[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-immigration-detention-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":91,"limit":92},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},45,"immigration-detention-nl","Immigration Detention","NL","2026-07-08T16:53:39.887Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2025-11-17T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,48,56,65,74,83],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:28.937Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"1668","ECLI:NL:RBDHA:2026:18542","ecli-nl-rbdha-2026-18542","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.30378\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres], eiseres\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 25 februari 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nEiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nToetsingskader\n\n1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2026 (in de zaak NL26.16491) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 1 april 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 1 april 2026 tot 17 juni 2026.\n\nVerlenging bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw\n\n3. Eiseres betoogt dat het besluit van verweerder van 29 maart 2026, waarbij de bewaring van eiseres met ten hoogste drie maanden is verlengd met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw, niet deugdelijk gemotiveerd is. De verlenging van de maatregel van bewaring van 25 februari 2026 ziet op artikel 59b, eerste lid, onder a en b en onder c, van de Vw. Uit de verlengingsbeschikking van 29 maart 2026 blijkt echter dat verweerder de verlenging uitsluitend heeft gebaseerd op de omstandigheid dat nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiseres noodzakelijk is. Dit ziet alleen op grond artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw. Verweerder motiveert niet waarom de verlenging noodzakelijk is in verband met de gronden genoemd in artikel 59b, eerste lid, onder b en c, van de Vw, terwijl deze gronden wel onderdeel uitmaken van de maatregel van bewaring.\n\n3.1.. Volgens verweerder kan de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en c, van de Vw, worden verlengd. Een maatregel van bewaring op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw is geoorloofd wanneer de bewaring noodzakelijk is met het oog op verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Daarvan kan na het afwijzen van die aanvraag op 29 maart 2026 geen sprake meer zijn. Verweerder heeft daarom ter zitting grond artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vw laten vallen.\n\n3.2.. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat de identiteit en nationaliteit van eiseres niet vaststaan, omdat zij geen documenten heeft overgelegd die haar gestelde identiteit en nationaliteit onderbouwen. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven waaruit blijkt dat de maatregel van bewaring niet kan voortduren op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a, van de Vw. De maatregel kon dus vanaf de verlenging van 29 maart 2026 in ieder geval verlengd worden op de a-grondslag. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortduren van de bewaring\n\n4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bewaringsmaatregel geen gerechtvaardigd doel meer dient omdat verweerder in redelijkheid moet inzien dat het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor afloop van de maximale duur van de bewaring, welke eindigt op 29 juni 2026, zullen worden behandeld. Zij verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 12 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16853. Verweerder spant zich niet in voor een eerdere zittingsdatum.\n\n4.1.. Verweerder heeft op de zitting gesteld dat op 12 juni 2026 een verzoek aan de rechtbank is gedaan om het verzoek om een voorlopige voorziening met spoed op zitting te plaatsen vanwege de maatregel van bewaring, maar dat daarop nog geen reactie is ontvangen. In ieder geval is de periode van drie maanden nog niet verstreken en staat niet vast dat de rechtbank voor het verstrijken van deze periode de voorlopige voorziening niet zal behandelen. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat de bewaring nog altijd rechtmatig voortduurt.\n\n4.2.. De rechtbank stelt voorop dat de bewaring zo kort mogelijk moet duren. De behandeling op zitting van het beroep en verzoek om een voorlopige voorziening stonden gepland op 2 juli 2026, maar dit gaat niet door vanwege roosterwijzigingen bij de rechtbank. Verweerder heeft, weliswaar aan de late kant, op 12 juni 2026 verzocht om een eerdere behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Deze rechtbank wil niet vooruitlopen op de beslissing op dit verzoek van een andere rechtbank. Dat betekent dat de rechtbank verweerder volgt in zijn standpunt dat het nog mogelijk is dat de voorlopige voorziening binnen de termijn met spoed zal worden behandeld. De rechtbank ziet om diezelfde reden ook onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring bijvoorbeeld had moeten worden opgeheven op het moment dat de behandeling ter zitting op 2 juli 2026 gepland werd of het moment dat deze zitting werd geannuleerd door de rechtbank. Ook toen was het namelijk nog mogelijk voor de rechtbank om – al dan niet op verzoek van verweerder – te beslissen het beroep en\u002Fof het verzoek om een voorlopige voorziening voor afloop van de bewaring te behandelen. De beroepsgrond slaagt dus niet.\n\n4.3.. De rechtbank merkt hierbij wel op dat het waarschijnlijk anders zou zijn als de rechtbank al wel had laten weten geen aanleiding te zien de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening naar voren te halen. Dan zou namelijk eenzelfde soort situatie zijn ontstaan als in de uitspraak van de zittingsplaats Groningen waarnaar eiseres verwijst, waarbij er al een afwijzing van de rechtbank lag en hetzelfde verzoek opnieuw werd gedaan. De reactie op zo’n herhaald verzoek afwachten had volgens de rechtbank geen zin omdat met de afwijzing al vast stond dat de termijn niet zou worden gehaald.