[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-road-traffic-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":64,"limit":65},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2024-07-19T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[],[22,33,40,47,56],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1354","ECLI:NL:RBROT:2026:7855","ecli-nl-rbrot-2026-7855","","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10-015514-24, 10-360302-24, 96-276472-23 (gevoegd ttz.)\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2003 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.C. van Paridon\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nAdvocaat van de nabestaanden: mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor overtreding van artikel 6 WVW, terwijl de schuld bestaat uit zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte heeft een dodelijke aanrijding veroorzaakt met een voetganger terwijl de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met ongeveer 21 km\u002Fu werd overschreden. Daarnaast is bewezen: het verlaten van de plaats van het ongeval, tweemaal overtreding van artikel 5a WVW, het rijden met een ingevorderd rijbewijs, verduistering van een auto en overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 104 km\u002Fu. Aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – op 6 januari 2024 met een personenauto een dodelijk verkeersongeval heeft veroorzaakt, de plaats van het ongeval heeft verlaten, zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW en een personenauto heeft verduisterd. Ook wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 11 januari 2024 zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW, in een personenauto heeft gereden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en een personenauto heeft verduisterd. Ten slotte wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij op 17 oktober 2023 binnen de bebouwde kom met een personenauto in Rotterdam 154 km\u002Fu reed waar 50 km\u002Fu was toegestaan.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) staat in bijlage 1.2. Bewijsoverwegingen en gedeeltelijke vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle tenlastegelegde feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 4 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 en voor feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10-015514-24, de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-360302-24 en het feit in de zaak met parketnummer 96-276472-23 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte in de zaak met parketnummer 10-015514-24 zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval (feit 1 primair), het verlaten van de plaats van het ongeval (feit 2), overtreding van artikel 5a WVW (feit 3 primair) en verduistering (feit 4). In de zaak met parketnummer 10-360302-24 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 5a WVW (feit 1 primair) en het rijden met een ingevorderd rijbewijs (feit 2). Ten slotte heeft de verdachte zich in de zaak met parketnummer 96-276472-23 schuldig gemaakt aan het overschrijden van de toegestane snelheid met 104 km\u002Fu. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.\n\n De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft in de zaak met parketnummer 10.015514.24 feit 2 en feit 3 bekend, in de zaak met parketnummer 10-360302-24 feit 1 en feit 2 bekend en het feit bekend in de zaak met parketnummer 96-276472-23. Ook is voor deze feiten geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.\n\nParketnummer 10.015514.24\n\nFeit 2\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nFeit 3\n\n4. Verklaring van de verdachte\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\n7. Proces-verbaal van de politie\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1\n\n8. Verklaring van de verdachte\n\n9. Proces-verbaal van de politie\n\n10. Proces-verbaal van de politie\n\n11. Proces-verbaal van de politie\n\n12. Proces-verbaal van de politie\n\nFeit 2\n\n13. Verklaring van de verdachte\n\n14. Proces-verbaal van de politie\n\nParketnummer 96-276472-23\n\n15. Verklaring van de verdachte\n\n16. Proces-verbaal van de politie\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 4 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nParketnummer 10-015514-24\n\nFeit 1\n\n17. Verklaring van de verdachte\n\nIk heb op 6 januari 2024 in de auto gereden. Ik heb niet op de snelheidsmeter gekeken, ik was daar niet mee bezig. Toen ik tegen de mevrouw aankwam, wist ik niet wat er gebeurde. Ik hoorde dat iets de auto raakte bij de linker voorkant van de auto. Ik zag dat ik iemand had geraakt. Ik heb sowieso te hard gereden tijdens die proefrit. Ik weet dat ik voor en na het ongeval veel te hard gereden heb sowieso.\n\n18. Proces-verbaal van onnatuurlijke dood\n\nOverledene\n\nAchternaam: [achternaam]\n\nVoornamen: [voornaam]\n\nGeboren: [geboortedatum 2] 1937\n\nDatum\u002Ftijd vinden: zondag 7 januari 2024 om 21:30 uur\n\nKorte samenvatting van het gebeurde\n\nOp zaterdag 6 januari 2024 omstreeks 16:05 uur heeft er een verkeersongeval met letsel plaatsgevonden op de Schenkelsedreef in Capelle aan den IJssel. Aldaar zou een voetganger door een personenauto zijn aangereden, waarbij de personenauto is doorgereden. De voetganger is bij dit ongeval zwaar gewond geraakt en met neurotrauma overgebracht naar het EMC. Aldaar is het slachtoffer aan haar verwondingen komen te overlijden.\n\n19. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 6 januari 2024 vond er een verkeersongeval plaats op de Schenkelse Dreef te Capelle aan den IJssel tussen een personenauto en een voetganger. Deze Cupra was voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] en van een ingebouwde GPS-tracker. De gegevens van de GPS-tracker, waarin de locatie en gereden snelheid aangegeven werden, zijn door mij, verbalisant, geanalyseerd via de politie atlas. Van de locatie en de gereden snelheid zijn door mij schermafdrukken gemaakt en in een bijlage gezet, welke ik bij dit proces-verbaal heb gevoegd.\n\nVoertuig\n\nMerk\u002Ftype: Cupra Cupra Leon Sp E\n\nBijlage bij [proces-verbaalnummer 1]\n\n[google maps afbeelding met daarop de onderstaande tekst]\n\nVoertuig Leon SP Copper (ROT)\n\nDatum 2024-01-06T15:00:04.OOOZ\n\nTijd 2024-01-06T15:00:04.OOOZ\n\nSnelheid (k\u002Fh) 70.99992142\n\nSchenkelse Dreef Capelle aan den IJssel 50 km\u002Fh maximum toegestane snelheid\n\n20. Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 7 januari 2024\n\nIk had goed zicht. Er is daar geen zebrapad dus ik kijk ook niet naar links of rechts.\n\n21. Verkeersongevallenanalyse d.d. 4 april 2024\n\nHet ongeval vond plaats op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Schenkelse Dreef , ter plaatse gelegen binnen de bebouwde kom te Capelle aan den IJssel. Deze weg bestaat ter plaatse uit één rijbaan en is bestemd voor verkeer in beide richtingen. Langs de westelijke zijde van deze rijbaan bevond zich een verhoogde en verharde berm, een fietspad en een trottoir. Het ongeval had plaatsgevonden op de westelijk gelegen rijstrook van de Schenkelse Dreef ter hoogte van het kruispunt met de Wingerd . Ter plaatse gold op de Schenkelse Dreef een maximumsnelheid van 50 km\u002Fu voor motorvoertuigen.\n\nOp het wegdek globaal in het midden van die rijbaan was het slachtoffer aangetroffen.\n\nFeit 4\n\n22. Verklaring van de verdachte\n\nIk heb op 6 januari 2024 in de Cupra gereden. Ik heb de auto die dag opgehaald en wilde waarschijnlijk gewoon stoer doen. Ik wilde gewoon met een auto rijden om hem gratis te krijgen. Ik ben met de auto naar het ziekenhuis gegaan. Na het ongeval ben ik naar [sportschool] gegaan om alles eruit te stomen. De politie heeft mij daar gestopt.\n\n23. Verklaring van [medeverdachte]\n\n [verdachte] zat op de bestuurdersplek. Ik was de bijrijder.\n\nV: Wat hebben jullie nadat je de auto opgehaald had gedaan? A: Daarna reden we eerst langs zijn huis, in oost. Hij is thuis om gaan kleden om te sporten. Daarna zijn we gewoon gaan rijden.\n\n24. Proces-verbaal van aangifte d.d. 20 februari 2024\n\nHierbij doe ik aangifte van verduistering van een grijze personenauto Cupra Leon voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] . Op 6 januari 2024 omstreeks 14:09u kwam een persoon [verdachte] langs bij [autobedrijf 1] te [plaats] om een proefrit te maken met een auto. [verdachte] had 30 minuten om een proefrit te maken. Zij reden om 14:15u weg. Vanaf 14:45u hebben wij meerdere keren getracht telefonisch contact op te nemen. Er werd niet opgenomen. Omstreeks 16:11u hebben wij een sms gestuurd waarin stond dat als hij geen contact opnam, de politie ingelicht zou worden.\n\n25. Proces-verbaal van de politie\n\nOmstreeks 16:37 uur, werd ik door de centralist van het Operationeel Centrum van politie Eenheid Rotterdam, opgeroepen. Er was een melding binnen gekomen van een autoverhuurbedrijf dat een verhuurde auto voor een proefrit was meegenomen, maar na 2 uur nog niet terug was. Via de GPS die in de auto aanwezig was, zag men de auto uitpeilen op de Metaalhof ter hoogte van het sportcentrum [sportschool] te Rotterdam. Deze auto zou een Cupra Leon betreffen voorzien van kenteken [kentekennummer 1] . Ik reed vervolgens richting de Metaalhof te Rotterdam. Omstreeks 16:40 uur, reed ik op de Koperstraat te Rotterdam ter hoogte van sportcentrum [sportschool] . Opeens zag ik dat de grijze Cupra voorzien van kenteken [kentekennummer 1] mij passeerde. Ik stapte uit en benaderde de auto. Na dit onderzoek bleek dat de man die voor mij stond moest zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] .