[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-public-order-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":43,"total":16,"page":25,"limit":70},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},99,"public-order-nl","Public Order","NL","2026-07-08T16:56:40.714Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2018-12-19T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[21,26,30,34,37,40],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121800","Wetboek van Strafrecht","art. 141",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122709","Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens","art. 10 lid 2",{"provisionId":31,"code":32,"article":33,"count":25},"122710","Grondwet","art. 7 lid 3",{"provisionId":35,"code":28,"article":36,"count":25},"122711","art. 10",{"provisionId":38,"code":32,"article":39,"count":25},"122712","art. 7",{"provisionId":41,"code":28,"article":42,"count":25},"122713","art. 10 lid 1",[44,54,63],{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1505","ECLI:NL:RBROT:2026:7032","ecli-nl-rbrot-2026-7032","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4414\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Z. Badrane),\n\nen\n\nde burgemeester van Goeree-Overflakkee\n\n(gemachtigde: mr. R. van Achteren).\n\nSamenvatting\n\nDe burgemeester wil verzoekers woning sluiten vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs, versnijdingsmiddel, drugsgerelateerde spullen en een groot geldbedrag. Ook heeft de politie meldingen ontvangen over de handel in drugs vanuit verzoekers woning. Verzoeker heeft in het verleden al een last onder dwangsom opgelegd gekregen omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid harddrugs in zijn auto had. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Verder zijn de gevolgen van de sluiting niet onevenwichtig. Verzoeker woont in een koopwoning, waardoor hij na de sluiting in beginsel zal kunnen terugkeren naar de woning. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 7 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers woning gesloten voor zes maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat is er gebeurd?\n\n4. Verzoeker woont op het adres [adres]. Hij is ook de eigenaar van deze woning.\n\n5. De politie heeft medio maart 2026 twee meldingen ontvangen dat verzoeker (mogelijk) zou dealen. De politie heeft op 20 maart 2026 gepost, waarbij is gezien dat verzoeker met een schoudertas naar een bepaald adres gaat. De politie heeft met een machtiging verzoekers woning geforceerd en bij het binnentreden zagen ze een ponypack met opdruk. Verzoeker is vervolgens door de politie vanaf het andere adres meegenomen naar zijn woning. De politie heeft de volgende zaken in verzoekers woning aangetroffen: 39,1 gram cocaïne (waarvan 24,4 gram verpakt in 16 ponypacks; 15 van de ponypacks zijn aangetroffen in eerdergenoemde schoudertas), 4,4 gram hennep, 224,7 gram inositol (versnijdingsmiddel), een grammenweegschaal, een kom en vijzel, en een pak met ponypack vouwblaadjes. Verder zat er € 550,- aan briefgeld in de schoudertas en had verzoeker € 2.720,- aan contant geld in zijn broekzak. Dit blijkt uit een bestuurlijke rapportage van 23 maart 2026.\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten om verzoekers woning te sluiten voor zes maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij in zijn woning mag blijven wonen totdat er beslist is op zijn bezwaarschrift. De burgemeester heeft toegezegd dat de woning open blijft tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af\n\n7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nIs er een spoedeisend belang?\n\n8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.\n\n9. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, heeft verzoeker immers de komende zes maanden geen toegang tot zijn woning.\n\nBeoordelingskader\n\n10. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.\n\n11. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Goeree-Overflakkee tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregel Damoclesbeleid gemeente Goeree-Overflakkee 2019. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning. Volgens dit beleid wordt een woning voor zes maanden gesloten als er een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen.\n\nBevoegdheid, geschiktheid en noodzaak\n\n12. De politie heeft in verzoekers woning in ieder geval 14,7 gram harddrugs aangetroffen. Dit is een handelshoeveelheid. Daarnaast had verzoeker nog 15 ponypacks met harddrugs bij zich in zijn schoudertas. Dat de harddrugs voor eigen gebruik was, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat verzoeker heeft gehandeld in harddrugs in of vanuit zijn woning. Er is een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen (er was geen sprake van een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid), de drugs waren verpakt in meerdere ponypacks, er zijn drugsgerelateerde spullen aangetroffen (versnijdingsmiddel, grammenweegschaal, een kom, een vijzel en een pak met ponypacks) en er zijn twee meldingen over de handel in drugs door verzoeker vanuit zijn woning. Daarnaast was verzoeker in het bezit van een groot geldbedrag. Verzoeker zou dit geld hebben gekregen van zijn ouders (als bijdrage in de vaste lasten), door de verkoop van zijn auto aan zijn moeder en door de verkoop van enkele persoonlijke (luxe) goederen, maar verzoeker heeft dit niet met verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Dit alles maakt dat de burgemeester in beginsel bevoegd was om de woning te sluiten.\n\n13. Voor de voorzieningenrechter staat verder buiten kijf dat het voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat beter zou zijn als verzoekers woning voor langere tijd zou worden gesloten; sluiting van de woning is met andere woorden een geschikt middel om dat doel te bereiken. De voorzieningenrechter ziet bovendien niet in dat in dit geval dat doel zonder meer met een minder ingrijpend middel, zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom, zou kunnen worden bereikt. De burgemeester heeft in 2023 al een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd, omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid cocaïne bij zich had in de auto (21 ponypacks) en € 800,-. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Het betreft bovendien een ernstig geval, waarbij de sluiting er onder meer op is gericht om de bekendheid van de woning in het criminele circuit te doorbreken, herhaling te voorkomen en de loop op de woning eruit te halen om zo het woon- en leefklimaat in de wijk te herstellen. Sluiting van de woning kan dus noodzakelijk worden geacht.\n\nEvenwichtigheid\n\n14. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor verzoeker nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken.\n\n15. Verzoeker voert aan dat de sluiting van zijn woning niet evenwichtig is. Hij zal door de sluiting dakloos worden. Hij kampt met een drugsverslaving en zal door dakloosheid in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Verzoeker heeft na de inval in zijn woning gelijk hulp gezocht en is al enige tijd clean. Hij is sinds kort gaan werken in het bedrijf van zijn broer. Volgens verzoeker zou een woningsluiting deze positieve verandering doorkruisen.\n\n16. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. Verzoeker kan een verwijt worden gemaakt van de aangetroffen harddrugs in zijn woning. Daarnaast heeft verzoeker een koopwoning, waardoor hij – anders dan mensen die een sociale huurwoning huren – na de sluiting in beginsel niet geconfronteerd zal worden met verdergaande maatregelen waardoor hij zijn woning definitief dreigt te verliezen. Op dit moment in ieder geval niet gebleken dat de sluiting gevolgen heeft voor de hypotheek. Gelet op de grote hoeveelheid harddrugs heeft de burgemeester de belangen bij sluiting van de woning zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning.\n\n17. De sluiting van de woning is een inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en daarom bij de wet voorzien. De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het herstel van de openbare orde. Zoals onder 11 al is geoordeeld, mocht de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk achten en heeft hij niet hoeven volstaan met een lichtere maatregel. De sluiting van de woning is daarom ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester verzoekers woning mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak\n\nte tekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7032","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:24.398Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"284","ECLI:NL:RBROT:2023:5671","ecli-nl-rbrot-2023-5671","2023-06-28T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 1\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 28 juni 2023\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte01]\n,\n\ngeboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n[adres01] , [postcode01] [plaats01],\n\nraadsvrouw mr. J. van Wingerden, advocaat te Dordrecht.1.. Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2023.2.. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.3.. Eis officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. J. Spaans heeft gevorderd:\n\nvrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nveroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week met aftrek van voorarrest.4.. Waardering van het bewijs\n\nInleiding:\n\nOp grond van hetgeen is besproken ter zitting en op grond van het strafdossier is het volgende komen vast te staan:\n\nTijdens de jaarwisseling van 2022\u002F2023 hebben zich in het centrum van ’s-Gravendeel ernstige ongeregeldheden voorgedaan. Politiemensen die ter plekke dienst deden werden beschoten met vuurpijlen en zwaar vuurwerk dat werd gegooid vanuit een groep in het zwart geklede jongeren. Deze jongeren trokken door het dorp terwijl zij vernielingen pleegden en ook naar nietsvermoedende burgers vuurwerk gooiden. Op de [straatnaam01] , ter hoogte van [huisnummer01] , werden glimmende voorwerpen op de weg aangetroffen ter hoogte van een wegversmalling. Politiemedewerkers ontdekten dat het zelf geproduceerde kraaienpoten waren, kennelijk opzettelijk neergelegd om de banden van (politie)voertuigen lek te laten rijden. De politiemedewerkers moesten dekking zoeken om niet geraakt te worden en vroegen om versterking, in de vorm van de Mobiele Eenheid.\n\nToen de Mobiele Eenheid (verder: ME) omstreeks 01.30 uur arriveerde werd opnieuw geweld gepleegd en zwaar vuurwerk gegooid, onder meer bestaande uit witte bollen die na ontploffing een enorme drukgolf teweeg brachten in de onmiddellijke nabijheid van politiemensen. Na verloop van tijd kon een grote groep mensen door de ME ingesloten (‘ingeboxt’) worden, met het doel de orde en rust weer te laten keren. Terwijl deze groep mensen, waaronder de verdachte, ingesloten was, bleef het gooien van vuurwerk, het gooien van voorwerpen, het beledigen en schreeuwen, het opdringen en ander geweld in de richting van de ME voortduren. Enkelen probeerden te ontsnappen. Naar de ME werd opnieuw vuurwerk en andere projectielen gegooid om dit ontsnappen te ondersteunen. Tijdens dit insluiten is zeer zwaar illegaal vuurwerk gebruikt tegen de ME. Bij de ME’ers was er reële angst voor blijvend letsel. Door twintig politieambtenaren werd aangifte gedaan.\n\nDe officier van justitiestelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, te weten de poging doodslag\u002Fzware mishandeling als ook van het onder 2 ten laste gelegde, te weten het plegen van openlijk geweld tegen de politie. Ondanks dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte01] een verwerpelijk filmpje heeft opgenomen, is dat onvoldoende zwaarwegend of dragend voor een veroordeling van openlijk geweld.\n\nDe\n\nverdachteheeft ter zitting verklaard bij deze rellen aanwezig te zijn geweest doch hieraan niet te hebben deelgenomen. De verdachte zou niets hebben gegooid zodat hij van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daarnaast zou hij geen geweld hebben gebruikt, zodat hij ook van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft weliswaar deelgenomen aan een whatsappgroep in de dagen voorafgaand aan oudejaarsnacht en hij heeft een filmpje opgenomen op zijn mobiele telefoon toen hij was ingesloten door de ME. In dat filmpje spreekt hij samen met medeverdachte [medeverdachte01] over het doodschoppen of doodslaan van een agent. Daaruit kan echter geen voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het openlijk geweld worden afgeleid. De verdachte heeft namelijk niet deelgenomen aan het appgesprek. Het filmpje was niet meer dan een misplaatste grap en een verband tussen het filmpje en het geweld dat medeverdachte [medeverdachte01] later pleegde ontbreekt.\n\nBeoordeling:\n\nDe centrale vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is de vraag of de verdachte openlijk geweld heeft gebruikt tijdens de grote ordeverstoringen in deze oudejaarsnacht, waarbij bovendien door de verdachte zou zijn geprobeerd om tezamen met anderen \u002F een ander politiemensen te doden en \u002F of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.4.1.. \n\nVrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte eens dat dit feit niet met de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen bewezen kan worden. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte al dan niet met één of meer anderen geprobeerd heeft om politiemensen te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.4.2.. \n\nBewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.\n\nArtikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) – de openlijke geweldpleging wordt hierin strafbaar gesteld – beoogt een strafrechtelijke vertaling te geven aan de aantasting van de openbare orde door geweldpleging vanuit een groep. Dit brengt mee dat de verdachte die zelf geweld pleegt geen weet hoeft te hebben gehad van (al) het geweld dat is gepleegd door andere personen die deel uitmaakten van de samengekomen menigte, laat staan dat hij aan dat andere geweld een bijdrage moet hebben geleverd. Dat zou juist bij grootschalige verstoringen van de openbare orde waaraan de wetgever oorspronkelijk dacht een onmogelijke eis zijn geweest. Voldoende voor aansprakelijkheid was en is nog steeds dat men één van de geweldplegers was. Voorts brengt het mee dat alle door de verschillende personen uit de menigte gepleegde geweldshandelingen deel uitmaken van één en dezelfde verstoring van de openbare orde. De optelsom van al die individuele geweldshandelingen vormt als het ware de openbare orde verstorende openlijke geweldpleging waarvoor de verdachte mede aansprakelijk wordt gehouden. Anders gezegd: de afzonderlijke geweldshandelingen leveren samen één overtreding van artikel 141 Sr. op. Tot slot dient te worden vermeld dat het vaste rechtspraak is dat van ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert\u002Fheeft geleverd aan het (mede door anderen gepleegde) geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.\n\nHet is vanuit dit normkader van de strafbepaling die aan de verdachte wordt verweten dat de rechtbank het gedrag van de verdachte beoordeelt en zij neemt daar bij het volgende in haar overwegingen mee.\n\nDe verdachte heeft voorafgaand aan de jaarwisseling deelgenomen aan een appgroep waaraan naast de verdachte anderen (waaronder ook medeverdachte [medeverdachte01] ) hebben meegedaan. Hierin werd in de weken\u002Fdagen voorafgaand aan oudejaarsnacht gesproken over de aankomende jaarwisseling, over de aankoop van zwaar illegaal vuurwerk, over de komst van “tuig” naar het dorp in de oudejaarsnacht, werd concreet besproken om de camera’s van de in het dorp zich bevindende torenpaal af te plakken en waar om 23:08:29 uur op 31 december 2022 wordt gezegd:\n\n\"Wij zijn sgravendeel nu weeegje gassss drop niemand is gekker dan wij.\"\n\nDe verdachte heeft – zoals hij ter zitting heeft verklaard – zich sinds kort na twaalf uur tijdens de jaarwisseling in het centrum rond de rellen bevonden.\n\nOp de telefoon van de verdachte bevindt zich een filmpje, gemaakt op 1 januari 2023 te 1:01 uur UTC, te weten 2:01 uur plaatselijke tijd. genaamd\n\n“Agent pakt”.Hierin spreken de verdachte en [medeverdachte01] met elkaar waarbij [medeverdachte01] zegt:\n\"Als ik een agent pak, sla jij hem dan dood?\"De verdachte antwoordde:\n\"Als ik.. Als jij een agent pakt schop ik hem dood.\"De verdachte [medeverdachte01] , antwoordde:\n\"Nee. Ja.\" De verdachte antwoordde:\n\"Ja, is goed\"Vervolgens werd de camera van de telefoon van de verdachte gericht op een lid van de Mobiele Eenheid en iemand zei\n: \"Hij\".Kennelijk is dit filmpje gemaakt op een moment dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte01] door de ME waren ingesloten.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte01] trapte kort daarna, omstreeks 2:15 uur, tegen het schild van agent [verbalisant01] en werd vervolgens terzake openlijke geweldpleging aangehouden.\n\nOp basis van getuigenverklaringen en processen-verbaal van bevindingen stelt de rechtbank vast dat in de periode dat een groep mensen, die overlast hadden gegeven en waaronder de verdachte en [medeverdachte01] zich bevonden werden opgehouden door de mobiele eenheid, deze ME-ers werden bestookt met vuurwerk en andere projectielen. Mensen probeerden te ontsnappen uit deze situatie door geweld tegen de politie te gebruiken.