[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-tort-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":145},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},10,{"min":18,"max":19},"2023-10-06T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[21,26,29,33,36,39,42,45,48,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121870","Burgerlijk Wetboek","art. 8:1004 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121871","art. 6:163",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"121888","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 237 lid 1",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"122189","art. 6:212",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"122825","art. 7:954",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"122826","art. 7:453",{"provisionId":43,"code":23,"article":44,"count":25},"122827","art. 6:75",{"provisionId":46,"code":23,"article":47,"count":25},"122829","art. 7:941",{"provisionId":49,"code":23,"article":50,"count":25},"122918","art. 5:126 lid 5",{"provisionId":52,"code":31,"article":53,"count":25},"123141","art. 130 lid 1",[55,66,75,84,93,102,111,120,128,137],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"563","ECLI:NL:RBROT:2026:7412","ecli-nl-rbrot-2026-7412","","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel & haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F700708 \u002F HA ZA 25-455\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. P.E. Epping,\n\ntegen\n\n1.. [gedaagde 1] ,\n\nte [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] ,\n\nadvocaat: mr. S. de Wit, 2.[gedaagde 2], handelend onder de naam[handelsnaam],\n\nte [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. T. Abbo,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagde partijen.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [eiser] heeft vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [eiser] stelt dat hij recht had op hulp van die partijen en dat hij onvoldoende hulp van hen heeft gekregen. Daardoor heeft hij zijns inziens schade geleden. Hij grondt zijn vorderingen op wanprestatie, onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank wijst de vorderingen af omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Zijn vorderingen zijn niet deugdelijk onderbouwd. Daarom is het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vrijwel onmogelijk om de aan hen gemaakte verwijten te onderzoeken en om daarover in rechte een zinvol debat te voeren. [eiser] wordt in de proceskosten veroordeeld. Hierna worden de genomen beslissingen nader toegelicht.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaardingen van 27 mei 2025, met producties 1 t\u002Fm 8; - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties 1 t\u002Fm 8;\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties 1 en 2; - de brieven van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- het bericht van 23 oktober 2025 van de rechtbank, waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;\n\n- de aanvullende producties 9 t\u002Fm 21 van [eiser] ;\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde spreekaantekeningen van [eiser] .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] is afkomstig uit Liberia, vanwaar hij is gevlucht voor een oorlog. In 2003 heeft hij zich in Nederland gevestigd. Hij is analfabeet, spreekt geen Nederlands en lijdt aan dyspraxie waardoor spreken überhaupt moeilijk is. In 2021 is hij gediagnosticeerd als autistisch.\n\n3.2.. Via het COA kwam [eiser] in 2006 terecht bij [gedaagde 2] . [eiser] en [gedaagde 2] hebben afspraken gemaakt op basis waarvan [gedaagde 2] – kort gezegd – [eiser] zou helpen bij zijn integratie in de maatschappij, onder andere door begeleiding bij het regelen van huisvesting en financiën.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert een verklaring voor recht waaruit blijkt dat gedaagden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade met verwijzing van de zaak naar een schadestaatprocedure, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende hulp heeft gekregen van gedaagden. Hij benoemt in dat kader vijf voorbeelden, hieronder geciteerd uit de spreekaantekeningen van [eiser] :\n\n [eiser] moest op het kantoor van Woonbron tekenen voor een woning, die woning had hij nooit gezien. Van hem werd verwacht dat hij direct de huur zou voldoen. [eiser] was echter met lege handen bij de COA weggegaan en had geen inkomen of uitkering. [gedaagde 2] noch [gedaagde 1] hebben hem hierin bijgestaan;\n\n [eiser] kwam terecht in een woning zonder gas, water en licht. Onbekend met het systeem van Nederland en de taal heeft hij maandenlang zonder deze voorzieningen geleefd;\n\n [eiser] heeft van meet af aan te kennen gegeven dat hij een zoon heeft die hij naar Nederland wilde halen, hierin werd hem geen ondersteuning geboden terwijl [eiser] met eigen ogen heeft waargenomen dat derden deze hulp wel geboden kregen. Deze derden spraken de taal beter dan [eiser] ;\n\nDrie jaar lang heeft [eiser] van 50 euro per maand moeten leven vanwege een aanmelding bij de Kredietbank voor vele schulden, maar na die drie jaar waren de schulden niet opgelost, sterker nog, die waren alleen maar opgelopen;\n\nEr werd met de identiteit van [eiser] gefraudeerd. [eiser] moest zijn papieren\u002Fdocumenten inleveren bij [gedaagde 2] . Later zou hij van [gedaagde 1] een brief krijgen dat hij in Apeldoorn zou werken (terwijl hij in Rotterdam en\u002Fof Eindhoven woonde) en daarom geen uitkering kreeg. Het bedrijf in Apeldoorn kende hem echter niet. Het simpele antwoord van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] was: “je bent een fraudeur, we kunnen je niet helpen.”\n\n4.3.. Aan zijn vorderingen legt [eiser] primair ten grondslag dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van overeengekomen plannen. [eiser] stelt daardoor (vooral emotionele) schade te hebben geleden. Subsidiair grondt [eiser] zijn vordering op onrechtmatige daad. Daartoe stelt hij dat gedaagden in strijd met “de overeenkomst” hebben gehandeld en in strijd met ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer. Meer subsidiair voert [eiser] aan dat gedaagden, in het bijzonder [gedaagde 2] , ongerechtvaardigd is\u002Fzijn verrijkt ten koste van hem omdat [gedaagde 2] voor de hulpverlening budget heeft gekregen maar aan [eiser] geen hulp is verleend.\n\n4.4.. Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten de stellingen van [eiser] , voeren aan dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld en beroepen zich op verjaring. Gedaagden concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten. [gedaagde 1] verzoekt de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente als die kosten niet binnen 14 dagen na het vonnis zijn betaald.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. Voor de primaire en subsidiaire grondslag geldt dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Voor de meer subsidiaire grondslag geldt dat de juridische redenering ondeugdelijk is. Dat wordt hierna toegelicht.\n\nPrimaire en subsidiaire grondslag: [eiser] voldoet niet aan zijn stelplicht\n\n5.2.. \n [eiser] stelt dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten dan wel onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld. Op hem rust de stelplicht. Dat houdt in dat hij alle feitelijke elementen moet stellen die benodigd zijn voor het intreden van de door hem beoogde rechtsgevolgen. Die stellingen moet hij in voldoende mate concretiseren. Anders gezegd: het is aan [eiser] om concreet te onderbouwen wat gedaagden verkeerd zouden hebben gedaan. Dat geldt temeer nu het gaat om vermeende tekortkomingen dan wel onrechtmatige daden uit een inmiddels vrij ver verleden. Dat brengt immers mee dat het voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitermate lastig is om de relevante feiten te achterhalen.\n\n5.3.. \n [eiser] heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. De voorbeelden die hij heeft genoemd zijn niet concreet genoeg. Zo blijkt nergens uit op wie van gedaagden welke specifieke contractuele verplichting rustte en waarom die gedaagde ten aanzien van die verplichting is tekortgekomen. [eiser] lijkt ervan uit te gaan dat ieder probleem waarop hij bij zijn inburgering is gestuit opgelost had moeten worden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en dat waar dergelijke problemen niet of niet snel genoeg zijn opgelost dat per definitie een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] oplevert. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welke concrete contractuele verplichtingen van welke van gedaagden een dergelijk vergaande verantwoordelijkheid meebrengen. Hij heeft ook anderszins niet aangetoond welke afspra(a)k(en) gedaagden toerekenbaar zouden hebben geschonden. Ook blijft onduidelijk waar de vermeende onrechtmatige da(a)d(en) uit zou(den) hebben bestaan. Het had op de weg van [eiser] gelegen om duidelijk te maken wat hij gedaagden precies verwijt. [eiser] stelt dat er naast de door hem genoemde (maar niet voldoende uitgewerkte) voorbeelden nog “talloze voorbeelden” te noemen zijn, maar hij benoemt die voorbeelden vervolgens niet. Door zijn stellingen onvoldoende te concretiseren maakt [eiser] het vrijwel onmogelijk voor gedaagden om zich adequaat te verdedigen. Gedaagden hebben dus terecht aangevoerd dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.\n\nMeer subsidiaire grondslag: de juridische redenering is ondeugdelijk\n\n5.4.. De vordering kan ook niet worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking zoals beschreven in artikel 6:212 BW. Daarvoor is immers onder meer vereist dat sprake is van verarming van [eiser] . Als [gedaagde 2] ten onrechte budget van [gedaagde 1] niet zou hebben gebruikt voor hulpverlening aan [eiser] (zoals [eiser] stelt), dan is er geen sprake van verarming van [eiser] in juridisch relevante zin. [eiser] heeft immers niet betaald voor de hulpverlening. Voor de stelling dat [gedaagde 1] ongerechtvaardigd is verrijkt heeft [eiser] in het geheel niets aangevoerd.\n\nTen slotte\n\n5.5.. In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank nog als volgt. Het komt de rechtbank voor dat de verwachtingen van [eiser] over de mogelijkheden van gedaagden om zijn problemen voor hem op te lossen, te optimistisch zijn geweest. [eiser] kwam in aanmerking voor zorg. Die is in uren geïndiceerd in WMO-beschikkingen. In sommige perioden was dat 0,5 uur en in sommige perioden 2 uur per week, zo heeft [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken aangevoerd. De zorg die kon worden geboden was niet van zodanige omvang dat van een hulpverlenende instantie als [gedaagde 2] kon worden verwacht dat zij onder meer alle mogelijke praktische problemen zou oplossen. Dat is ook niet de taak van die instantie, noch van [gedaagde 1] .\n\n5.6.. \n [eiser] heeft aangevoerd dat zijn problemen zijn opgelost sinds hij zijn vrouw heeft leren kennen. Zijn vrouw is in feite zijn mantelzorger en biedt hem een mate van zorg en begeleiding die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet (hebben) kunnen bieden, in ieder geval niet op basis van de gestelde WMO-indicaties. [eiser] had kennelijk behoefte aan een mate van zorg die niet door [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] wordt verleend. Dat het leven van [eiser] na zijn vestiging in Nederland niet is gelopen zoals hij had gewild, betekent niet dat hij schade heeft geleden waarvoor gedaagden uit wanprestatie of onrechtmatige daad aansprakelijk zijn.\n\n5.7.. Opmerking verdient dat [gedaagde 2] gemotiveerd heeft gesteld dat zij in de loop der jaren wel degelijk hulp heeft verleend aan [eiser] en dat [eiser] daar ook baat bij heeft gehad. [gedaagde 2] heeft in dat kader concrete voorbeelden genoemd die door [eiser] niet zijn weersproken. Nu [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal de rechtbank echter niet inhoudelijk ingaan op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd.\n\nProceskosten\n\n5.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , ieder afzonderlijk, worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5.9.. De door [gedaagde 1] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] , binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde 1] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. 3533 \u002F 1729","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7412","2026-06-25T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:36.905Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":70,"fullText":71,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":72,"sourceTimestamp":73,"parsedAt":64,"updatedAt":74},"1620","ECLI:NL:RBROT:2026:6761","ecli-nl-rbrot-2026-6761","2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11562860 CV EXPL 25-4370\n\ndatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1],\n\neiser,\n\ngemachtigde: mr. M.H. Cassa,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2],\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg.\n\nPartijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 10 februari 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlage;\n\nde nadere producties van [eiser] van 6 februari 2026.\n\n1.2.. Op 17 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem op 2 september 2023 op een festival in Rotterdam zonder aanleiding geslagen waardoor hij ernstig tandletsel en andere schade heeft opgelopen. Hij eist daarom op grond van onrechtmatige daad betaling van € 6.727,70 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, € 2.199,18 aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij erkent dat hij heeft geslagen, maar voert aan dat hij zichzelf moest verdedigen (noodweer) omdat hij eerst door [eiser] bij zijn nek werd gegrepen.\n\n3. De beoordeling\n\nOnrechtmatig handelen\n\n3.1.. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade als gevolg van het incident op 2 september 2023. Om te kunnen spreken van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en een plicht tot schadevergoeding, moet de kantonrechter eerst beoordelen of sprake was onrechtmatig handelen door [gedaagde].\n\n3.2.. Vast staat dat op 2 september 2023 een incident tussen [eiser] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft erkend dat hij [eiser] op enig moment een klap heeft gegeven. Hiermee heeft [gedaagde] de lichamelijke integriteit van [eiser] geschonden en zich in beginsel onrechtmatig gedragen jegens [eiser]. Van onrechtmatig handelen is echter geen sprake indien vast komt te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestond (artikel 6:162 lid 2 BW). [gedaagde] heeft aangevoerd dat zo’n rechtvaardigingsgrond aanwezig is, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Hiervoor moet aangenomen kunnen worden dat de klap van [gedaagde] noodzakelijk was om zijn lijf, eerbaarheid of goed te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [eiser]. Het is aan [gedaagde] om in dit verband het nodige naar voren te brengen.\n\n3.3.. \n [gedaagde] heeft aan zijn beroep op noodweer ten grondslag gelegd dat [eiser] als eerste de confrontatie op zocht en hem aanviel. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] dit aangevuld met de stelling dat [eiser] zijn nek greep en hem sloeg. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] een schriftelijke verklaring van [naam 1] van 15 maart 2026 overgelegd, waarin staat vermeld dat [naam 1] zag dat [eiser] [gedaagde] bij de nek greep en enkele malen naar hem uithaalde. Ook heeft [gedaagde] foto’s van zichzelf overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij letsel heeft opgelopen.\n\n3.4.. In reactie op het beroep op noodweer heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] hem eerst uit het niets heeft geslagen. [eiser] heeft [gedaagde] pas op een later moment – namelijk toen [eiser] na de klap achter [gedaagde] aan rende en dus ook op een andere locatie – bij de nek gegrepen. [eiser] heeft dit onderbouwd met zijn aangifte, waarin hij over deze twee verschillende momenten heeft verklaard en hierbij heeft benoemd dat [naam 1] bij het tweede moment aanwezig was. Overigens gaat ook [gedaagde] in de conclusie van antwoord uit van twee verschillende momenten, waarbij [eiser] tijdens het tweede moment [gedaagde] in een soort nekklem heeft gehouden. Verder heeft [eiser] de door hem gestelde feitelijke gang van zaken onderbouwd met twee processen-verbaal. Hierin zijn de verklaringen van twee getuigen opgenomen die bevestigen dat [gedaagde] [eiser] “gelijk” en “uit het niets” sloeg in (de richting van) het gezicht. Hieruit volgt dus niet dat [eiser] [gedaagde] voorafgaand aan de klap bij de nek heeft gegrepen en hem heeft geslagen. Het gestelde noodweer blijkt ook niet uit de door [eiser] overgelegde verklaring van getuige (en vriend van [gedaagde]) [naam 2] die hij bij de politie heeft afgelegd. [naam 2] heeft verklaard dat hij alleen heeft gezien dat [eiser] [gedaagde] vast had en dat hij niet heeft gezien wat er daarvoor is gebeurd.\n\n3.5.. Tot slot heeft [eiser] nog gewezen op de geldboete van € 1.000,00 die de officier van justitie via een strafbeschikking aan [gedaagde] voor mishandeling heeft opgelegd. Vast staat dat de officier van justitie het noodweerverweer tijdens de zogenaamde OM-hoorzitting waarin de strafbeschikking werd opgelegd, heeft verworpen. De strafbeschikking is op 23 december 2023 onherroepelijk geworden, omdat [gedaagde] deze – naar eigen zeggen vanwege proceseconomische redenen – heeft geaccepteerd. Weliswaar heeft deze strafbeschikking niet net als een vonnis van de strafrechter dwingende bewijskracht, maar gelet op de wetsgeschiedenis van de strafbeschikking wordt wel verwacht dat een civiele rechter aan een onherroepelijke strafbeschikking meer dan gemiddelde bewijskracht zal toekennen.\n\n3.6.. Gelet op deze uitgebreide en onderbouwde betwisting van de gestelde noodweersituatie had van [gedaagde] mogen worden verwacht dat hij was ingegaan op de stelling dat het grijpen bij de nek door [eiser] pas ruimschoots na de klap van [gedaagde] heeft plaatsgevonden of dat hij zijn beroep op noodweer op andere wijze (beter) had onderbouwd. [gedaagde] kan niet volstaan met het overleggen van een enkele verklaring en de genoemde foto’s. De foto’s van het gestelde letsel bieden net als de eerder besproken verklaring van [naam 1] – in het licht van de betwisting van [eiser] – onvoldoende steun voor het noodweerscenario van [gedaagde]. Het gestelde letsel is hierop lastig te zien en kan bovendien ook goed passen bij de worsteling tijdens het tweede moment.\n\n3.7.. Dat betekent dat het door [gedaagde] gestelde noodweer, in het licht van de betwisting door [eiser] (inclusief de overgelegde stukken en de opgelegde strafbeschikking), niet is komen vast te staan. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande ook onvoldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.\n\nSchade en het causale verband\n\n3.8.. Nu sprake is van een aan [gedaagde] toerekenbare onrechtmatige daad, is [gedaagde] verplicht de schade die [eiser] door die onrechtmatige daad lijdt, te vergoeden. [eiser] stelt dat hij als gevolg van de mishandeling ernstig tandletsel heeft opgelopen en daardoor de volgende materiële en immateriële schade heeft:\n\nmedische kosten (tandarts) van € 849,70;\n\nverlies van verdienvermogen van € 1.053,00;\n\nreis- en parkeerkosten van € 75,00;\n\ntoekomstige medische kosten van € 2.415,31;\n\nimmateriële schade van € 2.000,00.\n\n3.9.. \n [gedaagde] heeft de meeste schadeposten en het causale verband tussen de schade en de onrechtmatige daad betwist. Hierna zal worden ingegaan op de verschillende schadeposten en het causale verband met het onrechtmatige handelen van [gedaagde].\n\nMedische kosten van € 849,703.10.. \n [gedaagde] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zijn verweer tegen de medische kosten niet langer handhaaft gelet op de aanvullende verklaring van de tandarts. Het gevorderde bedrag van € 849,70 aan medische kosten wordt daarom toegewezen.\n\nVerlies van verdienvermogen van € 351,003.11.. \n [eiser] heeft gesteld dat hij als gevolg van het letsel op 8 en 9 september 2023 niet kon werken als zelfstandig ondernemer. Daarnaast heeft hij door afspraken met de tandarts en de politie bepaalde uren niet kunnen werken. In totaal betreft het 27 gemiste uren à € 39,00 netto (€ 60,00 bruto), zodat het verlies van verdienvermogen € 1.053,00 bedraagt. [gedaagde] heeft deze schade op meerdere punten betwist. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens hem onder meer niet dat [eiser] tijdens de betreffende dagen\u002Furen daadwerkelijk opdrachten had die zijn geannuleerd, waardoor hij inkomsten zou hebben gemist.\n\n3.12.. Naar aanleiding van de betwisting heeft [eiser] nog een aangifte inkomstenbelasting uit 2023 overgelegd alsmede een verklaring van zijn opdrachtgevers in die periode. In deze verklaring wordt bevestigd dat hij daadwerkelijk afspraken had in de periode na de mishandeling. Verder blijkt hieruit dat een aantal afspraken daadwerkelijk is geannuleerd en dat het uurtarief € 60,00 bruto bedroeg. Dat betekent dat voor die uren (2 uur op 4 september 2023, 4 uur op 7 september 2023, 3 uur op 13 oktober 2023) de vordering voldoende is onderbouwd en kan worden vastgesteld. Een bedrag van € 351,00 (9 uur à € 39,00 netto) zal daarom worden toegewezen. Gelet op de betwisting is onvoldoende onderbouwd dat [eiser] ook door de verplaatste afspraken verlies van inkomen heeft gehad. [eiser] heeft slechts in algemene zin gesteld dat hij daardoor geen (andere) opdrachten kon verrichten. Gelet op de uitgebreide betwisting had van hem gevergd mogen worden dat hij dit gedeelte nader had onderbouwd, bijvoorbeeld door stukken met daarin een vergelijking van zijn inkomsten na de mishandeling met zijn inkomsten in een andere overeenkomstige periode. Het resterende deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.\n\nGeen reis- of parkeerkosten3.13.. \n [eiser] heeft gesteld dat hij verschillende afspraken heeft gehad, waaronder bij de tandarts en het politiebureau. Dit heeft geleid tot reis- en parkeerkosten. Hiervoor wordt een bedrag van € 75,00 gevorderd. [gedaagde] heeft dit bedrag betwist. Hoe dit bedrag is berekend, is niet nader gespecifieerd. Ook na de betwisting heeft [eiser] niet verder inzicht gegeven in hoe dit bedrag tot stand is gekomen; er is slechts in algemene zin verwezen naar De Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding. Het bedrag wordt daarom afgewezen.\n\nToekomstige medische schade van € 2.415,313.14.. \n [eiser] heeft gesteld dat vanwege de loszittende tand in de toekomst nog tandheelkundige kosten van € 2.415,31 moeten worden gemaakt voor het plaatsen van een implantaat. Ter onderbouwing heeft [eiser] een kostenbegroting van de tandarts overgelegd. Nadat [gedaagde] deze kosten en het causale verband hiervan had betwist, heeft [eiser] een verklaring van de tandarts ingebracht waarin de tandarts heeft verklaard dat het implantaat medisch noodzakelijk is en een direct gevolg is van het tandtrauma dat door de mishandeling was veroorzaakt. [gedaagde] heeft hier vervolgens niets tegenover gesteld, zodat ook dit bedrag zal worden toegewezen.\n\nImmateriële schade van € 2.000,003.15.. \n [eiser] vordert een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld. [eiser] heeft aangevoerd dat hij ernstig tandletsel heeft opgelopen, waardoor hij zich onder behandeling van een tandarts moest stellen. Naast pijnklachten heeft [eiser] hierdoor bijna anderhalve maand vloeibaar voedsel moeten eten en moest daarom veel thuis zijn. Ondanks behandelingen heeft [eiser] nog steeds een los zittende tand, waardoor hij moeite heeft met eten. Daarnaast was de mentale impact van het incident groot. [eiser] is onder meer angstig in grote menigten. [gedaagde] heeft betwist dat het bedrag van € 2.000,00 billijk is. Op grond van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven is volgens hem een bedrag van € 1.000,00 passender, omdat het letsel in categorie 1 past.\n\n3.16.. Smartengeld is een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade. Dit is onder meer mogelijk in geval van lichamelijk letsel waarvan hier sprake is (artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW). Bij de begroting van smartengeld moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de aansprakelijkheid, de aard en de ernst van het toegebrachte letsel en de mate waarin het slachtoffer daardoor is getroffen. Verder zal rekening moeten worden gehouden met de bedragen aan smartengeld die rechters in Nederland in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen.\n\n3.17.. Onder verwijzing naar het voorgaande, waaronder de verklaringen bij de politie, is vastgesteld dat [gedaagde] [eiser] in het gezicht heeft geslagen. In combinatie met de verklaringen van de tandarts kan worden vastgesteld dat het tandletsel, de pijn en de overige gevolgen zijn veroorzaakt door deze mishandeling. Gelet op de beschreven aard, duur en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan wordt een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld billijk geacht. De kantonrechter heeft hierbij in de eerste plaats aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’in samenhang met de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’. De Rotterdamse schaal is een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen op basis van rechtspraak en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De kantonrechter heeft daarbij rekening gehouden met het gegeven dat de daarin genoemde bedragen een indicatie zijn van het smartengeldpeil medio 2025, terwijl de mishandeling plaatsvond in 2023. Bij verlies of ernstige beschadiging van één voortand zijn bedragen tussen € 1.500,00 tot € 2.000,00 gangbaar. Gelet op het feit dat niet is betwist dat [eiser] anderhalve maand vloeibaar voedsel heeft moeten eten, ligt het bedrag van € 2.000,00 daarom meer voor de hand. Ook wanneer de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven hierbij wordt betrokken, zoals partijen hebben gedaan, is de conclusie dat dat bedrag billijk is. De door [gedaagde] genoemde categorie 1 voor gebitsletsel lijkt niet passend, want een implantaat voor de voortand is noodzakelijk. Op basis van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven die in 2023 gold, is categorie 2 met een bedrag van € 2.500,00 daarom passender. Gelet op het voorgaande zal het gevorderde bedrag van € 2.000,00 dan ook worden toegewezen.\n\nEigen schuld\n\n3.18.. Ten aanzien van de schade voert [gedaagde] tot slot aan dat sprake is van eigen schuld, waardoor de verschillende schadeposten verminderd moet worden met 50%. Volgens [gedaagde] was het [eiser] die provocerend gedrag vertoonde door hem als eerste een klap te geven en bij de nek te grijpen.\n\n3.19.. Artikel 6:101 BW geeft als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Als de billijkheid het vereist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, kan een andere verdeling plaatsvinden, of de vergoeding geheel vervallen of in stand blijven.\n\n3.20.. Aangezien [gedaagde] zich beroept op vermindering van zijn vergoedingsplicht rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten die hij daartoe aanvoert. Hierin is [gedaagde] niet geslaagd. Uit de verwerping van beroep op noodweer volgt dat niet is komen vast te staan dat [eiser] [gedaagde] eerst bij de nek heeft gegrepen of heeft geslagen. Dat betekent dat de toegewezen schade niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de schuld van [eiser] is te wijten dan wel voor zijn risico komt. Dat betekent dat de eerder genoemde schadeposten niet zullen worden verminderd.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n3.21.. \n [eiser] vordert een bedrag van € 2.199,18 en heeft ter zitting gesteld dat dit kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade (artikel 6:96 lid 2 sub b BW). De kantonrechter volgt hem hierin niet. De verrichte werkzaamheden (waaronder het herhaaldelijk rappelleren na aansprakelijkstelling) vallen onder reguliere buitengerechtelijke incassohandelingen. Daarbij komt dat [eiser] tijdens de zitting heeft uitgelegd dat de dagvaardingskosten van € 146,36 ten onrechte in het geëiste bedrag zijn opgenomen. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, in dit geval worden geacht redelijk te zijn. Bij een hoofdsom van € 5.616,01 hoort een maximaal tarief van € 793,52 (inclusief btw) aan incassokosten. Voor de buitengerechtelijke kosten wordt daarom een bedrag van € 793,52 toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n3.22.. \n [eiser] vordert de wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom. Omdat de aansprakelijkheid van [gedaagde] voortvloeit uit onrechtmatige daad, is de schadevergoeding direct opeisbaar op het moment dat de schade is ingetreden en is [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim (artikel 6:83 sub b BW). [eiser] heeft de wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 5 augustus 2024. Aangezien deze datum na de onrechtmatige daad ligt, is deze vordering toewijsbaar. De wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) zal daarom worden toegewezen over het totale toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schade van € 5.616,01 met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling.\n\n3.23.. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, zoals door [eiser] is gevorderd.\n\nProceskosten\n\n3.24.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 146,36 aan dagvaardingskosten, € 257,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.267,36. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n3.25.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.616,01, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 793,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.267,36 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af het anders of meer gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.\n\n53954\n\nrotterdamseschaal.nl en [naam 3], [naam 4], [naam 5] & [naam 6], De Rotterdamse schaal. Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen, Research Memoranda 2025-4 (www.rechtspraak.nl\u002FOrganisatie-en-contact\u002FOrganisatie\u002FRaad-voor-de-Rechtspraak\u002FWetenschappelijk-onderzoek\u002FResearch-Memoranda).\n\nhttps:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002Fvoor-advocaten-en-juristen\u002Freglementen-procedures-en-formulieren\u002Fstrafrecht\u002Faanbevelingen-rotterdamse-schaal","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6761","2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:30.019Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":82,"parsedAt":64,"updatedAt":83},"1101","ECLI:NL:RBROT:2026:6833","ecli-nl-rbrot-2026-6833","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F700535 \u002F HA ZA 25-450\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nTUNED IMPORTS B.V.,\n\nte Schiedam,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerenede partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Tuned,\n\nadvocaat: mr. P.A. Visser,\n\ntegen\n\n [persoon A] H.O.D.N. [handelsnaam A],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon A] ,\n\nadvocaat: mr. J.A.Th. van den Berg.