\n\n2.3.2.. Bewijsmotivering\n\nParketnummer 10-015514-24\n\nFeit 1 (aanrijding met dodelijk slachtoffer)\n\nOp 6 januari 2024 heeft omstreeks 16:05 op de Schenkelsedreef in Capelle aan den IJssel een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een personenauto met de verdachte als bestuurder en een voetganger. De voetganger, [slachtoffer] , is tijdens het oversteken aangereden en als gevolg hiervan overleden.\n\nDe vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte aan het verkeersongeval schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van het ongeval worden afgeleid. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.\n\nDe Schenkelse Dreef in Capelle aan den IJssel is een weg binnen de bebouwde kom waar een maximumsnelheid geldt van 50 km\u002Fu. De verdachte reed op het moment van de aanrijding ongeveer 71 km\u002Fu. De plaats waar het slachtoffer door de verdachte is aangereden, bevindt zich bij een oversteekplaats voor fietsers en naast een bushalte.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het overschrijden van de maximale snelheid binnen de bebouwde kom met ongeveer 21 km\u002Fu, in combinatie met het onvoldoende acht slaan op de omgeving, zeer onvoorzichtig gedrag oplevert, zodat het verkeersongeval aan verdachtes schuld is te wijten. Dat het slachtoffer is overgestoken op een plaats waar geen zebrapad was, doet daar niet aan af. Als bestuurder van de auto rustte op de verdachte de verantwoordelijkheid om behoedzaam en oplettend te zijn en om zijn snelheid zo te regelen dat hij tijdig zou kunnen reageren op mogelijk aanwezig, naderend of overstekend verkeer. Daarbij moet een bestuurder tot op zekere hoogte ook bedacht zijn op mogelijke verrassingen, waaronder fouten van andere (kwetsbare) verkeersdeelnemers. Bovendien betrof het een overzichtelijke weg en heeft de verdachte verklaard dat hij goed zicht had. De verdachte had het slachtoffer dus kunnen zien aankomen, maar heeft niet goed gekeken. Dat de verdachte zo hard reed, maakte dat hij niet kon anticiperen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij hard reed om stoer te doen en dat hij ook voorafgaand en vlak na de aanrijding te hard heeft gereden. Dit maakt dat de rechtbank de gedragingen kwalificeert als zeer onvoorzichtig.\n\nFeit 4 (verduistering 6 januari 2024)\n\nDe verdachte heeft op 6 januari 2024 bij [autobedrijf 1] in [plaats] omstreeks 14:15 uur een Cupra Leon personenauto met kenteken [kentekennummer 1] meegekregen voor een proefrit. De verdachte heeft de personenauto niet binnen de afgesproken tijd van 30 minuten teruggebracht. Een medewerker van [autobedrijf 1] heeft daarom de verdachte vanaf 14:45 uur meermaals geprobeerd te bellen. Ook zijn er berichten gestuurd naar de verdachte met de boodschap dat de afspraak niet is nagekomen omdat de auto niet binnen 30 minuten is teruggebracht en het verzoek de auto zo snel mogelijk terug te brengen omdat anders de politie zou worden ingeschakeld. Pas na 2,5 uur is er door ingrijpen van de politie een einde gekomen aan de ‘proefrit’.\n\nVolgens vaste rechtspraak kan voor een bewezenverklaring van verduistering van een voertuig niet worden volstaan met de enkele vaststelling dat het aan de verdachte meegegeven voertuig niet (op tijd) is teruggebracht. Hieruit blijkt immers niet dat de verdachte, zonder daartoe gerechtigd te zijn, daadwerkelijk als heer en meester over het voertuig heeft beschikt.\n\nDe uiterlijke verschijningsvorm van de overige gedragingen van verdachte die middag zijn naar het oordeel van de rechtbank echter zo gericht op het als heer en meester beschikken over het voertuig dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte zich het voertuig wederrechtelijk heeft toegeëigend. Zo heeft de verdachte naar eigen zeggen het voertuig gebruikt om stoer te doen en is hij ermee langs zijn huis gegaan, naar het ziekenhuis in Capelle aan den IJssel en heeft hij gedurende de proefrit diverse ernstige verkeersovertredingen gemaakt. Ook is hij tijdens de proefrit gaan sporten. Hieruit blijkt dat hij het voertuig voor een ander doel gebruikte dan waarvoor een proefrit is bedoeld, te weten het maken van een testrit om te beoordelen of het model of het rijgedrag van de auto voldoet aan de wensen voorafgaand aan een eventuele aankoop. De verdachte heeft het voertuig daarentegen gebruikt als kosteloos vervoermiddel. Daar komt bij dat hij zich onbereikbaar heeft gehouden voor de eigenaar ondanks dat er herhaaldelijk is geprobeerd contact met hem te leggen. Ten slotte is er slechts een einde gekomen aan het gebruik van het voertuig door ingrijpen van de politie. Dit maakt dat de rechtbank bewezen acht dat de verdachte op 6 januari 2024 het voertuig heeft verduisterd.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10-015514-24 (gewijzigd ttz.)\n\nFeit 1\n\nprimair\n\nhij op 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelsedreef , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu, in elk geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\n\n- daarbij niet danwel onvoldoende naar links en rechts heeft gekeken terwijl hij aldaar rijdend was en\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\n\n- vervolgens in aanrijding is gekomen met die [slachtoffer] ,\n\nwaardoor die [slachtoffer] werd gedood;\n\nFeit 2\n\nhij op 6 januari 2024, te Capelle aan den IJssel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef , de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel werd toegebracht;\n\nFeit 3\n\nprimair\n\nhij op 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op diverse (binnen de bebouwde kom gelegen) voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden; welke verkeersdragingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en met hoge snelheid langs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en Rotterdam, te weten:\n\n- 70 km\u002Fu op de Poortmolen en\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 130 km\u002Fu heeft gereden;\n\ndoor welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;\n\nFeit 4\n\nhij op 6 januari 2024 te Rotterdam opzettelijk een personenauto van het merk Cupra, met kenteken [kentekennummer 1] , toebehorende aan [autobedrijf 1] [plaats] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde Cupra mee te nemen voor een proefrit en deze Cupra niet binnen de afgesproken tijdsduur (30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 1] [plaats] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1\n\nprimair\n\nhij op 11 januari 2024 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel en Hendrik-Ido-Ambacht en Nieuwerkerk aan den IJssel als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke verkeersgedragingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\n\n- meermalen, abrupt en zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, en\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en 100 km\u002Fuur en\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en een rood kruis heeft genegeerd en over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nwelke gedragingen en gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd;\n\ndoor welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;\n\nFeit 2\n\nhij op 11 januari 2024 te Rotterdam en Capelle aan den IJssel en Hendrik-Ido-Ambacht en Nieuwerkerk aan den IJssel, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd, aldaar op voor het openbaar verkeer openstaande wegen een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;\n\nParketnummer 96-276472-23\n\nhij op 17 oktober 2023 te Rotterdam, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Abram van Rijckevorselweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 154 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.\n\n2.3.4.. \n\nVrijspraak (verduistering 11 januari 2024)\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd onder feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24. Het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen, omdat er op basis van het dossier en hetgeen op zitting is besproken onvoldoende duidelijkheid bestaat over de afgesproken duur van de proefrit. Niet kan worden vastgesteld dat de tenlastegelegde anderhalf uur is overeengekomen door partijen. Reeds om die reden wordt verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde verduistering.