[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-immigration-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":49,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-05-22T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[],[22,33,41],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1646","ECLI:NL:RBDHA:2026:18514","ecli-nl-rbdha-2026-18514","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL26.33106 (inreisverbod) en NL26.31742 (maatregel van bewaring)\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 7 juni 2026 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag (het bestreden besluit 2) aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit 1 (NL26.33106) en het bestreden besluit 2 (NL26.31742) beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nVoortraject\n\nTerugkeerbesluit\n\n1. Volgens eiser kon het terugkeerbesluit van 5 november 2025 niet ten grondslag worden gelegd aan het inreisverbod en\u002Fof de bewaringsmaatregel. Bij het opleggen van het terugkeerbesluit is niet onderzocht of de terugkeer van eiser naar Oezbekistan in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser nagelaten te controleren of eiser in een andere lidstaat rechtmatig verblijf zou hebben.\n\n1.1.. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eisers beroep ziet op de maatregel van bewaring en het inreisverbod van 7 juni 2026 en expliciet niet op het terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit van 7 juni 2026 staat in rechte vast, want eiser heeft hier geen beroep tegen ingesteld. De rechtbank kan de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit hier dus niet meer toetsen. Daarom moet de rechtbank ervan uitgaan dat het terugkeerbesluit aan het inreisverbod en de bewaringsmaatregel ten grondslag kon worden gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nGrondslag van de ophouding\n\n2. Eiser betoogt dat de ophouding berust op een onjuiste wettelijke grondslag. Eiser had niet op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw moeten worden opgehouden (identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld). Artikel 50, tweede lid, van de Vw was hier aangewezen (identiteit kon niet onmiddellijk worden vastgesteld). Eiser had geen geldig identiteitsbewijs op grond waarvan zijn identiteit kon worden vastgesteld. Dat eiser een verlopen rijbewijs kon aantonen maakt dit niet anders. Tijdens de ophouding is nog nader onderzoek gedaan naar de identiteit van eiser en zijn verblijfsrechtelijke positie. Verder volgt uit de maatregel van bewaring dat eiser geen\u002Fonvoldoende verifieerbare gegevens heeft verstrekt ter onderbouwing van de (gestelde) identiteit en nationaliteit.\n\n2.1.. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 7 juni 2026 volgt dat eiser aansluitend op zijn strafrechtelijke heenzending is opgehouden en vervolgens is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat verweerder de uit het strafrecht verkregen gegevens als uitgangspunt mag nemen voor de conclusie dat ten tijde van de vreemdelingrechtelijke ophouding de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134, en van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4662). Dat het rijbewijs inmiddels was verlopen, doet daar niet aan af. Verder betekent dit niet dat de identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard, maar maakt wel dat eiser op grond van het artikel 50, derde lid, van de Vw kon worden opgehouden. Dat er verdere onderzoeksactiviteiten hebben plaatsgevonden maakt niet dat de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw had moeten plaatsvinden. Voor zover eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15544, merkt de rechtbank op dat de zaken niet overeenkomend zijn.\n\nGebruik niet-beëdigde tolk Oezbeeks\n\n3. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk bij de gehoren. Dit is in strijd is met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv). De belangenafweging valt in eisers voordeel uit.\n\n3.1.. Verweerder stelt onder verwijzing naar het tolkenregister dat de tolk sinds 3 augustus 2020 beëdigd is om op C1-niveau te vertalen voor Nederlands - Uyghur en dat Uyghur een taal is die nauw verwant is aan het Oezbeeks. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij de tolk verstond en is niet in zijn belangen geschaad.\n\n3.2.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiser terecht dat hij is gehoord met behulp van een niet-beëdigd tolk. Dit volgt uit de processen-verbaal van de gehoren en vindt bevestiging in het tolkenregister, en voor zover de tolk voor een nauw verwante taal beëdigd was doet dit hier in beginsel niet aan af. Ook volgt de rechtbank eisers standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik kon worden gemaakt van een beëdigde tolk Oezbeeks. Hoewel het mogelijk is om af te wijken van de hoofdregel dat uitsluitend gebruik gemaakt wordt van een beëdigde tolken of vertalers (artikel 28, eerste lid, van de Wbtv) als een registertolk vanwege de vereiste spoed niet tijdig beschikbaar is (artikel 28, derde lid, van de Wbtv), moet deze uitzondering schriftelijk en gemotiveerd worden vastgelegd (artikel 28, vierde lid, van de Wbtv). In dit geval heeft verweerder in de verschillende processen-verbaal van gehoor op uiteenlopende wijze (wel of niet) vastgelegd wat de reden was voor het gebruik van een niet-beëdigde tolk. De onduidelijkheid die hieruit is ontstaan komt in dit geval voor rekening van verweerder, ook gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van verweerder. Dit is een gebrek en de beroepsgrond slaagt dus in zoverre.