[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-direct-taxation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":55,"total":16,"page":25,"limit":149},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},47,"direct-taxation-nl","Direct Taxation","NL","2026-07-08T16:53:53.141Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},12,{"min":18,"max":19},"2024-12-17T00:00:00.000Z","2026-06-03T00:00:00.000Z",[21,26,29,33,36,39,42,46,49,52],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122001","Wet op de loonbelasting","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":24,"count":25},"122002","Wet inkomstenbelasting",{"provisionId":30,"code":31,"article":32,"count":25},"121964","Algemene wet bestuursrecht","art. 6:11",{"provisionId":34,"code":31,"article":35,"count":25},"121965","art. 6:17",{"provisionId":37,"code":31,"article":38,"count":25},"121966","art. 8:75",{"provisionId":40,"code":31,"article":41,"count":25},"121967","art. 6:24",{"provisionId":43,"code":44,"article":45,"count":25},"122655","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 69 lid 1",{"provisionId":47,"code":44,"article":48,"count":25},"122692","art. 47",{"provisionId":50,"code":44,"article":51,"count":25},"123666","art. 49",{"provisionId":53,"code":44,"article":54,"count":25},"123669","art. 1",[56,66,73,81,88,96,103,111,119,127,134,141],{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"393","ECLI:NL:GHSHE:2026:1433","ecli-nl-ghshe-2026-1433","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F1664\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 september 2023, nummer BRE 22\u002F3004 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) over het jaar 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, haar gemachtigde, [gemachtigde] , haar echtgenoot, [echtgenoot] , en haar zus, [zus] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is gehuwd met [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot). Gedurende het belastingjaar 2020 kwalificeren zij als elkaars fiscale partners.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft samen met haar echtgenoot twee kinderen, namelijk [kind 1] (geboren op [datum 1] 2006) en [kind 2] (geboren op [datum 2] 2008).\n\n2.3.. De inspecteur heeft op 15 januari 2020 aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2020 opgelegd naar een te ontvangen bedrag van € 1.321. Deze is gebaseerd op een inschatting van de situatie van belanghebbende in 2020. Hierbij is verondersteld dat belanghebbende recht zou hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK).\n\n2.4.. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn op 6 januari 2017 een overeenkomst voor de minnelijke schuldregeling aangegaan met de gemeente [gemeente] . Op 25 maart 2021 is dit schuldhulpverleningstraject beëindigd.\n\n2.5.. De teruggave op de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2020 is aangewend ter aflossing van openstaande schulden onder het op dat moment van toepassing zijnde schuldhulpverleningstraject. Op het moment van het opleggen van de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2020 was dit schuldhulpverleningstraject beëindigd.\n\n2.6.. Op 17 september 2021 heeft belanghebbende de aangifte IB\u002FPVV 2020 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 19.557 en bestaat geheel uit loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.\n\n2.7.. De aanslag IB\u002FPVV 2020 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.557. Tevens is bij beschikking € 25 belastingrente in rekening gebracht. Het te betalen bedrag van de aanslag IB\u002FPVV 2020 bedraagt € 1.321 (exclusief belastingrente). Het te betalen bedrag is ontstaan doordat de inspecteur heeft vastgesteld dat niet belanghebbende, maar haar echtgenoot over 2020 recht heeft op de IACK.\n\n2.8.. \n\nMet dagtekening 21 juli 2022 schrijft belanghebbende aan de rechtbank dat zij zich laat vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [gemachtigde] . De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Naar aanleiding van het door de belastingdienst genomen besluit op bezwaar van 10 mei 2022 inzake een bezwaar welke ongegrond is verklaard wensen wij, mevrouw [belanghebbende] en de heer [echtgenoot] , de heer [gemachtigde] te machtigen ons te vertegenwoordigen in deze beroepzaak.”\n\nDe brief is ondertekend door belanghebbende en haar echtgenoot en vermeld als verzendadres: ‘ [adres 1] [woonplaats] ’.\n\n2.9.. In zijn brief van 19 augustus 2022 verzoekt de griffier van de rechtbank belanghebbende een schriftelijke machtiging te overleggen. Tevens verzoekt de griffier belanghebbende de adresgegevens te vermelden waar zij de verdere correspondentie wenst te ontvangen.\n\n2.10.. \n\nIn reactie op de brief van de griffier van de rechtbank schrijft belanghebbende bij brief van 31 augustus 2022 aan de rechtbank het volgende:\n\n“Hierbij ontvangt u de volmacht om Dhr. [gemachtigde] , woonachtig aan [adres 2] te [plaats] , mij te vertegenwoordigen in de zaak met zaaknummer: BRE 22 \u002F 3004 IB\u002FPVV.\n\n(…)\n\nAlle correspondentie kunt u naar mijn huisadres sturen, te weten: [adres 1] te [woonplaats] .”