[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-victim-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":39,"limit":40},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},96,"victim-compensation-nl","Victim Compensation","NL","2026-07-08T16:56:12.456Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},2,{"min":18,"max":18},"2026-06-26T00:00:00.000Z",[],[21,32],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1813","ECLI:NL:RBROT:2026:7836","ecli-nl-rbrot-2026-7836","","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-244831-23\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. B.F. van Es\n\nOfficier van justitie: mr. L.C. Visser\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde straatroof, dan wel de poging daartoe. Hij wordt ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur met een proeftijd van 1 jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijke toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er primair van dat hij - samengevat – een telefoon en een geldbedrag met geweld heeft gestolen van [slachtoffer] , subsidiair dat hij daartoe een poging heeft gedaan. Meer subsidiair wordt dit feit aan de verdachte als mishandeling van de aangever ten laste gelegd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, een telefoon van het merk Samsung en\u002Fof een geldbedrag van totaal 250,- euro, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] te grijpen, - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] te trekken en\u002Fof te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, - de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] te trekken, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon van het merk Samsung en\u002Fof een geldbedrag van 250,- euro, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en\u002Fof te doen volgen van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] heeft gegrepen, - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken en\u002Fof heeft geduwd waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, - de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] heeft getrokken, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair:hij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] : - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam te trekken en\u002Fof te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd te slaan.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primaire ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat de verdachte slechts zijn eigen telefoon heeft teruggepakt toen de aangever weigerde het bij de verkoop afgesproken bedrag te betalen en ontkent daarbij geweld te hebben gebruikt. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit\n\nOp 4 april 2023 hadden de verdachte en de aangever met elkaar afgesproken in Rotterdam voor de verkoop van een telefoon. Daar zijn zij met elkaar in een worsteling geraakt. Dit blijkt uit de camerabeelden van de Albert Heijn, uit verklaringen van getuigen en uit de aangifte. De aangever heeft verklaard dat de verdachte tijdens deze worsteling de telefoon die verdachte aan hem zou verkopen, een deel van het bedrag (€ 250,00) dat de aangever daarvoor zou betalen en de eigen telefoon van de aangever heeft meegenomen. De getuigen verklaren niet over het wegnemen van goederen en is dit ook niet zichtbaar op de camerabeelden. De goederen zijn naderhand ook niet bij de verdachte aangetroffen. Daarmee vindt de verklaring van de aangever ten aanzien van de (poging tot) diefstal onvoldoende steun in het dossier. De rechtbank merkt in dit verband op dat de aangever bij zijn vordering tot schadevergoeding een andere toedracht schetst dan in zijn aangifte volgt en aangeeft dat hierbij naast de verdachte ook andere personen betrokken zouden zijn. Bij deze stand van zaken zal de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring meer subsidiaire ten laste gelegde feit en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte op 4 april 2023 [slachtoffer] heeft mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4. Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politieOp 4 april 2023 te Rotterdam voelde ik dat de man aan mij trok, waardoor ik mijn evenwicht verloof en op de grond viel. Er ontstond een soort gevecht tussen ons. Ik heb door de worsteling meerdere schrammen op mijn handen opgelopen. Ik heb ook mijn knie opengehaald. Ik kan u vertellen dat mijn beide knieën pijn doen. Ik heb ook pijn aan de achterzijde van mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Het slachtoffer verklaarde dat hij op 4 april 2023 een afspraak had gemaakt voor de aankoop van een telefoon op Facebook Marketplace met de aanbieder ' [schermnaam] '. Ben jij dat?\n\nA: Dat ben ik.\n\n3. Proces-verbaal van de politieIk zag toen dat die man die schreeuwde de andere man ene klap gaf en toen ontstond er een soort vechtpartij.