[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-mental-health-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":48,"limit":49},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},67,"mental-health-law-nl","Mental Health Law","NL","2026-07-08T16:54:19.252Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2024-07-19T00:00:00.000Z","2026-04-07T00:00:00.000Z",[],[22,33,40],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1845","ECLI:NL:RBROT:2026:7852","ecli-nl-rbrot-2026-7852","","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10\u002F700023-20\n\nDatum uitspraak: 7 april 2026\n\nBeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:\n\n [ter beschikking gestelde](de ter beschikking gestelde),\n\ngeboren op [geboorteland] op [geboortedatum] 1985,\n\nverblijvende in [tbs kliniek] te [plaats 1] (de instelling),\n\nraadsman mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam.1. Inleiding\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 maart 2024 is de terbeschikkingstelling van [ter beschikking gestelde] gelast en is zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen.\n\nDe terbeschikkingstelling is gelast ter zake van poging tot doodslag, meermalen gepleegd. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 5 april 2024.2. Procesverloop\n\nDe rechtbank heeft op 19 februari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.\n\nDe vordering is op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 behandeld. De officier van justitie mr. E. ter Braak, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsman, en als deskundige [deskundige] , werkzaam bij de instelling, zijn gehoord.3. Adviezen\n\nAdvies instelling\n\nDe instelling adviseert in het rapport, gedateerd 26 januari 2026, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nBij de ter beschikking gestelde is sprake van een licht verstandelijke beperking, persoonlijkheidsproblematiek met antisociale kenmerken en verslavingsproblematiek.\n\nHet recidiverisico in geval van onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling wordt ingeschat als hoog en matig tot hoog bij voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.\n\nDe ter beschikking gestelde bevindt zich in de delictgerelateerde behandeling, begeleide verloven zijn opgestart en hij laat geruime periode zien goed in behandeling te zijn, voldoende openheid te geven en adequate coping in te zetten. Hij is gebaat bij duidelijkheid en een aantal steunfiguren, waar hij zich veilig bij voelt en zaken mee deelt. De risicofactoren zijn in de huidige context verminderd actueel. In de huidige situatie lijkt een verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging nog steeds vereist, echter gericht op (stapsgewijze) uitbreiding van vrijheden en resocialisatie, aansluitend bij het lage niveau van emotioneel functioneren en beperkte cognitieve capaciteiten. In het verleden, binnen de eerste tbs-behandeling, is gebleken dat hij in zijn resocialisatie in eerste instantie aan de oppervlakte stabiel blijft functioneren. Echter, onderliggend is er sprake van het mijden van zorg, het ontbreken van openheid, zich niet houden aan afspraken en drugsgebruik, uiteindelijk leidend tot een ernstig recidive en een tweede tbs-oplegging.\n\nHij heeft laten zien dat hij geen middelen gebruikt en de afgelopen periode is er geen\n\nsprake van (fysieke) agressie geweest. Wel blijven het geringe oplossend vermogen en\n\nwantrouwen naar de omgeving belangrijke factoren waar aandacht voor moet zijn gedurende het traject. Zijn valkuil is om situaties negatief in te kleuren, wat kan leiden tot\n\nmoeilijkheden in de samenwerking. Een actieve en presente benadering is hierin helpend\n\ngebleken en noodzakelijk voor het verdere verloop van de behandeling. Er zal verder aandacht worden gegeven aan het bestendigen van arbeidsvaardigheden, een zinvolle daginvulling, het omgaan met stress en spanning en het inzetten en bestendigen van adequate copingvaardigheden. De huidige context waarin hij verblijft is beschermend, maar minder noodzakelijk om terugvallen in probleemgedrag, zoals agressie en middelengebruik te voorkomen. Het behandelteam is daarom voornemens om op termijn stappen te zetten richting onbegeleid verlof en vervolgens richting uitstroom te werken. De komende periode zal de behandeling van de ter beschikking gestelde zich hierop richten.