. Het was denk ik een uur of 1. Toen zijn wij daarnaast bij een café naar binnen gegaan.\n\nV: Wie is de persoon in de groene cirkel?\n\nA: Dat ben ik.\n\nOpmerking van de rechtbank: zie hierboven bewijsmiddel 4, dat is de verdachte 5.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb hem proberen ene klap te geven maar ik weet niet of die raak was. Ik heb 1\n\nklap proberen te geven.\n\nv : En over het hele incident. Je zegt dat je buiten ook al hebt geschopt. Wat heb jij\n\nin totaal gedaan?\n\nA: Binnen proberen een klap te geven en buiten kwam hij als een duveltje uit een\n\ndoosje aanlopen. Maar of ik heb binnen heb geraakt weet ik niet. En buiten heb ik hem\n\neen schop met mijn linker been gegeven. Dat was toen hij weer in de richting van de\n\nkroeg kwam lopen.\n\nV: Op de beelden is te zien dat jij met je rechtervuist een stoot geeft tegen het\n\nhoofd van het slachtoffer. Wat kan je daarover vertellen?\n\nA: Na die kopstoot?\n\nO: Ja\n\nA: Dat zou kunnen.\n\nV: Je maakt wel meerdere slaande bewegingen\n\nA: Dat zou kunnen. Als je op dat moment iemand probeert te helpen of voor iemand op moet komen dan zou dat kunnen.\n\nV: Waar raakte jij het slachtoffer?\n\nA: Aan de zijkant van zijn linker hoofd.\n\nV: Dan is het even rustig . Het slachtoffer staat stil en dan maakt [medeverdachte] een kopstoot\n\nbeweging in de lucht. Jij draait je daarop om, je duwt een medeverdachte aan de kant,\n\nen slaat het slachtoffer weer tegen de borst. Waarom blijf jij herhaaldelijk het\n\nslachtoffer slaan en schoppen?\n\nA: Goeie vraag. Dat voelt oneerlijk om iemand een kopstoot te geven.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 5. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij alle drie de incidenten. Hij heeft het slachtoffer geslagen in zijn gezicht en op zijn borst en geschopt. De verdediging heeft niet betwist dat de verdachte geweldshandelingen heeft verricht. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het derde incident buiten, nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Volgens de verdediging kan het handelen van de verdachte buiten hoogstens als eenvoudige mishandeling worden aangemerkt.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door tijdens alle drie de incidenten bewust de confrontatie op te zoeken en het slachtoffer te schoppen en meermaals met kracht te slaan. De verdachte kan als grootste agressor van de groep worden aangemerkt. Hij is degene die het tweede geweldsincident start, door op het slachtoffer af te lopen en hem als eerste te slaan. Als iedereen eenmaal buiten is, is hij weer degene die het slachtoffer als eerste benadert en hem schopt, terwijl het slachtoffer wegloopt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van openlijke geweldpleging zonder zwaar lichamelijk letsel en aan de verdachte een taakstraf van 150 uur op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte kan als grootse agressor van de groep worden aangemerkt. Hij heeft twee keer bewust de confrontatie opgezocht en het slachtoffer getrapt en meermaals (hard) geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 22 december 2023 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. De reclassering ziet het middelengebruik van de verdachte ten tijde van onderhavige verdenking, zijn toenmalige dagbesteding\u002Fcollega’s en het psychosociaal functioneren als mogelijk delictgerelateerde factoren. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Vanuit de reclassering zijn er daarom te weinig aanknopingspunten voor interventies of toezicht. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft eerder excuses willen aanbieden aan het slachtoffer, maar heeft dit naar eigen zeggen niet kunnen doen omdat het slachtoffer daar niet voor open stond. De verdachte heeft een partner en een dochter. De verdachte heeft per 1 september 2026 een nieuwe baan als salesmanager. Deze strafzaak heeft veel impact gehad op zijn werkleven.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 maart 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst als verdachte is verhoord en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en drie maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit en de rol die de verdachte daarin gespeeld heeft als beschreven onder 4.3.1 zou een gevangenisstraf van enige maanden passend en geboden zijn geweest. Gelet op de schending van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank echter een taakstraf opleggen. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een taakstraf van 240 uur opgelegd.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, de taakstraf beperken tot 150 uur. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit en de beschreven rol van de verdachte.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade moet worden gematigd tot bijvoorbeeld een bedrag van € 12.500,-. De nader te onderbouwen schade moet primair worden afgewezen en subsidiair niet-ontvankelijk worden verklaard.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat vordering ten aanzien van de vliegtickets moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Volgens de verdediging blijkt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij zijn vliegtickets weldegelijk kon omboeken. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij niet in staat was om zijn vliegtickets om te boeken gelet op zijn lichamelijk letsel. Ook heeft hij geen vergoeding voor de vliegtickets ontvangen. De rechtbank zal ook de gevorderde kosten die zien op de vliegtickets toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de vliegtickets niet kon omboeken, omdat niet duidelijk was wanneer die andere reis plaats zou kunnen vinden gelet op zijn lichamelijk letsel.\n\nDit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 229 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 154 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\nVerklaard tijdens de zitting van 10 juni 2026.\n\n Pagina 159 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7875","2026-07-13T00:29:26.294Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":113,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":115},"1546","ECLI:NL:RBROT:2026:7879","ecli-nl-rbrot-2026-7879","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099382-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J.P. Bakker\n\nOfficieren van justitie: mrs. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 80 uur op, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 6 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 6 is ter verduidelijking donkerblauw omcirkeld.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 6 tussen de mensen door richting de rechterzijde van het café liep. Ik zag dat verdachte 6 ter hoogte van het midden van het café stil ging staan bij de overige verdachten.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 6 keek in de richting van verdachte 1 . Ik zag dat verdachte 1 een kopstoot beweging in de lucht maakte. Ik zag dat verdachte 6 direct hierna zijn gezicht naar rechts draaide richting het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer meerdere keren door de andere verdachten werd geslagen. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor naar achteren viel. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechterarm naar achteren strekte en zijn rechterhand in een vuist balde. Ik zag dat verdachte 6 op deze wijze richting het slachtoffer liep. Ik zag dat de arm van verdachte 6 een aantal keren met handen van een voor mij onbekend persoon werd tegengehouden. Ik zag dat de vuist van verdachte 6 op minuut 52:19 uur niet werd tegengehouden. Ik zag dat verdachte 6 viermaal een slaande beweging maakte richting het slachtoffer.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 6 en de overige verdachten voor de ingang van [café 1] bleven staan terwijl het slachtoffer naar de overkant was gelopen.\n\nFoto 6: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat ondertussen het gevecht boven in beeld weer begon. Ik zag dat verdachte 6 op minuut 56:32 richting het gevecht liep. Het gevecht was ondertussen uit beeld. Ik zag\n\ndat verdachte 6 op minuut 56:40 bovenin bij het gevecht uit beeld liep.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat verdachte 6 op minuut 57:37 in beeld liep. Ik zag dat het slachtoffer al op de grond lag. Ik zag dat verdachte 6 richting het slachtoffer liep.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nIk deed onderzoek naar een openlijke geweldpleging die plaatsvond op 23 december 2022 in uitgaansgelegenheid ' [café 1] ' aan de Witte de Witstraat te Rotterdam.\n\nIn het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden onder [proces-verbaalnummer 1] zijn de\n\nverdachten met nummer genoemd en weergegeven in een bepaalde kleur cirkel. Ik\n\nvergeleek de verschillende verdachten met de foto's van de in dit proces-verbaal\n\ngenoemde verdachten en concludeerde daarbij het volgende:\n\nIn proces-verbaal van bevindingen: uitkijken camerabeelden, werd verdachte (6)\n\nweergegeven in een donker blauwe cirkel. Ik zag dat de persoon beschreven als verdachte (6) bleek te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1963.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Waar was jij op vrijdag 23 december 2022 omstreeks 02:00 uur?\n\nA: In de Witte de Withstraat, in [café 1] .\n\nV: Wat gebeurde er toen?\n\nA: Er was een enorm rumoer er was een knokpartij aan de gang. Toen [medeverdachte 1] naar mij toe draaide met zijn gezicht, zag ik dat hij een hele bebloede neus had. En daar ben ik op aangeslagen. Toen ging bij mij even het lichtje uit. Toen ben ik erin gedoken en heb ik ook geslagen.\n\nV: Hoe vaak heb je geslagen?\n\nA: Dat weet ik niet meer.\n\nV: Is dat één keer geweest?\n\nA: Nee zeker niet.\n\nV: Wie is de persoon in de donkerblauwe cirkel?\n\nA: Dat ben ikzelf.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 6. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het tweede incident. Hij heeft verklaard dat bij hem “het licht uitging”en hij“erin is gedoken en heeft geslagen”.De verdediging heeft niet betwist dat de verdachte viermaal in de richting van het slachtoffer heeft geslagen tijdens het tweede incident. De verdediging heeft aangevoerd dat het opzet van de verdachte op de openlijke geweldpleging ontbreekt, nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Volgens de verdediging handelde de verdachte in een hevige en impulsieve emotie en was hij niet op de hoogte van de overige incidenten.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door het slachtoffer viermaal te slaan tijdens het tweede incident. Op het moment dat de verdachte naar het slachtoffer liep en hem sloeg, was er al een gevecht gaande, waarbij het slachtoffer al door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geslagen werd. Uit deze gedragingen blijkt dat de verdachte bewust een bijdrage leverde aan het geweld van zijn medeverdachten tegen het slachtoffer en er dus sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Hij heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Ook bij het derde incident is duidelijk dat hij nog deel uitmaakt van de groep, waar hij samen met de anderen daar naartoe loopt en gezien wordt dat hij bij het slachtoffer staat als deze op de grond ligt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat hij de overige geweldshandelingen niet zou hebben gezien maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Subsidiair wordt verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte heeft vier keer doelbewust het slachtoffer geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 28 maart 2025 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Er lijkt geen sprake te zijn van middelengebruik, psychische- en agressieproblematiek. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag.\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nDe reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft excuses willen aanbieden aan het slachtoffer, maar heeft dit naar eigen zeggen niet kunnen doen omdat het slachtoffer daar niet voor open stond. Hij staat nog steeds open voor een gesprek met het slachtoffer. De verdachte werkt in een metaalrecyclingbedrijf en maakt samen met zijn twee zoons deel uit van de directie. Deze strafzaak heeft veel impact op zijn werk- en privéleven gehad.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode ongeveer drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de rol die de verdachte daarin gespeeld heeft als hierboven onder 4.3.1 is beschreven en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 80 uur opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, toepassing geven aan artikel 9a Sr of een geheel voorwaardelijke geldboete opleggen. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit en de rol van de verdachte.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Meer subsidiair moet de vordering aanzienlijk worden gematigd.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat vordering ten aanzien van de kleding, de vliegtickets en de voetbalcontributie moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Volgens de verdediging blijkt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij zijn vliegtickets weldegelijk kon omboeken. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij niet in staat was om zijn vliegtickets om te boeken gelet op zijn lichamelijk letsel. Ook heeft hij geen vergoeding voor de vliegtickets ontvangen. De rechtbank zal ook de gevorderde kosten die zien op de vliegtickets toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de vliegtickets niet kon omboeken, omdat niet duidelijk was wanneer die andere reis plaats zou kunnen vinden gelet op zijn lichamelijk letsel. Gelet op het enkelletsel en het langdurige hersteltraject, waardoor de benadeelde partij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn lidmaatschap van de voetbalvereniging, wijst de rechtbank ook de gevorderde voetbalcontributie toe. Dit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nEigen schuld\n\nDe verdediging heeft bepleit dat er sprake is van een vorm van eigen schuld, omdat de benadeelde partij actief deelnam aan de confrontatie en daarbij zelf geweld heeft gebruikt door het geven van een kopstoot.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het bij een beroep op ‘eigen schuld’ aan de verdediging is om de feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan de geleden schade mede aan het slachtoffer kan worden toegerekend. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre ‘eigen schuld’ in de zin van art. 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) leidt tot vermindering van een schadevergoedingsplicht, moet aan de hand van die informatie allereerst worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van het slachtoffer en anderzijds het gedrag van de verdachte aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen (primaire maatstaf).\n\nGelet op hetgeen hiervoor in het vonnis is overwogen, te weten dat de rechtbank de lezing van de verdachte over de omstandigheden van de avond niet volgt, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van ‘eigen schuld’ aan de zijde van de benadeelde partij, in die mate dat er aanleiding zou zijn om over te gaan tot vermindering van de schadevergoedingsverplichting. Dit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade en 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\n5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 76 (zesenzeventig) uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 38 (achtendertig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\nPagina 239 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Pagina 147 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\nPagina 115 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7879","2026-07-13T00:29:26.403Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":120,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":122},"1548","ECLI:NL:RBROT:2026:7928","ecli-nl-rbrot-2026-7928","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099391-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J.W. Vedder\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 120 uur op, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zover het feit ziet op de deelname van de verdachte aan het tweede en derde gewelddadige incident. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 1 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 1 is ter verduidelijking blauw omcirkeld.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 1 op minuut 50:38 stil ging staan voor het gezicht van het slachtoffer, welke in het midden van het café stil stond. Ik zag dat verdachte 1 en het slachtoffer met de gezichten richting elkaar stonden.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat verdachte 1 direct zijn rechterarm omhooghaalde en zijn rechtervuist met een snelle beweging richting de linkerzijde van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor met zijn hoofd snel naar achteren bewoog. Ik zag dat het slachtoffer meerdere keren werd geslagen door andere verdachten.\n\nIk zag dat verdachte 1 met zijn gezicht richting het slachtoffer gericht bleef staan. Ik zag dat verdachte 1, het slachtoffer en de overige verdachte veel heen en weer bewogen. Ik zag dat de verdachte 1 uit zicht verdween omdat op minuut 51:20 hij richting de grond bewoog. Ik zag dat het slachtoffer door een andere verdachte werd weggetrokken naar de rechterzijde van het café.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 1 een kopstoot beweging maakte in de lucht. Ik zag dat de overige verdachten zich direct erna omdraaiden richting het slachtoffer. Ik zag dat de\n\noverige verdachten het slachtoffer sloegen.\n\nFoto 8: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 1 zich op minuut 52:34 richting het gevecht met het slachtoffer aan de rechterzijde van het café bewoog. Ik zag dat het slachtoffer ondertussen naar buiten is getrokken op minuut 52:34.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 1 op minuut 53:30 het café uitliep.\n\nFoto 11 : [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat verdachte 1 onder de parasol bleef staan van het terras. Ik zag dat terwijl het slachtoffer terugliep richting [café 1] , verdachte 1 op minuut 56:45 rechts onderin in beeld stond.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 4]\n\nIk zag dat verdachte 1 ongeveer één minuut later richting het gevecht op straat liep. Ik zag dat verdachte 1 hierdoor uit beeld liep. Ik zag dat verdachte 1 op minuut 57:36 in beeld liep.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 4]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 4]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nIk deed onderzoek naar een openlijke geweldpleging die\n\nplaatsvond op 23 december 2022 in uitgaansgelegenheid ' [café 1] ' aan de Witte de\n\nWitstraat te Rotterdam.\n\nIn het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden onder [proces-verbaalnummer 1] zijn de\n\nverdachten met nummer genoemd en weergegeven in een bepaalde kleur cirkel. Ik\n\nvergeleek de verschillende verdachten met de foto's van de in dit proces-verbaal\n\ngenoemde verdachten en concludeerde daarbij het volgende:\n\nIn proces-verbaal van bevindingen: uitkijken camerabeelden, werd verdachte (1 )\n\nweergegeven in een blauwe cirkel. Ik zag dat de persoon beschreven als verdachte (1)bleek te zijn:[verdachte] , geboren [geboortedatum] 1996.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Wat is er gebeurd op vrijdag 23 december 2022?\n\nA: We hadden de 23e een personeelsfeest gehad van de zaak. Wij zijn toen naar de Witte de With gegaan. Wij waren met een man of 15 denk ik totaal. Bij [café 1] was het dusdanig rustig dat wij binnen mochten komen en een biertje konden drinken.\n\nV: Wie is de persoon in de lichtblauwe cirkel?\n\nA: Dat ben ik.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb die jongen geslagen. Dat kan ik mij goed herinneren en toen kwamen er allemaal collega's overheen.\n\nV: Hoe heb jij geslagen?\n\nA: Met mijn vuist.\n\nV : Hoe vaak?\n\nA: Minimaal twee keer.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van café De Witte Aap een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 1.Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het eerste incident. Hij heeft verklaard bij het slachtoffer meerdere keren heeft geslagen. Volgens de verdediging kan voor het eerste incident bewezenverklaring volgen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het tweede en derde incident, omdat de verdachte daaraan geen voldoende significante bijdrage heeft geleverd.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door het slachtoffer meerdere keren (in zijn gezicht) te slaan tijdens het eerste incident. De verdachte kan als initiator van de geweldsplegingen bij het eerste incident worden aangemerkt. Hij heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Sterker nog, hij heeft voorafgaand aan het tweede incident aan de medeverdachten getoond hoe het slachtoffer hem een kopstoot zou hebben gegeven en bij het derde incident is te zien hoe hij daar naar toe loopt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat hij na het eerste incident zelf geen geweldshandelingen meer zou hebben gepleegd maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.\n\n3.2.. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte3.2.1.. \n\nBeroep op noodweer(exces)\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het eerste incident. Hij heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft geslagen nadat hij van hem een kopstoot kreeg. De verdachte heeft geprobeerd zichzelf te verdedigen. De verdachte kon zich niet aan de aanranding onttrekken, omdat hij zich bevond in een druk en vol café. De reactie van de verdachte is proportioneel, omdat de keuze van de gedraging (een aantal keer slaan) niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Subsidiair is door de verdediging een beroep op noodweerexces gedaan, omdat de reactie van de verdachte het gevolg is geweest van een hevige, door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. Daarbij is van belang dat de verdachte eerder op de avond bedreigend was toegesproken door de aangever. Met de kopstoot van de aangever werd die bedreiging daadwerkelijk verwezenlijkt.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het (latere) slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan een beroep op noodweerexces reeds om die reden niet slagen. De verdachte is strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte kan als initiator van de eerste geweldsplegingen worden aangemerkt. Hij heeft het slachtoffer meerdere keren in zijn gezicht geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nFivoor heeft op 24 januari 2024 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon. Er zijn geen signalen voor problemen met psychosociaal functioneren, zoals agressieproblemen, groepsdruk of alcoholgebruik. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft\n\neerder excuses willen aanbieden aan het slachtoffer, maar heeft dit naar\n\neigen zeggen niet kunnen doen omdat het slachtoffer daar niet voor open stond. De verdachte is bereid om een schadevergoeding aan het slachtoffer te betalen.\n\nDe verdachte woont samen met zijn partner en twee kinderen. Hij werkt in een metaalrecyclingbedrijf en maakt samen met zijn vader en broer deel uit van de directie.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode ongeveer drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de rol die de verdachte daarin heeft gespeeld en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, toepassing geven aan artikel 9a Sr. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit en de rol van de verdachte.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 15.000,-. De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de materiële schade.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur,waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 116 (honderdzestien) uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 58 (achtenvijftig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 191 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Pagina 147 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\n Pagina 64 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7928","2026-07-13T00:29:26.496Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":127,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":129},"1551","ECLI:NL:RBROT:2026:7938","ecli-nl-rbrot-2026-7938","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099363-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. W.B.M. Bos\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 40 uur op. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 3 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 3 is ter verduidelijking grijs omcirkeld.\n\nFoto 2: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 3 samen met andere verdachten richting het slachtoffer liepen. Ik zag dat verdachte 3 aan de linkerzijde van het slachtoffer bleef staan. Ik zag dat er een gevecht ontstond tussen de overige verdachten.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat nadat het gevecht naar de grond verplaatste verdachte 3 zijn gezicht in beeld komen. Ik zag dat verdachte 3 nog rechtop stond.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het gevecht opnieuw begon aan de rechterzijde van het café. Ik zag dat verdachte 3 richting dit gevecht liep. Ik zag dat ondertussen het slachtoffer naar buiten is gesleept. Ik zag dat verdachte 3 op minuut 54:10 door de uitgang naar buiten liep.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 3 buiten bij de groep andere verdachten voor het café ging staan.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag verdachte 3 voorbij de ingang liep en linksboven in beeld stil ging staan. Ik zag dat toen het gevecht bovenin beeld weer begon, verdachte 3 richting het gevecht liep op minuut 56:10.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van politie\n\nIk was belast met de opsporing van het in registratienummer genoemde strafbare feit. In deze zaak zijn er zeven verdachten waarvan er van enkele nog geen identiteitsgegevens bij ons bekend zijn. Om achter de identiteit van de verdachten te komen maak ik gebruik van openbare bronnen en de politieprocessensystemen.\n\nÉén van de al bekende verdachten betreft verdachte 2, bij ons bekend als\n\n [medeverdachte 1] . Mij is bekend dat verdachte 2 de naam [medeverdachte 1] als roepnaam gebruikt. Hierop heb ik op het online platform Facebook gezocht naar [medeverdachte 1] .\n\nIk heb door de lijst met vriendschappen van [medeverdachte 1] op facebook gekeken. Ik zag het volgende account in deze lijst staan: [verdachte] met een foto welke als Foto 1 is bijgevoegd aan dit proces- verbaal van bevindingen. Op de foto zag ik het volgende:\n\nEen blanke man met kort blond haar, welke opzij is gekamd. Ik zag dat deze man een\n\nbeige jas droeg met een opvallende dubbele kraag in dezelfde kleur. Ik herken deze\n\nman aan de bovengenoemde uiterlijke kenmerken en jas als zijnde verdachte 3.\n\nIk zag dat de jas die verdachte 3 droeg overeenkwam met de jas die [verdachte] op de\n\nbetreffende foto aanhad. Ik zag dat het opvallende kenmerk van de dubbele kraag in de\n\njas ook zichtbaar was op de camerabeelden.\n\nNa onderzoek in de politieprocessensystemen zag ik de volgende gegevens:\n\n [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] (Nederland), en kan ik [verdachte] aanmerken als verdachte.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Waar was jij op 23 december 2022 omstreeks 02:00 uur?\n\nA: Ik was in de Witte de Withstraat. Ik ben bij [café 1] geweest.\n\nV: Wie is de persoon in de grijze cirkel?\n\nA: Dat ben ikzelf, ga ik vanuit. Ik herken mijn jas en een beetje aan mijn haar.\n\nOpmerking van de rechtbank: zie hierboven bewijsmiddel 5, dat is de verdachte 3.\n\nV: Wat gebeurde er toen je zag dat je collega een kopstoot kreeg?\n\nA: Toen heb ik zelf ook iets stoms gedaan. Ik heb me er bemoeid. Ik wilde hem slaan maar ik heb geen idee of ik hem heb geraakt.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb hem geprobeerd een klap te geven nadat hij die kopstoot had gegeven.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 3. Hij heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd het slachtoffer te slaan tijdens het eerste incident.De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, nu hij geen voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door een slaande beweging richting het slachtoffer te maken tijdens het eerste incident. Ook is de verdachte buiten het café nog in het gezelschap van de andere leden van de groep en is hij met zijn medeverdachten achter het slachtoffer aan gelopen nadat verdachte 5 het slachtoffer trapte, waarna voor de derde keer geweld tegen het slachtoffer werd gepleegd. De verdachte heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat niet kan worden bewezen dat hij tijdens het tweede en derde incident zelf geweldshandelingen heeft gepleegd maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.3.2.. \n\nBeroep op noodweer\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte 2] . De verdachte heeft geprobeerd [medeverdachte 2] te verdedigen, nadat hij een kopstoot kreeg van het slachtoffer.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het (latere) slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten.\n\nHet verweer slaagt niet. De verdachte is strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen, gelet op de beperkte rol van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen en geduwd. De verdachte heeft een slaande beweging richting het slachtoffer gemaakt. Door het handelen van de groep waar de verdachte onderdeel van was, hebben zij een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf. Artikel 63 Sr is van toepassing, hetgeen de rechtbank in strafmatigende zin meeweegt.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 17 juni 2024 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon. De verdachte is sinds deze strafzaak niet meer in aanraking gekomen met\n\npolitie en justitie. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte werkt nog steeds in een metaalrecyclingbedrijf.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 maart 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst als verdachte is verhoord en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en drie maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de beperkte rol die de verdachte daarin gespeeld heeft en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 40 uur opgelegd.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien de bepleite vrijspraak. Subsidiair wordt naar voren gebracht dat de vordering te laat is ingediend.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk. Dit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-2023\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormakers en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 191 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 154 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Pagina 81 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7938","2026-07-13T00:29:26.637Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":134,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":136},"1553","ECLI:NL:RBROT:2026:7943","ecli-nl-rbrot-2026-7943","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099371-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting:10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. G. Vermaak\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 120 uur op. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 7 is ter verduidelijking wit omcirkeld.\n\nFoto 2: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 28:00 in beeld kwam lopen.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 direct hierna zijn rechterarm optilde, zijn hand tot een vuist balde en met snelheid richting het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze klap raak was. Ik zag dat het slachtoffer een snelle beweging met zijn hoofd naar achteren maakte en naar beneden bewoog.\n\nFoto 8: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 53:50 naar buiten liep. Ik zag dat het slachtoffer ondertussen al naar overkant van de straat was gelopen. Ik zag dat verdachte 7 met de overige verdachten bij de ingang van [café 1] bleef staan. Ik zag het slachtoffer terug in beeld kwam lopen richting [café 1] . Ik zag dat terwijl het gevecht weer begon bij het slachtoffer, verdachte 7 op minuut 56 nog links in beeld stond.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [café 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [café 2]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nIk was belast met de opsporing van het in dit registratienummer genoemde strafbare feit. In deze zaak zijn er zeven verdachten waarvan er van enkele nog geen identiteitsgegevens bij ons bekend zijn.\n\nIn het proces-verbaal van bevindingen [proces-verbaalnummer 1] wordt gesproken over [persoon A]\n\n . Hierop heb ik op Google gezicht op de naam \" [persoon A] \" en gekeken bij afbeelding resultaten met als doel het vinden van Social Media accounts of foto’s met mogelijke verdachten. Tussen deze resultaten zag ik een foto van een voetbalelftal. Hiervoor verwijs ik naar foto 1 in de aan dit proces-verbaal toegevoegde bijlage. De persoon op de foto op de voorste rij en op de derde plek van links herken ik als zijnde verdachte 7 aan zijn korte bruine haar, de vorm en lengte van zijn gezichtsbeharing en de vorm van zijn ogen.\n\nNa het volgen van de link van de afbeelding werd ik verwezen naar een Twitter account\n\nvan [account] waarop een foto te zien was met een begeleide tekst met daarin een link naar de website: [website] . Ik zag dat er bij de bovengenoemde foto een tekst stond. Een deel hieruit is: \" [tekst] : (…) [verdachte] \".\n\nUit het onderzoek naar de naam: [verdachte] , kwam het volgende: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (Nederland).\n\nIk zag dat [verdachte] een politiefoto had met nummer : [nummer] (03-01 2015). Ik herken verdachte 7op deze foto aan de vorm van zijn ogen, wenkbrauwen, haar en kaaklijn.