[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-child-protection-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":49,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2024-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[],[22,33,41],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"570","ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","ecli-nl-rbobr-2026-4793","","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.243457.25\n\nDatum uitspraak: 08 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [2001] ,\n\nthans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.\n\nNa wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en\u002Fof aanhet opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende, heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenarenvan de justitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende,heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenaren van dejustitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,meermalen, althans eenmaal,door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeen andere feitelijkheid, te weten- door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en\u002Fof in zijn woning en\u002Fof- door het grote leeftijdsverschil en\u002Fof het fysieke en\u002Fof mentaleoverwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en\u002Fof- door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en\u002Fof- door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) methem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou latenweten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem,verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haarfamilie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen,die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,vingers en\u002Fof penis;( art 242 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,(telkens) buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof vingers;( art 245 Wetboek van Strafrecht )De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.\n\nHet onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] )was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.\n\nDe raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.\n\nHet kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.\n\nVoor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .\n\nVerdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.\n\nDe door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.\n\nHoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.\n\nDat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiair\n\nHet voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nDe enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nUit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.\n\nIn de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals\u002Fvervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.\n\nUit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nBij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.\n\nTen aanzien van feit 3 primair\n\nDe rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.\n\nIn zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.\n\nOver het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.\n\nGelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.\n\nVoor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.\n\nVerdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.\n\nTen aanzien van feit 3 subsidiair\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nIn artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.\n\nVerdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.\n\nVerdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password\u002Fkeychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.\n\nDe rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.\n\nVerdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.\n\nDe beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair\n\nop tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,\n\nontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten\n\n-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en\n\n-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.Oplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.\n\nHet advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nBij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.\n\nSubsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.\n\nMeer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.\n\nBeoordeling.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn\u002Fhaar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn\u002Fhaar persoon is aangetast.​\n\nNaar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.\n\nVerder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nNaast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nDe rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;\n\n- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd\n\nDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\nVoor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.\n\nAmbulante behandeling\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit\n\nvoortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nVerblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\nVerbod verdovende middelen\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.\n\nDe reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nContactverbod\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:\n\n [slachtoffer 3] , geboren op [2009]\n\nDagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.\n\nAflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nVermijden contact met minderjarigen\n\nVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nT.a.v. feit 1 primair en subsidiair:\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een maatregel tot schadevergoeding.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nVoormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:\n\nDe rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.\n\nVerdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,\n\nen is uitgesproken op 08 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.269Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1202","ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","ecli-nl-ghshe-2024-1598","2024-05-13T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001573-23\n\nUitspraak : 13 mei 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208048-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Filipijnen) op [geboortedatum] ,\n\nwonende te [adres verdachte] .