\n\n4. Proces-verbaal van de politieOp afbeelding 6 is zichtbaar dat de verdachte zijn arm ineens uitstrekt in de richting van de aangever. Op afbeelding 7 is zichtbaar dat er een worsteling ontstaat tussen de aangever en de verdachte. Op afbeelding 8 is zichtbaar dat de verdachte in tegenovergestelde richting van de aangever wegrent.2.3.3.. Bewijsmotivering meer subsidiair ten laste gelegde feit\n\nHet staat vast dat er een ruzie is geweest en dat de verdachte daarbij geweld heeft gebruikt. Hij heeft aangever geslagen en tegen de grond geduwd. Het letsel van de aangever bestaat uit schrammen aan de handen en letsel aan de knie. Daarbij is ook zijn broek beschadigd. De verklaring van aangever, dat de verdachte hem met een telefoon op zijn achterhoofd heeft geslagen, vindt geen steun in het dossier. De verdachte zal daarom van dit gedeelte van de ten laste gelegde mishandeling partieel worden vrijgesproken.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 meer subsidiair\n\nhij op 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :\n\n- aan het lichaam te trekken of te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam,\n\n- tegen het lichaam te slaan.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 meer subsidiair: mishandeling\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het meer subsidiaire feit\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring een straf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, gelet op zijn slechte psychische conditie in de ten laste gelegde periode en de overschrijding van de redelijke termijn.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft de aangever op straat mishandeld door hem te duwen en te slaan en heeft hierdoor pijn en letsel bij hem veroorzaakt. Ook heeft hij maatschappelijke onrust veroorzaakt, omdat het incident overdag plaatsvond voor een supermarkt waar op dat moment meerdere mensen aanwezig waren die getuige waren van het incident.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 mei 2026 blijkt dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit. Echter heeft dit zich na het ten laste gelegde feit afgespeeld en kan dit daarom niet gelden als recidive. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit met psychische problemen kampte en voor deze psychische klachten werd behandeld in het kader van een zorgmachtiging.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 1 juli 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst is gehoord door de politie. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met deze termijnoverschrijding door aan de voorwaardelijk op te leggen taakstraf van na te noemen duur een verkorte proeftijd van één jaar te verbinden.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de aard en ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarom wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uur opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbaar feiten pleegt.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\nDe aangever [benadeelde partij] heeft als benadeelde partij voor het primair tenlastegelegde feit een bedrag van € 1.360,00 gevorderd als vergoeding voor materiële schade, een bedrag van € 20.500,00 voor immateriële schade en € 2.500,00 voor affectieschade van zijn zoon, die volgens de aangever veel last heeft gehad van hetgeen hem is overkomen. Hij heeft verzocht de toe te kennen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 euro aan materiële schade en € 75,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat hiervoor onvoldoende onderbouwing is gegeven.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak en omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, omdat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk pijn ondervonden en lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 100,00. Hierbij is rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, het verwijt dat de verdachte hierbij wordt gemaakt en de aard en ernst van het letsel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 100,00 moet betalen als vergoeding van immateriële schade De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek op dit punt een onevenredige belasting zou vormen van het strafgeding.5.4.3.. \n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 april 2023.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 20 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat de taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (ten aanzien van het meer subsidiaire feit), te betalen een bedrag van € 100,00, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 april 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;\n\ndit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor meer subsidiaire feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 100,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 april 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,\n\nen mrs. L. Stevens en A.M. Borel Rinkes, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n pagina 8 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n pagina 59 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n pagina 27 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n pagina 37 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7836","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:40.095Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1819","ECLI:NL:RBROT:2026:7839","ecli-nl-rbrot-2026-7839","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-062941-26\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfsplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.A. Chedie\n\nOfficier van justitie: mr. N. van der Meij\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam geschopt en zo geprobeerd haar zwaar te mishandelen. De verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag van zijn ex-partner en van de vernieling van haar auto.