\n\n5. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik op 23 december 2023 het slachtoffer tijdens het tweede incident heb geslagen in zijn gezicht. Het klopt dat ik heb verklaard dat ik niet rechtshandig ben, maar op de camerabeelden wel met rechts sla. Het klopt dat ik op de camerabeelden van de [café 2] naar mijn linkerhand kijk. Het kan best dat ik ook met mijn linkerhand heb geslagen.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Waar was jij op 23 december 2022?\n\nA: Ik had 23 december borrel van de zaak.\n\nV: Wat is er precies gebeurd?\n\nA: Toen besloten wij om naar [café 1] te gaan. Ik was toen in [café 1] binnen en [medeverdachte] kwam ook toen naar binnen.\n\nV: Wat zie jij op foto 4?\n\nA: Daar zie ik mijzelf staan.\n\nV: Wie is de persoon in de witte cirkel?\n\nA: Dat ben ik, [verdachte] .\n\nOpmerking van de rechtbank: zie hierboven bewijsmiddel 4, dat is de verdachte 7.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 7. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het tweede incident. Hij heeft het slachtoffer eenmaal heeft geslagen in zijn gezicht.De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het derde incident buiten, nu geen sprake is van een voldoende significante bijdrage.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door het slachtoffer te slaan tijdens het tweede incident. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat de verdachte ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat de verdachte, nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdachte tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen. Hij heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat hij niet betrokken is geweest bij het eerste incident maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.3.2.. \n\nBeroep op noodweer(exces)\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte heeft geprobeerd [medeverdachte] te verdedigen, nadat [medeverdachte] een kopstoot kreeg van het slachtoffer en de verdachte zag dat [medeverdachte] daardoor gewond was geraakt. Hij schrok hier van en is zich daarom met het gevecht gaan bemoeien, om te sussen. De reactie van de verdachte is proportioneel, omdat de keuze van de gedraging (eenmaal slaan) staat niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.\n\nSubsidiair is door de verdediging een beroep op noodweerexces gedaan, omdat de reactie van de verdachte het gevolg is geweest van een hevige, door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.\n\nMeer subsidiair is een beroep op tardief noodweerexces gedaan. Hoewel de noodweersituatie op het moment dat de verdachte geweld had gepleegd weliswaar was geëindigd, duurde de door de aanval veroorzaakte hevige gemoedsbeweging nog wel voort.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het (latere) slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan een beroep op (tardief) noodweerexces reeds om die reden niet slagen. De verdachte is strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, getrapt en geduwd. De verdachte heeft het slachtoffer op twee verschillende momenten meerdere keren (hard) geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 27 december 2023 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon, omdat de verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor openlijke geweldpleging in 2015. De verdachte is sinds deze strafzaak niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De reclassering vindt het gedrag van de verdachte weliswaar zorgelijk en agressief, maar heeft niet de indruk dat er sprake is van agressieproblematiek. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. De verdachte heeft een partner en werkt nog steeds bij een metaalrecyclingbedrijf.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 maart 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst als verdachte is verhoord en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de rol die de verdachte daarin gespeeld heeft als hierboven onder 4.3.1 is beschreven en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, toepassing geven aan artikel 9a Sr. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien het verzoek om de verdachte te ontslaan in alle rechtsvervolging. Subsidiair wordt verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 15.000,- en de post nader te onderbouwen schade niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de materiële schade refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat vordering ten aanzien van de vliegtickets moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Volgens de verdediging blijkt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij zijn vliegtickets weldegelijk kon omboeken. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij niet in staat was om zijn vliegtickets om te boeken gelet op zijn lichamelijk letsel. Ook heeft hij geen vergoeding voor de vliegtickets ontvangen. De rechtbank zal ook de gevorderde kosten die zien op de vliegtickets toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de vliegtickets niet kon omboeken, omdat niet duidelijk was wanneer die andere reis plaats zou kunnen vinden gelet op zijn lichamelijk letsel.\n\nDit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data zoals daarbij genoemd in dat schema tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 164 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 10 juni 2026.\n\n Pagina 124 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7943","2026-07-13T00:29:26.805Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":91,"fullText":141,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":143},"1555","ECLI:NL:RBROT:2026:7949","ecli-nl-rbrot-2026-7949","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099377-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. C. Karsdorp\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De verdachte wordt schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 2 is ter verduidelijking geel omcirkeld.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 50:00 richting het midden van het café liep. Ik zag dat verdachte 2 voorbij het slachtoffer liep. Ik zag dat verdachte 2 terugkeek richting het slachtoffer.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat terwijl het slachtoffer geslagen werd, verdachte 2 terugliep richting het gevecht. Ik zag dat verdachte 2 zijn armen om de nek van het slachtoffer sloeg. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte waardoor zijn lichaam op de rug van het slachtoffer terecht kwam. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor richting de grond bewogen.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 en het slachtoffer weer omhoogkwamen. Ik zag dat verdachte 2 zijn rechterarm om de nek van het slachtoffer vouwde. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer op deze manier meetrok naar de rechterzijde van het café. Ik zag dat verdachte 2 hem vasthield terwijl er door een andere verdachte werd geslagen.\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 wegliep door de uitgang op minuut 51:49.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 52:38 terug het café inkwam en richting het gevecht met het slachtoffer aan de rechterzijde van het café liep. Ik zag dat verdachte 2 zich tussen de mensen door duwde en hierna het slachtoffer naar buiten trok.\n\nFoto 8: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 52:44 het slachtoffer uit het café trok.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 52:49 het slachtoffer omhoogtrok zodat hij op zijn benen stond en een duwende beweging maakte tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor naar voren liep in de richting van [café 2] . Ik zag dat verdachte 2 direct hierna terugliep richting de ingang van [café 1] . Ik zag dat verdachte door de ingang liep en enkele seconden later weer naar buiten liep. Ik zag dat verdachte 2 keek in de richting van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer overstak naar de overkant van de straat en hierdoor uit beeld liep.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 2 buiten voor de ingang bleef staan. Ik zag dat de overige verdachten naar buiten kwamen lopen. Ik zag dat de verdachten met elkaar in gesprek gingen. Ik zag dat verdachte 2 tijdens dit gesprek met zijn rechterhand wees in de richting waar het slachtoffer heen is gelopen.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag op minuut 55:48 dat verdachte 2 weer bij de ingang van [café 1] ging staan. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 56:12 weer in beeld kwam lopen.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat terwijl boven in beeld weer een gevecht ontstond, verdachte 2 bij de ingang stond. Ik zag dat verdachte 2 omkeek in de richting van het gevecht. Ik zag dat verdachte 2 op minuut 56:30 richting het gevecht liep terwijl hij met zijn rechterarm wees in de richting van het gevecht.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nIk deed onderzoek naar een openlijke geweldpleging die plaatsvond op vrijdag 23 december 2022 in uitgaansgelegenheid ' [café 1] ' aan de Witte de Witstraat te Rotterdam.\n\nIn het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden onder [proces-verbaalnummer 1] zijn de\n\nverdachten met nummer genoemd en weergegeven in een bepaalde kleur cirkel. Ik\n\nvergeleek de verschillende verdachten met de foto's van de in dit proces-verbaal\n\ngenoemde verdachten en concludeerde daarbij het volgende:\n\nIn proces-verbaal van bevindingen: uitkijken camerabeelden, werd verdachte (2)\n\nweergegeven in een gele cirkel. Ik zag dat de persoon beschreven als verdachte (2) bleek te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1993.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachteV: Waar was jij op vrijdag 23 december 2022 omstreeks 02:00 uur?\n\nA: Op de Witte de Withstraat.\n\nV: Wat zie jij op foto 3?\n\nA: Ik zie mezelf in de gele cirkel.\n\nV: Wat gebeurde er toen?\n\nA: Toen escaleerde het, escaleren in de zin van ik ben er tussen gevlogen, die jongen\n\ndie die kopstoot gaf heb ik naar de grond geworpen, toen werden we overeind gebracht\n\nik weet niet door wie, ik denk door de security. Het was best wel een worsteling want\n\niedereen bemoeide zich ermee. Toen heb ik samen met de security die jongen naar buiten gekregen.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb het slachtoffer beet gegrepen en toen zijn we op de grond gevallen.\n\nV: Op de beelden is te zien dat het slachtoffer werd geslagen. Er is vervolgens te\n\nzien dat jij richting het gevecht liep en met je beide armen het slachtoffer bij de\n\nnek vastpakte. Er is te zien dat je een springende beweging maakt waardoor je op de\n\nrug van het slachtoffer terecht komt. Waarom deed je dat?\n\nA: Ja puur uit nood. Ik wilde die gasten weg hebben.\n\nV: Vervolgens is op beelden te zien dat jij en het slachtoffer weer opstaan. Er is\n\ndan te zien dat jij je rechterarm weer om de nek van het slachtoffer doet en hem op\n\ndie manier meetrekt. Waarom deed je dat?\n\nA: Ja, en dat was echt naar aanleiding van die security.\n\nV: Op de beelden is te zien dat jij het slachtoffer omhoogtrekt en een duw in zijn\n\nrug geeft. Waarom deed je dat?\n\nA: Naja, ik denk een duw in de rug omdat hij naar buiten moest.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 2. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het eerste en tweede incident. Hij heeft verder verklaard dat hij bij het eerste incident het slachtoffer heeft beetgegrepen en dat zij toen op de grond zijn gevallen.Bij het tweede incident heeft hij het slachtoffer wederom beetgegrepen, uit het café meegetrokken en buiten een duw in zijn rug gegeven.De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij in beide situaties slechts de-escalerend heeft opgetreden.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door bij het eerste incident zijn armen om de nek van het slachtoffer te slaan en hem vervolgens mee te trekken. Tijdens het tweede incident heeft de verdachte wederom een significante bijdrage geleverd door het slachtoffer beet te pakken. Verdachte 5 heeft het slachtoffer op dat moment nog meerdere klappen tegen het lichaam gegeven. Daarna heeft de verdachte buiten het café het slachtoffer nog een duw in zijn rug gegeven. Ten slotte heeft hij zich voor de deur van [café 1] naar het slachtoffer gewend en in zijn richting gewezen terwijl kort daarna het derde incident plaatsvond, waar hij bij heeft gestaan. De verdachte heeft aldus tijdens de twee eerste incidenten zelf geweld tegen het slachtoffer uitgeoefend en bij het derde incident blijkt uit het bovenbeschreven gedrag dat hij nog steeds deel van de groep heeft uitgemaakt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat de verdachte deze geweldshandelingen tegen het slachtoffer zou hebben gepleegd om te de-escaleren maakt dit niet anders. Die omstandigheid is overigens wel relevant voor de beoordeling van de strafwaardigheid van de bewezenverklaarde gedragingen, waarover meer onder paragraaf 4.\n\nAldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.3.2.. \n\nBeroep op noodweer\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft zich bij het eerste incident verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn broer, verdachte 1. De verdachte heeft geprobeerd zijn broer te verdedigen, nadat zijn broer van het slachtoffer een kopstoot kreeg. De verdachte kon zich niet aan de aanranding onttrekken, omdat hij zich bevond in een druk en vol café. Ook bij het tweede incident was sprake van een noodweersituatie, nu er een gevecht gaande was op het moment dat de verdachte het café weer binnenkwam. De reactie van de verdachte is bij beide incidenten proportioneel geweest, omdat de keuze van de gedraging (beetpakken en duwen) niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het (latere) slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten. De verdachte heeft in beide gevallen doelbewust besloten om terug te gaan richting de vechtpartij, waarna hij het slachtoffer tot tweemaal toe heeft vast gepakt en meegesleurd om hem vervolgens nog een duw te geven. Het verweer slaagt niet. De verdachte is strafbaar.4. Schuldigverklaring zonder oplegging straf of maatregel4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. Oordeel van de rechtbank4.2.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte het slachtoffer twee keer vastgepakt, hem het café uit getrokken en hem weggeduwd. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.2.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 30 april 2025 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Er zijn geen aanwijzingen voor middelengebruik en agressie- en psychische problematiek. Gelet op de ontkennende houding van de verdachte, onthoudt de reclassering zich van een inschatting van het recidiverisico en het geven van een advies.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte woont samen met zijn partner en twee dochters. Hij werkt in een metaalrecyclingbedrijf en maakt samen met zijn vader en broer deel uit van de directie.4.2.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode ongeveer drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.2.4.. \n\nGeen straf en maatregel\n\nHoewel bewezen is verklaard dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging, is de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte heeft gehandeld met goede intenties en heeft geprobeerd te de-escaleren. Mede gelet op deze bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de overschrijding van de redelijke termijn, legt de rechtbank geen straf of maatregel aan de verdachte op.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien de bepleite vrijspraak.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze in voldoende mate is onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten is weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk. Dit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nToepassing 9a Sr\n\nbepaalt dat voor het feit geen straf of maatregel wordt opgelegd;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-2023\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 201 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Pagina 147 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\n Pagina 71 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7949","2026-07-13T00:29:26.927Z",{"id":145,"ecli":146,"slug":147,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":148,"fullText":149,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":150,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":39,"updatedAt":151},"1228","ECLI:NL:RBROT:2026:8070","ecli-nl-rbrot-2026-8070","2026-06-23T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nDatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. A.H.J. Strak\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft een woninginbraak gepleegd en 5,1 gram cocaïne vervoerd. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 12 dagen. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks 8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een of meerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fof een fietssleutel, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die weg te nemen goederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof inklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks 11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het ten laste gelegde vervoer van de cocaïne. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een ofmeerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fofeen fietssleutel,in elk geval enig goed, diegeheel of ten deleaan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s)toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijfheeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fofdie weg te nemen goederen onderzijn\u002Fhun bereikheeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbrekingen\u002Fofinklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk gevaleen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen van een langere duur dan de tijd die hij al heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast eventueel een taakstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak. Dit is een ernstig feit. Het moet heel beangstigend zijn geweest voor de bewoner om te ontdekken dat vreemden zijn woning zijn binnengedrongen en daar goederen hebben gestolen. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen zoals cocaïne grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een poging tot woninginbraak en voor overtreding van de Opiumwet. Daarnaast houdt de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van de Reclassering Nederland staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft niet mee willen werken aan het opstellen van het reclasseringsadvies en daardoor is er weinig zicht op de criminogene factoren van de verdachte. Uit dossieronderzoek en de politieverklaring van de verdachte komt naar voren dat bij de verdachte mogelijk sprake is van problemen op het gebied van financiën, het ontbreken van een zinvolle dagbesteding en een negatief sociaal netwerk. Bovendien zijn er ook signalen van middelengebruik. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen aan de verdachte, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 gestart op 9 april 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. In de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 is de redelijke termijn gestart op 12 september 2021, omdat de verdachte toen als verdachte is gehoord. Tot aan de datum van dit vonnis is in beide zaken een periode van ruim 4 jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaken twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nBij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in\n\nvergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het\n\nbepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Alles afwegend vindt de rechtbank, net als de officier van justitie, een combinatie van een taakstraf en een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.\n\nAan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.\n\n5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 verbeurd moet worden verklaard en dat de voorwerpen die in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 in beslag zijn genomen, moeten worden teruggeven aan de rechthebbende.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nVerbeurdverklaring\n\nAls bijkomende straf voor het onder parketnummer 10\u002F243807-21 ten laste gelegde wordt het in beslag genomen geldbedrag van € 420,- verbeurdverklaard, omdat dit geldbedrag door middel van het strafbare feit is verkregen.5.3.2.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer] . Deze voorwerpen zijn in beslag genomen onder parketnummer 10\u002F089597-22.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen en maatregel\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- verklaart € 420,-verbeurd voor het feit onder parketnummer 10\u002F243807-21;\n\n- beveelt de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan de rechthebbende.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8070","2026-07-13T00:29:11.097Z",{"id":153,"ecli":154,"slug":155,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":156,"fullText":157,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":158,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":39,"updatedAt":160},"620","ECLI:NL:RBROT:2026:8210","ecli-nl-rbrot-2026-8210","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nRaadkamernummers : 26\u002F003756 ( [holding 1] B.V.)\n\n : 26\u002F003759 ( [holding 2] B.V.)\n\nDatum : 16 juni 2026\n\nBeslissing van de meervoudige kamer op de verzoeken op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\n [holding 1] B.V.,\n\ngevestigd te [adres 1] , [postcode 1] [plaats 1] ,\n\nen\n\n [holding 2] B.V.,\n\ngevestigd te [adres 2] , [postcode 2] [plaats 2] ,\n\nmede namens\n\n [vennootschap 1] B.V.\n\nen\n\n [vennootschap 2] B.V.,\n\nvertegenwoordigers: [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ,\n\nmrs. R.J. de Jong en R. Scherpenisse, advocaten te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de verzoeksters.\n\nFeiten\n\nHet gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde [veroordeelde] bij arrest van\n\n5 maart 2025 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 241.500,74. Deze ontnemingsmaatregel is op 20 maart 2025 onherroepelijk geworden.\n\nDe Staat heeft het gehele ontnemingsbedrag op 7 mei 2025 ontvangen, waarmee de ontnemingsmaatregel is afgedaan.\n\nProcedure\n\nDe verzoekschriften van de verzoeksters zijn op 2 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nHet Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) heeft op 12 mei 2026 naar aanleiding van de verzoekschriften een zaakcommentaar ingediend bij de rechtbank.