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 1 april 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18542","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.529Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"1646","ECLI:NL:RBDHA:2026:18514","ecli-nl-rbdha-2026-18514","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.33106 (inreisverbod) en NL26.31742 (maatregel van bewaring)\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 7 juni 2026 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag (het bestreden besluit 2) aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit 1 (NL26.33106) en het bestreden besluit 2 (NL26.31742) beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nVoortraject\n\nTerugkeerbesluit\n\n1. Volgens eiser kon het terugkeerbesluit van 5 november 2025 niet ten grondslag worden gelegd aan het inreisverbod en\u002Fof de bewaringsmaatregel. Bij het opleggen van het terugkeerbesluit is niet onderzocht of de terugkeer van eiser naar Oezbekistan in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser nagelaten te controleren of eiser in een andere lidstaat rechtmatig verblijf zou hebben.\n\n1.1.. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eisers beroep ziet op de maatregel van bewaring en het inreisverbod van 7 juni 2026 en expliciet niet op het terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit van 7 juni 2026 staat in rechte vast, want eiser heeft hier geen beroep tegen ingesteld. De rechtbank kan de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit hier dus niet meer toetsen. Daarom moet de rechtbank ervan uitgaan dat het terugkeerbesluit aan het inreisverbod en de bewaringsmaatregel ten grondslag kon worden gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nGrondslag van de ophouding\n\n2. Eiser betoogt dat de ophouding berust op een onjuiste wettelijke grondslag. Eiser had niet op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw moeten worden opgehouden (identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld). Artikel 50, tweede lid, van de Vw was hier aangewezen (identiteit kon niet onmiddellijk worden vastgesteld). Eiser had geen geldig identiteitsbewijs op grond waarvan zijn identiteit kon worden vastgesteld. Dat eiser een verlopen rijbewijs kon aantonen maakt dit niet anders. Tijdens de ophouding is nog nader onderzoek gedaan naar de identiteit van eiser en zijn verblijfsrechtelijke positie. Verder volgt uit de maatregel van bewaring dat eiser geen\u002Fonvoldoende verifieerbare gegevens heeft verstrekt ter onderbouwing van de (gestelde) identiteit en nationaliteit.\n\n2.1.. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 7 juni 2026 volgt dat eiser aansluitend op zijn strafrechtelijke heenzending is opgehouden en vervolgens is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat verweerder de uit het strafrecht verkregen gegevens als uitgangspunt mag nemen voor de conclusie dat ten tijde van de vreemdelingrechtelijke ophouding de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134, en van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4662). Dat het rijbewijs inmiddels was verlopen, doet daar niet aan af. Verder betekent dit niet dat de identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard, maar maakt wel dat eiser op grond van het artikel 50, derde lid, van de Vw kon worden opgehouden. Dat er verdere onderzoeksactiviteiten hebben plaatsgevonden maakt niet dat de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw had moeten plaatsvinden. Voor zover eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15544, merkt de rechtbank op dat de zaken niet overeenkomend zijn.\n\nGebruik niet-beëdigde tolk Oezbeeks\n\n3. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk bij de gehoren. Dit is in strijd is met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). De belangenafweging valt in eisers voordeel uit.\n\n3.1.. Verweerder stelt onder verwijzing naar het tolkenregister dat de tolk sinds 3 augustus 2020 beëdigd is om op C1-niveau te vertalen voor Nederlands - Uyghur en dat Uyghur een taal is die nauw verwant is aan het Oezbeeks. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij de tolk verstond en is niet in zijn belangen geschaad.\n\n3.2.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiser terecht dat hij is gehoord met behulp van een niet-beëdigd tolk. Dit volgt uit de processen-verbaal van de gehoren en vindt bevestiging in het tolkenregister, en voor zover de tolk voor een nauw verwante taal beëdigd was doet dit hier in beginsel niet aan af. Ook volgt de rechtbank eisers standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik kon worden gemaakt van een beëdigde tolk Oezbeeks. Hoewel het mogelijk is om af te wijken van de hoofdregel dat uitsluitend gebruik gemaakt wordt van een beëdigde tolken of vertalers (artikel 28, eerste lid, van de Wbtv) als een registertolk vanwege de vereiste spoed niet tijdig beschikbaar is (artikel 28, derde lid, van de Wbtv), moet deze uitzondering schriftelijk en gemotiveerd worden vastgelegd (artikel 28, vierde lid, van de Wbtv). In dit geval heeft verweerder in de verschillende processen-verbaal van gehoor op uiteenlopende wijze (wel of niet) vastgelegd wat de reden was voor het gebruik van een niet-beëdigde tolk. De onduidelijkheid die hieruit is ontstaan komt in dit geval voor rekening van verweerder, ook gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van verweerder. Dit is een gebrek en de beroepsgrond slaagt dus in zoverre.\n\n3.3.. \n\nDit gebrek maakt de bewaring en het inreisverbod echter niet meteen onrechtmatig. Daarvan is pas sprake als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-beëdigde tolk. Uit het proces-verbaal gehoor volgt dat eiser heeft bevestigd dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Ook uit het gehoor zelf maakt de rechtbank niet op dat er problemen waren met de vertaling of de verstaanbaarheid van eiser of van de tolk. Het gebrek leidt daarom niet tot de onrechtmatigheid van het inreisverbod of de maatregel van bewaring.\n\nSchending informatieplicht\n\n4. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) omdat eiser niet kan lezen en schrijven. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten hem de informatie uit de informatiefolder mondeling toe te lichten toen eiser vertelde dat hij analfabeet was en kon niet volstaan met de verwijzing naar zijn advocaat hiervoor. Verweerder moest zorgen dat eiser op de hoogte was van de rechtsmiddelen die tegen de maatregel van bewaring open staan. Ook het toelichten van de maatregel via een niet-beëdigde tolk tijdens het gehoor is een schending van de informatieplicht. Verder heeft verweerder bij het afnemen van de vingerafdrukken van eiser en de inbeslagname van zijn paspoort nagelaten om hem de verplichte informatiefolders hierover uit te reiken. Volgens eiser is hiermee sprake van een opeenstapeling van gebreken in het voortraject en moet de belangenafweging in zijn voordeel uitvallen.