\n\nOp de terechtzitting gegeven advies\n\nDe deskundige [deskundige] , als GZ-psycholoog verbonden aan de instelling, heeft het verlengingsadvies op de zitting toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard – zakelijk weergegeven – dat voortzetting van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging nog is vereist, mede gelet op de ernst van het indexdelict, en zij niet verwacht dat over een jaar al kan worden gedacht aan voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Het is volgens haar een te grote stap om vanuit begeleid verlof toe te werken naar voorwaardelijke beëindiging. Zij acht meerdere tussenstappen nodig. De koers is dat hij onbegeleid verlof zal krijgen en vervolgens richting uitstroom zal worden gewerkt. Hij is recent overgegaan naar de uitstroomafdeling en het gaat daar goed. Op 13 april 2026 zal onbegeleid verlof worden aangevraagd. De instelling vindt het belangrijk dat daarna transmuraal verlof zal volgen en hij van daaruit naar begeleid wonen gaat. Hij wil echter geen transmuraal verlof. Een andere mogelijkheid is dat hij naar een woning op het terrein van de instelling gaat. Er is daarvoor wel een wachtlijst, maar als er vanuit de instelling urgentie wordt gevraagd, kan dat wel worden versneld. Hij zou dan vanuit begeleid wonen kunnen doorstromen naar een zelfstandige woning. Het is van belang dat deze stappen gecontroleerd worden gezet om hem goed te laten uitstromen, zeker omdat dit zijn tweede tbs-behandeling betreft en hij tijdens zijn eerste tbs-behandeling na lange tijd te zijn behandeld opnieuw de keuze heeft gemaakt om een delict te plegen. Dat is gebeurd toen hij terug was gegaan naar [plaats 2] , waar zijn oude vrienden zijn. Tijdens die tbs-behandeling is ook gebleken dat hij ‘onder water’ dingen bleef doen, zoals het in verkeerde milieus en in een verkeerde woning verblijven. Het zou kunnen zijn dat er toen een bepaalde mate van schijnaanpassing is geweest. Ook nu is hij niet altijd open. Soms is hij het ergens niet mee eens, maar zegt hij dat niet. De inschatting is dat hij ook wel beïnvloedbaar is. De inschatting is daarnaast dat als er meer ruimte in zijn leven komt, er ook meer uitdagingen komen. Het mooie van deze terbeschikkingstelling is dat hij nu wel echt ervaart dat het verstandig is om een bepaalde verbinding met iemand aan te gaan. Dat heeft hij nu gedaan met de therapeut en hij ziet in dat het verstandig is om dat ook te doen met de behandelaren in de instelling en daarnaast contact met familie op te bouwen. Hij wil in [plaats 1] blijven. Dat is belangrijk, want dan is er minder risico dat hij opnieuw de fout gaat, omdat hij daar geen oude vrienden heeft en daar wel familieleden van hem wonen.\n\nDe deskundige blijft gelet hierop bij het advies tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaren. Wel schat zij in dat over twee jaren mogelijk aan voorwaardelijke beëidinging van de dwangverpleging kan worden, als het blijft gaan zoals het nu gaat. Daarvoor is het ook wel nodig dat het contact met de reclassering tegen die tijd al wordt opgebouwd.4. Standpunt van partijen\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.\n\nStandpunt van de ter beschikking gestelde\n\nDe ter beschikking gestelde en de raadsman hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren. De raadsman heeft opgemerkt dat de ter beschikking gestelde in korte tijd al veel stappen heeft weten te zetten en het is mooi dat de instelling daaraan heeft meegewerkt en dus ook snelheid betracht. Er is door de deskundige een heel reëel tijdspad geschetst voor het vervolgtraject en het is goed om in die twee jaar in rust toe te werken naar een voorwaardelijke beëindiging.5. Beoordeling\n\nOp grond van het advies van de instelling en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat:\n\n- er nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en\u002Fof ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de ter beschikking gestelde;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar wordt verlengd.\n\nDe rechtbank ziet dat de terbeschikking gestelde zich goed inzet en hij snel stappen heeft gezet in de behandeling. Het is van belang dat hij ditmaal goed uitstroomt en niet opnieuw zal recidiveren. Daarvoor is het van belang dat de vervolgstappen gecontroleerd worden gezet. Als alles goed blijft gaan is het de verwachting dat in deze periode zal worden toegewerkt naar voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Daarvoor is wel van belang dat de ter beschikking gestelde ook de openheid zal geven die nodig is.