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft op 21 mei 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.\n\nDe raadslieden van de verzoeksters hebben – naar aanleiding van een e-mailbericht van de rechtbank – op 1 juni 2026 schriftelijk gereageerd op de standpunten van het Openbaar Ministerie en het CJIB.\n\nDe rechtbank heeft op 16 juni 2026 de verzoeken op de openbare zitting behandeld.\n\nDe rechtbank heeft namens de verzoeksters [vertegenwoordiger 1] en de raadslieden mrs. R.J. de Jong en R. Scherpenisse, en de officier van justitie mr. F.M. van Peski op zitting gehoord.\n\nDe veroordeelde [veroordeelde] is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet op zitting verschenen.\n\nVerzoeken\n\nDe verzoeken strekken ertoe dat de rechtbank zal bevelen dat het door de veroordeelde reeds betaalde bedrag van € 241.500,74 aan de verzoeksters zal worden uitgekeerd.\n\nAangevoerd is dat de veroordeelde namens de verzoeksters (de [vennootschappen] : [vennootschap 1] B.V. en [vennootschap 2] B.V.) heimelijk en onbevoegd een claim heeft ingediend bij Epiq en vervolgens het van Epiq ontvangen bedrag van\n\n€ 241.500,74 buiten de verzoeksters om op zijn eigen rekening heeft laten storten (oplichting). De [vennootschappen] waren de daadwerkelijke rechthebbenden van dit geld. Door de rechtbank en het gerechtshof is vastgesteld dat zij benadeeld zijn door de veroordeelde en daarmee komt het bedrag van € 241.500,74 toe aan de verzoeksters als benadeelde derden.\n\nDe civielrechtelijke verjaringstermijn in de zin van artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing, nu sprake is van een eigen strafrechtelijke verjaringstermijn in de zin van artikel 6:6:26 lid 4 Sv. Tot slot was er geen afspraak tussen de verzoeksters en de veroordeelde over de verdeling van het geld dat zou worden uitgekeerd na toewijzing van de claim. Een eventuele verdeling had bovendien alleen tot stand gekomen als de claim niet achter de rug van de verzoeksters om was ingediend.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verzoeksters kunnen worden aangemerkt als benadeelde derden. Met betrekking tot de civiele verjaringstermijn refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank, na aanvankelijk het standpunt te hebben betrokken dat de claim van verzoeksters civielrechtelijk verjaard is en dit consequenties dient te hebben voor het verzoekschrift in onderhavige zaak.\n\nHet Openbaar Ministerie kan instemmen met uitbetaling aan de verzoeksters door het CJIB van het vanwege de ontnemingsmaategel geïncasseerde bedrag voor ten hoogste\n\n€ 161.000,49, nu er sprake was van een 1\u002F3 verdelingsafspraak tussen de veroordeelde en de verzoeksters.\n\nBeoordeling\n\nOp grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechter een aan een veroordeelde in rechte opgelegde betalingsverplichting van een bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een derde benadeelde verminderen of kwijtschelden of kan de rechter bevelen dat een reeds betaald of verhaald bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven of aan een derde wordt uitgekeerd.\n\nAan de veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 maart 2025 de verplichting opgelegd tot betaling van € 241.500,74 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.\n\nUit de schriftelijke toelichting van het CJIB van 12 mei 2026 blijkt dat het ontnemingsbedrag op 7 mei 2025 is voldaan aan de Staat.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verzoeksters (de [vennootschappen] en de holding B.V’s) als benadeelde derden kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 6:6:26 Sv.\n\nDe rechtbank overweegt dat de vordering van verzoeksters niet is verjaard, omdat deze, zoals vereist in artikel 6:6:26 lid 4 Sv, is ingediend binnen de termijn van drie jaar nadat het verschuldigde bedrag geheel is betaald. Uit de toelichting op artikel 6:6:26 Sv blijkt dat het civiele recht over de kwestie van verjaring in deze geen toepassing vindt, omdat de strafvorderlijke regeling prevaleert.\n\nVoorts volgt uit het dossier dat er een afspraak is gemaakt over een verdeling tussen de veroordeelde en de verzoeksters van een eventueel door Epiq uit te keren bedrag. Het uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de uitkering aan de benadeelde derden conform artikel 6:6:26 Sv acht de rechtbank de hypothetische situatie die zou hebben bestaan zonder het strafbare feit. Uit het dossier volgt verder nog dat door [vertegenwoordiger 2] , één der vertegenwoordigers van verzoeksters, is verklaard dat met de veroordeelde was afgesproken dat bij een eventuele uitkering door Epiq de opbrengst verdeeld zou worden en de veroordeelde 1\u002F3 zou krijgen.\n\nDe rechtbank acht het bestaan van deze afspraak te meer aannemelijk nu dit niet door de veroordeelde maar door [vertegenwoordiger 2] is verklaard en stelt aldus vast dat deze afspraak tot stand is gekomen tussen de veroordeelde en één der vertegenwoordigers van verzoeksters.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeksters 2\u002F3 van het totaal uitgekeerde bedrag dienen te ontvangen. De rechtbank stelt vast dat dit gaat om een bedrag van € 161.000,49. De rechtbank zal daarom, ingevolge artikel 6:6:26 eerste lid Sv, bepalen dat het reeds geïncasseerde bedrag ter hoogte van € 161.000,49 wordt uitgekeerd aan de verzoeksters.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nwijst het verzoek gedeeltelijk toe en beveelt dat van het reeds betaalde bedrag een gedeelte van € 161.000,49 zal worden uitgekeerd aan de verzoeksters.\n\nDeze beslissing is gegeven door:\n\nmr. G.C. Bos, voorzitter,\n\nmrs. J.C. Oord en J.C. Rous, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,\n\nen in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8210","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.605Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":165,"fullText":166,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":167,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":39,"updatedAt":168},"1842","ECLI:NL:RBROT:2026:7846","ecli-nl-rbrot-2026-7846","2026-05-20T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F750053-21\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nDatum zitting: 6 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. K. Blonk\n\nOfficier van justitie: mr. E.M. ter Braak\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze verdovende middelen. Daarnaast heeft hij een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van (medeplegen van) het voorhanden hebben van een vuurwapen en kogelpatronen.\n\nDe volledige tenlastelegging(hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof - ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof - zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof - voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof - versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en\u002Fof 134,0 gram Mannitol en\u002Fof 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en\u002Fof - een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en\u002Fof - een (druk)pers en\u002Fof een vacuurmachine en\u002Fof een weegschaal en\u002Fof een\u002Fof meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n3.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam (in een pand aan [adres 2] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\neen wapen als bedoeld in art. 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, te weten een Zastava (type M57) voorhanden heeft gehad\n\nen\u002Fof\n\n9 kogelpatronen (van het merk GFL, type 7.62 Mm) en\u002Fof 4 kogelpatronen (van diverse kaliber), als in art. 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie;\n\n5.\n\nhij op of omstreeks 12 maart 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 3] ),\n\ntezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 610,6 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en\u002Fof\n\n- ongeveer 5,6 gram cannabis, in elke geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cannabis, zijnde cannabis een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;.\n\n6.\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 december 2020 tot en met 12 maart 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 918 gram Paracetamol en\u002Fof cafeïne, voorhanden gehad,\n\nen\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een\u002Fof meer plastic zak(ken) voorhanden gehad;\n\n7.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.2. Procesafspraken\n\nTotstandkoming van de procesafspraken\n\nDe verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 4 februari 2025 is ondertekend door de officier van justitie en op 18 februari 2025 is ondertekend door de verdachte en zijn raadsvrouw. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.\n\nInhoud van de procesafspraken\n\nVoor zover van belang en zakelijk weergegeven houden de procesafspraken het volgende in:\n\nDe verdachte:\n\ntrekt eventuele ingediende onderzoekswensen in en dient geen nieuwe onderzoekswensen in;\n\nvoert geen bewijsverweren;\n\nhoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;\n\nzal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;\n\ndoet afstand van de in beslag genomen goederen, te weten € 917,-.\n\nDe officier van justitie:\n\nzal vrijspraak vorderen voor de feiten 5, 6 en 7;\n\nzal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten de feiten 1, 2 en 3;\n\nzal een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en een taakstraf voor de duur van 240 uren eisen.\n\nBeide partijen:\n\n- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.\n\nOp de zitting heeft de officier van justitie bij requisitoir opgemerkt dat het in beslag genomen geldbedrag € 917,30 betreft en zij er vanuit gaat dat de verdachte ook afstand doet van de overige 30 cent. De verdachte en zijn raadsvrouw hebben dat bevestigd.\n\nDe officier van justitie heeft ook opgemerkt dat (gelet op de procesafspraken) in de strafeis rekening wordt gehouden met 96 dagen voorarrest.3. Bewijs \u002F Vrijspraak3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3 en wordt vrijgesproken van de feiten 5, 6 en 7.\n\nDe verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.3.2.. Oordeel van de rechtbank3.2.1.. \n\nVrijspraak feiten 5, 6 en 7\n\nDe beschuldiging, zoals onder 5, 6 en 7 ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3.2.2.. \n\nBewezenverklaring feiten 1, 2 en 3 en bewijsmiddelen\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.\n\nBewezen is dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad - 1.390 gram cocaïne en - 183,8 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en beschikbaar gesteld (gekregen) en - versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en 134,0 gram Mannitol, voorhanden gehad, en - bundels geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en - een drukpers en een vacumeermachine en een weegschaal en\u002Fof een of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n3.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam (in een pand aan [adres 2] ),\n\neen wapen als bedoeld in art. 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, te weten een Zastava (type M57)\n\nen\n\n9 kogelpatronen (van het merk GFL, type 7.62 Mm), zijnde munitie als bedoeld in art. 