\n\nHoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte ter zake van:\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 1);\n\n‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd’ (feit 3),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nVoorts heeft de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair partiële vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof de anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en\u002Fof Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en\u002Fof anus van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en\u002Fof zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en\u002Fof Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en\u002Fof het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof het kussen van die [slachtoffer] en\u002Fof het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd\u002Fgebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd;\n\n3. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en Terneuzen, met zijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] en het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\n1. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 28 juni 2021 (p. 7-9), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant I] en [verbalisant II] :\n\nInformatie over het gesprek:\n\nInformatief gesprek met: [slachtoffer] (vrouw), geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , nationaliteit Filipijnse, [adres] .\n\nDatum gesprek: 22 juni 2021\n\nWoonsituatie:\n\n [slachtoffer] woont samen met haar vader, moeder en broer, [broer] , in de [adres]\n\n . Zij zijn ongeveer 3 jaar geleden vanuit Dubai naar Nederland verhuisd.\n\nWat is er gebeurd:\n\n [slachtoffer] is vanaf haar 9e jaar regelmatig verkracht door haar vader. Dit is begonnen in Dubai en is frequent doorgegaan ook toen zij in Nederland kwam wonen.\n\nDe verkrachting bestond uit het vaginaal penetreren. Hij gebruikte geen condooms. Tevens moest zij hem regelmatig aftrekken. Hij pakte dan haar hand met kracht vast en legde haar hand op zijn geslachtsdeel.\n\nIn Dubai vonden de seksuele handelingen plaats in een kamer waar het hele gezin bij elkaar sliep. In Nederland hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden op de slaapkamer van [slachtoffer] .\n\n [slachtoffer] geeft aan dat zij vorig jaar voor het laatst vaginaal gepenetreerd is door haar vader. Tevens wordt [slachtoffer] dagelijks betast door haar vader. Hij wrijft met zijn handen over haar kleding, over haar vagina en billen.\n\n2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juni 2021 (p. 10-14), voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :\n\nO: opmerking verbalisant\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord aangeefster\n\nAangeefster deed aangifte namens het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] ), [adres] .\n\nO: Wij hebben begrepen dat het gezin al 3 jaar in Terneuzen woont.\n\nV: Klopt dat?\n\nA: Ja, de kinderen zijn geboren en getogen in [geboorteplaats slachtoffer] .\n\nV: Wat kun jij vertellen over het seksuele misbruik?\n\nA: [slachtoffer] vertelde dat ze vanaf haar negende (9) tot haar veertiende (14) seksueel werd misbruikt door haar vader. Zij gaf aan dat zij tot haar elfde (11) werd verkracht. Tot haar elfde (11) bestond het seksueel misbruik onder andere uit verkrachten. Na haar elfde (11) is het verkrachten gestopt en bleef vader aan haar zitten. Dit bestond uit kussen en voelen aan haar vagina en borsten. [slachtoffer] gaf tijdens het gesprek aan dat hij een dag voor de melding voor het laatst aan haar had gezeten.\n\nO: Toen [slachtoffer] het vertelde, hoe was haar gemoedstoestand toen?\n\nA: Ik zag een meisje dat erg timide en ingedoken op een stoel zat. De hoofdemotie kwam op mij over als opluchting.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer] d.d. 19 juli 2021 (p. 16-20), voor zover inhoudende:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord getuige\n\nV: [slachtoffer] , tegen wie doe je aangifte?\n\nA: Tegen mijn vader, [verdachte] . Hij is mijn biologische vader (het hof begrijpt: de verdachte).\n\nV: Wanneer heeft het feit plaats gevonden?\n\nA: Ongeveer 6 jaar geleden is het begonnen, in 2015 tot 21 juni 2021.\n\nV: Ok, [slachtoffer] kan jij ons eens alles vertellen wat er is gebeurd?\n\nA: Het is ongeveer 6 jaar geleden begonnen in Dubai, in het appartement waar ik toen woonde. Ik was toen 9 jaar. We sliepen in die tijd allemaal in dezelfde kamer en het gebeurde ook in die kamer. Mijn moeder en broer waren aan het slapen. Mijn vader liep naar mijn bed. Toen begon hij mij aan te raken en mijn pyjama uit te trekken. Ik wilde me verzetten, maar ik heb niet echt geprobeerd om hem te stoppen. Ik was slaperig en wilde hem niet boos maken. Ik wilde ook geen weerstand bieden omdat ik bang was dat hij me iets aan zou doen. Toen heeft hij mijn pyjamabroek uitgetrokken en hij zijn short, en toen heeft hij zijn penis in mijn vagina gedaan. Hij heeft me toen verkracht. Daarna heeft hij het nog vaak gedaan. Ik denk niet elke nacht, maar wel heel vaak.\n\nV: Zijn er ook nog andere dingen gebeurd?\n\nA: Ja, hij pakte me vast aan mijn borsten om mijn middel of kont en dan begon hij tegen mij aan te schuren.\n\nV: Zijn er nog andere seksuele handelingen gebeurd?\n\nA: Hij probeerde mijn borsten aan te raken, hij probeerde ook mijn borsten met zijn mond aan te raken en dan beet hij daar heel hard in. Hij raakte mijn vagina aan met zijn handen. Dat was misschien wel het ergste. Dan pakte hij mijn schaamhaar vast en trok er hard aan. Dat deed heel veel pijn. Hij probeerde ook mijn clitoris aan te raken, maar die kon hij niet vinden en duwde hij heel hard tegen het bot wat daar zit. Als hij daar beneden greep trok hij ook heel hard aan mijn schaamlippen dat ze eruit werden getrokken. Mijn schaamlippen kwamen daardoor naar buiten en dit heeft lang zo gezeten. Nu de laatste tijd is dit aan het genezen. Het was erg pijnlijk. Hij liet mij hem ook aftrekken. Hij pakte mij bij mijn polsen met twee handen, waardoor ik mijzelf niet kon lostrekken. Dit gebeurde vaak, hij deed dit altijd voordat hij me verkrachtte. Hij zat eerst met zijn mond aan mijn borsten, daarna pakte hij mijn hand om hem af te trekken en daarna verkrachtte hij mij.\n\nV: Alle keren dat je verkracht bent, wat is het hetgeen je het meest geraakt\n\nheeft?\n\nA: Er zijn twee ernstige keren geweest. Een keer dat hij heel hard aan mijn\n\nschaamhaar trok. Hij trok mijn knie opzij en begon heel hard tegen mijn clitoris te wrijven. De tweede vreselijkste keer was dat hij zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen. Ik weet niet of het hem echt gelukt is om naar binnen te brengen, maar ik weet wel dat het heel veel pijn deed. Ik heb nog nooit zoveel pijn gehad.\n\nV: En dit heeft allemaal plaatsgevonden in Dubai?\n\nA: Het ergste in Dubai, maar hier is hij ermee doorgegaan. Mij seksueel misbruiken, verkrachten.\n\nV: Kun je me vertellen over de ergste keer in Nederland?