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [persoon A] is [naam functie 1] geweest bij vestigingen van Tuned in Nederland en Spanje. Tuned stelt dat [persoon A] frauduleus heeft gehandeld, onder meer door werknemers van Tuned op kosten van Tuned eigen auto’s van [persoon A] te laten repareren. Tuned heeft Hoffmann onderzoek laten doen. Het rapport van dat onderzoek en wat Tuned daarnaast heeft aangevoerd zijn onvoldoende om de stellingen van Tuned tegenover de betwisting door [persoon A] te onderbouwen. De vordering van Tuned wordt voor het grootste gedeelte afgewezen. Ook de vordering van [persoon A] in reconventie wordt voor het grootste gedeelte afgewezen omdat zij onvoldoende is onderbouwd.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 mei 2025 met producties 1-10; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van 8 oktober 2025 met producties 1-50;\n\n- de akte van [persoon A] van 30 april 2026 (gedateerd op 11 mei 2026) tot vermeerdering van de eis in reconventie met producties 51-84;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie van 6 mei 2026 (gedateerd op 11 mei 2026) met productie 7;\n\n- de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van de eis in conventie van Tuned van 7 mei 2026 (gedateerd op 11 mei 2026);\n\n- de spreekaantekeningen van Tuned en [persoon A] voor de mondelinge behandeling op 11 mei 2026.\n\n2.2.. \n [persoon A] heeft bezwaar gemaakt tegen de conclusie van antwoord in reconventie van 6 mei 2026 en de akte van Tuned van 7 mei 2026. Die zijn te laat ingediend en moeten daarom buiten beschouwing blijven, aldus [persoon A] . De rechtbank oordeelt dat de conclusie van antwoord in reconventie weliswaar te laat is ingediend (artikel 87 lid 6 Rv), maar laat haar niet buiten beschouwing, omdat Tuned met die akte heeft gereageerd op een eis in reconventie, die [persoon A] bij akte van 30 april 2026 met een aanzienlijk aantal producties heeft gewijzigd. Tuned had redelijkerwijs niet veel eerder kunnen reageren. De akte van Tuned van 7 mei 2026 houdt een wijziging in van de eis. Op grond van artikel 130 lid 1 Rv kan Tuned haar eis wijzigen totdat eindvonnis is gewezen. Dat de wijziging in strijd is met de goede procesorde heeft [persoon A] niet aangevoerd. De eiswijziging wordt daarom toegelaten. De rechtbank laat productie 12 bij die akte buiten beschouwing. Die productie is te laat ingediend.\n\n2.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Tuned restaureert en repareert auto’s en verhandelt die. Tuned heeft een vestiging in Spanje en een in Nederland. [persoon B] is indirect, via [holding B] ., [naam functie 2] van Tuned.\n\n3.2.. Ook [persoon A] restaureert, repareert en verhandelt auto’s onder de naam van zijn eenmanszaak “ [eenmanszaak A] ”. [persoon A] is van oorsprong plaatwerker en hij heeft in die hoedanigheid werkzaamheden voor Tuned verricht. Zo hebben partijen elkaar leren kennen.\n\n3.3.. \n [persoon A] is van oktober 2019 tot 14 juni 2024 [naam functie 1] geweest van de ondernemingen van Tuned in Nederland en Spanje. De afspraken hierover zijn niet schriftelijk vastgelegd. [persoon A] stuurde Tuned maandelijks een factuur voor een vaste overeengekomen managementvergoeding.\n\n3.4.. Het was [persoon A] tijdens de samenwerking met Tuned toegestaan om in de werkplaatsen van Tuned in Nederland en in Spanje eigen auto’s op te (laten) knappen en te verkopen. Hij mocht daarbij het gereedschap van Tuned gebruiken. [persoon A] heeft daarbij ook met medeweten van Tuned medewerkers van Tuned ingezet. Dat was toegestaan, mits [persoon A] die medewerkers voor die werkzaamheden zelf betaalde.\n\n3.5.. Tuned en [persoon A] hebben ook afgesproken dat zij samen auto’s zouden kopen om die vervolgens na het restaureren ervan te verkopen. De afspraken over dit onderdeel van de samenwerking staan ook niet op schrift. Partijen zijn het er niet over eens hoe die afspraken precies luiden, maar zij zijn het er wel over eens dat zij de winst bij verkoop gelijk zouden delen.\n\n3.6.. \n [persoon A] verrichte zijn werkzaamheden als [naam functie 1] vanuit Nederland. In Spanje was [persoon C] verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. [persoon C] had daar de titel van [naam functie 3] . [persoon C] is in februari 2024 bij Tuned weggegaan. Na het vertrek van [persoon C] bekleedde [persoon A] vanuit Nederland de functie van [naam functie 3] van de Spaanse vestiging totdat [persoon A] op 14 juni 2024 bij Tuned wegging. [persoon A] is tussen oktober 2019 en 14 juni 2024 ca. acht keer op de vestiging van Tuned in Spanje geweest.\n\n3.7.. Tuned heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche op of omstreeks 27 augustus 2024 opdracht verleend om onderzoek te doen naar signalen van fraude door [persoon A] . Die signalen waren afkomstig van [persoon C] . Hoffmann heeft haar bevindingen opgeschreven in een rapport van 11 april 2025. Het rapport is voorzien van 41 genummerde bijlagen. Twaalf van die bijlagen zijn verslagen van gesprekken tussen medewerkers van Hoffmann en medewerkers van Tuned\n\n3.8.. In het rapport van Hoffmann staat onder meer (p. 4\u002F 5):\n\n“Doel van het onderzoek was:\n\nVaststellen of de heer [persoon A] fraude heeft gepleegd;\n\nIndien hier sprake van is, de aard en omvang van de fraude vaststellen.\n\nVoorafgaand aan en gedurende het onderzoek is een plan van aanpak met de volgende\n\nwerkzaamheden overeengekomen:\n\nHet houden van een voorbespreking;\n\nHet analyseren van het beschikbare dossier;\n\nHet voeren van gesprekken met medewerkers van de twee vestigingen van Tuned Imports;\n\nHet voeren van een gesprek met de heer [persoon A] ;\n\nHet opstellen van een eindrapport.\n\n(…)\n\nHet onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode september - oktober 2024. Het conceptrapport is op vrijdag 15 november 2024 verzonden naar de heer [persoon B] . Wegens omstandigheden heeft de heer [persoon B] op maandag 31 maart 2025 een reactie en aanvulling kunnen geven op het conceptrapport. Deze aanvullingen zijn verwerkt in de rapportage.\n\n(…)”\n\n3.9.. In het rapport zijn de bevindingen als volgt samengevat (p. 6):\n\n“2. Samenvatting\n\nDe informatie in deze samenvatting is gebaseerd op de gevoerde gesprekken en op gegevens uit verkregen administratieve bescheiden, die als bijlagen zijn opgenomen in dit rapport. De uitkomsten van het onderzoek worden in de onderstaande paragrafen per doelstelling -zoals vermeld in de inleiding- besproken.\n\n2.1. Vaststellen of de heer [persoon A] fraude heeft gepleegd\n\nUit onderzoek werd bekend dat de heer [persoon A] fraude heeft gepleegd bij Tuned Imports in Nederland, maar ook bij de vestiging van Tuned Imports in Spanje.\n\nUit onderzoek werd bekend dat de heer [persoon A] bij de aankoop van een stuk grond in Spanje deed alsof hij heeft onderhandeld met de oud eigenaar. Volgens de heer [persoon A] bedroeg de aankoopprijs van de grond € 14.500,-.\n\nUit onderzoek werd bekend dat de verkoopprijs van de grond in werkelijkheid € 7.000,- bedroeg en dat de heer [persoon A] niet degene is geweest die over de grond heeft onderhandeld met de oud eigenaar. Derhalve heeft de heer [persoon B] de heer [persoon A] ten onrechte een bedrag van € 7.500,- in contanten betaald.\n\nUit gesprekken met medewerkers van Tuned Imports in Spanje werd bekend dat zij in opdracht van de heer [persoon A] onder werktijd tussen 08.00 en 12.00 uur aan auto’s van de heer [persoon A] moesten werken.\n\nOok werd bekend dat de heer [persoon A] contant geld en gereedschap heeft meegenomen bij Tuned Imports in Spanje.\n\nUit de gesprekken met medewerkers van Tuned Imports in Nederland werd tevens bekend dat de heer [persoon A] medewerkers onder werktijd van Tuned Imports aan zijn eigen auto's liet werken. Ook zou de heer [persoon A] op onrechtmatige wijze urenregistraties van uitzendkrachten en zzp’ers hebben aangepast. De uren die deze medewerkers in het weekend werkten aan auto's van de heer [persoon A] , zouden zijn aangepast en verplaatst naar doordeweekse dagen en werden ten onrechte door Tuned Imports betaald. Ook werd bekend dat de heer [persoon A] een medewerker van Tuned Imports zou hebben gedwongen om hem € 2.000,- contant te betalen in ruil voor het terugdraaien van vakantieverlof en het ‘opboeken’ van overuren.\n\nVoorts werd uit gesprekken met medewerkers van Tuned Imports bekend dat zij in opdracht van de heer [persoon A] onderdelen wegnamen van auto’s van Tuned Imports en deze monteerden op auto’s van de heer [persoon A] . Volgens meerdere medewerkers kregen zij van de heer [persoon A] ook opdracht om goede onderdelen van auto’s van Tuned Imports te verwisselen voor defecte onderdelen afkomstig van de auto’s van de heer [persoon A] .\n\n2.2. Indien hier sprake van is, de aard en omvang van de fraude vaststellen\n\nDoor de frauduleuze handelswijze van de heer [persoon A] is er schade voor Tuned Imports ontstaan. De totale schade wordt ingeschat tussen € 283.578,- en € 331.578,- en is als volgt opgebouwd:\n\n- Aankoop grond in Spanje: € 7.500,-;\n\n- Onder werktijd werken aan auto’s van de heer [persoon A] in Spanje: € 88.335,-;\n\n- Onrechtmatig gebruik materialen in Spanje: € 17.500,- \u002F € 20.000,-;\n\n- Wegnemen contant geld: € 8.936,-;\n\n- Wegnemen gereedschap: € 1.329,-;\n\n- Onder werktijd werken aan auto’s van de heer [persoon A] in Nederland: € 97.500,- \u002F€ 130.000,-;\n\n- Onrechtmatig weggenomen en\u002Fof verwisselde onderdelen: € 25.000,- \u002F € 30.000,-;\n\n- Onrechtmatig gebruikte materialen: € 20.000,- \u002F€ 25.000,-;\n\n- Niet afgerekende gezamenlijke projecten: € 17.000,- \u002F€ 20.000,-;\n\n- Openstaande creditnota’s € 477,83.”\n\n3.10.. Als toelichting op de schattingen van de schadebedragen in het rapport wordt verwezen naar bijlagen 5, 6, 11, 17, 19, 21 en 22 bij het rapport. Die bijlagen zijn eigen opstellingen en schattingen van [persoon B] .\n\n3.11.. Hoffmann heeft voor het onderzoek een bedrag van € 33.137,86 gefactureerd.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie:\n\n4.1.. Tuned vordert - samengevat en na vermeerdering van de eis - veroordeling van [persoon A] tot betaling van € 355.683,00 in hoofdsom plus € 33.137,86 aan kosten voor vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade, vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Tuned vordert daarnaast een bedrag van € 49.750,00 aan stallingkosten voor de auto’s van [persoon A] die al zijn opgehaald en een bedrag van € 16.950,00 voor twee auto’s van [persoon A] die nog bij Tuned staan, te vermeerderen met een bedrag ad. € 50,00 voor iedere dag na 7 mei 2026 dat die twee resterende auto's van [persoon A] nog bij Tuned blijven staan.\n\n4.2.. Tuned legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [persoon A] is tekortgekomen in de nakoming van een managementovereenkomst met Tuned, althans hij heeft jegens Tuned onrechtmatig gehandeld, door frauduleus te handelen. [persoon A] heeft auto’s bij Tuned gestald en hij moet daarvoor stallingskosten betalen, omdat [persoon A] ongerechtvaardigd is verrijkt.\n\n4.3.. \n [persoon A] voert verweer. [persoon A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Tuned, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Tuned, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Tuned in de kosten van deze procedure.\n\nIn reconventie:\n\n4.4.. \n [persoon A] vordert – samengevat en na wijziging van de eis – veroordeling van Tuned tot betaling van verschillende bedragen die optellen tot een bedrag van € 207.384,82, vermeerderd met rente en kosten, alsmede tot het afgeven van de harde schijf van [persoon A] op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 per dag tot een maximum van € 100.000,00.\n\n4.5.. \n [persoon A] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [persoon A] is cessionaris van een vordering van [naam autobedrijf] , die Tuned in 2023 een factuur heeft gestuurd die onbetaald is gebleven. Ook facturen van [persoon A] zijn onbetaald gebleven. [persoon A] heeft arbeid gestoken in een Jaguar E-type van Tuned, waardoor Tuned ongerechtvaardigd is verrijkt. [persoon A] vordert ook vergoeding van uren die hij in andere gezamenlijke projecten heeft gestoken (nakoming of ongerechtvaardigde verrijking). Tuned heeft auto’s van [persoon A] beschadigd teruggegeven en spullen achtergehouden. De vordering tot het afgeven van de harde schijf is gegrond op onrechtmatige daad.\n\n4.6.. Tuned voert verweer. Tuned concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure\n\n4.7.. Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie:\n\nHet rapport van Hoffmann\n\n5.1.. De centrale stelling van Tuned in de dagvaarding is dat [persoon A] “frauduleus heeft gehandeld” (dagvaarding 57 en 58). Die stelling is door Tuned onderbouwd met het rapport van Hoffmann van 11 april 2025. Dat geeft de rechtbank grond om dat rapport van Hoffmann te bespreken voordat de afzonderlijke stellingen van Tuned aan de orde komen.\n\n5.2.. De onderzoekswerkzaamheden van Hoffmann hebben zich volgens het rapport (p. 4) beperkt tot het bestuderen van het “beschikbare dossier” en gesprekken met medewerkers van Tuned in Spanje en Nederland. Uit het rapport van Hoffmann blijkt niet dat Hoffmann zelfstandig de administratie van Tuned heeft onderzocht. Voor zover Hoffmann informatie uit de administratie van Tuned in haar onderzoek heeft betrokken, zoals exportoverzichten uit het urenregistratieprogramma Shiftbase en het door dat programma bijgehouden logbestand, gaat het om informatie die in Excel is aangeleverd door medewerkers van Shiftbase (p. 8).\n\n5.3.. In het rapport staat dat [persoon B] tijdens het onderzoek fungeerde als contactpersoon voor de medewerkers van Hoffmann (p. 5). In het rapport staat ook dat gedurende het onderzoek meerdere malen, al dan niet telefonisch, overleg heeft plaatsgevonden met [persoon B] (p. 31). Wanneer die gesprekken hebben plaatsgevonden, met welke frequentie en wat tijdens het onderzoek tussen Hoffmann en [persoon B] is besproken, is niet in het rapport vastgelegd.\n\n5.4.. In het rapport staat dat een concept van het rapport op 15 november 2024 aan [persoon B] is voorgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon B] verklaard dat het conceptrapport dat hem is voorgelegd vergezeld ging van de bijlagen. In het rapport staat dat de reactie en aanvullingen van [persoon B] in het rapport zijn verwerkt (p. 5). In het rapport staat niet dat een concept van het rapport aan [persoon A] is voorgelegd. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij geen concept van het rapport heeft ontvangen. Hij heeft daar dus niet op kunnen reageren. [persoon A] heeft op 10 oktober 2024 een gesprek gehad met medewerkers van Hoffmann. Een verslag van dat gesprek is bij het rapport gevoegd als bijlage 41. Uit dat gespreksverslag blijkt dat [persoon A] op 10 oktober 2024 door Hoffmann tijdens het gesprek met bevindingen uit het onderzoek is geconfronteerd. Het wederhoor is daartoe beperkt gebleven.\n\n5.5.. Bijlage 30 bij het rapport is een verslag van een gesprek tussen medewerkers van Hoffmann en [persoon D] , een medewerker van Tuned die werkzaam was in Nederland. Het verslag is door [persoon D] ondertekend. [persoon A] heeft als productie 13 drie versies overgelegd van het verslag van het gesprek tussen Hoffmann en [persoon D] . [persoon A] heeft die versies gekregen van Ortegea. Daarover heeft [persoon A] – onbetwist – het volgende verklaard:\n\nde eerste versie is een concept dat aan [persoon D] is voorgelegd door Hoffmann;\n\nde tweede versie is het concept van Hoffmann met de handgeschreven verbeteringen en tekstvoorstellen van [persoon D] ;\n\nde derde versie is door [persoon D] op of omstreeks 24 september 2024 ondertekend en die versie bevat handgeschreven opmerkingen van [persoon B] .\n\n5.6.. Er zijn verschillen tussen de versies onder b. en onder c. die niet verklaard kunnen worden door het handgeschreven commentaar van [persoon D] . Die verschillen zijn materieel. Een voorbeeld is dat in de versie die uiteindelijk door [persoon D] is getekend niet meer staat dat [persoon D] door [persoon A] voor bepaalde werkzaamheden in contanten is betaald. In het rapport van Hoffmann staat (p. 21): “De heer [persoon D] deelde tevens mee dat hij onder werktijd van Tuned Imports heeft gewerkt aan meerdere auto’s van de heer [persoon A] .” Voor zover de handgeschreven opmerkingen van [persoon D] niet in het definitieve verslag zijn verwerkt, zijn die opmerkingen niet uit het rapport of de bijlagen erbij kenbaar.\n\n5.7.. \n [persoon A] heeft een email overgelegd van een medewerker van Hoffmann aan [persoon D] van 13 september 2024 (productie 14 van [persoon A] ). Dat was vóór [persoon D] versie c. van het gespreksverslag ondertekende. In die email brengt Hoffmann “in support of the adjustments” punten onder de aandacht van [persoon D] waarover [persoon D] met [persoon B] zou hebben gesproken:\n\n“In support of the adjustments, I wanted to give you the following points\u002Ftopics that [naam 1] [ [persoon B] , rechtbank] sent to me that you had spoken to him about:\n\n• Changing parts for [naam 2] , which [naam 2] would say about that he already ordered new parts or arranged it with [naam 1] .\n\n• Replacing 3 Jaguar XK8 engines, while none of [naam 1] his Jaguar engines needed to be replaced. So this was for [naam 2] . How long and with whom have you worked on these engines?\n\n• The removing of your hours in Shiftbase by [naam 2] while he said that he would settle it with [naam 1]\n\n• That you do think that [naam 2] ripped off or cheated [naam 1] , but that you do not want everybody to know, you said that.”\n\n5.8.. Bijlage 32 bij het rapport is een verslag van een gesprek tussen medewerkers van Hoffmann met [persoon E] , een medewerker van Tuned die werkzaam was in Nederland. Het verslag van dat gesprek is niet door [persoon E] ondertekend. In het rapport van Hoffmann staat niet dat [persoon E] het verslag niet heeft ondertekend en een toelichting op het ontbreken van de handtekening van [persoon E] onder het verslag ontbreekt. In het rapport baseert Hoffmann bevindingen op het gesprek met [persoon E] (o.a. p. 21, waar staat: “Volgens de heer [persoon E] heeft hij aan meerdere auto's van de heer [persoon A] gewerkt onder werktijd van Tuned Imports.”).\n\n5.9.. \n [persoon A] heeft een schriftelijke verklaring overgelegd van [persoon E] van 26 augustus 2025. In die verklaring van [persoon E] staat:\n\n“I hereby declare that I did not sign Hoffmann's interview because the transcript does not correspond to what I actually said. Since my statement has not been accurately reproduced, I could not and cannot approve this report and have therefore not signed it.”\n\n5.10.. Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport van Hoffmann als onderbouwing van de stelling dat [persoon A] frauduleus heeft gehandeld onvoldoende. Daartoe is het volgende redengevend. De bevindingen van Hoffmann berusten overwegend op verklaringen van medewerkers van Tuned. Hoffmann heeft niet, althans niet kenbaar boekenonderzoek gedaan. De keuze voor deze beperking is in het rapport niet uitgelegd.\n\n5.11.. Hoffmann heeft kennelijk toegestaan dat [persoon B] niet alleen achteraf op het concept rapport met bijlagen reageerde, maar ook dat [persoon B] betrokken was bij het tot stand komen van het rapport en de verklaringen van de medewerkers waarop het overwegend berust. Dat blijkt uit de email van Hoffmann aan [persoon D] van 13 september 2024 met suggesties voor aanpassing van het gespreksverslag met punten die [persoon B] kennelijk graag in het verslag van [persoon D] opgenomen wilde zien. Het was [persoon D] uit de manier waarop de email was verwoord duidelijk dat [persoon B] deze aanpassingen van het gespreksverslag verlangde. Dat Hoffmann die email stuurde, maakt aannemelijk dat [persoon B] een concept van dat gespreksverslag had beoordeeld voordat het verslag door [persoon D] werd getekend. De verschillen tussen de versie die door [persoon D] van handgeschreven opmerkingen werd voorzien (versie b.) en de definitieve versie (versie c.) zijn ook een aanwijzing voor de betrokkenheid van [persoon B] , net als de handgeschreven opmerkingen van [persoon B] op die definitieve, getekende versie.\n\n5.12.. De medewerkers van Tuned, zoals [persoon D] en [persoon E] , stonden tijdens het onderzoek in een gezagsrelatie met Tuned of waren van opdrachten van Tuned afhankelijk. Van medewerkers van Tuned kon niet zonder meer worden verwacht dat zij weerstand boden aan de druk die van de bemoeienis van [persoon B] met het onderzoek uitging. Waar dat mogelijk wel is gebeurd, zoals in het geval van [persoon E] , die volgens zijn verklaring geweigerd heeft om zijn gespreksverslag te tekenen, heeft Hoffmann dit niet vermeld en is het gespreksverslag zonder toelichting gebruikt om de bevindingen in het rapport te onderbouwen.\n\n5.13.. De verstrekkende conclusie in de samenvatting van het rapport dat door de frauduleuze handelswijze van [persoon A] schade is ontstaan die wordt ingeschat tussen € 283.578,00 en € 331.578,00 is niet door onderzoek van Hoffmann onderbouwd. Alle genoemde schadebedragen zijn begroot door [persoon B] . Hoffmann heeft daarbij geen kenbare betrokkenheid gehad. Dat is bij lezing van het rapport en de bijlagen daarbij weliswaar kenbaar, maar de samenvatting suggereert dat de schade door Hoffmann is ingeschat.\n\n5.14.. Deze omstandigheden roepen vragen op over de objectiviteit van het onderzoek en het rapport van Hoffmann. Daarom acht de rechtbank het onderzoek en het rapport niet zonder meer voldoende om zelfstandig te kunnen dienen als onderbouwing van de stellingen van Tuned. Het lot van die stellingen van Tuned hangt daardoor met name af van de specifieke onderbouwing per onderzoeksbevinding, de betwisting door [persoon A] en de mate waarin die betwisting is onderbouwd. Die stellingen van Tuned zal de rechtbank hierna stuk voor stuk beoordelen.\n\nAankoop van een stuk grond in Spanje\n\n5.15.. Tuned heeft het volgende gesteld. [persoon A] heeft Tuned € 7.500,00 meer laten betalen voor een stuk grond in Spanje dan [persoon A] met de verkoper was overeengekomen. In WhatsApp-berichten aan [persoon B] heeft [persoon A] geschreven dat de verkoper € 15.000,00 wilde hebben en dat [persoon A] ging proberen om de deal voor € 14.500,00 te sluiten. De verkoper zou € 7.000,00 per bank willen ontvangen en € 7.500,00 in contanten. In werkelijkheid was de aankoopprijs € 7.000,00 en stak [persoon A] € 7.500,00 in eigen zak. Tuned verwijst naar het Hoffmann rapport (p. 9-11).\n\n5.16.. \n [persoon A] heeft deze gang van zaken op zichzelf niet betwist. [persoon A] meent dat het bedrag van € 7.500,00 moet worden aangemerkt als bemiddelingsfee. Hij heeft dit bedrag in contanten van Tuned ontvangen en niet afgedragen aan de verkoper. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon A] desgevraagd verklaard dat hij met Tuned niet over een bemiddelingsfee heeft gesproken.\n\n5.17.. De rechtbank oordeelt als volgt. De WhatsApp-berichten (bijlage 1 bij het rapport van Hoffman) onderbouwen de stelling van Tuned dat [persoon A] haar heeft voorgehouden dat het gehele bedrag van € 14.500,00 moest worden betaald aan een derde als koopprijs. [persoon A] deed dat in zijn hoedanigheid van [naam functie 1] van Tuned, een functie waarvoor hij van Tuned een managementvergoeding ontving. Door deze gedragingen schoot [persoon A] tekort in de nakoming van zijn verplichtingen onder de managementovereenkomst. Die verplichtingen waren weliswaar niet opgeschreven, maar Tuned mocht verwachten dat [persoon A] bij het aankopen van dit stuk grond niet heimelijk zijn eigen belangen boven die van Tuned zou stellen. Tuned heeft hierdoor schade geleden die zij begroot op € 7.500,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding (21 mei 2025). [persoon A] zal worden veroordeeld om de schade van € 7.500,00 te vergoeden vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna wordt overwogen.\n\nOnder werktijd werken aan auto’s van [persoon A] in Spanje\n\n5.18.. Tuned heeft het volgende gesteld. Gedurende een periode van één tot anderhalf jaar hebben vier tot acht medewerkers van de vestiging van Tuned in Spanje dagelijks tussen 08:00 en 12:00 uur structureel gewerkt aan auto’s van [persoon A] . Dat gebeurde tussen 08:00 en 12:00 uur, omdat [persoon B] na 12:00 uur de werkplaats via camerabeelden kon bekijken. Er is in die periode maar één auto van Tuned afgemaakt. De betrokken werknemers werden betaald door Tuned, die hierdoor een schade heeft geleden van € 88.335,00. Dat bedrag heeft Tuned begroot op de helft van de personeelskosten volgens de winst en verliesrekening van de Spaanse vestiging over 2022 (€ 117.778,73) x 1,5 (18 maanden). Tuned verwijst naar het rapport van Hoffmann (p. 11-13).\n\n5.19.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij medewerkers van Tuned op kosten van Tuned heeft laten werken aan zijn auto’s. [persoon A] heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Niet [persoon A] maar [persoon C] was in Spanje verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Het was de verantwoordelijkheid van [persoon C] om de gewerkte uren bij te houden, niet de verantwoordelijkheid van [persoon A] . [persoon C] nam namens Tuned reparatiewerk aan schadeauto’s aan van derden en er werd ook gewerkt aan auto’s van Tuned. Dat er in 18 maanden maar één auto van Tuned is afgemaakt, betekent daarom niet dat er dus overwegend aan auto’s van [persoon A] werd gewerkt. Het is juist dat een aantal auto’s van [persoon A] naar Spanje was getransporteerd, maar dat was Tuned bekend. Tuned heeft de transportkosten aan [persoon A] gefactureerd en [persoon A] heeft de facturen betaald. Het ging om vijf auto’s en die zijn uiteindelijk niet in Spanje afgemaakt. Voor werkzaamheden door medewerkers van Tuned aan die auto’s heeft [persoon A] contant betaald. Er hingen gedurende het eerste jaar geen camera’s in Spanje, dus er was geen reden om werktijden aan te passen aan mogelijk cameratoezicht door [persoon B] .\n\n5.20.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon B] desgevraagd nog het volgende verklaard. Het klopt dat er het eerste jaar geen camera’s in Spanje hingen. Mogelijk werd er toen op andere tijden dan tussen 08:00 en 12:00 uur aan auto’s van [persoon A] gewerkt. Het was voor Tuned onverklaarbaar waarom er ca. € 118.000,00 per jaar aan loonkosten werd uitgegeven, terwijl daar geen noemenswaardige omzet tegenover stond. [persoon C] heeft voor zijn vertrek verklaard dat die omzet achterbleef, omdat er aan auto’s van [persoon A] gewerkt moest worden. [persoon B] hoort nu voor het eerst dat [persoon C] door werknemers van Tuned reparatiewerkzaamheden aan schadeauto’s voor derden liet verrichten.\n\n5.21.. De rechtbank oordeelt als volgt. Medewerkers van Tuned in Spanje hebben in gesprekken met Hoffmann verklaard dat zij tussen 08:00 en 12:00 uur aan auto’s van [persoon A] moesten werken. Zij hebben echter ook verklaard dat zij vaak niet wisten welke auto’s van [persoon A] waren en welke auto’s niet en ook dat zij daar soms pas achteraf achter kwamen. De verklaringen zijn daardoor weinig concreet. De bevindingen in het rapport van Hoffmann zijn op dit punt ten onrechte stelliger (zie hiervoor onder 3.9).\n\n5.22.. \n [persoon A] heeft onbetwist gesteld dat hij met medeweten van [persoon B] eigen auto’s naar Spanje heeft getransporteerd. De stelling dat [persoon C] in Spanje reparaties aan schadeauto’s van derden liet verrichten, heeft Tuned ( [persoon B] ) niet werkelijk betwist met de verklaring ter zitting dat hij dat niet eerder had gehoord. In de werkplaats in Spanje bevonden zich dus tegelijkertijd auto’s van Tuned, auto’s van [persoon A] en auto’s van derden. Kennelijk werd in Spanje niet goed bijgehouden welke medewerker aan welke auto werkte, welke werkzaamheden werden verricht en hoeveel uren daarmee gemoeid waren, althans dergelijke informatie is niet door Hoffmann in het onderzoek betrokken en ook niet in het geding gebracht. Daardoor is achteraf niet meer met voldoende zekerheid vast te stellen of, en zo ja op welke schaal aan auto’s van [persoon A] is gewerkt en ook niet of Tuned voor de loonkosten is opgedraaid. Tuned maakt daarvan [persoon A] een verwijt, maar zij heeft niet uitgelegd hoe [persoon A] dit vanuit Nederland beter had kunnen regelen, terwijl de dagelijkse leiding in Spanje bij [persoon C] berustte. Het had in de eerste plaats op de weg van [persoon B] gelegen, als statutair bestuurder van Tuned, om te zorgen voor een deugdelijke administratie en rapportagestructuur bij haar vestiging in Spanje. Dat gold temeer nadat [persoon B] , zoals hij heeft verklaard, niet in staat bleek om de loonkosten met de omzet te rijmen.\n\n5.23.. De stelling van Tuned dat [persoon A] frauduleus heeft gehandeld door in Spanje werknemers van Tuned op kosten van Tuned aan eigen auto’s te laten werken is al met al onvoldoende onderbouwd. Ook de aanname dat de helft van de personeelskosten van Tuned in Spanje gedurende 18 maanden als vergoedbare schade moet worden aangemerkt, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal dit onderdeel van de vorderingen daarom afwijzen.\n\nOnrechtmatig gebruik van materialen in Spanje\n\n5.24.. Tuned heeft het volgende gesteld. Bij werkzaamheden aan auto’s van [persoon A] in Spanje is materiaal van Tuned verwerkt. De schade die gemoeid is met het onrechtmatig gebruik van de betreffende materialen in Spanje wordt door Hoffmann geschat op € 17.500,00 tot € 20.000,00, omdat in die periode slechts één auto van Tuned is afgemaakt.\n\n5.25.. \n [persoon A] heeft gemotiveerd betwist dat in zijn auto’s in Spanje materiaal van Tuned is verwerkt. [persoon A] heeft aangevoerd dat het gebruik van materiaal verklaard wordt, doordat aan auto’s van Tuned is gewerkt en ook aan auto’s van derden (zie hiervoor onder 5.19).\n\n5.26.. De rechtbank oordeelt als volgt. In het rapport van Hoffmann staat het volgende (p. 14):\n\n“Volgens de heer [persoon B] zijn er in de eerste 18 maanden 12 auto’s voor de heer [persoon A] klaargemaakt en één auto voor Tuned Imports. Er zou volgens de heer [persoon B] in totaal per jaar ruim € 20.000,- aan materiaal zijn uitgegeven. De totale schade wordt geschat op € 17.500,- \u002F € 20.000,-.”\n\n5.27.. Hieruit blijkt dat Tuned haar stelling onderbouwt met een bevinding in het rapport van Hoffmann die uitsluitend berust op mededelingen van [persoon B] . Hoffmann heeft niet kenbaar enige eigen onderzoeksactiviteit verricht naar het gebruik van materialen door [persoon A] en heeft ook niet kenbaar de schatting van Tuned geverifieerd. Ook op dit punt is in Spanje kennelijk geen goede administratie gevoerd. Tuned heeft haar stelling welbeschouwd niet met meer onderbouwd dan met een mededeling van haar bestuurder [persoon B] . Dat is tegenover de betwisting van [persoon A] onvoldoende en dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.