\n\n4.1.. Uit de uitspraken van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, en 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, volgt dat verweerder de plicht heeft om een vreemdeling bij het uitreiken van een maatregel van bewaring schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, te informeren over de redenen van de bewaring, de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. Een schriftelijk stuk waarin de rechtsmiddelen en de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand zijn vermeld en waarin een overzicht is opgenomen van de juridische en feitelijke gronden van de bewaring is volgens de Afdeling voldoende.\n\n4.2.. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is met behulp van een niet-beëdigde tolk met eiser gesproken over de redenen waarom hij mogelijk in bewaring zal worden gesteld. Uit de maatregel van bewaring van 7 juni 2026 blijkt dat het afschrift van de maatregel onmiddellijk aan eiser is uitgereikt in de Oezbeekse taal en dat eiser aangaf niet te kunnen lezen en schrijven. Toen is hem uitgelegd dat zijn advocaat hem de maatregel kan uitleggen (p. 4). Ook is eiser bij het afschrift van de maatregel de informatiebrief ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ uitgereikt in het Oezbeeks (p. 5).\n\n4.3.. De rechtbank overweegt dat het schriftelijk uitreiken van het afschrift van de maatregel en de informatiebrief normaal voldoende zijn, maar dat verweerder eiser in dit geval wel mondeling had moeten wijzen op mogelijkheid van beroep en kosteloze rechtsbijstand. Omdat verweerder niet heeft betwist dat eiser analfabeet is, gaat de rechtbank ervan uit dat hij het Oezbeeks alleen mondeling verstaat. Eiser is mondeling geïnformeerd over de redenen van de bewaring, maar het is niet gesteld of gebleken dat hem is verteld over de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eisers advocaat ook aanwezig was tijdens de gehoren, maar dit ontslaat verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet van de verplichting eiser zelf op deze punten te informeren op een manier die hij begrijpt. Dit is een gebrek en de beroepsgrond slaagt in zoverre. Eiser heeft verder zonder onderbouwing gesteld dat verweerder verplicht is informatiefolders te overhandigen bij het afnemen van vingerafdrukken of inbeslagname van een paspoort, en dit dus ten onrechte heeft nagelaten. Eiser heeft niet gesteld waaruit deze verplichting volgt. Zonder nadere onderbouwing slaagt deze beroepsgrond in zoverre niet.\n\n4.4.. \n\nOok in dit geval is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de gebreken niet opweegt tegen de belangen die met de vrijheidsontneming gediend zijn. Eisers gemachtigde was aanwezig bij de gehoren, heeft de bewaringsmaatregel en het inreisverbod ontvangen en heeft daartegen namens eiser tijdig beroep kunnen instellen. Hoewel de informatie niet bij de uitreiking van de maatregel mondeling is toegelicht in een voor eiser begrijpelijke taal, is eiser dus ook zonder deze kennisgeving op de hoogte geraakt van de hem toekomende procedurele rechten en heeft hij hiervan gebruik kunnen maken. Hoewel dit het tweede gebrek is dat de rechtbank vaststelt, is hiermee naar het oordeel van de rechtbank nog geen sprake van zo’n opeenstapeling van gebreken dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig moet worden geacht.\n\nOver het inreisverbod (NL26.33106)\n\nDuur van het inreisverbod\n\n5. Eiser betoogt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar moest worden opgelegd. Eiser wil in de toekomst kunnen terugkeren naar Nederland of een ander Europees land met zijn familie en profiteren van het voor zijn gezondheid gunstige zeeklimaat. Volgens eiser was daarom een inreisverbod voor bijvoorbeeld de duur van één jaar minder bezwarend en meer passend geweest.\n\n5.1.. Voor verweerder bestond de verplichting een inreisverbod uit te vaardigen, omdat eiser Nederland onmiddellijk moest verlaten. Uit artikel 6.5a van het Vb volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn situatie sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, waardoor verweerder de duur van het inreisverbod had moeten verkorten. De enkele stelling dat een inreisverbod voor de duur van één jaar minder bezwarend is, leidt niet tot een ander onderdeel. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nOver de maatregel van bewaring van 7 juni 2026 (zaaknummer NL26.31742, bestreden besluit 2)\n\nGeen onttrekkingsrisico\n\n6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6.1.. Eiser betwist alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert hiertoe aan dat er geen risico op onttrekking is en hij beschikbaar was voor de Oezbeekse autoriteiten en verweerder. Ten aanzien van zware grond 3b betoogt eiser dat hij Nederland uit eigen beweging heeft verlaten. Hij is immers naar Spanje gegaan. Ten aanzien van zware grond 3c betoogt eiser dat hij met zijn vertrek naar Spanje heeft voldaan aan het terugkeerbesluit dat hem in november 2025 is opgelegd. Ook kan grond 3i niet worden tegengeworpen aan eiser, omdat verweerder wist dat eiser een paspoort had waarmee hij zijn identiteit kon bevestigen. Met betrekking tot de lichte gronden voert eiser aan dat hem grond 4a niet kan worden tegengeworpen dat hij geen geldig reisdocument had, omdat onduidelijk is wanneer verweerder het paspoort van eiser heeft ontvangen. Verder zou eiser wel een vaste verblijfplaats hebben bij een vriend en genoeg eigen middelen van bestaan hebben om zijn uitreis te bekostigen. Daarom kunnen ook grond 4c en 4d de maatregel niet dragen.6.2.. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting die laat zien dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft op 5 november 2025 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen, waarin hem een termijn van 28 dagen is gegeven om zelfstandig uit Nederland (en Europa) te vertrekken naar Oezbekistan. Dat eiser Nederland heeft verlaten en naar Spanje is vertrokken betekent niet dat eiser voldaan heeft aan deze verplichting. Verweerder heeft de zware grond 3b ook aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen, nu eiser geen melding gedaan heeft bij de autoriteiten van zijn illegale verblijf.\n\n6.3.. Omdat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.\n\nNon-refoulement\n\n7. Eiser betoogt dat verweerder heeft nagelaten om zorgvuldig onderzoek te doen naar of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. Eiser heeft kenbaar gemaakt dat hij vreesde voor uitzetting naar Oezbekistan in verband met zijn schulden daar. Eiser heeft ook zijn asielwens geuit tijdens het gehoor vooraf aan de inbewaringstelling, waarop verweerder heeft geantwoord dat zijn schulden geen gegronde reden is voor een asielaanvraag. Verweerder had tijdens het gehoor actiever concrete vragen moet stellen om te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn uitzetting verzet.