\n\nA: Hier zijn er ook twee slechtste momenten geweest. De ene keer niet echt fysiek maar meer emotioneel. In de [straat] . Mijn broer en ik hadden een kamer en mijn ouders hadden een kamer. Op een nacht kwam mijn vader naar mijn kamer. Mijn broer was in slaap gevallen. Mijn vader heeft mij verkracht vlak bij mijn broer. De tweede meest vreselijke keer was dat hij in mij klaar kwam. Vaak deed hij dit buiten mijn lichaam en moest ik het van hem schoonmaken. Die keer kwam hij in mij klaar. Ik was bang dat ik zwanger zou raken.\n\nV: Wanneer was de laatste keer dat er iets is gebeurd?\n\nA: De laatste keer was dat hij me verkrachtte. Dat was vorig jaar. Toen is hij ook in mij klaargekomen. De laatste keer dat hij me seksueel heeft aangeraakt was de dag voordat ik erover ben gaan vertellen wat hij deed.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 35-42), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Wanneer zijn jullie verhuisd naar Nederland?\n\nA: Op 30 december 2018.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 augustus 2022 (p. 45-54), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nV: vraag verbalisant\n\nA: antwoord verdachte\n\nV: Je weet al langere tijd dat er aangifte tegen je is gedaan door een medewerkster\n\nvan Veilig Thuis in verband met seksueel misbruik dat door jou gepleegd zou zijn\n\nmet je dochter [slachtoffer] . Wat vind je van deze beschuldiging?\n\nA: Ik heb geen tegenwerpingen.\n\nV: Wat gebeurde er de eerste keer?\n\nA: Ze was natuurlijk jong, een kind. Ik raakte haar ‘private parts’ aan.\n\nV: Wat bedoel je met de ‘private parts’?\n\nA: Haar vagina. Ik had toen ook seks met haar.\n\nV: Waar en wanneer gebeurde dit?\n\nA: Ik weet dat het gebeurde als we in het huis waren, ik bedoel in het huis in Dubai. Het was op haar bed.\n\nV: Hoe ging het met het aanraken van [slachtoffer] (het hof begrijpt hierna telkens: [slachtoffer])?\n\nA: lk begon eerst met haar borst te strelen.\n\nV: Had dit aanraken een seksuele lading voor jou?\n\nA: Ja.\n\nV: Wanneer ging je dan verder en raakte je de vagina van [slachtoffer] aan?\n\nA: Het gebeurde gewoon. Het stapelde zich maar op. Het gebeurde een tweede, een derde keer. Het leek al een gewoonte te worden. Ik bleef het doen. Toen gebeurde het weer. In 2016.\n\nV: Op welke momenten gebeurde het?\n\nA: We sliepen met het hele gezin in dezelfde kamer. Het gebeurde ook wel daar. Iedereen sliep dan. Ook mijn vrouw sliep en dan lukte het mij om het toch te doen met [slachtoffer] . Ik stapte dan bij [slachtoffer] in bed. Ik had dan geslachtsgemeenschap met mijn dochter. Penetratie. Met mijn penis in haar vagina. Ik deed het dan langs de achterkant. Het bleef zich maar herhalen. Toen we in Nederland kwamen zei ik tegen mezelf dat het niet meer mocht gebeuren. Maar de drang blies in mijn oren.\n\nV: Wanneer had je voor het laatst geslachtsgemeenschap met [slachtoffer] ?\n\nA: In 2020 in Nederland.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde ook dat zij je moest aftrekken en dat je daarbij haar handen pakte\n\nen naar je penis bracht.\n\nA: Ja dat klopt, dat is gebeurd.\n\nV: [slachtoffer] heeft zich een keer verdedigd door tegen je aan te stompen. Je tegen haar\n\nzei dat ze dat goed deed, maar dat je haar daarna wel weer verkrachtte. Wat kun je\n\ndaar over zeggen?\n\nA: Ik kon mezelf niet meer in de hand houden. Wat ze vertelde is waar, ik deed dat.\n\nV: [slachtoffer] verklaarde dat het seksueel handelen doorging, ook na de verhuizing naar\n\nNederland. Toen sliepen [slachtoffer] en [broer] (het hof begrijpt: de broer van [slachtoffer]) op dezelfde kamer. Dat je haar hebt verkracht waar haar broer vlakbij lag. Reageer hier eens op.\n\nA: In het nieuwe huis in Nederland is er één keer een situatie geweest waarbij dit\n\ngebeurd is. [broer] was inderdaad in dezelfde kamer toen ik geslachtsgemeenschap\n\nmet [slachtoffer] had.\n\nV: De laatste periode penetreerde je [slachtoffer] niet meer, maar bleef je haar wel betasten.\n\nDe laatste keer was zelfs op de dag voor ze het meldde bij de zorg coördinator van\n\nschool, melding 22 juni 2021.\n\nA: Ja dat klopt, ik heb dat gedaan.\n\n6. Een geschrift, te weten een geboorteakte, die als bijlage achter het politiedossier is gevoegd, voor zover inhoudende:\n\nName: [slachtoffer]\n\nName of Father: [verdachte]\n\nNationality: FILIPINO\n\nName of Mother: [naam moeder slachtoffer]\n\nNationality: FILIPINO\n\nDate of Birth: [geboortedag slachtoffer]\n\nPlace of Birth: [geboorteplaats slachtoffer]\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, d.d. 17 mei 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:\n\nHet is gebeurd in Dubai en later in Nederland. Ik beken dat ik met mijn penis in haar vagina ben binnengedrongen. Het klopt dat er penetratie heeft plaatsgevonden in de periode van 2015 tot 2020. Het klopt dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik haar vagina heb betast. Ik heb met mijn mond en mijn handen haar borst betast en ik heb haar gekust. U vraagt mij of ze ook mijn penis heeft moeten betasten. Dat is gebeurd ja.\n\n8. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 29 april 2024, voor zover inhoudende:\n\nHet klopt dat ik tot en met 10 april 2018 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heb gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te Terneuzen en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , door mijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te hebben geduwd\u002Fgebracht.\n\nHet klopt dat ik tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en Terneuzen, met mijn kind [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heb gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] , het betasten van de vagina van die [slachtoffer] , het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van mijn penis door die [slachtoffer] .\n\nIk weet nu wat de schaamlippen zijn. Ik heb mijn vingers tussen de schaamlippen van [slachtoffer] geduwd.\n\nHet klopt dat [slachtoffer] ook [slachtoffer] werd genoemd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte partieel van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de verdachte ontkent dat hij zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd en dat hij hard aan de schaamlippen van zijn dochter heeft getrokken. Gelet op de proceshouding van de verdachte, waarbij hij direct openheid van zaken heeft gegeven, is het aannemelijk dat verdachtes verklaringen (ook) op deze punten juist zijn. Bovendien was de verdachte gericht op seksuele bevrediging en niet op het op een sadistische wijze pijn doen van [slachtoffer] . Voor wat betreft de startdatum van de onder feit 1 en onder feit 3 opgenomen pleegperiode heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nHet hof acht met de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. [slachtoffer] heeft verklaard dat de verdachte ‘zijn penis via achteren naar binnen probeerde te brengen’. Tevens heeft zij verklaard ‘Ik weet niet of het hem echt gelukt is om (zijn penis)naar binnen te brengen’. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat hij met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] ging en dat hij dat ‘langs de achterkant’ deed. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij daarbij zijn penis in de vagina van [slachtoffer] heeft geduwd\u002Fgebracht. Gelet op hetgeen zowel [slachtoffer] als de verdachte heeft verklaard kan naar het oordeel van het hof niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte zijn penis in de anus van [slachtoffer] heeft geduwd. De verdachte zal derhalve in zoverre van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nAnders dan de verdediging acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hard aan de schaamlippen van [slachtoffer] heeft getrokken. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid en juistheid van hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard. Zij heeft consistent en consequent verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, alsmede over de voor haar pijnlijke gevolgen van die handelingen. Bovendien vinden haar verklaringen steun in de andere bewijsmiddelen. Het verweer strekkende tot partiële vrijspraak van het tenlastegelegde wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nTen aanzien van de pleegperiode van de onder 1 en onder 3 tenlastegelegde feiten stelt het hof vast dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij negen jaar oud was toen het misbruik begon. Uit hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard blijkt dat hij zich kan herinneren dat [slachtoffer] tien jaar oud was toen het begon en niet negen jaar oud. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij niet zich niet herinnert of het misbruik op tienjarige leeftijd begon. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen antwoord kan geven op de vraag of het misbruik in 2015 of in 2016 begon. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het feit dat de verdachte niet meer precies weet vanaf welk moment de aan hem verweten gedragingen hebben plaatsgevonden, stelt het hof de begindatum van het onder 1 en onder 3 bewezenverklaarde vast op 1 januari 2015.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – naar voren gebracht dat de tenlastegelegde feiten een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, doch dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straffen die in vergelijkbare strafzaken zijn opgelegd – te hoog is. Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hij het misbruik direct heeft erkend, dat hij zelf in therapie is gegaan en dat hij de therapie inmiddels heeft afgerond. Bovendien ondersteunt de verdachte zijn vrouw en kinderen op financieel gebied en werkt hij hard om de kosten van de studies van zijn kinderen en de studentenkamers te betalen. Indien de verdachte gedetineerd raakt, ontstaan grote financiële problemen. De verdachte vreest dat zijn kinderen hun studies dan zullen moeten staken. De verdediging heeft het hof verzocht om de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan bij voorkeur 2 jaren en anders 1 jaar voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en als bijzondere voorwaarden (betreffende het gedrag van de verdachte) een contactverbod met [slachtoffer] en dat hij contacten met minderjarigen dient te vermijden.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nBij de bepaling van de op te leggen sanctie heeft het hof gelet op:\n\n- de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan,\n\n- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en\n\n- de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nAard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich gedurende een zeer lange periode, een periode van ruim zes jaren, met grote regelmaat schuldig heeft gemaakt aan het plegen van seksuele handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] . De seksuele handelingen bestonden onder andere uit vaginale penetratie met zijn penis, het betasten van de borst(en) van [slachtoffer] , het trekken aan haar schaamlippen en het laten betasten van verdachtes penis door [slachtoffer] . De handelingen vonden plaats vanaf het moment dat [slachtoffer] nog maar negen jaar oud was, onder meer in de door het hele gezin gedeelde slaapkamer in Dubai. [slachtoffer] kon zich zelfs in haar eigen bed niet veilig voelen. In sommige gevallen waren de moeder en\u002Fof de broer van [slachtoffer] tijdens het misbruik in dezelfde kamer aanwezig.\n\nDe verdachte heeft met zijn handelen op een buitengewoon ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Ook heeft hij daarbij grovelijk het vertrouwen geschonden dat zij in hem als vader mocht stellen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer] bang was voor haar vader. Zij heeft bijvoorbeeld verklaard dat de verdachte haar en haar broer regelmatig sloeg, onder meer met een riem. Ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat dit onderdeel uitmaakte van de opvoeding en de Filipijnse cultuur. Zoals ook door de rechtbank is overwogen, kon dit geweld voor [slachtoffer] echter niet los worden gekoppeld van het seksueel misbruik, zodat er ook op deze wijze sprake is geweest van forse dwang. Het gaat bovendien om jarenlang misbruik. Het hof rekent het de verdachte dan ook zeer zwaar aan dat hij zijn dochter, een klein meisje dat weerloos was ten overstaan van haar volwassen vader op de bewezenverklaarde wijze jarenlang en onder grote druk seksueel heeft misbruikt. De verdachte heeft daarbij geen oog gehad voor de belangen van [slachtoffer] en voor de gevolgen van zijn handelen voor zijn eigen dochter. Hij heeft slechts zijn eigen lustgevoelens vooropgesteld. Bovendien is het misbruik pas aan het licht gekomen doordat [slachtoffer] zelf op school over het misbruik heeft verteld.\n\nHet is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten langdurig, mogelijk hun hele verdere leven, nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de gedingstukken blijkt dat dat ook bij [slachtoffer] het geval is. Verdachtes handelen heeft niet alleen grote impact gehad op [slachtoffer] , maar eveneens op het gezin. De verdachte heeft niet alleen het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem mocht stellen geschonden, maar eveneens het vertrouwen dat de andere gezinsleden in hem als vader en partner mochten hebben.\n\nPersoon van de verdachte\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 maart 2024. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake van een ander strafbaar feit met politie en\u002Fof justitie in aanraking is gekomen. In zijn justitieel verleden is daarmee geen strafverzwarende omstandigheid gelegen.