\n\n6. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met2 (twee)jaren.\n\nDeze beslissing is genomen door:\n\nmr. W.A.F. Damen, voorzitter,\n\nen mrs. J. van de Klashorst en E. Kranendonk, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting.\n\nDe oudste rechter, de jongste rechter en griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7852","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:41.657Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1846","ECLI:NL:RBROT:2026:7853","ecli-nl-rbrot-2026-7853","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10\u002F267714-21\n\nDatum uitspraak: 7 april 2026\n\nBeslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:\n\n [ter beschikking gestelde](de ter beschikking gestelde),\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,\n\nverblijvende in [tbs kliniek 1] te [locatie] (hierna ook: de instelling),\n\nraadsvrouw mr. L. Schouten, advocaat te Amsterdam.1. Inleiding\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 29 maart 2022 is de terbeschikkingstelling van [ter beschikking gestelde] gelast en is zijn verpleging van overheidswege (dwangverpleging) bevolen.\n\nDe terbeschikkingstelling is gelast ter zake van poging tot zware mishandeling. De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 30 maart 2022.\n\nBij beslissing van deze rechtbank van 13 maart 2024 is de terbeschikkingstelling verlengd met twee jaar.2. Procesverloop\n\nDe rechtbank heeft op 19 februari 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De vereiste stukken zijn bijgevoegd dan wel toegezonden.\n\nDe vordering is op de openbare terechtzitting van 7 april 2026 behandeld. De officier van justitie mr. E. ter Braak, de ter beschikking gestelde (via videoverbinding), bijgestaan door zijn raadsvrouw, en als deskundige [deskundige] , werkzaam bij de instelling, zijn gehoord.3. Adviezen\n\nAdvies instelling\n\nDe instelling adviseert in het rapport, gedateerd 17 februari 2026, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nDe ter beschikking gestelde is op 10 november 2025 vanuit [tbs kliniek 2] overgeplaatst naar [tbs kliniek 1] voor een tweede behandelpoging. Aanleiding hiervoor was een incident op 18 september 2025 waarbij hij naar eigen zeggen een telefoon van een medepatiënt zou hebben gebruikt om kinderporno te downloaden en te bekijken. Als gevolg van dit incident was het voor hem niet meer veilig om onder medepatiënten in de instelling te verblijven, waardoor een duurzame behandeling niet meer mogelijk was.\n\nIn [tbs kliniek 2] is na psychologisch onderzoek geconcludeerd dat bij de ter beschikking gestelde sprake is van een autismespectrumstoornis, een anders gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, een stoornis in cannabisgebruik (matig tot ernstig) en een stoornis in alcoholgebruik (matig en in remissie in een gereguleerde omgeving). De in het verleden gestelde diagnose ADHD is verworpen, omdat het hyperactieve en impulsieve gedrag van de ter beschikking gestelde tevens kan worden verklaard vanuit de gestelde stoornissen en het psychologisch onderzoek onvoldoende aanwijzingen opleverde voor deze diagnose.\n\nIn [tbs kliniek 1] wordt na onderzoek een aanpassing van de diagnostiek overwogen. Zo worden er vragen gesteld bij de verworpen ADHD-diagnose, gezien het hyperactieve en impulsieve gedrag van de ter beschikking gestelde wat op de voorgrond staat. Verder wordt ook gezien dat sprake is van seksuele problematiek bij de ter beschikking gestelde. Hij heeft in gesprekken aangegeven last te hebben van agressieve en seksuele fantasieën. Hij worstelt met zijn seksualiteit en identiteit en heeft moeite met het aangeven van grenzen en het respecteren van andermans grenzen vanuit zijn problematiek. Gelet op hetgeen daarover is geconcludeerd in het rapport van [psychiater] , zal ook nog worden onderzocht of sprake is van een parafiele stoornis.