\n\n7.1.. In de maatregel van bewaring heeft verweerder gemotiveerd dat niet gesteld of gebleken is dat uitzetting in strijd is met het beginsel van non-refoulement, omdat eiser verklaarde hiervoor niet te vrezen. Ook is opgenomen dat eiser wel asiel aanvraagt, maar dat is uitgelegd dat asiel niet is bedoeld om documenten te verkrijgen om legaal te kunnen verblijven. Nogmaals gevraagd of eiser gevaar loopt bij terugkeer heeft hij verklaard schulden te hebben. Dit geeft hem niet het recht om asiel te kunnen aanvragen of in behandeling te kunnen nemen (p. 4).\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder heeft verweerder er in de maatregel voldoende blijk van gegeven dat hij is nagegaan of het beginsel van non-refoulement zich tegens eisers verwijdering verzet. Anders dan eiser stelt, zijn hem meerdere concrete vragen gesteld om hierachter te komen. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat aan eiser is gevraagd of hij te vrezen heeft voor refoulement bij terugkeer, of Oezbekistan een veilig land is voor hem, en of hij te vrezen heeft voor zijn leven bij terugkeer. Hij heeft geantwoord dat hij teruggaat naar zijn eigen land als hij geen document kan krijgen, dat het gewoon een normaal land is en dat hij daar geen problemen heeft. Hij is naar Europa gekomen omdat hij schulden heeft. Als hij asiel aanvraagt krijgt hij een document en kan hij hier blijven, heeft eiser verklaard. Verweerder heeft vervolgens gewezen op het feit dat al eerder is aangegeven wat dat het doel van een asielaanvraag anders is en eiser in zijn situatie geen bescherming nodig heeft. Eiser heeft hiermee ingestemd. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortvarend handelen en zicht op uitzetting\n\n8. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er hebben nog geen vetrekhandelingen plaatsgevonden. Gezien het feit dat verweerder het paspoort van eiser heeft ontvangen op 8 juni 2026, had verweerder eiser in staat kunnen stellen om met zijn netwerk dat eisers paspoort bracht, een vliegticket aan te schaffen. De feitelijke uitzetting van eiser had op zeer korte termijn kunnen plaatsvinden. Gelet op de passieve houding van verweerder ontbreekt volgens eiser ook het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Oezbekistan.\n\n8.1.. Eiser bevindt zich sinds 7 juni 2026 in bewaring. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, blijkt dat de Afdeling er niet onverkort van uit gaat dat steeds binnen een vast aantal dagen een eerste handeling moet worden verricht voor de conclusie dat verweerder voldoende voortvarend heeft gewerkt aan een uitzetting of overdracht. Bij de beoordeling of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, bestaat steeds ruimte voor het meewegen van de relevante feiten en omstandigheden van het geval. Hoewel de rechtbank begrijpt dat bij eiser de indruk leeft dat zijn vlucht sneller had kunnen worden geregeld door verweerder, ziet zij in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaande aan de opheffing van de bewaring onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering uit Nederland. Ter zitting heeft verweerder gedeeld dat er ondertussen wel een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden met eiser. Tijdens dit gesprek is eiser erop gewezen dat er een vlucht geboekt zou worden. Dit betekent dat zicht op uitzetting wel aanwezig is. Dat hij zelf een vlucht had kunnen boeken, zoals hij stelt, is niet onderbouwd en ligt ook niet voor hand gelet op het onttrekkingsrisico waarop deze bewaringsmaatregel is gebaseerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichter middel\n\n9. Eiser betoogt ten slotte dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd dan de inbewaringstelling. Hiertoe voert eiser aan dat hij een te hoge bloeddruk en hartklachten heeft en stress ervaart in detentie. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast.\n\n9.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de onder overweging 6 genoemde dragende zware gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een risico op onttrekking aan het toezicht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\n11. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en\u002Fof het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008\u002F115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en\u002Fof om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n13. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18514","2026-07-13T00:29:31.366Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":55},"2016","ECLI:NL:RBDHA:2026:18470","ecli-nl-rbdha-2026-18470","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.31333\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 12 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft het vooronderzoek op 11 juni 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nToetsingskader\n\n1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18837) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 15 april 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 15 april 2026 tot 11 juni 2026.\n\nZicht op uitzetting\n\n3. Eiser betoogt dat hij twijfelt of er gerede kans is op afgifte van een laissez-passer (lp) en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 27 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1675) ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. Dat er in de periode van 1 januari 2025 tot 1 oktober 2025 206 aanvragen tot de afgifte van een lp zijn ingediend, die in 73 gevallen daadwerkelijk tot uitzetting hebben geleid, is onvoldoende voor die conclusie. Eisers lp-aanvraag loopt al sinds 3 maart 2026, zonder dat een lp is afgegeven. De kans dat er geen lp wordt afgegeven en eiser niet kan worden uitgezet is vele malen groter en die conclusie kan nu al getrokken worden, terwijl het uitgangspunt is dat de bewaring zo kort mogelijk duurt. Ook voert eiser aan dat hem niet kan worden verweten dat hij niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, omdat deze gegevens reeds bekend zijn bij verweerder vanwege zijn eerdere (rechtmatige) verblijf in Spanje.\n\n3.1.. Zoals eiser terecht stelt heeft de Afdeling onlangs nog bevestigd, in de hiervoor genoemde uitspraak van 27 maart 2026, dat er in beginsel zicht op uitzetting bestaat naar Marokko. In deze uitspraak heeft de Afdeling niet alleen vastgesteld dat in de periode tussen 1 januari 2025 en 1 oktober 2025 206 lp-aanvragen zijn ingediend en 79 uitzetting met behulp van een laissez-passer hebben plaatsgevonden, maar ook dat er 119 nationaliteitsbevestigingen zijn afgegeven en 129 lp’s zijn verstrekt (overweging 5). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling dat in het algemeen sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko. Er zijn door eiser hiertoe verder ook geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt.\n\n3.2.. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 3 maart 2026 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat er tot op heden, na ruim drie maanden, geen (positieve) reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent dan ook niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eiser. Het is nog te vroeg voor de conclusie dat dit ook niet zal gebeuren. Daar komt bij dat door eiser geen (nieuwe) concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De afgifte van een lp duurt in het algemeen ook langer als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen gehoor geeft aan de plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Eiser doet dit niet. Dat zijn gegevens bekend zijn vanwege eerder rechtmatig verblijf in Spanje, is onvoldoende. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 22 mei 2026 blijkt dat eiser nog altijd geen actie heeft ondernomen om aan (reis)documenten te komen die zijn uitzetting kunnen bespoedigen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortvarend handelen\n\n4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.\n\n4.1.. Uit de voortgangsrapportage van 4 juni 2026 volgt dat verweerder in de te toetsen periode op 23 april 2026, 15 mei 2026 en 4 juni 2026 bij de Marokkaanse autoriteiten (schriftelijk) heeft gerappelleerd over de lp-aanvraag. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 21 april 2026 en 22 mei 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee in de te toetsen periode voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Mede gelet op het gebrek aan medewerking van eiser, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in de toetsen periode frequenter of op andere wijze had moeten rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten dan hij heeft gedaan (voor zover eiser dit heeft bedoeld te betogen). Het enkele tijdsverloop is daartoe onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichter middel\n\n5. Eiser betoogt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Daartoe voert eiser aan dat het risico op onttrekking nihil is en dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden. In dat verband wijst eiser erop dat hij eerder in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) heeft verbleven en daar ook is staandegehouden, hetgeen volgens hem laat zien dat hij zich niet aan het toezicht onttrekt. Daarnaast stelt eiser dat hij niet over een andere verblijfplaats beschikt. Ook voert eiser aan het zwaar te hebben in vreemdelingenbewaring.\n\n5.1.. In de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18837) in eisers eerste bewaringsberoep, heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat het risico op onttrekking aan het toezicht aanzienlijk is afgenomen of voor het oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden, dat hij in de VBL is staandegehouden en dat hij het zwaar heeft in vreemdelingenbewaring, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 15 april 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en\u002Fof het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008\u002F115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en\u002Fof om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.\n\nGevolgen en conclusie\n\n7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18470","2026-07-13T00:29:49.982Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":30,"updatedAt":64},"1954","ECLI:NL:RBDHA:2026:17802","ecli-nl-rbdha-2026-17802","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.24658\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D. Matadien),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Juriaans).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze ophouding is begonnen op 22 maart 2026 om 12.55 uur en geëindigd op 22 maart 2026 om 15.45 uur.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nDoel van de ophouding\n\n1. Eiser stelt dat zijn ophouding geen legitiem doel diende. Tijdens het voorgaande strafrechtelijke traject heeft eiser namelijk al alle informatie over zijn verblijfsrechtelijke positie verstrekt. Het was daarom niet meer nodig om eiser na zijn strafrechtelijke heenzending op te houden om onderzoek te doen naar zijn verblijfsrechtelijke positie, zo stelt eiser.\n\n1.1.. De rechtbank overweegt dat eiser aansluitend op strafrechtelijke heenzending is overgenomen en opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld, maar niet\u002Fniet onmiddellijk kon worden vastgesteld dat hij rechtmatig verblijf had. De ophouding diende er in dit geval dus toe om onderzoek te doen naar eisers verblijfsrechtelijke positie. De rechtbank volgt niet eisers stelling dat dit onderzoek onnodig was omdat dit reeds in het strafrechtelijke traject was verricht. Nog daargelaten dat het strafrechtelijke traject er niet (primair) op is gericht om de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling vast te stellen, blijkt uit het dossier niet dat eisers verblijfsrechtelijke positie in het strafrechtelijke traject daadwerkelijk is onderzocht en vastgesteld. Bovendien geldt dat verweerder niet verplicht is om gegevens die zijn verkregen in het kader van het strafrechtelijke traject, in het vreemdelingrechtelijke vervolg als vaststaand te aanvaarden (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3719).\n\n1.2.. Gelet op het voorgaande diende de ophouding wel een legitiem doel, namelijk het onderzoeken van de verblijfsrechtelijke positie. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nOntbreken proces-verbaal van heenzending\n\n2. Eiser voert verder aan dat het proces-verbaal van heenzending in het dossier ontbreekt. Hierdoor kan volgens hem niet worden gecontroleerd of de in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) vermelde tijdstippen juist zijn.