\n\n3.3.. \n\nDit gebrek maakt de bewaring en het inreisverbod echter niet meteen onrechtmatig. Daarvan is pas sprake als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het gebruik van een niet-beëdigde tolk. Uit het proces-verbaal gehoor volgt dat eiser heeft bevestigd dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Ook uit het gehoor zelf maakt de rechtbank niet op dat er problemen waren met de vertaling of de verstaanbaarheid van eiser of van de tolk. Het gebrek leidt daarom niet tot de onrechtmatigheid van het inreisverbod of de maatregel van bewaring.\n\nSchending informatieplicht\n\n4. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) omdat eiser niet kan lezen en schrijven. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten hem de informatie uit de informatiefolder mondeling toe te lichten toen eiser vertelde dat hij analfabeet was en kon niet volstaan met de verwijzing naar zijn advocaat hiervoor. Verweerder moest zorgen dat eiser op de hoogte was van de rechtsmiddelen die tegen de maatregel van bewaring open staan. Ook het toelichten van de maatregel via een niet-beëdigde tolk tijdens het gehoor is een schending van de informatieplicht. Verder heeft verweerder bij het afnemen van de vingerafdrukken van eiser en de inbeslagname van zijn paspoort nagelaten om hem de verplichte informatiefolders hierover uit te reiken. Volgens eiser is hiermee sprake van een opeenstapeling van gebreken in het voortraject en moet de belangenafweging in zijn voordeel uitvallen.\n\n4.1.. Uit de uitspraken van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, en 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, volgt dat verweerder de plicht heeft om een vreemdeling bij het uitreiken van een maatregel van bewaring schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij die verstaat, te informeren over de redenen van de bewaring, de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. Een schriftelijk stuk waarin de rechtsmiddelen en de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand zijn vermeld en waarin een overzicht is opgenomen van de juridische en feitelijke gronden van de bewaring is volgens de Afdeling voldoende.\n\n4.2.. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is met behulp van een niet-beëdigde tolk met eiser gesproken over de redenen waarom hij mogelijk in bewaring zal worden gesteld. Uit de maatregel van bewaring van 7 juni 2026 blijkt dat het afschrift van de maatregel onmiddellijk aan eiser is uitgereikt in de Oezbeekse taal en dat eiser aangaf niet te kunnen lezen en schrijven. Toen is hem uitgelegd dat zijn advocaat hem de maatregel kan uitleggen (p. 4). Ook is eiser bij het afschrift van de maatregel de informatiebrief ‘Waarom u in bewaring bent gesteld’ uitgereikt in het Oezbeeks (p. 5).\n\n4.3.. De rechtbank overweegt dat het schriftelijk uitreiken van het afschrift van de maatregel en de informatiebrief normaal voldoende zijn, maar dat verweerder eiser in dit geval wel mondeling had moeten wijzen op mogelijkheid van beroep en kosteloze rechtsbijstand. Omdat verweerder niet heeft betwist dat eiser analfabeet is, gaat de rechtbank ervan uit dat hij het Oezbeeks alleen mondeling verstaat. Eiser is mondeling geïnformeerd over de redenen van de bewaring, maar het is niet gesteld of gebleken dat hem is verteld over de rechtsmiddelen die tegen de bewaring openstaan en over de mogelijkheid van gratis rechtsbijstand. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eisers advocaat ook aanwezig was tijdens de gehoren, maar dit ontslaat verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet van de verplichting eiser zelf op deze punten te informeren op een manier die hij begrijpt. Dit is een gebrek en de beroepsgrond slaagt in zoverre. Eiser heeft verder zonder onderbouwing gesteld dat verweerder verplicht is informatiefolders te overhandigen bij het afnemen van vingerafdrukken of inbeslagname van een paspoort, en dit dus ten onrechte heeft nagelaten. Eiser heeft niet gesteld waaruit deze verplichting volgt. Zonder nadere onderbouwing slaagt deze beroepsgrond in zoverre niet.\n\n4.4.. \n\nOok in dit geval is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de gebreken niet opweegt tegen de belangen die met de vrijheidsontneming gediend zijn. Eisers gemachtigde was aanwezig bij de gehoren, heeft de bewaringsmaatregel en het inreisverbod ontvangen en heeft daartegen namens eiser tijdig beroep kunnen instellen. Hoewel de informatie niet bij de uitreiking van de maatregel mondeling is toegelicht in een voor eiser begrijpelijke taal, is eiser dus ook zonder deze kennisgeving op de hoogte geraakt van de hem toekomende procedurele rechten en heeft hij hiervan gebruik kunnen maken. Hoewel dit het tweede gebrek is dat de rechtbank vaststelt, is hiermee naar het oordeel van de rechtbank nog geen sprake van zo’n opeenstapeling van gebreken dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig moet worden geacht.