\n\nVoorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 17 april 2023. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als laag-gemiddeld.\n\nDe heimelijkheid van het delict, het ontbreken van een sociaal netwerk dat de verdachte kan steunen en het feit dat hij zijn seksualiteit onderdrukt, vindt de reclassering aandachtspunten en risico's. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waaraan als bijzondere voorwaarden onder andere een meldplicht en een contactverbod met [slachtoffer] worden verbonden.\n\nStrafoplegging\n\nGelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van een aanzienlijke duur met zich brengt. Naar het oordeel van het hof kan gelet daarop evenmin worden volstaan met een straf als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de aard en de ernst van het bewezenverklaarde handelen daarin onvoldoende tot uitdrukking komen. In dit verband heeft het hof in het bijzonder nog de zeer lange duur van het ingrijpende misbruik in aanmerking genomen, alsmede de ernstige wijze waarop inbreuk is gemaakt op zowel de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] als het vertrouwen dat [slachtoffer] bij uitstek in de verdachte, als haar vader, mocht stellen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof het passend en geboden de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nIn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen grond om tot een andere beslissing te komen. Ook de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep genoemde uitspraken brengen het hof niet tot een ander oordeel.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 6, 7, 57, 244, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,\n\nmr. J.F. Dekking en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 13 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie Midden- en West-Brabant, Unit Zeden, onderzoek Marine, onderzoeksnummer ZBRBC21119, proces-verbaalnummer PL2000-2021161821, p. 1 tot en met pagina 56, met daarachter bijlagen. Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1598","2026-07-13T00:29:09.704Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"769","ECLI:NL:GHSHE:2024:1420","ecli-nl-ghshe-2024-1420","Parketnummer : 20-001821-18\n\nUitspraak : 22 april 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 18 mei 2018, in de strafzaak met parketnummer 03-866365-13 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1972,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte partieel vrijgesproken van het tweede gedeelte van de tenlastelegging en ter zake van ‘een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe rechtbank heeft de verdachte partieel vrijgesproken, te weten van het tweede gedeelte van de tenlastelegging, ziende op de afbeeldingen met bestandsnamen LC-351751 en LC-351752 en LC-351753 (de foto’s 6,7 en 8 in proces-verbaal PL2300-2016228368-4).\n\nDe verdachte heeft aanvankelijk onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar heeft bij akte van 31 januari 2022 – tijdig, immers voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting – het hoger beroep ingetrokken voor zover het tegen deze vrijspraak was gericht.\n\nHet hof heeft ter terechtzitting van 31 januari 2022 geoordeeld dat voornoemde partiële vrijspraak dient te worden aangemerkt als een beschermde vrijspraak. Voorts heeft het hof bepaald dat dit deel van het beroep partieel namens de verdachte kon worden ingetrokken en dat dit deel van de tenlastelegging derhalve niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor het tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met verbetering van gronden en met uitzondering van de kwalificatie en de opgelegde straf. Voorts zal het hof de door de rechtbank opgenomen wettelijke voorschriften vervangen op de wijze zoals hierna is vermeld.\n\nHet hof zal de overwegingen van de rechtbank onder de kopjes inleiding, bewijs en overwegingen in het geheel verbeteren en vervangen op na te melden wijze. Het hof heeft daarbij deels aansluiting gezocht bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen.\n\nVerbetering van de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de tenlastegelegde afbeeldingen niet kunnen worden aangemerkt als kinderporno; de tenlastegelegde afbeeldingen bevatten op zichzelf geen seksuele gedraging. Ook uit de wijze van het tot stand komen van de tenlastegelegde afbeeldingen kan niet worden geconcludeerd dat deze onmiskenbaar strekken tot het opwekken van een seksuele prikkeling. Verder stelt de verdediging dat uit het dossier volgt dat [medeverdachte] de foto’s heeft genomen en dat medeplegen niet kan worden bewezen, hetgeen wel nodig is om tot een veroordeling van de verdachte te komen. Uit het enkele feit dat de verdachte (mede) op de afbeeldingen is te zien, kan niet volgen dat er van samenwerking ten aanzien van de totstandkoming van de foto’s sprake is.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nInleiding\n\nIn maart 2012 ontving het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de nationale recherche (hierna: TBKK) afbeeldingen van de Deense politie, waarop onder andere een man, een vrouw, drie jongens en twee meisjes in wisselende samenstellingen te zien waren. Een aantal van die afbeeldingen werd aangemerkt als kinderporno. Op de afbeeldingen waren aanwijzingen te zien dat deze in Nederland zouden zijn gemaakt. Door het TBKK werd een onderzoek ingesteld naar de herkomst van die foto’s. Op de foto’s werden onder andere de verdachte, haar dochter [slachtoffer] en haar partner [medeverdachte] , herkend.Op 17 juni 2013 werden de verdachte en [medeverdachte] aangehouden.\n\nBewijsmiddelen\n\nTijdens het onderzoek werden de foto’s bekeken. Een aantal zijn genoemd respectievelijk beschreven met volgnummers 1 tot en met 34 in de proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 respectievelijk -5. De afbeeldingen met de bestandsnamen HH Public Sample 001.jpg (het hof begrijpt: volgnummer 16),LC-351904 (het hof begrijpt: volgnummer 3)en LC-351905(het hof begrijpt: volgnummer 2)werden door verbalisant [verbalisant 1] , destijds werkzaam als gecertificeerd kinderpornorechercheur, als kinderpornografisch aangemerkt. Op deze afbeeldingen zijn te zien de verdachte en [slachtoffer] . [slachtoffer] ligt rechts van de verdachte en [slachtoffer] heeft de tepel van de rechterborst van de verdachte in haar mond. De verdachte heeft met haar rechterhand het hoofd van haar dochter vast. [slachtoffer] ’s bovenlichaam is ontbloot. Deze foto met volgnummer 3 is nagenoeg identiek aan de foto met volgnummer 2.Verder is de foto met volgnummer 16 identiek aan de foto met volgnummer 2.