[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":54},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-06-19T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123749","Burgerlijk Wetboek","art. 1:7",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123751","art. 1:5",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123752","art. 1:7 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"123753","art. 1:5 lid 4",[36,47],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"646","ECLI:NL:RBROT:2026:7359","ecli-nl-rbrot-2026-7359","","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam familie\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F709337 \u002F FA RK 25-8317\n\nBeschikking van 19 juni 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht\n\nin de zaak van:\n\n [naam 1], hierna: de vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. F. Pool te Rotterdam,\n\nt e g e n\n\n [naam 2], hierna: de man,\n\nin de Basisregistratie Personen ingeschreven als niet-ingezetene.\n\nadvocaat mr. L.L. van Dijk te Enschede.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde beschikking van deze rechtbank van 22 december 2025 over de bevoegdheid;\n\nhet bericht met bijlagen van de vrouw van 26 januari 2026;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 2 juni 2026;\n\nhet bericht met bijlagen van de vrouw van 2 juni 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:\n\nde vrouw bijgestaan door haar advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3] .\n\n1.3.. De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.\n\n2. De vaststaande feiten\n\n2.1.. \n\nPartijen zijn de ouders van de minderjarige:\n\n [naam 4] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 augustus 2023 is de minderjarige onder toezicht gesteld van de GI voor duur van een jaar. Bij beschikking van 29 juli 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd van 11 augustus 2024 tot 11 augustus 2025.\n\n2.3.. Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2024 is bepaald dat onder de regie van de GI gedurende een periode van maximaal zes maanden moet worden toegewerkt naar een omgangsregeling waarbij de man en de minderjarige recht hebben op omgang gedurende eenmaal per veertien dagen van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de man de minderjarige op zaterdag ophaalt bij de vrouw en de vrouw de minderjarige op zondag ophaalt bij de man.\n\n2.4.. Tijdens de mondelinge behandeling in kort geding bij de rechtbank Oost-Brabant op 17 november 2025 hebben partijen de volgende afspraken met elkaar gemaakt:\n\nde man haalt de minderjarige om het weekend (met ingang van 29 november 2025) bij de vrouw in Schiedam op zaterdag om 10:00 uur op. De man brengt de minderjarige de volgende dag (zondag) om 17:00 uur naar treinstation Deventer Centraal, waar de vrouw de minderjarige ophaalt;\n\ndeze afspraken gelden tussen partijen totdat er in de bodemprocedure uitspraak is gedaan dan wel partijen tussentijds andere afspraken maken;\n\nhet kort geding wordt ingetrokken en partijen dragen ieder de eigen proceskosten.\n\n2.5.. De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Omgangsregeling\n\n3.1.1.. \n\nDe vrouw verzoekt de rechtbank om wijziging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2024, primair in die zin dat een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken omgang heeft met de man van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de man de minderjarige op zaterdag om 11:00 uur ophaalt bij de vrouw thuis, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft, en de minderjarige op zondag om 18:00 uur terugbrengt bij de vrouw thuis, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft.\n\nSubsidiair verzoekt de vrouw een omgangsregeling waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur omgang heeft met de man in de woonplaats van de vrouw, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft. Tevens verzoekt de vrouw te bepalen dat de man gedurende de week op een vast aantal momenten telefonisch en\u002Fof via videobellen contact kan hebben met de minderjarige.\n\nMeer subsidiair verzoekt de vrouw een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank passend acht, waarbij rekening wordt gehouden met de fysieke en financiële beperkingen van de vrouw en het belang van de minderjarige bij rust, stabiliteit en veiligheid.\n\n3.1.2.. \n\nDe man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek primair te bepalen dat de door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 11 januari 2024 vastgestelde omgangsregeling wordt nagekomen. Daarbij verzoekt de man te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,- per overtreding verbeurt, met een maximum van € 15.000,-, indien zij in strijd handelt met deze regeling.\n\nSubsidiair verzoekt de man te bepalen dat de vrouw de bij proces-verbaal van de rechtbank Oost-Brabant van 17 november 2025 vastgelegde omgangsregeling nakomt. Ook ten aanzien van deze regeling verzoekt de man te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,- per overtreding verbeurt, met een maximum van € 15.000,-.3.1.3.. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.\n\n3.1.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die een herbeoordeling van de omgangsregeling rechtvaardigen. De vrouw heeft aangevoerd en met stukken onderbouwd dat zij voor de uitvoering van de omgangsregeling vanwege haar medische klachten afhankelijk is van derden en dat zij inmiddels geen hulp meer hierbij krijgt van haar broer en zus. De man heeft deze stellingen onvoldoende weersproken. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van partijen.\n\n3.1.5.. Partijen verschillen niet van mening over het belang van omgang tussen de man en de minderjarige. Het geschil ziet alleen op de praktische uitvoering daarvan, in het bijzonder het halen en brengen. Daarbij geldt dat de afstand tussen partijen (Schiedam – Gronau (DL)) aanzienlijk is, wat voor beide ouders maar ook voor de minderjarige belastend is. Tegelijkertijd is het van belang dat de omgang doorgang vindt en voor de minderjarige voorspelbaar is.\n\n3.1.6.. Van beide ouders mag worden verwacht dat zij zich inspannen om de omgang mogelijk te maken. Die inspanning moet wel aansluiten bij wat feitelijk haalbaar is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw medische klachten heeft, waardoor zij niet langdurig kan reizen. Daarbij heeft zij geen familie (meer) in de buurt wonen die zou kunnen helpen bij het vervoer. Het volledig bij de man neerleggen van de vervoerslast acht de rechtbank echter ook niet redelijk. De man neemt sinds het kort geding op 17 november 2025 al een aanzienlijk deel van de reistijd voor zijn rekening en heeft daarnaast een eigen kapperszaak, waardoor hij niet bijvoorbeeld op vrijdag al de minderjarige kan halen. De rechtbank weegt verder mee dat de reisafstand tussen partijen is vergroot door de verhuizing van de vrouw van Veghel naar Schiedam en dat de gevolgen daarvan niet volledig voor rekening van de man moeten komen.\n\n3.1.7.. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de vervoerstaken tussen partijen als volgt moeten worden geregeld: eenmaal per vier weken neemt de man het halen en brengen volledig voor zijn rekening, en eenmaal per vier weken haalt de man de minderjarige bij de vrouw op en haalt de vrouw de minderjarige na afloop van het omgangsweekend bij de man op. Daarbij is het aan de vrouw om, als zij niet zelf in staat is te reizen, hulp in te schakelen voor het ophalen van de minderjarige.3.1.8.. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de nakoming van de regeling een dwangsom te verbinden. Doordat de minderjarige na het omgangsweekend met de man op maandag weer naar school moet, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw, in het belang van de minderjarige, zal regelen dat hij ook daadwerkelijk bij de man wordt opgehaald.\n\n3.2.. Proceskosten\n\n3.2.1.. Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. wijzigt de bij beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 januari 2024 vastgestelde omgangsregeling, in die zin dat de man eenmaal per twee weken van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur omgang heeft met de minderjarige, waarbij:\n\neenmaal per vier weken de man de minderjarige op zaterdag bij de vrouw ophaalt en de minderjarige op zondag bij de vrouw terugbrengt;\n\neenmaal per vier weken de man de minderjarige op zaterdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de minderjarige op zondag bij de man ophaalt;\n\n4.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.3.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n4.4.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E. Lunenberg, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van B. Bajra, griffier, op 19 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.\n\nDoor verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7359","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:40.904Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":51,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":53},"1403","ECLI:NL:RBROT:2026:7323","ecli-nl-rbrot-2026-7323","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam familie\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F716055 \u002F FA RK 26-1844\n\nBeschikking van 16 juni 2026 over wijziging geslachtsnaam of vervangende toestemming voor het indienen van een aanvraag bij Justis tot wijziging van de geslachtsnaam\n\nin de zaak van:\n\n [de vrouw], hierna: de vrouw,\n\nwonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,\n\nadvocaat mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’sHeer Arendskerke,\n\nt e g e n\n\n [de man], hierna: de man,\n\nwonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,\n\nadvocaat mr. E.E. Vas te Rotterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2026;\n\nhet verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 13 mei 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:\n\nde vrouw, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde man, bijgestaan door zijn advocaat;\n\nde raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .\n\n1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.\n\n1.4.