\n\nBetalingen van contant geld aan [persoon A]\n\n5.28.. Tuned heeft het volgende gesteld. Gebleken is uit gesprekken met medewerkers van de Spaanse vestiging dat enkele medewerkers meerdere malen onder druk van [persoon A] geld en contanten hebben klaargelegd voor [persoon A] . Het salaris van [persoon F] , een medewerker van Tuned in Spanje, is in oktober 2023 met € 200,00 per maand verlaagd. In november 2023 is bij vergissing het oorspronkelijke salaris betaald. Op instructie van [persoon A] heeft [persoon F] € 200,00 in contanten aan [persoon A] gegeven, die dat bedrag niet aan Tuned heeft afgedragen. [persoon F] heeft ook een keer € 626,36 voor [persoon A] gepind, nadat een onbekende klant dit bedrag op verzoek van [persoon A] op de rekening van [persoon F] had betaald. In Nederland heeft [persoon A] zich in december 2023 € 2.000,00 laten betalen door een werknemer voor het bijboeken van vakantiedagen en overuren. Tuned heeft de desbetreffende werknemer vervolgens € 3.500,00 betaald voor niet genoten vakantiedagen en overuren. [persoon A] heeft € 580,00 van een klant ( [naam 3] ) ontvangen voor een reparatie en hij heeft dat geld niet aan Tuned afgedragen. [persoon A] heeft ook een betaling van € 800,00 in contanten van een zekere [naam 2] niet afgedragen. De schade als gevolg van het wegnemen van contante betalingen bedraagt in totaal € 8.936,36. Tuned verwijst naar het rapport van Hoffman (p. 14 – 16). Tijdens de zitting heeft Tuned haar vordering met € 2.800,00 verminderd, omdat zij er bij de begroting van haar schade ten onrechte vanuit is gegaan dat [persoon F] niet één keer maar 15 keer het teveel ontvangen salaris in contanten aan [persoon A] heeft betaald. Na vermindering van de eis vordert Tuned dus € 6.136,36 (spreekaantekeningen Tuned, onder 44).\n\n5.29.. \n [persoon A] heeft erkend dat hij in totaal bij verschillende gelegenheden een bedrag van € 630,00 dat aan Tuned toebehoorde in contanten heeft ontvangen, inclusief de € 200,00 van [persoon F] . Dat bedrag van € 630,00 is uitgegeven aan boodschappen en is besteed om met medewerkers van Tuned uit eten te gaan. [persoon A] heeft betwist dat hij meer dan dit bedrag aan geld in contanten heeft ontvangen dat aan Tuned toebehoorde. Van [naam 3] heeft [persoon A] niets ontvangen. De betaling van € 626,36 had betrekking op werkzaamheden die [persoon A] zelf voor een Spaanse klant in Nederland had verricht. Omdat die klant op een Spaanse bankrekening wilde betalen, heeft [persoon F] op verzoek van [persoon A] zijn Spaanse bankrekening beschikbaar gesteld. [persoon F] heeft dit bedrag vervolgens gepind en aan [persoon A] gegeven. [persoon A] heeft betwist dat hij van [naam 2] € 800,00 in contanten zou hebben ontvangen. [persoon A] heeft deze betwisting onderbouwd met een verklaring van [naam 2] , waarin staat dat [naam 2] met [persoon A] geen enkele transactie heeft gehad. [persoon A] betwist ook dat hij zich voor het bijboeken van vakantiedagen en overuren heeft laten betalen.\n\n5.30.. De rechtbank oordeelt als volgt. De stellingen van Tuned berusten uitsluitend op het rapport van Hoffmann. Hoffmann baseert haar bevindingen op verklaringen van individuele medewerkers van Tuned in Spanje en Nederland over specifieke (kas)transacties. Die verklaringen worden niet door andere verklaringen en ook niet door relevant schriftelijk bewijs ondersteund. Hoffmann rapporteert ook welbeschouwd niet iets anders dan dat [persoon A] bij enkele gelegenheden betalingen in contanten heeft ontvangen, behalve op p. 16, waar zonder nadere toelichting staat dat [persoon A] contant geld heeft “weggenomen” waardoor er “schade is ontstaan voor Tuned Imports in Spanje”. Uit de verklaringen van medewerkers volgt met name niet dat de uitleg van [persoon A] over de reden en achtergrond van die contante betalingen onjuist is. Op de uitleg van [persoon A] heeft Tuned in deze procedure niet meer gereageerd, behalve met de mededeling dat [persoon A] niet bewijst dat hij € 626,36 heeft ontvangen voor reparatiewerkzaamheden (spreekaantekeningen Tuned, onder 46). Dat is op zich juist, maar het rapport van Hoffmann biedt al geen steun voor het uitgangspunt dat deze betaling aan Tuned toekwam (p. 15). De stellingen van Tuned in de spreekaantekeningen onder 48 en 49 zijn in samenhang met het rapport van Hoffmann niet goed te volgen.\n\n5.31.. De stelling dat [persoon A] zich in Nederland heeft laten betalen voor het bijboeken van vakantiedagen en overuren heeft Hoffmann gebaseerd op de verklaring van [persoon G] , de desbetreffende werknemer. [persoon G] heeft Hoffmann op zijn telefoon laten zien dat hij op twee data in verschillende transacties bij geldautomaten € 2.000,00 in contanten heeft opgenomen (bijlage 18 bij het rapport). Dat is mogelijk ongebruikelijk, maar het biedt geen steun aan de stelling dat [persoon G] dat bedrag aan [persoon A] heeft betaald. Omdat Hoffmann in het rapport heeft gerapporteerd (p. 23) dat [persoon A] “op onrechtmatige wijze verlofuren van de heer [persoon G] heeft aangepast in Shiftbase”, had het voor de hand gelegen dat Hoffmann deze specifieke mutaties in 2023 in Shiftbase zou hebben onderzocht. Uit het rapport blijkt niet dat dat is gebeurd. Ook van een poging daartoe blijkt niet uit het rapport. De bevindingen in het rapport van Hoffmann zijn ook op dit punt onvoldoende om de stellingen van Tuned tegenover de betwisting door [persoon A] te onderbouwen.\n\n5.32.. Wat overblijft is het bedrag van € 630,00, waarvan [persoon A] erkent dat het Tuned toekomt, maar dat hij ten behoeve van de medewerkers stelt te hebben uitgegeven aan boodschappen en om met medewerkers van Tuned uit eten te gaan. Van dergelijke uitgaven ten laste van de kas had [persoon A] bonnetjes moeten indienen. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij dit niet heeft gedaan. Van een [naam functie 1] mocht Tuned anders verwachten. [persoon A] is tekortgekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit zijn managementovereenkomst. [persoon A] zal worden veroordeeld om de schade van € 630,00 te vergoeden vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna wordt overwogen.\n\nBestellen en wegnemen gereedschap\n\n5.33.. \n [persoon A] heeft erkend dat hij in Spanje op kosten van Tuned gereedschap heeft gekocht bij [naam winkel] voor een bedrag van € 1.329,00. [persoon A] stelt dat hij dit heeft gedaan met toestemming van [persoon B] , hetgeen [persoon B] heeft betwist. Wat hiervan ook zij, [persoon A] heeft erkend dat hij voor dat gereedschap had moeten betalen en dat heeft hij niet gedaan. [persoon A] is daardoor tekortgekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit zijn managementovereenkomst. [persoon A] zal worden veroordeeld om de schade van € 1.329,00 te vergoeden vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna wordt overwogen.\n\nOnrechtmatig aanpassen uren van medewerkers Shiftbase\n\n5.34.. Tuned heeft het volgende gesteld. [persoon A] had als [naam functie 1] toegang tot Shiftbase, het urenregistratieprogramma, waarin de gewerkte uren van medewerkers in Nederland werden bijgehouden. [persoon A] heeft tussen 2019 en 2024 ongeveer 3.642 onrechtmatige aanpassingen verricht in Shiftbase. [persoon A] heeft uren van vaste medewerkers, uitzendkrachten en zzp'ers aangepast. Uren die in werkelijkheid in het weekend waren gewerkt zijn verplaatst naar weekdagen. Medewerkers van Tuned hebben op kosten van Tuned aan 252 auto’s van [persoon A] gewerkt. Het betrof in ieder geval een Citroën, twee Porsches, een Mercedes en de motoren van drie Jaguars. Tuned begroot de schade die zij hierdoor heeft geleden op een bedrag tussen € 97.500,00 en € 130.000,00.\n\n5.35.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij onrechtmatige aanpassingen heeft verricht. Hij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Medewerkers dienen in en uit te klokken. Die kloktijden worden in Shiftbase verwerkt. Als medewerkers dat vergaten, moest [persoon A] handmatig kloktijden invoeren. Dat gebeurde regelmatig. Ook het accorderen van de ingevoerde kloktijden werd door Shiftbase als een aanpassing geteld. Tuned betaalde een deel van de medewerkers zwart en die uren moest [persoon A] op instructie van [persoon B] uit Shiftbase verwijderen. Het kwam ook voor dat medewerkers nog geen papieren hadden of geen BSN. De uren van die medewerkers werden dan tijdelijk bij een collega geboekt en later door [persoon A] gecorrigeerd. De uren van [persoon D] zijn op instructie van [persoon B] uit Shiftbase verwijderd, omdat hij wilde voorkomen dat [persoon D] als schijnzelfstandige zou worden aangemerkt. [persoon D] had geen andere opdrachtgevers dan Tuned, maar hij werd als ZZP-er beloond. Tuned liet hem vaste bedragen per project factureren. Het verwijderen van de uren van [persoon D] verklaart al 1.371 aanpassingen in Shiftbase. Er is niet aan 252 auto’s van [persoon A] gewerkt. Er werd aan auto’s van [persoon A] gewerkt, maar dat gebeurde buiten werktijd en [persoon A] heeft de medewerkers daarvoor in contanten betaald.\n\n5.36.. De rechtbank oordeelt als volgt. [persoon A] heeft niet betwist dat hij handmatig wijzigingen heeft aangebracht in Shiftbase. Tuned heeft op haar beurt erkend dat ook het accorderen van ingevoerde kloktijden door Shiftbase als een aanpassing wordt geteld (spreekaantekeningen Tuned, onder 60). Het werkelijke aantal aanpassingen is daardoor niet bekend. [persoon A] heeft voor de handmatige aanpassingen die hij heeft gemaakt verklaringen gegeven die weer door Tuned worden betwist.\n\n5.37.. Hoffmann heeft gerapporteerd dat uit de urenregistratie van Shiftbase (althans uit de Excelbestanden die Hoffmann in haar onderzoek heeft betrokken) niet kan worden afgeleid welkeaanpassingen door [persoon A] zijn gemaakt. Kennelijk is alleen te ziendater aanpassingen zijn gemaakt (p. 19).\n\n5.38.. Dat de aanpassingen door [persoon A] “onrechtmatig” zouden zijn geweest, baseert Hoffmann uitsluitend op mededelingen van [persoon B] . Het rapport bevat de volgende passage (p. 18):\n\n“Volgens de heer [persoon B] heeft de heer [persoon A] in de periode 2019-2024 op onrechtmatige wijze uren van medewerkers aangepast. De heer [persoon B] zou ontdekt hebben dat de heer [persoon A] vaak maanden later pas uren van medewerkers wijzigde van de een naar de andere dag of uren erbij zette. De heer [persoon B] deelde verder mee dat de heer [persoon A] in de tijd dat hij voor Tuned Imports werkte, ook aan zijn eigen auto’s werkte. Volgens de heer [persoon B] verwijderde de heer [persoon A] de uren van uitzendkrachten die in het weekend aan de auto's van de heer [persoon A] werkten. De uren van de uitzendkrachten zouden volgens de heer [persoon B] zijn verplaatst naar doordeweekse werkdagen, waardoor het volgens de heer [persoon B] leek alsof uitzendkrachten in het weekend niet hadden gewerkt. De uren die uitzendkrachten doordeweeks maakten werden volgens de heer [persoon B] door Tuned Imports betaald.”\n\n5.39.. De manier waarop Hoffmann vervolgens haar conclusie formuleert (zie hiervoor onder 3.9) brengt tot uitdrukking dat Hoffmann die conclusie niet werkelijk voor haar rekening neemt. Daarop wijst het gebruik van de hypothetische verleden tijd (“zou”):\n\n“Ook zou de heer [persoon A] op onrechtmatige wijze urenregistraties van uitzendkrachten en zzp’ers hebben aangepast. De uren die deze medewerkers in het weekend werkten aan auto's van de heer [persoon A] , zouden zijn aangepast en verplaatst naar doordeweekse dagen en werden ten onrechte door Tuned Imports betaald.”\n\n5.40.. De stelling van Tuned dat [persoon A] op onrechtmatige wijze aanpassingen in Shiftbase heeft gemaakt en dat [persoon A] uren die in werkelijkheid in het weekend zijn gewerkt heeft verplaatst naar weekdagen is daarom op geen enkele wijze onderbouwd. Ook de onderbouwing van de stelling dat medewerkers van Tuned op kosten van Tuned hebben gewerkt aan 252 auto’s van [persoon A] ontbreekt. Medewerkers van Tuned hebben tegenover Hoffmann verklaard dat zij aan tenminste negen auto’s van [persoon A] hebben gewerkt. Net als de medewerkers van Tuned in Spanje hebben ook de medewerkers die in Nederland werkzaam waren verklaard dat zij niet altijd wisten van wie de auto was waaraan zij werkten, maar het verschil tussen 252 auto’s en negen auto’s is onverklaarbaar groot. Twee van de vijf in Nederland werkzame medewerkers van Tuned die door Hoffmann zijn ondervraagd, hebben verklaard dat zij door [persoon A] contant zijn betaald voor hun werkzaamheden voor [persoon A] ( [persoon D] en [persoon E] ). Een derde medewerker (Herbet) heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [persoon A] medewerkers betaalde.\n\n5.41.. Tuned wekt dus wel de suggestie dat [persoon A] op grote schaal werknemers op kosten van Tuned aan auto’s van [persoon A] heeft laten werken, maar noch de stellingen over het aantal auto’s, noch de stellingen over het manipuleren van de administratie van de gewerkte uren, zijn tegenover de betwisting door [persoon A] voldoende onderbouwd. Ook de schade die Tuned stelt te hebben geleden is onvoldoende onderbouwd. Tuned heeft aangenomen dat er drie tot vier jaar lang gedurende 52 weken per jaar wekelijks 25 uur aan auto’s van [persoon A] werd gewerkt tegen een gemiddeld uurloon van € 25,00 (Bijlage 17 bij het Hoffmann rapport) en dat dat tot een schade heeft geleid van € 97.500,00 tot € 130.000,00. Waarop dit aantal uren is gebaseerd, heeft Tuned niet gesteld. Het is een “schatting” van [persoon B] die kennelijk samenhangt met het aantal van 252 auto’s. De vordering wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.\n\nVerwisselen van onderdelen\n\n5.42.. Tuned heeft gesteld dat [persoon A] onderdelen van haar auto’s heeft weggenomen en op eigen auto’s heeft laten monteren. Tuned verwijst naar het Hoffmann rapport (p. 23 – 24). Tuned raamt de schade op een bedrag van € 25.000,00 - € 30.000,00.\n\n5.43.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij uitsluitend onderdelen van auto’s voor eigen gebruik heeft weggenomen of laten wegnemen. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat het uitwisselen van onderdelen onderdeel was van de normale bedrijfsvoering bij Tuned. Dit kwam voort uit de wens auto’s snel verkoopklaar te maken. Dat gebeurde over en weer en [persoon B] was hiermee bekend.\n\n5.44.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. In het rapport van Hoffmann worden zes voorbeelden genoemd van onderdelen die van een auto van Tuned zouden zijn verwijderd en gebruikt voor een auto van [persoon A] (p. 25). Die voorbeelden bieden onvoldoende steun aan de bevinding dat er “door de modus operandi van de heer [persoon A] jarenlang\n\nhonderden onderdelen van auto’s van Tuned Imports werden weggenomen” (Hoffmann rapport, p. 25 bovenaan en bijlage 19) en ook niet dat het uitwisselen van onderdelen éénrichtingsverkeer was, zoals Tuned impliceert. De begroting van de schade in bijlage 19 van het Hoffmann rapport is afkomstig van [persoon B] . Het daar geschatte bedrag van € 25.000,00 - € 30.000,00 mist een deugdelijke onderbouwing. De vordering wordt afgewezen.\n\nOnrechtmatig gebruik van materialen\n\n5.45.. Tuned heeft gesteld dat namens haar bestellingen zijn gedaan bij leverancier [naam leverancier] van materialen die niet aan haar maar aan [persoon A] ten goede zijn gekomen. Tuned begroot de schade op een bedrag van € 20.000,00 tot € 25.000,00.\n\n5.46.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij materialen van [naam leverancier] heeft gebruikt.\n\n5.47.. De rechtbank wijst ook dit deel van de vordering af, omdat het onvoldoende is onderbouwd. In het rapport van Hoffmann is slechts een mededeling van [persoon B] als onderbouwing opgenomen van de bevinding dat [persoon A] “onrechtmatig materialen heeft gebruikt” (p. 26). De schade is onderbouwd met grootboekkaarten waaruit blijkt wat Tuned tussen 2019 en 2023 heeft besteed bij [naam leverancier] , maar welk deel van die uitgaven voor rekening van [persoon A] zou moeten komen en waarom heeft Tuned niet gesteld en Hoffmann heeft er geen onderzoek naar gedaan.\n\nNiet afgerekende gezamenlijke projecten\n\n5.48.. Tuned vordert dat [persoon A] wordt veroordeeld tot het vergoeden van een schade van € 17.500,00 tot € 20.000,00 wegens “gezamenlijke projecten die nimmer afgerekend zijn”. Tuned heeft gesteld dat [persoon A] heeft geweigerd inzicht te geven in de uren die door werknemers van Tuned aan die projecten zijn besteed. Tuned verwijst naar het rapport van Hoffmann (p. 25 en 26).\n\n5.49.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij heeft geweigerd inzicht te geven in de bestede uren. De uren werden in Nederland bijgehouden door Herbet, die lijsten in het daarvoor bestemde postbakje van [persoon B] heeft gelegd. 95% van het werk deed [persoon A] zelf; werknemers van Tuned hebben niet meer dan 5% van het werk gedaan.\n\n5.50.. De rechtbank oordeelt als volgt. Tuned heeft op haar beurt betwist dat [persoon A] 95% van het werk heeft gedaan en ook dat dit was overeengekomen (spreekaantekeningen Tuned, onder 78). Tuned heeft echter niet concreet gesteld wat de gezamenlijke projecten dan wel inhielden en welke verbintenissen partijen in dit verband over en weer op zich hebben genomen. In de dagvaarding heeft Tuned gesteld dat over die projecten “een conflict met [persoon A] is ontstaan, omdat [persoon A] weigerde inzicht te geven in [door] medewerkers gemaakte uren” (dagvaarding, onder 49), terwijl Tuned in de spreekaantekeningen stelt dat “Tuned dienaangaande met geen geschil bekend is.” (spreekaantekeningen Tuned, onder 3). Ook de verwijzing naar het rapport van Hoffmann (p. 25 en 26) en de daar opgenomen bevindingen maken het voor de rechtbank niet mogelijk om de grondslag van de vordering te beoordelen. Waarom [persoon A] tot het vergoeden van schade veroordeeld zou moeten worden, is onvoldoende duidelijk en dit deel van de vordering wordt afgewezen.\n\nOverige vorderingen\n\n5.51.. Tuned vordert een schadevergoeding van € 22.000,00, omdat [persoon A] de eigendomsbewijzen van een Jaguar E-type uit de kluis van Tuned heeft meegenomen. [persoon A] heeft dit niet betwist. Hij heeft aangevoerd dat de auto van [persoon B] en [persoon A] gezamenlijk is.\n\n5.52.. De rechtbank wijst de vordering van Tuned af. Tuned heeft niet betwist dat de auto eigendom is van [persoon B] en [persoon A] gezamenlijk. Tuned heeft kennelijk geen aandeel in de auto. Waarom de eigendomsbewijzen bij Tuned bewaard moet worden en niet bij [persoon A] en waarom Tuned hierdoor schade heeft geleden heeft Tuned niet gesteld. Het ligt voor de hand dat [persoon B] en [persoon A] afspraken maken over de verkoop van de auto aan één van hen of aan een derde en over de verdeling van de opbrengst. Als die verkoop aanstaande is, zal [persoon A] het eigendomsbewijs en de tenaamstellingscode niet mogen achterhouden, maar dat geeft Tuned geen recht op schadevergoeding.\n\nStallingskosten\n\n5.53.. Tuned heeft het volgende gesteld. [persoon A] heeft twaalf auto’s bij Tuned laten staan. Tuned heeft [persoon A] bij brief van 2 juni 2025 gesommeerd om die binnen vier dagen op te halen, bij gebreke waarvan Tuned € 25,00 per auto per dag aan stallingskosten zal rekenen. Pas vanaf 18 december 2025 heeft [persoon A] tien auto’s opgehaald. Dat is na 199 dagen. Tuned vordert 10 x € 25,00 x 199 = € 49.750,00. Er staan nog twee auto’s die er op 7 mei 2026 339 dagen hebben gestaan. Voor die twee auto’s vordert Tuned 2 x € 25,00 x 339 = € 16.750,00 aan stallingskosten, te vermeerderen met € 50,00 per dag tot [persoon A] ze heeft opgehaald. De vordering is gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. Tuned heeft ruimte ter beschikking moeten stellen. Tuned had de auto’s bezwaarlijk buiten kunnen zetten.\n\n5.54.. \n [persoon A] heeft de vordering van Tuned als volgt bestreden. [persoon A] heeft na zijn vertrek bij herhaling geprobeerd om zijn auto’s op te halen. Dat kon niet zonder medewerking van Tuned, omdat de auto’s achter auto’s van Tuned staan en niet weggehaald kunnen worden zonder eerst die auto’s van Tuned te verrijden. Bovendien heeft Tuned zich op het standpunt gesteld dat [persoon A] zich schuldig maakte aan huisvredebreuk toen hij zijn auto’s kwam inspecteren. Tuned heeft ook voorwaarden gesteld aan het ophalen van de auto’s, zoals het betalen van stallingskosten, terwijl daarvoor geen rechtsgrond bestond. Uiteindelijk mocht [persoon A] een deel van de auto’s ophalen. Pas op 23 april 2026 heeft Tuned toestemming gegeven om de laatste twee voertuigen op te halen (een zwarte Porsche 928s en een zwarte Mercedes SL500). Tuned heeft niet gesteld dat de aanwezigheid van auto’s van [persoon A] haar heeft belet om andere auto’s te stallen en Tuned heeft niet onderbouwd voor welk bedrag zij is verarmd of schade heeft geleden.\n\n5.55.. De rechtbank oordeelt als volgt. Tuned heeft niet gesteld dat zij met [persoon A] is overeengekomen dat zij de auto’s in bewaring zou nemen. Ook uit de feitelijke gang van zaken kan niet worden afgeleid dat partijen een dergelijke overeenkomst voor ogen hebben gehad. Tuned vordert ook geen gebruikelijk of redelijk loon. Tuned vordert schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Wil die vordering kunnen worden toegewezen, dan moet vast komen staan dat de verrijking van [persoon A] ten koste is gegaan van Tuned. Daartoe heeft Tuned niet meer gesteld dan dat zij ruimte heeft moeten afstaan. Tuned heeft niet, ook niet desgevraagd tijdens de zitting en in respons op het verweer van [persoon A] (spreekaantekeningen [persoon A] , onder 2.15), concreet gesteld dat zij schade heeft geleden, bijvoorbeeld doordat zij geen stallingsruimte kon aanbieden aan betalende klanten of doordat zij werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren door gebrek aan ruimte. Om die reden strandt de vordering. Daarom kan in het midden blijven aan wie het ligt dat [persoon A] zijn auto’s niet eerder heeft opgehaald.\n\nSlotsom in conventie\n\n5.56.. De rechtbank zal de vorderingen van Tuned toewijzen voor een bedrag van € 9.459,00. Dat is de optelsom van de schadeposten van € 7.500,00 (bemiddelingsfee), € 630,00 (niet verantwoorde kasopnamen) en € 1.329,00 (gereedschap). Het meerdere wordt afgewezen.\n\nWettelijke rente\n\n5.57.. Tuned vordert de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarden (21 mei 2025). [persoon A] heeft wel verweer gevoerd tegen de gevorderde handelsrente, maar niet tegen de gevorderde rente als zodanig. De rechtbank zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 9.459,00 toewijzen vanaf 21 mei 2025 tot de dag van betaling. Het gaat om een vordering tot vergoeding van schade en daarom is de handelsrente niet toewijsbaar.\n\nKosten van Hoffmann komen niet voor vergoeding in aanmerking\n\n5.58.. Tuned heeft recht op de kosten van het vaststellen van schade en aansprakelijkheid voor zover die kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt (artikel 6:96 lid 2 onder b BW). De kosten van Hoffmann komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Hoffmann heeft gerapporteerd dat [persoon A] frauduleus heeft gehandeld en dat daardoor een schade is ontstaan van tussen € 283.578,00 en € 331.578,00. Op die conclusie valt zoveel af te dingen dat de kosten van Hoffmann niet redelijk zijn en niet in redelijkheid zijn gemaakt. De opzet van het onderzoek en de uitvoering ervan roepen al vragen op over de objectiviteit van het onderzoek en de rapportage. Hoffmann heeft de schadeopstellingen van [persoon B] zonder enige eigen inbreng overgenomen en in haar samenvatting weergegeven. Daarmee wekt Hoffmann ten onrechte de indruk dat deze inschatting haar eigen inschatting is en dat zij het resultaat is van onderzoek. Ook de conclusie dat sprake is geweest van fraude wordt onvoldoende door onderzoek van Hoffmann ondersteund. De gestelde aanpassingen in Shiftbase en het werken aan eigen auto’s in Nederland vertegenwoordigen in het rapport de grootste schadepost (€ 97.500,00 tot € 130.000,00), maar het onderzoek van Hoffmann biedt geen enkele steun aan de conclusie dat op dit punt sprake is geweest van fraude. De conclusie dat [persoon A] “frauduleus heeft gehandeld” valt naar het oordeel van de rechtbank hooguit ten aanzien van de bemiddelingsfee van € 7.500,00 te verdedigen. Het geheel komt meer neer op “munitie op bestelling” dan op een “onderzoek ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid”. Daarvoor hoeft [persoon A] niet te betalen.\n\nBeslagkosten\n\n5.59.. Tuned vordert [persoon A] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering wordt afgewezen. Het beslag was onnodig, omdat de vordering van Tuned op [persoon A] minder bedraagt dan de vordering van [persoon A] op Tuned (zie de beoordeling in reconventie). Tuned had door verrekening betaling van haar vordering kunnen verkrijgen.\n\nIn reconventie:\n\nDe geldvorderingen\n\n5.60.. \n [persoon A] vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 207.384,82, vermeerderd met rente en kosten. Hierna zal de rechtbank steeds verwijzen naar het petitum zoals dat na de wijziging van de eis bij akte van [persoon A] van 30 april 2026 is gaan luiden.\n\nFacturen\n\n5.61.. De vordering van [persoon A] omvat in de eerste plaats de volgende facturen (petitum onder ii en iv):\n\nFactuur\n\nBedrag\n\nPrestatie\n\nStandpunt Tuned\n\nFactuur van 21 december 2023 van [naam autobedrijf] die aan [persoon A] is gecedeerd\n\n€\n\n10.866,90\n\nVerkoop Mercedes Benz 350 SL\n\nNiet betwist\n\nFactuur van 22 mei 2024, nr. [factuurnummer 1]\n\n€\n\n9.126,96\n\nVerkoop Mercedes Benz C32 AMG\n\nNiet betwist\n\nFactuur van 10 juni 2024, nr. [factuurnummer 2]\n\n€\n\n1.884,88\n\nDoorbelasting [naam 4]\n\nBetwist\n\nFactuur van 9 juli 2024, nr. [factuurnummer 3]\n\n€\n\n2.722,50\n\nManagementfee juni 2024\n\nBetwist\n\nFactuur van 9 juli 2024, nr. [factuurnummer 4]\n\n€\n\n21.445,14\n\nVerkoop Jaguar E-type Roadster\n\nBetwist\n\nCreditfactuur 21 mei 2024, nr. [factuurnummer 5]\n\n€\n\n235,16\n\nVoorgeschoten kosten\n\nNiet betwist\n\nCreditfactuur 1 augustus 2024, nr. [factuurnummer 6]\n\n€\n\n242,67\n\nVoorgeschoten kosten\n\nNiet betwist\n\n5.62.. De vordering van [persoon A] wordt toegewezen voor een bedrag van € 22.238,53. Dat bedrag is de optelsom van de onbetwiste (credit)facturen, vermeerderd met het factuurbedrag van € 2.722,50 (factuur 2024,036; managementfee over juni 2024).\n\n5.63.. \n [persoon A] heeft onbetwist gesteld dat de gefactureerde managementvergoeding over juni de helft is van de overeengekomen maandelijkse managementvergoeding. [persoon A] is per 14 juni 2024 bij Tuned vertrokken. Tuned heeft onvoldoende concreet betwist dat zij de helft van de managementfee over juni verschuldigd is. [persoon A] heeft de verschuldigdheid van de overige factuurbedragen tegenover de gemotiveerde betwisting door Tuned onvoldoende onderbouwd. De afspraken over de gezamenlijk te restaureren auto’s zijn onduidelijk gebleven, maar partijen zijn het er wel over eens dat zij de opbrengst bij verkoop aan een derde gelijk delen. De Jaguar E-type Roadster is niet verkocht. Waarom [persoon A] dan recht heeft op restitutie van zijn aandeel in de aankoopprijs is onvoldoende duidelijk. Dat geldt ook voor het mogen doorbelasten van een factuur van [naam 4] .\n\nWettelijke handelsrente\n\n5.64.. \n [persoon A] vordert de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarden. De rechtbank gaat ervan uit dat [persoon A] de dag van haar conclusie van eis in reconventie, dus 8 oktober 2025, bedoelt. Tuned heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gericht. De rechtbank zal de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 22.238,53 toewijzen vanaf 8 oktober 2025 tot de dag van betaling.\n\nAchtergebleven onderdelen en andere voorwerpen\n\n5.65.. \n [persoon A] vordert een bedrag van € 55.042,00 ten titel van schadevergoeding (petitum onder vi). Hij heeft hiertoe het volgende gesteld. Bij Tuned bevinden zich nog onderdelen en andere voorwerpen. Het gaat om voorwerpen die [persoon A] in een afgesloten stalen kast, een bureaublok en elders in de panden van Tuned heeft achtergelaten. De ontbrekende voorwerpen zijn gespecificeerd op een lijst die door [persoon A] als productie 64 is overgelegd. Daarop staat ook dat de voorwerpen een aanschafwaarde hebben van € 55.042,00. Tuned schendt het eigendomsrecht van [persoon A] en dat is onrechtmatig.\n\n5.66.. Tuned heeft erkend dat bij haar nog een afgesloten metalen kast van [persoon A] staat, maar zij sluit niet uit dat de spullen die daarin zijn opgeslagen van haar zijn, omdat [persoon A] heeft gefraudeerd. Er staan ook nog twee auto’s van [persoon A] bij Tuned (een zwarte Porsche 928S en een zwarte Mercedes-Benz Sl500). Tuned heeft betwist dat er meer spullen zijn achtergebleven.\n\n5.67.. De rechtbank oordeelt als volgt. [persoon A] heeft de stelling dat onderdelen en spullen bij Tuned zijn achtergebleven niet onderbouwd met foto’s of stukken uit zijn administratie, zoals aankoopbonnen. Ook de hoogte van de aanschafwaarde die op de lijst staat is op geen enkele wijze onderbouwd. Tuned heeft betwist dat deze voorwerpen zich nog bij haar bevinden met uitzondering van de afgesloten metalen kast en twee laatste auto’s. [persoon A] heeft geen gespecificeerd aanbod gedaan om te bewijzen dat deze spullen zich bij Tuned bevinden. Bij die stand van zaken is de vordering onvoldoende concreet en zij wordt afgewezen.\n\n5.68.. \n [persoon A] heeft haar vordering tot het teruggeven van de metalen kast en de twee laatste auto’s niet gehandhaafd (akte van 30 april 2026, onder 4), omdat Tuned heeft toegezegd die te zullen teruggeven. Daar heeft [persoon A] ook recht op (artikel 5:2 BW) en de rechtbank gaat ervan uit dat dit ook gebeurt.\n\nBeschadigde en verdwenen onderdelen\n\n5.69.. \n [persoon A] heeft onder vii gevorderd dat Tuned wordt veroordeeld om haar een bedrag te betalen van € 75.274,27. [persoon A] heeft het volgende gesteld. Nadat [persoon A] zijn auto’s bij Tuned heeft opgehaald, is hem gebleken dat onderdelen zijn verwijderd, zijn beschadigd of zijn verwisseld met onderdelen afkomstig van derden. De als gevolg daarvan geleden schade aan de opgehaalde voertuigen bedraagt in totaal € 75.274,27. Dit bedrag is gespecificeerd in het als productie 64 overgelegde Excel-bestand.\n\n5.70.. Tuned heeft betwist dat onderdelen van auto’s zijn weggenomen en zijn beschadigd. De auto's waren restauratieprojecten en bevatten geen onderdelen die in andere auto's konden worden gebruikt. [persoon A] heeft zich pas vier maanden nadat hij de auto’s bij Tuned heeft opgehaald op dat standpunt gesteld. Dat maakt het standpunt van [persoon A] ongeloofwaardig, aldus Tuned.