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren het volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10.015514.24\n\nFeit 1 primair\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood\n\nFeit 2\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 3 primair\n\novertreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 4\n\nverduistering\n\nParketnummer 10-360302-24\n\nFeit 1 primair\n\novertreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994\n\nFeit 2\n\novertreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994\n\nParketnummer 96-276472-23\n\novertreding van het bepaalde bij artikel 20, aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en dat hier rekening mee gehouden dient te worden in de strafmaat. Daarnaast verzoekt de verdediging, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, bij een bewezenverklaring te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en het opleggen van een werkstraf al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ten aanzien van de overtreding in de zaak met parketnummer 96-276472-23 verzoekt de verdediging om artikel 9a Wetboek van Strafrecht toe te passen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich op 6 januari 2024 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met een dodelijk slachtoffer. Hij heeft met een te hoge snelheid en zonder voldoende acht te slaan op de omgeving met een personenauto een overstekende voetganger aangereden. Hij is daarna met hoge snelheid doorgereden zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. De verdachte is direct na de aanrijding gaan sporten en heeft het voertuig schoongemaakt. Op diezelfde dag heeft hij opzettelijk meerderde verkeersregels in ernstige mate geschonden waarmee hij de veiligheid van andere verkeersdeelnemers in gevaar bracht. Daarbij heeft de verdachte onder meer met hogere snelheden gereden dan toegestaan was, negeerde hij een rood stoplicht en reed hij over de trambaan en het fietspad. Deze feiten pleegde hij met een personenauto die hij die dag had verduisterd. Hoewel de verdachte inmiddels was aangehouden voor deze feiten, zijn rijbewijs was ingevorderd en hem bekend was dat het slachtoffer inmiddels was overleden, heeft hij op 11 januari 2024 zich wederom schuldig gemaakt aan extreem gevaarlijk en asociaal rijgedrag met een auto. Zo reed de verdachte onder meer hogere snelheden dan toegestaan, maakte hij meermaals onnodige noodstoppingen, haalde hij rechts in en negeerde hij een rood kruis. Ook heeft de verdachte zich op 17 oktober 2023 schuldig gemaakt aan het overschrijden van de toegestane snelheid binnen de bebouwde kom met 104 km\u002Fu. Gedurende al deze feiten was de verdachte een beginnend bestuurder. Met zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s voor de verkeersveiligheid genomen en heeft hij zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd. Dit heeft geresulteerd in een dodelijk slachtoffer. Uit de op zitting afgelegde slachtofferverklaringen is gebleken welke gevolgen dit tot op de dag van vandaag voor de nabestaanden heeft. Juist ook het handelen van de verdachte na de aanrijding, het doorrijden en het enkele dagen later wederom ernstige verkeersovertredingen plegen, onderstreept de minachting van de verdachte voor de geldende verkeersregels en het gebrek aan zelfreflectie. Het is, gezien het rijgedrag van de verdachte, een wonder dat er niet meer slachtoffers zijn gevallen.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 13 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van GGZ Fivoor Toezicht Rotterdam van 4 juni 2026 staat onder meer dat het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als hoog. De verdachte staat momenteel in een andere zaak onder toezicht. De reclassering heeft diverse pogingen gedaan om de verdachte te motiveren tot gedragsverandering om zo het risico op delictgedrag te verminderen, maar desondanks lukt het niet om het toezicht positief te doorlopen. De verdachte lijkt geen intrinsieke motivatie te hebben om een positieve invulling te geven aan het toezicht. De reclassering erkent weliswaar de noodzaak om bijzondere voorwaarden te adviseren, maar ziet daarvoor geen mogelijkheden en adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 6 januari 2024 respectievelijk 11 januari 2024 omdat de verdachte op die data in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de in deze zaken geldende redelijke termijn van twee jaar is geschonden. De rechtbank houdt hiermee in het voordeel van de verdachte rekening bij de bepaling van de duur van de straf.4.3.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan, houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.\n\nDe rechtbank acht een gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden. Van deze gevangenisstraf worden vier maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt een straf op die hoger is dan de eis van de officier van justitie. De eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe tijd die door de verdachte in verzekering is doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDaarnaast zal aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd voor de duur van vijf jaar.\n\nTen aanzien van de snelheidsovertreding in de zaak met parketnummer 96-276472-23 ziet de rechtbank gelet op de hierboven genoemde straffen geen reden om dat feit nog afzonderlijk te bestraffen.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 6, 7, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 in de zaak met parketnummer 10-360302-24 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzijde rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaardedat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nToepassing 9a Sr\n\nbepaalt dat voor het feit in de zaak met parketnummer 96-276472-23 geen straf of maatregel wordt opgelegd;\n\nOntzegging van de rijbevoegdheid\n\nontzegtde verdachte voor feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10-015514-24 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-360302-24de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van5 (vijf) jaar;\n\nbepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs.\n\n7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nBijlage 1 – volledige tenlastelegging\n\nParketnummer 10-015514-24 (gewijzigd ter terechtzitting)\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend en\u002Fof onachtzaam en\u002Fof met aanmerkelijke verwaarlozing van de te deze geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelsedreef , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu heeft gereden, in elk geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en\u002Fof met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\u002Fof\n\n- en\u002Fof (daarbij) niet danwel onvoldoende (naar) links en\u002Fof rechts heeft gekeken terwijl hij aldaar rijdend was en\u002Fof\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en\u002Fof die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzie en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die [slachtoffer] ,\n\nwaardoor die [slachtoffer] werd gedood;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Schenkelse Dreef , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- met een snelheid van ongeveer 71 km\u002Fu heeft gereden, in ieder geval met een hogere snelheid dan de maximumsnelheid aldaar van 50 km\u002Fu heeft gereden en\u002Fof met een gelet op de situatie (veel) te hoge snelheid heeft gereden en\u002Fof\n\nterwijl een voetganger, genaamd [slachtoffer] , doende was de rijbaan van die Schenkelse Dreef over te steken en\u002Fof die rijbaan al voor een groot gedeelte was overgestoken,\n\n- hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) in botsing of aanrijding of aanraking is gekomen met die [slachtoffer] ;\n\n2\n\nhij, op of omstreeks 6 januari 2024, te Capelle aan den IJssel, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), betrokken bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef , de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) schade en\u002Fof letsel werd toegebracht;\n\n3\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op diverse (binnen de bebouwde kom gelegen) voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden; welke verkeersdraging(en) hierin heeft\u002Fhebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en\u002Fof met hoge snelheid langs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\u002Fof\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\u002Fof\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, te weten:\n\n- 70 kom\u002Fu op de Poortmolen en\u002Fof\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\u002Fof\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\u002Fof\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\u002Fof\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\u002Fof\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\u002Fof\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 30 km\u002Fu heeft gereden;\n\ndoor welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg\u002Fwegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg\u002Fwegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- op de West-Kruiskade te Rotterdam op de trambaan heeft gereden en\u002Fof met hoge snelheid\n\nlangs een tramhalte is gereden waar mensen stonden te wachten en\u002Fof\n\n- op het Weena te Rotterdam een voor hem geldend rood licht heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- op de Prins Alexanderlaan te Capelle aan den IJssel met zeer hoge snelheid (te weten gelegen tussen 56 en 86 km\u002Fu) op het fietspad parallel aan de metrobaan heeft gereden en\u002Fof\n\nvervolgens met veel te hoge snelheden heeft gereden op diverse wegen te Capelle aan den IJssel en\u002Fof Rotterdam, te weten\n\n- 70 km\u002Fu op de Poortmolen en\u002Fof\n\n- 73 km\u002Fu op de Schenkelse Dreef en\u002Fof\n\n- 66 km\u002Fu en 87 km\u002Fu op de Kralingseweg en\u002Fof\n\n- tussen 73 km\u002Fu en 86 km\u002Fu op de Prins Alexanderlaan en\u002Fof\n\n- 70 km\u002Fu op de Prinsenlaan en\u002Fof\n\n- 86 km\u002Fu op de Boszoom en\u002Fof\n\n- op de Bosdreef, waar 70 km\u002Fu was toegestaan, met een snelheid van ongeveer 30 km\u002Fu heeft gereden;\n\n4\n\nhij op of omstreeks 6 januari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto van het merk Cupra, met kenteken [kentekennummer 1] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [autobedrijf 1] [plaats] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde Cupra mee te nemen voor een proefrit en deze Cupra niet binnen de afgesproken tijdsduur (30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 1] [plaats] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 10-360302-24\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke verkeersgedraging(en) hierin heeft\u002Fhebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\u002Fof\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en\u002Fof moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\u002Fof\n\n- meermalen, althans