\n\n2.11.. \n\nDe rechtbank heeft op 8 september 2023 uitspraak gedaan. De uitspraak is op 27 september 2023 aangetekend per post verzonden. De begeleidende brief bij de uitspraak van de rechtbank vermeldt als geadresseerde:\n\n“De heer [gemachtigde]\n\np\u002Fa\n\n [adres 1]\n\n [woonplaats] ”\n\n2.12.. \n\nBij brief van 24 november 2023, door het hof ontvangen op 28 november 2023, heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Als gemachtigde heb ik op 20 november 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak. Deze is op 27 september 2023 naar belanghebbende verzonden en naar hun woonadres. Aangezien ik als gemachtigde niet eerder heb kunnen reageren verzoek ik dit als een verschoonbare reden aan te merken. Deze uitspraak in beroep wordt hierbij betwist.”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\ni) Is het hoger beroep van belanghebbende ontvankelijk?\n\nii) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV 2020 gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid?\n\niii) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV 2020 gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel?\n\niv) Dient de aanslag IB\u002FPVV 2020 te worden verminderd op basis van de hardheidsclausule?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van het bedrag van € 1.321 aan IB\u002FPVV en € 25 aan belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\ni) Ontvankelijkheid hoger beroep\n\n4.1.. Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het hoger beroep ontvankelijk is.\n\n4.2.. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn begint de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.De wet biedt daarnaast een tegemoetkoming voor die gevallen waarin een hoger beroep uiterlijk één week na deze termijn is ontvangen. Een dergelijk hoger beroep wordt toch geacht tijdig ingediend te zijn indien het stuk vóór het einde van de hogerberoepstermijn ter post is bezorgd.\n\n4.3.. Het hoger beroep wordt bij niet-tijdig indienen in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op grond van artikel 6:11 Awb kan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake indien: (i) belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend als gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het hoger beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig hoger beroep in te stellen.\n\n4.4.. De rechtbank heeft op 8 september 2023 uitspraak gedaan. De uitspraak is op 27 september 2023 aangetekend per post verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende, per adres ‘ [adres 1] [woonplaats] ’. Dit geldt als de dag van bekendmaking van deze uitspraak. Met deze bekendmaking gaat de termijn voor het instellen van hoger beroep lopen.De hogerberoepstermijn is aangevangen op (donderdag) 28 september 2023 en eindigde op (woensdag) 8 november 2023. Het hogerberoepschrift is, gelet op de stempel voor ontvangst, op 28 november 2023 bij de griffie van het hof ontvangen. Dit is na afloop van de hogerberoepstermijn die, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, op 8 november 2023 is afgelopen en daarmee is het hogerberoepschrift te laat ingediend. De tegemoetkoming zoals omschreven onder 4.2 is niet van toepassing, aangezien dit stuk meer dan één week na 8 november 2023 is ontvangen.\n\n4.5.. Belanghebbende betoogt dat haar gemachtigde pas op 20 november 2023 kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak, nu deze op 27 september 2023 naar het woonadres van belanghebbende is gestuurd. Naar de mening van belanghebbende is daarmee sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de uitspraak niet naar het woonadres van belanghebbende is gestuurd, maar naar het postadres van de gemeente [woonplaats] . Vervolgens is de uitspraak door de gemeente [woonplaats] naar het woonadres van belanghebbende doorgestuurd. Hierdoor heeft belanghebbende, alsook haar gemachtigde, pas op 20 november 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank, aldus belanghebbende.\n\n4.6.. Uit artikel 6:17 Awb volgt dat, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking moeten worden gesteld. Het hof stelt vast dat belanghebbende in haar brief van 31 augustus 2022 aan de rechtbank (zie 2.10) heeft verzocht om als correspondentieadres haar woonadres te hanteren, te weten, ‘ [adres 1] [woonplaats] ’. Het hof acht aannemelijk dat de rechtbank haar uitspraak, conform dit verzoek, heeft toegezonden naar dit adres. De begeleidende brief van de rechtbank vermeldt immers ‘ [adres 1] [woonplaats] ’ als toezendadres. Ook schrijft de gemachtigde van belanghebbende in het hogerberoepschrift dat de uitspraak ‘naar belanghebbende [is] verzonden en naar hun woonadres’ en heeft zij daarbij niet vermeld dat de uitspraak eerst naar de gemeente [woonplaats] is verzonden, terwijl belanghebbende in het hogerberoepschrift wel verzoekt om de te late indiening van het hogerberoepschrift als verschoonbaar aan te merken. Naar het oordeel van het hof had het dan op de weg van belanghebbende gelegen om in het hogerberoepschrift melding te maken van deze omstandigheid. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld en ter zitting heeft verklaard, acht het hof daarom niet aannemelijk dat de uitspraak niet naar het juiste adres is verzonden.\n\n4.7.. De rechtbank heeft door toezending van haar uitspraak aan het woonadres van belanghebbende (op 27 september 2023) voldaan aan de op haar rustende verplichtingen van artikel 6:17 Awb. Het gegeven dat de gemachtigde van belanghebbende pas later kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank, komt voor risico van belanghebbende. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zelf, in reactie op het verzoek daartoe van de rechtbank, haar eigen woonadres als correspondentieadres heeft opgegeven. Ook heeft (de gemachtigde van) belanghebbende in alle overige correspondentie aan de rechtbank het woonadres van belanghebbende vermeld als verzendadres. De omstandigheid dat de gemachtigde pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend vormt daarom niet een gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.\n\n4.8.. Uit bovenstaande volgt dat het hogerberoepschrift van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank.\n\nTussenconclusie\n\n4.9.. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.10.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.11.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:9, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:9, lid 2, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.3.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.4.\n\n Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1433","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:27.517Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":70,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":72},"392","ECLI:NL:GHSHE:2026:1458","ecli-nl-ghshe-2026-1458","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F1147 t\u002Fm 24\u002F1154\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2024, nummers BRE 23\u002F1090 t\u002Fm 1093, 23\u002F1095, 23\u002F1097, 23\u002F1098 en 23\u002F1100, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV), alsmede in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2016 en 2017 gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boete IB\u002FPVV 2014 en de boete IB\u002FPVV 2016 gegrond verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Op 10 februari 2026 heeft belanghebbende het hof verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1 tot en met 4.2 vermelde gronden afgewezen.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende, geboren op [datum] 1947, is alleenstaand. Belanghebbende was gehuwd met mevrouw [naam] . Mevrouw [naam] is op 24 augustus 2004 overleden. Uit het huwelijk zijn vijf kinderen geboren.\n\n2.2.. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij.\n\n2.3.. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van de rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen.Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB\u002FPVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier belastingjaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.\n\n2.5.. \n\nDe navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 75.461. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht. De aanslag Zvw 2015 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 98.048. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2016 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600. De aanslag Zvw 2016 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 87.213. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2017 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en is belastingrente in rekening gebracht van € 1.484. De aanslag Zvw 2017 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.509. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.6.. De bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete is in stand gelaten. Voor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd. De overige bezwaren zijn ongegrond verklaard.\n\n2.7.. Een en ander laat zich - voor wat betreft de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV - als volgt samenvatten.\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nAangegeven belastbaar inkomen box 1\n\n€ 22.177\n\n€ 40.657\n\n€ 31.622\n\n€ 25.209\n\nCorrectie ROW (totaal € 235.715)\n\n€ 67.347\n\n€ 67.347\n\n€ 67.347\n\n€ 33.674\n\nVastgesteld belastbaar inkomen box 1\n\n€ 89.524\n\n€ 108.004\n\n€ 98.969\n\n€ 58.883\n\nAangegeven vermogen box 3\n\n0\n\n0\n\n0\n\n€ 241.889\n\nCorrectie grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n€ 164.402\n\n€ 233.455\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n€ 164.402\n\n€ 475.344\n\nVergrijpboete\n\n€ 12.411\n\ngeen\n\n€ 14.349\n\n€ 8.709\n\nUitspraak op bezwaar\n\nongegrond\n\nongegrond\n\ngegrond\n\ngegrond\n\nBelastbaar inkomen box 1\n\nongewijzigd\n\n€ 50.939\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n€ 113.614\n\n€ 201.451\n\nVergrijpboete\n\nongewijzigd\n\nvernietigd\n\n2.8.. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2014 verminderd naar een bedrag van € 5.000 en de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boetes verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800. Verder heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot het bedrag van € 1.750 en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van, in totaal, € 100 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft de inspecteur de (navorderings)aanslagen terecht vastgesteld onder toepassing van artikel 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?\n\nZo ja, is er sprake van een redelijke schatting door de inspecteur?\n\nZo ja, kan belanghebbende een voorziening vormen ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden ter zake van de door justitie in beslag genomen contanten?