\n\nDe poging tot zware mishandeling is in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nAan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Hieraan worden bijzondere voorwaarden verbonden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er – samengevat – van dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen en dat hij de auto van die [slachtoffer] heeft beschadigd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte\n\n1. primair\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en\u002Fof geslagen\u002Fgestompt\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken, waardoor zij met haar hoofd tegen het portier bonkte en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] uit de auto te trekken en\u002Fof\n\n- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en\u002Fof buik en\u002Fof arm, althans het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en\u002Fof slaan\u002Fstompen;\n\n2.\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield en\u002Fof beschadigd.2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat feit 1 primair (poging tot doodslag) wordt bewezen verklaard en dat de verdachte van feit 2 (vernieling) wegens gebrek aan bewijs wordt vrijgesproken. Het standpunt van de officier van justitie zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 primair (poging tot doodslag), 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en 2 (vernieling). De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 subsidiair (mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nHet standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen (feit 1 impliciet subsidiair)\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van dit feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande nadere bewijsmotivering.\n\n1. Eigen waarneming van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft op zitting de camerabeelden bekeken van het in de tenlastelegging bedoelde incident. De beelden zijn van 1 maart 2026. Op de camerabeelden is te zien dat een man drie keer met zijn geschoeide voet in de richting van een vrouw schopt die op de grond ligt. Bij de derde schop raakt de man de linkerzijde van het hoofd van de vrouw. Die schop vindt plaats met kracht. De man brengt zijn been naar achteren, vervolgens met snelheid naar voren en raakt dan met zijn geschoeide voet de vrouw. Verder is te zien dat daaraan voorafgaande de man de vrouw uit een auto trekt en haar dan meermalen slaat of stompt.\n\n2. Verklaring van de verdachte\n\nOp 1 maart 2026 heb ik in Rotterdam mijn ex-partner [slachtoffer] twee à drie keer getrapt toen zij op de grond lag. Ik herken mijzelf op de op de zitting getoonde camerabeelden die daarvan zijn gemaakt als de persoon die bij de auto staat en schoppende bewegingen naar [slachtoffer] maakt.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer]\n\nOp 1 maart 2026 ging ik met de auto naar mijn ex-partner [verdachte] in Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] naar de auto toeliep. Ik was daarin op hem aan het wachten. Ik zat op de bestuurdersstoel met het raam op een kiertje. [verdachte] kwam en we kregen een discussie.\n\nHet portier ging open en we vielen beiden op straat. Elke keer als ik wilde opstaan voelde ik dat ik een schop van [verdachte] kreeg. Ik ben ook door [verdachte] met zijn vuist geslagen. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij sloeg en ook schopte op mijn hoofd, buik en arm. Ik voelde op dat moment stekende, brandende pijn aan de plekken waar hij sloeg en schopte. Ik kan de hand van mijn linkerarm bijna niet meer bewegen.\n\n4. Deskundigenverslag\n\nMedische informatie betreffende mevr. [slachtoffer] .\n\nInformatie ontvangen van chirurg [ziekenhuis] over beoordeling aldaar op 1 maart 2026.\n\nObjectieve bevindingen: Buil op de linkerzijde van het hoofd. Bloeduitstorting op bovenarm links.2.3.2.. \n\nNadere bewijsmotivering\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] tegen haar lichaam heeft geslagen of gestompt en voorts dat hij drie keer met zijn voet in de richting van [slachtoffer] heeft getrapt, terwijl zij op de grond lag. Bij de derde trap is [slachtoffer] op de zijkant van haar hoofd geraakt. [slachtoffer] heeft ook letsel aan de linkerzijde van haar hoofd opgelopen.\n\nDoor zo te handelen bestond naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar letsel zou oplopen. Het hoofd is immers een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, met name de linkerzijde van het hoofd waar zich de linkerslaap bevindt. De verdachte heeft door dit te doen, gelet ook op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, die aanmerkelijke kans welbewust aanvaard. Er is daarom sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .\n\nDe impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wordt daarom bewezen verklaard.