eenmaal, abrupt en\u002Fof zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, althans zeer krachtig heeft geremd en\u002Fof\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en\u002Fof (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en\u002Fof 100 km\u002Fuur en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\u002Fof\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\u002Fof\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en\u002Fof (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en\u002Fof een rood kruis heeft genegeerd en\u002Fof over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\u002Fof\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nWelke gedragingen en\u002Fof gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd; door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openbare wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg\u002Fwegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg\u002Fwegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,\n\n- één of meer geslotenverklaringen heeft genegeerd en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak heeft stilgestaan op een afrit (van de Rijksweg A20) en\u002Fof\n\n- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij het verloop van de weg (een bocht) niet heeft kunnen volgen en\u002Fof moest bijsturen om het door hem bestuurde voertuig onder controle te krijgen en\u002Fof\n\n- meermalen, althans eenmaal, abrupt en\u002Fof zonder noodzaak een noodstop heeft gemaakt, althans zeer krachtig heeft geremd en\u002Fof\n\n- terwijl hij, verdachte, met hoge snelheid reed, een noodstop heeft moeten maken om een aanrijding met de bestuurder van een personenauto, die de weg opreed, te voorkomen en\u002Fof (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\n- meermalen op korte afstand achter andere voertuigen heeft gereden op wegen waar een maximumsnelheid gold van 80 en\u002Fof 100 km\u002Fuur en\u002Fof\n\n- zonder noodzaak is gaan stilstaan op ongeveer 80 meter vóór een verkeerslicht en\u002Fof\n\n- een parkeervak links van de rijbaan (gezien vanuit verdachtes rijrichting) is ingereden waarbij een tegemoetkomende bestuurder van een personenauto moest remmen om een aanrijding te voorkomen en\u002Fof\n\n- op de Rijksweg A20 rechts heeft ingehaald en\u002Fof (te) kort achter andere voertuigen heeft gereden en\u002Fof een rood kruis heeft genegeerd en\u002Fof over een verdrijvingsvlak heeft gereden en\u002Fof\n\n- een rood licht uitstralend verkeerslicht heeft genegeerd;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof gereden snelheden, die ruim boven de geldende maximumsnelheden binnen en buiten de bebouwde kom lagen, op de dashcam van het door verdachte bestuurde voertuig zijn vastgelegd;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam en\u002Fof Capelle aan den IJssel, en\u002Fof Hendrik-Ido-Ambacht en\u002Fof Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en\u002Fof van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, aldaar op voor het openbaar verkeer openstaande wegen een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 11 januari 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een personenauto van het merk NIO, met kenteken [kentekennummer 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [autobedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vorengenoemde NIO mee te nemen voor een proefrit en deze NIO niet binnen de afgesproken tijdsduur (1 uur en 30 minuten) te retourneren aan [autobedrijf 2] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.\n\nParketnummer 96-276472-23\n\nhij op of omstreeks 17 oktober 2023 te Rotterdam, binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Abram van Rijckevorselweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 154 kilometer per uur, in elk geval de aldaar voor motorvoertuigen toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – voor de zaak met parketnummer 10-015514-24 gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 1] ( [dossiernaam 1] ), voor de zaak met parketnummer 10-360302-24 gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 2] ( [dossiernaam 2] ) en voor de zaak met parketnummer 96-276472-23 op de paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernummer 3] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 21 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 30 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 42 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 62 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 136 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 22 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\n Pagina 25 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .\n\n Pagina 32 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 9] .\n\n Pagina 45 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 10] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 63 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 2] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 11] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 12] .\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Voor de zaak met parketnummer 10-015514-24 wordt gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer 1] ( [dossiernaam 1] ).\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 209 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 13] .\n\n Pagina 136 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Pagina 178 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 14] .\n\n Pagina 269 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 15] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.\n\n Pagina 202 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 16] .\n\n Pagina 14 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 17] .\n\n Pagina 30 e.v. van zaaksdossier [dossiernummer 1] , proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7855","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:17.456Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1355","ECLI:NL:RBROT:2026:7856","ecli-nl-rbrot-2026-7856","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-360280-24\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres van [adres] [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.G.J. Plat\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nAdvocaat van de nabestaanden: mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het verlaten van de plaats van het ongeval. De verdachte zat als bijrijder in het voertuig waarmee een dodelijke aanrijding is veroorzaakt. Niet is komen vast te staan dat het ongeval mede door haar gedraging is veroorzaakt. De verdachte is daarmee niet betrokken bij een verkeersongeval in de zin van artikel 7 WVW.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – op 6 januari 2024 in Capelle aan den IJssel als betrokkene na een aanrijding tussen een personenauto en [slachtoffer] de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl zij wist of moest vermoeden dat [slachtoffer] letsel dan wel schade was toegebracht.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\nzij, op of omstreeks 6 januari 2024 te Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op de Schenkelse Dreef, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en\u002Fof schade was toegebracht.2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak\n\nTen laste is gelegd dat de verdachte al dan niet als bestuurder betrokken is geweest bij een verkeersongeval en de plaats van dat ongeval heeft verlaten.\n\nDe verdachte zat op 6 januari 2024 als bijrijder in de personenauto op het moment van het verkeersongeval. De medeverdachte heeft als bestuurder van een personenauto het overstekende slachtoffer [slachtoffer] aangereden en is, nadat hij een kort moment was gestopt, weer doorgereden. Een dag na het ongeval is het slachtoffer aan de gevolgen van de aanrijding overleden.\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte bij het verkeersongeval ‘betrokken’ is geweest in de zin van artikel 7 WVW 1994.\n\nVolgens rechtspraak van de Hoge Raad kan degene die niet de bestuurder van het rechtstreeks bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig was, slechts worden aanmerkt als bij het verkeersongeval ‘betrokken’ indien het ongeval door zijn gedraging (handelen of nalaten) is veroorzaakt.\n\nNiet is gebleken dat de verdachte zich heeft bemoeid met het rijden of dat zij op andere wijze een aandeel heeft gehad in het veroorzaken van de aanrijding met het slachtoffer. De betrokkenheid van de verdachte bestond er slechts in dat de verdachte als passagier feitelijk bij het verkeersongeval aanwezig was. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten om de verdachte aan te merken als bij het verkeersongeval ‘betrokken’ in de zin van artikel 7 lid 1 WVW 1994.\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van de beschuldiging.3. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\n4. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Oord en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nVgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4431 (in relatie tot artikel 7, eerste lid aanhef en onder a WVW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7856","2026-07-13T00:29:17.522Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":46},"1356","ECLI:NL:RBROT:2026:7857","ecli-nl-rbrot-2026-7857","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.206717.25\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nDatum zitting: 11 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. H.W. Leemans\n\nOfficier van justitie: mr. N. Daalder\n\nAdvocaat van het slachtoffer: mr. R.S.M. van der Leij\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft als bestuurder van een vrachtwagen op een kruising binnen de bebouwde kom bij het rechtsaf slaan, het slachtoffer dat zich op de fiets naast de vrachtwagen bevond, niet opgemerkt. Als gevolg hiervan is zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer ontstaan. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW, in die zin dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging houdt in dat\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 29 november 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en\u002Fof de Molenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend te gedragen, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en\u002Fof (langere tijd) tot stilstand gehouden en\u002Fof heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en\u002Fof rechtsaf gereden en\u002Fof\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en\u002Fof voldoende van vergewist en\u002Fof is zich er gedurende het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en\u002Fof naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en\u002Fof is (vervolgens) tegen die fietser aangebotst en\u002Fof aangereden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden en\u002Fof\n\n- terwijl een of meerdere spiegels van de vrachtwagen niet goed waren afgesteld en\u002Fof waarbij het zicht van die spiegels werd gehinderd door een of meer gordijnen en\u002Fof vervuiling,\n\nwaardoor een ander (zijnde die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair\n\nhij op of omstreeks 29 november 2024 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmee rijdende op de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en\u002Fof de Molenlaan, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en\u002Fof (langere tijd) tot stilstand gehouden en\u002Fof heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en\u002Fof rechtsaf gereden en\u002Fof\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en\u002Fof voldoende van vergewist en\u002Fof is zich er gedurende het vooruit en\u002Fof rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en\u002Fof naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\u002Fof\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en\u002Fof is (vervolgens) tegen die fietser aangebotst en\u002Fof aangereden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden en\u002Fof\n\n- terwijl een of meerdere spiegels van de vrachtwagen niet goed waren afgesteld en\u002Fof waarbij het zicht van die spiegels werd gehinderd door een of meer gordijnen en\u002Fof vervuiling.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit, in die zin dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit en heeft zich ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 29 november 2024 reed ik over de Burgemeester F.H. van Kempensingel in Rotterdam in een vrachtwagencombinatie. Een stuk voor de kruising met de Molenlaan had ik [slachtoffer] zien fietsen vanuit een zijstraat. Ik stond bij de kruising links voorgesorteerd om rechtsaf te kunnen slaan. Ik was half ingedraaid en had al rechts ingestuurd. Ik zag een verbodsbord voor vrachtwagens en ben gestopt. Ik reed een klein stukje naar achteren en wilde linksaf slaan. Ik heb [slachtoffer] niet gezien.\n\n2. Proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongevalDit onderzoek vond plaats naar aanleiding van een verkeersongeval op 29 november 2024 omstreeks 08:03 uur. Het ongeval had plaatsgevonden op het kruispunt Burgemeester F.H. van Kempensingel\u002FMolenlaan, gelegen binnen de bebouwde kom van Rotterdam. De rijbaan in de richting van de Molenlaan bestond tot ongeveer 62 meter voor het kruispunt met de Molenlaan uit één rijstrook. Daarna was de rijbaan verdeeld in 2 voorsorteerstroken; één voor naar linksafslaand verkeerd en één voor rechtsafslaand verkeer. Op de Burgemeester F.H. van Kempensingel was geen fietsstrook of fietspad aanwezig.\n\nAangezien het ongeval omstreeks 08:03 uur had plaatsgevonden en de zonsopkomst die dag om 08:23 uur was, vond het ongeval plaats tijdens schemer.\n\nBij het ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:\n\n- Een bedrijfsauto (trekker) en oplegger, fabrieksmerk Daf, met kenteken [kentekennummer] ;\n\n- Een fiets van het merk Batavus.\n\nInterpretatie van sporen op de weg en aan de voertuigen\n\nGelet op de plaats waar wij de eerste krassporen aantroffen, voorbij het kruisende fietspad van de Molenlaan, was het aannemelijk dat de bestuurder van de Batavus voornemens was rechtdoor de Molenlaan over te steken. Gelet op de sporen was de Daf met de rechterzijde tegen de Batavus aangebotst terwijl de Batavus zich rechts naast de Daf bevond. Gelet op de sporen was de Daf met het rechtervoorwiel over de Batavus gereden terwijl de Daf rechtsaf sloeg. Gelet op de Batavus die vóór de voorzijde van de Daf op de weg was gepositioneerd, was de Daf na de botsing met de Batavus, waarbij de Daf over de Batavus was gereden, achteruitgereden waarbij de Daf waarschijnlijk nogmaals over de Batavus heen reed.\n\nDeelonderzoek Tachograaf\n\nEr kon worden gesteld dat de Daf omstreeks 08:01:09 uur aankwam bij het kruispunt. De Daf stond gedurende 24 seconden stil en reed vervolgens vooruit over een afstand van ongeveer 8 meter. De Daf had vervolgens, na ongeveer 2 seconden te hebben stilgestaan, over een afstand van ongeveer 5 meter achteruit gereden. De Batavus passeerde de Daf over de gehele lengte terwijl de Daf reeds stilstond.\n\nConclusie gemeten gezichtsveldenonderzoek\n\nUit onderzoek blijkt dat de Batavus en zijn bestuurder op elk moment dat deze zich naast de Daf bevond, zichtbaar is geweest in één van de spiegels.\n\n3. FARR-verklaring [slachtoffer] van 17 april 2025Informatie ontvangen van deafdeling Traumachirurgie van het Erasmus MCbetreffende de opname van 29 november tot en met 12 december 2024.\n\nOp 29 november 2024 was sprake van:\n\na. Afstroping van de huid van het rechter bovenbeen, het been werd geopereerd;\n\nb. In de bekken bevonden zich drie breuken, links in het darmbeen en beiderzijds in het schaambeen;\n\nc. Er werd schade gezien aan een aftakking van de linker bekkenslagader waardoor actief bloedverlies in het kleine bekken;\n\nd. Er werd schade gezien aan de urine buis in de penis, er werd een urine katheter geplaatst;\n\ne. Er werd een afscheuringsbreuk gezien aan de rechter enkel, er werd onderbeengips aangelegd.\n\nOp basis van een ongecompliceerd beloop betreft de geschatte genezingsduur:\n\na. Afstropingsletsel: 2 à 3 weken. Bij ontslag naar het revalidatiecentrum was de verwonding aan het rechterbeen gesloten en was er sprake van een litteken, waarschijnlijk permanent zichtbaar;\n\nb. Diverse bekkenfracturen: 6 weken tot 3 maanden met noodzaak tot fysiotherapie;\n\nc. Letsel aan een aftakking van bekkenslagader: genezen ten tijde van ontslag;\n\nd. Verwonding urinebuis: minimaal 1,5 maand waarbij noodzaak tot plaatsen van katheter in de buikwand.\n\ne. Afscheuringsbreuk enkel: tot 4 weken.\n\nInformatie ontvangen van afdeling Urologie van het Wilhelmina kinderziekenhuisbetreffende een consult, telefonisch contact en een opname van 28 tot 29 maart 2025.\n\nRadiologisch onderzoek van de urinewegen toonde een niet doorgankelijke urinebuis van de blaas tot halverwege de penis. Het letsel is na vier maanden nog niet hersteld. Betrokkene kan niet normaal plassen, maar is afhankelijk van een katheter in zijn buikwand. Er bestaat kans op herstel van de normale plasfuncties, maar hier is nog geen zicht op en de eventuele operatie kan permanente gevolgen hebben.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nZoals volgt uit de bewijsmiddelen, heeft in de ochtend van 29 november 2024 op een kruising in Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte heeft met een door hem bestuurde vrachtauto met oplegger een fietser, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), aangereden. De verdachte heeft het slachtoffer, dat zich rechts naast de vrachtwagen bevond, niet gezien toen hij naar rechts instuurde. Het slachtoffer is ten val gekomen en met zijn fiets onder de vrachtwagen terechtgekomen en heeft hierdoor letsel opgelopen.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna ook: WVW)?\n\nOm tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit te komen, moet de verdachte schuld hebben in de zin van artikel 6 WVW. Of dat het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid. Een tijdelijk moment van onoplettendheid of een enkele verkeersfout zonder bijkomende bijzondere omstandigheden zijn onvoldoende voor het aannemen voor schuld.\n\nOmstandigheden waaronder het ongeval plaatsvond\n\nHet verkeersongeval vond plaats omstreeks 08:03 uur op een vrijdag in november in een woonwijk binnen de bebouwde kom van Rotterdam. Dat betekent dat het op dat moment schemerde en dat sprake was van ochtenddrukte door woon-werkverkeer. De verdachte wilde met de door hem bestuurde vrachtwagen rechtsaf slaan op de kruising van de F.H. van Kempensingel met de Molenlaan. Hij stond echter voorgesorteerd op de rijstrook voor linksafslaand verkeer op de F.H. van Kempensingel, naar eigen zeggen omdat hij anders met de vrachtwagencombinatie de bocht naar rechts niet zou kunnen maken. Hierdoor kon bij andere weggebruikers de indruk ontstaan dat de vrachtwagen linksaf zou slaan en werd daarbij ook de mogelijkheid aan andere weggebruikers gegeven om zich in de vrije ruimte op de rechterrijstrook op te stellen om de Molenlaan op te rijden. Voordat de verdachte afsloeg, stond hij 24 seconden stil op de kruising en in die tijd is het fietsende slachtoffer de vrachtwagen aan de rechterzijde gepasseerd en stil gaan staan op de rechterrijstrook. De verdachte sloeg rechtsaf en is toen tegen het slachtoffer aangereden. Na een paar seconden te hebben stilgestaan, is hij achteruit gereden waarna hij het slachtoffer nogmaals heeft geraakt.