\n\n5.71.. De rechtbank oordeelt als volgt. [persoon A] heeft weliswaar foto’s overgelegd van auto’s in beschadigde staat en autowrakken, maar die foto’s onderbouwen niet dat Tuned die beschadigingen heeft toegebracht. Het had, zoals Tuned ter onderbouwing van haar betwisting heeft aangevoerd, voor de hand gelegen dat [persoon A] onmiddellijk na het ophalen van zijn auto’s over de schade had geklaagd en daarmee niet vier maanden had gewacht. Ook op dit punt heeft [persoon A] geen concreet bewijsaanbod gedaan. De rechtbank wijst de vordering van [persoon A] af.\n\nNiet afgerekende gezamenlijke projecten\n\n5.72.. De vorderingen onder viii van € 11.250,00 onder viii van € 20.250,00 zijn gegrond op de overeenkomst tussen [persoon A] en Tuned om gezamenlijk auto’s te kopen, op te knappen en te verkopen. De vorderingen van [persoon A] in reconventie zijn de tegenhanger van de vorderingen van Tuned in conventie die hiervoor onder 5.48 zijn beoordeeld en afgewezen. Tuned en [persoon A] zijn het oneens over hoe die afspraken luiden en zij hebben ervoor gekozen om die afspraken niet op te schrijven. Zij hebben ook de uren die aan gezamenlijke auto’s zijn gewerkt niet bijgehouden, althans die urenbesteding is niet (meer) beschikbaar. Net zo min als Tuned voldoende concreet heeft gesteld dat zij recht heeft op vergoeding van de kosten voor de uren van haar medewerkers, heeft [persoon A] voldoende concreet gesteld dat hij recht heeft op een vergoeding van zijn eigen uren. De vorderingen worden afgewezen.\n\nAfgifte harde schijf\n\n5.73.. \n [persoon A] vordert dat Tuned wordt veroordeeld om de harde schijf uit de computer van [persoon A] aan [persoon A] terug te geven. [persoon A] heeft het volgende gesteld. Om zijn werkzaamheden voor Tuned te verrichten heeft [persoon A] gebruik gemaakt van een eigen computer die bij Tuned op kantoor stond. De harde schijf is na het vertrek van [persoon A] bij Tuned uit die computer verdwenen. Medewerkers van Tuned, zoals [persoon D] en Herbet kunnen dit bevestigen. Tuned heeft geweigerd om de harde schijf terug te geven.\n\n5.74.. Tuned heeft betwist dat zij over de harde schijf beschikt. Tuned vermoedt dat [persoon A] de harde schijf door [persoon D] of een van de medewerkers van Tuned uit de computer heeft laten halen. Tuned heeft dan ook niet geweigerd om de harde schijf terug te geven, aldus Tuned.\n\n5.75.. \n [persoon A] heeft in reactie op deze betwisting gewezen op de volgende passage in de conclusie van antwoord in reconventie van Tuned, onder 12:\n\n“Verder stelt [persoon A] dat hij minimaal 450 uur aan diverse auto's zou hebben gewerkt. Dat zou blijken uit de urenoverzichten op de harde schijf van [persoon A] . Dat blijkt daar echter niet uit. Tuned heeft [persoon A] al tijden gevraagd om specificaties voor werkzaamheden aan deze auto's. Die specificaties zijn er niet, maar ook geen berichten of anderszins waaruit blijkt dat [persoon A] aan een auto heeft gewerkt.”\n\n5.76.. De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat de harde schijf van [persoon A] uit de computer van [persoon A] is verdwenen, terwijl die computer zich in een kantoor van Tuned bevond. [persoon A] had op dat moment zelf geen toegang meer tot die computer. Dat biedt steun aan de stelling van [persoon A] dat de harde schijf zich ook nu nog onder Tuned bevindt. De hiervoor onder 5.75 geciteerde passage wijst erop dat Tuned ook op die harde schijf heeft gekeken. De uitleg ter zitting dat deze passage op een vergissing berust, is onvoldoende. De vordering tot afgifte wordt daarom als onvoldoende betwist toegewezen op verbeurte van een dwangsom, zoals onder de beslissing is weergegeven.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n5.77.. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen in aansluiting bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van dat Besluit heeft Tuned recht op € 997,39 en dat bedrag wordt toegewezen.\n\nIn conventie en in reconventie\n\nDe proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd\n\n5.78.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn conventie:\n\n6.1.. veroordeelt [persoon A] om aan Tuned te betalen € 9.459,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 mei 2025 tot de dag van betaling,\n\n6.2.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nIn reconventie:\n\n6.3.. veroordeelt Tuned om aan [persoon A] te betalen € 22.238,53, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 8 oktober 2025 tot de dag van betaling,\n\n6.4.. veroordeelt Tuned om aan [persoon A] te betalen € 997,39,\n\n6.5.. veroordeelt Tuned om de harde schijf van [persoon A] die zich bevond in de persoonlijke computer van [persoon A] die aanwezig was op het kantoorpand van Tuned Imports op het adres Fokkerstraat 505 te (3125 BD) Schiedam, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [persoon A] af te geven, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 100.000,00,\n\n6.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nIn conventie en reconventie:\n\n6.7.. compenseert de proceskosten zo dat elke partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.8.. verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 3669\u002F1980\n\n De bonnetjes die als bijlage 8 bij het rapport zijn gevoegd zijn deels onleesbaar en zij bieden zonder nadere uitleg, die in het rapport ontbreekt, ook geen steun aan de bevinding dat [persoon A] contant geld van Tuned heeft “weggenomen” (rapport, p. 16).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6833","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:04.101Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":88,"fullText":89,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":64,"updatedAt":92},"339","ECLI:NL:RBROT:2026:7472","ecli-nl-rbrot-2026-7472","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F697042 \u002F HA ZA 25-284\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ntevens zijn eigen advocaat, mr. A.J.G. [eiseres] ,\n\ntegen\n\nBRR ASSURANTIËN B.V.,\n\nte Rotterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: BRR,\n\nadvocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 18 maart 2025, met producties 1 tot en met 8; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de brief van [eiseres] van 2 februari 2026, met producties 9 tot en met 13;\n\n- de mondelinge behandeling van 12 februari 2026 en het proces-verbaal daarvan;\n\n- het B16-formulier van BRR van 11 maart 2026;\n\n- de akte uitlaten van [eiseres] van 15 april 2026;\n\n- de antwoordakte van BRR van 13 mei 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Aanvankelijk vordert [eiseres] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:\n\nte verklaren voor recht dat BRR schadeplichtig is jegens [eiseres] ;\n\nBRR te veroordelen tot vergoeding aan [eiseres] van de schade ten bedrage van € 321.491,40, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente;\n\nBRR te veroordelen tot een door uw Rechtbank in goede justitie vast te stellen\n\nschadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente;\n\n4. BRR te veroordelen om verschillende bescheiden in het geding te brengen, op straffe van een dwangsom;\n\n5. BRR te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.2.. BRR voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.3.. Op de mondelinge behandeling van 12 februari 2026 is aan de orde geweest de vrijwaringsverplichting die BRR heeft ten aanzien van Klap B.V., de vennootschap die enkele verzekeringsportefeuilles van BRR heeft overgenomen. In het licht van het verweer van BRR dat [eiseres] Klap B.V. dient aan te spreken en niet BRR, is besproken dat BRR in overleg zal treden met Klap B.V. om eventuele procesafspraken te maken.\n\n2.4.. BRR heeft vervolgens bij B16-formulier de rechtbank bericht dat – samengevat – zij bereid is haar verweer te laten vallen dat [eiseres] Klap B.V. had moeten aanspreken, mits [eiseres] aangeeft dat hij ondubbelzinnig en onherroepelijk afstand doet van enige vordering op Klap B.V. Als [eiseres] hiertoe niet bereid is zal BRR dat verweer handhaven.\n\n2.5.. In reactie hierop heeft [eiseres] zijn vorderingen onder 1 tot en met 4 ingetrokken. Over die vorderingen is derhalve geen beslissing meer mogelijk.\n\n2.6.. \n [eiseres] handhaaft zijn vordering om BRR in de proceskosten te veroordelen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat BRR hem nodeloos op kosten heeft gejaagd en dat daarom de door hem gemaakte proceskosten voor rekening dienen te komen van BRR op grond van artikel 237 lid 1 Rv, laatste zin. [eiseres] legt hieraan ten grondslag dat BRR met het onder 2.4. vermelde B16-formulier, [eiseres] onder druk heeft gezet om een keuze te maken terwijl BRR ook zelf de keuze had kunnen maken om haar beroep op niet-ontvankelijkheid achterwege te laten. Daarnaast heeft BRR vóór het aanhangig maken van de procedure voor [eiseres] relevante informatie over de met Klap B.V. gesloten overeenkomst achtergehouden. De inhoud van de overeenkomst met Klap B.V. heeft BRR pas in de conclusie van antwoord met [eiseres] gedeeld. Hierdoor heeft [eiseres] zijn procedurele positie niet op een juiste wijze kunnen bepalen en heeft BRR [eiseres] op kosten gejaagd.\n\n2.7.. BRR stelt zich op het standpunt dat er geen reden bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de partij die zijn vordering intrekt, op één lijn moet worden gesteld met de in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237 Rv. BRR handhaaft haar vordering tot vergoeding van haar proceskosten door [eiseres] .\n\n2.8.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt over de proceskosten.\n\nBRR heeft in het B16-formulier een pragmatische oplossing aangeboden aan [eiseres] , inhoudende dat als [eiseres] afstand deed van enige vorderingen op Klap B.V., BRR haar niet-ontvankelijkheidsverweer zou laten vallen.\n\nDe rechtbank ziet niet hoe BRR [eiseres] hiermee onder druk zou hebben gezet. Het stond [eiseres] vrij om op die pragmatische oplossing niet in te gaan en de procedure voort te zetten en zijn vorderingen en de daartegen gevoerde verweren, waaronder het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer dat dan niet werd ingetrokken, inhoudelijk te laten beoordelen door de rechtbank.\n\nDaarbij is van belang dat uit de door [eiseres] overgelegde e-mail van 10 januari 2025 blijkt dat BRR, als reactie op de aansprakelijkheidstelling, [eiseres] heeft geadviseerd om klachten aan Klap B.V. te richten omdat de portefeuille in kwestie sinds juni 2023 is ondergebracht bij Klap B.V. Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] bevestigd dat hij na de verwijzing van BRR naar Klap B.V. geen contact heeft opgenomen met Klap B.V. In plaats daarvan heeft [eiseres] BRR in rechte betrokken. Dat stond [eiseres] vrij, maar BRR valt daarover geen verwijt te maken. De stelling dat BRR nodeloos proceskosten aan de zijde van [eiseres] heeft veroorzaakt wordt dan ook verworpen.\n\n2.9.. Omdat [eiseres] BRR in de procedure heeft betrokken maar zijn hoofdvorderingen naderhand allemaal heeft ingetrokken, wordt hij gelijk gesteld met de in het ongelijk gestelde partij. [eiseres] wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van BRR worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n5.770,00\n\n(2 punten × € 2.885,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n12.820,00\n\n2.10.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.3.. wijst het meer of anders gevorderde af en verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\n3304\u002F638","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7472","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:25.153Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":97,"fullText":98,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":100,"parsedAt":64,"updatedAt":101},"1569","ECLI:NL:RBROT:2026:6532","ecli-nl-rbrot-2026-6532","2026-06-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F713387 \u002F HA RK 26-36\n\nBeschikking van 2 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. M.J.J. de Ridder,\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\nzowel handelend voor zichzelf als in haar hoedanigheid van\n\nwettelijk vertegenwoordiger van:\n\n [persoon A] ,\n\nbeiden te [plaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [persoon A] ,\n\nadvocaat: mr. A. el Ballouti.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met 10 bijlagen, ingediend op 13 januari 2026;\n\n- het verweerschrift met producties A en B;\n\n- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van [verzoeker] .\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 29 april 2016 heeft [persoon A] telefonisch contact opgenomen met de praktijk van huisarts [verzoeker] , waarbij zij aangaf dat [persoon A] , haar dochter van destijds 6 jaar, koorts en sinds drie dagen diarree had.\n\n2.2.. \n [persoon A] heeft [verzoeker] met [persoon A] bezocht op 29 april 2016. De urine van [persoon A] is hierbij nagezien, waarbij de volgende waarden werden aangetroffen: leukocyten (+++) en erytrocyten (+++). [verzoeker] heeft het antibioticum Amoxicilline voorgeschreven.\n\n2.3.. Op zaterdag 7 mei en zondag 8 mei 2016 heeft [persoon A] met [persoon A] de huisartsenpost bezocht, met onder meer klachten van krachtsverlies in de benen. Op 8 mei 2016 is [persoon A] doorverwezen naar het Sint Franciscus Gasthuis. Aldaar werd gedacht aan een Guillain-Barré syndroom (hierna ook: GBS), een auto-immuunziekte van de zenuwen in de armen en benen.\n\n2.4.. Op 9 mei 2016 is [persoon A] opgenomen in het Erasmus MC op de afdeling kinderneurologie, waar zij tot 13 mei 2016 verbleef. Na een lumbaalpunctie bleek sprake van een verhoogd eiwitgehalte en werd GBS geconstateerd. [persoon A] werd behandeld met immunoglobuline (antistoffen). Tijdens de opname werd bij urinekweken de E. Colibacterie gevonden, resistent voor Amoxicilline, en vond behandeling met Nitrofurantoïne plaats.\n\n2.5.. In de ontslagbrief van 26 mei 2016 van het Erasmus MC staat vermeld:\n\n“GBS is een postinfectieuze aandoening die door de\n\nafweerreactie op verschillende verwekkers kan worden uitgelokt. Bij\n\nJasmina werd een recente infectie met hepatitis E vastgesteld. Dit is\n\neen bekende verwekker van GBS. Waarschijnlijk is zij van de\n\noorspronkelijke infectie niet of nauwelijks ziek van geweest. De E.\n\nColi die de urineweginfectie veroorzaakte, is als verwekker\n\nonwaarschijnlijk.”\n\n2.6.. \n [persoon A] heeft [verzoeker] aansprakelijk gesteld, waarna diens aansprakelijkheidsverzekeraar VvAA Schadeverzekeringen N.V. (hierna: VvAA) in 2018 namens [verzoeker] de aansprakelijkheid heeft afgewezen.\n\n2.7.. Partijen hebben overeenstemming bereikt over het gezamenlijk inwinnen van een medische expertise bij prof. dr. H. De Vries, emeritus-hoogleraar huisartsgeneeskunde (hierna: prof. De Vries).\n\n2.8.. Prof. De Vries heeft in zijn rapport van 8 januari 2024 geschreven:\n\n“Ik beoordeel het antibioticumbeleid van de huisarts als onzorgvuldig, omdat (…)\n\n- Het onvoldoende ondersteund werd door de uitkomsten van zijn anamnese (vragen naar mictieklachten, keelpijn, oorpijn, hoesten of benauwdheid ontbreken) en onderzoek (onderzoek van keel, trommelvliezen, longen, buik en dipslide\u002Furinekweek ontbreken)\n\n- De arts in het bijzonder onvoldoende argumenten had om amoxicilline voor een eventuele luchtweginfectie voor te schrijven;\n\n- De arts gezien de mogelijkheid van een urineweginfectie had moeten kiezen voor amoxicilline\u002Fclavulaanzuur”(pag. 12).\n\nDe diagnose ‘Koorts en het vermoeden van een urineweginfectie’, zoals genoteerd in\n\nhet huisartsenjournaal, achtte prof. De Vries “correcte diagnosen”,“ondanks de tekortkomingen bij anamnese en lichamelijk onderzoek.”\n\n2.9.. Ook schreef prof. De Vries in zijn rapport:\n\n “Het is voor een leek van belang om te weten dat het GBS voordat de verschijnselen\n\nzich aandienen niet te voorspellen of te voorkomen is”(pag. 9).\n\nen\n\n“Tenslotte: het antibioticumbeleid van de huisarts op 29 april 2016 heeft mijns inziens\n\nhelemaal niets te maken met het feit dat [persoon A] kort daarna een Guillain-Barré syndroom ontwikkelde”(pag. 12).\n\n2.10.. VvAA heeft daarna geschreven dat zij het rapport van prof. De Vries, met daarin de conclusie dat het door [verzoeker] gevoerde antibioticumbeleid, als hiervoor omschreven onder 2.8, onzorgvuldig was, als uitgangspunt neemt bij de verdere beslechting van het geschil tussen partijen.\n\n2.11.. Omdat prof. De Vries aangegeven heeft dat het gevoerde antibioticumbeleid niets te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS, ontbreekt volgens [verzoeker] een conditio sine qua non-verband en is aan een vereiste voor het vestigen van aansprakelijkheid niet voldaan, aldus VvAA.\n\n2.12.. \n [persoon A] is van mening dat het GBS is ontstaan als gevolg van het feit dat [verzoeker] Amoxicilline heeft voorgeschreven in plaats van Amoxicilline met clavulaanzuur.\n\n2.13.. \n [persoon A] heeft op 28 januari 2026 een verzoekschrift deelgeschil ex artikel 1019 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend bij deze rechtbank waarin zij - onder meer - een verklaring voor recht vraagt dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. [verzoeker] heeft verweer gevoerd. Deze procedure is bekend onder zaaknummer C\u002F10\u002F714006 \u002F HA RK 26-73 en is ook behandeld ter zitting van 24 maart 2026. In die procedure heeft de rechtbank afzonderlijk een beslissing genomen.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een onderzoek door een deskundige te bevelen.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft er belang bij zijn positie in rechte te kunnen bepalen omdat partijen van mening blijven verschillen over de aansprakelijkheid en de vraag of het gevoerde antibioticumbeleid wel of niet te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS. Ter beantwoording daarvan kan de vraagstelling worden voorlegd aan dr. A.Verrips , neuroloog.\n\n3.3.. \n [persoon A] kan instemmen met een voorlopig deskundigenonderzoek maar wenst dat [persoon B] , neuroloog en hoogleraar Immunologie en Neurologie (hierna: [persoon B] ), wordt aangesteld als deskundige - in plaats van dr. Verrips .\n\n3.4.. Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven niet te kunnen instemmen met [persoon B] als deskundige. [persoon B] werkt in het Erasmus MC en zijn collega’s in het Erasmus MC hebben - vanwege de opname van [persoon A] aldaar - al bemoeienis gehad met [persoon A] . Dat maakt dat [persoon B] niet onafhankelijk kan onderzoeken en rapporteren.\n\n3.5.. Ter zitting heeft [persoon A] vervolgens [persoon C] , als neuroloog werkzaam in het het IJsselland Ziekenhuis en gepromoveerd op GBS, voorgedragen als te benoemen deskundige.\n\n3.6.. Ook tegen benoeming van [persoon C] als deskundige heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. [persoon C] is gepromoveerd in het Erasmus MC en daarom (wellicht) ook niet onafhankelijk.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift zoals vermeld in artikel 197 Rv voldaan. Het verzoek moet daarom worden toegewezen, tenzij:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv). Dit alles doet zich hier echter niet voor.\n\n4.2.. Het verzoek voldoet dus aan de eisen van de wet en zal worden toegewezen.\n\n4.3.. De rechtbank beoordeelt de bezwaren van [verzoeker] tegen de door [persoon A] aangedragen deskundigen - [persoon B] en [persoon C] - als gegrond. [persoon A] is opgenomen geweest in het Erasmus MC. Beide door [persoon A] voorgestelde deskundigen hebben banden of banden gehad met het Erasmus MC waardoor zij mogelijk niet onafhankelijk zullen (kunnen) rapporteren.\n\n4.4.. \n\n [persoon A] heeft als bezwaar tegen de benoeming van dr. Verrips als deskundige naar voren gebracht dat hij algemeen neuroloog is. Dit bezwaar beoordeelt de rechtbank niet als voldoende zwaarwegend, omdat een neuroloog de kennis en kunde heeft om de vraagstelling te kunnen beantwoorden. Niet betwist is immers dat het GBS een neurologische afwijking is. Dr. Verrips is bovendien ook kinderneuroloog én hij verricht al lange tijd neurologische expertises, ook bij kinderen.\n\nDaarom zal de rechtbank hem als deskundige benoemen en zullen aan hem de onder de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.\n\n4.5.. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. De rechtbank zal het voorschot dus vaststellen op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw).\n\n4.6.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die de rechtbank geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n4.7.. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.\n\n4.8.. In het feit dat partijen hebben afgesproken de kosten van het eerdere deskundigenrapport van prof. De Vries bij helfte te delen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat [persoon A] en [verzoeker] ook in dit voorlopig deskundigenonderzoek de kosten bij helfte delen. Dit sluit ook aan bij aanbeveling 23 van de GOMA. [verzoeker] dient de helft van het voorschot van het voorlopig deskundigenonderzoek ter griffie te storten. Aan [persoon A] is een toevoeging verleend en het griffierecht voor onvermogenden geheven. De helft van [persoon A] van het voorschot op de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek komt daarom ten laste van ’s Rijks kas.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. beveelt een voorlopig onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\nVraag 1\n\nBeschikt u over voldoende gegevens om de hierna te volgen vragen te\n\nkunnen beantwoorden? Zo nee, wilt u dan aangeven welke informatie u nog\n\nwilt ontvangen?\n\nVraag 2\n\nKunt u het ziektebeloop van een Guillain-Barré syndroom schetsen? Kunt u\n\ndaarbij aangeven wat daarvan de oorzaken zijn?\n\nVraag 3\n\nWat zijn de behandelmogelijkheden van een Guillain-Barré syndroom en hoe\n\nis de prognose?\n\nVraag 4\n\nWat is naar uw mening de oorzaak van het Guillain-Barré syndroom bij\n\n [persoon A] ? Acht u het waarschijnlijk dat Gullain-Barré syndroom is ontstaan\n\ndoor het op 29 april 2016 voorschrijven van Amoxicilline in plaats van\n\nAmoxicilline met clavulaanzuur? Kunt u daarbij ook ingaan op de relatie met\n\nHepatitis E en\u002Fof E. Coli?\n\nVraag 5\n\nHad het Guillain-Barré syndroom bij [persoon A] door de huisarts op 29 april\n\n2016 voorkomen kunnen worden? Zo ja hoe?\n\nIndien u van mening bent dat het Guillain Barré syndroom is\n\nontstaan door het voorschrijven van Amoxicilline in plaats van\n\nAmoxicilline met clavulaanzuur, wilt u dan ook de volgende vragen\n\nbeantwoorden:\n\nVraag 6\n\nKunt u aangeven van welke neurologische aandoeningen en klachten en\n\nbeperkingen op uw vakgebied thans sprake is? Kunt u de daarmee gemoeide\n\nbeperkingen zo uitvoerig mogelijk beschrijven en uitdrukken in een\n\npercentage BI volgens de AMA-guide?\n\nVraag 7\n\nKunt u aangeven in hoeverre deze beschreven klachten en beperkingen een\n\ngevolg zijn van het Guillain-Barré syndroom?\n\nVraag 8\n\nIs er op uw vakgebied sprake van een medische eindsituatie of moet er met\n\neen verslechtering c.q. verbetering rekening worden gehouden?\n\nVraag 9\n\nHoe ziet u de prognose? Wat is de kans op een recidief?\n\nVraag 10\n\nHeeft u nog therapeutische suggesties?\n\n5.2.. benoemt tot deskundige:\n\nDr. A. Verrips, neuroloog-kinderneuroloog-neuromyoloog,\n\nCanisius-Wilhelmina Ziekenhuis (tot 1 juli 2026):\n\nPostbus 9015\n\n6500 GS Nijmegen\n\nTelefoon: 024-3657657\n\nFax: 024- 3657329\n\nVanaf 1 juli 2026 bereikbaar via:\n\ne-mailadres: verripsexpertises@gmail.com,\n\ntelefoon privé: [gsm-nummer]\n\n5.3.. bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,\n\nhet voorschot\n\n5.4.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.129,93 (inclusief btw),\n\n5.5.. bepaalt dat [verzoeker] de helft van het voorschot moet overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak en brengt de andere helft van het voorschot ten laste van ’s Rijks kas,\n\n5.6.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek\n\n5.7.. bepaalt dat [verzoeker] het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,\n\n5.8.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n5.9.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002F),\n\n- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en\u002Fof gedane verzoeken,\n\n5.10.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n5.11.. draagt de deskundige op om uiterlijk acht maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud op de griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n5.12.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\nde deskundige [persoon A] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van het inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b BW en, indien zij als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [persoon A] (eventueel onder gesloten couvert via haar advocaat) moet toesturen en [persoon A] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik wil maken van het blokkeringsrecht (waarbij het [persoon A] zich van commentaar op het concept moet onthouden),\n\nindien [persoon A] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen,\n\nindien [persoon A] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n5.13.. bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\n5.14.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\n3246\u002F2537\n\nAanbeveling 23 GOMA (Gedragscode Openheid medische incidenten): “Bij een blijvend verschil van inzicht op medisch gebied vragen partijen zo mogelijk gezamenlijk een deskundigenonderzoek aan en communiceren zij daarover open en voortvarend met elkaar. Zij delen de kosten in gelijke mate.”","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6532","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.545Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":106,"fullText":107,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":64,"updatedAt":110},"1685","ECLI:NL:RBROT:2026:6340","ecli-nl-rbrot-2026-6340","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F718518 \u002F KG ZA 26-381\n\nVonnis in kort geding van 15 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1.. [eiser 1] ,\n\n2.[eiser 2],\n\nBEIDEN IN DE HOEDANIGHEID VAN CURATOR VAN [persoon A] ,\n\nbeiden wonend in [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de curatoren,\n\nadvocaat: mr. H.J.D. de Boer te Rotterdam,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. N.C. Haase te Utrecht.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft zwaar letsel opgelopen als gevolg van een aanrijding door een personenauto. [gedaagde] is de verzekeraar van de betrokken personenauto en heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van [persoon A] hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (de VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft [gedaagde] meegedeeld dat de kosten van het vervoer van [persoon A] per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met [persoon A] meegereisd naar de VS, waar [persoon A] met het revalidatietraject is gestart.\n\n1.2.. De curatoren vorderen van [gedaagde] betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van [persoon A] . In geschil is de vraag of [gedaagde] heeft toegezegd dat zij de kosten die verband houden met de behandeling van [persoon A] in de VS zal vergoeden en, zo ja, wat de omvang van die toezegging is. De voorzieningenrechterechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. De geldvordering wordt deels, overeenkomstig de onvoorwaardelijke toezegging, toegewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 29 april 2026;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 22 van de curatoren;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 14 van [gedaagde] ;\n\n- de producties 23 t\u002Fm 25 van de curatoren; - de mondelinge behandeling op 8 mei 2026; - de pleitnota van de curatoren; - de pleitnota van [gedaagde] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de late indiening van producties 23 t\u002Fm 25 door de curatoren en verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten. Dat verzoek is afgewezen. Wel heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op die producties. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] op 11 mei 2026 een aanvullende productie ingebracht.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 25 maart 2025 is [persoon A] als voetganger aangereden door een bij [gedaagde] verzekerde personenauto. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend.\n\n3.2.. \n [persoon A] heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert [persoon A] op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk.\n\n3.3.. De curatoren zijn de broer en zus van [persoon A] en bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 benoemd tot curator van [persoon A] .\n\n3.4.. Partijen hebben in november 2025 Trivium Advies (hierna: Trivium) ingeschakeld om te inventariseren welke woon- en zorgmogelijkheden en voorzieningen er voor [persoon A] zijn en om hem en zijn familie daarin te begeleiden.\n\n3.5.. Op 11 december 2025 heeft Trivium partijen geïnformeerd over de mogelijkheid voor [persoon A] om een revalidatietraject bij het Shepherd Center in Atlanta (de VS) te starten. In december 2025 en januari 2026 hebben Trivium en de curatoren contact gehad met medische specialisten om dit traject te onderzoeken.\n\n3.6.. Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft Trivium een door het Shepherd Center voor [persoon A] opgesteld revalidatieprogramma en kostenopgave gedeeld met [gedaagde] en mr. M. Meerman (de advocaat van [persoon A] ).3.7.. Op 3 februari 2026 heeft een Teams-overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde] , Trivium en mr. Meerman. Na dat gesprek heeft [gedaagde] bij e-mail van diezelfde dag het volgende meegedeeld aan Trivium en mr. Meerman:\n\n“Ik heb gelukkig direct kunnen overleggen over het verzoek om [persoon A] te laten revalideren bij het Shepherd Center. Wij zijn bereid dit te financieren op enkele voorwaarden:\n\n- Wij gaan uit van een vergoeding voor de eerste acht weken Residential program. Na vier weken en bij acht weken dient ge?valueerd te worden of er voldoende progressie is en zo ja, waaruit deze bestaat. Het lijkt mij goed als [naam] deze contacten onderhoudt.\n\n- Als het Shepherd Center na de eerste acht weken nog ruimte ziet voor verbetering zullen wij eerst in overleg met onze medisch adviseur bezien of dat ook voldoende aanknopingspunten biedt in schade technische zin, wij willen daar op voorhand helder over zijn.\n\n- Wij vergoeden de redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften. We zullen even moeten afstemmen hoe deze vergoeding eruitziet. Te denken valt aan bijvoorbeeld een verblijf waar men zelf eten kan bereiden.\n\n- Zijn er meer kosten dan zullen we in overleg een redelijke vergoeding bepalen.\n\nDit even kort omdat ik weet dat de familie heel graag duidelijkheid wil. Ik hoor graag hoe verder, maar nu kan een en ander in elk geval in gang gezet worden. Ik hoop dat het traject zal opleveren waar men zo op hoopt!”