\n\nOok is vastgesteld dat nadat de gehele groep was geïdentificeerd en was vertrokken, op de grond verschillende cobra’s, boksbeugels etc. door de politie zijn aangetroffen.\n\nDe verdachte heeft, hiermee ter zitting geconfronteerd, gezegd dat hij wel lid was van de appgroep, maar dat hij de appgesprekken grotendeels niet heeft meegekregen. Het filmpje is gemaakt nadat hij ruim een uur ingesloten had gestaan door de politie. Op een gegeven moment heeft hij toen voor de grap dat filmpje gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij het filmpje op dat moment wel grappig vond, maar toen hij het terugzag niet meer, hij noemt het een misplaatste grap.\n\nDe rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. Er zijn in de appgroep teveel concrete gegevens door de politie aangetroffen die rechtstreeks in verband met de rellen van die nacht gebracht kunnen worden om deze verklaring van de verdachte aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat in de appgesprekken en het filmpje blijkt van voorbereidingen voor gevechten met de ME in de oudejaarsnacht, waarbij illegaal vuurwerk zou worden gekocht, mogelijk bewijs vergarende instrumenten (camera’s) onklaar zouden worden gemaakt en gericht ME-ers werden aangewezen om geweld tegen uit te oefenen. De verdachte heeft op 30 december 2022 een bericht van de verdachte [medeverdachte01] doorgestuurd in die groepsapp. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij wel degelijk deelnam aan die appgroep.\n\nHet geweld tegen de politieagent [verbalisant01] , die hierdoor pijn en letsel opliep, vormt een essentieel onderdeel van het openlijk geweld ter verstoring van de openbare orde. Anders dan de verdediging heeft bepleit ziet de rechtbank gelet op het korte tijdsverloop tussen het moment dat de verdachte en [medeverdachte01] het filmpje – dat later de naam “ [bestandsnaam01] ” heeft meegekregen – hebben gemaakt en het moment dat [medeverdachte01] tegen schild van [verbalisant01] heeft getrapt, wel een voldoende oorzakelijk verband tussen het filmpje en het gepleegde geweld zodat in het verlengde daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan dat geweld heeft geleverd.\n\nDe in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen zijn niet alle door de verdachten verricht maar vormen tezamen met zijn bijdrage deze inbreuk op de openbare orde zoals door de officier van justitie is beschreven. Feit 2 is dan ook bewezen zoals hierna is aangegeven.4.3.. \n\nBewezenverklaring zonder nadere motivering van het onder 3 ten laste gelegde\n\nHet onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.4.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nIn bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.\n\nIn bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.\n\nDe verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:\n\n2.\n\nhij op 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,\n\nopenlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen\n\nverbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk in de richting van voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant01] te trappen;\n\n3.\n\nhij op 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een prullenbak, die aan Gemeente Hoeksche Waard toebehoorde heeft vernield.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.5.. Strafbaarheid feiten\n\nDe bewezen feiten leveren op:\n\n2.\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.\n\n3.\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.6.. Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.7.. Motivering straf7.1.. \n\nAlgemene overweging\n\nDe straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.7.2.. \n\nFeiten waarop de straf is gebaseerd\n\nZoals hierboven onder 4 vermeld, hebben zich rond de jaarwisseling 2022 \u002F 2023 zeer ernstige ongeregeldheden voorgedaan. Het heeft er alle schijn van dat er sprake was van een vooropgezet plan om politieambtenaren en ME’ers in de val te lokken en fysieke schade toe te brengen, onder meer door het bekogelen van die politiemensen met zwaar, illegaal vuurwerk. Uit de aangiften blijkt dat de politieambtenaren, die toch gewend zijn aan het optreden in stressvolle situaties, oprecht bang waren dat zij er niet zonder ernstig letsel van af zouden komen. Meerdere politiemensen spraken van een oorlogssituatie, enkelen van hen overwogen zelfs om – uit lijfsbehoud – gericht op relschoppers te schieten.\n\nDe verdachte heeft in de aanloop naar deze rellen een rol gespeeld door deel te nemen aan opruiende WhatsApp-gesprekken. Verder nam hij deel aan een gefilmd gesprek over het doodschoppen van ME’ers. Dat was kort voordat medeverdachte [medeverdachte01] agent [verbalisant01] , op dat moment in functie als ME’er, tegen haar schild schopte en daardoor pijn en letsel toebracht. Dit alles gebeurde te midden van het ‘strijdtoneel’ waarin politieambtenaren met zwaar vuurwerk werden bekogeld. De verdachte was, door zijn opruiende rol en door het van politieambtenaren, mede verantwoordelijk voor het openlijk geweld dat door de grotere groep werd gepleegd.\n \nEerder, in de avond van 31 december 2022, heeft de verdachte een vuilnisbak opgeblazen met zwaar vuurwerk. Deze vernieling staat los van wat er later die nacht is gebeurd, maar past wel in het patroon van geweldpleging met behulp van zwaar vuurwerk.7.3.. \nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte7.3.1.. \n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.7.3.2.. \n\nRapportage\n\nReclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 mei 2023. Dit rapport houdt – onder meer en voor zover van belang – het volgende in.\n\nHet alcoholgebruik van de verdachte wordt als delictgerelateerd beschouwd, en zijn sociaal netwerk mogelijk ook. Uit het onderzoek komen geen aanwijzingen voor agressieproblematiek naar voren. De verdachte komt zijn afspraken in het kader van het schorsingstoezicht na. Positief is dat de verdachte na zijn vrijlating weer aan het werk is gegaan en dat hij wordt gesteund door zijn familie. De kans op recidive en letselschade wordt laag ingeschat. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de informatie van de reclassering.7.4.. \n\nConclusies van de rechtbank\n\nGelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.\n\nGezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest. In plaats daarvan wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank legt de verdachte een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, omdat zij feit 2 bewezen heeft verklaard.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.8.. Vorderingen benadeelde partijen\n\nTweeëntwintig politieagenten hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen [benadeelde partij01] ,\n\n[benadeelde partij02] , [benadeelde partij03] , [benadeelde partij04] , [benadeelde partij05] , [benadeelde partij06] , [benadeelde partij07] , [benadeelde partij08] , [benadeelde partij09] , [benadeelde partij10] ,\n\n[benadeelde partij11] , [benadeelde partij12] , [benadeelde partij13] , [benadeelde partij14] , [benadeelde partij15] , [benadeelde partij16] , [benadeelde partij17] , [benadeelde partij18] en [benadeelde partij19] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,- aan immateriële schade, de benadeelde partijen [benadeelde partij20] en [benadeelde partij21] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,- aan immateriële schade en de benadeelde partij [benadeelde partij22] vordert een vergoeding van € 750,- aan immateriële schade.8.1.. \n\nStandpunt officier van justitie\n\nOmdat er vrijspraak is gevorderd dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.8.2.. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering omdat er vrijspraak is bepleit.8.3.. \n\nBeoordeling\n\nDe benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard omdat thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. Daarbij heeft de rechtbank ervoor gekozen om ten aanzien van de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen uit te gaan van de door de verdachte gepleegde handelingen. Die hebben wel bijgedragen aan het door medeverdachte [medeverdachte01] gepleegde geweld, maar de verdachte heeft zelf geen geweldshandelingen gepleegd.\n\nNu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.8.4.. \n\nConclusie\n\nIn deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.9.. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 141 van het Wetboek van Strafrecht.10. . Bijlagen\n\nDe in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.11.. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een\n\ngevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nbepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot\n\n73 (drieënzeventig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;\n\ntenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde:\n\nde veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht zodat thans geen onvoorwaardelijk strafdeel resteert, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;\n\nverklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij01] , [benadeelde partij02] , [benadeelde partij20] ,\n\n[benadeelde partij03] , [benadeelde partij04] , [benadeelde partij05] , [benadeelde partij06] , [benadeelde partij21] , [benadeelde partij07] , [benadeelde partij08] , [benadeelde partij09] , [benadeelde partij10] , [benadeelde partij11] , [benadeelde partij12] , [benadeelde partij13] ,\n\n[benadeelde partij22] , [benadeelde partij14] , [benadeelde partij15] , [benadeelde partij16] , [benadeelde partij17] , [benadeelde partij18] en\n\n[benadeelde partij19] niet-ontvankelijk in de vorderingen;\n\nveroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.M. Havik, voorzitter,\n\nen mrs. G.P. van de Beek en C.J.L. van Dam, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.\n\nDe voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt ten laste gelegd dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof diens mededader(s) voorgenomen misdrijf om\n\néén of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant21] (hoofdagent) en\u002Fof [verbalisant22] (aspirant)\n\nen\u002Fof\n\néén of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , althans een of meer (andere) verbalisanten\n\nopzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten heeft\u002Fhebben afgeschoten en\u002Fof gegooid, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten heeft\u002Fhebben gegooid,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,\n\nopenlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen\n\neen of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant21] (hoofdagent) en\u002Fof [verbalisant22] (aspirant)\n\nen\u002Fof\n\néén of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [verbalisant22] en\u002Fof [verbalisant21] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [verbalisant22] en\u002Fof [verbalisant21] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant01] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3.\n\nhij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:5671","2023-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.607Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":67,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":52,"updatedAt":69},"875","ECLI:NL:RBROT:2018:10493","ecli-nl-rbrot-2018-10493","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 1\n\nParketnummers: 10-218977-18 en 10-218983-18\n\nDatum uitspraak: 19 december 2018\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:\n\n [verdachte]\n\ngeboren te Curaçao op [geboortedatum verdachte] ,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres verdachte]Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2018.Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de gewijzigde tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.Eis officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. D.M. Benammar, heeft gevorderd:\n\nbewezenverklaring van het onder beide bovengenoemde parketnummers ten laste gelegde (hierna: feit 1 en 2);\n\nveroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 190 per overtreding.Vooropstelling\n\nInleiding\n\nOp 1 januari 2018 is in de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (hierna: de APV) een nieuw artikel opgenomen. Dit artikel luidt:\n\n‘Artikel 2:la Straatintimidatie\n\nHet is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.’\n\nIn deze zaken (hierna: zaak) zijn voor het eerst tenlasteleggingen gebaseerd op dit nieuwe artikel. De officier van justitie heeft op de terechtzitting uiteengezet dat het openbaar ministerie met deze zaak (enig) uitsluitsel wil krijgen over de reikwijdte en bandbreedte van het nieuwe artikel. Mede op initiatief van de kantonrechter is tijdens de terechtzitting een aantal vragen naar voren gekomen. In deze paragraaf van het vonnis worden deze vragen vooropgesteld en voorafgaand aan de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, beantwoord.\n\nVragen\n\nWat moet worden verstaan onder de begrippen ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ en ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ uit artikel 2:1a APV?\n\nZijn er uitlatingen en\u002Fof handelingen te noemen die in algemene zin een invulling kunnen vormen van die begrippen?\n\nVallen uitlatingen die worden gebracht onder ‘uitjouwen’ en ‘aanstootgevende taal’ onder de vrijheid van meningsuiting;\n\n- in de zin van artikel 10 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en\u002Fof\n\n- in de zin van artikel 7 lid 3 van de Grondwet (hierna: Gw)?\n\n Zo ja, biedt de vrijheid van meningsuiting ook bescherming aan de begrippen ‘aanstootgevende gebaren, geluiden of gedragingen’?\n\n Mag de vrijheid van meningsuiting worden beperkt en meer in het bijzonder mag dat in de APV;\n\n- in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM en\u002Fof\n\n- in de zin van artikel 7 lid 3 Gw?\n\nIs de vrijheid van meningsuiting een vrijbrief voor overlastgevend gedrag in de openbare ruimte en is de artikel 2:1a APV daarmee een papieren tijger?\n\nAntwoord a: Uitleg begrippen\n\nIn het antwoord op de eerste vraag worden de begrippen uit het nieuwe artikel uit de APV: ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ en ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’, zoals die in de tenlastelegging in deze zaak zijn opgenomen, nader geduid. Deze begrippen zullen in de tenlastelegging en in een eventuele bewezenverklaring dezelfde betekenis (moeten) hebben als in artikel 2:1a APV. De eerste twee begrippen, ‘uitjouwen’ en ‘lastig vallen’, vormen de kern van het verwijt en zijn daarmee de kwalificerende begrippen in de tenlastelegging. Het derde begrip ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ vormt een invulling van het begrip ‘lastigvallen’. Bij de uitleg van alle drie de begrippen moet steeds in het oog worden gehouden dat het in artikel 2:1a APV strafbaar gestelde gedrag een begrenzing vindt in strafbare feiten die al op andere wijze (bij wet in formele zin) zijn strafbaar gesteld.De gemeentelijke wetgever heeft namelijk een relatief ruime, maar wel slechts aanvullende verordenende bevoegdheid.\n\nVoor de uitleg van de begrippen is aansluiting gezocht bij (i) de toelichting op artikel 2:1a APV en (ii) bij de betekenis die de begrippen hebben in het algemeen spraakgebruik.\n\n( i)\n\nDe toelichting op artikel 2:1a APV luidt - voor zover van belang -:\n\n‘Artikel 2:1a Straatintimidatie\n\n‘(…)\n\nHet motief van deze APV-bepaling is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op de openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat. Straatintimidatie leidt tot hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid met als gevolg een verstoring van de normale gang van zaken van het gemeenschapsleven. De strafbaarstelling draagt eraan bij dat de openbare ruimte zoveel mogelijk gevrijwaard blijft van straatintimidatie.\n\nUit onderzoek is gebleken dat steeds meer groepen, waaronder vrouwen, in toenemende mate met uiteenlopende vormen van straatintimidatie worden geconfronteerd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitschelden of uitjouwen, intimiderende of aanstootgevende gebaren, geluiden en gedragingen of onnodig opdringen.\n\nDeze vormen van straatintimidatie zijn met name hinderlijk, bedreigend of emotioneel belastend voor de slachtoffers zelf, maar brengen eveneens gevoelens van onveiligheid voor omstanders met zich mee. Het gevolg van dit soort gedragingen in de openbare ruimte kan zijn dat bepaalde plekken worden gemeden. Daarmee hebben deze gedragingen dus een effect op de bewegingsvrijheid van personen. Ook kan het ertoe leiden dat mensen hun gedrag aanpassen door bijvoorbeeld hun kledingstijl te wijzigen. Behalve dat deze gedragingen een effect hebben op de bewegingsvrijheid, veroorzaken ze daarmee ook hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid en verstoren ze de rust in het openbare leven.\n\n(…)\n\nMet deze bepaling wordt het tegelijkertijd mogelijk om op te treden tegen het uitjouwen of lastigvallen van opsporingsambtenaren, andere gezagsdragers of personen met een publieke taak. Uit onderzoek onder opsporingsambtenaren is namelijk gebleken dat deze groep bij de uitoefening van hun taak in toenemende mate wordt uitgejouwd of anderszins lastig gevallen. Ook deze gedragingen hebben een negatief effect op de openbare orde. Gezagdragers hebben immers als taak de openbare orde te handhaven. Indien zij worden gehinderd in dit werk, heeft dit automatisch een negatief effect op de openbare orde.