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie,\n\nvoorhanden heeft gehad.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nFeit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nFeit 3:\n\nDe eendaadse samenloop van:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straffen5.1.. \n\nBeoordeling van de procesafspraken\n\nTijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.5.2.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Zij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een iets lagere straf op te leggen dan in de procesafspraken met de officier van justitie is overeengekomen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen 1.390 gram cocaïne en 183,8 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Ook heeft hij samen met zijn mededaders gedurende een periode van bijna twee maanden voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in cocaïne en heroïne. Zij maakten gebruik van een woning, waarin voorwerpen, stoffen en bundels met geld aanwezig waren, die bestemd waren voor het versnijden en dealen van deze harddrugs. De verdachte had hierbij een uitvoerende rol.\n\nHij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.\n\nDaarnaast heeft de verdachte in voornoemde woning een vuurwapen met bijbehorende munitie, die zich bevond in de patroonhouder van dit wapen, voorhanden gehad. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Vuurwapens worden vaak gebruikt om ernstige misdrijven mee te plegen en ruzies mee te beslechten, waarbij regelmatig (dodelijke) slachtoffers vallen. De ervaring leert dat het aanwezig hebben van een vuurwapen ook snel gepaard gaat met het gebruik van dat wapen. De bedenkelijke omstandigheden waaronder dit vuurwapen is aangetroffen, namelijk in de woning waar de verdachte de voornoemde harddrugsdelicten heeft gepleegd, maken het extra zorgelijk. Het is algemeen bekend dat dealpanden worden bewaakt en daarbij vuurwapens worden gebruikt.5.4.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, waaronder in de vijf jaren voorafgaand aan de gepleegde feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus enerzijds tot een hogere straf. Anderzijds weegt de rechtbank mee dat uit het strafblad blijkt dat de verdachte na deze feiten, die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Dit onderbouwt de verklaring van verdachte dat hij zijn levenswijze heeft veranderd en een andere weg is ingeslagen.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij nu goed is gere-integreerd en werk heeft als artiest en acteur en muziek maakt.5.4.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 mei 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna 5 jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.5.4.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en daarnaast de maximale taakstraf op te leggen.\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.\n\nDe periode van 96 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.6. In beslag genomen voorwerpen\n\nTer zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van het in beslag genomen voorwerp zoals vermeld op de overgelegde lijst. Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.7. Voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bij bevel van 31 augustus 2021 geschorst met ingang van het moment waarop de verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld aan de officier van justitie of een door deze aan te wijzen instantie. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte 96 dagen in voorarrest doorgebracht.\n\nDe officier van justitie heeft gelet op de geëiste straf de opheffing van de voorlopige hechtenis gevorderd. De verdediging heeft zich daaraan gerefereerd.\n\nDe rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 5, 6 en 7 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 10 (tien) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,\n\nen mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.\n\nMrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nHet eerder ten laste gelegde feit 4 is geseponeerd en wordt daarom niet weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7846","2026-07-13T00:29:41.495Z",{"id":170,"ecli":171,"slug":172,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":165,"fullText":173,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":174,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":39,"updatedAt":175},"1841","ECLI:NL:RBROT:2026:7845","ecli-nl-rbrot-2026-7845","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F750545-20\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nDatum zitting: 6 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. K. Blonk\n\nOfficier van justitie: mr. E.M. ter Braak\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze verdovende middelen. Daarnaast heeft hij een vlindermes voorhanden gehad. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 174 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van (medeplegen van) het voorhanden hebben van een vuurwapen en kogelpatronen en het voorhanden hebben van een vlindermes.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam,\n\nalthans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en\u002Fof 134,0 gram Mannitol en\u002Fof 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en\u002Fof\n\n- een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een vacuurmachine en\u002Fof een weegschaal en\u002Fof een\u002Fof meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n4.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam (in een pand aan [adres 2] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\neen wapen als bedoeld in art. 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, te weten een Zastava (type M57) voorhanden heeft gehad\n\nen\u002Fof\n\n9 kogelpatronen (van het merk GFL, type 7.62 Mm), als in art. 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie;\n\n5.\n\nhij op of omstreeks 12 maart 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 3] ),\n\ntezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 610,6 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en\u002Fof\n\n- ongeveer 5,6 gram cannabis, in elke geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cannabis, zijnde cannabis een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;.\n\n6.\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 december 2020 tot en met 12 maart 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 918 gram Paracetamol en\u002Fof cafeïne, voorhanden gehad,\n\nen\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een\u002Fof meer plastic zak(ken) voorhanden gehad;\n\n7.\n\nhij op of omstreeks 29 mei 2021 in [woonplaats] , (in de woning aan [adres 1] ),\n\ntezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk voorhanden heeft gehad een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vlindermes;\n\n8.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\n2. Procesafspraken\n\nTotstandkoming van de procesafspraken\n\nDe verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 4 februari 2025 is ondertekend door de officier van justitie en op 16 februari 2025 is ondertekend door de verdachte en zijn raadsvrouw. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.\n\nInhoud van de procesafspraken\n\nVoor zover van belang en zakelijk weergegeven houden de procesafspraken het volgende in:\n\nDe verdachte:\n\ntrekt eventuele ingediende onderzoekswensen in en dient geen nieuwe onderzoekswensen in\n\nvoert geen bewijsverweren;\n\nhoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;\n\nzal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;\n\nDe officier van justitie:\n\nzal vrijspraak vorderen voor de feiten 4, 5, 6 en 8;\n\nzal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten de feiten 1, 2 en 7;\n\nzal een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 174 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 60 uur eisen. Uiteraard min de aftrek van de 96 dagen voorarrest.\n\nBeide partijen:\n\n- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.3. Bewijs \u002F Vrijspraak3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 7 en wordt vrijgesproken van de feiten 4, 5, 6 en 8.\n\nDe verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.3.2.. Oordeel van de rechtbank3.2.1.. \n\nVrijspraak feiten 4, 5, 6 en 8\n\nDe beschuldiging, zoals onder 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3.2.2.. \n\nBewezenverklaring feiten 1, 2 en 7 en bewijsmiddelen\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het onder 1, 2 en 7 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten (grotendeels) zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.\n\nOver feit 7 (het voorhanden hebben van een vlindermes) overweegt de rechtbank het volgende. Een proces-verbaal, waarin is aangegeven dat het in de woning van de verdachte in beslag genomen vlindermes een vlindermes is in de zin van de Wet wapens en munitie ontbreekt. De officier van justitie heeft bij requisitoir opgemerkt dat een zodanig proces-verbaal niet is opgemaakt.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat op 29 mei 2021 tijdens de doorzoeking in verdachtes woning aan [adres 1] te [woonplaats] een “vlindermes” in beslag is genomen. Een vlindermes is een wapen dat met zoveel woorden is genoemd in artikel 2 lid 1, categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie. De verbalisant die het voorwerp in beslag heeft genomen ter onttrekking aan het verkeer heeft het een vlindermes genoemden ter zitting is niet door verdachte betwist dat het voorwerp een vlindermes in de zin van de Wet wapens en munitie was. De rechtbank acht de omschrijving “vlindermes” voldoende duidelijk om vast te stellen dat het gaat om het desbetreffende wapen genoemd in de Wet wapens en munitie.\n\nBewezen is dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad - 1.390 gram cocaïne en - 183,8 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en beschikbaar gesteld (gekregen) en - versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en 134,0 gram Mannitol, voorhanden gehad, en - bundels geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en - een drukpers en een vacumeermachine en een weegschaal en\u002Fof een of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n7.\n\nhij op 29 mei 2021 in [woonplaats] , (in de woning aan [adres 1] ), opzettelijk voorhanden heeft gehad een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie,\n\nte weten een vlindermes.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nFeit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nFeit 7:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straffen5.1.. \n\nBeoordeling van de procesafspraken\n\nTijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.5.2.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1, 2 en 7 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 174 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Zij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een iets lagere straf op te leggen dan wat in de procesafspraken met het de officier van justitie is overeengekomen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen 1.390 gram cocaïne en 183,8 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Ook heeft hij samen met zijn mededaders gedurende een periode van bijna twee maanden voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in cocaïne en heroïne. Zij maakten gebruik van een woning, waarin voorwerpen, stoffen en bundels met geld aanwezig waren, die bestemd waren voor het versnijden en dealen van deze harddrugs. De verdachte had hierbij een uitvoerende rol.