\n\n3.8.. De curatoren en Trivium zijn vervolgens bezig geweest met het verkrijgen van een ‘fit to fly-verklaring’ voor [persoon A] en het opvragen van offertes bij verschillende medische vervoersdiensten voor het verzorgen van het vervoer van [persoon A] van het ziekenhuis in Dordrecht naar het Shepherd Center in Atlanta.\n\n3.9.. Begin maart 2026 heeft het Shepherd Center aan de curatoren laten weten dat zij per 13 april 2026 een plek beschikbaar heeft voor [persoon A] . Op 4 maart 2026 heeft Trivium [gedaagde] daarvan in kennis gesteld.\n\n3.10.. Op 17\u002F24 maart 2026 hebben de curatoren een “Self-Pay Letter of Agreement” gesloten met het Shepherd Center. Daarin staat onder meer:\n\n“We appreciate the opportunity to work with you! I am writing to document the agreement regarding payment for services at Shepherd Center. Shepherd Center agrees to accept the discounted self-pay rate of $1,212 per day (Monday— Friday) for Residential Day Program rehabilitation services at Shepherd Pathways. During the weekend (Saturday & Sunday), a separate charge for Room & Board in the amount of $625\u002Fday will apply. Your team has estimated a total of four weeks (28 days) of care. We are requesting a total of $29,240.00 to be paid in advance, prior to admission.”\n\nMr. Meerman heeft een kopie van de door een van de curatoren ondertekende overeenkomst op 24 maart 2026 verzonden aan [gedaagde] en Trivium. Dat mailbericht heeft [gedaagde] echter niet bereikt, omdat het gebruikte mailadres van [gedaagde] niet correct was.\n\n3.11.. Bij e-mail van 24 maart 2026 stuurt Trivium aan [gedaagde] een offerte van Medische Repatriëringsdienst. Bij de offerte is een verklaring gevoegd van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadt. In de offerte worden de vervoerskosten begroot op € 164.855,00.\n\n3.12.. Bij e-mail van 31 maart 2026 stuurt Trivium de afgegeven ‘fit to fly-verklaring’ en een brief van het Shepherd Center door aan [gedaagde] . In het mailbericht staat:\n\n“Vandaag heeft de zus van betrokkene de fit-to-fly aan ondergetekende toegezonden. In deze verklaring wordt aangegeven dat betrokkene uitsluitend per medische vlucht mag reizen. U treft de fit-to-fly als bijlage bij deze e-mail aan.\n\n(…)\n\nDaarnaast treft u in de bijlagen een brief van het Shepherd Center aan, waarin wordt verzocht om een eerste aanbetaling van $ 29.240,00 voor de eerste vier weken revalidatie en intern verblijf. In een separate bijlage is aangegeven op welke wijze dit bedrag kan worden overgemaakt. De zus geeft aan dat het verblijf telkens per vier weken wordt verlengd en dat na elke periode van vier weken een nieuwe factuur zal worden verstrekt, welke voldaan dient te worden.\n\nHet is aan partijen om onderling afte stemmen op welke wijze de voornoemde betalingen zullen worden voldaan. Vanuit de familie is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar rechtstreekse betaling door [gedaagde] aan de betreffende instanties.\n\nOm betrokkene per 13 april aanstaande te kunnen laten starten bij het Shepherd Center, dient de aanbetaling tijdig te zijn voldaan. Daarnaast zal voorafgaand aan deze datum ook de medische vlucht moeten worden geboekt. Gezien de planning is derhalve sprake van enige urgentie, teneinde vertraging te voorkomen.”\n\n3.13.. Bij e-mail van 1 april 2026 aan Trivium vraagt [gedaagde] om meer informatie:\n\n“Ik zal e.e.a. intern overleggen en hier z.s.m. op terugkomen. Vooruitlopend daarop zou ik graag de andere offertes ontvangen die de zus van betrokkene heeft opgevraagd. Zijn er nog andere organisaties die door jouzelf zijn benaderd? Daarnaast zag ik de fit to fly verklaring bijgevoegd. Hoe zal nu het vervolg gaan wat betreft het uitvoeren van een eigen fit to fly onderzoek van de ambulancedienst? Ik veronderstel dat het in de lijn der verwachting ligt dat [persoon A] ook door de ambulancedienst fit to fly wordt bevonden?”\n\n3.14.. Bij e-mail van 2 april 2026 informeert Trivium [gedaagde] over een voorlopige prijsindicatie van [naam vervoerder] , een andere vervoerder. Verder staat in de mail:\n\n“Zodra er duidelijkheid is over de te vergoeden kosten voor de vlucht, kan de vervolgstap worden gezet ten aanzien van het boeken van de vlucht.”\n\n3.15.. Bij antwoordmail van 2 april 2026 deelt [gedaagde] aan Trivium mee:\n\n“De medewerker van [naam vervoerder] vraagt om een actueel medisch dossier. Kan dat zsm aan hen aangeleverd worden ten behoeve van een definitieve offerte? De wens is vanzelfsprekend om hen zsm een definitieve offerte te laten uitbrengen zodat wij deze kunnen meenemen in onze besluitvorming.\n\nAls ik het goed begrijp zijn er door de familie van [persoon A] twee organisaties benaderd en door [naam][vzr: Trivium]ook twee. De voorlopige offerte van [naam vervoerder] laat vooralsnog een beduidend lagere prijs zien. De verschillen tussen de offertes zijn behoorlijk groot.\n\nAls ik op Google zoek naar aanbieders van dit soort vluchten, kom ik best een behoorlijk aantal aanbieders tegen. Ik was dan ook in de veronderstelling dat er (zoals naar mijn idee ook besproken) meerdere offertes zouden worden aangeleverd om hier een goed beeld van te krijgen en een goede keuze in te maken. Het gaat vanzelfsprekend om aanzienlijke bedragen en behoorlijke verschillen in de kosten.”\n\n3.16.. Op 6 april 2026 hebben de curatoren als eerste aanbetaling een bedrag van € 25.591,88 ($ 29.240,-) voldaan aan het Shepherd Center.\n\n3.17.. Bij e-mail van 9 april 2026 heeft Trivium offertes van vervoerders Global Aviation en [naam vervoerder] verstrekt aan [gedaagde] .\n\n3.18.. Later op 9 april 2026 heeft [gedaagde] telefonisch aan de advocaat van [persoon A] meegedeeld dat de kosten van het reizen met een ambulancevlucht niet redelijk in omvang zijn en niet worden vergoed. Bij brief van 13 april 2026 heeft [gedaagde] haar besluit schriftelijk bevestigd en nader toegelicht.\n\n3.19.. Op 10 april 2026 hebben de curatoren de factuur van Medische Repatriëringsdienst voor de ambulancevlucht van Dordrecht naar Atlanta van € 145.000,00 in contanten voldaan. [persoon A] is daarna overgebracht naar Atlanta en is op 13 april 2026 begonnen met de behandeling bij het Shepherd Center.\n\n3.20.. Op 17 april 2026 heeft de advocaat van de curatoren [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van € 358.581,88 te voldoen. Dat bedrag ziet op de behandelingskosten van het Shepherd Center en reis- en verblijfskosten van [persoon A] en de curatoren naar\u002Fin de VS.\n\n3.21.. \n [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie. Wel heeft zij op 20 april 2026 € 100.000,00 aan smartengeld en € 50.000,00 aan voorschot onder algemene titel uitgekeerd aan [persoon A] .\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De curatoren vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 358.581,88 aan de curatoren, te voldoen binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis;\n\nII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 (kosten revalidatiecentrum) met ingang van 3 april 2026, alsmede over een bedrag van € 145.000,00 (kosten heenreis) met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nIII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure.\n\n4.2.. \n\n [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curatoren, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curatoren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curatoren in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De vordering betreft een geldvordering die als volgt is opgebouwd:\n\nBehandeling bij het Shepherd Center (1e vier weken) € 25.591,88\n\nAmbulancevluchtvervoer heenreis € 145.000,00\n\nAmbulancevluchtvervoer terugreis € 142.500,00\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en curatoren in de VS € 5.490,00\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting € 40.000,00+\n\nTotaal € 358.581,88\n\n5.2.. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.3.. De curatoren wijzen erop dat zij in een financiële noodtoestand verkeren. Als gevolg van de weigering van [gedaagde] om de kosten te vergoeden, hebben de curatoren de kosten die samenhangen met de behandeling bij het Shepherd Center voorgeschoten. Dat kunnen zij niet blijven doen. Er is sprake van oplopende schulden, en er is geen geld voor verlenging van de behandeling noch voor de ambulancevlucht terug naar Nederland. [persoon A] dreigt te stranden in Atlanta. Daarmee is het spoedeisend belang van de curatoren bij de geldvordering voldoende gegeven. Het daartegen gerichte niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.\n\nJuridisch kader en kern van het geschil\n\n5.4.. \n\nDe curatoren stellen dat [gedaagde] met haar mail van 3 februari 2026 (zie 3.7.) zonder voorbehoud heeft toegezegd de behandeling bij het Shepherd Center en het vervoer ernaar toe te financieren.\n\n [gedaagde] bestrijdt dat en betoogt dat de toezegging is gedaan onder bepaalde voorwaarden. Omdat de vervoerskosten niet redelijk zijn in de zin van artikel 6:96 BW, heeft [gedaagde] de dekking van de behandeling in Atlanta afgewezen.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat de vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden, moet worden beantwoord aan de hand van wat de verzekeraar en de verzekeringnemer daarover zijn overeengekomen. Verder geldt dat de derde jegens de verzekeraar bescherming kan ontlenen aan artikel 3:35 BW indien hij op grond van de bewoordingen van de polis, eventueel in samenhang met (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd of erop heeft mogen vertrouwen dat hem dekking wordt verleend.\n\n5.6.. Beoordeeld moet worden welke betekenis de curatoren redelijkerwijs mochten toekennen aan de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026 en aan de gedane mededelingen van [gedaagde] daarna. Mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de hier gevorderde kosten, zonder voorbehoud, zouden worden gefinancierd?\n\nUitleg van de toezegging door [gedaagde]\n\n5.7.. In het mailbericht van 3 februari 2026 heeft [gedaagde] te kennen gegeven bereid te zijn de kosten van de revalidatie bij het Shepherd Center te financieren op enkele voorwaarden. Vervolgens wordt die toezegging nader ingekaderd en toegelicht aan de hand van vier punten\u002Fgedachtestreepjes. De eerste twee punten gaan in op de behandel- en verblijfskosten van [persoon A] bij het Shepherd Center. [gedaagde] gaat uit van een vergoeding voor de eerste acht weken. Behalve dat er geëvalueerd moet worden na vier en na acht weken, heeft [gedaagde] geen verdere voorwaarden genoemd. Het derde punt ziet op redelijke reis- en verblijfskosten voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden. Overige kosten worden benoemd als vierde punt, daarvan wordt in overleg bepaald wat een redelijke vergoeding is.\n\n5.8.. \n\nAnders dan de curatoren menen, kan het mailbericht van 3 februari 2026 niet worden opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging om alle kosten die samenhangen met de behandeling van [persoon A] in de VS te vergoeden. In dat bericht wordt immers benoemd dat en welke voorwaarden er gelden. Wel blijkt genoegzaam uit de mail een toezegging van [gedaagde] om de kosten van het Shepherd Center – Residential program – voor de periode van acht weken te vergoeden. Op basis van die mededeling mochten de curatoren er in ieder geval van uitgaan dat de kosten van het Shepherd Center gedekt waren. Het verwijt van [gedaagde] dat de curatoren zonder haar instemming een behandelovereenkomst hebben gesloten met het Shepherd Center en een eerste aanbetaling hebben verricht, is dan ook niet terecht. Dat klemt temeer nu [gedaagde] begin maart 2026 al wist dat de inspanningen van de curatoren erop waren gericht dat [persoon A] per 13 april 2026 kon beginnen met de behandeling bij het Shepherd Center, en Trivium op 31 maart 2026 in verband met die startdatum wees op de urgentie om het vervoer te regelen (zie 3.9. en 3.12.).\n\nWat betreft de overige kosten (waaronder de vervoerskosten van [persoon A] ), heeft [gedaagde] verklaard die kosten te vergoeden voor zover zij redelijk zijn. De concrete omvang van die kosten was op dat moment nog niet bekend. Voor een vergoeding van die kosten dienden de curatoren dus vooraf in overleg te treden met [gedaagde] . Dat de curatoren en Trivium hier ook van uitgingen, blijkt uit het mailbericht van Trivium van 2 april 2026 (zie 3.14.).\n\n5.9.. Het betoog van [gedaagde] dat zij het behandeltraject bij het Shepherd Center volledig heeft mogen afwijzen omdat zij kanttekeningen plaatst bij de noodzaak van ambulancevervoer en de vervoerskosten onredelijk hoog vindt, wordt niet gevolgd. Dat past niet in het licht van de harde toezegging van [gedaagde] ten aanzien van de behandelkosten van het Shepherd Center en ook niet gezien de inhoud van de latere correspondentie tussen partijen over het medische transport van [persoon A] .\n\n5.10.. Na de e-mail van 3 februari 2026 hebben de curatoren en Trivium inspanningen verricht om de ‘fit to fly-verklaring’ te verkrijgen en hebben zij offertes opgevraagd bij verschillende medische vervoerders. Vanaf het begin hebben Trivium en de curatoren zich gericht op ambulancevervoer. De eerste offerte was van Ambulance Vlucht Centrale, die Trivium op 17 maart 2026 heeft doorgestuurd aan [gedaagde] . Verder is op 24 maart 2026 een offerte van Medische Repatriëringsdienst doorgestuurd, daarbij was gevoegd een verklaring van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadde. Op 31 maart 2026 heeft Trivium ook nog een ‘fit to fly-verklaring’ overgelegd, waarin stond dat [persoon A] “is not fit to fly on a regular flight. The patient can be transported by ambulance flight.” Indien [gedaagde] van mening was dat de kosten van ambulancevervoer geen redelijke kosten waren, lag het op haar weg om dat direct aan de curatoren mee te delen en te motiveren waarom een reguliere vlucht voldoende was. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] heeft geen enkel bezwaar opgeworpen. Zij heeft alleen om (nog) meer offertes gevraagd. Verwezen wordt naar de mailberichten van [gedaagde] van 1 en 2 april 2026 (zie 3.13. en 3.15.). Daarmee wekte [gedaagde] bij de curatoren de verwachting dat ambulancevervoer akkoord was, en dat het alleen ging om de goedkoopste offerte op dat punt, zonder dat overigens van een toezegging kan worden gesproken. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat de curatoren op 9 april 2026 (ruim drie weken na de ontvangst van de 1e offerte) zijn overvallen door de mededeling van [gedaagde] om af te zien van de financiering van het gehele behandeltraject. Die verrassing zag niet alleen op het door [gedaagde] voor het eerst op 9 april 2026 ingenomen standpunt dat de kosten van ambulancevervoer niet redelijk waren, maar ook op het feit dat dat voor [gedaagde] reden vormde om dan maar het gehele traject niet door te laten gaan. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet (eerder) in overleg ging met de curatoren over de mogelijkheid van ander vervoer of van een gedeeltelijke vergoeding van de (in haar ogen redelijke) vervoerskosten.\n\n5.11.. Naar voorlopig oordeel mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de verblijfs- en behandelkosten van het Shepherd Center volledig worden vergoed en dat de overige kosten worden vergoed in overleg en voor zover die redelijk zijn.\n\n5.12.. Hierna wordt beoordeeld wat deze overwegingen betekenen voor ieder onderdeel van de geldvordering.\n\nBehandeling bij het Shepherd Center\n\n5.13.. Zoals gezegd leest de voorzieningenrechter in het mailbericht van 3 februari 2026 een harde toezegging van [gedaagde] om de behandelingskosten bij het Shepherd Center te vergoeden. Het in dat kader gevorderde bedrag van € 25.591,88 ligt voor toewijzing gereed. Volledigheidshalve voegt de voorzieningenrechter hier aan toe dat de kosten van een Residential program in beginsel $ 1.374,- per dag zijn en dat de curatoren blijkbaar een korting tot $ 1.212,- per dag hebben kunnen bedingen. Het bedrag van $ 550,- per dag dat [gedaagde] in haar conclusie van antwoord noemt, is niet voor een Residential program maar voor een Day program en de verleende korting volgt uit productie 6 bij dagvaarding.\n\n5.14.. \n [gedaagde] plaatst in dit kort geding vraagtekens bij de effectiviteit van de behandeling bij het Shepherd Center. Dat heeft zij tot aan de afwijzing van de gevorderde betaling nimmer kenbaar gemaakt aan de curatoren, zodat de voorzieningenrechter aan dit standpunt voorbijgaat.\n\nAmbulancevluchtvervoer (heen en terug)\n\n5.15.. In de mail van 3 februari 2026 van [gedaagde] zijn de kosten van het transport van [persoon A] naar het Shepherd Center en terug niet expliciet benoemd. Wel is duidelijk dat de vervoerskosten van [persoon A] in beginsel zouden worden gefinancierd. Deze kosten moeten worden geschaard onder ‘meer kosten’ bij het vierde punt. Daarvoor geldt dat [gedaagde] deze kosten vergoedt voor zover het gaat om redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW. De kosten van ambulancevervoer zijn alleen redelijk te achten wanneer komt vast te staan dat [persoon A] , gezien zijn medische toestand, alleen op verantwoorde wijze via een ambulancevliegtuig kon worden vervoerd. Dat is echter een geschilpunt tussen partijen, waarover in dit kort geding geen helderheid kan worden verkregen. Zo is niet duidelijk of de optie ambulancevliegtuig in het gesprek op 3 februari 2026 is genoemd, zoals de curatoren stellen en [gedaagde] betwist. In een bodemprocedure, waar plaats is voor nadere bewijslevering, moet worden beoordeeld wat er concreet is toegezegd, althans waarvan de curatoren in de gegeven omstandigheden mochten uitgaan en of een eventueel andere (goedkopere) wijze van transport tot de mogelijkheden behoorde. Daarbij speelt ook een rol dat de curatoren niet hebben onderbouwd dat – nu al duidelijk is dat – voor de terugvlucht een ambulancevliegtuig moet worden ingezet voor [persoon A] .\n\n5.16.. \n\nTer zitting heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard dat zij als redelijke kosten voor het vervoer van [persoon A] , en 2 familieleden, van Nederland naar Atlanta uitging van\n\n€ 60.000-€ 70.000,00, van een bedrag van ongeveer € 100.000,00 voor een retourvlucht. Het zou dan een 1e klas vlucht betreffen, waarbij een arts en een verpleegkundige meegaan, inclusief ambulancevervoer van en naar het vliegveld. Gelet op die verklaring, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ten titel van ambulancevluchtvervoer (heen en terug) het bedrag van € 100.000,00 als voorschot toe te wijzen.\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en de curatoren in de VS\n\n5.17.. De curatoren gaan uit van een verblijf van 28 dagen en hebben de kosten die zij gedurende hun verblijf moeten maken ten behoeve van zorg en begeleiding van [persoon A] begroot op € 5.490,00. Deze kosten bestaan uit mobiliteitskosten, noodzakelijke verzorgingskosten van [persoon A] (met name incontinentiemateriaal, waskosten, vochtige doekjes), extra kosten voor het levensonderhoud in de VS (met name geschikt eten voor [persoon A] en de curatoren) en extra telefoon- en internetkosten. Deze kosten zien op meer zaken dan de “redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften” (zoals bedoeld onder punt 3 van de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026).\n\n5.18.. De begrote kosten komen de voorzieningenrechter, mede gelet op de onderbouwing, niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen. Omdat het bedrag meer omvat dan de kosten voor het verblijf van twee meereizende familieleden, wordt ervan uitgegaan dat de in 5.17. genoemde aftrek, ook al is dat niet met zoveel woorden gesteld, in zekere zin is meegenomen.\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting\n\n5.19.. De curatoren vorderen een bedrag van € 40.000,00 voor het resterende verblijf in de VS. Ter zitting is bekend geworden dat [persoon A] inmiddels is ontslagen uit het Shepherd Center. De behandeling kon niet worden verlengd, omdat de curatoren dat niet konden betalen. De curatoren stellen het gevorderde bedrag nodig te hebben voor tijdelijke huisvesting en verzorging van [persoon A] in de VS tot de datum van repatriëring en voor hulp\u002Fverzorgingskosten daarna.\n\n5.20.. Ook deze begrote kosten komen de voorzieningenrechter niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen.\n\nBelangenafweging en restitutierisico\n\n5.21.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade die [persoon A] lijdt als gevolg van het verkeersongeluk. Zij heeft toegezegd de behandeling in het Shepherd Center te financieren. Bepaalde kosten waren nog niet bekend, maar daarvoor gold dat die zouden worden vergoed voor zover die redelijk zijn. Ten aanzien van het deel van de geldvordering dat wordt toegewezen, is voldoende aannemelijk dat de curatoren die kosten ten behoeve van [persoon A] hebben gemaakt of gaan maken en dat [gedaagde] die kosten, als zijnde de door [persoon A] geleden en te lijden schade, moet vergoeden. Dat maakt ook dat, hoewel er strikt genomen sprake is van een restitutierisico, dat risico niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.\n\n5.22.. Dat [gedaagde] onlangs € 150.000,00 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel).\n\nConclusie\n\n5.23.. Dat betekent dat in totaal een bedrag van € 171.081,88 (= € 25.591,88 + € 100.000,00 + € 5.490,00 + € 40.000,00) als voorschot wordt toegewezen. Gelet op al het hiervoor overwogene is er alle reden om die beslissing, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n5.24.. De gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW wordt deels toegewezen. De curatoren hebben op 6 april 2026 het bedrag van € 25.591,88 aan het Shepherd Center voldaan, zodat de wettelijke rente wordt toegewezen over dat bedrag vanaf 6 april 2026. Daarnaast staat vast dat op 10 april 2026 het bedrag van € 145.000,00 in contanten is voldaan voor het vervoer van [persoon A] naar de VS. De curatoren stellen op dat punt dat zij dat bedrag hebben geleend van familie, wat niet onaannemelijk is. Aan het betoog van [gedaagde] dat (een deel van) dat bedrag een gift kan zijn geweest, wordt, ook gelet op de toezegging van [gedaagde] , voorbij gegaan. Dat ligt niet voor de hand en [gedaagde] heeft geen aanknopingspunt gegeven dat in die richting wijst. Voor het vervoer naar de VS is in 5.16. al geoordeeld dat een bedrag van € 70.000,00 redelijk is. De wettelijke rente wordt dus toegewezen over € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026.\n\nProceskosten\n\n5.25.. De curatoren hebben [gedaagde] op juiste gronden in rechte betrokken, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de curatoren. Deze proceskosten worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.803,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.324,67\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om, binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis, aan de curatoren te betalen een bedrag van € 171.081,88;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 met ingang van 6 april 2026 tot de dag van volledige betaling, alsmede over een bedrag van € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.324,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;\n\n6.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\n2091 \u002F 2009\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3123, r.o. 3.5","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6340","2026-06-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.494Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":115,"fullText":116,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":64,"updatedAt":119},"1151","ECLI:NL:RBROT:2026:5250","ecli-nl-rbrot-2026-5250","2026-04-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F716708 \u002F KG ZA 26-267\n\nVonnis in kort geding van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nadvocaat: mr. M.H. de Lange,\n\ntegen\n\n [naam]\n\nh.o.d.n. [gedaagde]\n\nkantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaat: mr. M.R. van Leeuwen.\n\nPartijen worden hierna genoemd [eiser] en [gedaagde] .\n\n1. De zaak in het kort1.1.. \n [eiser] was in dienst bij [gedaagde] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] toen strafbare feiten gepleegd. [gedaagde] heeft daarom een aantal klanten een bericht gestuurd waarin staat dat zij bewijs aan het verzamelen is van betalingen via Tikkie die [eiser] ten onrechte zou hebben ontvangen van klanten. Dat zou nodig zijn voor een politieonderzoek en een procedure. [eiser] vindt dat dit niet klopt en dat haar reputatie door het bericht wordt geschaad. Zij wil daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een rectificatie te sturen. De voorzieningenrechter wijst deze vordering grotendeels toe.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 24 maart 2026 met producties 1 tot en met 12; - de akte indiening producties van [gedaagde] met producties 1 tot en met 6 ; - de mondelinge behandeling van 2 april 2026; - de spreekaantekeningen van [gedaagde] .\n\n2.2.. Na de mondelinge behandeling is de zaak ten behoeve van partijen aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Partijen hebben geen regeling bereikt en vervolgens verzocht om vonnis.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiser] was tussen 1 mei 2023 en februari 2025 in dienst van [gedaagde] . [eiser] is in juli 2025 een procedure gestart tegen [gedaagde] en heeft onder meer de betaling van (achterstallig) loon gevorderd.\n\n3.2.. \n [gedaagde] heeft in februari 2026 een bericht (hierna: het bericht) gestuurd aan enkele van haar klanten met de volgende inhoud:\n\n“In de periode 2023, 2024 en 2025 is gebleken dat een voormalig medewerkster van [gedaagde] , [eiser] zonder onze medeweten klanten heeft verzocht om betalingen via een Tikkie op haar persoonlijke naam te voldoen onder vermelding dat de pinautomaat niet werkte.\n\nWij hebben inmiddels aangifte gedaan en er loopt een juridische procedure. Voor het politieonderzoek en de rechtszaak zijn zij bezig met het verzamelen van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat deze Tikkie-verzoeken daadwerkelijk zijn verstuurd en betaald.\n\nOmdat u een vaste klant van ons bent en regelmatig door haar bent behandeld, willen wij u vriendelijk vragen om in uw bankomgeving te controleren of er betalingen (Tikkies) op haar achternaam zijn gedaan. Mocht dit het geval zijn, zouden wij het zeer op prijs stellen als u ons hiervan op de hoogte wilt brengen. Indien mogelijk ontvangen wij graag een screenshot van de betreffende betaling(en). In verband met de deadline van de rechtszaak verzoeken wij u vriendelijk om dit uiterlijk donderdag 19 februari aan ons door te geven. Wij realiseren ons dat dit kort dag is, maar uw hulp zou voor ons van grote waarde zijn.\n\nAlvast hartelijk dank voor uw medewerking en begrip in deze vervelende situatie.”\n\n3.3.. \n [eiser] heeft bij brief van 11 maart 2026 [gedaagde] gesommeerd om het bericht in te trekken en een rectificatie te versturen met de volgende inhoud:\n\n“Op (DATUM) zond ik u een bericht waarin ik onjuiste informatie heb vermeld. [eiser] heeft namelijk op mijn verzoek klanten voor behandelingen en producten via Tikkies laten betalen. Deze betalingen heeft zij vervolgens aan mij doorbetaald. Ik had dit bericht met onjuiste en insinuerende inhoud dan ook niet mogen verzenden. Er is geen sprake geweest van verduistering of enige vorm van onjuist handelen door [eiser] . Ik verzoek u mijn eerdere bericht dan ook als niet verzonden te beschouwen en bied mijn excuses hiervoor aan.”\n\n3.4.. \n [gedaagde] heeft kenbaar gemaakt niet bereid te zijn om het bericht in te trekken of een rectificatie te versturen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert – kort samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar voor voorraad verklaard vonnis:\n\n [gedaagde] veroordeelt om inzage te verstrekken aan wie en op welke wijze [gedaagde] het bericht heeft toegezonden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\n [gedaagde] veroordeelt om een bericht tot rectificatie te versturen aan dezelfde personen en op dezelfde wijze als dat het bericht is verzonden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\n [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure.\n\n4.2.. \n [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de werkelijke kosten van deze procedure.\n\n5. De beoordeling\n\nToetsingskader kort geding5.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering en hoe aannemelijk het is dat de eis in een bodemprocedure wordt toegewezen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang5.2.. Het spoedeisend belang van [eiser] volgt uit de aard van de vorderingen. [eiser] heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat het bericht op dit moment al gevolgen voor haar goede naam heeft en dat daarom niet van haar kan worden gevergd een bodemprocedure af te wachten.\n\nToetsingskader rectificatie5.3.. De kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door een botsing van twee fundamentele rechten: het recht op vrijheid van meningsuiting (in artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM) van [gedaagde] tegenover het recht van [eiser] op de bescherming van de goede naam (artikel 8 EVRM).\n\n5.4.. Een bevel tot rectificatie vormt een beperking van het recht op de vrijheid van meningsuiting. Dat recht kan worden beperkt indien de beperking is voorzien bij wet en wanneer dat in een democratische samenleving noodzakelijk is voor de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.\n\n5.5.. De wet voorziet in een beperking in artikel 6:167 BW. Dit artikel bepaalt dat een bevel tot rectificatie kan worden gegeven wanneer sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard door een partij en deze publicatie onrechtmatig is jegens een andere partij. Ook de publicatie van juiste feiten kan onder omstandigheden een onware suggestie wekken die een rectificatiebevel kan rechtvaardigen. Onder publicatie wordt begrepen iedere onjuiste of misleidende mededeling. Deze kan dus ook plaatsvinden per e-mail of via mondelinge uitlatingen.\n\n5.6.. Voor het antwoord op de vraag welk recht — het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van de goede naam — zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de ernst van de beschuldiging, de inbreuk op de goede naam, alsmede de mate waarin de beschuldiging ten tijde van de uitlatingen steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het recht op de bescherming van de goede naam van [eiser] in dit geval zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] . Daarvoor is het volgende redengevend.\n\nEr is sprake van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie5.8.. Het bericht van [gedaagde] bevat de mededeling dat “gebleken” zou zijn dat [eiser] “zonder medeweten” van [gedaagde] betalingen van klanten via Tikkie zou hebben ontvangen. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter feitelijk onjuist of door onvolledigheid misleidend.\n\n5.9.. \n [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van de ontvangst en behoud van betalingen via Tikkie op instructie of met toestemming van [gedaagde] . Dit blijkt uit diverse WhatsApp-berichten van [gedaagde] waarin die instructie of toestemming werd gegeven. Het blijkt ook uit een e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde] waarin een overzicht werd gegeven van welke betalingen zij had ontvangen en behouden. [gedaagde] betwist bovendien niet dat zij voor meerdere betalingen via Tikkie wel instructie of toestemming zou hebben gegeven, maar stelt dat [eiser] andere betalingen ten onrechte zou hebben ontvangen en behouden. Dit alles staat haaks op hetgeen [gedaagde] in het bericht heeft medegedeeld.\n\n5.10.. \n [gedaagde] heeft verder vooralsnog onvoldoende aangetoond dat zou zijn “gebleken” dat [eiser] betalingen via Tikkie heeft ontvangen of behouden zonder daartoe instructie of toestemming voor te hebben verkregen. [gedaagde] heeft hiertoe wel enkele producties overgelegd, maar haar toelichting daarbij overtuigt niet. Dat geldt temeer nu [gedaagde] heeft gesteld dat zij met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid kan aantonen waar zij [eiser] van verwijt. Het had voor de hand gelegen dat [gedaagde] dat in deze procedure dan ook had gedaan. Hieruit volgt dat de mededeling (ook) ten tijde van de uitlating onvoldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal en vooralsnog niet voor waar kan worden gehouden.\n\n5.11.. De feitelijke mededelingen in het bericht van [eiser] zijn gelet op het voorgaande onjuist, maar ook door onvolledigheid misleidend. [gedaagde] heeft immers achterwege gelaten te benoemen dat zij ook toestemming en instructie heeft gegeven voor de ontvangst van betalingen via Tikkie. Daardoor wordt de suggestie gewekt dat iedere betaling aan [eiser] via Tikkie ten onrechte, althans buiten het zicht van [gedaagde] zou zijn gedaan. Deze onvolledige mededeling is misleidend, omdat ontvangers van het bericht door deze onvolledigheid op het verkeerde been worden gezet, terwijl dat niet het geval zou zijn geweest indien de mededeling niet onvolledig was geweest.\n\n5.12.. Het bericht bevat ook de mededeling: “Wij hebben inmiddels aangifte gedaan en er loopt een juridische procedure. Voor het politieonderzoek en de rechtszaak zijn zij bezig met het verzamelen van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat deze Tikkie-verzoeken daadwerkelijk zijn verstuurd en betaald.”. Door de context en formulering van de bewoordingen “rechtszaak” en “zijn zij bezig”, wekt dit de suggestie dat sprake is van (straf)rechtszaak, waarvoor de politie bewijsmateriaal zou verzamelen met behulp van [gedaagde] . Hoewel [gedaagde] stelt aangifte te hebben gedaan van een strafbaar feit, heeft zij in deze procedure geen aangifte overgelegd. Het is verder niet bekend of de politie momenteel onderzoek verricht en in dat kader bewijsmateriaal zou verzamelen. Daarmee staat de juistheid van deze mededelingen niet vast. Zelfs indien een aantal van de door [gedaagde] medegedeelde feiten wel juist zouden zijn, geldt dat de context en formulering waarin de uitlating is gedaan, de suggestie wekken dat sprake is van een lopend politieonderzoek en daaraan gekoppelde procedure waarbij [eiser] als verdachte zou zijn betrokken. Daar is vooralsnog niet van gebleken.\n\n5.13.. Gelet op het voorgaande is de conclusie dat sprake is van publicatie van gegevens die feitelijk onjuist of door onvolledigheid misleidend zijn.\n\nDe mededelingen zijn onrechtmatig5.14.. De mededelingen kunnen niet anders worden opgevat dan als een concrete, feitelijke beschuldiging die inhoudt dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en dat de politie is overgegaan tot onderzoek en vervolging met een procedure. Daarbij wordt de indruk gewekt dat het hiervoor benodigde bewijs al (in enige mate) aanwezig zou zijn, maar dat naar meer bewijs wordt gezocht. De beschuldigingen door [gedaagde] aan het adres van [eiser] zijn ernstig. [gedaagde] heeft dit ook onderkend tijdens de mondelinge behandeling. Een dergelijke beschuldiging tast gelet op de ernst en inhoud daarvan de goede naam van [eiser] aan, terwijl niet is gebleken dat op het moment dat de beschuldiging werd gedaan, zeker gelet op de stelligheid daarvan, deze voldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal. Daarom is de publicatie onrechtmatig jegens [eiser] .\n\nBelangenafweging leidt niet tot een ander resultaat5.15.. Het belang van [gedaagde] bij het vergaren van bewijs voor haar stellingen gaat niet zo ver dat zij daarbij op de hiervoor genoemde wijze de goede naam van [eiser] mag aantasten. Wanneer de feitelijk onjuiste of door onvolledigheid misleidende mededelingen achterwege waren gelaten, had dit niet afgedaan aan de mogelijkheid van [gedaagde] om het door haar gewenste bewijs te verkrijgen van haar klanten. De belangen van [eiser] bij bescherming van haar goede naam prevaleren daarom.\n\nInhoud rectificatie en toewijzing vordering5.16.. De rechter is vrij bij toewijzing de wijze van rectificatie te bepalen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiser] voorgestelde tekst gelet op de thans nog lopende bodemprocedure over loonbetalingen, waarin de betalingen via Tikkie ook nog onderwerp van discussie zijn, te stellig is geformuleerd.\n\n5.17.. De voorzieningenrechter zal de vordering toewijzen op de wijze als vermeld in de beslissing en ziet aanleiding om een dwangsom te verbinden aan deze veroordeling.\n\nVordering tot inzage klantenbestand5.18.. \n [eiser] heeft gevorderd dat een deurwaarder inzage moet krijgen in het klantenbestand van [gedaagde] . De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiser] vordert dat een nader aan te wijzen deurwaarder inzage moet krijgen in zowel het door [gedaagde] verzonden bericht, als in de door [gedaagde] te verzenden rectificatie.\n\n5.19.. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv). Indien degene die beschikt over de bepaalde gegevens medewerking weigert, kan een rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bevelen (artikel 196 Rv). In spoedeisende gevallen kan het verzoek ook worden gedaan aan de voorzieningenrechter (artikel 197 Rv). Het uitgangspunt van de wetgever daarbij is dat de onder het oude recht bestaande mogelijkheid tot het voeren van een kort geding procedure om inzage te vragen blijft bestaan. Inzage kan daarom ook gevorderd worden in een dagvaardingsprocedure in kort geding. De rechter wijst een verzoek tot inzage toe, tenzij hij van oordeel is dat:\n\na. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;\n\nb. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;\n\nc. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;\n\nd. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of\n\ne. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.\n\n5.20.. \n [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de door [eiser] gevorderde inzage. Dat sprake is van een momenteel tussen partijen lopende bodemprocedure over de gevorderde rectificatie is niet gebleken. De voorzieningenrechter zal daarom de vordering tot inzage in lijn met het bepaalde in artikel 196 Rv behandelen.\n\n5.21.. \n [eiser] is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen partij bij een rechtsbetrekking en [gedaagde] beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking. De vordering heeft betrekking op voldoende bepaalde bescheiden, te weten het bestand van de ontvangers van twee berichten. [eiser] heeft belang bij inzage, namelijk om te kunnen vaststellen dat de rectificatie daadwerkelijk is verzonden aan alle klanten die ook het oorspronkelijke bericht hebben ontvangen. Van enige toepasselijke afwijzingsgrond is verder niet gebleken. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering tot inzage toewijzen, met bepaling dat [gedaagde] enkel inzage hoeft te geven aan een door [eiser] aan te wijzen deurwaarder.\n\n5.22.. De voorzieningenrechter zal aan deze veroordeling dezelfde dwangsom verbinden als hiervoor genoemd.\n\nProceskosten5.23.. \n [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Hieruit volgt al dat geen grond bestaat om [eiser] in de werkelijke proceskosten van [gedaagde] te veroordelen, zoals [gedaagde] heeft bepleit. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n156,74\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.615,74\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n6.1.. gebiedt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis op dezelfde wijze en aan dezelfde personen als het bericht zoals bedoeld in 3.2 het navolgende bericht te verzenden:\n\n“Geachte lezer,\n\nIk stuurde u in februari 2026 een bericht waarin ik u heb gevraagd om informatie over betalingen voor behandelingen in de beauty salon die per Tikkie zijn gedaan. In een vonnis van 21 april 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam mij bevolen om een rectificatie te sturen, omdat ik voorbarige conclusies heb getrokken over de mogelijke betrokkenheid van [eiser] . Ik heb ook ten onrechte niet vermeld dat ik [eiser] eerder meermaals instructie en toestemming heb gegeven om betalingen van klanten via Tikkie te ontvangen. Het staat ook nog niet vast dat [eiser] zonder instructie of toestemming zulke betalingen heeft ontvangen. Hierover loopt een procedure bij de kantonrechter. Ik heb tot slot ten onrechte de suggestie gewekt dat sprake is van een politieonderzoek waarin om bewijs wordt gevraagd voor een procedure.\n\n [naam]\n\n [gedaagde]”\n\n6.2.. gebiedt [gedaagde] om uiterlijk veertien dagen na betekening van dit vonnis inzage te verschaffen aan [eiser] van de geadresseerden van het bericht zoals bedoeld in 3.2 en van het bericht zoals bedoeld in 6.1 met bepaling dat [gedaagde] enkel inzage hoeft te verschaffen aan een door [eiser] aan te wijzen deurwaarder,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 en\u002Fof 6.2 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.615,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.5.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026. [4049 \u002F 1980]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5250","2026-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.952Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":124,"fullText":125,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":126,"sourceTimestamp":124,"parsedAt":64,"updatedAt":127},"933","ECLI:NL:RBROT:2026:3552","ecli-nl-rbrot-2026-3552","2026-04-01T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F696853 \u002F HA ZA 25-280\n\nVonnis van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. G.J. de Jongste te Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHUISARTSENPRRAKTIJK [naam 1] B.V.\n\ngevestigd te Papendrecht,\n\n2. de naamloze vennootschap\n\nVvAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagden,\n\nadvocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.\n\nPartijen worden hierna ook [eiseres] , de huisartsenpraktijk en de verzekeraar genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDeze zaak gaat over de vraag of een huisarts tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met een patiënte. De patiënte stelt dat de huisarts haar eerder naar het (oog)ziekenhuis had moeten verwijzen in verband met een ooginfectie. De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat de huisarts inderdaad is tekortgeschoten in zijn verplichtingen en dat de patiënte in beginsel recht heeft op vergoeding van haar schade. Het verweer van de huisarts en de verzekeraar dat de patiënte eigen schuld heeft aan haar schade wordt door de rechtbank verworpen.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 maart 2025 met producties 1 tot en met 9, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3, - de productielijst van de zijde van [eiseres] , - de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiseres] , - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 september 2025.2.2.. Partijen hebben na de mondelinge behandeling overleg gehad over een regeling zodat geen vonnis nodig zou zijn. Zij hebben ten slotte toch vonnis gevraagd.3. De feiten\n\n3.1.. Door of namens [eiseres] , geboren op [geboortedag] 2006, is met de huisartsenpraktijk een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan. De in de huisartsenpraktijk werkzame huisarts, [naam 1] (hierna: de huisarts), is de (enig) bestuurder van de huisartsenpraktijk.\n\n3.2.. Bij de verzekeraar heeft de huisartsenpraktijk een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten.\n\n3.3.. Op donderdag 12 mei 2022 is [eiseres] bij de huisarts geweest met klachten over haar linkeroog. Zij klaagde over pijn en roodheid van dat oog.\n\n3.4.. \n\nHet patiëntdossier van [eiseres] van de huisartsenpraktijk vermeldt op die dag (de letters “S “O” “E” en “P” in het huisartsdossier staan voor: “Subjectief”, “Objectief”, “Evaluatie” en “Plan”):\n\nS apotheek: chloramfenicol niet leverbaar. Wordt Fucithalmic\n\nS ontstoken oog links; lenzen +\n\nO Conjunctivitis\n\nE Infectieuze conjunctivitis\n\nP MED: Westpolder 12-05-2022 CHLOORAMFENICOL OOGDRUPPELS 5MG\u002FML FL 10ML 4-6D1DR IOG MX1W 10 milliliter (Inv: WD) (Aut: WD)\n\nEn bij de datum van vrijdag 13 mei 2022 vermeldt het genoemde dossier:\n\nS nog steeds veel pijn aan het oog. stekende hoofdpijn bij wenkbrauw.\n\nP med zijn werk laten doen, koelen met koude compressen\n\nafspr aangeboden op su. wel aangegeven op dit moment niet meer te kunnen doen waarschijnlijk.zie advies hierboven\n\n3.5.. In de ochtend van vrijdag 13 mei 2022 kon [eiseres] geen licht meer verdragen. De moeder van [eiseres] heeft op die dag omstreeks 13.50 uur gebeld met de huisartsenpraktijk en toen gesproken met de doktersassistente mevrouw [naam 2] . Omstreeks 16.30 uur diezelfde dag is de moeder van [eiseres] naar de huisartsenpraktijk gegaan en heeft daar opnieuw gesproken met mevrouw [naam 2] .\n\n3.6.. \n [eiseres] heeft op zaterdag 14 mei 2022 een andere huisarts geraadpleegd. Deze huisarts zag bij [eiseres] een “zogenaamd vissenoog met hypopyon, grijze doffe cornea en visusdaling \u003C 0,1”.Na spoedoverleg met de oogkliniek Papendrecht, heeft hij haar onmiddellijk verwezen naar het oogziekenhuis in Rotterdam, waar [eiseres] diezelfde dag om 18.00 uur is opgenomen.\n\n3.7.. In het oogziekenhuis werd een ulcus aan het hoornvlies geconstateerd, die na onderzoek bleek te zijn veroorzaakt door een besmetting met de pseudomonasbacterie.\n\n3.8.. Bij latere controle in dat ziekenhuis zijn vertroebelingen en littekenvorming aan het hoornvlies vastgesteld. Het zicht van het linkeroog van [eiseres] is nog maar 15%.\n\n3.9.. \n [eiseres] heeft de huisartsenpraktijk aansprakelijk gesteld voor haar schade en de verzekeraar daarop eveneens aangesproken (artikel 7:954 BW). De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben aansprakelijkheid afgewezen.\n\n4. De vordering en het verweer\n\n4.1.\n\n [eiseres] vordert: 1. een verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met haar; 2. veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, hoofdelijk, om aan haar te vergoeden alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk, en 3) veroordeling van beide gedaagden tot betaling van de door [eiseres] gemaakte expertisekosten van € 2.254,23 inclusief btw, 4) de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,- en de proceskosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 11 maart 2025 en over de proceskosten wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het eindvonnis, vanaf 14 dagen na datum betekening van dat vonnis.\n\n4.2. Korteland baseert haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven, stellingen. De huisartsenpraktijk is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Door de huisarts is niet de vereiste zorg van een goed hulpverlener in acht genomen en hij heeft niet gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de van toepassing zijnde professionele standaard, te weten de Standaard Rood oog en oogtrauma van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Bij een oogafwijking zoals bij Korteland moet volgens die richtlijn bij de anamnese worden gevraagd naar alarmsymptomen, anamnestische symptomen die kunnen wijzen op ernstige aandoeningen. Alarmsymptomen volgens die richtlijn zijn, behalve pijn, visusverandering, lichtschuwheid en misselijkheid of braken. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen geldt volgens de richtlijn dat vervolgonderzoek moet worden gedaan en dat de patiënt zonodig alsnog moet worden verwezen. Bovendien blijkt uit de richtlijn dat er bij dragers van contactlenzen een verhoogd risico op complicaties bij een conjunctivitis is.. \n\n4.3.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben de vordering gemotiveerd weersproken. Op het gevoerde verweren gaat de rechtbank hierna, waar nodig, nader in.\n\n5 De beoordeling. \n\nhet verlenen van de zorg van een goed hulpverlener\n\n5.1. In artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt bepaald dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de hulpverlener, die in de uitoefening van een geneeskundig beroep voor een ander, de patiënt, handelingen verricht op het gebied van de geneeskunst, bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen. In dit geval oefent de huisarts zijn praktijk uit door middel van een rechtspersoon, de huisartsenpraktijk. Zowel de huisartsenpraktijk als de huisarts zijn als hulpverlener in de zin van de wet te beschouwen. Dit is tussen partijen overigens ook geen discussiepunt.\n\nhet goed hulpverlenerschap wordt nader bepaald door de geldende professionele standaard\n\n5.2.. De hulpverlener moet als goed hulpverlener in de zin van artikel 7:453 BW in overeenstemming handelen met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Het “in acht nemen van de zorg van een goed hulpverlener” wordt dus onder meer ingevuld door “de voor hulpverleners geldende professionele standaard”. De professionele standaard is het geheel van private normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen dat invulling geeft aan het professioneel handelen van zorgverleners of zorgaanbieders (zie artikel 1 lid 1 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg).\n\n5.3.. \n\nDe inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.\n\nde huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten\n\n5.4. De rechtbank is van oordeel dat de huisarts en daarmee de huisartsenpraktijk in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] is tekortgeschoten omdat de huisarts de van toepassing zijnde professionele standaard, de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma, niet, althans in onvoldoende mate, in acht heeft genomen.\n\nwat staat er in de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, voor zover van belang?\n\n5.5.. De inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.\n\nde huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten\n\nDe NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma geeft aanbevelingen voor de huisarts voor diagnostiek en behandeling van patiënten met een rood oog en oogtrauma en geeft aan hoe de huisarts onderscheid kan maken tussen onschuldige en visusbedreigende aandoeningen. De standaard beveelt huisartsen aan om bij de anamnese van patiënten met oogklachten zonder traumatische oorzaak te vragen naar zogenoemde “alarmsymptomen”. In de standaard worden als alarmsymptomen genoemd: pijn, visusverandering, fotofobie (lichtschuwheid), misselijkheid of braken. De huisarts dient dan alert te zijn op visusbedreigende aandoeningen. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen beveelt de NHG-Standaard aan om vervolgonderzoek te verrichten als bij aanwezigheid van alarmsymptomen de verdere anamnese en het lichamelijk onderzoek niet leiden tot een diagnose waarbij (spoed)verwijzing geïndiceerd is. Als ook het vervolgonderzoek niet tot die diagnose leidt, is de aanwezigheid van alarmsymptomen reden om na 1 of 2 dagen te controleren. Bij blijvende aanwezigheid van alarmsymptomen dient de huisarts alert te zijn op een ernstige aandoening. Dit is vrijwel altijd reden om de patiënt te verwijzen.\n\n5.6.. Of de huisarts al dan niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen moet tegen de achtergrond van de aanbevelingen in de NHG-Standaard worden beoordeeld. Het gaat in dit geval meer specifiek om de vraag of de huisarts [eiseres] op vrijdag(middag) 13 mei 2022 had moeten onderzoeken, controleren en, zo nodig naar het oogziekenhuis had moeten verwijzen, nadat de moeder van [eiseres] de huisartsenpraktijk had gebeld en zich daar in persoon had gemeld om aandacht te vragen voor de situatie van [eiseres] . Deze acties heeft de huisarts achterwege gelaten.\n\nsituatie op vrijdag 13 mei 2022 was zodanig dat [eiseres] veel pijn had\n\n5.7.. In het medisch dossier van [eiseres] bij de huisarts is bij de datum 13 mei 2022 genoteerd dat [eiseres] klaagt over: “nog steeds veel pijn” en “stekende hoofdpijn bij wenkbrauw”.Er moet van worden uitgegaan dat deze pijnklachten door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk zijn gemeld, toen zij de praktijk in de middag van vrijdag 13 mei 2022 belde of toen zij de huisartsenpraktijk aan het eind van die middag bezocht. De door de huisarts genoemde omstandigheid dat hem deze pijnklachten niet hebben bereikt (wat alleen mogelijk zou zijn als de assistente hem dit niet zou hebben doorgegeven), dient voor rekening van de huisartsenpraktijk te blijven.\n\n5.8.. De huisarts heeft verklaard dat de pijn die [eiseres] bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk op donderdag 12 mei 2022 aan de huisarts aangaf “niet bijzonder” was, maar passend bij een conjunctivitis, die verklaard kon worden door het dragen van contactlenzen door [eiseres] . De huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwisten dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk “alarmsymptomen” in de zin van de NHG-Standaard had. Dit verweer treft geen doel.\n\n5.9.. \n\nAls [eiseres] op donderdag inderdaad nog geen ernstige pijn aan het oog had, volgt uit de hiervoor weergegeven, op vrijdagmiddag door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk gemelde, pijnklachten dat de huisarts rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de pijn van [eiseres] door de oogontsteking zodanig was toegenomen dat deze (inmiddels wél) als alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard gekwalificeerd diende te worden. Het verweer dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 nog niet zulke symptomen had, mist dus relevantie en slaagt daarom niet.\n\nverplichting tot het actief doen van navraag naar (toegenomen) pijn als alarmsymptoom\n\n5.10.. De (kennelijk) toegenomen pijnklachten van [eiseres] hadden voor de huisarts aanleiding moeten zijn om naar de precieze aard en ernst bij haar moeder, of bij [eiseres] zelf, navraag te doen of hiernaar door zijn assistente te laten vragen. Pijn op zichzelf is immers een alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard, waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd. Waarom de huisarts de moeder niet nader heeft uitgevraagd over de kennelijk toen toegenomen pijnklachten van [eiseres] is te meer niet goed navolgbaar, nu de huisarts [eiseres] zelf (op donderdag) had geadviseerd contact op te nemen met de huisartsenpraktijk als de situatie erger zou worden, zoals de moeder dus daadwerkelijk op vrijdagmiddag heeft gedaan.\n\nlichtschuwheid als (tweede) alarmsymptoom\n\n5.11.. Dat de huisarts de moeder van [eiseres] actief had moeten uitvragen naar het door haar gemelde alarmsymptoom is ook van belang voor het volgende. Als de huisarts bij de moeder van [eiseres] navraag zou hebben gedaan naar de kennelijk toegenomen pijn van [eiseres] aan en rondom het oog op vrijdag, zoals de huisarts zou hebben moeten doen, zou hem door de moeder zijn meegedeeld dat [eiseres] inmiddels ook geen licht meer kon verdragen. Dat die situatie zich feitelijk voordeed is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is slechts in geschil of de moeder van [eiseres] dat aan de huisartsassistente heeft gemeld. De moeder van [eiseres] heeft verklaard dit wel te hebben gemeld maar de huisartsenpraktijk heeft betwist dat dit is gezegd. Op zichzelf lijkt het voor de hand te liggen dat de moeder van [eiseres] dit heeft gezegd omdat het een verklaring vormt waarom zij en niet [eiseres] zelf zich bij de huisartsenpraktijk had gemeld: door haar lichtschuwheid verbleef zij in een donker gemaakte kamer en voelde zij zich niet in staat het huis te verlaten. Hoe de vork op dit punt in de steel zit, kan in het midden blijven, omdat buiten twijfel verheven is dat als de huisarts bij de moeder of [eiseres] navraag had gedaan (of laten doen) naar eventuele andere alarmsymptomen dan de gemelde toename van pijn, wat hij op grond van de NHG-Standaard had behoren te doen, de moeder en\u002Fof [eiseres] deze lichtschuwheid zouden hebben gemeld. Lichtschuwheid of fotofobie is, volgens de NHG-Standaard, immers eveneens “een alarmsymptoom” waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd.\n\nhet niet verrichten van vervolgonderzoek en het niet onderzoeken van de mogelijke noodzaak van verwijzing naar de oogarts is aan te merken als een tekortkoming\n\n5.12.. De aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid hadden, zoals hiervoor onder 5.5 aan de orde gekomen, voor de huisarts aanleiding moeten zijn alert te zijn op een visusbedreigende aandoening en die alarmsymptomen hadden voor hem reden moeten zijn om vervolgonderzoek te verrichten, zo is in de NHG-Standaard bepaald. Dit vervolgonderzoek heeft de huisarts evenwel achterwege gelaten. Daardoor heeft hij ook niet kunnen vaststellen of verwijzing van [eiseres] naar de oogarts nodig was.\n\n5.13.. De rechtbank verwerpt het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar dat de huisarts niet te kort is geschoten in de zorg van goed hulpverlener omdat aan [eiseres] is aangeboden dat zij door de huisarts op het spreekuur zou kunnen worden gezien. Dit aanbod doet geen recht aan de alertheid en actieve houding die van een huisarts in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Uit het patiëntdossier blijkt niet dat de huisarts die actieve houding heeft ingenomen. Hoewel daarin is genoteerd dat aan [eiseres] is aangeboden “op su” (d.i. spreekuur) te komen, is volgens die aantekening tevens aan [eiseres] meegedeeld dat er voor haar “op dit moment” waarschijnlijk niet meer kon worden gedaan en is haar geadviseerd om het medicament zijn werk te laten doen en om met koude compressen te koelen. Zonder dat blijkt dat navraag is gedaan naar de aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid is dat onvoldoende.\n\n5.14.. De rechtbank bereikt op grond van het voorgaande de conclusie dat de huisarts door (i) geen actieve navraag te doen naar de op vrijdag 13 mei 2022 gemelde toegenomen pijnbeleving van [eiseres] , (ii) niet te vragen naar eventuele andere alarmsymptomen, (iii) vervolgens geen vervolgonderzoek te doen, waardoor (iv) hij niet heeft onderzocht of [eiseres] gezien haar toestand naar de oogarts had moeten worden verwezen, niet de zorg heeft verleend die van een goed hulpverlener mag worden verlangd. Daarmee staat vast dat de huisartsenpraktijk in de nakoming van de verplichtingen uit de met [eiseres] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst tekort is geschoten.\n\naansprakelijkheid; toewijzing van de onder 1 gevorderde verklaring voor recht\n\n5.15.. De hiervoor vastgestelde tekortkoming leidt ertoe dat de huisartsenpraktijk aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en zal lijden als gevolg van die tekortkoming. Dat de tekortkoming niet aan de huisartsenpraktijk toerekenbaar zou zijn (artikel 6:75 BW) is niet aangevoerd, zodat daarop niet behoeft te worden ingegaan. De onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] , is derhalve toewijsbaar.\n\ntoewijzing van de onder 2 gevorderde schadevergoeding\n\n5.16.. \n [eiseres] vordert onder 2, geheel in het algemeen, “vergoeding van alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk”. Dat betekent dat zij schadevergoeding verlangt voor zover sprake is van causaal verband tussen de aan de huisarts verweten tekortkoming en haar schade. Of dat verband er is, wordt door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwist, althans als onzeker bestempeld.\n\n5.17.. Dit verweer leidt echter niet tot de conclusie dat de vordering niet toewijsbaar zou zijn. Bij een vordering tot schadevergoeding als deze, waarbij nog geen concrete schadeposten worden gevorderd, is immers voldoende als de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden, zoals het vaste criterium is bij vorderingen tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Uit het feit dat het zicht in het linkeroog nog maar 15% is en dat in elk geval in de toekomst een of meerdere malen operatief moet worden ingegrepen ( [eiseres] heeft dat onweersproken gesteld) blijkt in voldoende mate van door haar geleden en nog te lijden concrete schade.\n\n5.18.. Voor zover het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar inhoudt dat de schade van [eiseres] niet het gevolg is van handelen van de huisarts, maar van de ontsteking, gaat dit verweer niet op. Het gaat in deze zaak niet om de vaststelling van de medische oorzaak van het oogletsel van [eiseres] , maar om de vraag of de schade van [eiseres] zou zijn ingetreden als van een tekortkoming van de huisarts(enpraktijk) geen sprake zou zijn geweest.\n\n5.19.. De rechtbank is, met betrekking tot die laatstgenoemde vraag, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiseres] niet in dezelfde mate oogletsel en\u002Fof andere schade zou hebben geleden indien de huisarts de moeder of [eiseres] zelf op vrijdag 13 mei 2022 naar aanleiding van de meldingen van de moeder van [eiseres] naar het bestaan van verdere mogelijke alarmsymptomen zou hebben uitgevraagd. De huisarts zou dan hebben vernomen dat [eiseres] over (inmiddels) veel pijn klaagde (terwijl haar pijn de dag daarvoor als “niet bijzonder” kon worden gekwalificeerd) maar inmiddels ook leed aan lichtschuwheid , zoals hiervoor overwogen. De huisarts had dan ook een vervolgonderzoek verricht, zoals hij had behoren te verrichten en waarvan aannemelijk is dat hij dat zou doen. Uit de NHG-Standaard volgt dat de huisarts de patiënt met alarmsymptomen naar de oogarts dient te verwijzen als bij (herhaalde) controle blijkt dat alarmsymptomen aanhouden of verergeren. De NHG-Standaard bepaalt expliciet dat bij verergering van klachten, alarmsymptomen of tekenen van infectie, onvolledig herstel na 2 dagen, de patiënt dezelfde dagnaar de oogarts wordt verwezen. Voorts wordt over contactlensdragers opgemerkt dat “al na 1 dag bij geen verbetering” verwijzing diezelfde dag moet plaatsvinden. Zoals hiervoor overwogen, waren de pijnklachten van [eiseres] toegenomen, zoals uit het eigen standpunt van de huisarts in combinatie met de aantekeningen in het patiëntdossier volgt, en was [eiseres] bovendien een contactlensdrager. Het ligt daarom in de lijn der verwachting, althans is voldoende aannemelijk, dat de huisarts [eiseres] nog op vrijdag naar de oogarts zou hebben verwezen. Daarmee zou een tijdwinst van om en nabij 24 uur zijn behaald. Mede nu niet in geschil is dat de ooginfectie van [eiseres] met de pseudomonasbacterie een agressief verloop kan hebben, is voldoende aannemelijk dat [eiseres] bij eerdere opname in het ziekenhuis niet hetzelfde ernstige oogletsel zou hebben opgelopen zoals zij nu heeft gekregen.