\n\n(…)’\n\nUit de toelichting wordt afgeleid dat het motief van de strafbaarstelling van straatintimidatie primair is gelegen in de bescherming van het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde. In het verlengde daarvan moet de strafbaarstelling de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de personen die het waarnemen beschermen. Bij de duiding van de begrippen moet van deze motieven van de gemeentelijke regelgever worden uitgegaan.\n\n(ii)\n\nVoor de betekenis van de begrippen in het algemeen spraakgebruik is gekeken naar Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal 2018 (hierna: Van Dale). De voor dat doel bij uitstek geschikte bron.\n\n- Uitjouwen\n\nUitjouwen wordt in Van Dale omschreven als ‘jouwend beschimpen ≈ uitjoelen’. Beschimpen op zijn beurt wordt omschreven als ‘honend bespotten\u002Flasterlijk beledigen ≈ uitschelden’. In de toelichting op artikel 2:1a APV wordt (ook) uitjouwen in één adem genoemd met uitschelden. Op het eerste gezicht kunnen onder het begrip uitjouwen daarom veel negatieve verbale uitlatingen worden gebracht, die niet per se in taal te hoeven worden geuit. Toch laat het begrip uitjouwen zich lastig duiden wanneer daarbij wordt bedacht dat die uitlatingen dan bijvoorbeeld niet beledigend of bedreigend van aard mogen zijn. Dan zou immers dat gedrag al in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbaar gesteld en is er geen ruimte voor strafbaarstelling door de gemeentelijke regelgever.\n\nAdvocaat-generaal Leijten geeft in een conclusie bij een arrest van de Hoge Raad in een soortgelijke zaak een aantal voorbeelden die onder het begrip uitjouwen zouden kunnen worden gebracht: a) het alsmaar roepen van: ‘sliep uit’of b) ‘Boeoeh’.Het lijkt er sterk op dat wanneer uitjouwen verder gaat dan dat, de genoemde grens vrij snel in beeld komt. Kortom de bandbreedte die ‘uitjouwen’ in artikel 2:1a APV heeft lijkt betrekkelijk smal.\n\n- Lastigvallen\n\nZoals al is opgemerkt, is het begrip ‘lastigvallen’ naast het begrip ‘uitjouwen’ het tweede kwalificerende onderdeel in de tenlastelegging. Lastigvallen heeft in de Van Dale meerdere betekenissen. Tegen de achtergrond van de toelichting op de APV - zoals deze hiervoor kort is weergegeven - is de meest in het oog springende betekenis: ‘met oneerzame bedoelingen naderen’. Gelet op deze toelichting is ‘oneerzaam’ een te beperkte uitleg van het hier bedoelde ‘lastigvallen’. Dat is immers niet alleen een seksueel gekleurd begrip. In tegenstelling tot het kernbegrip ‘uitjouwen’ is de bandbreedte van lastigvallen ook in het licht van de aanvullende regelgevende bevoegdheid van de gemeentelijke regelgever ruim. Met de strafbaarstelling van ‘lastigvallen’ in het algemeen heeft de formele wetgever zich - vooralsnog- niet heeft beziggehouden.\n\n- Aanstootgevende\n\nHet woord aanstootgevend wordt in artikel 2:1a APV bijvoeglijk gebruikt bij taal, gebaren, geluiden of gedragingen. Aanstootgevend(e) wordt in de Van Dale omschreven als ‘aanstoot veroorzakend’. Aanstoot geven als werkwoord wordt omschreven als ‘ergernis veroorzaken ≈ choqueren’. Wanneer deze betekenissen uit het algemeen spraakgebruik worden afgezet tegen de bedoeling van de gemeentelijke wetgever zoals deze volgt uit de toelichting bij artikel 2:1a APV - zoals deze hiervoor kort is weergegeven - gaat het dus om taal, gebaren, geluiden of gedragingen die ergernis veroorzaken.\n\nConclusie\n\nHet kwalificerende begrip uitjouwen is een smal begrip. Dit vindt zijn oorzaak in de betekenis die aan het begrip moet worden toegekend waardoor het begrip zijn begrenzing vaak zal vinden in andere strafbaarstellingen. Lastigvallen als kwalificerend begrip is juist breed en ziet vooral op het (be)naderen met oneerzame bedoelingen. Die oneerzame bedoelingen zullen dan moeten volgen en\u002Fof worden ingekleurd door de ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ waarmee iemand of meerdere personen worden benaderd. Het moet dan gaan om uitlatingen of handelingen die ergernis veroorzaken. Van deze betekenissen van de begrippen zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan.\n\nAntwoord b: Algemene invulling van de begrippen\n\nDe vraag wanneer er sprake is van ‘uitjouwen’, ‘lastig vallen’ of van ‘aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen’ is niet in algemene zin te beantwoorden. In een concrete zaak hangt de invulling van deze begrippen af van alle omstandigheden van het geval. Het zal bij die invulling dan gaan om het samenstel van de (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en van de overige feiten en omstandigheden die aan dat samenstel een zekere kleuring en\u002Fof duiding kunnen geven. Het is goed mogelijk dat in sommige gevallen een bewijsredenering zal moeten worden opgesteld om aan de begrippen de invulling te kunnen geven. Daarbij verdient opmerking dat zo’n bewijsredenering alleen kan worden opgesteld als daarvoor de feiten en omstandigheden duidelijk zijn. Een goed proces-verbaal van de opsporingsambtenaren is daarom van groot belang. Ook is bij de invulling plaats voor een beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen in samenhang met de overige feiten en omstandigheden.\n\nDe vraag die in het verlengde ligt van het voorgaande is of een enkele opmerking, fluit, sis, klak of (seksueel- of anderszins gekleurd) handgebaar één op één is te brengen onder de begrippen is daarom ook niet in algemene zin te beantwoorden. Het antwoord op die vraag is ook zeer context gebonden en wordt sterk beïnvloed door het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en de overige feiten en omstandigheden. Daarbij is niet uitgesloten dat de feiten elkaar met een zekere synergie (1+1=3) kunnen en zullen versterken.\n\nTot slot is bij de beoordeling van het concrete geval van belang dat de tenlastegelegde uitlatingen en\u002Fof handelingen van dien aard moeten zijn en onder zodanige omstandigheden hebben plaatsgevonden dat zij in het algemeen geschikt zijn de openbare orde te raken en\u002Fof een zekere inbreuk op de persoonlijke vrijheid van burgers teweeg te brengen.\n\nConclusie\n\nDe invulling van de begrippen is niet in algemene zin te geven. Het komt aan op de beoordeling in het concrete geval waarbij de nadruk ligt op het samenstel van (tenlastegelegde) feitelijke handelingen en de overige feiten en omstandigheden die daaraan kleuring kunnen geven. Bij de invulling van de begrippen is plaats voor een zekere objectivering.\n\nAntwoord c: Vrijheid van meningsuiting\n\nVervolgens is de vraag of uitlatingen die worden gebracht onder ‘uitjouwen’ en ‘aanstootgevende taal’ onder de vrijheid van meningsuiting vallen. Dit recht is vastgelegd in zowel artikel 10 EVRM als in artikel 7 Gw.\n\n- Artikel 10 EVRM\n\nArtikel 10 lid 1 van het EVRM beschermt het recht op vrijheid van meningsuiting. Uit de tekst van dit artikellid en uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) komt naar voren dat artikel 10 lid 1 EVRM in ieder geval het recht omvat om een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken. De reikwijdte van artikel 10 lid 1 EVRM is dan ook ruim.\n\nIn dit verband is het goed om op te merken dat in de literatuuren in de memorie van toelichting bij een initiatief wetsvoorstel tot strafbaarstelling van seksuele intimidatiegesteld wordt dat sommige vormen van intimidatie in de openbare ruimte buiten de bescherming van artikel 10 lid 1 EVRM zouden kunnen vallen. Daarbij wordt dan een beroep gedaan op het arrest van het EHRM Rujak t. Kroatië.\n\nIn dat arrest wordt overwogen:\n\n‘Certain classes of speech, such as lewd and obscene speech have no essential role in the expression of ideas. An offensive statement may fall outside the protection of freedom of expression where the sole intent of the offensive statement is to insult’.\n\nHet is maar zeer de vraag of uit Rujak de genoemde verregaande conclusie mag worden getrokken. De HUDOC databankleert dat het EHRM het in Rujak geformuleerde uitgangspunt niet heeft herhaald of heeft verwezen naar deze beslissing. Het lijkt er daarom niet op dat het EHRM met Rujak een ondergrens aan artikel 10 EVRM heeft willen stellen. Uit het oogpunt van rechtsbescherming zou het ook beter zijn om de aard van de uitlating niet mee te wegen bij de vraag of iets onder de vrijheid van meningsuiting valt, maar te betrekken bij de vraag of die vrijheid kan worden beperkt, waarover hierna meer.