\n\nOver het inreisverbod (NL26.33106)\n\nDuur van het inreisverbod\n\n5. Eiser betoogt dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar moest worden opgelegd. Eiser wil in de toekomst kunnen terugkeren naar Nederland of een ander Europees land met zijn familie en profiteren van het voor zijn gezondheid gunstige zeeklimaat. Volgens eiser was daarom een inreisverbod voor bijvoorbeeld de duur van één jaar minder bezwarend en meer passend geweest.\n\n5.1.. Voor verweerder bestond de verplichting een inreisverbod uit te vaardigen, omdat eiser Nederland onmiddellijk moest verlaten. Uit artikel 6.5a van het Vb volgt als uitgangspunt dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. De duur van het inreisverbod wordt verkort, of achterwege gelaten, als de vreemdeling bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in zijn situatie sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, waardoor verweerder de duur van het inreisverbod had moeten verkorten. De enkele stelling dat een inreisverbod voor de duur van één jaar minder bezwarend is, leidt niet tot een ander onderdeel. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nOver de maatregel van bewaring van 7 juni 2026 (zaaknummer NL26.31742, bestreden besluit 2)\n\nGeen onttrekkingsrisico\n\n6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:\n\n3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\n3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;\n\nen als lichte gronden vermeld dat eiser:\n\n4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;\n\n4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\n4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6.1.. Eiser betwist alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert hiertoe aan dat er geen risico op onttrekking is en hij beschikbaar was voor de Oezbeekse autoriteiten en verweerder. Ten aanzien van zware grond 3b betoogt eiser dat hij Nederland uit eigen beweging heeft verlaten. Hij is immers naar Spanje gegaan. Ten aanzien van zware grond 3c betoogt eiser dat hij met zijn vertrek naar Spanje heeft voldaan aan het terugkeerbesluit dat hem in november 2025 is opgelegd. Ook kan grond 3i niet worden tegengeworpen aan eiser, omdat verweerder wist dat eiser een paspoort had waarmee hij zijn identiteit kon bevestigen. Met betrekking tot de lichte gronden voert eiser aan dat hem grond 4a niet kan worden tegengeworpen dat hij geen geldig reisdocument had, omdat onduidelijk is wanneer verweerder het paspoort van eiser heeft ontvangen. Verder zou eiser wel een vaste verblijfplaats hebben bij een vriend en genoeg eigen middelen van bestaan hebben om zijn uitreis te bekostigen. Daarom kunnen ook grond 4c en 4d de maatregel niet dragen.6.2.. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting die laat zien dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft op 5 november 2025 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen, waarin hem een termijn van 28 dagen is gegeven om zelfstandig uit Nederland (en Europa) te vertrekken naar Oezbekistan. Dat eiser Nederland heeft verlaten en naar Spanje is vertrokken betekent niet dat eiser voldaan heeft aan deze verplichting. Verweerder heeft de zware grond 3b ook aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen, nu eiser geen melding gedaan heeft bij de autoriteiten van zijn illegale verblijf.\n\n6.3.. Omdat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.\n\nNon-refoulement\n\n7. Eiser betoogt dat verweerder heeft nagelaten om zorgvuldig onderzoek te doen naar of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. Eiser heeft kenbaar gemaakt dat hij vreesde voor uitzetting naar Oezbekistan in verband met zijn schulden daar. Eiser heeft ook zijn asielwens geuit tijdens het gehoor vooraf aan de inbewaringstelling, waarop verweerder heeft geantwoord dat zijn schulden geen gegronde reden is voor een asielaanvraag. Verweerder had tijdens het gehoor actiever concrete vragen moet stellen om te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen zijn uitzetting verzet.\n\n7.1.. In de maatregel van bewaring heeft verweerder gemotiveerd dat niet gesteld of gebleken is dat uitzetting in strijd is met het beginsel van non-refoulement, omdat eiser verklaarde hiervoor niet te vrezen. Ook is opgenomen dat eiser wel asiel aanvraagt, maar dat is uitgelegd dat asiel niet is bedoeld om documenten te verkrijgen om legaal te kunnen verblijven. Nogmaals gevraagd of eiser gevaar loopt bij terugkeer heeft hij verklaard schulden te hebben. Dit geeft hem niet het recht om asiel te kunnen aanvragen of in behandeling te kunnen nemen (p. 4).\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder heeft verweerder er in de maatregel voldoende blijk van gegeven dat hij is nagegaan of het beginsel van non-refoulement zich tegens eisers verwijdering verzet. Anders dan eiser stelt, zijn hem meerdere concrete vragen gesteld om hierachter te komen. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat aan eiser is gevraagd of hij te vrezen heeft voor refoulement bij terugkeer, of Oezbekistan een veilig land is voor hem, en of hij te vrezen heeft voor zijn leven bij terugkeer. Hij heeft geantwoord dat hij teruggaat naar zijn eigen land als hij geen document kan krijgen, dat het gewoon een normaal land is en dat hij daar geen problemen heeft. Hij is naar Europa gekomen omdat hij schulden heeft. Als hij asiel aanvraagt krijgt hij een document en kan hij hier blijven, heeft eiser verklaard. Verweerder heeft vervolgens gewezen op het feit dat al eerder is aangegeven wat dat het doel van een asielaanvraag anders is en eiser in zijn situatie geen bescherming nodig heeft. Eiser heeft hiermee ingestemd. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortvarend handelen en zicht op uitzetting\n\n8. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Er hebben nog geen vetrekhandelingen plaatsgevonden. Gezien het feit dat verweerder het paspoort van eiser heeft ontvangen op 8 juni 2026, had verweerder eiser in staat kunnen stellen om met zijn netwerk dat eisers paspoort bracht, een vliegticket aan te schaffen. De feitelijke uitzetting van eiser had op zeer korte termijn kunnen plaatsvinden. Gelet op de passieve houding van verweerder ontbreekt volgens eiser ook het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Oezbekistan.\n\n8.1.. Eiser bevindt zich sinds 7 juni 2026 in bewaring. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, blijkt dat de Afdeling er niet onverkort van uit gaat dat steeds binnen een vast aantal dagen een eerste handeling moet worden verricht voor de conclusie dat verweerder voldoende voortvarend heeft gewerkt aan een uitzetting of overdracht. Bij de beoordeling of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld, bestaat steeds ruimte voor het meewegen van de relevante feiten en omstandigheden van het geval. Hoewel de rechtbank begrijpt dat bij eiser de indruk leeft dat zijn vlucht sneller had kunnen worden geregeld door verweerder, ziet zij in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaande aan de opheffing van de bewaring onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering uit Nederland. Ter zitting heeft verweerder gedeeld dat er ondertussen wel een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden met eiser. Tijdens dit gesprek is eiser erop gewezen dat er een vlucht geboekt zou worden. Dit betekent dat zicht op uitzetting wel aanwezig is. Dat hij zelf een vlucht had kunnen boeken, zoals hij stelt, is niet onderbouwd en ligt ook niet voor hand gelet op het onttrekkingsrisico waarop deze bewaringsmaatregel is gebaseerd. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichter middel\n\n9. Eiser betoogt ten slotte dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd dan de inbewaringstelling. Hiertoe voert eiser aan dat hij een te hoge bloeddruk en hartklachten heeft en stress ervaart in detentie. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel is toegepast.\n\n9.1.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Gelet op de onder overweging 6 genoemde dragende zware gronden en de toelichting op die gronden bestaat er een risico op onttrekking aan het toezicht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\n11. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en\u002Fof het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008\u002F115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en\u002Fof om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n13. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18514","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:31.366Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"2016","ECLI:NL:RBDHA:2026:18470","ecli-nl-rbdha-2026-18470","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.31333\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft op 12 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nEiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\nVerweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft het vooronderzoek op 11 juni 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nToetsingskader\n\n1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18837) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 15 april 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 15 april 2026 tot 11 juni 2026.\n\nZicht op uitzetting\n\n3. Eiser betoogt dat hij twijfelt of er gerede kans is op afgifte van een laissez-passer (lp) en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 27 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1675) ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. Dat er in de periode van 1 januari 2025 tot 1 oktober 2025 206 aanvragen tot de afgifte van een lp zijn ingediend, die in 73 gevallen daadwerkelijk tot uitzetting hebben geleid, is onvoldoende voor die conclusie. Eisers lp-aanvraag loopt al sinds 3 maart 2026, zonder dat een lp is afgegeven. De kans dat er geen lp wordt afgegeven en eiser niet kan worden uitgezet is vele malen groter en die conclusie kan nu al getrokken worden, terwijl het uitgangspunt is dat de bewaring zo kort mogelijk duurt. Ook voert eiser aan dat hem niet kan worden verweten dat hij niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, omdat deze gegevens reeds bekend zijn bij verweerder vanwege zijn eerdere (rechtmatige) verblijf in Spanje.