\n\nHet recidiverisico in geval van onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling en voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is hoog. Bij volledig verval van zorg en toezicht is het risico op terugval in gewelddadig gedrag matig tot hoog. Er zijn dan weinig beschermende factoren, omdat die dan grotendeels wegvallen. Het risicomanagement verloopt voorlopig vooral extern. De ter beschikking gestelde heeft zonder toezicht en structuur beperkte zelfcontrole. Als zorg wegvalt, neemt het risico op destabilisatie toe. Er bestaat een grote kans dat hij zonder externe sturing terugvalt in disfunctionele coping (zoals middelengebruik, zich sociaal terugtrekken en agressie). Hij is bovendien sterk gevoelig voor negatieve invloeden van anderen. Naarmate spanningen toenemen, neigt hij steeds sterker naar (seksueel) agressieve fantasieën en impulsief gedrag. Er is sprake van verhoogde impulsiviteit en de copingvaardigheden zijn onvoldoende toereikend, waarmee de kans op nieuw gewelddadig delictgedrag sterk aanwezig is en ook het risico op seksueel recidive toeneemt.\n\nDe verwachting is dat het behandel- en resocialisatietraject van de ter beschikking gestelde nog enkele jaren in beslag zal nemen, ook omdat de huidige tweede behandelpoging nog in de kinderschoenen staat. Door de overplaatsing naar [tbs kliniek 1] zal de koers opnieuw moeten worden bepaald en de hierbij bijbehorende prognose. Via begeleid-, onbegeleid- en transmuraal verlof zal hij mogelijk kunnen doorstromen\n\nnaar een FPA waar hij wederom fases zal moeten doorlopen, om vervolgens te kunnen worden geplaatst op een beschermd wonen voorziening.\n\nAdvies psychiater\n\n [psychiater] adviseert in het rapport, gedateerd 20 december 2025, de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nAnders dan de instelling expliciteert de psychiater de seksuele problematiek van de ter beschikking gestelde binnen de DSM-classificatie, als een (mogelijk) met de autismespectrumstoornis samenhangende ongespecificeerde parafiele stoornis, waarbij men gaandeweg het behandeltraject wellicht tot een meer gespecificeerde classificatie zou kunnen komen.\n\nAdvies psycholoog\n\n [psycholoog] adviseert in het rapport, gedateerd 26 januari 2026, de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaren.\n\nOok de psycholoog classificeert de seksuele problematiek als een ongespecificeerde parafiele stoornis. Hij doet geen uitspraken over het risico op seksueel agressieve delicten, omdat het geen indexdelict betreft en omdat hij over onvoldoende valide informatie beschikt om het instrument voor het inschatten van dit risico te scoren.\n\nOp de terechtzitting gegeven advies\n\n [deskundige] , als verpleegkundig specialist GGZ en hoofd behandeling verbonden aan de instelling, heeft het verlengingsadvies op de zitting toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard – zakelijk weergegeven – dat de instelling de parafilie ziet vanuit de autismespectrumstoornis van de ter beschikking gestelde. In de behandeling moet meer\n\ninzicht worden verkregen in zijn seksuele problematiek en de oorzaken voor zijn gewelddadige gedrag en seksuele problematiek. Dit is ook nodig om in te kunnen schatten of het alleen blijft bij gedachten en waar het mogelijk kan leiden tot handelen. Er is gestart met medicatie om zijn seksuele gedachten te remmen. De hoop is dat dat effect heeft,dat hij dan ook vaardigheden kan gaan aanleren en dat er meer intrinsieke motivatie zal volgen. Dat wordt nu ook al bij de ter beschikking gestelde gezien. Zij is positief over hoe hij de tweede behandelpoging is gestart. Voor het indienen van de aanvraag voor begeleid verlof moest worden afgewacht wat met de aangifte met betrekking tot het incident in [tbs kliniek 2] zou worden gedaan. Nu de officier van justitie op de zitting heeft opgemerkt dat deze zaak is geseponeerd, omdat er geen kinderporno op de telefoon is aangetroffen, kan deze aanvraag worden ingediend.4. Standpunt van partijen\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.\n\nStandpunt van de ter beschikking gestelde\n\nDe ter beschikking gestelde en de raadsvrouw hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaren.5. Beoordeling\n\nOp grond van de adviezen van de instelling, de psychiater en de psycholoog en wat verder naar voren is gekomen op de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat:\n\n- er nog steeds sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en\u002Fof ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de ter beschikking gestelde;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar wordt verlengd.