\n\n2.1.. De rechtbank overweegt dat in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek is vermeld dat eiser op 22 maart 2026 om 12.55 uur aansluitend op strafrechtelijke heenzending is overgenomen en opgehouden. Hieruit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende op te maken op welke tijdstippen de beëindiging van het strafrechtelijke traject en de aanvang van de ophouding van eiser hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen, mede omdat eiser niet heeft gesteld dat het proces-verbaal onjuist zou zijn. Bovendien geldt dat in deze procedure alleen de rechtmatigheid van het vreemdelingrechtelijke traject kan worden beoordeeld. Dat is aangevangen op 22 maart 2026 om 12.55 uur. Een eventuele onrechtmatigheid die zich voor dit tijdstip heeft voorgedaan valt onder het strafrechtelijke traject en dat kan in deze procedure niet worden beoordeeld.\n\n2.2.. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat in het dossier stukken ontbreken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van onderhavige zaak. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLatere ondertekening M105-A\n\n3. Eiser stelt voorts dat het proces-verbaal van ophouding (M105-A) eerst op 16 april 2026 is opgemaakt en ondertekend. Dat is volgens eiser te laat en dat maakt de ophouding volgens hem onrechtmatig.\n\n3.1.. De rechtbank is van oordeel dat het later opmaken en ondertekenen van de M105-A, hoewel niet zonder meer gewenst, niet leidt tot een onrechtmatige ophouding. Uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat een bewaringsmaatregel pas rechtsgeldig tot stand komt als deze is gedagtekend, ondertekend, met redenen is omkleed en onmiddellijk wordt uitgereikt, maar een dergelijke bepaling ontbreekt voor een proces-verbaal van ophouding. Daarnaast geeft de M105-A een duidelijke feitelijke weergave van de gang van zaken (onder meer op welk tijdstip en waar eiser is opgehouden). Eiser heeft de inhoud van dit proces-verbaal verder ook niet betwist.\n\n3.2.. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de ophouding onrechtmatig is enkel vanwege de latere opmaking en ondertekening van het proces-verbaal daarvan. De beroepsgrond slaagt dus niet.\n\nConclusie\n\n4. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17802","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:47.150Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":30,"updatedAt":73},"1948","ECLI:NL:RBDHA:2026:17674","ecli-nl-rbdha-2026-17674","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.25034\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. A. Dogan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Juriaans).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.A.J. Smit. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nLichter middel\n\n1. Eiser voert aan dat er een lichter middel had moeten worden toegepast. Hij stelt hiertoe dat zijn bewaring, die op grond van een andere grondslag inmiddels al lange tijd duurt, hem zwaar valt, omdat hij daardoor geen contact kan hebben met zijn partner en kinderen in België.\n\n1.1.. Gelet op de niet bestreden zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e en 3i en lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4d, die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser niet heeft voldaan aan zijn (uit het besluit van 5 augustus 2019 voortvloeiende) verplichting om Nederland en de EU te verlaten, bij herhaling (namelijk op 6 augustus 2019, 13 juni 2023 en 25 juni 2025) met onbekende bestemming is vertrokken, geen aantoonbare inspanningen heeft verricht om aan identificerende documenten te komen en meerdere aliassen heeft opgegeven, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.\n\n1.2.. De stelling van eiser die erop neerkomt dat zijn bewaring vanwege het gezinsleven dat hij met zijn partner en kinderen in België heeft onevenredig bezwarend is, volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten dat de gestelde relatie met zijn partner en kinderen niet is onderbouwd (ook niet in beroep), heeft eiser niet toegelicht en geconcretiseerd, laat staan onderbouwd, op welke wijze hij invulling geeft aan zijn gestelde gezinsleven, en op welke wijze de inbewaringstelling hem belemmert in het uitoefenen van dit (gestelde) gezinsleven. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:224.\n\n1.3.. De beroepsgrond dat een lichter middel moest worden toegepast, slaagt gezien het voorgaande niet.\n\nZicht op uitzetting\n\n2. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Libië of Algerije binnen een redelijke termijn ontbreekt. Daartoe stelt eiser dat hij al langer dan vijf maanden in vreemdelingenbewaring zit en dat de Libische en Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvragen van verweerder om een laissez-passer (lp).\n\n2.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722).\n\nDe rechtbank overweegt verder dat in zijn algemeenheid ook zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3070) en 1 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4156).\n\n2.2.. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië of Algerije in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 17 februari 2026 voor eiser ingediende lp-aanvragen zijn nog in behandeling bij de Libische en Algerijnse autoriteiten. Dat er tot op heden, na drie maanden, geen positieve reacties op de lp-aanvragen zijn ontvangen, betekent, gelet op wat er onder 2.1. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op 13 mei 2026 voor eiser een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten stond gepland. Verder geldt dat met een lp-traject bij zowel de Libische als de Algerijnse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid gaat, zeker indien een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document betreffende zijn identiteit en nationaliteit overlegt en al langere tijd weg is uit zijn land van herkomst. Voorts wijst de rechtbank er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende doet. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 7 mei 2026 dat eiser tot op heden geen inspanningen heeft verricht om identificerende documenten te regelen en dat hij heeft verklaard niet te weten of hij zal meewerken aan zijn presentatie bij de Algerijnse consul op 13 mei 2026. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat beide lp-trajecten, ook als hij wel zou meewerken, op niets zullen uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt, slaagt dan ook niet.\n\nSlotsom beroepsgronden\n\n3. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast dient de rechtbank, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), ambtshalve te toetsen of het beginsel van non-refoulement en\u002Fof het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a en b, van de Terugkeerrichtlijn zich verzetten tegen verwijdering. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Voor wat betreft het gestelde gezinsleven van eiser overweegt de rechtbank dat hierover, in overweging 1.2, al is overwogen dat eiser dit niet heeft onderbouwd.