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een samenvatting van twee uitspraken overgelegd, ter onderbouwing van het verweer van de man.\n\n1.5.. De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De kinderrechter heeft op 14 april 2026 met de minderjarige gesproken.\n\n2. De vaststaande feiten\n\n2.1.. Het huwelijk van partijen is op 16 december 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.\n\n2.2.. Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .\n\n2.3.. Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Wijziging geslachtsnaam en vervangende toestemming\u002F bijzondere curator\n\n3.1.1.. \n\nDe vrouw verzoekt primair de geslachtsnaam van de minderjarige te wijzigen van\n\n“ [achternaam vader] ” in “ [achternaam moeder] ”. Subsidiair verzoekt de vrouw, zo begrijpt de rechtbank, haar vervangende toestemming te verlenen voor het indienen van een aanvraag bij Justis tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige zoals hiervoor omschreven.\n\n3.1.2.. De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek een bijzondere curator te benoemen over de minderjarige, dan wel de raad te gelasten een onderzoek in te stellen.\n\n3.1.3.. De raad heeft bij de mondelinge behandeling geadviseerd het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator toe te wijzen en de behandeling van het verzoek van de vrouw in afwachting van het resultaat hiervan aan te houden. Indien geen bijzondere curator wordt benoemd adviseert de raad het verzoek van de vrouw af te wijzen.\n\nWijziging geslachtsnaam\n\n3.1.4.. Het primaire verzoek van de vrouw, tot wijziging van de geslachtsnaam van de minderjarige, vindt geen steun in de wet. Gezien het bepaalde in artikel 1:7 BW kan de rechter niet de geslachtsnaam van een persoon wijzigen. De vrouw is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek.\n\nBenoeming bijzondere curator of raadsonderzoek\n\n3.1.5.. De rechtbank wijst het verzoek van de man tot benoeming van een bijzondere curator af, omdat dit verzoek geen steun vindt in de wet, gelet op het bepaalde in artikel 1:250 BW. Dit artikel betreft aangelegenheden over de verzorgingenopvoedingvan de minderjarige, waarbij de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, in strijd zijn met die van de minderjarige. Daarvan is in onderhavige procedure, die betrekking heeft op de geslachtsnaam, geen sprake. Nog los daarvan is de rechtbank in staat om een beslissing te nemen op basis van de bekende standpunten van partijen en de minderjarige en bestaat ook daarom geen aanleiding een bijzondere curator te benoemen.\n\n3.1.6.. De rechtbank ziet voorts niet in wat een raadsonderzoek in deze zaak kan bijdragen aan de te nemen beslissing en wijst daarom ook dat verzoek van de man af.\n\nVervangende toestemming\n\n3.1.7.. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de vrouw strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming tot het indienen van een aanvraag bij Justis oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n3.1.8.. In artikel 1:5 BW is bepaald hoe een kind een geslachtsnaam verkrijgt. Op grond van deze bepaling kunnen ouders gezamenlijk een keuze maken voor de geslachtsnaam van hun kind. Een keuze voor een geslachtsnaam gebeurt bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en moet door beide ouders worden ondertekend. Dit kan voorafgaand aan de geboorte of uiterlijk bij de geboorteaangifte. Terugkomen op de geslachtsnaamkeuze is niet mogelijk.\n\n3.1.9.. \n\nIn artikel 1:7 lid 1 BW is bepaald dat de achternaam van een persoon op zijn verzoek of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger kan worden gewijzigd. Lid 5 van dat artikel bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) regels zijn gegeven voor de gronden voor zo’n verzoek en de wijze van indiening en behandeling daarvan.\n\nDeze AMvB is het Besluit Geslachtsnaamwijziging. Justis, de screeningsautoriteit, behandelt namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verzoeken tot wijziging van een achternaam. In de brochure Naamswijziging van Justis is het volgende vermeld:\n\n“Wilt u de achternaam van uw kind(eren) wijzigen en hebben beide ouders het gezag? Dan moeten beide ouders het schriftelijke aanvraagformulier ondertekenen. De aanvraag voor naamswijziging wordt niet in behandeling genomen als maar één van de ouders het formulier ondertekent. Ook niet als het kind de naamswijziging zelf graag wil. Wilt u zonder de andere ouder die het gezag heeft toch een aanvraag indienen? Dan moet u eerst de rechtbank om vervangende toestemming vragen. Dit proces kan alleen een advocaat opstarten. Als de rechter vervangende toestemming geeft, dan kunt u een aanvraag om naamswijziging bij Justis indienen.”\n\n3.1.10.. In de praktijk behandelen rechtbanken en gerechtshoven verzoeken om vervangende toestemming in het kader van artikel 1:253a BW, dat bepaalt dat bij gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Daarbij neemt de rechtbank een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.