\n\nHij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.\n\nDaarnaast heeft de verdachte in zijn eigen woning een vlindermes voorhanden gehad. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving en leidt veelal tot het plegen van geweldsdelicten. Daarom dient streng te worden opgetreden tegen het onbevoegde bezit daarvan.5.4.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.5.4.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 mei 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna 5 jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.5.4.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en het onvoorwaardelijke deel daarvan te beperken tot de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast een taakstraf op te leggen.\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.\n\nDe periode van 96 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.6. Voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bij bevel van 31 augustus 2021 geschorst met ingang van het moment waarop de verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld aan de officier van justitie of een door deze aan te wijzen instantie. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte 96 dagen in voorarrest doorgebracht.\n\nGelet op de straf die wordt opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk is aan het al door de verdachte ondergane voorarrest, zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis – zoals door de officier van justitie gevorderd – opheffen.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 4, 5, 6 en 8 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 7, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 270 dagen (tweehonderdzeventig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 174 (honderdvierenzeventig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.\n\n9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,\n\nen mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.\n\nMrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nHet eerder ten laste gelegde feit 3 is geseponeerd en wordt daarom niet weergegeven.\n\nZie pv van doorzoeking ter inbeslagneming [proces-verbaalnummer] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7845","2026-07-13T00:29:41.429Z",{"id":177,"ecli":178,"slug":179,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":165,"fullText":180,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":181,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":39,"updatedAt":182},"1843","ECLI:NL:RBROT:2026:7848","ecli-nl-rbrot-2026-7848","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F115340-22 en 10-050974-22 (ter terechtzitting gevoegd)\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nDatum zitting: 6 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [plaats] (detentieadres), zonder vaste woon- of verblijfplaats.\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. K. Blonk\n\nOfficier van justitie: mr. E.M. ter Braak\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze verdovende middelen. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen en gewoontewitwassen. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 50.000,-, subsidiair 285 dagen vervangende hechtenis.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van het medeplegen van witwassen en gewoontewitwassen.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F115340-22\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam,\n\nalthans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en\u002Fof 134,0 gram Mannitol en\u002Fof 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en\u002Fof\n\n- een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een vacuurmachine en\u002Fof een weegschaal en\u002Fof een\u002Fof meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n3.\n\nhij in of omstreeks de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 3] ), althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;\n\nParketnummer 10-050974-22\n\n1.\n\nhij op een of meer tijdstip(pen) in\u002Fof omstreeks de periode van 21 februari 2019 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voorwerp, te weten\n\n- een geldbedrag van 40.000 euro aan contant geld\n\nheeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en\u002Fof omgezet, en\u002Fof van voornoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;\n\n2.\n\nhij op een of meer tijdstip(pen) in\u002Fof omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader\n\n(een of meer voorwerpen, te weten\n\n- een geldbedrag van 86.363 euro en\u002F of\n\n- een geldbedrag van 5.558,10 euro en\u002Fof\n\n- een geldbedrag van 1.250 euro en\u002Fof\n\n- een geldbedrag van 720 euro\n\nheeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf.2. Procesafspraken\n\nTotstandkoming van de procesafspraken\n\nDe verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 9 januari 2025 is ondertekend door de officier van justitie en op 22 april 2025 is ondertekend door de verdachte en zijn raadsvrouw. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.\n\nInhoud van de procesafspraken\n\nVoor zover van belang houden de procesafspraken het volgende in:\n\nDe verdachte:\n\nzal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;\n\ndoet afstand van de in beide zaken in beslag genomen goederen, te weten:\n\n in de zaak met parketnummer 10\u002F115340-22 (de zaak [zaaknaam 1] ): contant geld ter waarde van in totaal € 5.701,28;\n\n in de zaak met parketnummer 10-050974-22 (de zaak [zaaknaam 2] ): contant geld ter waarde van € 45.089,06 en een auto (Seat) ter waarde van € 16.800,- en kleding ter waarde van € 8.191,-.\n\nTotale waarde van het beslag = € 70.800,-.\n\nDe officier van justitie:\n\nzal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten alle ten laste gelegde feiten;\n\nzal een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk (voor de feiten in de zaak [zaaknaam 1] ) en een geldboete van € 50.000,- (in de zaak [zaaknaam 2] ) eisen.\n\nBeide partijen:\n\n- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.3. Bewijs3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten.\n\nDe verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.3.2.. Oordeel van de rechtbank3.2.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F115340-22\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad - 1.390 gram cocaïne en - 183,8 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne telkens een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en beschikbaar gesteld (gekregen) en - versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en 134,0 gram Mannitol, voorhanden gehad, en - bundels geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en - een drukpers en een vacumeermachine en een weegschaal en\u002Fof een of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n3.\n\nhij in de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 3] ), meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken, van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld gekregen en\n\n- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;\n\nParketnummer 10-050974-22\n\n1.\n\nhij op 21 februari 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een voorwerp, te weten\n\n- een geldbedrag van 40.000 euro aan contant geld\n\nheeft voorhanden gehad\n\nterwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader\n\nvoorwerpen, te weten\n\n- een geldbedrag van 86.363 euro en\n\n- een geldbedrag van 5.558,10 euro en\n\n- een geldbedrag van 1.250 euro en,\n\n- een geldbedrag van 7.230 euro\n\nheeft verworven en voorhanden gehad en van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F115340-22\n\nFeit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nFeit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nFeit 3:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nParketnummer 10-050974-22\n\nFeit 1:\n\nmedeplegen van witwassen;\n\nFeit 2:\n\nmedeplegen van gewoontewitwassen.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straffen5.1.. \n\nBeoordeling van de procesafspraken\n\nTijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.5.2.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 50.000,-, aanvullend op de procesafspraken heeft de officier van justitie subsidiair 285 dagen vervangende hechtenis gevorderd.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Zij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een iets lagere straf op te leggen dan in de procesafspraken met de officier van justitie is overeengekomen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen 1.390 gram cocaïne en 183,8 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Ook heeft hij samen met zijn mededaders gedurende een periode van bijna twee maanden voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in cocaïne en heroïne. Zij maakten gebruik van een woning, waarin voorwerpen, stoffen en bundels met geld aanwezig waren, die bestemd waren voor het versnijden en dealen van deze harddrugs. Daarnaast heeft de verdachte samen met een andere mededader gedurende een periode van bijna een jaar voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in heroïne, waarbij zij gebruikt maakten van een andere woning en daarin aanwezige versnijdingsvoorwerpen. De verdachte had hierbij een grote, aansturende rol. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan witwassen en gewoontewitwassen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie om te zetten, wordt de integriteit van het economische verkeer aangetast en dat is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer.5.4.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 7 april 2026 blijkt van een aantal veroordelingen van lang geleden.5.4.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 4 maart 2024, de datum waarop de dagvaarding in de zaak met parketnummer 10\u002F115340-22 aan de verdachte is betekend. De rechtbank gaat uit van deze datum omdat de verdachte pas later is aangehouden, namelijk op 9 november 2025 nadat hij in Nederland is aangekomen. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en twee maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.5.4.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar (en langer) geleden zijn gepleegd, er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met een geldboete van € 50.000,-.\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.\n\nDe periode van 179 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.6. In beslag genomen voorwerpen\n\nTer zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van de in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de overgelegde lijsten. Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10\u002F115340-22 en de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-050974-22, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 6 (zes) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nGeldboete\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend);\n\nbeveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van285 (tweehonderdvijfentachtig dagen).9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,\n\nen mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.\n\nMrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7848","2026-07-13T00:29:41.568Z",20]