\n\nEen en ander nog daargelaten dat het in deze zaak gaat om uitlatingen die (hoogst)waarschijnlijk niet louter de intentie tot beledigen in zich hebben zoals in Rujak aan de orde was.\n\n- Artikel 7 Gw\n\nArtikel 7 lid 3 Gw bepaalt dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens (…) niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan (…). Dit grondrecht beschermt in beginsel elke openbaarmaking van - meer of minder weloverwogen - gedachten of gevoelens, ongeacht de intenties of de motieven van degene die zich uit.\n\nBegin jaren 90 van de vorige eeuw wees de Hoge Raad twee arrestenin zaken die heel veel lijken op deze zaak. In de zaken die achter die twee arresten schuilgaan werden twee verdachten vervolgd voor het respectievelijk roepen van:‘Dan duw die teringbon er maar onder vuile kankerzak’en het roepen van: ‘lelijke rotkop’. De vervolging was in beide gevallen gebaseerd op bepalingen uit de APV. In allebei de gevallen werd - voorzover van belang - in de APV verboden om in het openbaar: ‘iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstootgevende taal lastig te vallen, dan wel op andere wijze overlast aan te doen.’ De lagere rechter had het feit niet strafbaar geoordeeld omdat de uitroepen:‘Dan duw die teringbon er maar onder vuile kankerzak’en het roepen van: ‘lelijke rotkop’onder de vrijheid van meningsuiting vielen. In beide gevallen liet de Hoge Raad het oordeel van de lagere rechter in stand en oordeelde dat de lagere rechter ‘terecht (en op goede gronden)’ het feit niet strafbaar had geoordeeld. In deze arresten wordt onderstreept dat ook uitspraken met een volstrekt negatieve lading onder de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting vallen zoals die in artikel 7 lid 3 van de Gw is neergelegd.\n\nAnders dan de officier van justitie is de kantonrechter van oordeel dat de Hoge Raad van deze lijn niet is teruggekomen. Het door de officier van justitie aangehaalde drie stappenplan uit arresten uit 2001 en 2003is een lijn van de Hoge Raad die zich doortrekt tot 2018, maar deze heeft geen betrekking op de vraag of een uitlating onder de vrijheid van meningsuiting valt of niet in de zin van tweede volzin van artikel 7 lid 3 Gw.\n\nConclusie\n\nHet ‘uitjouwen in de vorm van taal’ en het uiten van ‘aanstootgevende taal’ vindt in beginsel bescherming in artikel 10 lid 1 EVRM en artikel 7 lid 3 Gw.\n\nAntwoord d: Symbolic speech\n\nHet is vervolgens de vraag of alleen ‘taal’ uit artikel 2:1a APV onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting valt of dat ook ‘gebaren, geluiden of gedragingen’ en\u002Fof ‘uitjouwen in een andere vorm dan taal’ die bescherming (kunnen) verdienen. Het gaat dan om uitlatingen en\u002Fof handelingen die niet in letterlijke zin als ‘speech’ moeten worden gezien en daarom die bescherming van de vrijheid van meningsuiting dus niet hebben (Bijv: geluiden, zoals sissen en klakken).\n\nDat zou anders kunnen liggen als in een bepaalde context een uitlating of handeling onmiskenbaar tot doel heeft om gedachten of gevoelens en\u002Fof een mening naar voren te brengen. Dan zou sprake kunnen zijn van uitlatingen en\u002Fof handelingen die, als ‘symbolic speech’, onder de vrijheid van meningsuiting moeten worden gebracht.\n\nVeelal zullen de uitlatingen en\u002Fof handelingen, wanneer deze op zichzelf worden beschouwd, te algemeen zijn om hieruit dat onmiskenbare doel af te leiden. Bij die beoordeling is ook van belang in hoeverre de uitlating of handeling bijdraagt aan het maatschappelijk debat, omdat de wenselijkheid van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting zich dan opdringt.\n\nAntwoord e: Beperking van de vrijheid van meningsuiting\n\nAls er sprake is van vrijheid van meningsuiting, ligt de vraag voor of deze door de overheid mag worden beperkt en meer in het bijzonder of dat mag in de APV.\n\n- Artikel 10 EVRM\n\nIn artikel 10 lid 2 EVRM is neergelegd op welke wijze de vrijheid van meningsuiting mag worden ingeperkt en formuleert daarvoor drie voorwaarden: (i) is de beperking bij wet voorzien, (ii) dient de beperking een van de in artikel 10 lid 2 genoemde doelen en (iii) is zij noodzakelijk in een democratische samenleving?\n\n( i)\n\nDe APV is een wet in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM. Artikel 10 lid 2 EVRM stelt niet de eis dat sprake moet zijn van een wet in formele zin. Daarnaast heeft de burger ook voldoende toegang tot de APV en via de reclamecampagne ‘pikpraat’is de strafbaarstelling onder de aandacht van de burgers van de gemeente Rotterdam gebracht en is daarmee voldoende kenbaar. Hierdoor, maar ook door de inhoud van de strafbaarstelling is het voor de burger voldoende voorzienbaar wat het stafbare feit inhoudt. Een eventuele straf kan daarom niet als een verrassing komen.\n\n(ii)\n\nDe strafbaarstelling van straatintimidatie dient ook een doel als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM. Zoals hiervoor al is vermeld zijn de motieven die de gemeentelijke regelgever heeft met de strafbaarstelling van straatintimidatie divers. Met de strafbaarstelling wordt primair het openbare leven in de openbare ruimte en daarmee de openbare orde beschermt. Aan de andere kant moet het de personen die de straatintimidatie rechtstreeks ondergaan en de daarbij aanwezige omstanders die dat waarnemen beschermen.\n\nDeze doelstellingen vallen onder de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde legitieme doelen zoals ‘het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten’ maar ook ‘de bescherming van de rechten van anderen’.\n\n(iii)\n\nDan de vraag of de strafbaarstelling van straatintimidatie noodzakelijk is in de (Rotterdamse) democratische samenleving. Op de site van de genoemde reclamecampagne ‘pikpraat’ zijn ruim 2.200 meldingen gedaan en de ‘Stopapp’is meer dan 3.200 keer gedownload. Daarnaast is op de terechtzitting het openbare rapport ‘seksuele straatintimidatie in Rotterdam van de Erasmus Universiteit Rotterdam’aan de orde geweest. Dit rapport wordt ook genoemd in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren. Het onderzoek waarvan het rapport de weerslag is laat duidelijk zien dat straatintimidatie door heel veel vrouwen als probleem wordt ervaren, dat hen schaadt en dat het leidt tot aanpassing in het gedrag. In het rapport wordt een combinatie van maatregelen geadviseerd waaronder de strafrechtelijke aanpak. Uit het onderzoek blijkt de roep om een aparte strafbaarstelling om het probleem strafrechtelijk aan te vliegen. De reacties op de genoemde website en het rapport onderbouwt de noodzakelijkheid van de strafbaarstelling. Bij de vraag naar de noodzakelijkheid wordt meegewogen in hoeverre de door de strafbaarstelling verboden uitlatingen van belang zijn in het maatschappelijk debat. Een maatregel is in dat verband sneller als disproportioneel aan te merken als met het verbieden van de uitlating het maatschappelijk debat in een democratische samenleving wordt geraakt. In die belangenafweging maakt het dus uit dat het hier gaat om intimiderende, aanstootgevende, ergerniswekkend en\u002Fof overlast gevende uitlatingen. Dat raakt het maatschappelijk debat in de vrije democratische samenleving slechts marginaal.\n\nConclusie artikel 10 EVRM\n\nArtikel 2:1a van de APV voldoet aan de eisen die artikel 10 lid 2 EVRM stelt ten aanzien van de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Artikel 10 van het EVRM staat de strafbaarheid van de feiten in zaken die zijn gebaseerd op artikel 2:1a APV daarom ook niet in de weg.\n\n- Artikel 7 Grondwet\n\nArtikel 7 lid 3 Gw beschermt zoals hierboven is besproken in beginsel elke openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of gevoelen, ongeacht de intenties of de motieven van degene die zich uit. Het tweede zinsdeel van artikel 7 lid 3 Gw luidt: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit zinsdeel duidt erop dat dit grondrecht mag worden beperkt maar alleen bij wet in formele zin. De vraag die zich hier opdringt is daarom of de strafbaarstelling zoals deze in artikel 2:1a van de APV is geformuleerd niet op gespannen voet staat met dit uitgangspunt. Dat is het geval als in een concrete zaak de ten laste gelegde handelingen als het openbaren van gedachten of gevoelens moeten worden aangemerkt. Het gevolg daarvan is dat artikel 2:1a APV - voor dat deel - onverbindend is en bewezenverklaarde feiten (deels) niet strafbaar zullen zijn.\n\nConclusie artikel 7 Grondwet\n\nVoor zover onder de strafbaarstelling van artikel 2:1a APV het openbaren van gedachten of gevoelens wordt gebracht is dat artikel onverbindend omdat de APV geen wet in formele zin is. Dit betekent overigens helemaal niet dat het uiten van bepaalde gedachten of gevoelens niet moreel verwerpelijk kan zijn of dat strafbaarstelling van dergelijke uitspraken onmogelijk zou zijn. Het betekent niet meer en niet minder dan dat de manier waarop het nu is geregeld een zekere beperking met zich meebrengt.