\n\nUit onderzoek op basis van zogenaamde exif-informatie is gebleken dat de afbeeldingen LC-351904 (volgnummer 3) en LC-351905 (volgnummer 2) werden gemaakt op – respectievelijk – 2004-01-09 om 07:35:15 uur en 2004-01-09 om 07:35:28 uur.Uit de exif-informatie volgt verder dat op 2004-01-09 tussen 07:15:40 uur en 07:50:54 uur in totaal 14 foto’s werden gemaakt.Al deze foto’s werden in het politieonderzoek als kinderpornografisch aangemerkt.Hieronder volgt, met uitzondering van de hiervoor beschreven foto’s met volgnummers 2 en 3, een beschrijving van die foto’s:\n\n- Foto met volgnummer 28: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een zitbank. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar rechterhand onder haar hoofd, de linkerhand in haar zij, heeft haar linkerbeen opgetrokken en draagt een wit onderbroekje met een roze bies en een afbeelding van een blauw bloemetje. Het camerastandpunt is gericht op de borsten en het kruis van het meisje.Volgens de exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 07:15:40 uur.\n\n- Foto met volgnummer 34: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit geheel ontkleed op een speelkleed. Het meisje betast met haar rechterhand haar vagina en houdt met haar linkerhand haar blauwe onderbroekje vast.Deze foto is volgens de exif-informatie gemaakt op 2004-01-09 om 07:29:27 uur.\n\n- Foto met volgnummer 4: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Beiden liggen op hun rug in een tweepersoonsbed. Het meisje ligt rechts van haar moeder, heeft haar hoofd naar links, reikt met haar rechterhand naar de rechterborst van haar moeder. Het meisje heeft haar benen opgetrokken en draagt een blauw onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje.Blijkens de exif-informatie is deze foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:35:05.\n\n- Foto met volgnummer 1: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken, houdt met beide handen haar voeten vast en kijkt tussen haar benen door in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje en heeft een ontbloot bovenlichaam. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje. Naast haar ligt haar moeder, de verdachte. Zij heeft dezelfde houding als haar dochter [slachtoffer] .Uit de exif-informatie volgt dat de foto is genomen op 2004-01-09 om 7:36:17 uur.\n\n- Foto met volgnummer 27: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken en kijkt daar tussendoor in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij in de knieholte heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de anus en vagina van het meisje.Volgens de exif-informatie is deze foto genomen op 2004-01-09 om 7:41:09.\n\n- Foto met volgnummer 29: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug en heeft haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij met beide handjes omlaag brengt. Het camerastandpunt is gerecht op de vagina van het meisje.De foto is volgens de exif-informatie genomen op 2004-01-09 op 7:41:25.\n\n- Foto met volgnummer 14: het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, met haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij op haar enkels heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de vagina van het meisje. Het meisje is [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] .Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 07:42:22.\n\n- Foto met volgnummer 11: op deze foto staat [slachtoffer] , Op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurige onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers haar grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes.De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:38.\n\n- Foto met volgnummer 13: het meisje staat met de rug naar de camera, er is ingezoomd op haar billen en de bovenkant van haar lichtblauwe onderbroekje zit ter hoogte van haar knieën. Met haar handen steunt ze op de achterkant van een bed. Het afgebeelde meisje is [slachtoffer] .Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:42:42.\n\n- Foto met volgnummer 12: op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurig onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers de grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes.De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:14.\n\n- Foto met volgnummer 9: het is een afbeelding van de vagina van [slachtoffer] . Het meisje ligt op haar rug met opgetrokken benen. Het meisje trekt met haar vingers haar vagina open.Blijkens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:44:12 uur.\n\n- Foto met volgnummer 30: op deze foto afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit met haar knieën op een bed. Het meisje heeft haar bovenlichaam ontbloot en draagt een roze onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op de borstjes van het meisje. Het meisje steekt haar tong uit en houdt deze in de linker mondhoek.Volgens exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:50:54.\n\n [slachtoffer] is, zoals hiervoor al is vermeld, geboren op [geboortedatum] .\n\nIn het herziene rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 mei 2023 is onderzoek gedaan naar de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de metadata, en in het bijzonder de tijdstempels, aanwezig in de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004. Op 10 oktober 2022 is volgens opgaaf de meest origineel beschikbare versie van het onderzoeksmateriaal, als collectie van 353 fotobestanden [AAPT7154NL] waarvan het grootste deel ook exif-metadata bevat, bij het Nederlands Forensisch Instituut aangeleverd. Deze collectie bevat 110 bestanden met een tijdstempel van 9 januari 2004. In het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende hypothesen:\n\nHypothese B1: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen (ongeveer) overeen met het moment van opname van foto’s.\n\nHypothese B2: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen niet overeen met het moment van opname van de foto’s.\n\nUit het onderzoek volgt dat de bevindingen van het onderzoek van de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004 zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese B2 waar is, dan wanneer hypothese B1 waar is.\n\nVerder volgt samenvattend uit het onderzoek dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metabestanden die zijn gemaakt met een Kodak DX7630. Er zijn binnen het onderzoek geen aanwijzingen gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004.\n\nAan de verdachte zijn in haar verhoor bij de politie op 18 juni 2013 16 foto’s getoond. De getoonde foto’s komen overeen met de nummers in het proces-verbaal beeldmateriaal van het KLPD.In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 is nader uitgewerkt welke foto’s aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn getoond. Dat betreffen de foto’s 1 tot en met 16 uit dit proces-verbaal waarbij de nummering in de tabellen is bijgevoegd.De verdachte heeft in haar verhoor bij de politie verklaard dat zij vanaf mei 2006 tot januari 2007 woonde aan de [adres 2] . Haar partner [medeverdachte](het hof begrijpt: [medeverdachte] )kwam daar geregeld. Zij heeft verder verklaard dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 zijn gemaakt op de [straatnaam 1] en dat zij zich deze foto’s kan herinneren omdat zij daar zelf bij was. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 de foto’s uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4, 2, 15 en 13 betreffen.De foto’s waar de verdachte zelf op staat, zijn volgens haar gemaakt in 2006.In haar verhoor bij de politie op 20 maart 2023 heeft de verdachte met betrekking tot de foto’s met volgnummers 17-34 verklaard dat zij geen manipulatie ziet.\n\nMedeverdachte [medeverdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de foto’s 1, 2, 3 en 4 heeft gemaakt.Dat zijn blijkens het proces-verbaal van bevindingen de foto’s met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4 en 2.Verder heeft hij verklaard dat hij een onderbroekenfetisj had en een dwangmatige verzamelaar is van afbeeldingen van meisjes en vrouwen in onderbroeken.\n\n Op 24 oktober 2023 is [slachtoffer] gehoord bij de raadsheer-commissaris. Daar heeft zij onder meer verklaard dat zij zich kan herinneren dat er naaktfoto’s van haar zijn gemaakt als kind zijnde, dat [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] )deze foto’s maakte en dat [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte)hierbij stond. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij zich de situatie kan herinneren dat zij op een bed ligt met haar knieën omhoog waarbij haar onderlichaam is ontkleed. Verder heeft zij verklaard dat zij zich kan herinneren dat er foto’s van haar vagina zijn gemaakt. Ze lag dan op bed en er werden foto’s gemaakt. [medeverdachte] spreidde haar schaamlippen, en maakte dan met één hand de foto. Haar moeder(het hof begrijpt: de verdachte)was er ook bij als er zo’n foto van haar vagina werd gemaakt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nSeksuele gedraging\n\nHet hof heeft de tenlastegelegde afbeeldingen, mede op verzoek van de verdediging, in raadkamer bekeken. Daarbij heeft het hof waargenomen dat de afbeeldingen van onderaf in een ongebruikelijk camerastandpunt zijn genomen. Op de afbeeldingen zijn de ontblote bovenlichamen van de verdachte en [slachtoffer] te zien. De verdachte heeft haar hand op het achterhoofd van [slachtoffer] en duwt\u002Fhoudt [slachtoffer] hiermee in de gefotografeerde positie. Het hof neemt verder waar dat de verdachte haar mond gedeeltelijk open heeft, dat zij haar hoofd (deels) heeft weggedraaid en dat haar ogen (op een van de twee afbeeldingen) naar boven zijn gedraaid. Verder heeft het hof waargenomen, gelijk de verbalisanten hebben gerelateerd, dat [slachtoffer] de tepel van de verdachte in haar mond heeft. Het hof is gelet op het voorgaande, in tegenstelling tot de verdediging, maar met gecertificeerd kinderpornorechercheur [verbalisant 1] , van oordeel dat de tenlastegelegde afbeeldingen wel degelijk afbeeldingen zijn met daarop een gedraging die van expliciet seksuele aard is en derhalve als kinderpornografisch kunnen worden aangemerkt. Dat de afbeeldingen van kinderpornografische aard zijn, vindt bovendien bevestiging in het feit dat deze afbeeldingen onderdeel uitmaken van een reeks van 14 afbeeldingen welke in een tijdsbestek van ongeveer 35 minuten zijn gemaakt en welke overige afbeeldingen eveneens als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Met betrekking tot het moment waarop en de locatie waar de afbeeldingen zijn gemaakt, gaat het hof weliswaar uit van de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat de foto’s waarop zij zelf is te zien, zijn gemaakt aan de [adres 2] en dat zij daar woonachtig was in de periode van mei 2006 tot januari 2007. Daarmee wordt bevestigd hetgeen is gerelateerd in voormeld rapport van het NFI van 11 mei 2023, te weten dat de tijdstempels van de afbeeldingen (zeer veel waarschijnlijker) niet overeenkomen met het moment van het maken van de foto’s. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof echter van oordeel dat die afbeeldingen wel zijn gemaakt in een tijdsbestek van 35 minuten. Het hof wijst daarbij op de conclusie van het NFI daaromtrent, namelijk dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metadata van fotobestanden en er geen aanwijzingen zijn gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004. Dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij de tenlastegelegde afbeeldingen, maar ook bij het maken van voormelde overige (kinderpornografische) afbeeldingen, vindt zijn bevestiging in de hiervoor bij het bewijs opgenomen verklaring van [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris. Het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat die verklaring van [slachtoffer] ziet op een later moment en aldus niet op de overige hiervoor genoemde afbeeldingen, wordt door het hof niet gevolgd. [slachtoffer] heeft in haar verhoor bij de raadsheer-commissaris immers verklaard dat zij zich een situatie zoals afgebeeld op een van de foto’s kon herinneren, maar dat zij dacht dat ze op dat moment ouder was. Ook heeft zij verklaard dat zij niet zeker weet hoe oud ze was en dat ze eerder in het verhoor gokte dat ze toen ongeveer 12 jaar moet zijn geweest. Ten slotte maakt de door [slachtoffer] geschetste context waarin het maken van de foto’s plaatsvond – welke context overeenkomt met de inhoud van de hiervoor omschreven pornografische afbeeldingen – dat het hof van oordeel is dat [slachtoffer] in haar verhoor voormelde afbeeldingen, waarbij zij ongeveer 8\u002F9 jaar oud was, heeft bedoeld.\n\nMedeplegen\n\nMet betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer omtrent het medeplegen, overweegt het hof nog als volgt. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] de tenlastegelegde afbeeldingen, waarop zowel de verdachte als [slachtoffer] zijn te zien, heeft genomen. Het hof is van oordeel dat er op die afbeeldingen doelbewust is geposeerd en dat er geen sprake was van een spontaan ‘grappig’ moment, zoals de verdediging heeft betoogd. Daarbij wijst het hof onder meer op de setting waarin de afbeeldingen zijn genomen, namelijk op een bed, waarbij zowel het bovenlijf van [slachtoffer] als van de verdachte is ontbloot, maar ook op de (seksuele) pose die door zowel de verdachte als [slachtoffer] daarop zijn aangenomen. Naar ‘s hofs oordeel kan het de verdachte niet zijn ontgaan dat deze afbeeldingen door medeverdachte [medeverdachte] zijn genomen, mede gelet op haar aanwezigheid bij de andere 12 in een totaal tijdsbestek van 35 minuten genomen kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] . Dat maakt dat het hof van oordeel is dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het bewezenverklaarde feit, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.