\n\n3.1.. Zoals eiser terecht stelt heeft de Afdeling onlangs nog bevestigd, in de hiervoor genoemde uitspraak van 27 maart 2026, dat er in beginsel zicht op uitzetting bestaat naar Marokko. In deze uitspraak heeft de Afdeling niet alleen vastgesteld dat in de periode tussen 1 januari 2025 en 1 oktober 2025 206 lp-aanvragen zijn ingediend en 79 uitzetting met behulp van een laissez-passer hebben plaatsgevonden, maar ook dat er 119 nationaliteitsbevestigingen zijn afgegeven en 129 lp’s zijn verstrekt (overweging 5). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling dat in het algemeen sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko. Er zijn door eiser hiertoe verder ook geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt.\n\n3.2.. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 3 maart 2026 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat er tot op heden, na ruim drie maanden, geen (positieve) reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent dan ook niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eiser. Het is nog te vroeg voor de conclusie dat dit ook niet zal gebeuren. Daar komt bij dat door eiser geen (nieuwe) concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De afgifte van een lp duurt in het algemeen ook langer als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen gehoor geeft aan de plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Eiser doet dit niet. Dat zijn gegevens bekend zijn vanwege eerder rechtmatig verblijf in Spanje, is onvoldoende. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 22 mei 2026 blijkt dat eiser nog altijd geen actie heeft ondernomen om aan (reis)documenten te komen die zijn uitzetting kunnen bespoedigen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nVoortvarend handelen\n\n4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.\n\n4.1.. Uit de voortgangsrapportage van 4 juni 2026 volgt dat verweerder in de te toetsen periode op 23 april 2026, 15 mei 2026 en 4 juni 2026 bij de Marokkaanse autoriteiten (schriftelijk) heeft gerappelleerd over de lp-aanvraag. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 21 april 2026 en 22 mei 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee in de te toetsen periode voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Mede gelet op het gebrek aan medewerking van eiser, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in de toetsen periode frequenter of op andere wijze had moeten rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten dan hij heeft gedaan (voor zover eiser dit heeft bedoeld te betogen). Het enkele tijdsverloop is daartoe onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLichter middel\n\n5. Eiser betoogt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Daartoe voert eiser aan dat het risico op onttrekking nihil is en dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden. In dat verband wijst eiser erop dat hij eerder in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) heeft verbleven en daar ook is staandegehouden, hetgeen volgens hem laat zien dat hij zich niet aan het toezicht onttrekt. Daarnaast stelt eiser dat hij niet over een andere verblijfplaats beschikt. Ook voert eiser aan het zwaar te hebben in vreemdelingenbewaring.\n\n5.1.. In de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18837) in eisers eerste bewaringsberoep, heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat het risico op onttrekking aan het toezicht aanzienlijk is afgenomen of voor het oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden, dat hij in de VBL is staandegehouden en dat hij het zwaar heeft in vreemdelingenbewaring, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 15 april 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en\u002Fof het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008\u002F115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en\u002Fof om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.\n\nGevolgen en conclusie\n\n7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18470","2026-07-13T00:29:49.982Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"1949","ECLI:NL:RBDHA:2026:17775","ecli-nl-rbdha-2026-17775","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 24\u002F5333\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen\n [naam] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J. Singh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. L.G. De Rooij).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 12 december 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nBij besluit van 22 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft op 13 november 2023 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat de aanvraag volgens verweerder niet compleet was. Bij brief van 13 november 2023 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen twee weken met bewijsmiddelen aan te vullen. Dit heeft eiser nagelaten.