\n\nAntwoord g: Is de vrijheid van meningsuiting een vrijbrief voor overlast gevend gedrag in de openbare ruimte en is de artikel 2:1a APV daardoor een papieren tijger?\n\nHet antwoord op deze laatste vooropgestelde vraag is nee. De onverbindendheid van artikel 2:1a APV ten aanzien van uitlatingen waarbij gedachten of gevoelens worden geopenbaard staat in niet in de weg aan de mogelijke inzet van de strafbaarstelling als middel tegen straatintimidatie.\n\nHet staat in onze democratische rechtsstaat iedereen vrij om, ook met aanstootgevende taal, zijn gedachten of gevoelens te openbaren. En nee, daar kan de gemeentelijke regelgever niet op ingrijpen. Dat is voorbehouden aan de formele wetgever. Maar het openbaren van aanstootgevende taal is ook niet helemaal gratis. Aanstootgevende taal kan andere handelingen kleuren waardoor die handelingen als zodanig de delictsomschrijving van straatintimidatie zouden kunnen vervullen.\n\nEen voorbeeld ter verduidelijking\n\nEen bouwvakker roept vanaf een steiger: ‘hé meisje, waar gaan die lekkere beentjes heen’.De op dit gedrag toegesneden tenlastelegging gebaseerd op artikel 2:1a van de APV kan bij voldoende bewijs worden bewezenverklaard. Strafbaar is dit handelen echter niet omdat de door de bouwvakker geopenbaarde gedachten en gevoelens onder de vrijheid van meningsuiting vallen. De APV mag die vrijheid van meningsuiting niet beperken.\n\nDat zou anders kunnen zijn als de bouwvakker ook van de stijger komt, met de vrouw meeloopt en\u002Fof haar toesist eventueel in gezelschap van een collega. Dan zorgt de uitspraak: ‘hé meisje, waar gaan die lekkere beentjes heen’voor de kleuring van dat meelopen en sissen. Die kleuring draagt er aan bij dat het meelopen en\u002Fof sissen zelfstandig als aanstootgevende handelingen die overlast geven, kunnen worden gekwalificeerd.\n\nDaarbij is het dan wel van belang dat het feitelijk handelen van een verdachte zo uitgebreid en concreet mogelijk in de tenlastelegging wordt opgenomen. Anders gezegd: de uitspraak van de bouwvakker over de mooie beentjes van het meisje kan als bewijs worden opgevoerd ter kleuring van de andere tenlastegelegde handelingen. Als onderdeel van de bewezenverklaring blijft de uitspraak als zodanig niet strafbaar. Om die reden zou die uitspraak net zo goed uit de tenlastelegging kunnen worden weggelaten. Wel zou - onder omstandigheden - het aanspreken als zodanig, dus los van de inhoud, kunnen worden opgenomen als zelfstandige aanstootgevende handeling.Waardering van het bewijsFeiten en omstandigheden\n\nFeit 1\n\nOp 6 juli 2018 zit de verdachte op een stenen trap op de Coolsingel te Rotterdam en maakt geluiden richting drie richting vrouwen die komen aanlopen vanuit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept: ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ De verdachte brengt zijn linkerhand in de richting van zijn mond en tuit zijn lippen en maakt kusgebaren in de richting van de vrouwen. Een van de vrouwen zegt: ‘Kom we gaan weg hier’. Hierop lopen de vrouwen terug in de richting van het Binnenwegplein. De verdachte roept hen na: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ De vrouwen reageren niet en lopen door.\n\nEen andere vrouw komt uit de richting van het Binnenwegplein. De verdachte zegt tegen haar: 'Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. De vrouw reageert niet en loopt door.\n\nFeit 2\n\nOp 31 augustus 2018 loopt de verdachte op het Schouwburgplein te Rotterdam en kijkt in de richting van een vrouw die op de stenen zijrand van het Schouwburgplein zit. Hij gaat naast de vrouw zitten en blijft in de richting van de vrouw kijken. De vrouw schuift een meter op.\n\nDe verdachte spreekt de vrouw aan en roept: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ De vrouw reageert en zegt: ‘Dankjewel’ en negeert de verdachte. De verdachte tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouw. De verdachte loopt weg en spreekt drie andere vrouwen aan. De vrouwen reageren niet. De verdachte tuit zijn lippen en maakt kus- en handgebaren in de richting van de vrouwen en zegt: ‘Doei schatjes, fijne avond’.\n\nBeoordeling\n\nOp grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen in beide gevallen alle ten laste gelegde uitspraken en gedragingen worden bewezen. Deze handelingen kunnen steeds al bijna op zichzelf worden beschouwd als ‘aanstootgevend’ in de zin van ‘ergernis opwekkend’ en daarmee als ‘lastig vallen’ zoals hierboven besproken.\n\nDaar komt bij dat de verdachte in de grote stad als wildvreemde in totaal acht vrouwen aanspreekt en daarbij kus- en\u002Fof handgebaren maakt. Dit wordt extra ingekleurd door de uitspraken van de verdachte. In een van de twee gevallen maakt de verdachte ook nog geluiden in de richting van de vrouwen. In het andere geval gaat hij naast een vrouw zitten die vervolgens een meter van hem wegschuift. Wanneer de vrouwen de verdachte negeren volhardt hij in zijn gedrag en zet de verdachte zijn gebaren door. Met het samenstel van deze gedragingen benadert de verdachte de vrouwen met oneerzame bedoelingen.\n\nConclusie\n\nDe vastgestelde feitelijke handelingen worden gekleurd door de bijkomende feiten en omstandigheden en rechtvaardigen de conclusie dat de vrouwen in beide gevallen zijn lastig gevallen.\n\nBewezenverklaring\n\nIn bijlage II heeft de kantonrechter de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:\n\nFeit 1\n\nhij op of omstreeks6 juli 2018 te Rotterdam, opof aan de weg, te wetende Coolsingel,\n\n(een) ander(en), te weten (een)vrouw(en) heeft uitgejouwd en\u002Fofmet aanstootgevende taal,en\u002Fofgebarenen geluiden of gedragingenheeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte, naar die vrouw(en)geroepen\n\n‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ en\u002Fof‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ en\u002Fof‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’en\u002Fof\n\nin de richting van een of meervrouwen zijn lippen getuit en\u002Fofkusgebaren\n\ngemaakt.\n\nFeit 2\n\nhij op of omstreeks31 augustus 2018 inde gemeenteRotterdam opof aan de weg, te wetenhet Schouwburgplein,(een) ander(en), te weten (een)vrouw(en)heeft uitgejouwd en\u002Fofmet aanstootgevende taal,geluiden of gedragingenen\u002Fofgebaren heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte\n\ntegen een vrouw gezegd ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit’, en\u002Fof\n\nin de richting van een of meervrouw(en)zijn lippen getuit en\u002Fofkus- en\n\nhandgebaren gemaakt in de richting van deze vrouwenander(en).\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook)\n\ndaarvan worden vrijgesproken.Strafbaarheid feiten\n\nFeiten 1 en 2\n\nDe bewezenverklaarde mondelinge uitlatingen van de verdachte vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Die uitlatingen zijn te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen zoals omschreven in artikel 7 lid 3 Gw.\n\nDe bewezenverklaarde kus- en\u002Fof handgebaren vallen daarentegen niet onder vrijheid van meningsuiting. Het gaat immers om een handeling die op zichzelf niet per definitie als ‘speech’ moet worden gezien. Ook zijn de kus- en handgebaren binnen de vastgestelde context niet onmiskenbaar te beschouwen als het uiten van een gedachte of gevoelen. Wat de gebaren in de geschetste context hebben betekend wordt niet volledig duidelijk en de kus- en of handgebaren leveren in deze context geen enkele bijdrage aan enig maatschappelijk debat.\n\nUitingen die vallen onder de vrijheid van meningsuiting mogen alleen worden beperkt bij wet in formele zin. De APV is geen wet in formele zin en daarom is artikel 2:1a APV niet-verbindend. Gevolg daarvan is dat de bewezenverklaarde uitspraken van de verdachte als zodanig niet strafbaar zijn en de verdachte in zoverre zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nDe bewezen verklaarde feiten leveren overigens telkens op:\n\novertreding van artikel 2.1a van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nHet feit is dus strafbaar.Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.\n\nDe verdachte is dus strafbaar.Motivering straf\n\nDe straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft op straat in het centrum van de stad meerdere keren met zijn aanstootgevende gedrag voor overlast gezorgd. De overlast raakt in de eerste plaats de vrouwen die zich aan het gedrag van de verdachte probeerden te onttrekken. Op de tweede plaats raakt het gedrag ook de vrijheid van het individu in de openbare ruimte in het algemeen. Gedrag als dat van de verdachte kan ertoe leiden dat individuen zich anders gaan gedragen: bijv. een andere weg kiezen, een andere kledingkeus maken of er voor kiezen om niet meer alleen door de stad te lopen.