[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-administrative-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":114},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},97,"administrative-law-nl","Administrative Law","NL","2026-07-08T16:56:40.686Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},10,{"min":18,"max":19},"2022-02-15T00:00:00.000Z","2026-06-04T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122044","Wet op de jeugdzorg","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123708","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 41",[31,41,50,58,65,73,82,91,99,107],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1011","ECLI:NL:RBOBR:2026:3855","ecli-nl-rbobr-2026-3855","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F586\n uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. V. Wösten),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college\n\n(gemachtigde: [naam] ).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam], uit [plaats] .\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank voor de tweede keer dat het college de afwijzing van een verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de varkenshouderij van de derde-partij onvoldoende heeft onderbouwd. Deze uitspraak is daarmee helaas een herhaling van zetten in de zoektocht naar een oplossing voor het probleem van de PAS-melders, een probleem dat zeven jaar geleden is ontstaan en dat de bestuursrechter niet kan oplossen. De rechtbank geeft de terugkoppeling aan de wetgever dat het de hoogste tijd is om gevolg te geven aan de verplichting op basis van artikel 22.21 van de Omgevingswet en zorg te dragen voor een betekenisvol programma met kans van slagen om de problematiek van de PAS-melders op te lossen. De rechtbank roept partijen op om in overleg te treden om zelf in dit geval een regeling te treffen.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 24 augustus 2021 het college verzocht om handhavend op te treden wegens het handelen in strijd met artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming. Het college heeft dit verzoek afgewezen in het besluit van 26 november 2021.\n\n2.1.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, dat het college met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter behandeling als beroep aan de rechtbank heeft doorgezonden. In de uitspraak van 16 februari 2022heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 november 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is onherroepelijk.\n\n2.2.. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 20 januari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen (het bestreden besluit), waarbij het college het bezwaar ongegrond heeft verklaard en het afwijzingsbesluit onder aanpassing van de motivering in stand heeft gelaten.\n\n2.3.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Namens de derde-partij zijn verschenen [naam] en [naam] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeiten\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nDe derde-partij exploiteert een varkenshouderij aan [adres] te [woonplaats] . Het bedrijf ligt in de nabijheid van verschillende Natura 2000-gebieden waaronder het Natura 2000-gebied [naam] .\n\nHet bedrijf beschikt over een revisievergunning van 7 oktober 2014 voor meerdere stallen met een totale ammoniakemissie van 3.208,42 kg NH3\u002Fjr. Hierbij zijn ook verklaringen van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven door het college en door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg. Op 15 februari 2016 heeft het bedrijf een melding op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ingediend. Dit hield verband met het (in afwijking van de eerdere revisievergunning) volledig traditioneel huisvesten van 1.706 biggen. Dit resulteert in een totale emissie van 3.856,42 kg NH3\u002Fjr. Het college heeft deze melding geaccepteerd, omdat de stikstofdepositie onder de toen geldende wettelijke grenswaarde (1 mol\u002Fha\u002Fjr) bleef. Op 29 november 2016 is hiervoor ook een omgevingsvergunning verleend.\n\nOp 29 mei 2019 verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) onverbindend, omdat het PAS niet voldeed aan de eisen in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (richtlijn 92\u002F43\u002FEEG). Dat betekende dat voor activiteiten die waren gemeld onder die regeling alsnog een vergunning op basis van de Wnb (de natuurvergunning) nodig was. Zo ook voor het bedrijf van de derde-partij.\n\nOp 22 april 2021 heeft het bedrijf bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een verzoek tot legalisatie ingediend.\n\nOp 24 augustus 2021 heeft eiseres het college verzocht handhavend op te treden tegen 50 bedrijvenlocaties, waaronder het bedrijf van de derde-partij. Naar aanleiding hiervan heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant op 22 november 2021 een controle uitgevoerd. Ook op 24 juli 2024 heeft de Omgevingsdienst een controle bij het bedrijf van de derde-partij uitgevoerd.\n\nBeoordeling beroepsgronden\n\n4. Eiseres stelt vast dat door de gewijzigde uitvoering van stal 1 sprake is van een toename van ammoniakemissies zonder de daarvoor benodigde natuurvergunning. De PAS-melding die is gedaan in verband met de gewijzigde uitvoering van de stal heeft geen betekenis meer. Dus is sprake van een overtreding van artikel 2.7 van de Wnb. De staat van instandhouding in het Natura 2000-gebied [naam] is slecht met een zeer forse overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) bij het natuurtype “Herstellend hoogveen”. Er is geen concreet zicht op legalisatie. Dit kan niet worden gevonden in het legalisatieprogramma voor PAS melders. Het college heeft de cumulatieve effecten niet onderzocht.\n\n4.1.. Onder verwijzing naar drie uitspraken van de Afdeling van 28 februari 2024maakt het college in het bestreden besluit een belangenafweging tussen het bedrijfsbelang van de PAS-melder en het natuurbelang. Omdat de depositie volgens het college gering is en zich tijdelijk voordoet, namelijk tot maximaal medio 2025 (wanneer het bedrijf in aanmerking zou moeten komen voor een legalisatietraject wat betreft de natuurvergunning), weegt het college het bedrijfsbelang van de derde-partij zwaarder. Het college kwantificeert dit met een berekening van de periode waarin het instandhoudingsdoel in 2030 is bereikt conform de doelstelling in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) als deze tijdelijke emissie niet plaatsvindt. Het college berekent een tijdswinst van minder dan 1 uur in 2030 bij handhavend optreden.\n\n4.2.. De derde-partij vraagt aandacht voor haar kant van het verhaal. Zij heeft destijds gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheden en niet geïnvesteerd in een stalsysteem omdat zij een PAS-melding kon doen. Nu voelt ze zich daar achteraf voor bestraft. Ze staat met de rug tegen de muur, want het bedrijf kan niet zomaar minder biggen gaan houden. Het achteraf aanbrengen van het stalsysteem is veel duurder en bovendien in strijd met de Omgevingsverordening Noord-Brabant waarin bij nieuwbouw andere emissiearme stalsystemen worden voorgeschreven. Zij wil (mede vanuit dierenwelzijn) investeren in een nieuwe stal, maar heeft daarvoor een nieuwe natuurvergunning nodig en het college verleent nu geen natuurvergunningen. Zij verkeert sinds 2019 in onzekerheid en ze wil een stip aan de horizon om naartoe te werken.\n\n4.3.. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraken van 28 februari 2024 uiteengezet dat er ruimte kan bestaan om tijdelijk af te zien van handhavend optreden tegen PAS-melders, mits het college kan motiveren dat er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en het natuurbelang. Over de eisen die aan deze motivering worden gesteld overwoog de Afdeling onder 1.6 van deze uitspraken: “De Afdeling ziet echter in (1) de individuele belangen van de PAS-melders, (2) de rechtszekerheid die PAS-melders aan het PAS-regime mochten ontlenen, (3) de verschillende uitlatingen van de overheid na de PAS-uitspraak dat PAS-melders zullen worden gelegaliseerd, (4) het legalisatieprogramma dat ervan uitgaat dat medio 2025 alle PAS-melders een natuurvergunning kunnen aanvragen, en (5) het feit dat het legalisatieprogramma in uitvoering is en de bedrijven daarin de mogelijke stappen hebben ondernomen, bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding kunnen zijn om handhavend optreden onevenredig te achten in verhouding tot het natuurbelang en tot medio 2025 af te zien van handhavend optreden. Of daadwerkelijk kan worden afgezien van handhavend optreden, kan het college echter pas beoordelen nadat het de vraag heeft beantwoord of er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en de belangen die worden gediend met handhavend optreden (het natuurbelang). Hiervoor is nodig dat de gevolgen van het niet handhavend optreden voor de natuur in beeld zijn en zijn afgewogen voor tenminste dezelfde periode, dus tot uiterlijk medio 2025. Aan het natuurbelang kan in die afweging tegemoet worden gekomen door het treffen van maatregelen. Als daarvoor wordt gekozen dan moeten die maatregelen ten minste gelden tot medio 2025. Wanneer die maatregelen inhouden dat bepaalde activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken stoppen, moet vaststaan dat in die periode de activiteiten die zijn betrokken in de maatregelen, niet kunnen worden hervat.”\n\n4.4.. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van de derde-partij in werking is in afwijking van de omgevingsvergunning uit 2014 en dat het bedrijf in overtreding was van artikel 2.7 van de Wnb (thans artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet).\n\n4.5.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit de individuele belangen van de derde-partij niet in kaart zijn gebracht. Dit had het college wel moeten doen. Daarnaast is in het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de staat van instandhouding van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De waardering van dit belang vergt meer dan een abstracte berekening van de tijdswinst die kan worden geboekt met handhavend optreden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in rechtsoverweging 9.3 van de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024.\n\nBovendien is het bestreden besluit gebaseerd op de veronderstelling dat medio 2025 sprake zal zijn van een concreet zicht op legalisatie. Eisers hebben dit terecht in twijfel getrokken want dat concreet zicht op legalisatie was er niet medio 2025. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde hetzelfde in rechtsoverweging 3.2.3.8 van het arrest van 17 februari 2026: “Op grond van voormeld artikel is op 28 februari 2022 het Legalisatieprogramma PAS-meldingen vastgesteld. [X B.V] heeft een aanvraag tot legalisatie gedaan. Na afloop van de periode van 3 jaar, op 28 februari 2025, heeft dit programma voor veel PAS-melders, waaronder [X B.V], niet tot legalisatie van hun activiteiten (projecten) geleid omdat er te weinig stikstofruimte beschikbaar was om de activiteiten van alle PAS-melders te legaliseren als bedoeld in artikel 22.21. Ow.”Het bestreden besluit is om deze drie redenen onvoldoende gemotiveerd.\n\n5. Eiseres stelt dat de feitelijke werking van de luchtwassers in de overige stallen ten onrechte niet is gecontroleerd.\n\n5.1.. \n\nIn het handhavingsverzoek is verzocht om op te treden tegen het in werking zijn van het bedrijf zonder natuurvergunning. Er is niet verzocht om op te treden tegen het in werking zijn van het bedrijf in afwijking van de revisievergunning uit 2014 met de bijbehorende verklaringen van geen bedenkingen. Anders dan eiseres stelt, valt dit ook niet in het handhavingsverzoek te lezen. In de uitspraak van 16 februari 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in het verzoek van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om de werking van de combiluchtwassers te controleren. Eiseres heeft tegen dit onderdeel van de uitspraak geen hoger beroep ingesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit oordeel terug te komen. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.\n\n6.1.. Desgevraagd heeft de derde-partij ter zitting toegelicht welke aanpassingen moeten worden gedaan aan het bedrijf om in werking te zijn conform de omgevingsvergunning van 2014. Het aanbrengen van het daarin genoemde systeem in stal 1 (mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem, stalsysteem BWL 2006.07.V1) vergt een aanzienlijke investering en is bovendien in afwijking van artikel 3.99 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, omdat dit systeem niet wordt genoemd in bijlage VI. Het college heeft echter niet kunnen aangeven welke betekenis wordt gehecht aan dit belang.\n\n6.2.. De rechtbank gaat ervan uit dat het college het natuurbelang en de staat van instandhouding van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zoals die worden beschreven in de verschillende natuurdoelanalyses en adviezen van de Ecologische Autoriteit en de daaruit voortvloeiende noodzaak om herstelmaatregelen te treffen, onderschrijft. De slechte staat van diverse Natura 2000-gebieden is in meerdere uitspraken van deze rechtbank vastgesteld.Het college heeft niet kunnen aangeven welke betekenis wordt gehecht aan dit belang.\n\n6.3.. Op basis van artikel 22.21 van de Omgevingswet is de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gehouden om, uit een oogpunt van rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies, zorg te dragen voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Bnb, zoals dat luidde op 28 mei 2019. Hiervoor dient de Minister vóór 1 mei 2026 een programma vast te stellen met maatregelen om de in het eerste lid bedoelde projecten te legaliseren. Het programma bevat primair gerichte maatregelen voor het verminderen van stikstofemissie. De in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd vóór 1 maart 2028. Het college heeft ter zitting gewezen op een conceptprogramma dat op 17 april 2026 ter consultatie ter inzage is gelegd. Verder heeft het college bevestigd dat de verplichting in artikel 22.21 van de Omgevingswet in combinatie met het programma niet zou leiden tot een ander besluit dan het bestreden besluit. Gelet op de korte termijn voor de zitting hebben partijen hier niet op kunnen reageren. Bovendien is het geen definitief programma en worden er slechts algemene oplossingsrichtingen in voorgesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding het conceptprogramma te betrekken bij deze procedure.\n\n6.4.. De rechtbank ziet in de hierboven genoemde omstandigheden geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of het college in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Er is ook overigens geen enkele aanleiding voor het bieden van een ruime hersteltermijn of een handhavingsmoratorium als in de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024.De rechtbank ziet nu geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het college krijgt nogmaals de opdracht om een nieuw (inmiddels derde) besluit te nemen op het verzoek van eiseres. Het is inmiddels bijna 7 jaar geleden dat artikel 2.12 van het Bnb onverbindend werd verklaard. De rechtbank draagt het college op dit besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak. De rechtbank gaat ervan uit dat dit het laatste besluit zal zijn.\n\n6.5.. Deze uitspraak is een herhaling van zetten. Partijen en de natuur komen hiermee niet dichterbij een oplossing en er komt geen stip op de horizon. Deze uitspraak verschilt daarmee niet met uitspraken van andere rechtbanken.De rechtbank geeft de terugkoppeling aan de wetgever dat het de hoogste tijd is om gevolg te geven aan artikel 22.21 van de Omgevingswet en zorg te dragen voor een betekenisvol programma met kans van slagen.\n\n6.6.. De rechtbank roept partijen wel op om met elkaar in overleg te gaan over een oplossing in deze zaak. Ten behoeve van dit overleg geeft de rechtbank partijen het volgende mee voor het overleg over hun rechtspositie en opstelling bij dit overleg.\n\nIn intrekkingszaken, waaronder de eerdergenoemde uitspraak van 16 april 2025, heeft de rechtbank overwogen dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet absoluut is maar wordt beperkt door artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.. De rechtbank is bovendien bekend met het feit dat eiseres in andere zaken zich bereid heeft verklaard om water bij de wijn te doen als er maar maatregelen worden genomen. Dit is onder meer het geval in de zaak SHE 25\u002F579 waar vandaag om die reden een tussenuitspraak wordt gedaan. Overleg kan een snellere route zijn naar het door eiseres gewenste natuurherstel.\n\nIn navolging van rechtsoverweging 3.20 van het eerdergenoemde arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wijst de rechtbank de derde-partij erop dat de vrijheid van ondernemerschap en het recht op ongestoord genot van eigendom niet onbeperkt zijn, maar worden beperkt door artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Van de derde-partij mag dus enige inspanning worden verwacht, zeker nu de wetgever en de rechtspraak geen aanleiding hebben gezien voor een generaal pardon voor PAS-melders.\n\nHet college heeft er terecht op gewezen dat het aan de landelijke wetgever is om stappen te maken in dit traject, maar de provincie Noord-Brabant heeft ook strenge eisen gesteld aan de stalsystemen van nieuwe stallen in artikel 3.99 van de Omgevingsverordening. Dit beperkt de derde-partij bij het renoveren van stal 1. Het college is wel het bevoegd gezag bij de verlening van de (eventueel) noodzakelijke natuurvergunning ter legalisatie.\n\n6.7.. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, moet het college de door eiseres betaalde griffierechten vergoeden. Zij krijgt ook een vergoeding van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op een nieuw besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:670\n\n ECLI:NL:RVS:2024:844, ECLI:NL:RVS:2024:852 en ECLI:NL:RVS:2024:838\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2051\n\n ECLI:NL:GHSHE:2026:364\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2327\n\n ECLI:NL:RVS:2022:4923\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:1141)","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3855","2026-06-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.941Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":39,"updatedAt":49},"1010","ECLI:NL:RBOBR:2026:3621","ecli-nl-rbobr-2026-3621","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 25\u002F3318 OWHAND SHE 25\u002F3647 OWHAND\n uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college\n\n(gemachtigden: P. Hoefnagels, R. Adriaens en P. Thijssen).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over drie aan eiseres opgelegde lasten onder dwangsom in verband met overtredingen van haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De uitspraak gaat ook over de invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 1.000.000,- wegens overtreding van de eerste last. Eiseres is het niet met deze besluiten eens en heeft daarom beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank komt tot het oordeel dat de drie lasten onder dwangsom rechtmatig zijn. De herstelmaatregelen zijn bij de derde last echter te dwingend geformuleerd. De rechtbank vernietigt dat onderdeel van het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand omdat inmiddels duidelijk is dat het eiseres vrij staat om een keuze te maken voor herstelmaatregelen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ongegrond.\n\nOnder 1. staat het procesverloop. Onder 2. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling van de lasten onder dwangsom staat onder 3. tot en met 5. Onder 6. staat de beoordeling van het invorderingsbesluit. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college aan eiseres drie lasten onder dwangsom opgelegd voor haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] , te weten: I. Partijen shredderresidu. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t\u002Fm c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door alle partijen shredderresidu die ten tijde van dit besluit nog aanwezig zijn (ca. 5.700 ton) volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar\u002Fverwerker. Wanneer na 14 mei 2025 wordt geconstateerd dat er nog shredderresidu op het terrein van het bedrijf van eiseres aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,-.\n\nII. Bodemlozing bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater langs het bedrijf nabij de N279. Eiseres dient een herhaling van overtreding van artikel 2.11, eerste lid, a t\u002Fm c van het Bal te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door de partij shredderresidu die nu tegen de ommuring ligt en natgehouden werd, zodanig ver van de muur af te halen dat water dat uit de partij shredderresidu vrijkomt niet meer door de ommuring in de bodem loopt. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater van het terrein door de ommuring van het bedrijf in de bodem uitspoelt, wordt een dwangsom verbeurd van € 15.000,- per etmaal waarop een herhaling van de overtreding wordt vastgesteld tot een maximum te verbeuren bedrag van € 60.000,-.\n\nIII. Afvoeren van afvalwater anders dan via het gemeentelijk riool. Eiseres dient herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij doen door bijvoorbeeld bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert met een maximum te verbeuren dwangsom van € 300.000,-.\n\nEiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra zij heeft aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater daaraan niet in de weg staat. Daarvoor zal tenminste nodig zijn dat de partijen shredderresidu volledig weg zijn. Het college laat zich adviseren door het waterschap om te bepalen of de afvalwaterkwaliteit acceptabel is.1.1.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.1.2.. Bij brief van 13 mei 2025 heeft eiseres het college verzocht om de begunstigingstermijn van de last onder I op te schorten dan wel te verlengen omdat zij niet in staat is om voor het aflopen van de begunstigingstermijn al het shredderresidu af te voeren.1.3.. Bij uitspraak van 2 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen.\n\n1.4.. \n\nMet het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college last II ongewijzigd gehandhaafd. Het college heeft de lasten I en III als volgt aangepast: I. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t\u002Fm c van het Bal te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan bijvoorbeeld door alle partijen shredderresidu die ten tijde van het besluit in primo aanwezig waren, volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar\u002Fverwerker. Het college verwijst hierbij ook naar het plan van aanpak dat is verstrekt op 7 februari 2025, waarbij ook een plattegrond is meegestuurd waarop de partijen shredderresidu zijn weergegeven. Het college gaat ervan uit dat op het moment van verzenden van het besluit in primo nog ca. 5.700 ton shredderresidu af te voeren valt. Het college gaat er daarnaast van uit dat 1.000 ton per week afvoeren mogelijk is. Wanneer het college na 23 juli 2025 overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van het Bal constateert en er in zoverre nog shredderresidu als hiervoor bedoeld op het terrein van het bedrijf aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,- (4 dwangsommen). De opslag van nieuwe partijen shredderresidu die na 2 juli 2025 binnenkomen, is toegestaan mits deze afzonderlijk worden opgeslagen, niet worden vermengd met andere partijen en overeenkomstig de omgevingsvergunning worden geregistreerd. Als dit laatste niet gebeurt, dan wordt het shredderresidu geacht deel uit te maken van de partij shredderresidu die er vóór 3 juli 2025 lag en waar de last op ziet. De bewijslast hiervoor ligt bij eiseres.\n\nIII. Eiseres dient overtreding van voorschrift 3.1.1 van haar omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer het college na 9 april 2025 constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,- (6 dwangsommen). Eiseres mag weer afvalwater op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen, is gereinigd. Wanneer eiseres er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres hebben medegedeeld dat hij met de getroffen maatregelen instemt. Verder heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 23 juli 2025.\n\n1.5.. Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft het college besloten de wegens overtreding van last I verbeurde dwangsommen, ten bedrage van € 1.000.000,- in te vorderen (het invorderingsbesluit).\n\n1.6.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 21 oktober 2025. Dit beroep is geregistreerd als SHE 25\u002F3318.\n\n1.7.. Het college heeft het door eiseres tegen het invorderingsbesluit ingediende bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgezonden aan de rechtbank. Omdat het beroep tegen de lasten onder dwangsom van rechtswege ook wordt aangemerkt als beroep tegen het invorderingsbesluit, beschouwt de rechtbank het door het college doorgezonden bezwaarschrift tegen het invorderingsbesluit als aanvullend beroepschrift. Dit is bij de rechtbank geregistreerd als SHE 25\u002F3647.1.8.. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om het invorderingsbesluit te schorsen. Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het invorderingsbesluit bij wijze van ordemaatregel geschorst. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat partijen worden uitgenodigd op een nader te bepalen zitting om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.1.9.. Het college heeft op het beroep van eiseres en op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.10.. Eiseres heeft op 19 en 26 februari 2026 nadere stukken ingediend.1.11. De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (voor eiseres) en [naam] (voor eiseres) en de gemachtigden van het college. De zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden. Op verzoek van eiseres heeft de rechtbank de deuren alleen gesloten voor de behandeling van gegevens over de financiële positie van het bedrijf.\n\n Feiten en omstandigheden\n\n2. Eiseres exploiteert aan de [adres] in [vestigingsplaats] een bedrijf dat handelt in metaal, afkomstig van metaalschroot dat ter plaatse wordt opgeslagen en verwerkt. Op het buitenterrein wordt onder meer shredderresidu afkomstig uit metaalrecycling opgeslagen. Het bedrijf ligt op een bedrijventerrein en wordt begrensd door de spoorlijn [vestigingsplaats] aan de zuidzijde, de provinciale wegen [nummer] aan de noordzijde en de [nummer] aan de westzijde en een bedrijfshal voor logistieke doeleinden aan de oostzijde.2.1.. Het college heeft voor de gehele inrichting van eiseres op 8 juni 2021 een (revisie) omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is aan te merken als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van de Omgevingswet.2.2.. Er zijn meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (de ODZOB).\n\nOp 23 oktober 2024 heeft een toezichthouder een sterke chemische (plastic)geur ter hoogte van het bedrijf van eiseres waargenomen.\n\nOp 20 november 2024 is vastgesteld dat onder meer aan de voet van het grote depot met shredderresidu, aan de noord- en noordoostzijde, sprake is geweest van brand. Deze brand is door eiseres zelf gedoofd door het met een shovel uit de opslag weg te nemen.\n\nIn een brief van 14 januari 2025 heeft het college eiseres medegedeeld dat de ODZOB tijdens op 8 en 20 november 2024 gehouden controles heeft vastgesteld dat op het terrein van het bedrijf van eiseres shredderresidu (circa 40.000 m3) werd opgeslagen waarin een brandonveilige situatie als gevolg van broei is ontstaan. Hierbij is onder meer vastgesteld dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein wordt overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende worden gescheiden en gescheiden bewaard.\n\nOp 31 januari 2025 is na een melding van geuroverlast door een toezichthouder broei in afvalbergen van het bedrijf geconstateerd.\n\nOp 7 februari 2025 heeft eiseres op verzoek van de ODZOB een afvoerplan voor het shredderresidu aangeleverd. Op 24 februari 2025 is eiseres gestart met afvoeren.\n\nOp 14 februari 2025 heeft een periodieke controle ter plaatse door een toezichthouder plaatsgevonden. Er zijn sporen van brand en broei geconstateerd (locatie B). In het gesprek tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] is, in gezamenlijkheid, de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.2.3.. Bij brief van 21 februari 2025 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom om herhaling te voorkomen van overtreding van artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet en (1) voorschrift 2.2.1 van de omgevingsvergunning door het verspreid raken van foliesnippers buiten het terrein van het bedrijf, (2.) voorschrift 8.1.1 van de omgevingsvergunning door het veroorzaken van geur buiten de grenzen van het bedrijf door het opslaan van shredderresidu. Eiseres heeft een zienswijze ingediend tegen dit voornemen.\n\n2.4.. Hierna zijn opnieuw meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de ODZOB.\n\nOp 14 en 15 maart 2025 heeft een controle door een toezichthouder plaatsgevonden. Op deze data hebben zich twee branden voorgedaan in een partij shredderresidu op het terrein van het bedrijf (locatie B).\n\nBij e-mail van 21 maart 2025 heeft eiseres melding gedaan van de ongewone voorvallen. Zij heeft hierbij aangegeven dat de partij waar tweemaal brand is geweest, preventief wordt natgehouden. Ook heeft eiseres aangegeven dat 1.000 ton materiaal per week zal worden afgevoerd naar erkende afvalverwerkers en dat zal worden gestreefd naar 1.250 ton per week.\n\nOp 19, 22 en 23 maart 2025 hebben opnieuw controles plaatsgevonden. Omdat hierbij is geconstateerd dat het afvloeiende, mogelijk ernstig verontreinigde, blus- en koelwater richting de nabijgelegen rioolput stroomde, heeft de toezichthouder eiseres gesommeerd het lozen op het gemeentelijk riool te staken totdat de waterkwaliteit is onderzocht en het waterschap akkoord geeft voor hervatting.\n\nOp 24 maart 2025 heeft een toezichthouder bij een schouw aan de buitenzijde van het terrein geconstateerd dat langs de afscheidingsmuur ter hoogte van depot B een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater onbeschermd in de bodem is geïnfiltreerd. Het betreft met name koel- en bluswater. Het bedrijf heeft geen maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Er zijn ook monsters genomen van het afvalwater.2.5.. Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft het waterschap Aa en Maas de ODZOB meegedeeld dat het betreffende afvalwater giftig is voor het bacteriële zuiveringsproces van de RWZI. Dat blijkt uit de uitslagen van de genomen monsters. Het waterschap deelt mee dat het afvalwater van eiseres niet kan worden ontvangen.\n\n2.6.. Bij het besluit van 2 april 2025 (het dwangsombesluit) heeft het college de drie lasten onder dwangsom aan eiseres opgelegd.\n\n2.7.. Op 12 mei 2025 heeft het college eiseres op haar verzoek een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het plaatsen van een nieuwe zeefinstallatie. Het college heeft met dit besluit ook enkele voorschriften (2.2.1, 7.2.1 en 7.2.2) van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 ambtshalve gewijzigd en voorschriften toegevoegd met betrekking tot het voldoen aan de BBT-conclusies voor afvalbehandeling met betrekking tot het aspect milieubeheersysteem en geluid.