\n\nNiet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans was dat door het schoppen door verdachte de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zou overlijden. Van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag wordt de verdachte daarom vrijgesproken.2.3.3.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 impliciet subsidiair\n\nde verdachte op 1 maart 2026 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen\u002F gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.2.3.4.. \n\nVrijspraak feit 2 (vernieling)\n\nFeit 2 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 impliciet subsidiair\n\npoging tot zware mishandeling.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor feit 1 primair (poging tot doodslag) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nOmdat uitsluitend feit 1 subsidiair (mishandeling) kan worden bewezen is een straf moeten gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zijn ex-partner tijdens een ruzie over het ophalen van hun kind op straat tegen het lichaam geslagen of gestompt. Tevens heeft hij haar, toen zij op de grond lag tegen haar hoofd en lichaam geschopt. Met name het schoppen tegen het hoofd is zeer gevaarlijk. Dit is een ernstig feit waardoor het slachtoffer zwaar gewond had kunnen raken. Er mag van geluk gesproken worden dat het letsel relatief meeviel. De verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer pijn gedaan en haar letsel bezorgd en aldus inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het moet voor haar ook een beangstigende ervaring zijn geweest. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.\n\nDe verdachte was – naar zijn zeggen – heel erg boos op zijn ex-partner omdat zij hun dochtertje eerder kwam ophalen dan was afgesproken. Hij twijfelde al langere tijd aan het vaderschap van zijn dochtertje en er was de dagen daarna een DNA-onderzoek bij de huisarts gepland. Zijn ex-partner kwam het dochtertje echter ineens eerder ophalen waardoor dat onderzoek niet mogelijk zou zijn. Eerder was het daar ook al niet van gekomen.\n\nWat daarvan ook zij, de wijze waarop de verdachte hierop heeft gereageerd is disproportioneel.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze feiten zijn echter langer dan vijf jaar geleden gepleegd. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapporten van psycholoog en de reclassering\n\nIn het NIFP-rapport van psycholoog drs. V.T.G. Arntsvan 22 mei 2026 staat het volgende.\n\nBij de verdachte is sprake van zwakbegaafdheid\u002Feen verstandelijke beperking, mogelijk ADHD en antisociale persoonlijkheidskenmerken. Deze stoornissen hebben een aantal forensisch relevante (gemeenschappelijke) kenmerken die van toepassing zijn voor de verdachte, namelijk problemen met het overzien van complexe situaties, moeite met het oplossen van complexere problemen, een tekortschietende emotie- en agressieregulatie, moeite met het overzien van de gevolgen van gemaakte keuzes en eigen gedrag en gevoeligheid voor stress en ervaren druk. Bij oplopende spanningen en stress kan daardoor sprake zijn van impulsiviteit en agressiedoorbraken. Deze stoornissen zijn langdurig en pervasief van aard en waren aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Het oplopen van spanningen in deze complexe en emotionele situatie en het escaleren van de situatie in een woededoorbraak en agressie is te verklaren door de aanwezige stoornissen. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, adviseert de psycholoog om deze feiten in een verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog schat in dat het risico op acuut geweld laag tot matig is. Het risico op gewelddadig gedrag en letsel op langere termijn is matig -hoog.\n\nGeadviseerd wordt om de verdachte aan te melden bij een forensisch FACT-team waar ruimte is om in eerste instantie laagdrempelig in te zetten en aan te sluiten bij de hulpvragen die de verdachte momenteel vooral heeft op praktisch gebied. Ondersteuning bij het regelen van zijn financiële zaken is van belang, evenals mogelijk toekomstig afspraken en regelzaken omtrent een vaderschapstest en omgangsregeling met zijn dochter. Een behandeling\u002Finterventie gericht op het (anders) leren reguleren van emoties en het omgaan met boosheid is geïndiceerd. Tot slot is het ondersteunen van passende dagbesteding en werk van belang.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederlandvan 9 juni 2026 staat het volgende.\n\nEr zijn problemen op de leefgebieden ‘Relatie partner, gezin en familie’ en (mogelijk) ‘psychosociaal functioneren’. De reclassering verwijst hierbij naar het NIFP-rapport van 22 mei 2026. De verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding.\n\nSinds drie jaar wordt de verdachte begeleid vanuit [zorginstelling] . Hij heeft zich hiervoor zelf\n\naangemeld. Hij wordt hier onder andere geholpen bij het regelen van zijn financiën en het zoeken naar werk. De verdachte wil na zijn detentie deze begeleiding graag voortzetten.\n\nBij een veroordeling wordt geadviseerd de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding. De verdachte is bereid mee te werken aan de bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de gedragsinterventie.