\n\nConclusie\n\n5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17674","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.857Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":30,"updatedAt":82},"321","ECLI:NL:RBDHA:2026:11465","ecli-nl-rbdha-2026-11465","2026-04-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.18970\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], V-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Aly).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 1 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft op 8 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen, in onderling verband en samenhang bezien, de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.\n\nGrondslag van de ophouding\n\n4. Eiser voert aan dat de ophouding van eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling berustte op de verkeerde grondslag. Volgens eiser was artikel 50a Vw de onjuiste grondslag voor ophouding, omdat eiser niet langer rechtmatig verblijf had, zodat het voormelde artikel niet van toepassing kon zijn voor de ophouding. Voorts betoogt eiser dat zijn rechtmatig verblijf ophield toen hij 25 februari 2026 met onbekende bestemming (MOB) vertrok bij het COA en dat het rechtmatig verblijf niet herleefde toen hij zich weer meldde bij het COA. Daarnaast stelt eiser dat alleen een zogeheten ‘TBBA-melding’ voor hem is aangemaakt en dat die enkele melding geen grond kan zijn voor het verlengen van het overdrachtstermijn in het kader van de Dublinprocedure, zoals verweerder bij brief van 26 februari 2026 wel heeft gedaan.\n\n5. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat er een TBBA-melding is opgemaakt van eiser. In tegenstelling tot hetgeen is aangevoerd door eiser, is de juiste grondslag voor de ophouding gehanteerd door verweerder. Bij de TBBA-melding heeft eiser immers rechtmatig verblijf behouden als Dublinclaimant, dat hij zou zijn verloren in het geval eiser was vertrokken met onbekende bestemming. De rechtbank stelt vast dat, zoals eiser in zijn beroepsgronden zelf aangeeft, voor hem geen MOB-melding is aangemaakt. Gelet op het voorgaande was artikel 50a, eerste lid, van de Vw dan ook de juiste grondslag voor de staandehouding. Eiser is nog altijd Dublinclaimant en valt onder de personen die rechtmatig verblijf hebben, zoals vastgelegd in artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar een eerdere uitspraak op 17 april 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2025:6548. Voor wat betreft hetgeen eiser heeft aangevoerd omtrent de verlengde overdrachtstermijn in het kader van de Dublinprocedure, merkt de rechtbank op dat het al dan niet onterecht verlengen van het overdrachtstermijn buiten de kaders van het onderhavige beroep valt. In dat verband overweegt de rechtbank (ten overvloede) dat van de verlengde overdrachtstermijn hoe dan ook geen gebruik is gemaakt, nu eiser op 8 april 2026 al is overgedragen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nInformatieplicht ex artikel 5.3 Vb\n\n6. Eiser voert aan dat de informatieplicht uit artikel 5.3 Vb is geschonden, omdat eiser stelt dat hij niet de informatiebrief bij de maatregel van bewaring heeft ontvangen. Tevens bevindt de informatiebrief zich niet in het dossier, waardoor de gemachtigde van eiser niet in staat is om de inhoud van de informatiebrief te controleren, aldus eiser. Verweerder verklaart dat zij uit mag gaan van de inhoud van het M109-A formulier, de maatregel van bewaring, waarin staat dat de informatiebrief wel is overhandigd aan eiser. Bij uitreiking van de maatregel is deze ook besproken in het Arabisch met eiser met behulp van de op dat moment aanwezige tolk, omdat eiser niet in staat is te lezen of te schrijven.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. Er mag worden uitgegaan van de juistheid van de informatie in het formulier M109-A, de maatregel van bewaring. Zoals verweerder aangeeft, is in de maatregel van bewaring te lezen dat de informatiebrief in de Arabische taal is uitgereikt aan eiser. Verder constateert de rechtbank dat in de maatregel staat dat de informatiebrief is toegelicht aan eiser met behulp van een tolk toen de informatiebrief werd uitgereikt aan eiser. De reden die hiervoor is geweest dat eiser, blijkens zijn verklaringen tijdens het gehoor, niet in staat is om te lezen en te schrijven. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom enkel van belang dat hij feitelijk een informatiebrief heeft meegekregen waaruit blijkt wat de gronden zijn voor zijn inbewaringstelling, dat er openstaande rechtsmiddelen zijn waarvan de vreemdeling gebruik van kan maken en dat de vreemdeling het recht op rechtsbijstand heeft. Aangezien de informatiebrief ‘Waarom bent u in bewaring gesteld?’ deze elementen bevat, valt naar het oordeel van de rechtbank hierin geen gebrek te herkennen. Bovendien is de inhoud van de maatregel door een tolk mondeling toegelicht bij de overhandiging van de informatiebrief, waardoor eiser op de hoogte is gesteld van de inhoud van informatiebrief op de enige manier waarop dat in zijn geval mogelijk is. Dat de informatiebrief niet is geüpload in het dossier, vormt ook geen reden om een gebrek aan te nemen. In het licht van hetgeen hiervoor overwogen, concludeert de rechtbank dat verweerder heeft voldaan aan de informatieplicht zoals bedoeld in artikel 5.3, van het Vb. Het beroept slaagt niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n8. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11465","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.298Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":87,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":30,"updatedAt":90},"551","ECLI:NL:RBDHA:2025:21783","ecli-nl-rbdha-2025-21783","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.53331\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 30 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P. Celikkal, als waarnemer van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nBewaringsgronden\n\n1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vw; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n1.1.. Eiser betwist alle zware en lichte gronden.1.2.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij (onder andere) de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Voor zware grond 3h geldt dat verweerder, in aanvulling op de feitelijke toelichting, nader moet toelichten waarom op basis van die grond moet worden aangenomen dat een risico op onttrekking bestaat.