\n\nDe totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging gaat door de verlenging een periode van vier jaar te boven. Verlenging is niettemin mogelijk, omdat de terbeschikkingstelling is opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.6. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met2 (twee)jaren.\n\nDeze beslissing is genomen door:\n\nmr. W.A.F. Damen, voorzitter,\n\nen mrs. J. van de Klashorst en J.C. Rous, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting.\n\nDe griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nTegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7853","2026-07-13T00:29:41.698Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"1792","ECLI:NL:RBROT:2024:6870","ecli-nl-rbrot-2024-6870","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 23\u002F8374\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),\n\nen\n\nDe algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen(CBR)\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 31 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het CBR aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 6 november 2023 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld.\n\n1.2.. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.1.. Op 5 juni 2023 heeft de politie eenheid Rotterdam op grond van artikel 130 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 een mededeling rijvaardigheid en geschiktheid gedaan bij het CBR, omdat het vermoeden bestaat dat eiser niet beschikt over de rijgeschiktheid die is vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. In de mededeling heeft de politie opgenomen dat eiser in beschonken toestand de politie heeft gebeld met de mededeling dat hij het leven niet meer zag zitten en dat hij, als de politie niet direct kwam, zijn auto dwars op de A16 zou zetten. Vervolgens is eiser door de politie op de vluchtstrook van de A16 aangetroffen in beschonken toestand. Eiser verklaarde een zelfmoordmiddel te hebben ingenomen en nog maar drie minuten te leven had. Nadat eiser was nagekeken door ambulancepersoneel bleek hiervan geen sprake. Gezien de psychische toestand van eiser vormt hij volgens de politie een gevaar voor zichzelf en voor andere weggebruikers.\n\n2.2.. \n\nNaar aanleiding van de mededeling van de politie heeft het CBR het primaire besluit genomen, dat met het besteden besluit is gehandhaafd. Het CBR heeft de geldigheid van het rijbewijs van eiser geschorst en aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. De schorsing is erop gebaseerd dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat eiser geestelijk of lichamelijk niet goed functioneert of dat hij ernstige psychiatrische problemen heeft (artikelen 5 en 6, aanhef en onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling)). Het opleggen van het onderzoek is erop gebaseerd dat het CBR twijfelt aan de geestelijke geschiktheid van eiser om te rijden wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag dan wel abnormale opwindingstoestanden (artikel 23, derde lid, van de Regeling in verbinding met bijlage 1, onder B, onderdelen I en II).\n\nHet rijbewijs van eiser is inmiddels ongeldig verklaard, wegens het niet voldoen van de opleggingskosten.\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat de beslissing niet binnen de termijn van vier weken na de melding van de politie heeft plaatsgevonden. Verder voert hij aan dat niet is gebleken op welke (deskundige) wijze is vastgesteld dat sprake zou kunnen zijn van twijfel aan de geestelijke geschiktheid wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag of abnormale opwindingstoestanden. Hij stelt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om van een vermoeden uit te gaan. Eiser stelt verder dat causaal verband ontbreekt tussen zijn geestestoestand en het gevaar voor de verkeersveiligheid. Ten onrechte zijn de gebeurtenissen na de aanhouding en op het politiebureau betrokken op de verkeersveiligheid. Ook voert eiser aan dat er in dit individuele geval dringende redenen zijn op grond waarvan de Regeling buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de gevolgen voor hem onevenredig zijn. De politierechter heeft de individuele, privéomstandigheden