\n\nHet hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplegen van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met haar partner medeplegen van het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van haar destijds minderjarige dochter [slachtoffer] . De afbeeldingen zijn onderdeel van een reeks van afbeeldingen waarin [slachtoffer] poseerde in seksueel prikkelende houdingen en die zijn ontdekt tijdens een onderzoek naar kinderporno op het internet door de Deense autoriteiten. Uit dat onderzoek is gebleken dat de afbeeldingen van [slachtoffer] via het internet zijn verspreid en door verzamelaars van kinderporno worden gedeeld. Het hof is van oordeel dat de verdachte haar zeer jonge dochter heeft misbruikt ten behoeve van de perverse seksuele behoeften van haar toenmalige maar ook nog huidige partner. Hierbij merkt het hof op dat [slachtoffer] kennelijk om aan de fetisj van de medeverdachte tegemoet te komen, heeft geposeerd in verschillende onderbroeken. Het is weerzinwekkend dat de verdachte eraan heeft meegewerkt dat haar dochter, in alle onschuld en totaal onwetend, op deze wijze is gefotografeerd en geëxploiteerd. Zij heeft daarmee het vertrouwen dat een kind in een ouder moet kunnen hebben op zeer ernstige wijze misbruikt en heeft slechts oog gehad voor haar eigen seksuele verlangens en\u002Fof die van haar partner. Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat slachtoffers van een feit als het onderhavige gedurende lange tijd de negatieve psychische gevolgen kunnen ervaren. [slachtoffer] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar moeder haar heeft bedreigd dat ze niks over de zaak mocht vertellen en dat haar leven een hel zou worden als ze dat wel zou doen. Het hof neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2024, waaruit volgt dat zij niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nHet hof heeft daarnaast acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij het vervaardigen van kinderporno uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.\n\nNaar het oordeel van het hof kan – gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte naar ’s hofs oordeel geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen – niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.\n\nHet hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.\n\nHet hof stelt vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, te weten een overschrijding van in totaal ongeveer 7 jaren. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf.\n\nZoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. In hetgeen de raadsman heeft bepleit, ziet het hof geen redenen om anderszins te beslissen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;\n\nkwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. drs. M.C.C. van de Schepop en mr. R. Lonterman, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 22 april 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Limburg, Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , hoofdagent van politie-eenheid Limburg en [verbalisant 2] , brigadier van politie-eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2012085827, gesloten d.d. 27 juni 2013, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met doorgenummerde dossierpagina’s 1-307. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming ex artikel 110 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] d.d. 23 januari 2013, proces-verbaalnummer 2012085827.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 2\u002F8 en pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4 niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 2 en 3.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4 niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeeldingen 28, 34, 4, 3, 2, 1, 27, 29, 14, 13, 12, 11, 9 en 30.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 1\u002F8 (afbeelding 1), 2\u002F8 (afbeelding 2, 3 en 4), 3\u002F8 (afbeelding 9, 11 en 12), 4\u002F8 (afbeelding 13 en 14), 6\u002F8 (afbeeldingen 27, 28 en 29) en 7\u002F8 (afbeelding 30 en 34).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 28.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 7\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 34.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 2\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 4.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 1\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 1\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 1\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 1.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 27.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 6\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 29.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 14.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 3\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 11.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 13.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 4\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 12.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 3\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 9.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-5, pagina 7\u002F8, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 3\u002F4, niet doorgenummerd, in combinatie met bijlage 2, exif-informatie, afbeelding 30.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juli 2012, p. 71.\n\n Het herzien rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 11 mei 2023, nummer 2022.05.13.109, opgemaakt door de NFI-deskundige ir. R. Zoun.\n\n Het proces-verbaal van zaakgericht verhoor van verdachte [verdachte] , dossierpagina 293; het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2015, proces-verbaalnummer 20122085827, pagina 2\u002F2, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] .\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, steeds kolom 5, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina’s 291 en 293.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 20 maart 2023, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-toonmapB\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina 258.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4, pagina 2\u002F4 en 3\u002F4, niet doorgenummerd.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 juni 2013, dossierpagina’s 262-263.\n\n Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [slachtoffer] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 24 oktober 2023, pagina’s 2 en 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:1420","2024-04-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.232Z",1,20]