\n\n2.8.. \n\nBij e-mail van 16 mei 2025 heeft eiseres het college meegedeeld dat zij na 15 april 2025 de volgende acties heeft uitgevoerd:\n\n• het reinigen en leegpompen van haar bedrijfsriolering waar bluswater in aanwezig was;\n\n• het afvoeren van dit afvalwater naar een erkend verwerker;\n\n• het laten uitvoeren van de monstername (24 april 2025) en de analyse van het water in het bedrijfsriool na leegpompen\u002Freiniging na een regenbui.\n\nEiseres vraagt het college in deze e-mail om het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool te mogen hervatten.\n\n2.9.. Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft de ODZOB eiseres laten weten dat nog niet kan worden ingestemd met het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool.\n\n2.10.. Bij brief van 11 juli 2025 heeft het college eiseres, conform het advies van het waterschap Aa en Maas meegedeeld dat zij lozing van afvalwater op het riool mag hervatten zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het riool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het was opgeslagen is gereinigd. Wanneer eiseres ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres meegedeeld hebben dat het met de getroffen maatregelen instemt. Het college houdt er onverkort aan vast dat het shredderresidu op 23 juli 2025 moet zijn afgevoerd.\n\n2.11.. Na afloop van de voor last I gestelde begunstigingstermijn heeft het college op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles laten verrichten. Hierbij is telkens geconstateerd dat niet werd voldaan aan last I. Dit heeft geleid tot het invorderingsbesluit.\n\nOordeel van de rechtbankLast I: afvoer shredderresidu\n\nIs sprake van een overtreding van de specifieke zorgplicht?\n\n3. Volgens eiseres is het college niet bevoegd handhavend op te treden wegens schending van de in artikel 2.11 van het Bal neergelegde zorgplicht. Het opslaan van shredderresidu is vergund in voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021. In die vergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen en te beperken (voorschrift 8.1.2). Eiseres houdt zich hieraan. Als het college dit onvoldoende acht, had het op de weg van het college gelegen extra voorschriften hierover op te nemen in de vergunning. De zorgplicht is niet bedoeld voor situaties waarin een vergunning had kunnen (en moeten) voorzien. Daarbij komt dat eiseres met extra maatregelen die zij heeft getroffen en nog altijd treft om geurhinder en brand- en broeigevaar te voorkomen dan wel te beperken, invulling geeft aan haar zorgplicht. Sinds het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom tot en met 18 december 2026 is ruim 11.458 ton shredderresidu afgevoerd. De nog aanwezige partijen worden gezeefd, waarbij de fijne fractie wordt gescheiden van de grovere fractie. Als de temperatuur van het residu oploopt, worden de partijen nat gehouden. Er is een brandwacht ingesteld die dit 24\u002F7 controleert en bijhoudt in een logboek. Van schending van artikel 2.11 van het Bal is volgens eiseres geen sprake, laat staan van een evidenteschending.\n\n3.1.. \n\nHet college erkent dat de opslag van shredderresidu is vergund. Dat geldt echter niet voor de nadelige gevolgen die voor de fysieke leefomgeving (zijn) ontstaan door de opslag van shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden. De vergunningvoorschriften hebben betrekking op het voorkomen van broei, maar in de vergunning is niet geregeld wat te doen als broei en brand eenmaal is ontstaan. De specifieke zorgplicht werkt aanvullend naast vergunningvoorschriften en algemene regels en leent zich volgens het college juist bij uitstek om niet vergunde nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving spoedig te doen beëindigen. Als eenmaal brand is ontstaan in het shredderresidu, waardoor nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan en blijven voortduren én de kans bestaat op een nieuwe brand, schieten de vergunningvoorschriften tekort. Handhaven wegens handelen in strijd met de in artikel 2.11 Bal opgenomen specifieke zorgplicht is dan volgens het college gerechtvaardigd. De “extra” maatregelen waarop eiseres doelt zoals temperatuurmetingen en het bijhouden van een logboek, zijn geen maatregelen om de nadelige gevolgen van broei en brand te beëindigen, maar maatregelen om broei en brand te voorkomen. Die maatregelen moeten al worden getroffen op grond van de vergunning (voorschrift 8.1.2).\n\nNaast geuroverlast, heeft de broei en brand ertoe geleid dat er blusactiviteiten hebben plaatsgevonden en een waterscherm in gebruik is geweest. Hierdoor hebben schadelijke, zo niet zeer zorgwekkende, emissies plaatsgevonden naar lucht, water en bodem. Eiseres heeft ook elders een onderneming gehad ( [naam] ), waar hetzelfde materiaal werd opgeslagen en waarin ook branden hebben plaatsgevonden. Zij had dan ook redelijkerwijs kunnen weten dat hier nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving door (kunnen) ontstaan. Ook had zij volgens het college kunnen weten dat alleen met het zo snel mogelijk afvoeren van de betreffende partijen shredderresidu de schadelijke emissies zo snel als mogelijk konden worden beëindigd.\n\n3.2.. Op grond van artikel 2.11 van het Bal is degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, verplicht a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\nOp grond van het tweede lid van artikel 2.11 houdt deze zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; (…) d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.\n\nIn artikel 2.13 van het Bal wordt de bevoegdheid gegeven om maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften te stellen over onder meer artikel 2.11 van het Bal.3.3.. De rechtbank stelt voorop dat eiseres beschikt over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Handhaving van de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal komt in dat geval alleen in beeld als de omgevingsvergunning geen specifieke voorschriften bevat voor een bepaald milieuaspect, bij ongebruikelijke activiteiten, in bijzondere omstandigheden, of als de (doel- en middel)voorschriften ontoereikend zijn om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid moet deze aanvullende werking van de specifieke zorgplicht naar het oordeel van de rechtbank beperkt worden opgevat als voor een bepaald milieuaspect specifieke (doel- of middel)voorschriften zijn gesteld en een vergunninghouder de activiteiten op de gebruikelijke wijze uitoefent. Een overtreding op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 Bal kan naar het oordeel van de rechtbank alleen aan de orde zijn als hetzelfde resultaat niet kan worden bereikt met een voorschrift dat al aan de omgevingsvergunning is verbonden.3.4.. Als overtreding van de specifieke zorgplicht aan de orde is, moet voor de vergunninghouder redelijkerwijs zijn te voorzien wat de overtreding in een concreet geval inhoudt.Als er voldoende tijd is, kan dat door de vergunninghouder te laten weten wat van hem wordt verwacht, in overleg te treden over ongedaanmaking van de overtreding, een maatwerkvoorschrift (in het vooruitzicht) te stellen of een (ontwerp voor) wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning kenbaar te maken. De nadelige gevolgen van een overtreding van de specifieke zorgplicht kunnen in een concrete situatie echter meebrengen dat daar niet op kan worden gewacht. Dan is de vraag aan de orde of directe handhaving op grond van overtreding van de specifieke zorgplicht mogelijk is.\n\n3.5.. Directe handhaving op de specifieke zorgplicht is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk bij evidente overtredingen. De activiteit moet evident in strijd zijn met de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal.Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als de betrokkene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. De rechtbank wijst ter onderbouwing op de wetsgeschiedenis van de Omgevingswet en het Bal.\n\n3.6.. Het college heeft lasten onder dwangsom opgelegd omdat broei en brand was ontstaan in het shredderresidu. Dat veroorzaakte volgens het college dusdanig nadelige gevolgen voor het milieu, dat het shredderresidu zo snel mogelijk moest worden verwijderd. Gelet op de aanvullende werking van de zorgplicht bespreekt de rechtbank eerst of het college de lasten had kunnen baseren op de overtreding van één of meer vergunningvoorschriften.\n\n3.7.. Op grond van voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 is de opslag van bepaalde afvalstoffen toegestaan. Hieronder valt onder meer het shredderresidu. Uit voorschrift 2.2.4 volgt dat afvalstoffen maximaal één jaar mogen worden opgeslagen. Ten tijde van het dwangsombesluit lag het shredderresidu er nog niet langer dan één jaar. Deze voorschriften waren op dat moment niet overtreden en konden dus niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd.\n\n3.8.. Voorschrift 2.5.2 van de omgevingsvergunning houdt in dat de hoogte van de opgeslagen afvalstoffen niet hoger mag zijn dan de ommuring ter plaatse van de opslag. Dit voorschrift kon ook niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd omdat het college beoogt dat al het shredderresidu volledig wordt verwijderd, ongeacht de hoogte.\n\n3.9.. In de omgevingsvergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen dan wel te beperken. Eiseres wijst op voorschrift 8.1.2. In dit voorschrift is echter niet geregeld wat moet worden gedaan nadatbroei en brand zijn ontstaan. Dat is ook niet geregeld in andere vergunningvoorschriften. De omgevingsvergunning biedt geen basis om eiseres te gelasten een partij shredderresidu waarin broei en brand is ontstaan versneld af te voeren om verdere milieuverontreiniging te voorkomen. De vergunningvoorschriften zijn naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in beeld komt. De stelling van eiseres dat de omgevingsvergunning had kunnen en moeten voorzien in voorschriften voor de situatie na het ontstaan van broei en brand, doet hieraan niet af. Als een onderwerp niet in de omgevingsvergunning is geregeld, dient de vergunninghouder de eisen van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in acht te nemen. De specifieke zorgplicht heeft hier een aanvullende werking.\n\n3.10.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van het dwangsombesluit van 2 april 2025 sprake van een evidente schending van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.\n\nBij de op 8 en 20 november 2024 gehouden controle is geconstateerd dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein werd overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende werden gescheiden en gescheiden bewaard. Hierdoor is een brandonveilige situatie en ook daadwerkelijk brand ontstaan in de partijen shredderresidu die afkomstig zijn van het bedrijf [naam] van eiseres. Ook op 14 februari 2025 zijn sporen van brand en broei geconstateerd. Tijdens het gesprek dat toen heeft plaatsgevonden tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] hebben zij samen de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.\n\nNa de verkoop van [naam] op 18 februari 2025, is eiseres met de hierdoor vrijgekomen financiële middelen op 24 februari 2025 begonnen met het afvoeren van shredderresidu. Daarna zijn er nog branden geweest in het shredderresidu op 14 en 15 maart 2025, ten gevolge waarvan (nog meer) verontreiniging van zowel lucht, bodem als (riool)water heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht overwogen dat de opslag van shredderresidu, afkomstig van eiseresses toenmalige bedrijf [naam] , de broei en vervolgens de branden die erin zijn ontstaan, gepaard gaan met geuremissie en rookontwikkeling. Via de lucht zijn schadelijke stoffen in de leefomgeving terechtgekomen. Ook heeft het college terecht overwogen dat blus\u002Fkoelwater van het residu in de bodem infiltreert en dat via die route schadelijke - zo niet zeer zorgwekkende - stoffen in de bodem terecht zijn gekomen en\u002Fof terechtkomen en dat het water buiten de inrichting weglekt. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de opslag van het aanwezige shredderresidu nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft opgeleverd en een groot risico blijft opleveren voor de fysieke leefomgeving. In de gegeven omstandigheden was evident dat de partijen shredderresidu die aanwezig waren in november 2024 zo spoedig mogelijk hadden moeten worden afgevoerd. Dat was ten tijde van het dwangsombesluit op 2 april 2025 nog niet gerealiseerd. Het college heeft dan ook tot de conclusie mogen komen dat eiseres evident in strijd heeft gehandeld met de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Dat betekent dat het college bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs last I te verstrekkend?\n\n3.11.. Eiseres voert aan dat de herstelmaatregel, volledige afvoer van het shredderresidu, te verstrekkend is. Zij wijst erop dat de opslag van shredderresidu is vergund. Zij wijst ook op paragraaf 4.104 “Opslaan van goederen” van het voorkomen of te beperken.3.12.. Het college vindt de last niet te verstrekkend. Het materiaal moet al periodiek worden afgevoerd. De last vergt slechts dat het afvoeren eerder plaatsvindt. Als eenmaal broei en brand is ontstaan, is het niet mogelijk een minder verstrekkende maatregel op te leggen om de emissie van schadelijke stoffen te doen beëindigen, aldus het college.3.13.. De rechtbank acht het niet onevenredig dat het college, om te voorkomen dat opnieuw branden uitbreken, van eiseres verlangt dat zij alhet op dat moment aanwezige shredderresidu afvoert. Het college beoogt met last I te voorkomen dat opnieuw brand en broei in de partij shredderresidu uitbreken en dat (verdere) verontreiniging van lucht, bodem en riolering (water) plaatsvindt. Omdat zich al branden en broei hebben voorgedaan in deze partij shredderresidu, en dat gevaar voor de omgeving heeft opgeleverd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de afvoer van de hele partij kunnen gelasten. Dat inmiddels door afvoer een kleinere partij ter plaatse resteert, maakt niet dat geen (nieuwe) branden en broei zouden kunnen ontstaan.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de begunstigingstermijn te kort?3.14.. De begunstigingstermijn is in het bestreden besluit verlengd van 15 mei 2025 naar 23 juli 2025. Eiseres voert aan dat de begunstigingstermijn nog steeds te kort is. Eiseres is niet in staat gebleken om al het shredderresidu voor 23 juli 2025 af te voeren. De afnemers konden in een bepaalde periode wekelijks maar een bepaalde hoeveelheid aan. Bovendien lieten de beschikbare financiële middelen geen grotere wekelijkse afvoer toe. Verder zijn in het afvoerplan van eiseres per abuis ook partijen verwerkingsmateriaal als residu vermeld. Na het opstellen van het plan is een veranderingsvergunning in werking getreden voor onder andere een zeef. Dat maakt het mogelijk om de aanwezige partijen metaalafvalstoffen ten behoeve van verdere verwerking te zeven. Ten tijde van het bestreden besluit (21 oktober 2025) was het aanwezige volume residu flink verminderd en waren er extra maatregelen getroffen. Daardoor waren er volgens eiseres geen milieubelangen (meer) in het geding die zich tegen een langere termijn verzetten.3.15.. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres in staat was om al het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren. Het college wijst erop dat eiseres in februari 2025 zelf een plan heeft opgesteld voor de afvoer van het shredderresidu. Hierin is een afvoerintensiteit opgenomen van circa 1.000 ton per week. Ook hierna hebben nog twee branden plaatsgevonden. Omdat de gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ernstige mate toenamen, heeft het college verlangd om de volledige afvoer binnen afzienbare maar volgens het afvoerplan redelijke en haalbare termijn uit te voeren (1.000 ton per week). De ontvangers van het shredderresidu hebben bevestigd dat zij 1.000 ton per week kunnen ontvangen. Er zijn bovendien meerdere partijen die shredderresidu afnemen. Van het bedrijf mag worden verwacht dat het liquide middelen reserveert voor het afvoeren van restfracties. De veranderingsvergunning voor een zeef leidt er volgens het college niet toe dat de begunstigingstermijn te kort is.3.16.. Op grond van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Dat is de zogeheten begunstigingstermijn. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan nodig is om de overtreding te kunnen opheffen.3.17.. De begunstigingstermijn is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk kort. Het college heeft bij het bepalen van de begunstigingstermijn mogen uitgaan van de inschatting dat het mogelijk is om ongeveer 1.000 ton per week shredderresidu af te voeren. Hierbij heeft het college rekening mogen houden met het afvoerplan dat eiseres zelf heeft opgesteld. De twee afnemers van het shredderresidu hebben bevestigd dat afvoer van 1.000 ton per week mogelijk is. De stelling van eiseres dat de afnemers deze hoeveelheid in werkelijkheid niet kunnen verwerken, wijkt af van wat de afnemers hierover hebben meegedeeld. Eiseres heeft deze afwijkende stelling niet onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank daaraan voorbij. De stelling van eiseres dat zij onvoldoende liquiditeitsruimte had om het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren, slaagt niet. Het college heeft terecht naar voren gebracht dat van eiseres mag worden verwacht dat zij liquide middelen reserveert voor de vereiste afvoer van het shredderresidu. De inwerkingtreding van de veranderingsvergunning voor onder andere een nieuwe zeefinstallatie, leidt evenmin tot het oordeel dat de begunstigingstermijn te kort is. De veranderingsvergunning noodzaakt niet tot vertraging in de afvoer van het shredderresidu. Dat eiseres met behulp van de veranderingsvergunning andere keuzes wil maken bij de afvoer van het shredderresidu en daardoor meer tijd nodig zou hebben voor de afvoer, komt voor haar rekening en risico. De stelling van eiseres dat er na het afvoeren van een gedeelte van het shredderresidu geen milieubelangen meer zijn die zich tegen een langere termijn verzetten, slaagt niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het college onder dwangsom verwijdering van de volledige partij shredderresidu mogen gelasten. De begunstigingstermijn mag niet langer worden gesteld dan noodzakelijk is om dat te realiseren.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de dwangsom onevenredig hoog?3.18. De hoogte van de dwangsom van € 250.000,- per keer en € 1.000.000,- in totaal is volgens eiseres niet evenredig. Het college heeft de dwangsom aan de hoge kosten van afvoeren van de afvalstoffen gekoppeld. Dat kan alleen als er een voordeel voor eiseres bestaat bij het niet afvoeren. Dat voordeel is er niet omdat de afvalstoffen volgens voorschrift 2.2.4 sowieso binnen één jaar moeten worden afgevoerd. Bovendien mag eiseres de stoffen volgens de omgevingsvergunning opslaan. De dwangsom van € 1.000.000,- staat volgens eiseres niet in verhouding tot de overtreding en zij is ook niet in staat om dit bedrag te voldoen.\n\n3.19.. Het college heeft de hoogte van de dwangsom gekoppeld aan de kosten van afvoer. Van de dwangsom moet een prikkel uitgaan om overtredingen te beëindigen zonder dat dwangsommen worden verbeurd. Een erkende ontvanger\u002Fverwerker hanteert een tarief van ongeveer € 142,- per ton. Volgens het college moest ten tijde van het handhavingsbesluit nog ongeveer 5.700 ton shredderresidu worden afgevoerd. De kosten daarvan zijn 5.700 x € 142,- = € 809.400,-. Om de werking van de dwangsom als prikkel te waarborgen, is van een hoger maximum van € 1.000.000,- uitgegaan.3.20.. Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb dienen de dwangsombedragen in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.\n\n3.21.. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten als hij de last niet uitvoert. Gelet hierop heeft het college de hoogte van de dwangsommen naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen afstemmen op de geschatte kosten van het afvoeren van de afvalstoffen. Het college heeft daarbij voor een hoger maximumbedrag mogen kiezen dan de geschatte totale kosten van het afvoeren. De stelling dat eiseres die kosten op een later moment toch al zou moeten maken omdat de afvalstoffen binnen een jaar moeten worden afgevoerd, leidt niet tot de conclusie dat het bedrag aan dwangsommen te hoog is.\n\n3.22.. Het gaat om een overtreding met ernstige gevolgen voor het milieu. De rechtbank kan eiseres dan ook niet volgen in de stelling dat een maximumbedrag van € 1.000.000,- niet in verhouding staat tot de overtreding.\n\n3.23.. De stelling dat eiseres niet in staat is dat bedrag te voldoen, is in dit kader niet relevant. De financiële draagkracht van de overtreder kan in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom.Daartoe overweegt de rechtbank dat van een dwangsom die naar draagkracht zou worden vastgesteld, geen zodanige prikkel zou uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd om te voorkomen dat een dwangsom wordt verbeurd.\n\n3.24.. Gelet op de ernst van de overtreding en het financiële voordeel van het niet uitvoeren van de last, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid voor een dwangsom van € 250.000,- per week met een maximum van € 1.000.000,- kunnen kiezen.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nLast II: lozen afvalwater4. Eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven dat haar beroep niet tegen deze last is gericht. De rechtbank zal deze last dan ook niet beoordelen.\n\nLast III: niet mogen lozen op het gemeentelijk riool\n\n5. Op grond van vergunningvoorschrift 3.1.1 mag bedrijfsafvalwater uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid hiervan: a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool (…). Tussen partijen is niet in geschil dat met het lozen van verontreinigd bluswater\u002Fhemelwater de doelmatige werking van het rioolsysteem is belemmerd. Dat betekent dat vergunningvoorschrift 3.1.1 is overtreden. Het college was dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen. Is last III te verstrekkend?5.1.. In het bestreden besluit staat dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeld dient te voorkomen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer het college na afloop van de begunstigingstermijn constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd. Eiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra het shredderresidu - waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Eiseres mag het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten wanneer zij ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en met de getroffen maatregelen instemmen.5.2.. Deze last is volgens eiseres te verstrekkend. De eis dat pas weer met het lozen van afvalwater mag worden aangevangen als alle partijen shredderresidu volledig zijn afgevoerd of afgedekt en het terrein en riolering zijn schoongemaakt, gaat te ver. Opslaan van shredderresidu is vergund. Met het afvoeren van de partijen waarin zich brand heeft voorgedaan, het schoonvegen van dat gedeelte van het terrein en het reinigen van het riool, is weer sprake van een representatieve bedrijfssituatie. De omgevingsvergunning vereist niet dat afvalstoffen worden afgedekt. Van overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 is geen sprake meer. Uit recente monsterneming van het afvalwater is gebleken dat het veel schoner is dan kort na de broeibranden. Eiseres heeft de indruk dat het college via handhaving probeert de normstelling in de vergunning aan te scherpen. Dat is onrechtmatig. Als het college bepaalde stoffen niet aanvaardbaar acht, ligt het op de weg van het college om concrete lozingsnormen per parameter op te nemen in de omgevingsvergunning, aldus eiseres.\n\n5.3.. Volgens het college zijn nog niet alle partijen shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden afgevoerd. Zolang dat niet is gebeurd, kan verontreiniging die is ontstaan door brand en broei blijven uitspoelen. Omdat eiseres er niet voor heeft gekozen om de partijen af te dekken, is het volgens het college niet mogelijk om hemelwater buiten beschouwing te laten, omdat dit één afvalstroom vormt met blus- en koelwater.5.4.. Op grond van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom te nemen herstelmaatregelen. De last moet in combinatie met de herstelmaatregelen zodanig duidelijk en concreet geformuleerd zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan moet worden om toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen.Een last is dwingend. Herstelmaatregelen zijn dat niet. Een lastgevingmoet de overtreder vrijlaten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. De grondslag voor de lastgeving ligt namelijk uitsluitend in het feit dat er een overtreding is van een bepaald voorschrift. Een lastgeving mag daarom nooit verder strekken dan het ongedaan maken van deze overtreding.\n\n5.5.. De rechtbank stelt voorop dat de omschrijving van last III niet te verstrekkend is. De last houdt in dat eiseres herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning moet voorkomen.\n\n5.6.. Vervolgens is aan de orde of de herstelmaatregelen niet te dwingend zijn geformuleerd. In het bestreden besluit is aangegeven dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeldkan voorkomen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Uit deze formulering volgt dat het slechts om een voorbeeld gaat. In het bestreden besluit staat echter ook het volgende: “U mag weer afvalwater van uw bedrijf op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu -waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Wanneer u er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag u lozen van afvalwater op het gemeentelijke riool ook hervatten. Wij moeten dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en u meegedeeld hebben dat wij met de getroffen maatregelen instemmen”.5.7.. Het college heeft dus twee herstelmaatregelen genoemd: afvoer van het shredderresidu in combinatie met reiniging en afdekking van het shredderresidu. De rechtbank kan en zal in het midden laten of deze twee herstelmaatregelen verder gaan dan nodig is om herhaling van de overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 te voorkomen. Het staat eiseres volgens de systematiek van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb immers vrij om ook voor andere herstelmaatregelen te kiezen.Indien mogelijk kan zij zelf voor minder vergaande herstelmaatregelen kiezen. De door het college gekozen formulering wekt echter de indruk dat eiseres geen keuzevrijheid heeft en alleen maar op deze twee wijzen aan vergunningvoorschrift 3.1.1 mag voldoen. Daarmee wordt de keuzevrijheid van eiseres ten onrechte beperkt. Vergunningvoorschrift 3.1.1 bevat een resultaatsverplichting voor de kwaliteit van het afvalwater. Het vergunningvoorschrift geeft geen middelen aan waarmee dat resultaat moet worden bereikt. Vaststaat dat het shredderresidu in elk geval gedeeltelijk is afgevoerd. Het bedrijf van eiseres beschikt inmiddels over apparatuur om beter te kunnen monitoren of in het resterende shredderresidu de temperatuur naar brandgevaarlijke hoogten stijgt. Ook is sprake van meer toezicht. Uit het advies van het waterschap Aa en Maas (waterkwaliteitsbeheerder) van 2 juli 2025 naar aanleiding van een analyserapport van 16 juni 2025 van op 6 juni 2025 bemonsterd afvalwater blijkt dat de kwaliteit van het afvalwater toen nog niet voldoende verbeterd was. Niet uitgesloten is echter dat de kwaliteit van het afvalwater inmiddels wel voldoende is verbeterd. Als met behulp van analyseresultaten van bemonsterd afvalwater zou worden aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater zodanig is verbeterd dat geen sprake meer is van een belemmering van de doelmatige werking van het rioolsysteem, zou geen sprake meer zijn van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning. In dat geval zou het mogelijk moeten zijn om de lozing op het gemeentelijke riool te hervatten. Die mogelijkheid lijkt echter te worden uitgesloten door het college. Op dit punt is de formulering van het bestreden besluit niet juist. De rechtbank zal dit onderdeel van het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb.\n\nDe beroepsgrond slaagt.\n\n5.8.. De rechtbank ziet aanleiding om het geschil op dit punt finaal te beslechten. Last III is rechtmatig. Gelet op het voorgaande had het college eiseres echter vrij moeten laten om zo mogelijk voor andere herstelmaatregelen te kiezen. Uit deze uitspraak blijkt dat eiseres zelf mag kiezen op welke wijze zij aan vergunningvoorschrift 3.1.1 zal voldoen. Nu hierover duidelijkheid bestaat, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen onderdeel van het bestreden besluit in stand te laten.\n\nIs de dwangsom onevenredig hoog?\n\n5.9.. De hoogte van de dwangsom is € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,-. Volgens eiseres is dit niet evenredig. Voor de nadere onderbouwing van deze beroepsgrond verwijst zij naar wat is opgemerkt ter bestrijding van de hoogte van de dwangsom verbonden aan last I. Volgens eiseres kan het college in redelijkheid geen aansluiting zoeken bij de kosten die afvoer naar een erkende verwerker met zich brengen.\n\n5.10.. Het college wijst erop dat er voldoende prikkel uit moet gaan van de hoogte van de dwangsom om eiseres ertoe te bewegen aan de last te voldoen. Het college ziet niet in waarom het voor het bepalen van de dwangsomhoogte niet kan uitgaan van afvoerkosten van afvalwater op een andere wijze dan lozing via het riool.\n\n5.11.. De rechtbank acht ook deze dwangsommen niet onevenredig hoog. Daartoe wijst zij op wat zij onder 3.20 tot en met 3.24 heeft overwogen. Het college heeft de hoogte van deze dwangsom in redelijkheid kunnen afstemmen op de kosten van de afvoer van het afvalwater op een andere wijze dan via het riool. Volgens de inschatting van het college zou eiseres per etmaal minimaal € 30.000,- moeten uitgeven voor afvoer via een erkende verwerker. Ervan uitgaande dat van een dwangsombedrag een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, heeft het college voor een maximumbedrag mogen kiezen dat hoger is dan de geschatte totale kosten van het afvoeren.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nInvordering wegens overtreding van last I\n\n6. In het invorderingsbesluit heeft het college vermeld dat op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles zijn uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan heeft aan last I. Het aanwezige shredderresidu is niet volledig verwijderd. Daarmee zijn volgens het college vier dwangsommen à € 250.000,- per keer verbeurd. Het gaat in totaal om een bedrag van € 1.000.000,-.\n\n6.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat de volledige partij shredderresidu op de hiervoor genoemde data inderdaad nog niet volledig was afgevoerd. Dat betekent dat eiseres in strijd heeft gehandeld met last I. Zij heeft van rechtswege bij elke constatering een dwangsom van € 250.000,- verbeurd. Het gaat om vier dwangsommen van € 250.000,-. Het college was dan ook bevoegd om over te gaan tot invordering van € 1.000.000,-.\n\n6.2.. Eiseres verzoekt om de beroepsgronden tegen de opgelegde last onder dwangsom ook aan te merken als de beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit.\n\n6.3.. Dit verzoek leidt niet tot het door eiseres gewenste resultaat. In een procedure tegen een invorderingsbeschikking kan de belanghebbende in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en\u002Fof betrokkene geen overtreder is. De rechtbank is niet gebleken dat zich in dit geval een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet.\n\n6.4.. Eiseres voert aan dat het bedrag van € 1.000.000,- te hoog en onvoldoende aanwezig is om dat te kunnen betalen. De invordering van dit bedrag brengt het bedrijf volgens eiseres serieus in financiële problemen.\n\n6.5.. De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend.Een andere opvatting zou namelijk afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb.Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd.Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. 6.6. Volgens vaste rechtspraak hoeft het bestuursorgaan bij een besluit over invordering van verbeurde dwangsommen in beginsel geen rekening te houden met de vraag of de overtreder in staat is om de verbeurde dwangsommen te voldoen. De financiële draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen.Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Ook de liquiditeitspositie van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. In dit kader is onder meer van belang dat het college bevoegd is om een betalingsregeling te treffen voor verbeurde dwangsommen.\n\n6.7.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij gezien haar financiële draagkracht of andere financiële aspecten evident niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen te betalen. Zij heeft naar het oordeel van de rechtbank geen zodanige informatie verstrekt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt gegeven over haar financiële situatie, de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben en de mogelijkheid om deze financiële last binnen de holding te dragen waartoe eiseres behoort.\n\nDe beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 is gegrond. De enige fout is echter slechts dat de twee herstelmaatregelen om gevolg te geven aan last III te dwingend zijn geformuleerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het college heeft nagelaten eiseres vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. Voor het overige blijft dit besluit in stand. Last I, II en III blijven dus gelden. Zoals onder 5.8. is overwogen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit in stand.\n\n7.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een (aanvullend) beroepschrift ingediend en heeft de zitting van de rechtbank bijgewoond. De vergoeding bedraag daarom in totaal € 1.868,-.\n\n8. Het beroep tegen het invorderingsbesluit van 24 oktober 2025 is ongegrond. In deze zaak bestaat dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 8.1. De rechtbank merkt op dat het invorderingsbesluit tot de datum van deze uitspraak was geschorst. Met deze uitspraak vervalt de schorsing.Om te voorkomen dat eiseres onverwacht met de gevolgen van het invorderingsbesluit wordt geconfronteerd, ziet de rechtbank aanleiding om de schorsing van het invorderingsbesluit te verlengen tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin SHE 25\u002F3318\n\nverklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond;\n\nvernietigt dit besluit voor zover het college heeft nagelaten eiseres in lastgeving III vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;\n\nin SHE 26\u002F3647\n\nverklaart het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond;\n\nverlengt de schorsing van het invorderingsbesluit tot zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.\n\n Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr.M.P.C. Moers-Anssems, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.\n\ngriffier\n\nDe voorzitter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dat staat in artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 8:62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\nStb.2018, 293, p. 519.\n\n De rechtbank sluit hiermee aan bij het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3947 en bij jurisprudentie van de Afdeling. Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631.\n\nZie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2019\u002F20, 34 986, nr. W, p. 9-10 enStb. 2018, 293, p. 526.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2808.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3496.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:321.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:41.\n\n Een lastgeving is de last en de herstelmaatregelen.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1247.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.\n\nKamerstukken II2003\u002F04, 29 702, nr. 3, p. 115\n\nKamerstukken II2003\u002F04, 29 702, nr. 3, p. 115\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:584.\n\n Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\n Dat volgt uit artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3621","2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.862Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":39,"updatedAt":57},"1385","ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","ecli-nl-ghshe-2024-4083","2024-12-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2298 tot en met 22\u002F2305\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F7946 t\u002Fm BRE 18\u002F7953 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2013 tot en met 2016 (de informatiebeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, na te noemen belanghebbende 1 en na te noemen belanghebbende 2 en de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 (hierna: belanghebbende 1) en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291(hierna: belanghebbende 2).\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op [oprichtingsdatum] 2013 opgericht naar het recht van [vestigingsplaats] , en heeft de rechtsvorm Limited. Het statutaire adres van belanghebbende bevindt zich op [vestigingsplaats] .\n\n2.2.. De aandelen in belanghebbende werden gehouden door belanghebbende 1 en belanghebbende 2, elk voor 50%. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 voerden gezamenlijk de directie over belanghebbende. Zij waren tevens werknemer van belanghebbende.\n\n2.3.. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit ICT-dienstverlening en projectmanagement. Hiertoe werden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 gedetacheerd. De diensten werden sinds begin 2013 verricht via tussenkomst van [J BV] , [S Ltd] , [T Ltd] en [F Ltd] . De uiteindelijke opdrachtgever van belanghebbende was [H BV] .\n\n2.4.. Vanaf begin 2008 tot oprichting van belanghebbende in 2013 hadden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . In die periode heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende 1 en belanghebbende 2 verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Tot begin 2008 verrichtten belanghebbende 1 en belanghebbende 2 hun werkzaamheden als zelfstandige.\n\n2.5.. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [vestigingsplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [vestigingsplaats] .\n\n2.6.. Met dagtekening 21 maart 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht haar volledige administratie, inclusief e-mailverkeer, over 2013 tot de datum van dagtekening van de brief binnen vier weken na dagtekening over te leggen. Ook heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek.\n\n2.7.. Bij e-mail van 11 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft onder meer betwist dat de werkzaamheden van belanghebbende 1 en belanghebbende 2 na de verhuizing in Nederland hebben plaatsgevonden, dat de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens correct zijn en heeft vermeld dat belanghebbende inzage wenste te krijgen in deze gegevens. De door de inspecteur gevraagde informatie is niet overgelegd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 13 april 2018 heeft de inspecteur gereageerd op belanghebbendes e-mailbericht en heeft hij zijn verzoek om informatie herhaald.\n\n2.9.. Bij e-mail van 24 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd. De gemachtigde heeft onder meer geschreven dat belanghebbende druk doende was om informatie te verzamelen die de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens kunnen weerleggen en heeft verzocht inzage te verstrekken in de gegevens die de inspecteur beweert te hebben ontvangen van derden. Belanghebbende heeft tevens verzocht met inachtneming van nader over te leggen gegevens het vermoeden van een heffingsbelang gemotiveerd te heroverwegen. Verder was volgens de gemachtigde niet duidelijk wat de over te leggen administratie inhoudt. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.10.. Bij brief van 28 mei 2018 heeft de inspecteur een herhaald verzoek om inlichtingen en bescheiden naar belanghebbende verstuurd. In dit verzoek stond onder meer het volgende:\n\n‘U stelt dat onduidelijk is wat administratie inhoudt, nu in [vestigingsplaats] andere administratieve eisen gelden. [Belanghebbende] verzoekt helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting.\n\nAls onderdeel van die administratie beschouw ik onder meer:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2] , inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en -overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die correspondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\nBij deze wil ik u nogmaals in de gelegenheid stellen om te reageren op de brief van 21 maart 2018. Ik geef u de gelegenheid tot 19 juni 2018.’\n\n2.11.. Bij e-mail van 19 juni 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft haar standpunten uit de mail van 24 april 2018 gehandhaafd. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.12.. Bij e-mail van 2 juli 2018 heeft belanghebbende aan de inspecteur een tweetal verklaringen gestuurd van de Comptroller of Taxes van [vestigingsplaats] van 18 januari 2017, ten aanzien van belanghebbende 1 en belanghebbende 2, waarin het volgende is opgenomen:\n\n‘I confirm that you are resident and paying taxes in [vestigingsplaats] for [vestigingsplaats] Income Tax purposes since October 2013.’\n\n2.13.. Op 3 juli 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende de informatiebeschikking gegeven. Deze heeft betrekking op de heffing van omzetbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. De informatiebeschikking vermeldt, voor zover van belang, het volgende:\n\n‘(…)\n\n2. Omvang en tijdstip informatieverzoek\n\nDe inspecteur heeft informatie ontvangen met betrekking tot de vennootschap [belanghebbende]. [Belanghebbende] is een naar het recht van [vestigingsplaats] opgericht lichaam. Bestuurders en aandeelhouders van deze Limited zijn [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2].\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik [belanghebbende] om informatie gevraagd. In de hiervoor genoemde brief heb ik een beschouwing gegeven over het theoretisch kader van het Nederlands heffingsbelang met een verwijzing naar artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268. Daarnaast heb ik in mijn brief het theoretische kader toegepast op de feiten en omstandigheden inzake [belanghebbende]. Ik heb u medegedeeld dat ik informatie heb ontvangen van derden inzake de werkzaamheden in Nederland bij Nederlandse eindopdrachtgevers door de bestuurders van [belanghebbende].\n\nUit informatie die de inspecteur van derden heeft gekregen, valt af te leiden dat [Belanghebbende 2] namens [belanghebbende] werkzaamheden in Nederland heeft uitgevoerd.\n\n[Belanghebbende 1] heeft na zijn formele vertrek naar [vestigingsplaats] namens [belanghebbende] in voortdurendheid werkzaamheden voor een Nederlandse eindopdrachtgever verricht. [Belanghebbende 1] was bij deze eindopdrachtgever voor vertrek naar [vestigingsplaats] ook werkzaam. De plaats van werkzaamheden was op dat moment gelegen in Nederland, waarvoor door [Belanghebbende 1] kosten voor dagelijks woon-werkverkeer is geclaimd. Volgens verkregen informatie van derden zou er bij de werkzaamheden voor deze eindopdrachtgever na vertrek van [Belanghebbende 1] naar [vestigingsplaats] niets zijn veranderd.\n\nOp basis van deze informatie lijkt het aannemelijk dat de feitelijke vestigingsplaats van [belanghebbende] in Nederland is gelegen, danwel dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland of dat er sprake is van een vaste vertegenwoordiging in Nederland. Deze feiten leiden tot een fiscaal Nederlands heffingsbelang bij [belanghebbende]. In redelijkheid heb ik mij daardoor op het standpunt gesteld dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nGevraagde informatie\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik u verzocht om de volledige administratie (inclusief afschriften van alle e-mailverkeer, contracten en overeenkomsten, bankafschriften etc.) van de vennootschap in te zenden over 2013 tot en met heden. Kopie van deze brief heb ik bijgevoegd als bijlage 1.\n\nAls alternatief heb ik [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2], in hun hoedanigheid als bestuurders van [belanghebbende], op grond van artikel 41 AWR, opgeroepen voor een gesprek in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht en ze in de gelegenheid te stellen om de administratie persoonlijk te overhandigen en toe te lichten. In mijn brief heb ik 16 april 2018; 17 april 2018; 23 april 2018; 24 april 2018 en 26 april 2018 als beschikbare datum voorgesteld. Ik heb belanghebbenden gevraagd binnen 2 weken na dagtekening van de brief te reageren op het verzoek om een afspraak te maken en ik heb verzocht binnen 4 weken na dagtekening van de brief de administratie te verstrekken.\n\nUw reactie\n\n(…)\n\nTot slot zou het belanghebbende onduidelijk zijn wat ik onder ‘administratie’ versta. In [vestigingsplaats] zouden andere administratieve eisen worden gesteld dan in Nederland. Belanghebbende verzocht mij helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting, zonder overigens eerst enige documentatie te overleggen. In mijn reactie van 28 mei 2018 heb ik een opsomming gegeven van wat ik ondermeer onder administratie beschouw. Daar ik tot op heden nog geen enkel stuk heb ontvangen zal ik deze opsomming hieronder nogmaals\n\ngeven:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met de heer Belanghebbende 1 en mevrouw Belanghebbende 2, inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en - overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die\n\ncorrespondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\n3. Conclusie\n\nOp dit moment is voldoende dat ik mij, gelet op de bij mij bekende gegevens, op het standpunt kan stellen dat de door mij gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [belanghebbende]. In mijn e-mail van 13 april 2018 heb ik u al medegedeeld dat ik pas kan beoordelen of er sprake is van een reële heffing en tot welke omvang, als ik over alle feiten en omstandigheden beschik.\n\nIk stel vast dat ik de verzochte informatie, genoemd in onderdeel 2, niet heb ontvangen. Daarom ontvangt u bij deze een informatiebeschikking. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 52a van de AWR en wordt aan u afgegeven omdat u ook na herhaalde verzoeken, niet heeft voldaan aan uw informatieverplichtingen van artikel 47 eerste lid letter a en b en artikel 49 van de AWR. Deze informatiebeschikking heeft betrekking op de omzetbelasting en vennootschapsbelasting van het jaar 2013, 2014, 2015 en 2016.\n\nU kunt, naar aanleiding van deze beschikking, ervoor kiezen om alsnog aan de informatieverplichting(en) te voldoen. In dat geval verzoek ik u om spoedig doch binnen 2 weken na dagtekening van deze informatiebeschikking met mij contact op te nemen.\n\n(…)’\n\n2.14.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo (CLO) aan de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [vestigingsplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2. In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n“On 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] officially emigrated to [vestigingsplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [Belanghebbende 1] and possibly [Belanghebbende 2] incorporated [belanghebbende] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA) shows that after 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [Belanghebbende 2] and [Belanghebbende 1] declare the income from these activities in their income tax returns in [vestigingsplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [Belanghebbende 1] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n [belanghebbende]\n\nTo gain insight into the fiscal residence of the company and to determine whether there is a permanent establishment in the Netherlands. In addition, there may be activities by [Belanghebbende 1] and\u002For [Belanghebbende 2] via [belanghebbende], that are subject to income tax in the Netherlands. I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of corporation tax returns and assessments of [belanghebbende] for the years 2013 - (…) 2015.\n\n2. Overview of declared and paid wages tax regarding the years 2013 - 2016.\n\n3. Financial statements of [belanghebbende] regarding the years 2013 - 2015.\n\n4. Copies of invoices sent by [belanghebbende] and a specification of the performed activities\u002Fservices for the years 2013 -2016.”\n\n2.15.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 7 januari 2019 de ‘company tax returns and assessments’ voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [vestigingsplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.16.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 ongegrond verklaard en heeft belanghebbende voorts tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2013 tot en met 2016 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 213 tot en met 2016 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de ten aanzien van haar genomen informatiebeschikking en tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nVraag a. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden.\n\n4.2.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.3.. Vraag a moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag b) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.4.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.5.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.6.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.7.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.9.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte is gehandhaafd.\n\n4.10.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.11.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.12.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, omdat de inspecteur aannemelijk acht dat hij aan de hand van belanghebbendes administratie in staat zal zijn om de subjectieve belastingplicht van belanghebbende vast te stellen en, indien van toepassing, tevens de objectieve belastingplicht van belanghebbende. Tevens meent de inspecteur, aan de hand van de administratie van belanghebbende, te kunnen beoordelen of belanghebbende over de betreffende jaren omzetbelasting is verschuldigd. De omstandigheden op basis waarvan de inspecteur zich op het standpunt heeft gesteld dat hij opheldering wenst te verkrijgen over de belastingplicht van belanghebbende zijn onder meer de volgende:\n\n- Belanghebbende is, voor zover bekend, uitsluitend actief op de Nederlandse markt en heeft uitsluitend Nederlandse afnemers, zoals [H] ;\n\n- De enige bekende werknemers van belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2, hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden, in ieder geval tot september 2013, in Nederland;\n\n- De inspecteur beschikt over aanwijzingen dat de werknemers van belanghebbende ook na september 2013 hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in Nederland verrichtten:\n\n- Ten aanzien van belanghebbende 2 wordt op 3 januari 2017 namens [S Ltd] . verklaard dat zij haar werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] uitsluitend in Nederland verricht;\n\n- Ten aanzien van de belanghebbende 1 verklaart mevrouw [persoon 6] van [J BV] op 15 december 2016 dat de plaats van werkzaamheden niet is gewijzigd ten tijde van de verhuizing van belanghebbende 1 naar [vestigingsplaats] en dat dit vermoedelijk [plaats 1] is;\n\n- Belanghebbende maakt gebruik van een Nederlandse bankrekening en verzoekt [J BV] op 7 oktober 2013 om de gefactureerde bedragen naar deze Nederlandse bankrekening over te maken;\n\n- Op 20 december 2013 ondertekent belanghebbende 1, namens belanghebbende, een overeenkomst met IT-Staffing. De overeenkomst vermeldt dat deze is ondertekend te [plaats 5] .\n\n4.14.. Om vast te stellen of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is, beschikt de inspecteur over de in artikel 47 AWR vastgelegde bevoegdheid om algemene inlichtingen in te winnen. De verplichting die inlichtingen te verstrekken is zeer ruim. Indien een (rechts)persoon niet voldoet aan die op haar rustende inlichtingenverplichtingen, kan de inspecteur dat vastleggen in een informatiebeschikking en, zodra die beschikking definitief is, aanslagen opleggen waarna de belastingplichtige in beginsel moet bewijzen (overtuigend aantonen) dat de aanslagen onjuist zijn, bijvoorbeeld omdat zij niet in Nederland is gevestigd. Gelet op de onder 4.13 vermelde omstandigheden zijn de door de inspecteur gestelde vragen en verzoek om inlichtingen legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Op grond van deze omstandigheden heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.Belanghebbende heeft in reactie op de vragen geen inhoudelijk antwoord verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.15.. Vraag c moet bevestigd worden beantwoord.\n\nVraag d) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.16.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.17.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.18.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.19.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.20.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikking is opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderings- dan wel naheffingsaanslagen te verlengen.\n\n4.21.. Vraag d moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag e) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.22.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.23.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.24.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikking hoeft dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.25.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.27.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.28.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.29.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Heeft de inspecteur de informatiebeschikking gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.30.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [vestigingsplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding.\n\n4.31.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [vestigingsplaats] .\n\n4.32.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.33.. Uit de slotzin van de onder 4.32 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.34.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.35.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.36.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag d). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur de informatiebeschikking heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.37.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.38.. Zoals uit het voorgaande volgt, is de informatiebeschikking terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderings- dan wel naheffingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.39.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.40.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.41.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.42.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.43.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.44.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.45.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\n HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","2026-07-13T00:29:19.174Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":62,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":39,"updatedAt":64},"1384","ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","ecli-nl-ghshe-2024-4082","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2292 tot en met 22\u002F2297\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6597 t\u002Fm BRE 18\u002F6602, en BRE 18\u002F6604 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn partner, en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, zijn partner en zijn gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en zijn partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. Belanghebbende heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. Belanghebbende verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde belanghebbende de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat belanghebbende verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. Belanghebbende hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . . [B Ltd] . hield via [C Ltd] , [E Ltd] . en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voeren gezamenlijk de directie over [G Ltd] . Belanghebbende is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant als zelfstandige - in de vorm van een eenmanszaak via tussenkomst van een bemiddelaar, [J] BV - en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van zijn in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming. Vanaf oktober 2007 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant voor [H BV] .\n\n2.6.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten, via tussenkomst van [J] BV, gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd.\n\n2.7.. Vanaf 1 oktober 2013 verricht belanghebbende zijn werkzaamheden voor [H] , via [Q BV] , door middel van tussenkomst van [L Ltd] . Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland vanaf 1\u002F10\u002F2013.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoed voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor het jaar 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner () d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen]\n\n te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier, [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst V December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] ING Creditcard\n\n [rekeningnummer 11]\n\n [bankkaartnummer]\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] en\u002Fof de partner\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Profijt rekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 11]\n\nNVT\n\nING beleggingsrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 12]\n\nNVT\n\nABN-AMRO Direct beleggen & eurostyle rekening [kind]\n\n [rekeningnummer 13]\n\n??\n\nCotes-d’Armor Frankrijk de partner en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas aangevraagd.\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 14]\n\nNVT\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 15]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\nPAYPAL [L] .nl\n\n [rekeningnummer 16]\n\nNVT\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\nA. Zie kopie hypotheekakte voor huis in Frankrijk ( [naam] ) van notaires [notaris] op naam van [belanghebbende], 17\u002F10\u002F2008.\n\nB. ING Lineaire hypotheek: [lineaire hypotheeknummer] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012. Het nieuwe nummer werd: [huypotheeknummer] .\n\nC. ING aflossingsvrij hypotheek [Afl. hypotheeknummer 5] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012.\n\nD. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nA. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 3] )\n\nB. Atos pensioenfonds (relatienummer: [relatienummer] )\n\nC. Centraal beheer (polisnummer: [polisnummer 4] )\n\nD. ABP (klantnummer [klantnummer] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend. Niet van toepassing geweest.\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015. Niet van toepassing geweest.\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 — 2015.\n\nA. [Belanghebbende] was niet belastingplichting in [woonplaats] in de periode 01\u002F01\u002F2010 —30\u002F09\u002F2013 maar in Nederland.\n\nB. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens vanaf 30\u002F09\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n‘Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht. [1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht. [2]. Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt. [3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 7.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is de volgende bepaling opgenomen:\n\n“Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:\n\na. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland;\n\nb. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en\n\nc. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland.\"\n\nIn artikel 7.2 Wet IB is dit nader uitgewerkt:\n\n\"1.Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3 en verminderd, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6.2., 6.2a en 6.31, met uitgaven voor monumentenpanden.\n\n2. Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:\n\na.de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in de\n\nartikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt\n\ngedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in\n\nNederland (Nederlandse onderneming);...”\n\nUit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse\n\ntussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n\"Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.\"\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd]\n\n ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van\n\n2008 ad € 100.000,= en 2009 ad € 12.000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld. 16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum\n\noprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd]\n\n en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met\n\nkopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Kopie notariële akten lening verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een aandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen. U hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\n- de aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Op pagina 3 geeft uw aan:\" Uit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse tussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht\".Vervolgens geeft u uitleg over al hetgeen dat onder loon kan worden verstaan.\n\n1. Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht\" maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en om de work\u002Fhealth balance van medewerkers te ondersteunen.\n\n2. Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\n\n3. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n4. U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een\n\nderdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n5. Op basis van punten A.1., A.2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\n\nB. U geeft aan op pagina 4: \"Mogelijk hebt u no liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelenontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking\".\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund B. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nC. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven welke wetten of rechtelijke uitspraken (\"Theoretisch kaderheffingsbelang') volgens u van toepassing zijn (\"theoretisch kader toegepast op uw situatie\") voor elk standpunt dat u aandraagt (zie hierboven A. & B.). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Specifieker aan te geven welke vragen volgens u corresponderen met elk standpunt die u aandraagt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 4, 7, 11, 12, 13, 14,15 etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Gelet op C3., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n5. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 4, 8, 17) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n6. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).' U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n7. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welke uw standpunten onderbouwen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven.. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n8. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt om u standpunt te onderbouwen daadwerklijk van toepassing kunnen zijn. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n9. Op pagina 4 geeft u aan \"Ik wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, foxen, facturen endergelijk.' Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek omzo uitgebreid mogelijkte beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy)b die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld C3, C4, C5, C6).\n\n10. Gelet op D 1 t\u002Fm D 9 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunten genoemd in A & B.\n\nD. Gelet op punt A. 4., B.4. & C.10, zijn al uw vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n4. Kopie opdrachtbevestigingen en contracten 2008 t\u002Fm heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6 hierboven.\n\n• Opdrachten\u002Fcontracten van [G Ltd] zijn in de brief van 29 augustus 2016 reeds aangeleverd mbt boekenonderzoek [E Ltd] .\n\n5. Consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven.\n\n6. Kopie bankrekeningen mutaties 2013-2015\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5.\n\n• Voor 2013 (tot 30\u002F9\u002F2013) is in mijn vorige brief van 17 mei 2016 de verloopstaten van de Franse bankrekening als bijlage opgenomen.\n\n7. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011-2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6.\n\n8. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5& C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n10. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Zie mijn eerdere brief 17 mei 2016 (leningsoverenkomsten) voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n11. Kopieen onderliggende stukken betreffende de oprichting [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n12. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n13. Kopieen stukken beftreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n14. Onderbouwing van de verkoopprijs aandelen en toelichting hoogte verkoopprijs aandelen in relatie dividend van 2008 & 2009.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van de verkoopprijs aandelen is vermeld.\n\n• Niet relevant zie D3, D4, DS & D6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n16. Is het dividend in 2008 en 2009 ook als lening aan u vestrekt door [E Ltd] ?\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n17. Alle leningsovereenkomsten afgesloten met [E] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode tot 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n18. Kopieen van alle communicatie rente betalingen en afwikkeling leningen met [E Ltd]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n19. Bankafschriften van rentebetalingen leningen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie bijlagen voorde periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n20. Kopieen van alle communicatie van leningen na liquidatiedatum [E Ltd] .\n\n• Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Zie vraag 20.\n\n• Zie vraag 8\n\n22: Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Nee.\n\n24. Aandelen [B]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Niet relevant zie C4 & C5\n\n• Zie bijlage\n\n25. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Nee”\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Met betrekking tot de informatie welke ik heb verkregen uit een derdenonderzoek, waaruit blijkt dat u na opheffing van [G Ltd] op 1 oktober 2013 via dezelfde Nederlandse tussenpersoon bij dezelfde Nederlandse eindopdrachtgever dezelfde consultacywerkzaamheden bent blijven uitvoeren, stelt u het volgende:\n\n1. \"Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en work\u002Fhealth balance balance van medewerkers te ondersteunen.\"\n\nUit mijn informatie blijkt dat u tot 1 oktober 2013 woon-werkverkeer heeft gedeclareerd, welke is onderbouwd als dagelijks reizen naar de werkplek in [plaats 1] . Uit onze informatie blijkt dat uw werkzaamheden ook in [plaats 1] plaats hebben gevonden. Uit verdere informatie is geen wijziging opgetreden ten aanzien van de plaats van tewerkstelling. Ik moet dan verder constateren dat u uw stelling van thuiswerken niet heeft onderbouwd met documentatie, waaruit blijkt dat u vanaf 1 oktober 2013 voor uw werkzaamheden niet langer op de werkplek in [plaats 1] aanwezig hoefde te zijn. Ik verzoek u dan ook uw stelling met documentatie te onderbouwen.\n\n2. \"Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\"\n\nVooralsnog volg ik u in uw stelling dat u vanaf 1 oktober 2013 in [woonplaats] woonachtig bent. Dit laat onverlet dat inkomsten uit werkzaamheden in Nederland na 1 oktober 2013 mogelijk in Nederland belast zijn. Indien deze werkzaamheden door u in [woonplaats] over de jaren 2013 en verder zijn aangegeven, zou dit een nadere onderbouwing kunnen zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden door u in [woonplaats] en de belastbaarheid van deze werkzaamheden in [woonplaats] .\n\n3. “Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\"\n\n4. \"U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een derdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A. 1.\"\n\n5. \"Op basis van punten A. 1., A. 2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat u op basis van artikel 47 AWR gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u hiervoor dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nB. Ten aanzien van de mogelijk ontvangen voordelen voortkomend uit de (voormalige)\n\ndienstbetrekking, heeft u het volgende medegedeeld:\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven. \"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een (voormalige) dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6- alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\"\n\n4. \"Gelet B. 1., B2. & 83., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voorstandpund B. Hierdoorben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk herhaal hetgeen in onder A3, A4 en A5 reeds heb opgemerkt.\n\nOnder C. en D. merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers.\n\nIk herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 22, 23 en 25. Met betrekking tot uw antwoorden op vraag 23 en 25 merk ik op dat ik informatie heb ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 23 en 25.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n 1 november 2016;\n\n 3 november 2016;\n\n 14 november 2016;\n\n 15 november 2016; of\n\n 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstellingen onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad € 100.000,= en 2009 ad 12 000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld.\n\n16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle leningovereenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de\n\nverwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nHierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten:\n\nKopie letter of wishes, overeenkomst 'success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie.\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner [de echtgenote] op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [belanghebbende] en [de partner] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [belanghebbende] en [de partner] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van de heer [belanghebbende] en\u002Fof [de partner].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [belanghebbende] en [de partner] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [belanghebbende] en [de partner].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 22 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, [de partner] en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [belanghebbende] and possibly [de partner] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [belanghebbende] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 21 en 24 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van zijn beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van zijn genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op zijn emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet hij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of hij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en hij daarmee niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt’,\n\n‘4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden’,\n\n‘5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende na 1 oktober 2013 (nagenoeg) uitsluitend voor de eindopdrachtgever [H BV] heeft gewerkt. Om die reden wenst hij te onderzoeken of Nederland over de daarmee verband houdende inkomsten mogelijk een heffingsrecht heeft. Gelet hierop kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar het volgende aan toe.\n\n4.22.. Belanghebbende stelt geen consultancywerkzaamheden te hebben verricht als zelfstandige (natuurlijk persoon) na zijn verhuizing. Belanghebbende stelt in dienst te zijn geweest bij een derde, [L Ltd] . Het is geheel onduidelijk welk doel de inspecteur zou hebben om informatie te ontvangen van alle opdrachtgevers hierin, aldus belanghebbende. Als de inspecteur een vermoeden heeft dat er werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden voor een Nederlandse opdrachtgever, dan zouden specifieke vragen over deze desbetreffende Nederlandse opdrachtgever afdoende kunnen zijn en niet die informatie van alle overige niet Nederlandse opdrachtgevers.\n\n4.23.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De inspecteur heeft met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschreden.\n\n‘6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )’,\n\n‘7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015’,,\n\n‘8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris’,\n\n‘9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen’en\n\n‘21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.24.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.13.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.13.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.25.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar met betrekking tot vraag 7 het volgende aan toe.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat hij niet beschikte over een American Expresskaart na 2012 en reeds daarom de verzochte gegevens niet over heeft kunnen leggen. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op zijn inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven. De door belanghebbende overgelegde brief van American Express leidt niet tot een ander oordeel. De brief van American Express bevestigt enkel dat er geen gegevens van belanghebbende bekend zijn ten tijde van de verzending van de brief (14 december 2016). De brief vermeldt tevens dat de gegevens uit het verleden niet meer traceerbaar zijn, zodat de brief in zoverre geen duidelijkheid verschaft over het niet-bestaan van een American Expresskaart in de periode voor 14 december 2016.\n\n‘10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa’,\n\n‘11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ’,\n\n‘12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] )’,\n\n‘13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] ’,\n\n‘14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad €100.000,= en 2009 ad 12 000,=’ en\n\n‘15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld’\n\n4.27.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.14.1. Bij de inspecteur heerst het vermoeden dat belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant begin 2008 in [G Ltd] heeft ingebracht. Dit vermoeden is gebaseerd op de omstandigheid dat belanghebbende dezelfde werkzaamheden, na het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [G Ltd] , via deze vennootschap is blijven verrichten. Omdat belanghebbende zichzelf daarvoor een laag salaris heeft toegekend ten opzichte van de door [G Ltd] behaalde omzet, is een fors deel van de met die werkzaamheden behaalde winst in [G Ltd] achtergebleven, aldus de inspecteur.De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.14.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\n4.14.3.. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. Dat belanghebbende met betrekking tot de vraag over de vermoedelijke inbreng van zijn werkzaamheden in [G Ltd] niet zou begrijpen wat ermee wordt bedoeld, doet hieraan niet af. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 staat vermeld dat hij hierop heeft geantwoord dat hij de verstrekking van die informatie niet relevant acht, onder meer omdat hij in twijfel trekt waarom hij informatie met betrekking tot [G Ltd] dient te verstrekken (zie 2.11). Hieruit volgt dat hij wel degelijk kon begrijpen dat de inspecteur vermoedt dat hij zijn werkzaamheden in [G Ltd] heeft ingebracht. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.28.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt hier het volgende aan toe.\n\n4.29.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.30.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 zijn consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat hij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat hij (of zijn partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.31.. Het Hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat hij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] , over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Deze gegevens zouden aanwezig moeten zijn (geweest) in zijn eigen administratie dan wel in de administratie van de vennootschappen. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [E Ltd] (Cyprus) en [G Ltd] (vragen 10 en 11) en de informatie betreffende de verkoop van [G Ltd] (vragen 13, 14 en 15).\n\n4.32.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, zijn werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk. Van een ‘fishing expedition’ door de inspecteur is geen sprake.\n\n‘16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort,\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen’,\n\n‘17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden’,\n\n‘18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen’,\n\n‘19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland’ en\n\n‘20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland’\n\n4.33.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.15.1. De inspecteur vermoedt dat de door belanghebbende bij [G Ltd] aangegane leningen van ieder € 200.000 slechts dienden om voordelen uit aanmerkelijk belang te verhullen en de aanzienlijke vermogensoverschotten die in [G Ltd] zijn ontstaan onbelast te onttrekken. De inspecteur vermoedt dat in werkelijkheid geen sprake van een terugbetalingsverplichting is geweest (zie 2.3). De inspecteur vermoedt dat in de jaren 2008 en 2009 ook dergelijke gelden bij [G Ltd] zijn geleend en dat daarop evenmin is afgelost.\n\n4.15.2.. De inspecteur kon zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft voormelde vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.34.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken. Hierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten: Kopie letter of wishes, overeenkomst `success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie’\n\n4.35.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.16.1. De inspecteur vermoedt dat het aandelenbelang van belanghebbende in [B Ltd] niet in box 3, maar in box 2 in aanmerking moet worden genomen. Volgens de inspecteur zou sprake kunnen zijn van een indirect aanmerkelijk belang in [G Ltd] , dat vermoedelijk recht geeft op haar volledige waardeontwikkeling en winst. Dit zou kunnen via een side letter of enige andere overeenkomst, waarin staat vermeld dat bijzondere rechten aan het belang in [B Ltd] zijn verbonden, aldus de inspecteur.\n\n4.16.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur gelet op het hiervoor vermelde zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.36.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n4.37.. Gelet op het voorgaande zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee hij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.38.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.39.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.40.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.41.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.42.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.43.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.44.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.45.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.46.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.47.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.48.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.49.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.50.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.51.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.52.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.53.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.54.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.55.. Uit de slotzin van de onder 4.54 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.56.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.57.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.58.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.59.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.61.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor zijn bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.62.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.63.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.64.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.65.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.66.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.67.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.68.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.69.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.70.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","2026-07-13T00:29:19.111Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":69,"parsedAt":39,"updatedAt":72},"510","ECLI:NL:RBOBR:2024:773","ecli-nl-rbobr-2024-773","2024-03-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F2635\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.L. van Geel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren, het college\n\n(gemachtigden: N. Pullens en mr. A. Kuijken).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade voor zijn pluimveebedrijf aan de [adres] in [vestigingsplaats] .\n\n1.1.. Het college heeft de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade met het besluit van 1 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 september 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven.\n\n1.2.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.\n\n1.4.. Na de zitting heeft de rechtbank twee getuigen opgeroepen. De rechtbank heeft de getuigen op 11 oktober 2023 onder ede gehoord. Nadien heeft de rechtbank aan partijen gevraagd of zij er nog behoefte aan hebben om mondeling op een zitting te worden gehoord. Geen van de partijen heeft aangegeven behoefte te hebben aan een nieuwe zitting. Wel heeft de rechtbank eiser nog in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op door het college ingebrachte stukken. Eiser heeft bij brief van 1 november 2023 nadere stukken ingediend. Het college heeft hier bij brief van 16 november 2023 op gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVooraf\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:\n\n Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres] in [vestigingsplaats] met daarop een opfok- en vermeerderingsbedrijf in pluimvee (het pluimveebedrijf). De agrarische activiteiten op het pluimveebedrijf bestonden tot voor kort uit het grootbrengen van kuikens tot kippen. De kuikens werden aan het pluimveebedrijf van eiser geleverd door een opfokorganisatie. Er zijn in Nederland slechts vier van dit soort opfokorganisaties werkzaam.\n\n Bij besluit van 20 december 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Someren het bestemmingsplan \"Vogelasiel Someren\" vastgesteld. Dit plan voorziet op ruim één kilometer afstand tot het pluimveebedrijf in voorzieningen voor dagrecreatie, waaronder een vogelasiel. Ter plaatse was feitelijk al een vogelasiel gevestigd en dit plan maakt een uitbreiding en vernieuwing van dat vogelasiel planologisch mogelijk.\n\n Eiser heeft het college bij brief van 26 september 2019 verzocht om een tegemoetkoming in planschade. De gestelde schade houdt verband met de kennisgeving van diverse opfokorganisaties aan eiser dat zij vanwege de nabijheid van het vogelasiel en de daarbij behorende risico’s op verspreiding van dierziektes geen kuikens (meer) zullen plaatsen op het pluimveebedrijf van eiser.\n\n Het college heeft de aanvraag om toekenning van een tegemoetkoming in planschade voorgelegd aan Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). Op 20 november 2020 heeft SAOZ een conceptadvies naar partijen gestuurd waarop eiser heeft gereageerd. De reactie van eiser heeft niet geleid tot inhoudelijke wijzigingen. Het advies is in januari 2021 definitief geworden. SAOZ heeft de tegemoetkoming in planschade vastgesteld op nihil, omdat het opzeggen van de door eiser genoemde overeenkomsten of het kenbaar maken van afnemers dat zij geen gebruik meer maken van de diensten van het pluimveebedrijf het gevolg is van beslissingen van privaatrechtelijke aard en niet rechtstreeks een ruimtelijk gevolg van de wijziging van de bestemming voor het vogelasiel betreft. De eventuele schade die uit die privaatrechtelijke beslissingen voortvloeit, komt volgens SAOZ niet voor tegemoetkoming op de voet van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in aanmerking.\n\n Het college heeft het advies van SAOZ aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.\n\n4 Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. De door eiser in de aanvraag van 26 september 2019 aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\n5 Eiser voert aan dat hij vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan \"Vogelasiel Someren\" in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. Dit bestemmingsplan maakt namelijk een uitbreiding en vernieuwing van een vogelasiel planologisch mogelijk, terwijl het voorgaande bestemmingsplan een vogelasiel niet toestond. Eiser verwijst naar brieven van een drietal opfokorganisaties. Met die brieven hebben de drie opfokorganisaties aan eiser te kennen gegeven dat zij geen kuikens willen leveren aan het pluimveebedrijf vanwege de nabijheid van het vogelasiel en het daarmee samenhangend verhoogd risico op een vogelgriepuitbraak binnen het pluimveebedrijf. Eiser voert aan dat hij voor de levering van kuikens volledig afhankelijk is van de drie opfokorganisaties en dat dit de enige opfokorganisaties in Nederland zijn. Omdat eiser geen kuikens meer geleverd krijgt, is de waarde van de eigendommen van eiser aangetast, omdat deze niet meer kunnen worden gebruikt voor de exploitatie van een pluimveebedrijf, en is sprake van omzetderving, aangezien eiser zijn bedrijf niet meer (in de huidige vorm) kan exploiteren. Volgens eiser is de schade een rechtstreeks gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan “Vogelasiel Someren”. Als dit bestemmingsplan niet zou zijn vastgesteld, dan hadden de opfokorganisaties de levering van dieren aan eiser niet gestopt, zo staat ook in de brieven van de opfokorganisaties. Dit volgt volgens eiser ook uit een van de getuigenverklaringen.\n\n6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het kenbaar maken van opfokorganisaties dat zij geen gebruik meer maken van de diensten van het pluimveebedrijf van eiser het gevolg is van beslissingen van privaatrechtelijke aard en niet rechtstreeks een ruimtelijk gevolg van de wijziging van de bestemming voor het vogelasiel betreft. Tussen de gestelde schade en de planologische wijziging bestaat geen rechtstreeks oorzakelijk verband, nu de overeenkomsten door de opfokorganisaties als gevolg van een bij hen levende, maar niet geobjectiveerde vrees voor besmettingen, zijn opgezegd. Het college stelt namelijk vast dat een concreet en algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs ontbreekt en dat er ook geen sprake is van een anderszins van (rijks)overheidswege voorgeschreven, op het voorzorgsprincipe gebaseerd dringend advies om in een situatie als de onderhavige een bepaalde minimumafstand aan te houden. De schade kan dus niet als een rechtstreeks gevolg van het nieuwe bestemmingsplan aan het college worden toegerekend. De eventuele schade die uit die privaatrechtelijke beslissingen voortvloeit komt daarom niet voor tegemoetkoming in aanmerking. Mocht er daadwerkelijk schade zijn ontstaan door de uitbraak van salmonella of vogelgriep, waarbij aangetoond wordt dat het vogelasiel daarvoor verantwoordelijk is, dan kan dit op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk wetboek verhaald worden op het schadeveroorzakende bedrijf. Dat is in dit geval het vogelasiel, aldus het college. Daarnaast volgt uit de getuigenverklaringen dat de ligging van het vogelasiel niet de enige reden is voor het niet aangaan van een leveringsovereenkomst. Uit één getuigenverklaring volgt namelijk dat de aanwezigheid van een vogelasiel een duidelijk minpunt is in het totaalplaatje, maar op voorhand niet absoluut beslissend hoeft te zijn. Uit de andere getuigenverklaring volgt volgens het college dat de eis van de opfokorganisatie is dat er geen ander pluimveebedrijf binnen één kilometer mag zitten voor Grandparent Stockdieren. Bij Parent Stock dieren zijn deze eisen minder zwaar. Het vogelasiel is gelegen op 1,1 kilometer afstand tot het bedrijf van eiser, dus daarin kan volgens het college geen dwingende reden gelegen zijn om geen leveringsovereenkomst aan te gaan met het pluimveebedrijf van eiser.\n\n7. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getuigen opgeroepen. Beide getuigen werken bij twee verschillende opfokorganisaties, in een functie waarbij zij verantwoordelijk zijn voor of wetenschap hebben over leveringsovereenkomsten die hun firma afsluit met derden zoals het bedrijf van eiser. Uit de getuigenverklaringen leidt de rechtbank het volgende af:\n\n In Nederland zijn vier opfokorganisaties werkzaam. Het is een kapitaalintensieve bedrijfstak met een hoog risico, waardoor er geen nieuwkomers zijn.\n\n Opfokorganisaties kunnen het opfokken van kuikens uitbesteden aan pluimveebedrijven zoals die van eiser. Dit is uniek voor Nederland. In andere landen is de keten namelijk geïntegreerd, en in België is geen sprake is van een vergelijkbare situatie, omdat daar de broederijen vaak de eigenaar van de opfokdieren zijn.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor eigen rekening kuikens levert die worden geplaatst bij andere pluimveehouderijen. Deze worden daar opgefokt, en door de opfokorganisatie vervolgens weer afgenomen, als ze gezond zijn. Daarvoor krijgt de pluimveehouder een vergoeding.\n\n Bij het uitbesteden van het opfokken is voor de opfokorganisaties de ligging van het pluimveebedrijf belangrijk. Uit een van de verklaringen volgt dat de opfokorganisatie als eis stelt dat er geen andere pluimveebedrijven in de buurt mogen zijn gesitueerd van het pluimveebedrijf waaraan zij dieren levert. Deze opfokorganisatie maakt onderscheid tussen Parent Stock-dieren en Grandparent Stock-dieren. Bij Grandparent Stock-dieren mag geen ander pluimveebedrijf binnen een afstand van één kilometer zijn gesitueerd. Bij Parent Stock-dieren zijn de eisen minder zwaar. Dat zijn eisen van de opfokorganisatie zelf.\n\n Uit de andere getuigenverklaring volgt dat het bedrijf waarvoor de getuige werkt een scan maakt van potentiële pluimveebedrijven waarmee de opfokorganisatie wil samenwerken. In zo’n scan kijkt de opfokorganisatie naar ondernemerschap, naar het pluimveebedrijf zelf, de stallen, de algemene kwaliteit, en verder onder meer of in het verleden salmonella is opgetreden bij het pluimveebedrijf. De opfokorganisatie vraagt zich met de scan steeds af of zij een investering wil plegen bij het pluimveebedrijf.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie de getuige werkt een vogelasiel absoluut ziet als een risico. Uit de andere getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie de getuige werkt de omstandigheid dat een vogelasiel nabij het pluimveebedrijf van eiser is gesitueerd ziet als een minpunt in de scan van een pluimveebedrijf, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat als het vogelasiel er niet zou zitten, de opfokorganisatie zonder meer niet in zee zou zijn gegaan met het pluimveebedrijf van eiser. De aanwezigheid van een vogelasiel is voor deze opfokorganisatie wel een heel duidelijke min in het totaalplaatje.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie deze getuige werkt in het verleden een leveringsovereenkomst had met het pluimveebedrijf van eiser, maar dat niet bekend is wanneer deze overeenkomst is beëindigd. Het totaalplaatje van het pluimveebedrijf is de reden geweest voor het niet (opnieuw) aangaan van een overeenkomst. Uit de andere getuigenverklaring volgt dat het de getuige niet bekend is of de opfokorganisatie voor wie hij werkt een overeenkomst heeft (gehad) met het pluimveebedrijf van eiser.\n\n8. De rechtbank overweegt het volgende. Voor het toekennen van een tegemoetkoming in planschade is vereist dat de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade lijdt of zal lijden. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de schade en het nieuwe planologische regime vereist, wat wil zeggen dat de schade in een zodanig nauw verband met het nieuwe bestemmingsplan moet staan, dat de schade het college, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een rechtstreeks gevolg van het nieuwe bestemmingsplan kan worden toegerekend.\n\n9. Een tegemoetkoming in geleden planschade is een vorm van nadeelcompensatie van een rechtmatige overheidsdaad. De rechtbank maakt bij het vaststellen van de aanwezigheid van het causale verband twee stappen: is er een conditio sine qua non (csqn)-verband (is er maar één factor waardoor schade wordt geleden of zijn er meerdere factoren?) en wat is de omvang van de aansprakelijkheid (welke schadeposten en welke schadeomvang kunnen de overheid worden toegerekend?).