waaronder een dreigend isolement en het verstoken blijven van medische behandeling laten prevaleren en is overgegaan tot teruggave van het rijbewijs. Er is in de strafzaak geen nadere maatregel opgelegd en ook het OM achtte de recidivekans zeer gering. Tot slot ontkent eiser het voertuig te hebben bestuurd. Hij stelt dat zijn buurman hem naar de vluchtstrook heeft gereden. Ook daarom had het CBR geen onderzoek naar de rijgeschiktheid mogen opleggen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt of het CBR terecht de geldigheid van het rijbewijs heeft geschorst en aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht de geldigheid van het rijbewijs heeft geschorst en aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nMocht het CBR de maatregel opleggen?7.1.. Artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 schrijft voor dat het besluit waarbij een onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt opgelegd zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, wordt genomen.7.2.. \n\nVaststaat dat het CBR het primaire besluit niet binnen vier weken na ontvangst van de mededeling van de politie heeft genomen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) brengt een overschrijding van deze termijn niet met zich dat het CBR niet meer bevoegd is een besluit tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid te nemen.Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de beslistermijn is opgenomen met het oog op de wens te komen tot een in het belang van de verkeersveiligheid slagvaardiger optreden tegen verkeersgevaarlijke overtredingen in het algemeen en een verscherpte aanpak van alcoholovertredingen in het bijzonder. De termijn is dus niet in het belang van eiser gesteld. Met andere woorden, zoals het CBR terecht heeft gesteld, is er geen sprake van een fatale termijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nMocht het CBR ervan uitgaan dat eiser de auto heeft bestuurd?8.1.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR voldoende heeft gemotiveerd dat eiser als bestuurder van de auto kan worden aangemerkt. Het CBR mocht daarbij afgaan op het relaas van de politie, waarin onder meer staat dat alleen eiser bij de auto op de vluchtstrook van de A16 is aangetroffen, dat hij heeft verklaard naar de A16 te zijn gereden, maar dat hij die verklaring later introk en dat Rijkswaterstaat geen andere personen op de camerabeelden heeft gezien. Verder heeft het CBR daarbij kunnen betrekken dat eiser door de politierechter is veroordeeld voor rijden onder invloed. Hieraan kan zoals het CBR terecht heeft gesteld niet afdoen dat eiser heeft verklaard dat zijn buurman hem naar de A16 heeft gebracht. Dit heeft eiser op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.8.2.. Daarnaast heeft het CBR zich (ten overvloede) terecht op het standpunt gesteld dat het voor de bevoegdheid om een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk een motorrijtuig is bestuurd. De houder van een geldig rijbewijs dient te allen tijde te beschikken over de vereiste geschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig, of hij nu daadwerkelijk aan het verkeer deelneemt of niet. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWas er voldoende aanleiding om een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen.9.1.. De rechtbank overweegt dat er voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid hoeft te bestaan. Het opgelegde onderzoek dient er juist toe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. Een onderzoek kan onder meer worden opgelegd in het geval van ernstig gestoord inzicht of gedrag.\n\n9.2.. Volgens vaste rechtspraak van de Afdelingmag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n9.