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiser heeft sinds het besluit van 17 december 2015, waarbij (onder meer) aan hem een terugkeerbesluit en een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd, geen rechtmatig verblijf meer en eiser heeft zijn illegaal verblijf sindsdien niet (steeds) gemeld bij de korpschef. Hiermee heeft eiser zich (meermalen) enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft namelijk bij besluit van 17 december 2015 een terugkeerbesluit (zonder vertrektermijn) gekregen en heeft niet uit eigen beweging gevolg gegeven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3h zich feitelijk voordoet, aangezien aan eiser bij besluit van 17 december 2015 ook een zwaar inreisverbod is opgelegd. Ook heeft verweerder deugdelijk toegelicht dat op basis van die zware grond moet worden aangenomen dat er een risico op onttrekking bestaat. Verweerder leidt immers terecht een onttrekkingsrisico af uit de omstandigheid dat eiser al jarenlang een illegaal verblijf in Nederland onder de vigeur van een zwaar inreisverbod en daarmee het plegen van een misdrijf (artikel 197 Wetboek van Strafrecht) verkiest boven het terugkeren naar Marokko.\n\n1.4.. \n\nVerweerder heeft dus in ieder geval de zware gronden 3b, 3c en 3h aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze zware gronden zijn tezamen reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De betwiste lichte gronden behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichter middel\n\n2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht.2.1.. \n\nGelet op de onder 1.4. genoemde dragende zware gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser zich (meermalen) aan het toezicht heeft onttrokken door zich niet (steeds) te melden bij de autoriteiten, niet heeft voldaan aan de uit het besluit van 17 december 2015 voortvloeiende verplichting om Nederland te verlaten en al jarenlang een (strafbaar) verblijf onder de vigeur van een zwaar inreisverbod in Nederland verkiest boven een terugkeer naar Marokko, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is om zich aan een meldplicht te houden is in het licht van voormelde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder toch een lichter middel had moeten toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nZicht op uitzetting\n\n3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko ontbreekt. Eiser heeft vaker in bewaring gezeten, maar een laissez-passer (lp) is nooit afgegeven. Er doen zich volgens eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden voor die aanleiding geven om aan te nemen dat een lp deze keer wel zal worden afgegeven.\n\n3.1.. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269), 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033) en 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).3.2.. Over het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt het volgende. Verweerder heeft op 14 april 2023 ten behoeve van eiser een lp-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Op 12 september 2023 hebben de Marokkaanse autoriteiten eisers nationaliteit en identiteit bevestigd. Er is toen ook een lp-toezegging gedaan door de Marokkaanse autoriteiten. Op 4 en 28 juni 2024 heeft de Marokkaanse consul contact opgenomen met verweerder en verzocht om nadere informatie over eiser (onder andere over de reden van intrekking van eisers Nederlandse nationaliteit en de reden van zijn detentie). Eiser heeft geweigerd de toestemmingsverklaring voor het delen van deze informatie met de Marokkaanse autoriteiten te ondertekenen. In de zomer van 2024 heeft eiser een telefoongesprek met de consul gevoerd. De informatie die eiser tijdens dat telefoongesprek heeft gegeven is doorgestuurd naar Rabat voor onderzoek. De vragen van de Marokkaanse autoriteiten over zijn detentie\u002Fstrafrechtelijke verleden zijn in dat telefoongesprek niet aan de orde gekomen\u002Fniet beantwoord. Tijdens het vertrekgesprek op 11 maart 2025 heeft de regievoerder aan eiser uitgelegd dat er een lp-toezegging ligt en dat, na het ondertekenen van de toestemmingsverklaring voor het delen van de gevraagde informatie, de Marokkaanse autoriteiten een lp voor hem zullen afgeven. Eiser heeft daarop laten weten dat hij nog steeds weigert het formulier te ondertekenen, omdat de Marokkaanse autoriteiten niet hoeven te weten wat hij in Nederland op zijn naam heeft staan. Tijdens het vertrekgesprek op 4 november 2025 heeft eiser volhard in zijn weigering om toestemming te geven voor het delen van informatie aan de Marokkaanse autoriteiten, omdat hij daar met een schone lei wil beginnen.\n\n3.3.. Uit het voorgaande volgt dat de lp-aanvraag nog in behandeling is bij de Marokkaanse autoriteiten, dat de Marokkaanse autoriteiten een lp-toezegging hebben gedaan en daarmee in beginsel bereidheid hebben getoond om aan eiser een lp te vertrekken ten behoeve van terugkeer naar Marokko, maar dat zij nog wel nadere informatie over\u002Fvan eiser willen ontvangen. De rechtbank wijst erop dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn terugkeer en lp-traject. Dit doet eiser niet (voldoende), nu hij tot op heden weigert toestemming te geven voor het delen van de gevraagde informatie met de Marokkaanse autoriteiten. De gevolgen hiervan, te weten: dat het lp-traject langer duurt, komen voor eisers rekening en risico.\n\n3.4.. Nu de Marokkaanse autoriteiten zich in beginsel bereid hebben getoond een lp af te geven, maar eiser de benodigde medewerking weigert, en nu eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk heeft gemaakt die erop wijzen dat de Marokkaanse autoriteiten ook bij zijn medewerking geen lp voor hem zullen afgeven, is de rechtbank, mede gelet op overweging 3.1, van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko in eisers geval niet ontbreekt. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat verweerder ter zitting heeft toegelicht – en zulks blijkt ook uit de M120 – dat de zaak van eiser binnenkort zal worden opgeschaald om het lp-traject te versnellen.\n\n3.5.. \n\nGelet op het vorenstaande slaagt de beroepsgrond dat er voor eiser geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko bestaat, niet.\n\nSlotsom beroepsgronden\n\n4. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en\u002Fof het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008\u002F115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en\u002Fof om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering.\n\nConclusie\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. B.C.M. Burger, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21783","2025-11-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.294Z",1,20]