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij de ochtend van het ongeval zijn spiegels had gecontroleerd, maar dat hij het slachtoffer desondanks niet heeft gezien. Volgens de verdachte heeft het slachtoffer in zijn dode hoek gezeten. Uit de verkeersongevallenanalyse volgt echter dat het slachtoffer in de spiegels van de vrachtwagen op elk moment zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, waardoor de rechtbank die conclusie van de verdachte verwerpt. Ook het verweer van de verdediging dat de verkeersongevallenanalyse niet bruikbaar is omdat daarin een verkeerde positionering van de vrachtwagen als uitgangspunt zou zijn genomen, wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het gezichtsveldenonderzoek in de verkeersongevallenanalyse dat de verdachte via zijn spiegels goed zicht had op de rijstrook naast de vrachtwagen en de stoep daarnaast. Ook als de positie van de vrachtwagen in werkelijkheid verder naar links zou zijn geweest dan in de analyse (wat de rechtbank niet kan vaststellen), moet het slachtoffer zichtbaar zijn geweest in de spiegels. De zichtbaarheid van het slachtoffer werd bovendien vergroot doordat hij een gele fietshelm droeg en een oranje vlaggetje aan zijn fiets had.\n\nVan een ervaren beroepschauffeur als verdachte mag verwacht worden dat hij extra voorzichtigheid betracht ten opzichte van ander verkeer, zeker op het moment dat hij in de ochtendspits met een vrachtwagen met oplegger binnen de bebouwde kom en op een onoverzichtelijke kruising rijdt terwijl het schemerig is. Dit is des te meer het geval op het moment dat er wordt voorgesorteerd op de rijbaan voor linksafslaand verkeer, terwijl hij voornemen is om rechtsaf te slaan. Op dat moment dient extra voorzichtigheid en oplettendheid te worden betracht omdat andere verkeersdeelnemers hier niet op voorbereid hoeven te zijn. Hoewel het slachtoffer zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, heeft hij hem niet opgemerkt. Door de combinatie van al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.\n\nLetsel slachtoffer\n\nBij het slachtoffer is als gevolg van het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Hij heeft onder meer breuken in de bekken en de enkel opgelopen, is meermaals geopereerd en heeft langdurig moeten revalideren. Ten tijde van de zitting, ruim anderhalf jaar na het ongeval, is het slachtoffer nog niet volledig hersteld.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen in die dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij het slachtoffer.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nprimair\n\nhij op 29 november 2024 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] ), daarmede rijdende over de weg, (de kruising van) de Burgemeester F.H. van Kempensingel en de Molenlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen, bestaande dat gedrag hieruit:\n\n- verdachte heeft een fietser (zijnde [slachtoffer] ) ingehaald en\n\n- verdachte heeft (vervolgens) zijn vrachtwagen op voornoemde weg tot stilstand gebracht en (langere tijd) tot stilstand gehouden en heeft zijn vrachtwagen (vervolgens) vooruit en rechtsaf gereden en\n\n- verdachte heeft zich voorafgaande aan het vooruit en rechtsaf rijden niet, althans niet tijdig en voldoende van vergewist en is zich er gedurende het vooruit en rechtsaf rijden niet, althans niet voldoende, van blijven vergewissen dat de weg voor en naast hem vrij was van enig (kruisend) verkeer en\n\n- verdachte heeft (daarbij) niet opgemerkt dat die fietser (zijnde [slachtoffer] ) doende was zijn, verdachtes, vrachtwagen rechts in te halen en is (vervolgens) tegen die fietser aangereden en\n\n- ( vervolgens) achteruit heeft gereden en (daarbij nogmaals) over de fiets(er) is heengereden\n\nwaardoor een ander (zijnde die [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nprimair\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het primaire feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr, dan wel om een gehele of gedeeltelijke voorwaardelijke straf op te leggen. Een ontzegging van de rijbevoegdheid zou enorme gevolgen hebben voor de verdachte, mede gelet op zijn werk.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich als bestuurder van een vrachtauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Hij heeft zich er bij het afslaan niet voldoende van vergewist dat de weg vrij was en heeft het slachtoffer niet opgemerkt, waardoor dat slachtoffer ten val is gekomen en met zijn fiets onder de vrachtauto is beland. Met zijn onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker veronachtzaamd, met name nu hij een professioneel bestuurder is die al vele jaren als beroepschauffeur werkt. Het destijds negenjarige slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval ernstig letsel opgelopen waarvan hij lange tijd heeft moeten herstellen en waarvan hij, blijkens de ter zitting afgelegde verklaringen, nog steeds niet volledig hersteld is. De rechtbank realiseert zich dat een op te leggen straf nooit recht zal doen aan het leed dat bij het slachtoffer is ontstaan als gevolg van het ongeval.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte is nog steeds werkzaam bij dezelfde werkgever, maar heeft om aangepaste diensten gevraagd als gevolg van het ongeval. De verdachte rijdt nu voornamelijk diensten buiten de spitsuren. De verdachte heeft op de terechtzitting spijt betuigd en zijn excuses aan het slachtoffer en zijn familie aangeboden. Het verkeersongeval heeft onmiskenbaar veel indruk op de verdachte gemaakt.4.3.3.. \n\nOplegging straffen\n\nBij de bepaling van de straffen heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 120 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.\n\nHet handelen van de verdachte is weliswaar gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar de rechtbank merkt op dat er in dit geval sprake is van de ondergrens van de in dat artikel bedoelde schuld. De verdachte heeft zich ter zitting zeer schuldbewust opgesteld en ook is gebleken dat hij mentaal veel last heeft gehad van het ongeval. Ook de verdachte zal moeten leren leven met de gevolgen van zijn handelen. De verdachte is daarnaast nooit eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Gelet op die omstandigheden, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de oriëntatiepunten en de eis van de officier van justitie. Een taakstraf voor de duur van 40 uren wordt passend en geboden geacht. Daarnaast zal, gelet op het belang van de verdachte om over een rijbewijs te kunnen beschikken, de ontzegging van de rijbevoegdheid in voorwaardelijke vorm worden opgelegd.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het primaire feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nOntzegging van de rijbevoegdheid\n\nontzegtde verdachtede bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van6 (zes) maanden;\n\nbepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs;\n\nbepaalt dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzijde rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 (twee) jaar;\n\ntenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde, dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken, niet naleeft.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J. de Lange, voorzitter,\n\nen mrs. H.J. de Kraker en E.M. Moison, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het procesdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 27 mei 2026.\n\n Het proces-verbaal forensisch onderzoek verkeersongeval, Eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer] , pagina 82 tot en met 120 van het procesdossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .\n\n De FARR verklaring bevattende medische informatie over [slachtoffer] van 17 april 2025, pagina 40 tot en met 42 van het procesdossier, opgemaakt door forensisch arts [arts] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7857","2026-07-13T00:29:17.572Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"355","ECLI:NL:RBROT:2026:7510","ecli-nl-rbrot-2026-7510","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 25\u002F9281\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),\n\nen\n\nDe algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, CBR\n\n(gemachtigde: mr. S. van der Ark).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegd medisch onderzoek naar de rijgeschiktheid. Eiser is het niet eens met het opgelegde onderzoek door het CBR. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het opleggen van het onderzoek.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het onderzoek heeft mogen opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Bij besluit van 5 augustus 2025 (het primaire besluit) heeft het CBR aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.\n\nTotstandkoming bestreden besluit\n\n3. Op 8 juni 2025 heeft er een eenzijdig ongeval plaatsgevonden waarbij eiser tegen een verkeersbord is aangereden. Naar aanleiding van dit ongeval heeft de politie aan het CBR medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig van de categorie B te besturen.\n\n3.1.. In het mutatierapport van de politie staat – voor zover relevant – het volgende:\n\n“Op ddt krijgen wij een melding om te gaan naar de A15 Links. Aldaar zou een auto\n\ntegen een verkeersbord zijn gereden.