\n\nHet bestreden besluit\n\n2. Verweerder heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen gronden heeft ingediend. Bij brief van 26 februari 2024 heeft verweerder eiser in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 11 maart 2024 de gronden van bezwaar in te dienen. Verweerder heeft de gronden niet van eiser ontvangen.\n\nDe beroepsgronden\n\n3. Eiser voert aan dat verweerder het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van gronden. Eiser wijst op vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden poststuk niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het poststuk wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Volgens eiser heeft verweerder dit niet aannemelijk gemaakt.\n\nEiser heeft weliswaar niet alle vereiste documenten kunnen overleggen, maar dit betekent niet dat de overgelegde informatie onvoldoende was om zijn aanvraag inhoudelijk te kunnen beoordelen. Bij de aanvraag is immers bewijs overgelegd waaruit blijkt dat eiser door een Belgische arts wordt behandeld voor chronische hernia, diabetes en tbc, en daarnaast is tijdens de hoorzitting van 3 november 2023 naar voren gekomen dat hij ook lijdt aan gastritis, vette lever en dyslipidemi, alsook dat hij levenslange behandeling en medicatie nodig heeft. Eisers aanvraag had daarom moeten worden beoordeeld op basis van de door hem verstrekte informatie.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\n4.1.. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep te bevatten.\n\nOp grond van artikel 6:6 van de Awb kan het verzuim om aan dit gestelde vereiste te voldoen ertoe leiden dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.\n\n4.2.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zoals de uitspraken van 24 juli 2019 (ELCI:NL:RVS:2019:2488) en van 20 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1138), volgt dat, indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, het in beginsel aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Daarbij dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde het vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van wat hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.\n\nIn deze zaak stelt eiser de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 voor het indienen van de gronden van bezwaar niet te hebben ontvangen. De hiervoor genoemde jurisprudentie van de Afdeling heeft ook betrekking op een herstelverzuimbrief van verweerder.\n\n4.3.. \n\nTussen partijen is in geschil of verweerder de verzending van de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 aannemelijk heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het adres ( [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ) van eisers toenmalige gemachtigde, mr. P.H. van Akenborgh, op de herstelverzuimbrief van\n\n26 februari 2024 juist is vermeld. Verweerder heeft als bijlage bij het verweerschrift een printscreen van het gegevensverwerkingssysteem Indigo gevoegd. Hieruit blijkt dat de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 op 27 februari 2024 per post is verzonden via het verzendhuis. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat een dergelijke wijze van verzending, ondersteund door een verzendregistratie, voldoende is om de verzending aannemelijk te achten. De rechtbank verwijst in dit verband naar de door verweerder aangehaalde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, van 5 oktober 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:10531). In deze uitspraak heeft de rechtbank - samengevat - geoordeeld dat Indigo en het verzendhuis tezamen een deugdelijk postverzendings(registratie)systeem vormen. Dit heeft tot gevolg dat als een poststuk in Indigo de status “bericht verwerkt” heeft gekregen, onder vermelding van een datum, aangenomen kan worden dat het desbetreffende poststuk daadwerkelijk op die datum is verzonden.\n\nDeze uitspraak is op 1 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3343) door de Afdeling bevestigd.\n\nMet de bij het verweerschrift overgelegde printscreen heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de herstelverzuimbrief van 26 februari 2024 daadwerkelijk op\n\n27 februari 2024 aan de toenmalige gemachtigde van eiser is verzonden. Wat eiser hierover heeft aangevoerd, is onvoldoende om de ontvangst van de herstelverzuimbrief redelijkerwijs te betwijfelen.\n\nDit betekent dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n4.4.. Wat eiser heeft aangevoerd over de volledigheid van zijn aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw heeft betrekking op het primaire besluit van 12 december 2023 waarbij verweerder eisers aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. Nu verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van gronden, komt de rechtbank aan een inhoudelijke bespreking van dit punt niet toe.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van\n\nP. Deinum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17775","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:46.895Z",1,20]