\n\n3.1.11.. \n\nDe wetgever heeft de keuze voor de naam van een kind gegeven aan alle juridische ouders en niet enkel aan ouders die met het gezag zijn belast. Zo is het ook geregeld in artikel 1:5 lid 4 BW: het gaat erom of een kind in familierechtelijke betrekking tot beide ouders staat, niet of beide ouders het gezag hebben.\n\nHet kiezen van een naam of het vragen om wijziging van een naam is dan ook geen gezagsbeslissing. Dat de ouders geen overeenstemming hebben over de vraag of aan de Koning moet worden verzocht om de naam van de minderjarige te wijzigen, is geen geschil omtrent het ouderlijk gezag en valt buiten de reikwijdte van artikel 1:253a BW.\n\n3.1.12.. Het vorenstaande betekent dat Justis als een ouder met gezag een verzoek op grond van artikel 1:7 BW indient ten onrechte de eis stelt van vervangende toestemming van de andere ouder met gezag. De procedure van artikel 1:7 BW is een bestuursrechtelijke procedure waarbij de andere juridische ouder als belanghebbende wordt betrokken (artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht).\n\n3.1.13.. Overigens speelt artikel 1:253i BW hier ook niet. Daarin gaat het om de vertegenwoordiging van het kind ‘in burgerlijke handelingen’. Daaronder valt niet vertegenwoordiging in de (bestuursrechtelijke) Kroonprocedure van artikel 1:7 lid 1 BW.\n\n3.1.14.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank ontbreekt in de wet een concrete bepaling op grond waarvan het door Justis voorgeschreven verzoek – vervangende toestemming voor het doen van een aanvraag – kan worden ingediend bij de rechter.\n\nDe rechtbank realiseert zich dat de vrouw, zonder toewijzing van haar verzoek, niet in staat is een verzoek te doen op grond van artikel 1:7 BW en niet aan Justis kan vragen naam van de minderjarige te wijzigen. Nu het verzoek van de vrouw aansluit bij andere gevallen die wel in de wet zijn geregeld, maar hier rechtstreekse toepassing missen (artikel 1:253a BW en artikel 1:253i BW), zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toch beoordelen.\n\n3.1.15.. Nu gebleken is dat de ouders niet tot een vergelijk kunnen komen dient de rechtbank te beoordelen of vervangende toestemming voor geslachtsnaamwijziging van de minderjarige in het belang van de minderjarige wenselijk is; dat is het criterium van artikel 1:253a BW.\n\n3.1.16.. Naar het oordeel van de rechtbank dient het verzoek tot vervangende toestemming voor het indienen voor een verzoek tot geslachtsnaamwijziging te worden afgewezen.\n\n3.1.17.. De identiteit van de minderjarige wordt mede bepaald door wie zijn ouders zijn. De vader én zijn naam zijn derhalve onderdeel van zijn identiteit. Daaraan doet niet af dat de minderjarige een hele fijne band heeft met de familie [achternaam moeder] , waarvan hij ook onderdeel is.\n\n3.1.18.. Volgens de vrouw is het bij de minderjarige een gevoelskwestie waardoor de intrinsieke wens is ontstaan en heeft het niets van doen met zijn band met de man. De rechtbank deelt echter de zorg van de raad en acht het in de levensfase waarin de minderjarige zich bevindt niet in zijn belang om zijn achternaam te wijzigen. Hoewel er fysiek bij de minderjarige niets door een naamswijziging verandert, zal het wel de wijze waarop hij in het leven staat en de wijze waarop hij zich verder in zijn leven zal ontwikkelen kunnen beïnvloeden. De minderjarige bevindt zich in de puberteit en het is zeker niet uit te sluiten dat hij in een latere fase van zijn leven andere opvattingen zal ontwikkelen over de band die hij met de man wil of kan onderhouden.\n\n3.1.19.. Verder is van belang dat relaties in het leven altijd twee betrokkenen en dus twee kanten hebben. De minderjarige kan nog honderd keer zeggen of schrijven dat de verandering van geslachtsnaam geen afwijzing is van zijn vader, maar dat dat gevoel wel bij de man ontstaat is menselijk en dat dat negatieve gevolgen gaat hebben voor hun onderlinge verhouding is zeer waarschijnlijk. Die gevolgen worden op dit moment onderschat, zo niet volledig genegeerd, door de minderjarige.\n\n3.1.20.. De rechtbank acht het daarom op dit moment en in deze fase van het leven niet in het belang van de minderjarige om de geslachtsnaam te laten wijzigen. Het belang van de minderjarige bij een goede identiteitsontwikkeling weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan de door de vrouw en\u002Fof de minderjarige genoemde belangen om de naam te dragen van degene die hem (hoofdzakelijk) opvoedt en om als familielid een naam te dragen die gelijk luidt aan die van de overige familieleden.\n\n3.1.21.. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de minderjarige als hij meerderjarig is de consequenties van geslachtsnaamwijziging beter kan overzien. De (nu nog) minderjarige kan dan zelf nog steeds een verzoek tot wijziging van zijn geslachtsnaam indienen bij de Koning.\n\n3.2.. Proceskosten\n\n3.2.1.. Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar primaire verzoek;\n\n4.2.. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n4.3.. wijst het anders of meer verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M. Wijk, griffier, op 16 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.\n\nDoor verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7323","2026-07-13T00:29:19.761Z",20]