\n\nWij kwamen ter plaatse en zagen dat er een auto in de berm stond tussen de uitrit en\n\nde autosnelweg. Wij zagen dat een verkeersbord was beschadigd. Bestuurder had geen\n\nletsel en de schade was niet ernstig aan de auto. Hierdoor was te zien dat hij niet\n\nmet hoge snelheid tegen het verkeersbord was aangereden.\n\nDe bestuurder kon niet blazen ivm zijn astma, verder geen indicatie van alcohol.\n\nDrugstest was negatief. Bestuurder kon niet normaal lopen en hij verklaarde dat hij\n\nhart klachten had en astma. Wij zagen dat de bestuurder niet goed zijn knieën kon\n\nbewegen tijdens het lopen. Wij hoorden dat hij zelf ook aangaf dat hij last had van\n\nzijn knieën. Wij hoorden aan zijn ademhaling dat dit ging met moeite, hij moest vaak\n\nhoesten waardoor heel zijn lichaam samentrok. De bestuurder verklaarde dat hij reed op de autosnelweg en dat hij werd ingehaald door een andere auto met hoge snelheid. Hierdoor schrok de bestuurder en kon hij niet meer recht rijden. Nadat hij het verkeersbord had geraakt probeerde hij weg te rijden, dit ging niet door de schade aan het voertuig.\n\nHierop besloten wij mededeling 130 op te maken. Dit door zijn fysieke gezondheid en\n\nop zijn reactie vermogen in het verkeer.”\n\n3.2.. Na ontvangst van de bovengenoemde melding heeft het CBR met het primaire besluit besloten dat eiser een medisch onderzoek moet ondergaan om te bepalen of hij nog geschikt is om en auto te besturen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.\n\n3.3.. Met het bestreden besluit heeft het CBR het standpunt van het primaire besluit gehandhaafd. Het CBR stelt dat uit de informatie van de politie blijkt dat eiser last heeft van hartklachten, astma en niet goed kon lopen. Volgens het CBR rechtvaardigt dit een vermoeden van ongeschiktheid en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de informatie uit de ontvangen melding onjuist is. Daarnaast is er geen ruimte voor een belangenafweging op grond van de persoonlijke omstandigheden van eiser, aldus het CBR.\n\nStandpunt eiser\n\n4. Eiser voert aan dat het CBR ten onrechte heeft aangenomen dat er een vermoeden bestaat van rijongeschiktheid. De conclusies van de verbalisanten zijn niet onderbouwd met objectief bewijsmateriaal. Daarnaast was eiser onder indruk van het ongeval waardoor bepaalde uitspraken door de politie anders zijn geïnterpreteerd dan eiser had bedoeld. Eiser stelt dat de twijfel over de rijvaardigheid van de politie niet hetzelfde is als een vermoeden. Daarnaast is de beperkte financiële ruimte van eiser een bijzondere omstandigheid waardoor de dwingendrechtelijke bepaling buiten toepassing moet worden gelaten. Eiser verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2022.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nProcesbelang\n\n5. Op zitting is duidelijk geworden dat eiser wel de opleggingskosten heeft betaald, maar niet de kosten voor het onderzoek door een arts. De rechtbank stelt vast dat het procesbelang aanwezig is, omdat het onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het beroep inhoudelijk wordt beoordeeld.\n\nVermoeden van ongeschiktheid\n\n6. Volgens vaste rechtspraak dient voor het opleggen van een medisch onderzoek naar de geschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.\n\n6.1.. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage.\n\n6.2.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR een vermoeden van rijongeschiktheid heeft mogen aannemen. Het CBR heeft zich gebaseerd op een mutatierapport waaruit blijkt dat de politie heeft waargenomen dat eiser moeilijk liep, lastig ademhaalde en dat hij vaak moest hoesten waardoor zijn lichaam samentrok. Ook blijkt uit het rapport dat eiser zelf heeft verklaard dat hij last heeft van zijn knieën en hartklachten heeft. De stelling van eiser dat de politie een en ander verkeerd heeft geïnterpreteerd volgt de rechtbank niet. Uit het mutatierapport blijkt dat de politie feitelijke waarnemingen heeft gedaan en heeft opgeschreven wat eiser heeft verteld. De rechtbank ziet, net als het CBR, geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het mutatierapport. Anders dan eiser stelt, mag het CBR zich baseren op het rapport en de bevindingen van de politie zonder nader (medisch) bewijsmateriaal. Hierbij is van belang dat het mutatierapport is opgesteld door een politieagent, die als onafhankelijke ervaringsdeskundige in staat kan worden geacht gedrag te analyseren. Dat het CBR heeft overwogen dat er wordt getwijfeld aan de lichamelijk geschiktheid van eiser maakt niet dat ten onrechte een vermoeden van ongeschiktheid is aangenomen.\n\nEvenredigheidsbeginsel\n\n7. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is een wet in formele zin en dwingendrechtelijk geformuleerd. Alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen zulke bepalingen worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en buiten toepassing worden gelaten (contra-legem). Dan moeten er zeer bijzondere omstandigheden zijn waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en die maken dat toepassing van de wettelijke regels zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht dat de regels daarom niet moeten worden toegepast.De beperkte financiële ruimte die eiser heeft om de onderzoekskosten te betalen is naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid zoals hiervoor is bedoeld.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van het CBR in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd te tekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: wet- en regelgeving\n\nWegenverkeerswet 1994\n\nArtikel 130\n\n1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\n2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.\n\n3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden. […]\n\nArtikel 131\n\n1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:\n\na. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of\n\nb. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.\n\nHet besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.\n\n2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:\n\na. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt; […]\n\nRegeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011\n\nArtikel 23\n\n[…]\n\n3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:\n\n[…]\n\nb. in geval van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage, onder I en II;\n\n[…]\n\nBijlage\n\nB. Geschiktheid\n\nI. Lichamelijke geschiktheid\n\n[…]\n\nj. uit een medische verklaring blijkt van sterke aanwijzingen voor een verhoogd risico op een situatie als bedoeld onder a tot en met i.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:415\n\n ECLI:NL:RVS:2021:1462\n\n ECLI:NL:RVS:2023:772","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7510","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.846Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":31,"updatedAt":63},"1792","ECLI:NL:RBROT:2024:6870","ecli-nl-rbrot-2024-6870","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 23\u002F8374\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [plaatsnaam], eiser\n\n(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),\n\nen\n\nDe algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen(CBR)\n\n(gemachtigde: [naam]).\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 31 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het CBR aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 6 november 2023 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld.\n\n1.2.. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2.1.. Op 5 juni 2023 heeft de politie eenheid Rotterdam op grond van artikel 130 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 een mededeling rijvaardigheid en geschiktheid gedaan bij het CBR, omdat het vermoeden bestaat dat eiser niet beschikt over de rijgeschiktheid die is vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. In de mededeling heeft de politie opgenomen dat eiser in beschonken toestand de politie heeft gebeld met de mededeling dat hij het leven niet meer zag zitten en dat hij, als de politie niet direct kwam, zijn auto dwars op de A16 zou zetten. Vervolgens is eiser door de politie op de vluchtstrook van de A16 aangetroffen in beschonken toestand. Eiser verklaarde een zelfmoordmiddel te hebben ingenomen en nog maar drie minuten te leven had. Nadat eiser was nagekeken door ambulancepersoneel bleek hiervan geen sprake. Gezien de psychische toestand van eiser vormt hij volgens de politie een gevaar voor zichzelf en voor andere weggebruikers.\n\n2.2.. \n\nNaar aanleiding van de mededeling van de politie heeft het CBR het primaire besluit genomen, dat met het besteden besluit is gehandhaafd. Het CBR heeft de geldigheid van het rijbewijs van eiser geschorst en aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. De schorsing is erop gebaseerd dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat eiser geestelijk of lichamelijk niet goed functioneert of dat hij ernstige psychiatrische problemen heeft (artikelen 5 en 6, aanhef en onder c, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling)). Het opleggen van het onderzoek is erop gebaseerd dat het CBR twijfelt aan de geestelijke geschiktheid van eiser om te rijden wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag dan wel abnormale opwindingstoestanden (artikel 23, derde lid, van de Regeling in verbinding met bijlage 1, onder B, onderdelen I en II).\n\nHet rijbewijs van eiser is inmiddels ongeldig verklaard, wegens het niet voldoen van de opleggingskosten.