\n\n10. In dit geval lijdt eiser strikt genomen geen schade door de wijziging van het bestemmingsplan zelf, maar lijdt hij schade door de keuze van de opfokorganisaties om de bestaande overeenkomst op te zeggen dan wel geen (nieuwe) overeenkomst aan te gaan. Het nieuwe bestemmingsplan dwong de opfokorganisaties echter niet tot het maken van die keuze. Het bestemmingsplan maakt wel de komst van een vogelasiel mogelijk. Uit de getuigenverklaringen blijkt naar het oordeel van de rechtbank in een voldoende redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aanwezigheid van een vogelasiel invloed heeft op opfokorganisaties bij de selectie van pluimveebedrijven. In zoverre is er een csqn-verband (en wordt voldaan aan de eerste noodzakelijke voorwaarde voor toekenning van een tegemoetkoming in geleden planschade).\n\n11. Kan deze schade wel volledig aan de overheid worden toegerekend? De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit bij de beantwoording van deze vraag in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het geval. De rechtbank noemt een aantal omstandigheden die van belang zijn bij de toerekening:\n\n de selectie van opfokbedrijven is een ondernemersbeslissing van de opfokorganisaties. Naast de aanwezigheid van een vogelasiel zijn bij de selectie andere elementen van een potentieel opfokbedrijf van belang.\n\n Bovendien valt niet uit te sluiten dat de aanwezigheid van een vogelasiel in de toekomst een meer doorslaggevende rol gaat spelen of juist een minder prominente rol (bijvoorbeeld als er een goed, breed geaccepteerd vaccin tegen vogelgriep is ontwikkeld). De vrees voor verspreiding van dierziektes speelt een belangrijke rol maar deze vrees is niet overal even hard aanwezig en is evenmin vertaald in harde, eenduidige selectiecriteria. Een getuige heeft aangegeven dat hierbij een harde grens wordt getrokken van één kilometer bij Grandparent Stock-dieren, maar de grens is al minder hard bij Parent-stock dieren. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat eiser ook zou kunnen omschakelen naar een reguliere pluimveehouderij (vleeskuikens of leghennen).\n\n Ook de kennis over verspreidingsrisico’s zal een rol spelen. Dit wordt bevestigd in de reactie van het college op de getuigenverklaringen waarin twijfels worden geuit over de overdraagbaarheid van vogelgriep door de lucht.\n\n Eiser heeft in zijn reactie op de getuigenverklaring enkele andere relevante omstandigheden genoemd: de kring van opfokorganisaties is beperkt (er zijn maar vier organisaties in Nederland) en er zijn ook maar weinig opfokbedrijven. Het is een kleine kring en het is een zeer kapitaalintensieve markt.\n\n Tot slot staat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een vogelasiel op deze locatie uit het oogpunt van vogelgriep en de eventuele gevolgen van het bestemmingsplan voor de agrarische bedrijven in de omgeving, waaronder die van eiser, vast na de uitspraak van de Afdelingop het beroep van eiser tegen het bestemmingsplan op juist dit punt. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat het bedrijf van eiser in het verleden wel door een opfokorganisatie is geselecteerd, ondanks de illegale aanwezigheid van het vogelasiel op dat moment.\n\n12. De rechtbank acht het onder de hierboven geschetste omstandigheden in dit specifieke geval niet redelijk dat de door eiser geleden schade volledig aan de gemeente wordt toegerekend. Daarvoor is de selectie van opfokbedrijven te veel een ondernemersbeslissing en zijn de criteria voor deze selectie niet geheel objectief en wetenschappelijk onderbouwd. Anderzijds acht de rechtbank het evenmin redelijk dat eiser met lege handen achterblijft en geen enkele aanspraak kan maken op enige tegemoetkoming. Duidelijk is dat de aanwezigheid van het vogelasiel wel een rol speelt en dat de invloed van dat asiel bepalend kan zijn in een kleine kapitaalintensieve markt. Met andere woorden, deze zaak leent zich niet voor een ‘alles of niets’-benadering. Welke benadering past dan wel? Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede om in dit specifieke geval een toerekening naar redelijkheid toe te passen waarbij het antwoord op de vraag aan welke gebeurtenis of gebeurtenissen de schade moet worden toegerekend, afhangt van diverse factoren en de omstandigheden van het geval. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat door de positieve bestemming van het vogelasiel op zijn minst een risico voor eiser is geschapen, dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Dit heeft het college in het bestreden besluit op bezwaar niet onderkend. In zoverre slaagt de beroepsgrond. Overigens acht de rechtbank het redelijk om de omvang van de schade te relateren aan de kosten van omschakeling van een pluimveehouderij van bijvoorbeeld Grandparent-stock dieren naar een andere categorie (bijvoorbeeld vleeskuikens).\n\nRedelijke termijn\n\n13. De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser. In beginsel is in dit geval, waarin de bezwaarfase is gevolgd, een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.Heeft de totale periode langer geduurd dan twee jaar, dan dient vervolgens te worden bezien of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.\n\n14. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift (12 april 2021). Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn bijna 3 jaren verstreken. Al is het geen gemakkelijke zaak, de rechtbank heeft in dit geval geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de lengte van de gehele procesgang langer dan twee jaar zou mogen duren. De redelijke termijn is aldus met 11 maanden overschreden. Uitgaande van een uit de jurisprudentie af te leiden vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiser toe te kennen bedrag aan schadevergoeding € 1.000,00. Deze schade moet volledig worden toegerekend aan de rechtbank. Daarom zal de rechtbank de Staat opdragen deze schade te vergoeden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak binnen twaalf weken na dagtekening van deze uitspraak.\n\n16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.062,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen op de zittingen inclusief het bijwonen van het getuigenverhoor en ½ punt voor de reactie naar aanleiding van het getuigenverhoor, met een waarde per punt van € 875,00 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 183,00 vergoedt;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 3.062,50;\n\nveroordeelt de Staat tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 1.000,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J.A.B. Elsman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vergelijk de overzichtsuitspraak in planschadezaken van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 2.11 en 3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2462).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:886.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1704.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:773","2026-07-13T00:28:34.064Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":39,"updatedAt":81},"567","ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","ecli-nl-rbobr-2023-3092","2023-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 22\u002F33\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , [eiseres]\n\n(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. J. Zweers),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven\n\n(gemachtigde: mr. M.L.M. Lammerschop).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclameobjecten aan de [adres] in [plaats] .\n\n1.2. Het college heeft de aanvraag voor de vergunning met het besluit van 15 juni 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2021 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van [eiseres] en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2.1. De rechtbank beoordeelt of het college de weigering van een omgevingsvergunning voor reclameobjecten in stand heeft kunnen gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] .\n\n2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n3. De rechtbank gaat uit van het volgende.\n\n [eiseres] huurt het pand aan de [adres] te [plaats] (het perceel) en gebruikt dit sinds 1 april 2021 voor bedrijfsactiviteiten.\n\nOp deze locatie heeft bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007” betrekking (het bestemmingsplan 2007). Dit bestemmingsplan gold ten tijde van het bestreden besluit. Op 4 april 2022 is bestemmingsplan “Kapelbeemd – GDC – Zuid 2021” vastgesteld (het bestemmingsplan 2021). Het bestemmingsplan 2021 is na het bestreden besluit in werking getreden.\n\nIn het bestemmingsplan 2007 rust op het perceel de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden I’. Artikel 3 van dit bestemmingsplan bepaalt dat het perceel bestemd is voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van Bedrijfsactiviteiten.\"Niet in geschil is dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] op deze locatie onder een lagere milieucategorie vallen dan daar is voorgeschreven.\n\nTussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] in strijd zijn met artikel 3 van het bestemmingsplan 2007. Het college wenst geen strijdig gebruik toe te staan voor het door [eiseres] aangevraagde gebruik en heeft de aanvraag daarom afgewezen.\n\nHad het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 buiten toepassing moeten laten?\n\n4.1. \n [eiseres] stelt dat het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 bij de beoordeling van de aanvraag buiten toepassing had moeten laten. Daartoe voert [eiseres] als eerste aan dat deze planregel evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Verder vindt [eiseres] de planregel evident in strijd met de Richtlijn 2016\u002F123\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn).\n\n4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van evidente strijd met hogere regelgeving. Naast dat het college betwist dat er enige strijd is met de genoemde rechtsnormen, betoogt het college dat er in elk geval geen sprake kan zijn van evidente strijd. Dit zou namelijk betekenen dat de rechtbank zonder nader onderzoek moet kunnen vaststellen dat een dergelijke strijd zich voordoet. Volgens het college is dit niet het geval en hoeft hij artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 daarom niet buiten toepassing te laten.\n\n4.3. Volgens een vaste lijn in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Als in een procedure over een vergunning wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten indien die strijd evident is. Bij strijd met hogere regelgeving is voor evidentie onder meer vereist dat die regeling zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.De rechtbank dient dan zonder nader onderzoek in te stellen te kunnen vaststellen dat een planregel in strijd is met een hogere rechtsnorm.\n\n5.1. Ten aanzien van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt [eiseres] , samengevat, dat de planregel niet noodzakelijk is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, althans dat een dergelijke noodzaak niet afdoende in het bestemmingsplan is onderbouwd. Het is volgens [eiseres] niet begrijpelijk waarom een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen het vestigen van bedrijven met een minder zware milieucategorie op het betreffende perceel.\n\n5.2. Het college voert aan dat een zonering op het bedrijventerrein, zoals volgt uit het bestemmingsplan 2007 en de toepasselijke planregels, wel degelijk bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. Dit maakt een efficiënt ruimtegebruik mogelijk en zorgt voor de nodige afstand tussen bedrijven in zwaardere milieucategorieën enerzijds en woningen en andere gevoelige bebouwing anderzijds. Door percelen alleen te laten gebruiken door bedrijven uit categorie 3 en 4 wordt geborgd dat voor deze bedrijven voldoende vestigingsmogelijkheden beschikbaar blijven.\n\n5.3. De rechtbank komt tot het oordeel dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 niet evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Uit dit artikel 3, in samenhang gelezen met paragraaf 3.2 Bedrijvigheiduit de toelichting op het bestemmingsplan, valt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk af te leiden wat de ratio achter de beperking in de planregel is en hoe de gemeente Eindhoven daarmee een goede ruimtelijke ordening nastreeft. Voor de stelling dat deze planregel niet, of kenbaar ontoereikend, is gemotiveerd, ziet de rechtbank geen grond. Hierdoor kan geen sprake zijn van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en zal de rechtbank de overige argumenten hierover onbesproken laten.\n\n6.1. \n [eiseres] stelt dat sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn. Volgens [eiseres] is geheel niet gemotiveerd waarom artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 voldoet aan de vereisten in artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder het vereiste van noodzakelijkheid en evenredigheid.\n\n6.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2020,ligt het in een gerechtelijke procedure als deze op de weg van degene die een beroep doet op de Dienstenrichtlijn om te beargumenteren dat sprake is van een eis die een beperking oplevert. Het ligt op de weg van het college om bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning te onderbouwen dat die eis in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. Het is dus aan het college om te onderbouwen waarom de in het plan neergelegde beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van de daaraan in de Dienstenrichtlijn gestelde eisen. Daarbij kan het college verwijzen naar de toelichting bij een bestemmingsplan, maar kan het ook, als een dergelijke toelichting ontbreekt, een nadere onderbouwing geven voor de in de planregels opgenomen beperking.\n\n6.3. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007, vanwege de beperking die daaruit voor [eiseres] voortvloeit, heeft te gelden als een eis in de zin van de Dienstrichtlijn, is de rechtbank van oordeel dat het college de beperkende planregel wel heeft toegelicht en de beperking heeft gemotiveerd in de toelichting op het bestemmingsplan. Het college heeft in het bestreden besluit en tijdens de beroepsprocedure nog een nadere toelichting gegeven. Het college is daarbij ook ingegaan op de noodzakelijkheid en evenredigheid van de beperkende planregel.6.4. Wat betreft de voorwaarde van noodzakelijkheid gaat het om de vraag of de eis gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Uit artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat hiervan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu. Uit overweging 40 van de preambule blijkt dat hier ook stedelijke en rurale ruimtelijke ordening onder valt.De toelichting van het college is al samengevat onder 5.2 weergegeven en naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze toelichting om de noodzakelijkheid van de beperking te rechtvaardigen.\n\n6.5. Wat betreft de voorwaarde van evenredigheid gaat het erom dat de eis niet verder mag gaan dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken en dat het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Het college streeft een bepaalde verdeling van bedrijven over een bedrijventerrein na. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan door met zones gebaseerd op milieucategorieën te werken. De rechtbank ziet niet waarom deze zonering verder zou gaan dan hier nodig is, of hoe de gewenste verdeling met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.\n\n6.6. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de beperking dat bedrijven zich op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht slechts op percelen mogen vestigen met de juiste milieucategorie, ook om vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in een zwaardere milieucategorie te behouden, evident niet gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Dat betekent dat alleen al daarom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze planregeling evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHad het college de omgevingsvergunning moeten verlenen omdat er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening?\n\n7.1. \n [eiseres] stelt dat zijn bedrijfsactiviteiten op deze locatie niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. [eiseres] meent dat, anders dan wat het college hierover stelt, uit de Bedrijventerreinnota Eindhoven, Brainport, november 2015 (de Bedrijventerreinnota) volgt dat de activiteiten van [eiseres] wel goed passen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Volgens [eiseres] volgt uit de typering als modern gemengd bedrijventerreinen het gegeven dat er op deze locatie ruimte is voorverkleuring(een toename van andere -stedelijke- functies) dat het college niet afdoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning niet mogen weigeren.\n\n7.2. Het college betoogt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel degelijk in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college is het van belang om ruimte beschikbaar te houden voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 en zou een vergunningverlening aan [eiseres] hier afbreuk aan doen. Daarnaast handhaaft het college het standpunt dat het toestaan van [eiseres] op deze locatie voor beperkingen kan zorgen ten aanzien van andere bedrijven die wel tot een zwaardere milieucategorie behoren. Tot slot weerspreekt het college dat uit de Bedrijventerreinnota volgt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel goed passen op Kapelbeemd Acht.\n\n7.3. Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.\n\n7.4. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de mogelijkheid tot een buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, derde, vierde en negende lid van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Ten eerste acht de rechtbank het beleid van het college gericht op zonering binnen het bedrijventerrein Kapelbeemd Acht niet onredelijk. Het college mag belang hechten aan een efficiënte indeling van het bedrijventerrein, waarbij zowel aandacht is voor afstand tot gevoelige objecten als voor voldoende ruimte voor bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4. De rechtbank kan hierbij volgen dat aan het belang van de aanvraag van [eiseres] minder gewicht wordt toegekend. Anders dan [eiseres] ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het standpunt dat dit beleid niet overeenkomt met het gestelde in de Bedrijventerreinnota. Zo volgt uit de classificatie modern gemengden de mogelijkheden totverkleuringniet dat de gehanteerde zonering niet in redelijkheid kan worden nagestreefd. Uit de passages over zware bedrijvigheid en conserverend beleidvolgt volgens de rechtbank niet dat er geen mogelijkheden zijn voor nieuwe bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4 om zich te vestigen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Er wordt juist met nadruk aandacht gevraagd voor dergelijke bedrijven en het college wordt opgeroepen hier actief beleid op te voeren. De rechtbank ziet in de Bedrijventerreinnota daarom eerder een onderschrijving van het beleid van het college op bedrijventerrein Kapelbeemd Acht, dan van strijd hiermee. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.5. \n [eiseres] voert in dit kader verder aan dat het college het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 ten onrechte als toetsingskader heeft gebruikt voor de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank kan het verweer van het college op dit punt volgen dat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 niet als toetsingskader is gehanteerd maar is meegenomen bij de belangenafweging over een goede ruimtelijke ordening en het eventueel toestaan van verkleuring. De rechtbank is van oordeel dat het college dit in redelijkheid op deze wijze heeft mogen meewegen, omdat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 een indicatie geeft welke plannen de gemeente in de nabije toekomst met het bedrijventerrein heeft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.6. Ter zitting bleken [eiseres] en het college van opvatting te verschillen tot welke milieucategorie de drukkerij behoorde die voorheen op het perceel gevestigd was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitkomst hiervan niet tot een ander resultaat leiden. De kwestie heeft namelijk geen relevante invloed op de vraag of hier sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. [eiseres] krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.S. Badri, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet ruimtelijke ordening\n\nArtikel 3.1\n\n1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer\n\nBestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.\n\n[…]\n\nBestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nArtikel 3 Bedrijfsdoeleinden I\n\n3.1. Bestemmingsomschrijving\n\nDe op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden I aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen en met\n\ninbegrip van risicovolle inrichtingen, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nb. bedrijven behorende tot de categorieën 1, 2 en 5, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nc. kantooractiviteiten voorzover ondergeschikt aan de bedrijven vermeld onder a en b;\n\nd. productiegebonden detailhandel deel uitmakende van bedrijven vermeld onder a en b,, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;\n\nmet de daarbijbehorende:\n\ne. tuinen, erven en terreinen;\n\nf. parkeervoorzieningen;\n\ng. groenvoorzieningen;\n\nh. wegen, straten en paden;\n\ni. water;\n\nj. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;\n\nk. voorzieningen van openbaar nut.\n\n[…]\n\n3.4. Gebruiksvoorschriften\n\n3.4.1.. \n\nGebruiksverbod\n\nHet is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.3.4.2.. \n\nStrijdig gebruik\n\nTot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.4.1 wordt in ieder geval gerekend:\n\na. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;\n\nb. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan\n\nvermeld in lid 3.1 sub d;\n\nc. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.3.4.3.. \n\nVrijstellingsbevoegdheid\n\nBurgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3.4.1, en:\n\na. tevens bedrijven toestaan, die niet voorkomen in de \"lijst van bedrijfsactiviteiten\" of op\n\ngrond van deze lijst jo. deze voorschriften niet zijn toegestaan doch die naar de aard en de\n\ninvloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" onder de categorieën 3 en 4;\n\nb. risicovolle inrichtingen toestaan, mits de PR10 contour van die inrichting valt binnen\n\nde eigen perceelsgrens.3.4.4.. \n\nVrijstelling voor meest doelmatig gebruik\n\nBurgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.4.1 indien strikte\n\ntoepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke\n\nbeperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.\n\n3.5. Procedurebepaling\n\nBij het nemen van een beslissing omtrent vrijstelling als vermeld in lid 3.4.3 nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht:\n\na. het ontwerp-besluit ligt, met bijbehorende stukken, gedurende twee weken ter inzage;\n\nb. van de ter inzage legging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen,\n\nof op een andere geschikte wijze kennisgegeven;\n\nc. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen;\n\nd. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van\n\nburgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerp-besluit.\n\n3.6. Strafbepaling\n\nOvertreding van het bepaalde in lid 3.4.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op de economische delicten.\n\nToelichting op bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nBestemming “Bedrijfsdoeleinden I ” (artikel 3)\n\nDeze bestemming is toegekend aan de gronden in het plangebied waar bedrijven zijn toegestaan in de milieucategorie 3 en 4 als bedoeld in de bij deze voorschriften behorende “Lijst van bedrijfsactiviteiten”. Deze lijst is gebaseerd op de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijven in de overige categorieën zijn alleen toegestaan voorzover het gaat om bestaande bedrijven. Er kan vrijstelling worden verleend ten behoeve van bedrijven die niet voorkomen op de “Lijst van bedrijfsactiviteiten” doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. Bedrijven die ingevolge de Wet geluidhinder geluidszoneringsplichtig zijn, zijn uitgesloten. Ten aanzien van risicovolle bedrijven geldt dat bestaande risicovolle bedrijven zijn toegestaan, nieuwe risicovolle bedrijven zijn middels vrijstelling toegelaten.\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2440.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:520\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1020, onder 11.6.\n\n p. 28, p. 36 en p. 44-45 van de Bedrijventerreinnota.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","2023-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.080Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":86,"fullText":87,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":89,"parsedAt":39,"updatedAt":90},"507","ECLI:NL:RBOBR:2023:332","ecli-nl-rbobr-2023-332","2023-01-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F1400, SHE 21\u002F1401, SHE 21\u002F1402, SHE 21\u002F1403\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2023 in de zaak tussen\n \n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam], uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. S.G.H. van de Kamp en mr. M.A. Prins),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Oss, de burgemeester,\n\n(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het de besluiten van de burgemeester om sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel aan [adres] te bevelen voor een duur van zes maanden.\n\nMet het bestreden besluit van 28 april 2021 op de bezwaren van eisers is de burgemeester bij dat besluit gebleven.\n\nDe burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 12 december 2022 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] , de gemachtigden van eisers, met mr. S.A.C. de Ridder als waarnemer van S.G.H. van de Kamp, en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. In een bestuurlijke rapportage is vermeld dat op 13 november 2019 een politieonderzoek heeft plaatsgevonden op en rond het perceel [adres] (het perceel). Dit perceel is een woonwagenstandplaats, die wordt gehuurd door [naam] en [naam] . Hun kinderen [naam] en [naam] zijn geboren in 2003, respectievelijk 1997. Eisers woonden op dit perceel in een woonwagen. Op het perceel staat ook een schuur en achter de schuur ligt een bosperceel.\n\n2. In de bestuurlijke rapportage van 9 december 2019 is vermeld dat in de woonwagen en de daarachter gelegen schuur het volgende is aangetroffen;\n\nAmfetamine, +\u002F- 150 gram, in het keukenkastje;\n\nDeense kronen en Euro’s, totaal een waarde van € 256.650, -, verborgen in ruimte slaapkamer kast vloer;\n\nBankbiljetten en muntgeld, € 6244,-, op verschillende plekken in woning;\n\nMunitie en hulzen, 8 + 4 (divers kaliber, in de schuur);\n\nOnderdelen van (vuur)wapens, meerderen, in de schuur.\n\n3. Op grond van deze informatie heeft de burgemeester aan eisers op 13 januari 2020 het voornemen bekend gemaakt om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, het perceel te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Op 7 februari 2020, later bevestigd in een aanvullende rapportage van 24 februari 2020, maakte de politie aan de burgemeester bekend dat sprake was geweest van een vals-positieve test van amfetamine. De stof bleek geen amfetamine of enig andere hard- of softdrugs te zijn. Aan het voornemen van 13 januari 2020 heeft de burgemeester geen vervolg gegeven.\n\n4. Op 26 februari 2020 volgt een bestuurlijke rapportage over het op 13 november 2019 verrichte onderzoek en wat daarbij in de schuur en op\u002Fin het daarachter gelegen bosperceel is aangetroffen. Hierover is het volgende vermeld:\n\n“Aan onder andere de achterzijde van de schuur op het perceel waren camera’s gemonteerd die gericht waren op het bosperceel grenzend aan de achterzijde van het perceel. Deze camera’s konden in de schuur worden uitgelezen op een daarop aangesloten en werkend beeldscherm. Tijdens het onderzoek op 13 november 2019 werden op\u002Fin het betreffende bosperceel, waarop de camera’s gericht waren, drie ondergrondse bergruimtes, een ingegraven vat en andere zaken met inhoud aangetroffen. Het ging om de volgende inhoud: in de ondergrondse ruimten werd een groot aantal kunststofvaten en kartonnen dozen aangetroffen met daarin een groot aantal vuurwapens en onderdelen hiervan, alsook verdovende middelen. De verdovende middelen zijn voor nader onderzoek in beslag genomen. Uit het onderzoek is in iedere geval een positief indicatieve test gebleken van de volgende (hard)drugs c.q. stoffen:\n\n- 110 kilo MDMA-pillen (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 193 MDMA-kristallen (lijst T Opiumwet)\n\n- 49 kilo Amfetamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 222 liter Amfetamine olie (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 3,4 kilo Methamfetamine (kristallen) (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 1,5 kilo Ketamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 0,3 kilo Cocaïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 0,5 kilo Heroïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 156,7 plakken Cannabis (hashish) (lijst 2 Opiumwet).”\n\nen:\n\n“Op basis van onderzoeksbevindingen (opgenomen gesprekken) kan worden gesteld dat de schuur achter de woning van deze locatie, in de periode maart 2018 tot en met november 2019 vrijwel dagelijks werd gebruikt als overleglocatie \u002F handelsplaats voor een crimineel samenwerkingsverband (CSV), waar ook vrijwel dagelijks bezoekers werden ontvangen. Dit CSV bestaat naast [naam] en [naam] uit tientallen personen, waaronder familieleden. Leden van het CSV en hun contacten konden ook buiten aanwezigheid van [naam] en [naam] gebruik maken van de schuur. Deze schuur was ingericht als vergaderruimte en werd door een deelnemer van het CSV zijn ‘kantoor’ genoemd. Ook op basis van onderzoeksbevindingen kan worden gesteld dat vanuit de schuur doorlopend drugstransacties besproken werden, voorbereid en uitgevoerd. Er werd vrijuit gesproken over onder andere:\n\n• het produceren van verdovende middelen (synthetische drugs) en het verhandelen van producten (precursoren) bestemd voor de productie van synthetische drugs.\n\n• het importeren van containers met verdovende middelen met diverse soorten dekladingen.\n\n• het uithalen van containers met daarin verdovende middelen.\n\n• het wegnemen van containers met vermoedelijk verdovende middelen.\n\n• het maken van afspraken met buitenlandse personen afkomstig uit onder andere Bulgarije, Zuid-Amerika en België.\n\n• het handelen in (vuur)wapens.\n\nOok in de woning aan de [adres] kwamen leden van het crimineel samenwerkingsverband samen en werd veelvuldig gesproken over deze onderwerpen. Gesprekken in de schuur werden in de woning voortgezet, met name door familieleden die deel uit maken van het CSV”.\n\n5. Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen heeft de burgemeester op\n\n10 maart 2020 aan eisers een nieuw voornemen kenbaar gemaakt tot sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel, voor de duur van twaalf maanden. In het voornemen heeft de burgemeester eisers in de gelegenheid gesteld om op het voornemen hun zienswijze kenbaar te maken. Eisers hebben op 24 maart 2020 hun zienswijzen kenbaar gemaakt.\n\n7. Daarop heeft de burgemeester bij de primaire besluiten van 28 april 2020 de voorgenomen sluiting gehandhaafd, maar volstaan met een sluitingsduur van zes maanden in plaats van twaalf. Bij het bestreden besluit is de burgemeester bij die besluiten gebleven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen sluiten voor de duur van zes maanden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n9. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesbelang\n\n10. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of eisers nog procesbelang hebben bij de door hen ingestelde beroepen. De sluiting van het perceel is inmiddels beëindigd en ligt dan ook in het verleden. Dat brengt de vraag met zich wat eisers feitelijk nog kunnen bereiken met deze beroepsprocedures.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Vereist wordt dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.Desgevraagd hebben eisers gesteld dat zij als gevolg van het bestreden besluit schade hebben omdat zij de huur moesten doorbetalen, terwijl zij geen gebruik konden maken van de woning en omdat het bestuursrechtelijke bestreden besluit mogelijk doorwerking heeft in een civiele procedure. Met inachtneming van de vaste rechtspraak oordeelt de rechtbank dat eisers met deze stellingen tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit en dat zij daarom een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.\n\nBeoordelingskader\n\n12. De rechtbank beoordeelt de beroepen volgens het beoordelingskader dat de Afdeling uiteen heeft gezet in haar uitspraak van 28 augustus 2019, in de uitspraken van de Afdeling over de evenredigheid van 2 februari 2022en in de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022.\n\nBevoegdheid\n\n13. Desgevraagd hebben eisers op de zitting bevestigd dat zij de bevindingen, die zijn vermeld in bestuurlijke rapportage over wat en hoeveel in de woning, in de schuur en op het bosperceel is aangetroffen, niet bestrijden. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die bevindingen.\n\n14. Eisers betogen dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten omdat de ruimtelijke en functionele samenhang met het bosperceel en de schuur ontbrak. Daarbij wijzen zij op de feitelijke situatie, dat de woning en de schuur losstaande bouwwerken zijn, dat de schuur vrij toegankelijk is via een brede oprit en geen rechtstreekse toegang heeft vanuit de woning en dat het bosperceel van de standplaats met de woning en schuur wordt gescheiden door een stenen muur zonder doorgang. Daarnaast stellen eisers dat de kadastrale gegevens niet alleszeggend zijn en dat zij het bosperceel niet huurden van de gemeente. Tijdens de zitting hebben eisers aangegeven dat zij niet langer het standpunt innemen dat er op de schuur geen camera’s waren gericht op het bosperceel.\n\n15. De burgemeester heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar een drietal uitspraken van de Afdelingals volgt gereageerd op de beroepsgrond van eisers:\n\n“Uit al deze uitspraken volgt dat om te kunnen spreken van een ‘samenhangend geheel’\n\ner in de eerste plaats sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang en daarnaast van\n\nfunctionele samenhang. Anders dan eisers beweren in hun (aanvullend) beroepschrift is\n\nde burgemeester niet alleen uitgegaan van de kadastrale eenheid. Dit laatst, ruimtelijke\n\nelement is slechts één van de (vele) factoren waarop de burgemeester baseert dat de\n\nwoning, schuur en het achterliggende bosperceel een samenhangend geheel zijn. De\n\nruimtelijke samenhang bestaat hieruit dat:\n\nde woning en de schuur op hetzelfde, als één geheel verhuurde kadastrale perceel gelegen zijn;\n\nhet perceel als één geheel is omsloten en als één geheel toegankelijk is via dezelfde toegang vanaf de openbare weg. De schuur is alleen via een smalle toegang die loopt langs de woonwagen te bereiken (zie ook de foto’s in de bestuurlijke rapportage van 26 februari 2020). Dat geldt ook voor het achter de schuur gelegen bosperceel;\n\nde schuur en woonwagen worden door dezelfde personen gehuurd en gebruikt, te weten [naam] en [naam] , alsmede hun kinderen;\n\nde schuur en woonwagen liggen praktisch tegen elkaar aan, daarmee in elkaars fysieke nabijheid. Tussen de schuur en de woonwagen is nauwelijks fysieke ruimte aanwezig, waardoor buiten het zicht vanuit de woning de schuur kan worden bereikt.\n\nIn het kader van de ruimtelijke samenhang mag ook het sluitingsdoel worden betrokken.\n\nEen gedeeltelijke sluiting — van bijvoorbeeld alleen de schuur of, zoals eisers lijken voor\n\nte staan, alleen het bosperceel zal ertoe leiden dat niet goed controleerbaar is wat er\n\ntijdens de sluiting op de rest van het perceel gebeurt. Een persoon zou geheel aan het\n\nzicht vanaf de openbare weg onttrokken, vanuit de woning de schuur of het daarachter\n\ngelegen bosperceel alsnog kunnen betreden. Dit zou afbreuk doen aan het doel van de\n\nsluiting, te weten het beëindigen van de overtreding en voorkoming van het herhaling en\n\nhet afgeven van een signaal dat het overtreden van de Opiumwet wordt gehandhaafd.\n\nDat er een afscheiding zou bestaan — hetgeen niet zo is — of zou zijn te maken tussen de\n\nwoning, de schuur en het bosperceel, laat daarmee onverlet dat het sluitingsdoel zich\n\nalsdan nog steeds verzet tegen het buiten de sluiting houden van delen van het\n\nsamenhangende geheel. Zie in dit verband ook de volgende overweging van de Afdeling\n\nin een uitspraak van 6 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401:\n\n‘Hieruit blijkt onder meer dat de loods direct achter de woning ligt, dat tussen de woning en de loods een tuin ligt die is omheind en dat een uitgang van de loods uitkomt in de tuin. Dit betekent dat de loods, vanaf de openbare weg bezien, ongezien kan worden binnengetreden via de woning en de tuin. Indien de woning niet zou zijn gesloten dan was de bereikbaarheid van de loods gelet hierop vele malen gemakkelijker geweest. Dat [appellante] derden de toegang tot haar terrein had kunnen ontzeggen en bovendien het toegangshek had kunnen sluiten, geeft geen grond voor een ander oordeel. De burgemeester stelt in dit verband terecht dat de productie van amfetamine zich afspeelt in een criminele omgeving en hij heeft aannemelijk mogen achten dat [appellante], al dan niet met geweld, in dat geval gedwongen zou kunnen worden toegang te verlenen tot het terrein en de loods. Voorts heeft de burgemeester erop gewezen dat sluiting van de woning en het terrein nodig was om de loods achter de woning zichtbaar te onttrekken aan het illegale circuit, waardoor de bekendheid van de drugslaboratoria definitief kon worden beëindigd.’\n\nIn verband met de functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het\n\nbosperceel, wijs ik namens de burgemeester op de volgende elementen waarop deze\n\nfunctionele samenhang met name is gestoeld:\n\n- in de schuur zijn munitie en huizen, alsmede onderdelen voor (vuur)wapens\n\naangetroffen, daaronder begrepen een onderdeel van een machinegeweer. Deze\n\nvoorwerpen werden ook aangetroffen in\u002Fop het bosperceel, tezamen met grote\n\nhoeveelheden harddrugs. De wapens, wapenonderdelen en munitie zijn — zeker\n\nin de gegeven context — aan te merken als drugs gerelateerd;\n\n- uit tapgesprekken is gebleken dat de schuur vrijwel dagelijks werd gebruikt als\n\noverleglocatie\u002Fhandelsplaats voor een CSV. In de schuur werden blijkens tapgesprekken doorlopend drugstransacties besproken (zie de bestuurlijke\n\nrapportage van 26 februari 2020);\n\n- uit een proces-verbaal van 21 februari 2019 en strafvonnis van 6 september\n\n2021 blijkt ook dat vermoedelijk MDMA is geleverd in de schuur. Ook is een\n\ntapgesprek in de schuur waargenomen waarin is gesproken over Barcelonapillen.\n\nHet betreft vermoedelijk de voorraad MDMA-pillen met daarop een logo\n\nvan FC Barcelona die in de ondergrondse ruimten in\u002Fop het bosperceel werden\n\naangetroffen;\n\n- blijkens tapgesprekken werden diverse gesprekken over — kort gezegd —\n\ndrugshandel in de schuur werden voortgezet in de woning op hetzelfde perceel\n\nen werd de woning ook bezocht door leden van het CSV;\n\n- in de woning zijn daarnaast grote contante geldbedragen aangetroffen,\n\nwaaronder in totaal € 256.650,- aan o.a. Deense Kronen. Het geld lag verstopt\n\nin de ouderlijke slaapkamer, in een kast onder de vloer. Het geld was in\n\ncoupures van bankbiljetten verpakt in plastic pakketjes;\n\n- door de strafrechter is bovendien bewezen bevonden (zie eerder genoemd\n\nvonnis van 6 september 2021) dat het in de woning aangetroffen geldbedrag —\n\nkort gezegd — een gedeelte van de ‘kas’ van het CSV betrof, in verband met de\n\no.a. op het perceel plaatsvindende illegale activiteiten.”\n\n16. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de burgemeester bij het aannemen van ruimtelijke en functionele samenhang tussen het bosperceel, de schuur en de woning en de elementen die daarbij relevant zijn. De burgemeester heeft op goede gronden verwezen naar de rechtspraak van de Afdeling. Uit die rechtspraak volgt ook dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n18. Omdat eisers de bevindingen in de beschikbare bestuurlijke rapportages niet betwisten oordeelt de rechtbank dat kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan, waaronder hetgeen als volgt in de aanvullende bestuurlijke rapportage van 22 juni 2020 is vermeld:\n\n“Relatie bos (terrein) en [adres]\n\nUit het strafrechtelijk\u002Fforensisch onderzoek is gebleken dat er meerdere (4x) camera’s waren aangebracht aan, onder andere, de achterzijde van de schuur, behorende bij perceel [adres] . De camera’s waren gericht op het bos (terrein) direct grenzend aan de achterzijde van de schuur en gaven vanuit een aangesloten en werkend beeldscherm, geplaatst in de betreffende schuur perceel [adres] , beelden van de plekken al waar de aangetroffen ondergrondse ruimten en het vat werden aangetroffen in het bos (terrein).\n\nVerondersteld wordt dat de camera’s aan de achterzijde van de schuur, gericht op het bos (terrein) bedoeld waren voor het zicht op de ondergrondse ruimten en het ingegraven vat waarin de inbeslaggenomen goederen werden aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat er een directe relatie bestaat tussen deelnemers aan het CSV dat criminele activiteiten ontplooide vanuit de schuur aan de [adres] en de inbeslaggenomen goederen in het bosperceel (zie sporenonderzoek\u002FDNA hits).”\n\n19. De rechtbank concludeert dat de burgemeester terecht een ruimtelijke en functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het bosperceel heeft aangenomen en bevoegd was tot sluiting van zowel het bosperceel, de schuur als de woning.\n\nEvenredigheid\n\n20. Eisers stellen dat de sluiting onevenredig is, omdat de burgemeester het tijdsverloop en de verwijtbaarheid van de bewoners onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Volgens eisers heeft de burgemeester ten onrechte ook niet meegewogen dat de gemeente als verhuurder van de woning belang heeft bij de sluiting omdat direct een procedure tot ontruiming is gestart nadat van rechtswege de ontbindingsbevoegdheid was ingeroepen.\n\n21. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester het tijdsverloop voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. In het primaire besluit is immers overwogen dat vanwege het tijdsverloop en omdat de omstandigheden als gevolg van het coronavirus het vinden van een vervangende woonruimte lange termijn bemoeilijken, de sluitingsduur wordt verkorten van de voorgenomen twaalf naar zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding dat de sluitingsduur vanwege het tijdsverloop nog verder moet worden verkort. De burgemeester heeft terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021,waaruit volgt dat pas na het verstrijken van één jaar sinds de datum dat de sluiting volgens het besluit zou moeten ingegaan, de burgemeester de noodzaak tot sluiting opnieuw moet beoordelen. In dit geval is die periode van één jaar echter nog niet verstreken.\n\n23. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester zich er voldoende zorgvuldig en inzichtelijk van heeft vergewist dat de duur van de sluiting evenwichtig is en daarbij heeft kunnen betrekken dat [naam] en [naam] , gelet op de niet bestreden feiten en omstandigheden, een zeer ernstig verwijt treft. Aan de omstandigheid dat voor hun kinderen [naam] en [naam] mogelijk een verminderde mate van verwijtbaarheid geldt, kan niet de door eisers gewenste betekenis worden toegekend. Uit rechtspraak van de Afdelingvolgt immers dat ouders in beginsel verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte voor de kinderen. De burgemeester heeft hulp aangeboden, indien eisers daarin niet zouden kunnen slagen.\n\n24. Aan het door eisers gestelde belang van de gemeente als verhuurder van de woning kan bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting evenmin relevante betekenis worden toegekend. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet zozeer een gevolg is van de woningsluiting, maar van het feit dat gelet op de beschikbare gegevens sprake is van zeer ernstige activiteiten.\n\n25. De rechtbank concludeert dat de burgemeester bevoegd was om te sluiten voor een periode van zes maanden. De voor eisers nadelige gevolgen van de sluiting zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en algemene belang. De burgemeester heeft met in achtneming van de rechtspraak van de Afdeling alle relevante omstandigheden en belangen betrokken bij de besluitvorming.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen bevelen voor een duur van zes maanden. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. V.A.C.M. Vonk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 januari 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraken van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1520, en van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2526.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:2912.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285 en 335.\n\n Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2022:1910, 1911, 1913 en 1916.\n\n De uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401, de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2456 en de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193.\n\n Zie onder andere de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916, r.o. 5.3.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2756.\n\n Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:332","2023-01-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.954Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":95,"parsedAt":39,"updatedAt":98},"1837","ECLI:NL:RBOBR:2022:2025","ecli-nl-rbobr-2022-2025","2022-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F1500 Ttussenuitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2022 in de zaak tussen\n\n [eisers] ,uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. V. Wösten),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk (voorheen de gemeente Grave), verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G. Lucas).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel Varkenshouderij [naam] te [plaats]\n\n(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 14 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een luchtwasser en luchtkanaal bij een bestaande varkensstal, op het perceel kadastraal bekend gemeente Grave, [sectienummer] , plaatselijk bekend [projectlocatie] .\n\nMet het besluit van 11 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser [naam] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en de bezwaren van de overige eisers niet-ontvankelijk verklaard.\n\nEisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 5 april 2022 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaak SHE 21\u002F1501. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de derde-partij zijn de gemachtigde en [namen] verschenen.\n\nOverwegingen\n\n1. De zaak gaat over de bouw van een luchtwasser met luchtkanaal aan een bestaande varkensstal aan de [projectlocatie] (verder: de projectlocatie). In deze uitspraak zet de rechtbank eerst de feiten op een rij. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of alle eisers een rechtstreeks betrokken belang hebben. Dan worden de inhoudelijke beroepsgronden behandeld. In de bijlage staat de regelgeving waarnaar wordt verwezen in deze uitspraak.\n\n2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:\n\n Op de projectlocatie is een varkenshouderij gevestigd met twee stallen. De oude boerderij zelf is al meer dan 100 jaar geleden gebouwd. Op de projectlocatie is het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2018” van toepassing. De projectlocatie heeft de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden” met de functieaanduiding “intensieve veehouderij” en de dubbelbestemming “Waterstaat-Attentiegebied EHS”.\n\n Voor de inrichting is op 19 oktober 1993 een revisievergunning verleend die onherroepelijk is geworden en in werking is getreden. Stal 1 is hierbij zonder luchtwasser en luchtkanaal opgericht en traditioneel uitgevoerd.\n\n Op 24 september 2010 is voor de oprichting van een nieuwe stal voor 2.160 vleesvarkens (stal 3) een bouwvergunning eerste fase aangevraagd.\n\n Op 27 september 2010 is een bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor de bouw van een luchtkanaal en luchtwasser ten behoeve van de al op het perceel aanwezige traditioneel uitgevoerde stal 1.\n\n Op 27 september 2010 is ook een revisievergunning aangevraagd voor verandering van de inrichting met de nieuw op te richten stal (stal 3) en de aansluiting van stal 1 op een chemische luchtwasser en verhoging van de bezetting van stal 1 naar 880 vleesvarkens. Stal 2 is ook een traditionele stal, die volgens de aanvraag buiten gebruik wordt gesteld. Op 9 april 2013 is de revisievergunning verleend.\n\n Vervolgens zijn op 23 mei 2013 de bouwvergunningen eerste fase verleend voor zowel de oprichting van stal 3 als de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser bij stal 1. Op 14 april 2014 is een bouwvergunning tweede fase verleend voor de oprichting van stal 3. Ten behoeve van stal 1 is geen bouwvergunning tweede fase aangevraagd.\n\n Eiser [naam] woont op het perceel naast de projectlocatie. De andere eisers wonen op grotere afstand van de locatie, op 380 meter en 230 meter. De andere eisers hebben (nagenoeg) geen zicht op het te bouwen luchtkanaal en de luchtwasser bij stal 1.\n\n Bij een controle in 2018 is geconstateerd dat is begonnen met de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser. Verweerder heeft een bouwstop opgelegd. Hiertegen heeft de derde-partij bezwaar gemaakt. Dit heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 8 juli 2019 waarin het beroep van de derde-partij ongegrond is verklaard.Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.\n\n Eisers hebben verweerder ook verzocht om handhavend op te treden wegens een overtreding van artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Zij stellen dat de revisievergunning uit 2013 niet in werking is getreden en dat stal 3 is gerealiseerd in afwijking van de revisievergunning uit 2013. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld, dat bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SHE 21\u002F1501. In de tussenuitspraak van heden in die zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de in 2013 verleende revisievergunning in werking is getreden.\n\n2.2. \n\nMet het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de luchtwasser en het luchtkanaal bij stal 1 en voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo. Verweerder is (met toepassing van artikel 5.3.1, onder c, van de planregels) afgeweken van het artikel 5.2.1, onder e, van de planregels, waarin eisen worden gesteld aan de hellingshoek van het dak. Verweerder heeft in de vergunning een voorschrift opgenomen dat inhoudt dat uitvoering moet zijn gegeven aan de op 5 februari 2020 gemelde sloop van het achterhuis van de oude boerderij, voordat wordt begonnen met de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser. Die verplichting is opgenomen om te kunnen voldoen aan het verbod op toename van bebouwing, dat is opgenomen in artikel 5.2.2, onder f, van de planregels.\n\nOok heeft verweerder met het primaire besluit een omgevingsvergunning verleend voor grondverzet. Deze vergunning is gebaseerd op artikel 27 van de planregels die gelden voor gronden met de dubbelbestemming “Waterstaat-Attentiegebied EHS”.\n\n2.3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser [naam] , onder afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard en de bezwaren van de overige eisers niet-ontvankelijk verklaard. Als bijlage is bij het bestreden besluit een besluit tot het verlenen van een voorlopig stalderingsbewijs gevoegd. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat hij dit besluit ter informatie heeft bijgevoegd. De rechtbank stelt vast dat het in de bijlage vervatte besluit niet ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit.\n\n3.1. Zijn alle eisers belanghebbenden bij het bestreden besluit? Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de eisers waarvan hij het bezwaar nietontvankelijk heeft verklaard, geen zicht hebben op de bouwlocatie en geen persoonlijk belang hebben.\n\n3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 20 juni 2018,is het uitgangspunt dat degene die feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken, indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Indien het besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, komt de vraag of aan die norm wordt voldaan aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.\n\n3.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte alleen heeft gekeken naar het zicht op het vergunde bouwwerk. Verweerder heeft daarmee miskend dat ook toestemming wordt verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan en dat deze toestemming alleen mag worden verleend als geen sprake is van een strijd met een goede ruimtelijke ordening. In dit kader had verweerder ook moeten kijken naar de factoren van planologische uitstraling en milieugevolgen, in het kader van de toets aan een goede ruimtelijke ordening. De luchtwasser wordt gebouwd om uitvoering te geven aan de revisievergunning uit 2013 en biedt daardoor de mogelijkheid om dieren te houden in stal 1. De rechtbank kan niet uitsluiten dat eisers hierdoor gevolgen van enige betekenis ondervinden. Daarom hebben alle eisers een rechtstreeks betrokken belang. De omstandigheid dat deze gevolgen al zijn beoordeeld in de revisievergunning van 2013, wil niet zeggen dat verweerder deze gevolgen niet moet betrekken bij de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal. Dit is een aparte beoordeling. De rechtbank concludeert dat verweerder het bezwaar van eisers (met uitzondering van dat van [naam] ) ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n4.1. Eisers hebben opgemerkt dat ten onrechte geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor de afwijkingen bij het realiseren van stal 3.\n\n4.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende aanvraag volgens het aanvraagformulier betrekking heeft op de ‘bouw van een bouwkundig luchtkanaal aan een bestaande varkensstal en het plaatsen van een luchtwasser’. Het is aan de aanvrager van een omgevingsvergunning te bepalen voor welke activiteit hij vergunning wenst te verkrijgen.\n\n4.3. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder niet buiten de grondslag van de aanvraag mag treden. Het luchtkanaal en de luchtwasser wijken niet af van de revisievergunning uit 2013 en in zoverre is ook geen sprake van een niet vergunde wijziging van de inrichting. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de revisievergunning uit 2013 in werking is getreden, zoals zij heeft geoordeeld in haar uitspraak in de zaak met zaaknummer\n\nSHE 21\u002F1501 T. Dit betoog slaagt niet.\n\n5.1. Eisers vinden dat de omgevingsvergunning voorziet in een uitbreiding van een gebouw in een zone \"Beperkingen Veehouderij\". Dat is volgens eisers in strijd met artikel 2.72 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). Volgens eisers is het verbod in artikel 5.2.2 van de planregels niet in overeenstemming met artikel 2.72 van de IOV.\n\n5.2. Verweerder is van mening dat artikel 2.72 van de IOV geen onderscheid maakt tussen stalgebouwen en andere gebouwen. Dit artikel bepaalt uitsluitend dat ‘een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen is uitgesloten’. Per saldo is volgens verweerder geen sprake van toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen. De bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal wordt gecompenseerd met de sloop van het oude achterhuis bij de boerderij.\n\n5.3. De projectlocatie ligt in de zone “Beperkingen Veehouderij” als bedoeld in artikel 2.72 van de IOV. De rechtbank stelt vast dat het verbod in artikel 5.2.2, onder f, van de planregels niet helemaal overeenstemt met artikel 2.72 van de IOV. Artikel 5.2.2, onder f, van de planregels bepaalt de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op de oppervlakte van gebouwen die op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn. De IOV bepaalt de bestaande oppervlakte van gebouwen op de oppervlakte die op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was. Omdat de mogelijkheid bestaat dat na 21 september 2013, maar voor de vaststelling van het bestemmingsplan, oppervlakte is toegevoegd, toetst de rechtbank (op basis van 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo en artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening) aan de rechtstreeks werkende bepaling in artikel 2.72 van de IOV.\n\n5.4. Het primaire besluit bevat de verplichting om een deel van de oude boerderij te slopen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat dit deel legaal is gebouwd, omdat het al aanwezig was voor 1900 (dus voor inwerkingtreding van de Woningwet). Verweerder hoeft hiervan geen nader bewijs te verschaffen. In het midden kan blijven of er wel of geen dieren mogen worden gehouden in het te slopen deel van de boerderij. Het maakt deel uit van de bebouwing van de veehouderij. Als dit deel wordt gesloopt en het luchtkanaal en de luchtwasser worden gebouwd, neemt de bebouwing van de veehouderij per saldo niet toe. Artikel 2.72 van de IOV staat er niet aan in de weg dat een deel van de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt om de bebouwing voor de veehouderij te vergroten. Dit betoog slaat niet.\n\n6.1. Volgens eisers wordt met de bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal het dierenverblijf vergroot, in strijd met artikel 2.74 van de IOV.\n\n6.2. Verweerder beschouwt (in afwijking van de bezwaarschriftencommissie) de luchtwasser en het luchtkanaal niet als een dierenverblijf in de zin van de planregels. Hierin is een dierenverblijf gedefinieerd als ‘een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen’. In de luchtwasser worden geen landbouwhuisdieren gehouden. Het bouwwerk vormt volgens verweerder een apart bouwwerk naast de bestaande stal, waarin een luchtkanaal en luchtwasser worden ondergebracht. Het bouwwerk is (anders dan via de noodzakelijke ventilatieopeningen) niet verbonden met de bestaande stal en ook niet toegankelijk vanuit de stal. Verweerder beschouwt het bouwwerk als een voorziening buiten de stal en niet als een inpandige voorziening van de bestaande stal\u002Fhet bestaande dierenverblijf. De gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven verandert door de luchtwasser niet.\n\n6.3. Ook het verbod in artikel 5.2.2, onder e, van de planregels stemt niet helemaal overeen met artikel 2.74 van de IOV. Ook in dit onderdeel van de planregels wordt de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven gekoppeld aan de oppervlakte op de datum van de vaststelling van het bestemmingsplan en niet (zoals in artikel 2.74 van de IOV) aan de datum van 17 maart 2017. Bovendien biedt artikel 5.3.3 van de planregels de mogelijkheid om af te wijken van het verbod in artikel 5.2.2, onder e, van de planregels. Daarom toetst de rechtbank rechtstreeks aan artikel 2.74 van de IOV zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit.\n\n6.4. Hieronder heeft de rechtbank een kopie van de dwarsdoorsnede van het luchtkanaal opgenomen.\n\n6.5. De Afdeling heeft in een uitspraak van 25 maart 2020overwogen dat de stalderingsregeling ook van toepassing is in het geval dat de oppervlakte van het dierenverblijf wordt vergroot voor inpandige voorzieningen, zoals luchtwassers, brijkeukens of ventilatiekanalen, maar de oppervlakte van het dierenverblijf niet wordt vergroot om meer dieren te houden. Blijkens de toelichting bij artikel 26.1 van de IOV is het, vanuit het streven naar een zo eenvoudig mogelijke en eenduidige regeling, niet gewenst om binnen een gebouw onderscheid te maken tussen delen waar wel en waar geen dieren worden gehouden. Daarom hebben provinciale staten ervoor gekozen om bij de stalderingsregeling uit te gaan van de oppervlakte van het gehele dierenverblijf, inclusief de daartoe behorende voorzieningen zoals luchtwassers, brijkeukens en ventilatiekanalen. De rechtbank merkt hierbij op dat de definitie van dierenverblijf in artikel 2.74 van de IOV na deze uitspraak is gewijzigd. Destijds was het begrip \"dierenverblijf\" gedefinieerd als gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.\n\n6.6. De vraag is of het luchtkanaal en de luchtwasser kunnen worden beschouwd als een apart gebouw of als een inpandige voorziening bij een gebouw. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het luchtkanaal en de luchtwasser niet zijn te beschouwen als een zelfstandig gebouw. Ze zitten aan de bestaande stal vast en zouden zonder de ondersteuning van de stal niet overeind blijven staan. Bovendien zitten er ventilatieopeningen tussen de bestaande stal en het luchtkanaal. Door de bouw van het luchtkanaal wordt het bestaande gebouw vergroot en wordt het luchtkanaal onderdeel van het gebouw. Deze constructie maakt het luchtkanaal tot een inpandige voorziening. Omdat, op grond van artikel 2.74, vierde lid, van de IOV, de inpandige voorzieningen van een dierenverblijf deel uitmaken, is sprake van een vergroting van de oppervlakte van het dierenverblijf. De rechtbank acht niet van belang dat in de inpandige voorzieningen geen dieren worden gehouden. In verweerders uitleg van artikel 2.74 van de IOV, zou het mogelijk kunnen zijn om zonder omgevingsvergunning voor bouwen het luchtkanaal te verbinden met de stal (bijvoorbeeld door een deur te maken) waardoor de stallen alsnog zouden worden vergroot. Dit beoogt artikel 2.74 van de IOV nu juist te voorkomen. Verweerder is dus ten onrechte afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Er is sprake van een toename van de oppervlakte van een hokdierenverblijf, in strijd met artikel 2.74 van de IOV. Er is dus een stalderingsbewijs nodig. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van de luchtwasser en het luchtkanaal ten onrechte niet gegrond geacht.\n\n7.1. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Inmiddels heeft de derde-partij een definitief stalderingsbewijs. Verweerder dient het definitieve stalderingsbewijs te beoordelen en te bezien of hiermee wel een omgevingsvergunning kan worden verleend. Verweerder dient hiertoe een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen na intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. De rechtbank geeft verweerder wel de aanwijzing om het definitieve stalderingsbewijs, inclusief bijlagen, te overleggen en wijst verweerder op rechtsoverweging 9 van de uitspraak van 12 januari 2022.\n\n7.2. Verweerder heeft ter zitting al aangegeven dat hij in de gelegenheid wil worden gesteld om gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank zal eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n7.3. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter en mr. D.J. de Lange en mr. R. Grimbergen, rechters, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2022.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\n Bent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nBijlage\n\nArtikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:\n\n“Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.”\n\nArtikel 2.10, eerste lid onder c, Wabo\n\nVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.\n\nArtikel 4.1, derde lid van de Wro\n\nBij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid kunnen regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij die verordening aan te geven krachtens dit lid gestelde regels.\n\nArtikel 2.72 Verbod uitbreiding veehouderij IOV\n\nLid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.48 Veehouderij in Stedelijk gebied en artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een veehouderij in Stedelijk gebied en Beperkingen Veehouderij dat:\n\na. een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten;\n\nb. een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten;\n\nc. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.\n\nLid 2 Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die:\n\na. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of\n\nb. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning.\n\nLid 3 Het verbod bedoeld in het eerste lid onder a en b, geldt niet voor een veehouderij gevestigd in Beperkingen veehouderij, die voldoet aan de voorwaarden van een grondgebonden veehouderij, als opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij als bedoeld in artikel 5.11.\n\nArtikel 2.74 van de IOV\n\nLid 1 Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdierhouderij gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden.\n\nLid 2 Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat:\n\nbinnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;\n\nb. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:\n\n1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;\n\n2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;\n\nc. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.\n\nLid 3 Als bestaande oppervlakte dierenverblijf geldt de oppervlakte die:\n\na. op 17 maart 2017 legaal aanwezig was; of\n\nb. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende omgevingsvergunning.\n\nLid 4 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.\n\nLid 5 Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het tweede lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden:\n\na. het betreft een legaal opgericht dierenverblijf;\n\nb. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.\n\nArtikel 5.2.1.e Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nBouwwerken, voorzien van een dak, worden met een kap afgedekt waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 12º en niet meer mag bedragen dan 45º.\n\nArtikel 5.2.2 aanhef en onder f, Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nVoor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen gelden de volgende voorwaarden: Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bedrijfswoning(en), niet meer bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen:\n\n die op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn;\n\n die gebouwd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.\n\nArtikel 27.2.1 Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nHet is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren of te laten uitvoeren: het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet;\n\n ECLI:NL:RBOBR:2019:4044\n\n ECLI:NL:RVS:2018:1986\n\n ECLI:NL:RVS:2020:881\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:23","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:2025","2026-07-13T00:29:41.227Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":103,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":39,"updatedAt":106},"460","ECLI:NL:RBOBR:2022:444","ecli-nl-rbobr-2022-444","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F527\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2022 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Osse en mr. E.F. van Hasselt),\n\nen\n\nDe minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister,\n\n(gemachtigde: M.C. Broere en mr. E. van Brandwijk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 15 mei 2020 (het primaire besluit) heeft de minister besloten het eindrapport ‘ [eiseres] B.V. inspectie in het kader van toezicht op melatonine bevattende producten’ (hierna: het eindrapport) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de IGJ) openbaar te maken.\n\nOp 19 mei 2020 heeft de IGJ aan eiseres een schriftelijke waarschuwing gegeven.\n\nEiseres heeft tegen het primaire besluit, het daaraan ten grondslag liggende eindrapport en tegen de waarschuwing bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBij uitspraak van 8 juli 2020 (kenmerk: ROT 20\u002F2867) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar.\n\nEiseres is op 8 oktober 2020 gehoord.\n\nBij besluit van 24 december 2020 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres;\n\nongegrond verklaard, voor zover het bezwaar gericht is tegen het besluit tot openbaarmaking van 15 mei 2020, dat onder aanvulling van de motivering in stand wordt gelaten;\n\nniet- ontvankelijk verklaard, voor zover het gericht is tegen de in het eindrapport neergelegde bevindingen en de begeleidende brief van 15 mei 2020;\n\nniet-ontvankelijk verklaard, voor zover het gericht is tegen de schriftelijke waarschuwing van 19 mei 2020.\n\nEiseres heeft op 1 februari 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nBij brief van 9 februari 2021 heeft eiseres op grond van artikel 8:13 en 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht de rechtbank Rotterdam verzocht tot verwijzing en voeging van onderhavige beroepsprocedure en de beroepsprocedure van [naam] B.V. (kenmerk: SHE 21\u002F363). Ook heeft eiseres verzocht om versnelde behandeling van de beroepsprocedures.\n\nDe rechtbank Rotterdam heeft op 19 februari 2021 het beroep van eiseres (dat bij die rechtbank bekend is onder nummer ROT 21\u002F624) ter verdere behandeling verwezen naar deze rechtbank. Onder verwijzing naar artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank op 25 februari 2021 besloten om de beroepen van eiseres en van [naam] B.V. (bekend onder nummer SHE 21\u002F363) gevoegd te behandelen. In die brief heeft de rechtbank ook het door eiseres ingediende verzoek om versnelde behandeling afgewezen.\n\nEiseres heeft op 3 maart 2021 en 2 november 2021 aanvullende gronden van beroep ingediend.\n\nEiseres heeft de rechtbank op 21 oktober 2021 verzocht om Natuur- & Gezondheidsproducten Nederland (NPN) als derde-belanghebbende toe te laten in deze beroepsprocedure. Op 15 november 2021 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen omdat NPN niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid van de Awb.\n\nDe minister heeft op 29 oktober 2021 een verweerschrift ingediend.\n\nEiseres heeft op 30 november 2021 nadere stukken ingediend.\n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] , die werd bijgestaan door de gemachtigden van eiseres en werd vergezeld door [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\nDe feiten\n\n1. Eiseres ontwikkelt producten en concepten op het gebied van voeding, training en suppletie voor health professionals. Onder de merknaam Eazzy Sleep produceert en verhandelt eiseres melatonine bevattende producten. De grondstof wordt in Duitsland aangeschaft. Eiseres slaat de producten op in het magazijn en levert de Eazzy Sleep producten aan particulieren.\n\n2. Bij brief van 31 oktober 2019 heeft de IGJ eiseres geïnformeerd dat zij het toezicht op producten die de werkzame stof melatonine bevatten en niet over een handelsvergunning beschikken gaat intensiveren. In deze brief staat onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nDe IGJ stelt zich op het standpunt dat producten met een dagdosering van 0,3 mg melatonine op farmacologische wijze meerdere fysiologische functies van het menselijk lichaam beïnvloedt. Producten met een doseeradvies, dat leidt tot een inname van een hoeveelheid melatonine van 0,3 mg of meer per dag, worden op basis van het toedieningscriterium beschouwd als geneesmiddel en dientengevolge als vallend onder de Geneesmiddelenwet, mits voldaan wordt aan de bepalingen vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (o.a. Hecht Pharma arrest).\n\nDit betekent, dat laatstgenoemde producten, voordat ze in de handel worden gebracht, dienen te zijn geregistreerd als geneesmiddel en dat voor het in de handel brengen van het product een vergunning is vereist.”\n\n3. In de brief wordt verder aangekondigd dat de IGJ en Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) vanaf november 2019 inspectiebezoeken zullen afleggen bij ondernemingen die melatonineproducten verhandelen. Deze producten zullen afzonderlijk beoordeeld worden. Bij geconstateerde overtredingen zal handhavend worden opgetreden, waarbij vooralsnog tot 1 april 2020 wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Bij brief van 3 juni 2020 heeft de IGJ de termijn tot wanneer in geval van een overtreding wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing verlengd tot 1 juli 2020. Daarna zal bij een overtreding een bestuurlijke boete worden opgelegd.\n\n4. Op 19 november 2019 heeft IGJ bij onder meer de onderneming van eiseres een inspectiebezoek afgelegd in het kader van de aangekondigde intensivering van het toezicht op producten die melatonine bevatten. Doel van het bezoek was om te onderzoeken of eiseres melatonine-bevattende producten produceert en\u002Fof verhandelt die als geneesmiddel aangemerkt dienen te worden.\n\n5. Tijdens het inspectiebezoek op 19 november 2019 heeft de IGJ bij eiseres monsters verzameld van melatonine-bevattende producten en zijn foto’s van deze producten gemaakt. Deze monsters zijn vervolgens geanalyseerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarna de IGJ per melatonine-bevattend product een productbeoordeling heeft opgesteld. De productbeoordelingen vermelden de volgende gegevens:\n\nde samenstelling van het product, zoals vermeld op de verpakking;\n\nde farmacologische eigenschappen van het product, zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, waarbij het RIVM en de IGJ ervan uitgaan dat een dagdosering van 0,3 mg of meer exogeen melatonine een noemenswaardig en gunstig effect heeft op verschillende fysiologische functies van het lichaam;\n\nde wijze waarop het product wordt gebruikt of kan worden gebruikt;\n\nde omvang van de verspreiding van het product;\n\nde bekendheid van de consument met het product;\n\nde risico’s die het gebruik van het product voor de gezondheid kan meebrengen;\n\nof het gebruik van het product leidt tot een noemenswaardig en gunstig effect.\n\n6. Bij brief van 2 april 2020 heeft de IGJ het conceptrapport van de uitgevoerde inspectie aan eiseres toegezonden en haar verzocht te laten weten of het rapport feitelijke onjuistheden bevat. In deze brief is ook vermeld dat de IGJ voornemens is het eindrapport openbaar te maken.\n\n7. Eiseres heeft op 16 april 2020 gereageerd op het conceptrapport en de daarbij gevoegde productbeoordelingen.\n\n8. Op 15 mei 2020 heeft de IGJ het conceptrapport definitief vastgesteld als het eindrapport en eiseres daarover geïnformeerd. Ook op 15 mei 2020 heeft de IGJ het primaire besluit genomen en onder verwijzing naar artikel 44, eerste lid, van de Gezondheidswet en artikel 3.1 van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking, besloten tot openbaarmaking van het eindrapport. In het eindrapport is het volgende vermeld:“(…)14. ConstateringDe volgende producten zijn als geneesmiddel aangemerkt en mogen niet zonder handelsvergunning op de markt zijn:\n\nEazzy Sleep Natuurlijke melatonine uit pistachenoten\n\nEazzy Sleep Melatonine 0,1 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 0,3 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 1 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 1,5 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 2 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 3 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 4 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 5 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine Kid 0,25 mg\n\nEazzy Sleep Melatonine 1 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 1,5 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 2 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 3 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 4 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 5 mg Time released\n\nEazzy Sleep Melatonine 5 mg met CBD\n\n15. Conclusie\n\nUit het inspectiebezoek van 19 november 2019 en de in het kader van dit inspectiebezoek door het bedrijf aangeleverde informatie is gebleken dat [eiseres] B.V. de onder punt 14 genoemde geneesmiddelen in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht en afgeleverd.\n\nHet in voorraad hebben, te koop aan te bieden, verkopen of afleveren van een geneesmiddel zonder handelsvergunning is een overtreding van artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet.\n\nHet zonder vergunning in voorraad hebben, te koop aanbieden of afleveren, of het drijven van een groothandel in geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is verleend, is een overtreding van artikel 18, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet.\n\nVoor deze overtreding wordt aan [eiseres] B.V. een maatregel opgelegd, waarover u separaat wordt geïnformeerd.\n\n(…)”\n\n9. Bij brief van 19 mei 2020 heeft de minister aan eiseres een schriftelijke waarschuwing gegeven naar aanleiding van een overtreding van artikel 40, tweede lid en artikel 18, eerste lid van de van de Geneesmiddelenwet (Gnw), die tijdens het inspectiebezoek is vastgesteld. Daarbij stelt de minister eiseres tot en met 30 juni 2020 in de gelegenheid om alsnog aan de wettelijke eisen te voldoen. Ook heeft de minister eiseres aangezegd dat bij herhaalde constatering van de overtreding vanaf 1 juli 2020 een bestuurlijke boete zal worden opgelegd.\n\n10. De overige feiten staan onder het procesverloop.\n\nDe standpunten van de minister in het besteden besluit\n\n11. Bij het bestreden besluit heeft de minister het bij het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat hij op grond van artikel 44, eerste lid van de Gezondheidswet, gelezen in samenhang met artikel 3.1, onderdeel a, van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet (Besluit), verplicht is om het eindrapport openbaar te maken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daarbij geen ruimte is voor een individuele belangenafweging of inhoudelijke toetsing van de openbaar te maken informatie.\n\nSlechts wanneer er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in artikel 3.1, onderdeel a, van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit, dient publicatie achterwege te blijven. Volgens de minister is het inspectieonderzoek niet gedaan naar aanleiding van een melding of handhavingsverzoek, zoals eiseres heeft gesteld, en is daarom geen sprake van die uitzondering in het Besluit.\n\n12. Volgens de minister is bij het besluit tot openbaarmaking van het eindrapport van 15 mei 2020 ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 44a, negende lid van de Gezondheidswet, waarbij moet worden afgezien van openbaarmaking als die openbaarmaking in strijd is met het doel van de Gezondheidswet. Het doel van openbaarmaking is naleving van de regelgeving te bevorderen en het publiek inzicht te geven in de manier waarop toezicht plaatsvindt en wat de resultaten daarvan zijn. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze uitzonderingsgrond ook van toepassing is als de te openbaren informatie evident onjuist is. Daarvan is volgens de minister geen sprake.\n\n13. Met het oog op de toetsing door de rechtbank van het besluit tot openbaarmaking van het eindrapport heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. Uit deze uitspraak volgt dat de toetsing van het openbaarmakingsbesluit door de bestuursrechter slechts beperkt kan zijn tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. De waardering van feiten en oordelen daarover maken geen deel uit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing evenmin als conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd.\n\nDe minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat publicatie van het eindrapport niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM en evenmin met het gelijkheidsbeginsel.\n\n14. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2201 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vaststelling van het eindrapport niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb en dat het daartegen gerichte bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk is.\n\n15. De minister heeft er verder op gewezen dat de bevindingen in het eindrapport niet hebben geleid tot het opleggen van een bestuurlijke boete maar tot de op 19 mei 2020 gegeven schriftelijke waarschuwing, die niet is gebaseerd op een wettelijke bepaling, maar op de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport 2019 (de Beleidsregels). Daarom kan de aan eiseres gegeven waarschuwing niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. De minister heeft bij dit standpunt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3484. Een bestuurlijke boete kan volgens de minister pas worden opgelegd nadat een nieuwe overtreding is vastgesteld. Uit de Beleidsregels volgt ook dat een eerder gegeven waarschuwing geen voorwaarde is om bij herhaalde overtreding een bestuurlijke boete te kunnen opleggen.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n16. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage behorende bij deze uitspraak.\n\n17. De rechtbank stelt vast dat de door de minister aan eiseres gegeven waarschuwing niet is gebaseerd op een wettelijk voorschrift. In de Beleidsregels is de door de minister in het bestreden besluit aangenomen overtreding van de artikel 40, tweede lid, van de Gnw aangemerkt als direct beboetbaar en is de waarschuwing niet vermeld als onderdeel van het bij die overtredingen horende sanctieregime. In navolging van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249 (de conclusie) oordeelt de rechtbank dat op beleidsregels gebaseerde of informele waarschuwingen (zoals de in deze zaak aan de orde zijnde waarschuwing) geen besluiten zijn in de zin van de Awb en dat daartegen in zoverre geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Uit de conclusie volgt echter ook dat dergelijke waarschuwingen in ieder geval in drie situaties voor de rechtsbescherming met een besluit gelijk moeten worden gesteld, zodat zij wel in rechte kunnen worden bestreden, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is. Het vereiste van een effectieve rechtsbescherming volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2017 (ECLI:EU:C:2017:491, Unibet) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n18. De rechtbank oordeelt dat de aan eiseres gegeven waarschuwing moet worden gelijkgesteld met een besluit omdat een alternatieve route om rechtsbescherming te krijgen onevenredig bezwarend zou zijn en niet van eiseres kan worden gevergd. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank de volgende omstandigheden en overwegingen.\n\n19. In afwijking van de Beleidsregels, waarin is vermeld dat de in het bestreden besluit gestelde overtreding van artikel 40, tweede lid, van de Gnw direct beboetbaar is, heeft de minister bewust volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing aan eiseres. Als de minister echter overeenkomstig de Beleidsregels direct een boete zou hebben opgelegd wegens de gestelde overtreding, zou eiseres tegen dat boetebesluit en de grondslag daarvoor bezwaar hebben kunnen maken en zou openbaarmaking van het eindrapport achterwege zijn gebleven omdat in dat geval sprake zou zijn van de uitzondering op openbaarmaking, die is vermeld in artikel 3.1, onderdeel a, onder IV van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit.\n\n20. Eiseres heeft daarnaast onweersproken gesteld dat zij haar voorraden van de in het eindrapport vermelde producten uit voorzorg uit de handel heeft gehaald en vernietigd. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank ook feitelijk niet van eiseres worden verlangd dat zij een boete uitlokt, om daar vervolgens in rechte tegen op te komen ter verkrijging van een rechterlijk oordeel.\n\n21. In een onder meer tussen partijen gegeven vonnis in kort geding van 18 februari 2021 van de civiele voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2021:1852) is overwogen dat voor eiseres een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter open staat, zodat eiseres nietontvankelijk is in haar bij de civiele rechter ingediende vordering om ‘te bewerkstelligen dat haar producten met een dagdosering van 0,3 mg of meer melatonine met onmiddellijke ingang in het handelsverkeer gebracht kunnen worden en dat IGJ zich ter zake onthoudt van handhavend optreden op grond van de Gnw, totdat per product definitief is vastgesteld dat dit niet als geneesmiddel gekwalificeerd kan worden en de bodemrechter daarover onherroepelijk heeft beslist’. Eiseres stelt terecht dat zij gelet op dit vonnis is doorverwezen naar de bestuursrechtelijke rechtsgang maar dat het standpunt van de minister over het rechtskarakter van de waarschuwing verhindert dat zij een rechterlijk oordeel kan krijgen over het handhavend optreden tegen haar producten met een dagdosering vanaf 0,3 mg melatonine.\n\n22. In het eindrapport is vastgesteld dat eiseres bepalingen in de Gnw heeft overtreden. Eiseres wordt gevolgd in het standpunt ter zitting dat openbaarmaking van deze vaststelling en de overige besluitvorming van de minister grote nadelige gevolgen voor haar kan hebben in de vorm van reputatieschade en aantasting van haar concurrentiepositie.\n\n23. Gelet op de onder punt 18 tot en met 21 vermelde omstandigheden en overwegingen oordeelt de rechtbank dat het voor eiseres onevenredig bezwarend zou zijn om een handhavingsbesluit uit te lokken ter verkrijging van een rechterlijk oordeel en dat het nietontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de waarschuwing daarom afbreuk doet aan de beoogde effectieve rechtsbescherming. Dit betekent dat de door de minister gegeven waarschuwing met een besluit gelijk moeten worden gesteld zodat deze – met inachtneming van de conclusie van Widdershoven – in rechte kan worden bestreden, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is.\n\nConclusie en opdracht\n\n24. Omdat de minister het bezwaar van eiseres, voor zover dat was gericht tegen de waarschuwing, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt het bestreden besluit al om die reden voor vernietiging in aanmerking en is het beroep gegrond. De rechtbank ziet daarom af van bespreking van de overige beroepsgronden.\n\n25. Uit het oordeel van de rechtbank volgt dat het bezwaar van eiseres alsnog ontvankelijk moet worden verklaard en dat vervolgens een inhoudelijke beoordeling moet volgen van de bezwaren van eiseres tegen de grondslag die heeft geleid tot de waarschuwing. Omdat deze beoordeling bij uitstek de taak van de minister is, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de zaak finaal te beslechten en evenmin ruimte om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal de minister dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n26. In het oordeel dat de minister alsnog de bezwaren van eiseres tegen de grondslag van de waarschuwing inhoudelijk en volledig moet heroverwegen, ligt ook besloten dat het primaire besluit tot openbaarmaking berust op een onjuiste wettelijke grondslag en dat dit besluit daarom moet worden herroepen.\n\n27. Met het oog op de nadere besluitvorming van de minister overweegt de rechtbank, in dit geding ten overvloede, als volgt.\n\n28. In de kern van haar betoog stelt eiseres zich op het standpunt dat de IGJ ten onrechte de dagdosering van melatonine van 0,3 mg of meer als product specifiek kenmerk bepalend acht voor de kwalificatie van de beoordeelde producten als geneesmiddel. Eiseres stelt dat de minister de grens van 0,3 mg ondeugdelijk en niet wetenschappelijk heeft onderbouwd en evenmin heeft aangetoond dat dat haar producten daadwerkelijk de door de minister beweerde farmacologische werking als geneesmiddel hebben.\n\n29. Bij de inhoudelijke beoordeling van het betoog van eiseres kan de minister niet volstaan met het beperkte toetsingskader dat van toepassing is bij de beoordeling van een besluit tot openbaarmaking en dat de minister in het bestreden besluit heeft genoemd onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. De minister zal daarom de door de IGJ aangenomen waarderingen en conclusies volledig moeten toetsen en de daartegen door eiseres aangevoerde bezwaren betrekken.\n\n30. Bij die toetsing zal de minister gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 januari 2009, C-140\u002F07 (Hecht-Pharma) ook ‘van geval tot geval moeten bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel naar werking in de zin van richtlijn 2001\u002F83 valt, daarbij rekening houdend met alle kenmerken van het product, in het bijzonder de samenstelling, de farmacologische, immunologische en metabolische eigenschappen zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, de gebruikswijzen, de omvang van de verspreiding ervan, de bekendheid van de consument ermee en de risico’s die het gebruik ervan kan meebrengen.’\n\n31. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,– en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en onder verwijzing naar artikel 7:15 van de Awb bepalen dat de minister de door eiseres gemaakte kosten van het bezwaar moet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.082,– (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 541,– en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept het primaire besluit van 15 mei 2020;\n\n- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat de minister aan eiseres het betaalde griffierecht van € 354,– vergoedt;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2600,–.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. M.H. Dworakowski-Kelders en mr. N.W.A. Verrijt, leden, in aanwezigheid van mr. I. van der Wijngaart, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 15 februari 2022.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nBijlage\n\nArtikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn:\n\nVoor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder:\n\n1. […]\n\n2. Geneesmiddel:\n\na. elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; of\n\nb. elke enkelvoudige of samengestelde substantie die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen.\n\n3. (…)\n\nArtikel 1 van de Geneesmiddelenwet:\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\n1. (…)\n\nb. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:\n\n1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,\n\n2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of\n\n3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen.\n\n(…)\n\nArtikel 18 Geneesmiddelenwet 1. Het is verboden om zonder vergunning van Onze Minister geneesmiddelen voor onderzoek te bereiden of in te voeren. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister andere geneesmiddelen dan die bedoeld in de eerste volzin, te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, dan wel een groothandel te drijven. Het is tevens verboden om een groothandel te drijven in geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is verleend. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister een groothandel te drijven in generatoren van radionucliden, kits, uitgangsstoffen voor radiofarmaceutica en industrieel bereide radiofarmaceutica.\n\n(…)\n\nArtikel 40 van de Geneesmiddelenwet:\n\n1. Het is verboden een geneesmiddel in het handelsverkeer te brengen zonder handelsvergunning van de Europese Gemeenschap, verleend krachtens verordening 726\u002F2004 dan wel krachtens die verordening juncto verordening 1394\u002F2007, of van het College, verleend krachtens dit hoofdstuk.\n\n2. Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen, in te voeren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied te brengen.\n\n(…).\n\nArtikel 100 van de Geneesmiddelenwet:\n\n1. Behoudens hoofdstuk 2 en bepalingen waarin uitsluitend taken en bevoegdheden aan het College zijn toegekend, zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.\n\n(…)\n\nArtikel 101 van de Geneesmiddelenwet\n\nOnze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 18, eerste lid, 26, eerste lid, 27, 27a, 28, eerste, tweede en zesde lid, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, eerste lid, 36, eerste, tweede en vierde lid, 37, 38, eerste lid, 38a, tweede lid, 38b, eerste en tweede lid, 38c, 39, eerste lid, 39a, eerste lid, 40, eerste, tweede, vierde en zevende lid, 48, vijfde en zevende lid, 49, 50, 61, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, achtste en negende lid, 62, 64, 65, 66, 66a, 67, 67a, 68, 69, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 72, 76a, 77a, 78, eerste en derde lid, 78a, eerste lid, 80, eerste en tweede lid, 84, 85, 86, 87,88,89,91, eerste tot en met vierde lid,92,93,94,95of96.\n\n(…)\n\nArtikel 44 Gezondheidswet\n\n1. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid maakt, na een daartoe strekkend besluit van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorgaan, de bij die maatregel aan te wijzen onder hem berustende informatie openbaar inzake het toezicht op of de uitvoering van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen regelgeving, teneinde de naleving van die regelgeving te bevorderen, het publiek inzicht te geven in de wijze waarop dat toezicht en die uitvoering worden verricht en wat de resultaten van die verrichtingen zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen anderen die met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de op grond van de eerste volzin aangewezen regelgeving zijn belast, dan wel de organisatie waarvoor zij werkzaam zijn, in plaats van het Staatstoezicht worden belast met openbaarmaking als bedoeld in de eerste volzin.\n\n(…)\n\n3. Op grond van het eerste of tweede lid kan voor openbaarmaking worden aangewezen, informatie betreffende:\n\na. uitkomsten van controle en onderzoek en de daaraan ten grondslag liggende gegevens;\n\n(…)\n\n g) waarschuwingen;\n\n(…)\n\n5. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid dan wel degene die op grond van het eerste lid, tweede volzin, is aangewezen, draagt er zorg voor dat de informatie die op grond van het eerste lid openbaar wordt gemaakt, door hem bij de openbaarmaking is ontdaan van:\n\na) informatie die bedrijfs- of fabricagegegevens bevat, die door natuurlijke personen of rechtspersonen aan hem vertrouwelijk is meegedeeld;\n\nb) persoonsgegevens, voor zover de openbaarmaking daarvan op grond van het zesde lid niet is toegestaan; en\n\nc) informatie, waarvoor de verstrekker van die informatie uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, doch waarvan de met het toezicht belaste ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid voor de vervulling van hun taak kennis hebben genomen.