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR voldoende onderbouwd waarop het vermoeden van ongeschiktheid gebaseerd is en heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat voldaan is aan de voorwaarden in artikel 23, derde lid sub B WVW1994 en de bijlage I, onder B onderdeel I en II van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat eiser midden in de nacht de politie heeft gebeld met de mededeling dat hij het leven niet meer zag zitten en dat hij, als de politie niet direct kwam, zijn auto dwars op de A16 zou zetten. De verbalisant heeft 20 minuten telefonisch met eiser gesproken en meegedeeld dat de politie niet voor een gesprek langs zou komen. Vervolgens is eiser in beschonken toestand op de vluchtstrook van de A16 aangetroffen. Eiser verklaarde een zelfmoordmiddel te hebben ingenomen en dat hij nog maar drie minuten te leven had. Volgens het proces-verbaal belt eiser vaak naar de politie als hij onder invloed van alcohol is en zegt hij dan regelmatig dat hij het leven niet meer ziet zitten. De politie heeft vervolgens een mededeling gedaan aan het CBR. Het CBR mocht uitgaan van de juistheid van de bevindingen en heeft zich naar het oordeel terecht op het standpunt gesteld dat er een vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijgeschiktheid die is vereist voor het besturen van een motorrijtuig. Anders dan eiser betoogt is het voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid niet noodzakelijk dat er causaal verband wordt vastgesteld tussen de geestestoestand en daadwerkelijk (ontstaan) gevaar voor de verkeersveiligheid.\n\nHad het CBR op grond van bijzondere omstandigheden moeten afzien van de oplegging van het onderzoek naar de rijgeschiktheid?\n\n10. De rechtbank volgt het standpunt van het CBR dat het op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, gelezen in verbinding met artikel 5, aanhef en onder c, en artikel 6 van de Regeling, gehouden was tot het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid. Volgens vaste rechtspraak laten de toepasselijke bepalingen uit de WVW1994 en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.Het CBR heeft zich naar het oordeel terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zo’n zeer uitzonderlijk geval. In dit verband heeft het CBR geen betekenis toe hoeven kennen aan het feit dat eiser zijn rijbewijs in het kader van de klaagschriftprocedure van de strafrechter heeft teruggekregen. Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid, die losstaat van de strafrechtelijke procedure. De strafrechtelijke beoordeling zag ook alleen op het rijden onder invloed, terwijl het in deze bestuursrechtelijke procedure gaat om de rijgeschiktheid in het licht van de psychische problematiek van eiser. Ook de door eiser gestelde specifieke achtergrond van de gebeurtenissen, zijn psychische problemen, PTSS en isolement door het niet mogen rijden, heeft het CBR terecht niet als zeer uitzonderlijke omstandigheden aangemerkt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het CBR tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. L. Zwager, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWegenverkeerswet 1994\n\nArtikel 130\n\n1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\n[…]\n\nArtikel 131\n\n1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:\n\na. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of\n\nb. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.\n\nHet besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.\n\n[…]\n\nRegeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011(geldend van 01-04-2023 t\u002Fm heden)\n\nArtikel 5\n\nEen vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen: […] c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en\u002Fof lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;\n\n[…]\n\nArtikel 6\n\nIn de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\nArtikel 23\n\n[…]\n\n3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:\n\na. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer;\n\nb. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II;\n\nc. indien betrokkene op grond van artikel 21, onderdelen a, b, c, f, g of h niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer; of\n\nd. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.\n\n[…]\n Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011\n\nIn bijlage 1, onder B, onderdeel II, \"Geestelijke geschiktheid\", zijn genoemd als feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:\n\n[…] b. ernstig gestoord inzicht of gedrag; […]\n\nf. abnormale opwindingstoestanden;\n\n[…]\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1134.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NLRVS:2023:1519.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3587.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:6870","2024-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.153Z",1,20]