\n\nOp basis van het rapport van de psycholoog drs. V.T.G. Arnts, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit zodanig beïnvloedde dat het feit de verdachte in verminderde mate wordt toegerekend.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Voor een zware mishandeling door middel van één of meer schoppen\u002Ftrappen tegen het hoofd geldt een uitgangspunt van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval wordt strafverminderend meegewogen dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend en sprake is van beperkt letsel. Als strafverzwarend wordt meegewogen dat het feit op klaarlichte dag op straat is gepleegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\n Aan de voorwaardelijke straf worden de bijzondere voorwaarden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding.\n\nDe rechtbank ziet geen reden af te zien van het opleggen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden. De verdachte heeft verklaard dat hij in het verleden al vaak dit type trainingen heeft gehad en ziet daarom de noodzaak daarvan niet in. Nu het echter opnieuw tot een geweldsincident is gekomen vindt de rechtbank die gedragsinterventie wel nodig.5. Voorlopige hechtenis\n\nHet bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf.6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 1.929,95 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 651,- als vergoeding voor materiële schade (€ 385,- aan eigen risico ziektekostenverzekering en € 266,- aan gemist inkomen). Ten aanzien van de immateriële schade wordt de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De toegewezen schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en vrijspraak is verzocht voor feit 2.6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade komt enkel het gevorderde eigen risico van € 385,- voor toewijzing in aanmerking. De overige posten dienen te worden afgewezen, aangezien deze onvoldoende zijn onderbouwd en de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2.\n\nDe immateriële schade is niet onderbouwd, maar gelet op het dossier kan wel schade worden vastgesteld. Dit deel van de vordering dient te worden gematigd tot € 250,-.6.4.. Oordeel van de rechtbank6.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen strafbare feit. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de kosten van het eigen risico niet betwist. De vordering komt in zoverre ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor het bedrag van € 385,- toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 385,- als vergoeding voor materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het onderdeel van de vordering dat ziet op de reparatie van de schade aan de auto, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 2 (de beschadiging van die auto). Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nHet deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de oorbellen en het gemiste inkomen, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.6.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.\n\nDie schade wordt naar billijkheid begroot op € 750,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 750,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.6.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 maart 2026.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nOm de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partij te vergemakkelijken, legt de rechtbank voor het schadebedrag (totaal: € 1.135,-) de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.\n\nAls dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 impliciet subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat twee maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, gevestigd aan de Marconistraat 2 te Rotterdam;\n\n2. de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Emotieregulatie is een indirect en soms direct onderdeel van de CoVa-training;\n\n3. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur, zo nodig met hulp van een daartoe aangewezen organisatie, dit ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;\n\n4. de verdachte meewerkt aan ambulante begeleiding voor hulp bij praktische zaken door [zorginstelling] of door het FACT, ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat:\n\nde verdachte meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nde verdachte meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.135,-, bestaande uit € 385,- als vergoeding van materiële schade en € 750,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1 impliciet subsidiair); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 impliciet subsidiair de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 1.135,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. H. Wielhouwer, voorzitter,\n\nen mrs. L. Feraaune en mr. M.K. Asscheman-Versluis, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nMr. H. Wielhouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] .\n\n Waargenomen tijdens de zitting van 12 juni 2026.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 12 juni 2026.\n\n Pagina’s 5 tot en met 13.\n\n FARR-verklaring, d.d. 4 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7839","2026-07-13T00:29:40.318Z",1,20]