\n\n5.20.. Voor zover de huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben willen betogen dat niet zeker is of [eiseres] door de huisarts op vrijdag naar de oogarts zou zijn verwezen omdat niet duidelijk is of haar klachten daarvoor op dat moment voldoende ernstig waren, wordt dat verweer op grond van voorgaande overwegingen verworpen. Overigens geldt dat als het door de huisarts uit te voeren vervolgonderzoek, wat hij dus niet heeft verricht maar wel had behoren te verrichten, niet al direct tot de conclusie had gevoerd dat verwijzing van [eiseres] naar de oogarts geïndiceerd was, de huisarts ingevolge het door de NHG-Standaard voorgeschreven controlebeleid [eiseres] had moeten blijven monitoren. In dat geval zou [eiseres] niet pas na de constatering door de toen door [eiseres] geraadpleegde andere huisarts van haar ernstige afwijkingen in het oog op zaterdagmiddag, maar eerder, naar het oogziekenhuis zijn verwezen en daar zijn opgenomen omdat niet aannemelijk is dat de huisarts de ontsteking in het oog van [eiseres] zo ver op zijn beloop zou hebben gelaten. Dat dit anders zou zijn, is door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar niet gesteld, maar ook niet onderbouwd, zodat als zij dat zouden hebben willen betwisten, daaraan voorbij wordt gegaan. Die onderbouwing van die betwisting had van hen mogen worden verlangd, omdat kan worden vastgesteld dat de onzekerheid of de huisarts eerder zou hebben verwezen door de huisarts zelf in het leven is geroepen door geen vervolgonderzoek te verrichten. Het is daarom gerechtvaardigd van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar te verlangen dat zij die onderbouwing zouden hebben verschaft.\n\n‘eigen schuld’ (artikel 6:101 BW) niet aan de orde\n\n5.21.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren het verweer dat de schade van [eiseres] op grond van artikel 6:101 BW aan [eiseres] zelf moet worden toegerekend. Voor dit verweer geldt dat op hen ter zake de stelplicht en de bewijslast rusten. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren voor hun verweer aan dat [eiseres] zelf de keuze heeft gemaakt om niet in te gaan op het gestelde aanbod op vrijdagmiddag 13 mei 2022 om naar het spreekuur van de huisarts te komen en zich door de huisarts te laten beoordelen. Dit verweer treft geen doel.\n\n5.22.. In het licht van het tekortschieten van de huisarts kan aan [eiseres] , als al zou vaststaan dat haar voldoende duidelijk is gemaakt dat zij die vrijdagmiddag nog bij de huisarts in consult kon komen, die omstandigheid niet worden toegerekend. De huisarts heeft haar immers niet op de noodzaak van een consult gewezen, maar haar, integendeel, te verstaan gegeven dat een bezoek aan het spreekuur waarschijnlijk toch niet veel zou opleveren en het advies gegeven het medicijn zijn werk te laten doen en te koelen met compressen. In elk geval dient op grond hiervan de omstandigheid dat [eiseres] niet op de mogelijkheid om de huisarts te bezoeken is ingegaan, op grond van billijkheid niet tot vermindering van de vergoedingsplicht van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar jegens [eiseres] te leiden.\n\n5.23.. Uit wat hiervoor onder 5.16 tot en met 5.22 is overwogen volgt dat de vordering tot vergoeding van schade tegen de huisartsenpraktijk toewijsbaar is.\n\ndirecte actie: de verzekeraar wordt mede veroordeeld (artikel 7:954 BW)\n\n5.24.. Artikel 7:954 BW bepaalt dat wanneer in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid aan de verzekeraar op grond van artikel 7:941 BW de verwezenlijking van het risico is gemeld, de benadeelde kan verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald. Op grond van deze bepaling is ook de vordering tot schadevergoeding tegen de verzekeraar toewijsbaar.\n\nde expertisekosten van € 2.254,23 zijn toewijsbaar\n\n5.25.. Deze kosten zijn inhoudelijk niet betwist, maar slechts bestreden met een verwijzing naar het verweer dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Ook deze vordering is daarom toewijsbaar.\n\nbuitengerechtelijke incassokosten van € 925,- zijn toewijsbaar met wettelijke rente\n\n5.26.. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en wijst deze kosten toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025. hoofdelijke veroordeling wordt niet toegewezen5.27. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar kan niet worden toegewezen. De verzekeraar is door de mogelijkheid van directe actie geen debiteur van [eiseres] geworden. Hoofdelijke verbondenheid (artikel 6.6 BW e.v.) is dan ook niet aan de orde, ook al kan [eiseres] wel van de verzekeraar rechtstreeks betaling aan haar verlangen. Zij heeft de keuze om ofwel de verzekerde, de huisartsenpraktijk, ofwel de verzekeraar, ofwel beiden tot betaling aan te spreken, in dat laatste geval “des dat betaling door de een de ander bevrijdt”. Aldus zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding toewijzen.\n\nuitvoerbaarheid bij voorraad5.28. De verklaring voor recht kan als declaratoire beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Bij uitvoerbaarverklaring van de vordering tot betaling van schadevergoeding, zonder dat concrete schade wordt gevorderd, heeft [eiseres] onvoldoende belang, zodat ook ten aanzien die vordering geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal worden uitgesproken. Voor het overige geldt dat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad op de wet is gebaseerd en door de huisarts en de verzekeraar niet is weersproken. Daarom zal het vonnis voor het overige uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nproceskosten\n\n5.29.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van [eiseres] op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 1.374,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 punten à € 653,-) aan salaris voor de advocaat, en veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten, wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. In totaal bedragen de proceskosten € 2.828,04.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verklaart voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] ;\n\n6.2.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot vergoeding van alle schade die [eiseres] heeft geleden en lijdt, voor zover die schade het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming van de huisartsenpraktijk;\n\n6.3.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 2.254,23 aan expertisekosten;\n\n6.4.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.5.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.828,04;\n\n6.6.. verklaart de veroordelingen onder 6.3 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.\n\n2632\u002F 3152","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3552","2026-07-13T00:28:55.445Z",{"id":129,"ecli":130,"slug":131,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":132,"fullText":133,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":134,"sourceTimestamp":135,"parsedAt":64,"updatedAt":136},"334","ECLI:NL:RBROT:2026:6678","ecli-nl-rbrot-2026-6678","2026-03-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11105822 CV EXPL 24-12715\n\ndatum uitspraak: 27 maart 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [eiseres],\n\ngevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. M.M.A. Timmermans, advocaat te Druten,\n\ntegen\n\n [gedaagde], die handelt onder de naam[handelsnaam],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. P.E. van Dam, advocaat te Zwolle.\n\nPartijen worden hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ” genoemd.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\n- het tussenvonnis van 1 november 2024 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - de akte bewijslevering van [eiseres] , met bijlagen 20 tot en met 22; - het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 9 april 2025;\n\n- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 4 november 2025.\n\n1.2.. Partijen zijn in januari 2026 geïnformeerd dat er een rechterswissel heeft plaatsgevonden, omdat mr. W.J.J. Wetzels is overleden. Mr. C. Sikkel heeft de behandeling van de zaak overgenomen. Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. In het tussenvonnis van 1 november 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat de [naam schip 1] schuld heeft aan de schadevaring in de vroege ochtend van 6 februari 2023.\n\n2.2.. Om aan de bewijsopdracht te voldoen heeft [eiseres] bij akte een aantal producties in het geding gebracht en heeft zij de sluiswachter, die in dienst is van de gemeente Waalwijk, als getuige laten horen. [gedaagde] heeft daarna tijdens het tegenverhoor zichzelf laten horen. Vervolgens heeft [eiseres] de kantonrechter laten weten dat zij afziet van het nemen van een conclusie na getuigenverhoor.\n\n2.3.. De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] de [naam schip 1] verwijt een fout te hebben gemaakt door in weerwil van rood sein in strijd met artikel 6.28a BPR de sluis in te varen nadat de [naam schip 2] deze had verlaten, zonder groen sein af te wachten of met de sluismeester af te stemmen dat de [naam schip 1] de sluis veilig kon invaren. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] ten eerste betwist dat het sein op rood stond en ten tweede stelt dat de sluismeester hem acht minuten voor de schadevaring telefonisch een instructie, althans toestemming had gegeven voor het invaren van de sluis.\n\n2.4.. De kantonrechter stelt (onder 2.10) de toedracht vast aan de hand van de op de dag van het ongeval (6 februari 2023) opgestelde verklaringen van de sluiswachter (geciteerd in het tussenvonnis en hieronder weergegeven) en van [gedaagde] (in de schademelding van 6 februari 2023), in samenhang met de getuigenverklaringen van de sluiswachter en van [gedaagde] .\n\nDe verklaringen\n\n2.5.. De schriftelijke verklaring van de sluiswachter op 6 februari 2023 luidt als volgt:\n\n “Ik ben bezig met een schutting van buiten (Maas) naar binnen (haven).\n\n In de kolk ligt ms [naam schip 2] .\n\n Tijdens deze schutting krijg ik telefoon (06.37 uur) van [naam 1] schipper van ms [naam schip 1] .\n\n Hij meldt dat hij naar buiten wil vanuit de haven naar de Maas.\n\n Ik geef hem te kennen dat ik met een schutting naar binnen bezig ben en de deur voor hem open laat staan.\n\n Ik zet het grote beeldscherm op camera 10 (Ik kijk hiermee de kolk in) zodat ik ms [naam schip 2] kan zien uitvaren richting de haven.\n\n Intussen ga Ik verder met het inschrijven van ms [naam schip 2] in onze administratie en houdt het\n\n schip op het grote scherm in de gaten.\n\n Ms [naam schip 2] is voorbij de binnenhoofd en ik zet het uitvaarsein in de kolk op rood en tevens staan op dat moment alle seinen op rood (zowel binnen als buiten).\n\n In het systeem verschijnt het kader om deuren te sluiten en zoals gewoonlijk klik ik ‘deuren\n\n sluiten’ aan. Ik ben op dat moment de ms [naam schip 1] vergeten.\n\n Deuren kunnen alleen bediend worden als alle seinen op rood staan.\n\n Vanuit camera 10 zie ik een schip aankomen dat vervolgens tegen de dicht gaande vloeddeuren vaart. Op dat moment staan de seinen dus op rood.\n\n Circa 06.45 uur vaart ms [naam schip 1] tegen de dicht gaande vloeddeuren van het binnenhoofd.06.50. \n\nuur nam de schipper direct telefonisch contact met mij op.\n\n Daarna heb ik de storingsdienst gebeld en heb ik [naam 2] en [naam 3] ingelicht.”\n\n2.6.. De sluiswachter heeft onder ede voor zover relevant het volgende verklaard:\n\n “U houdt mij de verklaring voor waarvan U zegt dat deze door gedaagde is overgelegd bij de brief van 19 september 2024. (…) Die verklaring heb ik zelf opgesteld. Het zijn dus mijn woorden in die verklaring. Die verklaring heb ik opgesteld op dezelfde dag van de aanvaring. (…)\n\n Ook nu ik onder ede sta blijf ik bij de juistheid van die verklaring.\n\nIn aanvulling daarop kan ik ten aanzien van de toedracht van de aanvaring nog het volgende verklaren. Vlak voor de aanvaring was ik bezig om de MS [naam schip 2] naar binnen te schutten. Ik had toen het beeld voor me van camera 10 waarop de [naam schip 2] te zien was. Op dat moment belde [gedaagde] die ik ken en die ik [naam 1] noem dat hij met de [naam schip 1] de sluis in wilde. Ik heb hem telefonisch gezegd dat ik de deur van de sluis open liet staan. Vervolgens duurde het de nodige tijd voordat de [naam schip 2] de sluis uit ging. De [naam schip 2] was voor het eerst in de sluis en voer erg langzaam. Op dat moment stond het sein voor de [naam schip 2] op groen en het sein voor de [naam schip 1] op rood. Op het moment dat de [naam schip 2] de sluis verlaten had, heb ik handmatig het uitvaart sein op rood gezet en tegelijkertijd op de knop gedrukt waarmee de deuren van de sluis dicht gingen. Toen de deuren voor de helft gesloten waren zag ik dat de [naam schip 1] tegen de deuren aanvoer. Op dat moment belde [naam 1] mij met de vraag “Wat doe je nu?”. Ik heb daarop gezegd, “Je vaart door rood”. [gedaagde] is toen achteruit gevaren, maar toen was het leed al geschied.\n\nU zegt mij dat [gedaagde] gezegd heeft dat ik na de aanvaring excuses aan hem heb aangeboden toen hij mij belde. Ik weet niet meer of ik toen excuses heb aangeboden.\n\nIn mijn schriftelijke verklaring heb ik ook nog opgeschreven dat ik de [naam schip 1] vergeten was. Ik weet niet meer of dat klopt. Ik zie het meer als een gedachte die erbij gekomen is. U moet weten dat het een heftige dag was met de aanvaring. (…)\n\nU vraagt mij hoe ik zo zeker weet dat de [naam schip 1] rood licht had vlak voor de aanvaring. (…) Op de derde foto ziet u de situatie dat de [naam schip 2] de sluis verlaten heeft en dat de verkeerslichten aan beide zijden van de sluis op rood staan. Alleen in die situatie kan ik de deuren van de sluis sluiten. (…)\n\nIk heb hiervoor en ook in mijn schriftelijke verklaring van 6 februari 2023 gezegd dat ik tegen [gedaagde] vlak voor de aanvaring gezegd heb dat ik de deuren van de sluis voor hem liet openstaan. (...) Ik heb per abuis op de knop gedrukt waarmee de deuren gesloten werden. Ik heb dat gedaan nadat ik handmatig het licht voor de [naam schip 2] op rood gezet had en toen zag ik op mijn display de afbeelding die u ook ziet op foto 3 waarna ik routinematig op de knop deuren sluiten gedrukt heb.\n\n(...)\n\nVanuit mijn positie heb ik voldoende zicht op de sluis en de kolk. Dat zicht heb ik via drie schermen waarop ik in totaal de beelden van dertien camera’s kan zien. Voor een goed begrip moet u weten dat ik op twee schermen in het klein tegelijkertijd alle beelden van de dertien camera’s kan zien. Ik kan op het derde scherm een keuze maken om de afbeelding van één van de dertien camera’s in het groot te bekijken. Ik heb er vlak voor de aanvaring voor gekozen om het beeld waarop de [naam schip 2] te zien was in het groot te bekijken en ik heb geen acht geslagen op de beelden van de camera waarop de [naam schip 1] te zien was. Ik heb vanuit mijn positie geen volledig overzicht op de situatie buiten.”\n\n2.7.. De verklaring van [gedaagde] in de schademelding van 6 februari 2023 luidt als volgt:\n\n“Bij aankomst sluis Waalwijk telefonisch contact opgenomen met de sluiswachter omstreeks 06:45.\n\nVia telefonisch contact toestemming gekregen om meteen de sluis in te varen, nadat het schip [naam schip 2] de sluis uit komt gevaren en de sluis open blijft staan. Eenmaal de buitendeuren gepasseert, beginnen de binnendeuren te sluiten.\n\nNadat dit geconstateerd word op de camera van het voorschip, heb ik de kopschroef en hoofdmotor meteen volaan achteruit laten slaan om het schip te laten stoppen en terug te varen. Dit was niet meer mogelijk hierdoor raakte het voorschip de deur.\n\nEenmaal achteruit de sluis uit, meteen telefonisch contact opgenomen met de sluismeester die ook in shock was en verklaarde dat hij mij vergeten was”.\n\nDit is de situatieschets die [gedaagde] heeft gemaakt bij de schademelding:\n\n2.8.. \n [gedaagde] heeft onder ede voor zover relevant het volgende verklaard:\n\n“(…) Ik kom bijna dagelijks met mijn schip bij de sluis waar de aanvaring heeft plaatsgevonden. Ik ken de sluiswachter en hem spreek ik aan met [naam 4] . Ik heb hem gebeld toen ik met mijn schip voor de sluis lag. Op dat moment was de [naam schip 2] bezig om de sluis uit te varen. Ik heb tegen [naam 4] gezegd dat ik er uit wilde en hij heeft toen gezegd dat de [naam schip 2] bezig was om uit te varen, dat ik daarna naar binnen kon varen en dat hij de deuren van de sluis zou open laten voor mij. Nadat de [naam schip 2] de sluis verlaten had ben ik met mijn schip de sluis ingevaren. (…)\n\nOp het moment dat ik de sluis ingevaren ben stond het licht in mijn beleving op groen.\n\n(…) Ik wijs u op de schets waarvan u zegt dat deze als productie 1 bij de conclusie van antwoord is overgelegd. Daarop ziet u dat ik met het schip al in de sluis gevaren was, dat ik de eerste deur al gepasseerd was en dat ik toen tegen de tweede deur ben aangevaren omdat de sluiswachter die deur dichtgedaan had. (…)\n\nNadat ik met mijn schip tegen de tweede deur was aangevaren heb ik de sluiswachter gebeld en hem gezegd ‘ [naam 4] wat doe je nu’ hij heeft daarop gereageerd met de woorden ‘sorry ik ben je vergeten’.\n\nUit de mededeling van de sluiswachter ‘ik laat de deuren voor je open’ heb ik afgeleid dat hij mij toestemming gaf om de sluis in te varen. Hij heeft ook tegen mij gezegd dat ik naar binnen kon varen als de [naam schip 2] uitgevaren was.\n\n(…)\n\nTussen het moment dat de sluiswachter telefonisch tegen mij gezegd heeft dat hij de deuren voor mij openliet en het moment van de aanvaring heb ik geen contact meer gehad met de sluiswachter. Tussen die twee momenten zat een tijdsverloop van 8.36 minuten. Dat tijdsverloop is betrekkelijk kort omdat het ook wel vaker een half uur duurt voordat ik de sluis in kan varen. Dat korte tijdsverloop duidt erop dat ik al met mijn schip kort voor de sluis lag en de sluiswachter mij kon zien vanuit zijn sluishuisje.”\n\n [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs\n\n2.9.. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Hierna legt de kantonrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nDe toedracht\n\n2.10.. Op 6 februari 2023 is de sluiswachter bezig met een schutting van buiten (Bergsche Maas) naar binnen (haven in Waalwijk). In de sluiskolk ligt het schip de [naam schip 2] . Tijdens de schutting belt [gedaagde] om 06.37 uur naar de sluiswachter met de melding dat hij van binnen naar buiten wil (vanuit de haven in Waalwijk richting de Bergsche Maas). De sluiswachter zegt in dit telefoongesprek tegen [gedaagde] dat hij met de schutting van de [naam schip 2] naar binnen bezig is en dat hij de sluisdeuren voor hem open zal laten staan. Het voor [gedaagde] zichtbare sein aan de invaartopening van de sluis staat op rood. Als de [naam schip 2] voorbij het binnenhoofd is, klikt de sluiswachter per ongeluk routinematig op de knop waarmee de sluisdeuren gesloten worden. Hij is de afspraak met de [naam schip 1] vergeten. De [naam schip 1] vaart door rood sein de sluis in. Op het moment dat de [naam schip 1] de openstaande buitendeuren van de sluis is gepasseerd, beginnen de binnendeuren te sluiten. Om ongeveer 06.45 uur vaart de [naam schip 1] tegen de dichtgaande binnendeuren van de sluis aan, waardoor deze zijn beschadigd en niet meer volledig operationeel zijn.\n\nHet sein stond op rood\n\n2.11.. \n [eiseres] stelt dat het invaarsein bij de sluisdeur zowel voor, tijdens als na de aanvaring op rood stond. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] naar data van het besturingsprogramma en het bericht van 6 maart 2023, waarin de gemeente Waalwijk aan de hand van die data uitlegt dat rond het tijdstip van de schadevaring geen groen sein is gegeven en dat het laatste groene sein voor invaren die dag omstreeks 5.00 uur is afgegeven. [eiseres] verwijst verder naar het logboek invaarseinen en naar de verklaringen van de sluiswachter.\n\n2.12.. \n [gedaagde] betwist dat het sein bij de sluisdeur op rood stond. Bij het invaren van de sluis stond het invaarsein in zijn beleving op groen.\n\n2.13.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\n [eiseres] heeft bewezen dat het sein bij de sluisdeur op rood stond. Dit volgt uit het door [eiseres] overgelegde logboek invaarseinen en de verklaring van de sluiswachter dat alleen als de verkeerslichten aan beide zijden van de sluis op rood staan, de sluisdeuren gesloten kunnen worden (zoals tijdens het incident gebeurde). Uit het logboek en de toelichting daarop van [eiseres] , volgt dat de twee aan weerszijde van de sluis aanwezige invaarseinen met nummer 3 en 4 tijdens de schadevaring om 06.45 uur op rood stonden. Dit blijkt uit de waarde op de Y-as met de codes 0 en 1, gecombineerd met het tijdsverloop op de X-as. Ten tijde van het ongeval gold code 1, wat staat voor rood sein. Het groene sein heeft niet gebrand tijdens de aanvaring, maar ook niet kort daarvoor. Op de Y-as is dit af te lezen aan de waarde 0,0. Het groene invaarsein is rond 5.00 uur ’s ochtends kortstondig aan geweest voor een ander schip (zie X-as). Tegen deze achtergrond legt de verklaring van [gedaagde] dat het sein in zijn beleving op groen stond, onvoldoende gewicht in de schaal. De beelden die [gedaagde] heeft overgelegd zien op een andere dag en geven geen informatie over de toedracht op 6 februari 2023.\n\nDe [naam schip 1] heeft schuld\n\n2.14.. Ter plaatse geldt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Door rood sein varen is verboden volgens artikel 6.28a BPR (In- en uitvaren van sluizen). De schipper van de [naam schip 1] , [gedaagde] , heeft een fout gemaakt door in weerwil van het rode sein de sluis in te varen. Dat hij het rode sein niet actief waarnam, en veronderstelede dat het groen was, disculpeert hem niet. Daarmee heeft [gedaagde] het BPR overtreden. Dit levert in beginsel ‘schuld van het schip’ in de zin van artikel 8:1004 lid 1 BW op (zie r.o. 4.5 tussenvonnis).\n\n2.15.. \n\nEr kunnen bijzondere omstandigheden zijn die tot het oordeel leiden dat toch geen sprake is van enige relevante schuld van het schip, zoals concrete toezeggingen van het bevoegd gezag om ondanks rood sein toch de sluis in te varen. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat [gedaagde] de mededeling van de sluiswachter “ik laat de deuren voor je open” mocht opvatten en heeft opgevat als een instructie of toestemming voor het invaren van de sluis zonder verdere afstemming met de sluiswachter, zelfs als het sein nog op rood stond. Dat is niet vast komen te staan. Dat de sluiswachter fouten heeft gemaakt en [gedaagde] de verwachting had dat hij na de [naam schip 2] in de sluis zou worden toegelaten, is daarvoor niet genoeg. Van een impliciete toestemming van de sluiswachter om ook bij rood sein de sluis in te varen is niet gebleken en er is niets gesteld of gebleken waaruit volgt dat [gedaagde] dat toch mocht denken.\n\nUit het dossierblijkt dat [gedaagde] dat ook niet concreet dacht. [gedaagde] rekende op groen licht en anticipeerde daarop. Hij heeft zich er niet van vergewist dat het sein op groen stond en is de sluis gaan invaren zonder voldoende op te letten. Als [gedaagde] wel voldoende had opgelet, dan had hij het rode sein waargenomen en was hij de sluis niet ingevaren. Uit de getuigenverklaring van [gedaagde] volgt immers dat [gedaagde] wist dat hij bij rood sein moest stoppen, maar dat hij dacht dat het sein groen was en dat hij op grond van het gesprek met de sluismeester geen aanleiding had te veronderstellen dat het sein op rood stond. Daarmee ontkracht hij zijn standpunt dat hij het rode sein mocht negeren, omdat hij een concrete aanwijzing van de sluiswachter had.\n\n2.16.. Dat de sluiswachter vooraf concreet heeft toegestaan dat [gedaagde] door rood sein mocht varen is niet gebleken Uit de verklaring van de sluiswachter volgt dat hij vindt dat [gedaagde] op groen sein had moeten wachten en bij twijfel had moeten bellen en dat hij geen toestemming heeft gegeven om door rood sein te varen. [gedaagde] weerspreekt ook niet dat de sluiswachter hem direct na de raking voorhield “je vaart door rood licht”, waaruit volgt dat ook de sluiswachter verwachtte dat hij niet zonder groen sein zou invaren.\n\n2.17.. \n [gedaagde] heeft dus een fout gemaakt door, in de verwachting dat het sein op groen zou staan, zonder opletten door rood sein de sluis in te varen terwijl hij niet daadwerkelijk veronderstelde dat hij (zelfs) daarvoor toestemming had. Dat is de initiële fout geweest en zonder die fout zou het ongeval niet zijn gebeurd en de schade voor [eiseres] niet zijn ontstaan. Daarmee is het causaal verband gegeven.\n\n2.18.. Aannemelijk is dat ook de sluismeester een fout heeft gemaakt. Uit zijn verklaring en de vaststaande feiten volgt dat hij, ongeveer acht minuten na het telefoongesprek met [gedaagde] waarin hij had gezegd de sluisdeuren open te laten staan, op een prompt van het systeem gewoontegetrouw op de knop “deuren sluiten” drukte. De sluiswachter was afgeleid door het trage schutten van nieuwkomer [naam schip 2] en had de [naam schip 1] niet in de gaten. De sluiswachter heeft toen direct en uitdrukkelijk zijn excuses aangeboden en gezegd dat hij de [naam schip 1] was vergeten. Door zijn druk op de knop raakten de sluisdeuren de [naam schip 1] en andersom. Zonder die fout zou het ongeval ook niet zijn gebeurd. De fout van de [naam schip 1] en de fout van de sluiswachter hebben samen de schade veroorzaakt. Een fout van de sluiswachter levert echter geen aftrek op jegens [eiseres] . Omdat de [naam schip 1] meer dan verwaarloosbare schuld heeft, is zij volledig aansprakelijk jegens [eiseres] . Dat is niet anders als de kantonrechter aanneemt dat de sluiswachter bij [gedaagde] de redelijke verwachting heeft gewekt dat hij de sluisdeuren niet zou sluiten en dat hij de [naam schip 1] na de [naam schip 2] zou binnenlaten door groen licht te geven. Dat heeft alleen gewicht in de verhouding van [gedaagde] tot de gemeente Waalwijk, die ook een procedure tegen [gedaagde] heeft aangespannen.\n\nAan het relativiteitsvereiste is voldaan\n\n2.19.. \n [gedaagde] betoogt dat een volgens [eiseres] door [gedaagde] geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden. [gedaagde] verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de inhoud van een brief van EOC van 27 november 2023 (productie 17 bij dagvaarding). De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810). Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] geen eigenaar of beheerder van de sluis is en evenmin deelnemer aan het scheepvaartverkeer. Zij heeft geen garantie op een altijd functionerende sluis en evenmin op een continue bereikbaarheid van de haven, aldus [gedaagde] .\n\n2.20.. Dit verweer wordt verworpen. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.De door de [naam schip 1] \u002F [gedaagde] toe te passen normen uit het BPR dienen het algemene belang van bevordering van de veiligheid, het voorkomen van aanvaringen het waarborgen van een veilige en vlotte doorvaart. Dit omvat ook het voorkomen van schade aan kunstwerken (zie artikel 1.14 BPR) en sluizen. Voor de aanvoer van grind en zand heeft [eiseres] haar productielocatie vanuit strategisch oogpunt aan het water en is zij afhankelijk van de werking van de sluis. Dat het negeren van een rood sein kan leiden tot een schadevaring met de sluisdeuren en het blokkeren van de doorvaart voor bedrijven die daarvan afhankelijk zijn was voor [gedaagde] voorzienbaar. De geschonden norm strekt in dit geval ook uit tot bescherming van het belang dat [eiseres] heeft bij een ongestoorde losvoorziening voorscheepvaart direct aan haar bedrijfslocatie.\n\n [gedaagde] moet [eiseres] € 21.499,75 aan schade betalen\n\n2.21.. Nu de [naam schip 1] schuld heeft aan de schadevaring, is [gedaagde] als eigenaar van het schip verplicht de schade die [eiseres] lijdt door de buitenwerking stelling van de sluis op 6 februari 2023 te vergoeden.\n\n2.22.. \n\n [eiseres] onderbouwt de schade die zij stelt te hebben geleden als volgt.\n\n [eiseres] houdt zich onder meer bezig met de vervaardiging van stortklaar beton. Omdat [eiseres] in Waalwijk aan het water ligt, is het mogelijk om vanuit het zuiden en oosten grondstoffen, zoals en grind en zand, via het water te laten aanvoeren. [naam bedrijf 1] . (hierna: [naam bedrijf 1] ) bevoorraadt [eiseres] over het water met grind en zand. Wekelijks levert zij circa 5.000 tot 8.000 ton grind en zand per schip aan. Als gevolg van de schadevaring was [eiseres] in de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023 niet bereikbaar over het water. Noodgedwongen moest [eiseres] schepen daarom laten uitwijken naar de Kerkvaart in Waspik, een gemeentelijke loswal die de gemeente Waalwijk vanwege de buitenwerking stelling van de sluis had vrijgegeven. [naam bedrijf 1] heeft daarvoor een bedrag van € 5.777,25 aan toeslagen aan [eiseres] doorbelast. [eiseres] verwijst naar de facturen van [naam bedrijf 1] en de verklaring van haar commercieel directeur van 13 november 2023. Het zand en grind is vervolgens over de weg vervoerd naar [eiseres] in Waalwijk. De daarmee gemoeide kosten van in totaal € 15.722,50 die [naam bedrijf 2] voor dit specifieke transport aan [eiseres] in rekening hebben gebracht, kwalificeren ook als schade die door [gedaagde] moet worden vergoed. [eiseres] verwijst naar facturen van [naam bedrijf 2] .\n\n2.23.. \n\n [gedaagde] voert hiertegen het volgende verweer:\n\nVoor zover de toeslag ziet op een extra reisvoorbereiding, is deze buitensporig, omdat het gaat om een zeer geringe afwijking van de gebruikelijke route, waarvoor ten hoogste eenmaal een extra reisvoorbereiding is vereist.\n\nEen bedrag van € 785,45 komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat een aantal dagen sprake was van hoog water en de haven van Waalwijk op die dagen wel kon worden bereikt. De wegtransportkosten die het gevolg zijn van daardoor onnodig in Waspik lossen, komen ook niet voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] verwijst naar de verklaring van de commercieel directeur van [naam bedrijf 1] . [gedaagde] betwist verder dat de opgevoerde wegtransportkosten (Waspik - Waalwijk) in verband staan met de schadevaring.