\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat de beslissing niet binnen de termijn van vier weken na de melding van de politie heeft plaatsgevonden. Verder voert hij aan dat niet is gebleken op welke (deskundige) wijze is vastgesteld dat sprake zou kunnen zijn van twijfel aan de geestelijke geschiktheid wegens ernstig gestoord inzicht of gedrag of abnormale opwindingstoestanden. Hij stelt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om van een vermoeden uit te gaan. Eiser stelt verder dat causaal verband ontbreekt tussen zijn geestestoestand en het gevaar voor de verkeersveiligheid. Ten onrechte zijn de gebeurtenissen na de aanhouding en op het politiebureau betrokken op de verkeersveiligheid. Ook voert eiser aan dat er in dit individuele geval dringende redenen zijn op grond waarvan de Regeling buiten toepassing moet worden gelaten, omdat de gevolgen voor hem onevenredig zijn. De politierechter heeft de individuele, privéomstandigheden waaronder een dreigend isolement en het verstoken blijven van medische behandeling laten prevaleren en is overgegaan tot teruggave van het rijbewijs. Er is in de strafzaak geen nadere maatregel opgelegd en ook het OM achtte de recidivekans zeer gering. Tot slot ontkent eiser het voertuig te hebben bestuurd. Hij stelt dat zijn buurman hem naar de vluchtstrook heeft gereden. Ook daarom had het CBR geen onderzoek naar de rijgeschiktheid mogen opleggen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt of het CBR terecht de geldigheid van het rijbewijs heeft geschorst en aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht de geldigheid van het rijbewijs heeft geschorst en aan eiser een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nMocht het CBR de maatregel opleggen?7.1.. Artikel 131, eerste lid, van de WVW 1994 schrijft voor dat het besluit waarbij een onderzoek naar de rijgeschiktheid wordt opgelegd zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, wordt genomen.7.2.. \n\nVaststaat dat het CBR het primaire besluit niet binnen vier weken na ontvangst van de mededeling van de politie heeft genomen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) brengt een overschrijding van deze termijn niet met zich dat het CBR niet meer bevoegd is een besluit tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid te nemen.Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de beslistermijn is opgenomen met het oog op de wens te komen tot een in het belang van de verkeersveiligheid slagvaardiger optreden tegen verkeersgevaarlijke overtredingen in het algemeen en een verscherpte aanpak van alcoholovertredingen in het bijzonder. De termijn is dus niet in het belang van eiser gesteld. Met andere woorden, zoals het CBR terecht heeft gesteld, is er geen sprake van een fatale termijn. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nMocht het CBR ervan uitgaan dat eiser de auto heeft bestuurd?8.1.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR voldoende heeft gemotiveerd dat eiser als bestuurder van de auto kan worden aangemerkt. Het CBR mocht daarbij afgaan op het relaas van de politie, waarin onder meer staat dat alleen eiser bij de auto op de vluchtstrook van de A16 is aangetroffen, dat hij heeft verklaard naar de A16 te zijn gereden, maar dat hij die verklaring later introk en dat Rijkswaterstaat geen andere personen op de camerabeelden heeft gezien. Verder heeft het CBR daarbij kunnen betrekken dat eiser door de politierechter is veroordeeld voor rijden onder invloed. Hieraan kan zoals het CBR terecht heeft gesteld niet afdoen dat eiser heeft verklaard dat zijn buurman hem naar de A16 heeft gebracht. Dit heeft eiser op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.8.2.. Daarnaast heeft het CBR zich (ten overvloede) terecht op het standpunt gesteld dat het voor de bevoegdheid om een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk een motorrijtuig is bestuurd. De houder van een geldig rijbewijs dient te allen tijde te beschikken over de vereiste geschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig, of hij nu daadwerkelijk aan het verkeer deelneemt of niet. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nWas er voldoende aanleiding om een onderzoek naar de rijgeschiktheid op te leggen.9.1.. De rechtbank overweegt dat er voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid hoeft te bestaan. Het opgelegde onderzoek dient er juist toe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. Een onderzoek kan onder meer worden opgelegd in het geval van ernstig gestoord inzicht of gedrag.\n\n9.2.. Volgens vaste rechtspraak van de Afdelingmag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van bewijs, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n9.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR voldoende onderbouwd waarop het vermoeden van ongeschiktheid gebaseerd is en heeft het CBR zich terecht op het standpunt gesteld dat voldaan is aan de voorwaarden in artikel 23, derde lid sub B WVW1994 en de bijlage I, onder B onderdeel I en II van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat eiser midden in de nacht de politie heeft gebeld met de mededeling dat hij het leven niet meer zag zitten en dat hij, als de politie niet direct kwam, zijn auto dwars op de A16 zou zetten. De verbalisant heeft 20 minuten telefonisch met eiser gesproken en meegedeeld dat de politie niet voor een gesprek langs zou komen. Vervolgens is eiser in beschonken toestand op de vluchtstrook van de A16 aangetroffen. Eiser verklaarde een zelfmoordmiddel te hebben ingenomen en dat hij nog maar drie minuten te leven had. Volgens het proces-verbaal belt eiser vaak naar de politie als hij onder invloed van alcohol is en zegt hij dan regelmatig dat hij het leven niet meer ziet zitten. De politie heeft vervolgens een mededeling gedaan aan het CBR. Het CBR mocht uitgaan van de juistheid van de bevindingen en heeft zich naar het oordeel terecht op het standpunt gesteld dat er een vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijgeschiktheid die is vereist voor het besturen van een motorrijtuig. Anders dan eiser betoogt is het voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid niet noodzakelijk dat er causaal verband wordt vastgesteld tussen de geestestoestand en daadwerkelijk (ontstaan) gevaar voor de verkeersveiligheid.\n\nHad het CBR op grond van bijzondere omstandigheden moeten afzien van de oplegging van het onderzoek naar de rijgeschiktheid?\n\n10. De rechtbank volgt het standpunt van het CBR dat het op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, gelezen in verbinding met artikel 5, aanhef en onder c, en artikel 6 van de Regeling, gehouden was tot het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid. Volgens vaste rechtspraak laten de toepasselijke bepalingen uit de WVW1994 en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Een rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken.Het CBR heeft zich naar het oordeel terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zo’n zeer uitzonderlijk geval. In dit verband heeft het CBR geen betekenis toe hoeven kennen aan het feit dat eiser zijn rijbewijs in het kader van de klaagschriftprocedure van de strafrechter heeft teruggekregen. Het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid is een bestuursrechtelijke maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid, die losstaat van de strafrechtelijke procedure. De strafrechtelijke beoordeling zag ook alleen op het rijden onder invloed, terwijl het in deze bestuursrechtelijke procedure gaat om de rijgeschiktheid in het licht van de psychische problematiek van eiser. Ook de door eiser gestelde specifieke achtergrond van de gebeurtenissen, zijn psychische problemen, PTSS en isolement door het niet mogen rijden, heeft het CBR terecht niet als zeer uitzonderlijke omstandigheden aangemerkt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het CBR tot oplegging van een onderzoek naar de rijgeschiktheid van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. L. Zwager, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWegenverkeerswet 1994\n\nArtikel 130\n\n1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\n[…]\n\nArtikel 131\n\n1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:\n\na. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of\n\nb. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.\n\nHet besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.\n\n[…]\n\nRegeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011(geldend van 01-04-2023 t\u002Fm heden)\n\nArtikel 5\n\nEen vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen: […] c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en\u002Fof lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;\n\n[…]\n\nArtikel 6\n\nIn de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\nArtikel 23\n\n[…]\n\n3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:\n\na. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer;\n\nb. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder B, onderdelen I en II;\n\nc. indien betrokkene op grond van artikel 21, onderdelen a, b, c, f, g of h niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel gedrag en verkeer; of\n\nd. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.\n\n[…]\n Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011\n\nIn bijlage 1, onder B, onderdeel II, \"Geestelijke geschiktheid\", zijn genoemd als feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:\n\n[…] b. ernstig gestoord inzicht of gedrag; […]\n\nf. abnormale opwindingstoestanden;\n\n[…]\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1134.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NLRVS:2023:1519.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3587.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:6870","2024-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.153Z",1,20]