\n\nKortom, de verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heel vervelend gedrag. Ook is het niet de eerste keer dat de verdachte wordt veroordeeld. Hij is meermalen veroordeeld onder andere voor mishandeling, winkeldiefstal en het aanwezig hebben van drugs.\n\nVoor de hoogte van de straf kan met een schuin oog worden gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van de Rechtspraak. Aansluiting kan worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor belediging en bedreiging. Daarop staan voor personen die zich voor het eerst schuldig maken aan zo een feit gelboetes van 150 euro en 250 euro. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het hier gaat om (APV) overtredingen in plaats van misdrijven.\n\nEen geldboete is een passende straf. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zullen de geldboetes voorwaardelijk worden opgelegd De verdachte wordt hiermee nog eens duidelijk aangesproken op zijn gedrag.Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten 1 en 2, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde voor zover dat betrekking heeft op de onder het tweede gedachtestreepje bewezenverklaarde handelingen;\n\nontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging voor de overige bewezenverklaarde handelingen;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde in zoverre oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nveroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 tot een geldboete van € 100 (zegge: honderd euro)bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door2 dagen hechtenis;\n\nveroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 100 (zegge: honderd euro)bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;\n\nbepaalt dat deze geldboetes niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de kantonrecht later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;\n\nstelt als algemene voorwaarde:\n\n- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.H. Janssen, kantonrechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D. Ince, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2018.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt, na wijziging, ten laste gelegd dat:\n\nFeit 1\n\nhij op of omstreeks 6 juli 2018 te Rotterdam, op of aan de weg, te weten de Coolsingel,\n\n(een) ander(en), te weten (een) vrouw(en) heeft uitgejouwd en\u002Fof met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte,\n\nnaar die vrouw(en) geroepen ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ en\u002Fof ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’ en\u002Fof ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’ en\u002Fof\n\nin de richting van een of meer vrouwen zijn lippen getuit en\u002Fof kusgebaren gemaakt.\n\nFeit 2\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2018 in de gemeente Rotterdam op of aan de weg, te weten het Schouwburgplein, (een) ander(en), te weten (een) vrouw(en) heeft uitgejouwd\n\nen\u002Fof met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen heeft lastig gevallen,\n\nimmers heeft hij, verdachte\n\ntegen een vrouw gezegd ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit’, en\u002Fof\n\nin de richting van een of meer vrouw(en) zijn lippen getuit en\u002Fof kus- en handgebaren gemaakt in de richting van deze ander(en).\n\nBijlage II\n\nBewijsmiddelen\n\nFeit 1\n\nHet proces-verbaal van politie nummer GMI700-201 800003, inhoudende als relaas van de [verbalisant] :\n\nOp 6 juli 2018 was ik op de Coolsingel te Rotterdam. Wij zagen drie vrouwen lopen die uit de richting kwamen van het Binnenwegplein. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouwen geluiden maakte. Ik zag dat links van mij een negroïde man op de stenen trap zat. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouwen riep ‘Hey, mooie dames. Waar gaan jullie naartoe?’ Ik zag dat de man zijn linkerhand bewoog richting zijn mond. Ik zag dat hij zijn lippen tuitte en vervolgens kusgebaren maakte in de richting van deze vrouwen. Ik zag en hoorde dat één van de drie vrouwen tegen de andere twee vrouwen zei: ‘Kom we gaan weg hier’. Ik zag dat de vrouwen terugliepen in de richting van het Binnenwegplein. Op dit moment zag en hoorde ik dat de man op een afstand van vijftien meter de vrouwen najouwde en riep: ‘Waar komen jullie vandaan? Kom mee naar de South-Side’. Ik zag dat de drie vrouwen hier niet op reageerden en doorliepen. Vervolgens zag ik dat er een andere vrouw uit de richting van het Binnenwegplein kwam en in de richting van de ingang van het metrostation Beurs liep. Ik hoorde dat de man in de richting van de vrouw zei: ‘Hey schatje, ga je nu al weg? Blijf nog even met me’. Ik zag dat de vrouw hier niet op reageerde en doorliep richting de ingang van het metrostation Beurs.\n\nFeit 2\n\nHet proces-verbaal van politie nummer GMI700-201 800004, inhoudende als relaas van de [verbalisant] :\n\nOp vrijdag 31 augustus 2018 omstreeks 20:30 op de openbare weg, namelijk het Schouwburgplein te Rotterdam. Ik zag dat voor ons op een afstand van tien meter, een negroïde man rondliep. Ik zag dat de man over het Schouwburgplein liep. Ik zag een vrouw zitten op de stenen zijrand van het plein. Ik zag dat de man in de richting van de vrouw keek. Ik zag dat de man in de richting van de vrouw toeliep en naast haar ging zitten. Ik zag dat de man de vrouw vaak aankeek en ik zag dat de vrouw ongeveer een meter opschoof van de man. Ik zag dat de man de aandacht van de vrouw wilde krijgen door haar aan te spreken. Ik hoorde dat de man de volgende woorden tegen de vrouw riep: ‘Hey mooie dame, je ziet er goed uit.’ Ik zag dat de vrouw hierover vermoedelijk verbaasd was en hoorde haar zeggen: ‘Dankjewel.’ Ik zag dat de vrouw de man hierna negeerde. Ik zag dat de man zijn lippen tuitte en vervolgens kus en handgebaren maakte in de richting van de vrouw. Ik zag dat de man hierna zijn weg vervolgde. Ik zag dat de man hierna drie andere vrouwen aansprak. Ik hoorde niet wat de man op dit moment riep. Ik zag dat de vrouwen hierop niet reageerden. Ik zag dat de man hierna weer zijn lippen tuitte en vervolgens kus- en handgebaren maakte in de richting van de vrouwen. Ik zag dat de man weer kus en handgebaren maakte in de richting van de vrouwen.\n\nVgl. o.m. bedreiging 285 Sr, belediging 266 Sr en smaad 261 Sr.\n\nHR 9 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9229, NJ 1993, 646.\n\nZie in dit verband wel: Kamerstukken II2017\u002F18, 34 904, nr.1-3.\n\nGerards, ‘Commentaar op artikel 10 EVRM’, in: SDU Commentaar EVRM,Den Haag: SDU uitgevers 2017.\n\nKamerstukken II2017\u002F18, 34 904, nr. 3. Voorstel van wet van de leden Asscher en Van Toorenburg tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het strafbaar stellen van seksuele intimidatie.\n\nEHRM 2 oktober 2012 (ontv.), nr. 57942\u002F10, ECLI:CE:ECHR:2012:1002DEC005794210 (Rujak t. Kroatie), EHRC 2013\u002F21 m.nt. A. Nieuwenhuis.\n\nInternationale databank met alle rechtspraak van het EHRM.\n\nZie noot van Nieuwenhuis bij EHRM 2 oktober 2012, nr. 57942\u002F10, EHRC 2013\u002F21.\n\n Zie o.m. KB 05-06-1986, ECLI:NL:XX:1986:AM9086 (\n\nhttps:\u002F\u002Fuitspraken.rechtspraak.nl\u002Fdetails?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10493\n\n), AB 1986, 569 m.nt. B.J. van der Net.\n\nHR 9 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9229, NJ 1993, 646; HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9136, NJ 1993, 197 m.nt. A.C. ’t Hart en KB 05-06-1986, ECLI:NL:XX:1986:AM9086 (\n\nhttps:\u002F\u002Fuitspraken.rechtspraak.nl\u002Fdetails?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10493\n\n), AB 1986, 569 m.nt. B.J. van der Net.\n\nHR 09 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001, 203 m. nt. J. de Hullu en HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE7632, NJ 2003, 261, m.nt. P.A.M. Mevis.\n\nHR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7262 NJ 2005, 566 m.nt. Y. Buruma.\n\n https:\u002F\u002Fstoppikpraat.nl\u002F\n\nApp voor op de smartphone waarop straatintimidatie kan worden gemeld.\n\nTamar Fischer & Natascha Sprado, Seksuele straatintimidatie in Rotterdam februari 2017\n\nm.m.v. Laura Heijnen. Zie https:\u002F\u002Fwww.rotterdam.nl\u002Fwonen-leven\u002Fseksuele-straatintimidatie\u002FOnderzoek-EUR-straatintimidatie.pdf.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2018:10493","2026-07-13T00:28:52.363Z",20]