\n\nDe bespaarde kosten aan haven- en (gecompenseerde) kadegelden moeten op de gestelde schade in mindering worden gebracht. [gedaagde] verwijst naar de Verordening haven- en kadegeld 2023.\n\n2.24.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\nDe omvang van schade moet worden bepaald door vergelijking van de situatie waarin [eiseres] na de schadevaring verkeerde in de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023 dat zij niet bereikbaar was over het water, met de hypothetische situatie waarin de schadevaring niet had plaatsgevonden.\n\nMet het overleggen van de facturen van [naam bedrijf 1] en de verklaring van haar commercieel directeur heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in die periode kosten heeft moeten maken van in totaal € 5.777,25, welke kosten zij niet zou hebben gemaakt als de schadevaring niet zou hebben plaatsgevonden. Zoals de directeur heeft verklaard betreffen dit toeslagen die [naam bedrijf 1] voor het uitwijken naar de loslocatie in Waspik aan [eiseres] in rekening heeft gebracht. Die toeslagen staan vermeld op de betreffende facturen. De directeur heeft een geloofwaardige uitleg gegeven waarom ook de toeslag is doorbelast van de enkele keer dat het vanwege de waterstand op zichzelf wel mogelijk was om te lossen in Waalwijk. Dat was omdat [naam bedrijf 1] op die dagen bij het bepalen van de route al had voorzien dat gelost moest worden in Waspik. De directeur heeft verder verklaard dat [eiseres] de betreffende facturen integraal heeft betaald. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom de toeslagen volgens hem zouden zien op extra reisvoorbereiding, zodat de kantonrechter aan dat verweer voorbij gaat.\n\nMet het overleggen van de facturen van Harteman heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in die periode extra transportkosten heeft moeten maken van in totaal\n\n€ 15.722,50. De facturen zien op de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023. Uit de omschrijving op de facturen volgt dat het gaat om transport van zand en grind van Waspik naar Waalwijk. [eiseres] heeft daarmee voldoende aangetoond dat de opgevoerde wegtransportkosten van Waspik naar Waalwijk in verband staan met de schadevaring.\n\n [gedaagde] heeft zijn verweer dat [eiseres] normaal gesproken havengelden verschuldigd is en dat [eiseres] is gecompenseerd voor kadegelden onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de Verordening haven- en kadegeld 2023 is niet genoeg.\n\nHet voorgaande betekent dat [gedaagde] in totaal € 21.499,75 aan [eiseres] moet betalen, te vermeerderen met de op zichzelf niet betwiste wettelijke rente vanaf 14 november 2023.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.25.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 1.409,00 aan griffierecht, € 112,99 aan exploitkosten, € 1.512,00 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 3.177,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\nDe proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.26.. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat verzoekt en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 21.499,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.177,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 144,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026. 21915\u002F16744\n\nArt. 6.28 a lid 1 a t\u002Fm c BPR: Voor het invaren van een sluis kunnen tekens worden getoond aan weerszijden van de invaartopening op gelijke hoogte dan wel aan de stuurboordszijde daarvan. Deze tekens betekenen:\n\na. twee rode vaste lichten boven elkaar: het invaren is verboden, de sluis wordt niet bediend;\n\nb. één rood vast licht: het invaren is verboden, de sluis wordt bediend;\n\nc. een rood vast licht en daaronder een groen vast licht: het invaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden toegestaan;\n\nbrief van EOC van 27 november 2023 (productie 17 bij dagvaarding), e-mail van EOC aan Senso van 20 maart 2024 (productie 2 bij conclusie van antwoord) en randnummer 26 van de conclusie van antwoord\n\nHR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, r.o. 3.4.1 (Duwbak ‘Linda’).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6678","2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.929Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":141,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":142,"sourceTimestamp":143,"parsedAt":64,"updatedAt":144},"999","ECLI:NL:RBROT:2023:9325","ecli-nl-rbrot-2023-9325","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 10425701 CV EXPL 23-9386\n\ndatum uitspraak: 6 oktober 2023\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n1. Vereniging van Eigenaren gebouw [straatnaam01] 18ab te Rotterdam,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\n2. [eiser01],\n\n3. [eiser02],\n\n4. [eiser03],\n\nwoonplaats: Rotterdam,\n\neisers,\n\ngemachtigde: mr. J. Postma,\n\ntegen\n\nVereniging van eigenaren bergingen en parkeerplaatsen\n\naan [straatnaam01] (ongenummerd) te Rotterdam,\n\nvestigingsplaats: Schiedam,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. A.J.C. Goldhoorn.\n\nDe partijen worden hierna ‘VvE Gebouw’, ‘ [eiser01] ’, ‘ [eiser02] ’, ‘ [eiser03] ’ en ‘VvE Parkeerplaatsen’ genoemd. Eisers sub 2 tot en met 4 worden gezamenlijk ‘ [eiser01] c.s.’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. \nHet dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 27 maart 2023, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met een bijlage;\n\nde akte eisvermeerdering en overlegging productie van eisers;\n\nde nadere productie van eisers;\n\nde spreekaantekeningen van de gemachtigde van eisers.\n\n1.2.. \nOp 6 september 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser01] en [eiser02] , bijgestaan door mr. Postma. Namens VvE Parkeerplaatsen was aanwezig de heer [naam01] , bijgestaan door mr. Goldhoorn.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2.1.. \nHet geschil tussen partijen draait om het gebruik van een toegangspoort. Aan de [straatnaam01] 18 in Rotterdam staat een gebouw, dat is gesplitst in vier appartementsrechten. Op de begane grond ( [straatnaam01] 18B) is altijd een toegangspoort aanwezig geweest, die toegang geeft tot het achter het gebouw gelegen terrein. Dit is het appartementsrecht met index 1. De tweede, derde en vierde verdieping van het gebouw zijn woonappartementen (index 2, 3 en 4). Op de eerste verdieping woont [eiser01] , op de tweede verdieping [eiser02] en op de derde verdieping [eiser03] . Het appartementsrecht met index 1 is eigendom van VvE Parkeerplaatsen.\n\n2.2.. \nHet appartementsrecht met index 1 geeft volgens de splitsingsakte recht op het uitsluitend gebruik van ‘de poort met achterliggende plaats en verder toebehoren’. De appartementsrechten met de indices 2 tot en met 4 worden in datzelfde artikel omschreven als ‘woning’. In de splitsingsakte is vervolgens bepaald dat de bestemming van de appartementsrechten zijn ‘poort’ (index 1) en ‘woning voor privé-doeleinden’ (indices 2 tot en met 4).\n\n2.3.. \nTot 2016 werd de ‘poort’ gevormd door houten openslaande deuren. In 2016 heeft VvE Parkeerplaatsen deze houten deuren (laten) vervangen door een mechanische roldeur, met daarin een loopdeur voor personen en fietsen. Vanaf dat moment is het onderwerp geluidsoverlast door deze deur jaarlijks besproken in de vergadering van eigenaars van VvE Gebouw. [eiser01] heeft veelvuldig contact gezocht met de bestuurder van VvE Parkeerplaatsen, de heer [naam01] (hierna [naam01] ), over de geluidsoverlast.\n\n2.4.. \nVvE Gebouw heeft onderzoek laten doen naar de mechanische roldeur door Strooming. Op 21 september 2021 is dit onderzoek uitgevoerd. Strooming concludeert dat het geluidsniveau in de woon- en slaapkamers van de woningen van [eiser01] en [eiser02] bij gebruik van de roldeur de normwaarde van 30 dB(A) steeds overschrijdt. De grenswaarde in de nacht bedraagt 25 dB(A). Strooming doet een aantal aanbevelingen om de roldeur in technische zin te laten voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit stelt, namelijk:\n\nhet verbeteren van de ophang- en montageconstructie van de overheaddeur zodat vibraties en trillingen zo min mogelijk in de constructie terecht kunnen komen. Strooming geeft in overweging om een zelfdragend stalen portaal te plaatsen waarin de deur kan worden gehangen, zodat geen sprake meer is van contact met wanden of plafond;\n\nhet aanbrengen van een geluiddempende omkasting rondom de aandrijfmotor;\n\nhet aanbrengen van een geluidwerende bekleding op het plafond;\n\nhet afstellen van de deurdranger en zo nodig gebruiken van een aanslagrubber bij de loopdeur.\n\nWelke vorderingen zijn (primair) ingesteld door eisers?\n\n2.5.. \nEisers willen dat VvE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming uitvoert en daarna laat onderzoeken of wel wordt voldaan aan de geluidsnormen. Enerzijds vorderen zij dat op basis van onrechtmatige hinder\u002Fonrechtmatige daad, anderzijds menen zij dat [naam01] heeft toegezegd deze werkzaamheden door VvE Parkeerplaatsen uit te laten voeren en vorderen zij nakoming van die afspraak. VvE Parkeerplaatsen betwist dat sprake is van een afspraak. Zij is op zich bereid om de werkzaamheden te laten uitvoeren, maar meent dat eerst moet worden beoordeeld of het gebouw zelf niet (mede) debet is aan de geluidsoverlast die [eiser01] c.s. ervaren, zodat voorkomen wordt dat achteraf blijkt dat aanpassingen aan de poort het probleem niet wegnemen.\n\n2.6.. \nEisers willen daarnaast dat de kantonrechter voor recht verklaart dat het gebruik dat nu wordt gemaakt van het achter de poort gelegen terrein in strijd is met het gebruik zoals dat is voorgeschreven in de splitsingsakte en bijbehorende splitsingstekening. Zij vorderen een aan VvE Parkeerplaatsen op te leggen gebod om de poort alleen te (laten) gebruiken om naar de achterliggende plaats te komen, in plaats van naar de parkeerplaatsen met bergingen.\n\n2.7.. \nOok is er nog een geschil over een geluidsalarm dat VvE Parkeerplaatsen heeft aangebracht en dat voor geluidsoverlast zorgt. Eisers vorderen dat het VvE Parkeerplaatsen wordt verboden om een geluidsalarm te gebruiken in de poort, althans dat het VvE Parkeerplaatsen wordt geboden een stil alarm te gebruiken.\n\nIs de kantonrechter bevoegd?\n\n2.8.. \nBij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen gesproken over de bevoegdheid van de kantonrechter in deze zaak. VvE Gebouw heeft toegelicht dat de kosten voor aanpassing van de poort conform het rapport van Strooming tussen de € 5.000,- en € 10.000,- zouden bedragen; daarom is de kantonrechter bevoegd om over die vordering te oordelen. Voor zover er dwangsommen worden gevorderd, moeten die vorderingen zo worden begrepen dat het maximum van alle dwangsommen samen en de waarde van de vorderingen (inclusief buitengerechtelijke kosten) in totaal een bedrag van € 25.000,- niet zullen (mogen) overstijgen. VvE Parkeerplaatsen is akkoord gegaan met deze uitleg van de vorderingen van VvE Gebouw. De kantonrechter heeft toegelicht dat zij ook zal beslissen op de gevorderde verklaring voor recht, nu deze verknocht is met de overige vorderingen en het onwenselijk is om de zaak voor alleen die vordering te verwijzen naar de sector civiel van de rechtbank.\n\nIs sprake van onrechtmatige hinder en wie mag hierover vorderingen instellen?\n\n2.9.. \nUit diverse arresten van de Hoge Raad, waaronder dat van 15 februari 1991 (NJ 1992, 639;\n\nAalscholvers) volgt dat de beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Bij de verdere omstandigheden van het geval moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.\n\n2.10.. \nDe kantonrechter oordeelt dat in dit geval sprake is van onrechtmatige hinder, die door het gebruik van de mechanische roldeur wordt toegebracht aan [eiser01] c.s. [eiser01] c.s. hoeven niet te dulden dat in hun woon- en slaapkamer, de belangrijkste vertrekken in een woning, sprake is van een voortdurende overschrijding van de normwaardes voor geluid. Hier is geen sprake van een situatie waarin af en toe, op gezette tijden, het geluidsniveau een keer wordt overschreden, maar van een overschrijding die zich dag in dag uit, op alle uren van de dag en nacht, voordoet of kan voordoen.\n\n2.11.. \nUit het rapport van Strooming volgt dat VvE Parkeerplaatsen maatregelen kan nemen om de geluidsoverlast weg te nemen, althans te beperken. Deze maatregelen zijn niet erg ingrijpend en ook niet bijzonder kostbaar. In de gegeven omstandigheden kan van VvE Parkeerplaatsen worden verwacht dat zij die maatregelen neemt om de hinder te beperken. De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van VvE Parkeerplaatsen dat eerst naar de staat van het gebouw moet worden gekeken. Ten eerste is het VvE Parkeerplaatsen die op een bepaalde manier gebruik wil (en moet) maken van de poort en daarbij is het haar verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat geen hinder wordt veroorzaakt, ook als zoals in dit geval sprake is van een oud gebouw. Pas als sprake zou zijn van gebreken aan het gebouw waarvan evident is dat deze door toedoen van VvE Gebouw of een van de individuele appartementseigenaren zijn ontstaan, zou er reden kunnen zijn om die gebreken eerst door een ander dan door VvE Parkeerplaatsen te laten herstellen. VvE Parkeerplaatsen heeft echter onvoldoende gesteld en onderbouwd om aan te nemen dat daarvan sprake is. De enkele stelling dat sprake is van een oud gebouw is onvoldoende.\n\n2.12.. \nOok aan de stelling van VvE Parkeerplaatsen dat Strooming ten onrechte zou hebben getoetst aan de eisen voor nieuwbouw in het Bouwbesluit in plaats van aan de eisen van bestaande bouw, gaat de kantonrechter voorbij. Het had op de weg van VvE Parkeerplaatsen gelegen om dan toe te lichten welke norm dan wel van toepassing is en dat daaruit zou volgen dat geen sprake is van overschrijding van die norm, bij de door Strooming gemeten geluidsniveaus. Dat heeft zij echter niet gedaan. Met de blote stelling van VvE Parkeerplaatsen kan de kantonrechter niets.\n\n2.13.. \nDe kantonrechter is, met VvE Parkeerplaatsen, van oordeel dat een vordering op basis van onrechtmatige hinder die zich voordoet in de privégedeeltes van [eiser01] c.s. niet kan worden ingesteld door VvE Gebouw. De Rechtbank Den Haag overweegt in haar vonnis van 11 mei 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:4477) hierover dat een VvE op grond van artikel 5:126 lid 5 BW binnen de grenzen van haar bevoegdheid de gezamenlijke eigenaren in en buiten rechte kan vertegenwoordigen. Die vertegenwoordigingsbevoegdheid betreft echter niet de privégedeelten (Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4794). Dit betekent dat VvE Gebouw geen eigen belang heeft bij de vorderingen die zien op de onrechtmatige hinder die zich voordoet in de woningen van [eiser01] c.s. Voor zover de vorderingen op die grondslag zijn ingesteld, is VvE Gebouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen. [eiser01] c.s. zijn wel ontvankelijk in hun vorderingen met als grondslag onrechtmatige hinder.\n\nWat moet VvE Parkeerplaatsen doen tegen de geluidsoverlast?\n\n2.14.. \n[eiser01] c.s. hebben hun vorderingen tegen VvE Parkeerplaatsen deels en\u002Fof mede gebaseerd op een afspraak die zij stellen te hebben gemaakt met [naam01] , als bestuurder van VvE Parkeerplaatsen. Hij zou hebben toegezegd om de mechanische roldeur te laten aanpassen en om akoestische en thermische isolatie te laten aanbrengen op de verdiepingsvloer van het gebouw. De kantonrechter volgt [eiser01] c.s. hierin niet. In zijn e-mail van 24 februari 2022 doet [naam01] een voorstel. [eiser03] reageert daar vervolgens diezelfde dag op, maar zij accepteert het voorstel niet. Los van de vraag of [naam01] al dan niet terecht een voorwaarde aan het aanbod (namens VvE Parkeerplaatsen) heeft verbonden, staat vast dat geen sprake is geweest van een aanbod van VvE Parkeerplaatsen dat vervolgens binnen een redelijke termijn door VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. is geaccepteerd, zodat geen overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat VvE Parkeerplaatsen bepaalde werkzaamheden zal laten uitvoeren. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op die gestelde afspraak, zullen die dan ook worden afgewezen.\n\n2.15.. \nVvE Parkeerplaatsen zal worden veroordeeld om de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van Strooming (zie onder 2.4) op te volgen. VvE Parkeerplaatsen is bereid om die werkzaamheden te laten uitvoeren en zij heeft niet gesteld dat deze werkzaamheden geen effect zullen hebben. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan het uitvoeren van de werkzaamheden de voorwaarde te verbinden dat eerst moet worden beoordeeld of het gebouw nog aanpassingen nodig heeft. VvE Parkeerplaatsen heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat eerst andere werkzaamheden nodig zijn voordat de aanbevelingen van Strooming worden opgevolgd. Omdat het gaat om aanpassingen aan het privégedeelte van VvE Parkeerplaatsen, is het ook volledig aan VvE Parkeerplaatsen om ervoor te zorgen dat de aanbevolen werkzaamheden worden uitgevoerd. Dat bij andere werkzaamheden kosten (zouden) worden verdeeld in strijd met de voorschriften van de splitsingsakte, doet daar niet aan af. ‘Willekeur’ ten aanzien van de kosten is geen juridisch verweer tegen de gevorderde veroordeling om deze werkzaamheden te laten uitvoeren.\n\n2.16.. \nVvE Parkeerplaatsen heeft geen verweer gevoerd tegen de door eisers genoemde termijn van vier weken na datum uitspraak voor uitvoering van die werkzaamheden. Deze termijn komt de kantonrechter ook niet onredelijk voor, zodat die vordering (voor zover ingesteld door [eiser01] c.s.) toewijsbaar is. De dwangsom wordt gematigd tot € 500,- per dag en gelet op de gewijzigde eis (zie onder 2.8) toegewezen tot een maximum van € 15.000,-, uitgaande van herstelkosten van € 10.000,-.\n\n2.17.. \nDe vordering tot het aanbrengen van akoestische en thermische isolatie wordt afgewezen, nu deze alleen is gebaseerd op de stelling dat sprake is van een overeenkomst tussen VvE Parkeerplaatsen en VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. overeenkomstig het voorstel van [naam01] van 24 februari 2022. Hiervoor is al geoordeeld dat van zo’n overeenkomst geen sprake is.\n\n2.18.. \nDe vordering die inhoudt dat VvE Parkeerplaatsen na uitvoering van de werkzaamheden een deskundige het geluidsniveau moet laten controleren en meten, zal worden afgewezen. Uit niets volgt dat op VvE Parkeerplaatsen de verplichting rust om zo’n controle uit te voeren. Als [eiser01] c.s. na uitvoering van de werkzaamheden menen dat nog steeds sprake is van onrechtmatige hinder, is het aan hen om die stelling dan (weer) handen en voeten te geven.\n\n2.19.. \nOmdat de primaire vordering van [eiser01] c.s. tot het aanpassen van de mechanische roldeur (groten)deels wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de subsidiaire eis die inhoudt dat de wijzigingen aan de poort ongedaan moeten worden gemaakt.\n\nMoet VvE Parkeerplaatsen op een andere (beperktere) manier gebruik maken van de poort?\n\n2.20.. \nEisers menen dat de splitsingsakte zo moet worden uitgelegd dat de poort alleen mag worden gebruikt om naar de direct achterliggende plaats te gaan, gelegen op perceel Y4317. Het gebruik zou niet inhouden dat de poort toegang moet verlenen aan het achterliggende perceel Y4464, waarop de parkeerplaatsen en bergingen zijn gelegen. Dit zou bedrijfsmatig of commercieel gebruik zijn.\n\n2.21.. \nZowel VvE Gebouw als [eiser01] c.s. zijn ontvankelijk in deze vorderingen, die zien op een uitleg van de splitsingsakte. Dit zijn vorderingen die zien op de belangen van de gezamenlijke eigenaren, zodat VvE Gebouw binnen de grenzen van haar bevoegdheid blijft als zij deze namens de gezamenlijke eigenaren instelt. De machtiging die nodig is voor het instellen van rechtsvorderingen is in ieder geval in de vergadering van eigenaars van 29 augustus 2023 verleend. De tekst van de notulen is voldoende duidelijk: de machtiging geldt voor alle vorderingen die zijn ingesteld en voor de vorderingen die in de akte vermeerdering van eis zijn opgenomen. VvE Parkeerplaatsen beroept zich erop dat deze stukken geen onderdeel zouden zijn geweest van de vergaderstukken. VvE Parkeerplaatsen laat echter na om hieraan enige juridische consequentie te verbinden. De kantonrechter gaat daarom uit van het genomen besluit, zodat VvE Gebouw ontvankelijk wordt geacht. Nu de vorderingen ook de (individuele) belangen van [eiser01] c.s. betreffen, hebben zij een eigen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Ook zij zijn daarom ontvankelijk. Uit niets volgt dat een individuele appartementsrechteigenaar niet zelf een vordering als deze kan instellen.\n\n2.22.. \nBij de uitleg van wat moet worden verstaan onder het uitsluitend gebruik van een gedeelte van een onroerende zaak die is gesplitst in appartementsrechten, is bepalend wat daarover is vastgelegd in de desbetreffende splitsingsstukken, dat wil zeggen de akte en de daaraan gehechte tekening (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5223). Bij de uitleg van die stukken komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in die akte van de verschillende gedeelten van het gebouw en uit de daaraan gehechte tekening, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte en de tekening (zie het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933).\n\n2.23.. \nDe splitsingsakte bepaalt over het gebruik van de poort niet meer dan dat deze als poort moet worden gebruikt. Noch uit de akte, noch uit de splitsingstekening blijkt dat dit gebruik op enige manier beperkt is, in die zin dat de poort alleen mag worden gebruikt als toegang naar de achterliggende plaats op perceel Y4317. De omschrijving van het appartementsrecht met index 1 is weliswaar ‘poort met achterliggende plaats en verder toebehoren’, maar dit zegt alleen iets over de omvang van het appartementsrecht, niet over waar de poort voor gebruikt mag worden. Uit de in deze procedure overgelegde plattegronden volgt dat de poort de enige toegang is tot het achtergelegen terrein dat (nu) voor parkeerplaatsen en bergingen wordt gebruikt. Een objectieve uitleg van de akte houdt in dat de poort, zonder beperking, mag worden gebruikt als toegang tot dit achterliggende terrein.\n\n2.24.. \nDat sprake is van onrechtmatige hinder, maakt niet dat sprake is van gebruik in strijd met de splitsingsakte en\u002Fof het toepasselijke reglement. Welk gebruik gemaakt mag worden van een appartementsrecht, wordt bepaald door de omschrijving. In geval van hinder kan een eigenaar daarop worden aangesproken, maar niet op de manier en met een vordering zoals dat nu door eisers is gedaan.\n\n2.25.. \nDe kantonrechter oordeelt dan ook dat het gebruik dat VvE Parkeerplaatsen maakt van de poort, althans laat maken, niet in strijd is met de splitsingsakte. De door eisers gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen. Het gevorderde gebod om de poort alleen te (laten) gebruiken om naar de achterliggende plaats te gaan en het verbod om de poort te (laten) gebruiken om naar de parkeerplaatsen en bergingen te komen en te gaan, wordt ook afgewezen, nu dit is gebaseerd op dezelfde – onjuiste – veronderstelling.\n\n2.26.. \nOmdat het gebruik dat VvE Parkeerplaatsen van de poort maakt conform de splitsingsakte is en daarin geen beperkingen staan, is ook de subsidiaire vordering tot het opleggen van een gebod de poort enkel te gebruiken tussen 7.00 uur en 20.00 uur niet toewijsbaar. Daarvoor biedt de splitsingsakte geen enkele grondslag. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige hinder, is de primaire vordering tot aanpassing van de roldeur (groten)deels toegewezen en komt de kantonrechter daarom niet meer toe aan de subsidiaire vordering tot beperking van het gebruik.\n\nMag VvE Parkeerplaatsen het geluidsalarm blijven gebruiken?\n\n2.27.. \nDe kantonrechter oordeelt dat uit de stellingen van eisers voldoende blijkt dat het geluidsalarm dat in de poort is aangebracht voor hinder zorgt en wel zodanige hinder, dat die onrechtmatig is in de zin van artikel 5:37 BW. Omdat het hier gaat om hinder die in de privégedeelten wordt ervaren door [eiser01] c.s., geldt ook hier dat VvE Gebouw niet-ontvankelijk is in deze vordering. [eiser01] c.s. zijn wel ontvankelijk.\n\n2.28.. \nVvE Parkeerplaatsen heeft onvoldoende weersproken dat sprake is van (onrechtmatige) hinder. Zij heeft alleen gesteld dat eerst moet worden gekeken naar geluidsisolatie van het gebouw. De kantonrechter passeert dat verweer. Vast staat dat sprake is van een alarmsysteem dat regelmatig afgaat en dat niet door [eiser01] c.s. kan worden uitgezet. Er is niet steeds (of zelfs nooit) iemand aanwezig namens VvE Parkeerplaatsen om het alarm uit te zetten als het afgaat. Dit is hinder die [eiser01] c.s. niet hoeven te dulden. VvE Parkeerplaatsen heeft niet gesteld dat er iets aan in de weg staat om een stil alarm te installeren. VvE Parkeerplaatsen kan ook voor een andere oplossing kiezen, zolang de hinder maar wordt beëindigd. De vordering van [eiser01] c.s. voor zover die inhoudt dat het VvE Parkeerplaatsen wordt verboden een geluidsalarm in de poort te gebruiken, wordt daarom toegewezen. Dit verbod gaat, om VvE Parkeerplaatsen tijd te geven kennis te nemen van dit vonnis en het alarm uit te schakelen, in op dinsdag 10 oktober 2023 om 0.00 uur ’s nachts (wat dus betekent dat het alarm op 10 oktober al niet meer gebruikt mag worden). De dwangsom wordt ook hier gematigd tot € 500,- per dag en gelet op de gewijzigde eis (zie onder 2.8) toegewezen tot een maximum van € 15.000,-. Het totaal van alle dwangsommen die in dit vonnis worden toegewezen, zal dit bedrag van € 15.000,- ook niet mogen overschrijden.\n\nWie draagt de kosten voor het onderzoek van Strooming?\n\n2.29.. \nDe vordering van eisers om VvE Parkeerplaatsen te veroordelen de kosten van het rapport van Strooming à € 1.754,- te betalen, wordt afgewezen. Er is geen sprake van een overeenkomst tussen partijen op basis waarvan VvE Parkeerplaatsen die kosten moet betalen. [naam01] heeft op enig moment wel een voorstel gedaan om een onderzoek te laten uitvoeren op basis van ‘kosten ongelijk’, maar dat aanbod is toen niet binnen een redelijke termijn door VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. geaccepteerd. Eisers kunnen niet op basis van dit (niet-geaccepteerde) voorstel op een veel later moment alsnog onderzoek laten uitvoeren en de kosten vervolgens bij VvE Parkeerplaatsen in rekening brengen.\n\n2.30.. \nDe kosten kunnen ook niet op basis van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor rekening van VvE Parkeerplaatsen worden gebracht. Dat heeft een juridische reden. Kosten als deze kunnen voor rekening van de schadeveroorzakende partij worden gebracht, maar dan moet wel sprake zijn van aansprakelijkheid jegens de partij die de kosten vordert. In dit geval zijn de kosten blijkens de nota van Strooming gemaakt door VvE Gebouw. Hiervoor is echter geoordeeld dat VvE Gebouw niet-ontvankelijk is in haar vorderingen jegens VvE Parkeerplaatsen voor zover die zijn gebaseerd op onrechtmatige hinder. Het rapport is nu juist bedoeld om de aansprakelijkheid van VvE Parkeerplaatsen op basis van onrechtmatige hinder vast te stellen. Er is wel sprake van onrechtmatige hinder jegens [eiser01] c.s., maar zij hebben geen kosten gemaakt voor het onderzoek door Strooming. Uit niets is gebleken dat [eiser01] c.s. deze kosten (alsnog) voor hun rekening hebben genomen. Daarom kan ten aanzien van hen deze vordering niet worden toegewezen.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n2.31.. \nVoor de buitengerechtelijke kosten geldt hetzelfde als voor de kosten van het rapport van Strooming. Alleen jegens [eiser01] c.s. wordt een deel van de vorderingen toegewezen. Niet gebleken is echter dat in opdracht en voor rekening van [eiser01] c.s. buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Daarom ontbreekt de grondslag voor de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wordt deze vordering afgewezen.\n\nProceskosten\n\n2.32.. \nVvE Gebouw is deels niet-ontvankelijk en voor het overige worden haar vorderingen afgewezen. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om VvE Gebouw in zoverre in de proceskosten te veroordelen, dat zij aan VvE Parkeerplaatsen aan salaris voor de gemachtigde een bedrag van € 199,- dient te vergoeden (1 punt × € 199,-). [eiser01] c.s. en VvE Parkeerplaatsen worden over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te bepalen dat VvE Parkeerplaatsen niet hoeft bij te dragen in de proceskostenveroordeling via haar VvE-bijdrage. De kantonrechter meent dat daarvoor alleen plaats is in geval van ernstige tekortkomingen in de procesvoering en\u002Fof misbruik van procesrecht en daarvan is niet gebleken, ondanks de uitkomst voor VvE Gebouw.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n2.33.. \nDit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Van [eiser01] c.s. kan niet worden verwacht dat zij een eventueel hoger beroep afwachten voordat aanpassingen aan de poort worden gedaan. Daarvoor vindt de kantonrechter de hinder die [eiser01] c.s. ondervinden te ernstig.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nTen aanzien van de vorderingen van VvE Gebouw:\n\n3.1.. \nverklaart VvE Gebouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen sub I, II en IV;\n\n3.2.. \nwijst de primaire vorderingen sub IIA en III en de subsidiaire vordering sub VI af.\n\nTen aanzien van de vorderingen van [eiser01] c.s.:\n\n3.3.. \nveroordeelt VvE Parkeerplaatsen om binnen vier weken na dit vonnis de aanbevelingen in het rapport van Strooming (productie 16 bij dagvaarding, onderdeel VIII) volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat VvE parkeerplaatsen niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 15.000,-, met inachtneming van het bepaalde onder 3.5;\n\n3.4.. \nverbiedt VvE Parkeerplaatsen om met ingang 10 oktober 2023 0.00 uur een geluidsalarm te gebruiken of in de poort, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat VvE parkeerplaatsen niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 15.000,-, met inachtneming van het bepaalde onder 3.5;\n\n3.5.. \nbepaalt dat het totaal aan dwangsommen als toegewezen onder 3.3 en 3.4 maximaal € 15.000,- bedraagt;\n\n3.6.. \nwijst de primaire vorderingen sub II, IIA en III en de subsidiaire vordering sub VI af;\n\nTen aanzien van de vorderingen van VvE Gebouw en [eiser01] c.s.\n\n3.7.. \nveroordeelt VvE Gebouw in de proceskosten, die aan de kant van VvE Parkeerplaatsen tot vandaag worden vastgesteld op € 199,- en compenseert de proceskosten verder in die zin dat partijen voor het overige de eigen kosten dragen;\n\n3.8.. \nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.9.. \nwijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.\n\n51909","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:9325","2023-10-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.241Z",20]