\n\n(…)\n\nArtikel 44a Gezondheidswet\n\n1. De openbaarmaking, bedoeld in artikel 44, vindt niet plaats binnen twee weken na het tijdstip waarop het in artikel 44, eerste lid, bedoelde besluit bekend is gemaakt. Bij dat besluit wordt de betrokkene van de openbaar te maken informatie op de hoogte gesteld, voor zover hij van die informatie nog geen kennis heeft kunnen nemen en wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld zijn reactie op het besluit kenbaar te maken.\n\n(…)\n\n9. Indien de openbaarmaking, bedoeld in artikel 44, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van de wet in het kader waarvan de openbaarmaking plaatsvindt, blijft openbaarmaking achterwege.\n\nArtikel 3.1, onderdeel a van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet3.1. Binnen het kader van het toezichtsdomein, bedoeld onder 1, en binnen het kader van de aangewezen regelgeving, bedoeld onder 2, wordt informatie openbaar gemaakt over:\n\na. schriftelijk vastgestelde documenten van met toezicht belaste ambtenaren van de IGJ bevattende uitkomsten van controles en onderzoeken als bedoeld in artikel 44, derde lid, onderdeel a van de Gezondheidswet, verkregen in de uitoefening van hun taak, voor wat betreft de naleving van de onder 2 vermelde regelgeving, waarin hun eindoordeel is neergelegd, met uitzondering van:\n\ni. de uitkomsten van controle en onderzoek naar een melding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b en c, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg;\n\nii. de uitkomsten van controle en onderzoek in reactie op een handhavingsverzoek;\n\niii. de uitkomsten van controle en onderzoek die ten grondslag worden gelegd aan het indienen van een tuchtklacht;\n\niv. de uitkomsten van controle en onderzoek die ten grondslag worden gelegd aan besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke boete;\n\n(…)\n\nDe minister verwijst in dit kader naar de Memorie van Toelichting “Wijziging van de Gezondheidswet en de Wet op de jeugdzorg teneinde een mogelijkheid op te nemen tot openbaarmaking van informatie over de naleving en uitvoering van regelgeving, besluiten tot het opleggen van sancties daarbij inbegrepen”\n\n Kamerstukken II 14-15, 34111 nr 3, p. 10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:444","2022-02-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:31.447Z",{"id":108,"ecli":109,"slug":110,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":111,"summary":24,"language":7,"source":36,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":105,"parsedAt":39,"updatedAt":113},"461","ECLI:NL:RBOBR:2022:443","ecli-nl-rbobr-2022-443","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F363\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 15 februari 2022 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., in [vestigingsplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigden: mr. M.J. Osse en mr. E.F. van Hasselt),\n\nen\n\nde minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister,\n\n(gemachtigden: M.C. Broere en mr. E. van Brandwijk)\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 15 mei 2020 (het primaire besluit) heeft de minister besloten het eindrapport ‘ [eiseres] B.V. inspectie in het kader van toezicht op melatonine bevattende producten’ (hierna: het eindrapport) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de IGJ) openbaar te maken.\n\nOp 19 mei 2020 heeft de IGJ aan eiseres een schriftelijke waarschuwing gegeven.\n\nEiseres heeft tegen het primaire besluit, het daaraan ten grondslag liggende eindrapport en tegen de waarschuwing bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBij uitspraak van 27 oktober 2020 (kenmerk: SHE 20\u002F1471) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het primaire besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard om te oordelen over de gegeven waarschuwing.\n\nEiseres is op 24 november 2020 gehoord.\n\nBij besluit van 24 december 2020 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres:\n\nongegrond verklaard, voor zover het bezwaar gericht is tegen het besluit tot openbaarmaking van 15 mei 2020, dat onder aanvulling van de motivering in stand wordt gelaten;\n\nniet-ontvankelijk verklaard, voor zover het gericht is tegen de in het eindrapport neergelegde bevindingen en de begeleidende brief van 15 mei 2020;\n\nniet-ontvankelijk verklaard, voor zover het gericht is tegen de schriftelijke waarschuwing van 19 mei 2020.\n\nEiseres heeft op 1 februari 2020 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank Rotterdam heeft op 19 februari 2021 het beroep van [naam] B.V. tegen een besluit van de minister (dat bij die rechtbank bekend is onder nummer ROT 21\u002F624 en bij deze rechtbank onder nummer SHE 21\u002F527) ter verdere behandeling verwezen naar deze rechtbank. Onder verwijzing naar artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank op 25 februari 2021 besloten om de beroepen van eiseres en van [naam] B.V. gevoegd te behandelen. In die brief heeft de rechtbank ook het door eiseres ingediende verzoek om versnelde behandeling afgewezen.\n\nEiseres heeft op 3 maart 2021 en 2 november 2021 aanvullende gronden van beroep ingediend.\n\nEiseres heeft de rechtbank op 21 oktober 2021 verzocht om Natuur- & Gezondheidsproducten Nederland (NPN) als derde-belanghebbende toe te laten in deze beroepsprocedure. Op 15 november 2021 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen omdat NPN niet kan worden aangemerkt als een belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid van de Awb.\n\nDe minister heeft op 29 oktober 2021 een verweerschrift ingediend.\n\nEiseres heeft op 30 november 2021 nadere stukken ingediend.\n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur [naam] , die werd bijgestaan door de gemachtigden van eiseres en werd vergezeld door [naam] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.\n\nOverwegingen\n\nDe feiten\n\n1. Eiseres ontwikkelt en positioneert producten op de nationale en internationale gezondheidsmarkt. Onder de merknaam Lucovitaal produceert en verhandelt eiseres melatonine houdende producten.\n\n2. Bij brief van 31 oktober 2019 heeft de IGJ eiseres geïnformeerd dat het toezicht op producten die de werkzame stof melatonine bevatten en waarvoor geen handelsvergunning is verleend, zal worden geïntensiveerd. In deze brief staat onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nDe IGJ stelt zich op het standpunt dat producten met een dagdosering van 0,3 mg melatonine op farmacologische wijze meerdere fysiologische functies van het menselijk lichaam beïnvloedt. Producten met een doseeradvies, dat leidt tot een inname van een hoeveelheid melatonine van 0,3 mg of meer per dag, worden op basis van het toedieningscriterium beschouwd als geneesmiddel en dientengevolge als vallend onder de Geneesmiddelenwet, mits voldaan wordt aan de bepalingen vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (o.a. Hecht Pharma arrest).\n\nDit betekent, dat laatstgenoemde producten, voordat ze in de handel worden gebracht, dienen te zijn geregistreerd als geneesmiddel en dat voor het in de handel brengen van het product een vergunning is vereist.”\n\n3. In de brief is verder aangekondigd dat de IGJ en de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) vanaf november 2019 inspectiebezoeken zullen afleggen bij ondernemingen die melatonineproducten verhandelen. Deze producten zullen afzonderlijk beoordeeld worden. Bij geconstateerde overtredingen zal handhavend worden opgetreden, waarbij vooralsnog tot 1 april 2020 wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Bij brief van 3 juni 2020 heeft de IGJ de termijn tot wanneer in geval van een overtreding wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing verlengd tot 1 juli 2020. Daarna zal bij een overtreding een bestuurlijke boete worden opgelegd.\n\n4. Op 6 december 2019 heeft de IGJ bij onder meer de onderneming van eiseres een inspectiebezoek afgelegd in het kader van de aangekondigde intensivering van het toezicht op producten die melatonine bevatten. Doel van het bezoek was om te onderzoeken of eiseres melatonine-bevattende producten produceert en\u002Fof verhandelt die als geneesmiddel aangemerkt dienen te worden.\n\n5. Tijdens het inspectiebezoek op 6 december 2019 heeft de IGJ bij eiseres monsters verzameld van melatonine-bevattende producten en zijn foto’s van deze producten gemaakt. Deze monsters zijn vervolgens geanalyseerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarna de IGJ per melatonine-bevattend product een productbeoordeling heeft opgesteld. De productbeoordelingen vermelden de volgende gegevens:\n\nde samenstelling van het product, zoals vermeld op de verpakking;\n\nde farmacologische eigenschappen van het product, zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, waarbij het RIVM en de IGJ ervan uitgaan dat een dagdosering van 0,3 mg of meer exogeen melatonine een noemenswaardig en gunstig effect heeft op verschillende fysiologische functies van het lichaam;\n\nde wijze waarop het product wordt gebruikt of kan worden gebruikt;\n\nde omvang van de verspreiding van het product;\n\nde bekendheid van de consument met het product;\n\nde risico’s die het gebruik van het product voor de gezondheid kan meebrengen;\n\nof het gebruik van het product leidt tot een noemenswaardig en gunstig effect.\n\n6. Bij brief van 2 april 2020 heeft de IGJ het conceptrapport van de uitgevoerde inspectie aan eiseres toegezonden en haar verzocht te laten weten of het rapport feitelijke onjuistheden bevat. In deze brief is ook vermeld dat de IGJ voornemens is het eindrapport openbaar te maken.\n\n7. Eiseres heeft op 16 april 2020 gereageerd op het conceptrapport en de daarbij gevoegde productbeoordelingen.\n\n8. Op 15 mei 2020 heeft de IGJ het conceptrapport definitief vastgesteld als het eindrapport en eiseres daarover geïnformeerd. Ook op 15 mei 2020 heeft de IGJ het primaire besluit genomen en onder verwijzing naar artikel 44, eerste lid, van de Gezondheidswet en artikel 3.1 van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking, besloten tot openbaarmaking van het eindrapport. In het eindrapport is het volgende vermeld:“(…)14. ConstateringDe volgende producten zijn als geneesmiddel aangemerkt en mogen niet zonder handelsvergunning op de markt zijn:\n\n- Lucovitaal Melatonine puur 2 mg\n\n- Lucovitaal Melatonine forte 5 mg One a day\n\n- Lucovitaal Melatonine 5 mg Dual Action\n\n- Lucovitaal Slapen en Fit wakker worden 3 mg\n\n- Lucovitaal Melatonine Puur 3 mg One a day\n\n- Lucovitaal Melatonine Puur 1 mg One a day\n\n- Lucovitaal Melatonine CBD 5 mg \u002F 5 mg\n\n- Lucovitaal Melatonine Kruidenthee\n\n15. ConclusieUit het inspectiebezoek van 6 december 2019 en de in het kader van dit inspectiebezoek door het bedrijf aangeleverde informatie is gebleken dat [naam] B.V. de onder punt 14 genoemde geneesmiddelen in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht en afgeleverd.\n\nHet in voorraad hebben, te koop aan te bieden, verkopen of afleveren van een geneesmiddel zonder handelsvergunning is een overtreding van artikel 40, tweede lid van de geneesmiddelenwet.\n\nVoor deze overtredingen wordt aan [naam] B.V. een maatregel opgelegd, waarover u separaat wordt geïnformeerd.”\n\n9. Bij brief van 19 mei 2020 heeft de minister aan eiseres een schriftelijke waarschuwing gegeven naar aanleiding van een overtreding van artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet (Gnw), die tijdens het inspectiebezoek is vastgesteld. Daarbij stelt de minister eiseres tot en met 30 juni 2020 in de gelegenheid om alsnog aan de wettelijke eisen te voldoen. Ook heeft de minister eiseres aangezegd dat bij herhaalde constatering van de overtreding vanaf 1 juli 2020 een bestuurlijke boete zal worden opgelegd.\n\n10. De overige feiten staan onder het procesverloop.\n\nDe standpunten van de minister in het besteden besluit\n\n11. Bij het bestreden besluit heeft de minister het bij het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat hij op grond van artikel 44, eerste lid van de Gezondheidswet, gelezen in samenhang met artikel 3.1, onderdeel a, van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet (Besluit), verplicht is om het eindrapport openbaar te maken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daarbij geen ruimte is voor een individuele belangenafweging of inhoudelijke toetsing van de openbaar te maken informatie.\n\nSlechts wanneer er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in artikel 3.1, onderdeel a, van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit, dient publicatie achterwege te blijven. Volgens de minister is het inspectieonderzoek niet gedaan naar aanleiding van een melding of handhavingsverzoek, zoals eiseres heeft gesteld, en is daarom geen sprake van die uitzondering in het Besluit.\n\n12. Volgens de minister is bij het besluit tot openbaarmaking van het eindrapport van 15 mei 2020 ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 44a, negende lid van de Gezondheidswet, waarbij moet worden afgezien van openbaarmaking als die openbaarmaking in strijd is met het doel van de Gezondheidswet. Het doel van openbaarmaking is naleving van de regelgeving te bevorderen en het publiek inzicht te geven in de manier waarop toezicht plaatsvindt en wat de resultaten daarvan zijn. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze uitzonderingsgrond ook van toepassing is als de te openbaren informatie evident onjuist is. Daarvan is volgens de minister geen sprake.\n\n13. Met het oog op de toetsing door de rechtbank van het besluit tot openbaarmaking van het eindrapport heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. Uit deze uitspraak volgt dat de toetsing van het openbaarmakingsbesluit door de bestuursrechter slechts beperkt kan zijn tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. De waardering van feiten en oordelen daarover maken geen deel uit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing evenmin als conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd.\n\nDe minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat publicatie van het eindrapport niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM en evenmin met het gelijkheidsbeginsel.\n\n14. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2201 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de vaststelling van het eindrapport niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb en dat het daartegen gerichte bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk is.\n\n15. De minister heeft er verder op gewezen dat de bevindingen in het eindrapport niet hebben geleid tot het opleggen van een bestuurlijke boete maar tot de op 19 mei 2020 gegeven schriftelijke waarschuwing, die niet is gebaseerd op een wettelijke bepaling, maar op de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport 2019 (de Beleidsregels). Daarom kan de aan eiseres gegeven waarschuwing niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. De minister heeft bij dit standpunt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3484. Een bestuurlijke boete kan volgens de minister pas worden opgelegd nadat een nieuwe overtreding is vastgesteld. Uit de Beleidsregels volgt ook dat een eerder gegeven waarschuwing geen voorwaarde is om bij herhaalde overtreding een bestuurlijke boete te kunnen opleggen.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n16. De van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage behorende bij deze uitspraak.\n\n17. De rechtbank stelt vast dat de door de minister aan eiseres gegeven waarschuwing niet is gebaseerd op een wettelijk voorschrift. In de Beleidsregels is de door de minister in het bestreden besluit aangenomen overtreding van de artikel 40, tweede lid, van de Gnw aangemerkt als direct beboetbaar en is de waarschuwing niet vermeld als onderdeel van het bij die overtredingen horende sanctieregime. In navolging van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249 (de conclusie) oordeelt de rechtbank dat op beleidsregels gebaseerde of informele waarschuwingen (zoals de in deze zaak aan de orde zijnde waarschuwing) geen besluiten zijn in de zin van de Awb en dat daartegen in zoverre geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Uit de conclusie volgt echter ook dat dergelijke waarschuwingen in ieder geval in drie situaties voor de rechtsbescherming met een besluit gelijk moeten worden gesteld, zodat zij wel in rechte kunnen worden bestreden, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is. Het vereiste van een effectieve rechtsbescherming volgt uit de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2017 (ECLI:EU:C:2017:491, Unibet) en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n18. De rechtbank oordeelt dat de aan eiseres gegeven waarschuwing moet worden gelijkgesteld met een besluit omdat een alternatieve route om rechtsbescherming te krijgen onevenredig bezwarend zou zijn en niet van eiseres kan worden gevergd. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank de volgende omstandigheden en overwegingen.\n\n19. In afwijking van de Beleidsregels, waarin is vermeld dat de in het bestreden besluit gestelde overtreding van artikel 40, tweede lid, van de Gnw direct beboetbaar is, heeft de minister bewust volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing aan eiseres. Als de minister echter overeenkomstig de Beleidsregels direct een boete zou hebben opgelegd wegens de gestelde overtreding, zou eiseres tegen dat boetebesluit en de grondslag daarvoor bezwaar hebben kunnen maken en zou openbaarmaking van het eindrapport achterwege zijn gebleven omdat in dat geval sprake zou zijn van de uitzondering op openbaarmaking, die is vermeld in artikel 3.1, onderdeel a, onder IV van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit.\n\n20. Eiseres heeft daarnaast onweersproken gesteld dat zij haar voorraden van de in het eindrapport vermelde producten uit voorzorg uit de handel heeft gehaald en vernietigd. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank ook feitelijk niet van eiseres worden verlangd dat zij een boete uitlokt, om daar vervolgens in rechte tegen op te komen ter verkrijging van een rechterlijk oordeel.\n\n21. In een onder meer tussen partijen gegeven vonnis in kort geding van 18 februari 2021 van de civiele voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2021:1852) is overwogen dat voor eiseres een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter open staat, zodat eiseres nietontvankelijk is in haar bij de civiele rechter ingediende vordering om ‘te bewerkstelligen dat haar producten met een dagdosering van 0,3 mg of meer melatonine met onmiddellijke ingang in het handelsverkeer gebracht kunnen worden en dat IGJ zich ter zake onthoudt van handhavend optreden op grond van de Gnw, totdat per product definitief is vastgesteld dat dit niet als geneesmiddel gekwalificeerd kan worden en de bodemrechter daarover onherroepelijk heeft beslist’. Eiseres stelt terecht dat zij gelet op dit vonnis is doorverwezen naar de bestuursrechtelijke rechtsgang maar dat het standpunt van de minister over het rechtskarakter van de waarschuwing verhindert dat zij een rechterlijk oordeel kan krijgen over het handhavend optreden tegen haar producten met een dagdosering vanaf 0,3 mg melatonine.\n\n21. In het eindrapport is vastgesteld dat eiseres bepalingen in de Gnw heeft overtreden. Eiseres wordt gevolgd in het standpunt ter zitting dat openbaarmaking van deze vaststelling en de overige besluitvorming van de minister grote nadelige gevolgen voor haar kan hebben in de vorm van reputatieschade en aantasting van haar concurrentiepositie.\n\n23. Gelet op de onder punt 18 tot en met 21 vermelde omstandigheden en overwegingen oordeelt de rechtbank dat het voor eiseres onevenredig bezwarend zou zijn om een handhavingsbesluit uit te lokken ter verkrijging van een rechterlijk oordeel en dat het nietontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de waarschuwing daarom afbreuk doet aan de beoogde effectieve rechtsbescherming. Dit betekent dat de door de minister gegeven waarschuwing met een besluit gelijk moeten worden gesteld zodat deze – met inachtneming van de conclusie van Widdershoven – in rechte kan worden bestreden, omdat de alternatieve route om een rechterlijk oordeel erover te krijgen onevenredig bezwarend of afwezig is.\n\nConclusie en opdracht\n\n24. Omdat de minister het bezwaar van eiseres, voor zover dat was gericht tegen de waarschuwing, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt het bestreden besluit al om die reden voor vernietiging in aanmerking en is het beroep gegrond. De rechtbank ziet daarom af van bespreking van de overige beroepsgronden.\n\n25. Uit het oordeel van de rechtbank volgt dat het bezwaar van eiseres alsnog ontvankelijk moet worden verklaard en dat vervolgens een inhoudelijke beoordeling moet volgen van de bezwaren van eiseres tegen de grondslag die heeft geleid tot de waarschuwing. Omdat deze beoordeling bij uitstek de taak van de minister is, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om de zaak finaal te beslechten en evenmin ruimte om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank zal de minister dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.\n\n26. In het oordeel dat de minister alsnog de bezwaren van eiseres tegen de grondslag van de waarschuwing inhoudelijk en volledig moet heroverwegen, ligt ook besloten dat het primaire besluit tot openbaarmaking berust op een onjuiste wettelijke grondslag en dat dit besluit daarom moet worden herroepen.\n\n27. Met het oog op de nadere besluitvorming van de minister overweegt de rechtbank, in dit geding ten overvloede, als volgt.\n\n28. In de kern van haar betoog stelt eiseres zich op het standpunt dat de IGJ ten onrechte de dagdosering van melatonine van 0,3 mg of meer als product specifiek kenmerk bepalend acht voor de kwalificatie van de beoordeelde producten als geneesmiddel. Eiseres stelt dat de minister de grens van 0,3 mg ondeugdelijk en niet wetenschappelijk heeft onderbouwd en evenmin heeft aangetoond dat dat haar producten daadwerkelijk de door de minister beweerde farmacologische werking als geneesmiddel hebben.\n\n29. Bij de inhoudelijke beoordeling van het betoog van eiseres kan de minister niet volstaan met het beperkte toetsingskader dat van toepassing is bij de beoordeling van een besluit tot openbaarmaking en dat de minister in het bestreden besluit heeft genoemd onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2089. De minister zal daarom de door de IGJ aangenomen waarderingen en conclusies volledig moeten toetsen en de daartegen door eiseres aangevoerde bezwaren betrekken.\n\n30. Bij die toetsing zal de minister gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 januari 2009, C-140\u002F07 (Hecht-Pharma) ook ‘van geval tot geval moeten bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel naar werking in de zin van richtlijn 2001\u002F83 valt, daarbij rekening houdend met alle kenmerken van het product, in het bijzonder de samenstelling, de farmacologische, immunologische en metabolische eigenschappen zoals deze bij de huidige stand van de wetenschap kunnen worden vastgesteld, de gebruikswijzen, de omvang van de verspreiding ervan, de bekendheid van de consument ermee en de risico’s die het gebruik ervan kan meebrengen.’\n\n31. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,– (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,– en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal het primaire besluit herroepen en onder verwijzing naar artikel 7:15 van de Awb bepalen dat de minister de door eiseres gemaakte kosten van het bezwaar moet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.082,– (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 541,– en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- herroept het primaire besluit van 15 mei 2020;\n\n- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat de minister aan eiseres het betaalde griffierecht van € 354,– vergoedt;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2600,–.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. M.H. Dworakowski-Kelders en mr. N.W.A. Verrijt, leden, in aanwezigheid van mr. I. van der Wijngaart, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 15 februari 2022.\n\ngriffier voorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\nBijlage\n\nArtikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn:\n\nVoor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder:\n\n1. […]\n\n2. Geneesmiddel:\n\na. elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; of\n\nb. elke enkelvoudige of samengestelde substantie die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen.\n\n3. (…)\n\nArtikel 1 van de Geneesmiddelenwet:\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:\n\n1. (…)\n\nb. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:\n\n1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,\n\n2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of\n\n3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen.\n\n(…)\n\nArtikel 18 Geneesmiddelenwet 1. Het is verboden om zonder vergunning van Onze Minister geneesmiddelen voor onderzoek te bereiden of in te voeren. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister andere geneesmiddelen dan die bedoeld in de eerste volzin, te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren of uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen, dan wel een groothandel te drijven. Het is tevens verboden om een groothandel te drijven in geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is verleend. Het is voorts verboden om zonder vergunning van Onze Minister een groothandel te drijven in generatoren van radionucliden, kits, uitgangsstoffen voor radiofarmaceutica en industrieel bereide radiofarmaceutica.\n\n(…)\n\nArtikel 40 van de Geneesmiddelenwet:\n\n1. Het is verboden een geneesmiddel in het handelsverkeer te brengen zonder handelsvergunning van de Europese Gemeenschap, verleend krachtens verordening 726\u002F2004 dan wel krachtens die verordening juncto verordening 1394\u002F2007, of van het College, verleend krachtens dit hoofdstuk.\n\n2. Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen, in te voeren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied te brengen.\n\n(…).\n\nArtikel 100 van de Geneesmiddelenwet:\n\n1. Behoudens hoofdstuk 2 en bepalingen waarin uitsluitend taken en bevoegdheden aan het College zijn toegekend, zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.\n\n(…)\n\nArtikel 101 van de Geneesmiddelenwet\n\nOnze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 18, eerste lid, 26, eerste lid, 27, 27a, 28, eerste, tweede en zesde lid, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, eerste lid, 36, eerste, tweede en vierde lid, 37, 38, eerste lid, 38a, tweede lid, 38b, eerste en tweede lid, 38c, 39, eerste lid, 39a, eerste lid, 40, eerste, tweede, vierde en zevende lid, 48, vijfde en zevende lid, 49, 50, 61, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, achtste en negende lid, 62, 64, 65, 66, 66a, 67, 67a, 68, 69, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 72, 76a, 77a, 78, eerste en derde lid, 78a, eerste lid, 80, eerste en tweede lid, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 91, eerste tot en met vierde lid, 92, 93, 94, 95 of 96.\n\n(…)\n\nArtikel 44 Gezondheidswet\n\n1. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid maakt, na een daartoe strekkend besluit van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bestuursorgaan, de bij die maatregel aan te wijzen onder hem berustende informatie openbaar inzake het toezicht op of de uitvoering van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen regelgeving, teneinde de naleving van die regelgeving te bevorderen, het publiek inzicht te geven in de wijze waarop dat toezicht en die uitvoering worden verricht en wat de resultaten van die verrichtingen zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen anderen die met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de op grond van de eerste volzin aangewezen regelgeving zijn belast, dan wel de organisatie waarvoor zij werkzaam zijn, in plaats van het Staatstoezicht worden belast met openbaarmaking als bedoeld in de eerste volzin.\n\n(…)\n\n3. Op grond van het eerste of tweede lid kan voor openbaarmaking worden aangewezen, informatie betreffende:\n\na. uitkomsten van controle en onderzoek en de daaraan ten grondslag liggende gegevens;\n\n(…)\n\n g) waarschuwingen;\n\n(…)\n\n5. Het Staatstoezicht op de volksgezondheid dan wel degene die op grond van het eerste lid, tweede volzin, is aangewezen, draagt er zorg voor dat de informatie die op grond van het eerste lid openbaar wordt gemaakt, door hem bij de openbaarmaking is ontdaan van:\n\na) informatie die bedrijfs- of fabricagegegevens bevat, die door natuurlijke personen of rechtspersonen aan hem vertrouwelijk is meegedeeld;\n\nb) persoonsgegevens, voor zover de openbaarmaking daarvan op grond van het zesde lid niet is toegestaan; en\n\nc) informatie, waarvoor de verstrekker van die informatie uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, doch waarvan de met het toezicht belaste ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid voor de vervulling van hun taak kennis hebben genomen.\n\n(…)\n\nArtikel 44a Gezondheidswet\n\n1. De openbaarmaking, bedoeld in artikel 44, vindt niet plaats binnen twee weken na het tijdstip waarop het in artikel 44, eerste lid, bedoelde besluit bekend is gemaakt. Bij dat besluit wordt de betrokkene van de openbaar te maken informatie op de hoogte gesteld, voor zover hij van die informatie nog geen kennis heeft kunnen nemen en wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld zijn reactie op het besluit kenbaar te maken.\n\n(…)\n\n9. Indien de openbaarmaking, bedoeld in artikel 44, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van de wet in het kader waarvan de openbaarmaking plaatsvindt, blijft openbaarmaking achterwege.\n\nArtikel 3.1, onderdeel a van onderdeel II van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet3.1. Binnen het kader van het toezichtsdomein, bedoeld onder 1, en binnen het kader van de aangewezen regelgeving, bedoeld onder 2, wordt informatie openbaar gemaakt over:\n\na. schriftelijk vastgestelde documenten van met toezicht belaste ambtenaren van de IGJ bevattende uitkomsten van controles en onderzoeken als bedoeld in artikel 44, derde lid, onderdeel a van de Gezondheidswet, verkregen in de uitoefening van hun taak, voor wat betreft de naleving van de onder 2 vermelde regelgeving, waarin hun eindoordeel is neergelegd, met uitzondering van:\n\ni. de uitkomsten van controle en onderzoek naar een melding als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b en c, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg;\n\nii. de uitkomsten van controle en onderzoek in reactie op een handhavingsverzoek;\n\niii. de uitkomsten van controle en onderzoek die ten grondslag worden gelegd aan het indienen van een tuchtklacht;\n\niv. de uitkomsten van controle en onderzoek die ten grondslag worden gelegd aan besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke boete;\n\n(…)\n\nDe minister verwijst in dit kader naar de Memorie van Toelichting “Wijziging van de Gezondheidswet en de Wet op de jeugdzorg teneinde een mogelijkheid op te nemen tot openbaarmaking van informatie over de naleving en uitvoering van regelgeving, besluiten tot het opleggen van sancties daarbij inbegrepen”\n\n Kamerstukken II 14-15, 34111 nr 3, p. 10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:443","2026-07-13T00:28:31.517Z",20]