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en tot gegrondverklaring van zijn bezwaar voor wat betreft de correctie resultaat uit overige werkzaamheden en de daarbij behorende boetes. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. \n\nDe correcties met betrekking tot de grondslag in box 3, en de daarbij behorende belastingrente en boete, zijn niet langer in geschil.\n\n4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de zitting van 19 februari 2026 (zie 1.5). Als reden voor het verzoek om uitstel vermeldt belanghebbende dat de verdere behandeling van het hoger beroep in de strafzaak van belanghebbende (zie 2.3) is uitgesteld tot het tweede kwartaal van 2026.\n\n4.2.. Het hof heeft in hetgeen belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Belanghebbende heeft in zijn verzoek weliswaar aangegeven om uitstel te verzoeken “in verband met de eenheid van het vaststellen van de feiten”, maar heeft in zijn hogerberoepschrift verklaard dat “ten aanzien van de feiten geen verschil van mening [bestaat] zoals deze door de rechtbank Breda zijn vastgesteld”. Ook heeft belanghebbende hierin geschreven dat de omvang van de bedragen niet in geschil is. De belastingrechter is voorts niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Belanghebbende heeft bij zijn verzoek om uitstel ook niet voldaan aan het verzoek om aan te geven op welke data hij wel beschikbaar is voor een zitting. Integendeel, belanghebbende heeft juist verzocht om uitstel voor onbepaalde tijd. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het algemene belang van een doelmatige rechtsgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om uitstel te krijgen tot na zijn strafzitting.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\n4.3.. Belanghebbende voert voor elk van de jaren aan dat de omkering van de bewijslast te lichtvaardig en willekeurig is toegepast. Er zijn geen structurele negatieve kassen. Belanghebbende stelt dat van het aangetroffen contant geld ter grootte van € 235.715 het bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Het restant was van familieleden. Ook stelt belanghebbende dat de aangetroffen contante gelden over een langere periode door hem gespaard zijn en dat deze gelden al in zijn aangiften inkomstenbelasting over eerdere jaren zijn verantwoord.\n\n4.4.. Artikel 27e, lid 1, AWR bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het wetsartikel is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.Bij de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast krijgt belanghebbende in plaats van de inspecteur de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de aanslag (omkering) en wordt bovendien de bewijslast verzwaard omdat belanghebbende moet doen blijken – dat is overtuigend aantonen – dat, en in hoeverre, de aanslag te hoog is. De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast.Een afwijking van 19% dient in ieder geval als ‘verhoudingsgewijs aanzienlijk’ te worden beschouwd.De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur.Het hof zal dus allereerst beoordelen of belanghebbende, gelet op dit beoordelingskader, voor de jaren 2014 tot en met 2017 niet de vereiste aangiften heeft gedaan.\n\n4.5.. Het hof stelt vast dat belanghebbende geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd tegen de (navorderings)aanslagen Zvw. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd de (navorderings)aanslagen Zvw te beoordelen in lijn met de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV.\n\nNavorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014\n\n4.6.. Vaststaat dat het bedrag van € 235.715,69 op 11 juli 2017 is aangetroffen op het terrein van belanghebbende rondom de woning. Belanghebbende heeft op verschillende momenten, waaronder ter zitting bij het hof, verklaard dat daarvan een bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Belanghebbende stelt dat deze gelden zijn gespaard vanuit maandelijkse kasopnames, bedoeld om huishoudelijke uitgaven van te bekostigen. Na het overlijden van zijn echtgenote in 2004, is belanghebbende minder gaan uitgeven aan zijn huishoudelijke kosten zodat er een groter bedrag kon worden gespaard. Het dossier bevat uiteenlopende verklaringen van belanghebbende omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten.\n\n4.7.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2014 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De met de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.\n\n4.8.. De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2014 over het bedrag van € 142.251 aan contant gelden beschikte. De inspecteur is bij deze berekening uitgegaan van een gespaard bedrag van € 9.400 per jaar voor de jaren 2014 en 2016 (kasopnames van € 1.000 per maand, verminderd met uitgaven van € 50 per week). Voor 2015 gaat de inspecteur - conform de verklaring van belanghebbende - uit van een kasopname van € 16.000, zodat het gespaarde bedrag voor dit jaar op € 13.400 is berekend. Voor de eerste helft van 2017 berekent de inspecteur het gespaarde bedrag op € 5.650 (de helft van het gespaarde bedrag over 2014 en 2016). Uitgaande van contante gelden op 11 juli 2017 ter grootte van € 180.101 bedraagt het vermogen aan contante gelden op 1 januari 2014 € 142.251, zijnde € 180.101, verminderd met 2 x € 9.400, met € 13.400 en met € 5.650. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 hierover berekend op het bedrag van € 893.\n\n4.9.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2014, in ieder geval, het bedrag aan contanten van € 142.251 ten onrechte niet als box 3 bezitting in zijn aangifte heeft verwerkt en dat dit heeft geleid tot het niet heffen van IB\u002FPVV voor een bedrag van € 893. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - ook ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan evenwel niet worden gezegd dat het bedrag van € 893 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast op basis hiervan niet aan de orde is.\n\n4.10.. De inspecteur heeft subsidiair gesteld dat omkering en verzwaring van de bewijslast kan worden gebaseerd op het niet door belanghebbende aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur voert aan dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen moet hebben gehad waaruit hij € 67.347 moet hebben verdiend. Dit bedrag heeft belanghebbende niet in zijn aangifte opgenomen.\n\n4.11.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2014 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.\n\n4.12.. Nu de bewijslast voor 2014 niet zal worden omgekeerd en verzwaard, en de inspecteur de correctie voor wat betreft het resultaat uit overige werkzaamheden, niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het hof het hoger beroep tegen de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014 gegrond verklaren en de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014 vernietigen.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2015 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De voor de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.\n\n4.14.. De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2015 over het bedrag van € 151.651 aan contante gelden beschikte. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 voor het jaar 2015 hierbij berekend op het bedrag van € 1.512 (zie 4.8).\n\n4.15.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2015, in ieder geval, van de contante gelden een bedrag van € 126.041 niet in zijn aangifte heeft verwerkt. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - bevestigd ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan eveneens worden vastgesteld dat het bedrag van € 1.512 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is. Van in relatieve zin aanzienlijk zal naar het oordeel van het hof in beginsel eerst sprake zijn bij een percentage van 10% of meer.De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB\u002FPVV 2015 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 9.971. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 13,2% (€ 1.512\u002F€ 11.483). Het is een feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit sparen en beleggen in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. Doordat belanghebbende dit voor wat betreft zijn (contante) spaargeld niet heeft gedaan moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven. Het feit dat het hier contante gelden betreft, maakt dit oordeel niet anders.\n\n4.16.. Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2015 moet worden omgekeerd en verzwaard. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de berekening van de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van deze aanslagen en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat belanghebbende in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de aanslagen redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.\n\n4.17.. De inspecteur heeft aangevoerd dat de aangetroffen gelden niet zijn terug te voeren naar één enkele transactie en dat gelet op de hoogte van het bedrag ook niet aannemelijk is dat dit bedrag in één keer is verdiend. De inspecteur heeft daarom aangenomen dat de contanten die op 11 juli 2017 in de woning van belanghebbende zijn aangetroffen gespreid zijn verdiend over 42 maanden (2014, 2015, 2016 en zes maanden in 2017). De inspecteur is daarbij uit gegaan van het bedrag van € 235.715, dat wil zeggen: zonder rekening te houden met de stelling van belanghebbende dat een deel van de gelden niet aan hem toebehoorde.\n\n4.18.. Het hof volgt de inspecteur niet in zijn berekening waar hij uitgaat van het bedrag van € 235.715. In het vonnis van de rechtbank van 22 juli 2020 inzake de strafzaak tegen belanghebbende is vastgesteld dat “van de twee in de jukebox in de woning van verdachte [hof: belanghebbende] gevonden bedragen en de € 41.848,70 in een motorblok in een loods op zijn terrein verdachte niet als eigenaar wordt aangemerkt”. De belastingrechter is echter niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Wel dient de belastingrechter de Melo Tadeu-jurisprudentie in acht te nemen.Die jurisprudentie houdt kortgezegd in dat de belastingrechter - in het geval er een verband is met een strafzaak - met zijn oordeel en zijn optreden, de motivering van zijn beslissing of de door hem gebruikte bewoordingen geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van hetgeen de verdachte in zijn strafzaak werd verweten. Verder geldt dat indien de hoogte van de schatting wordt betwist, aan de belastingrechter de bevoegdheid toekomt de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.Het hof zal daarom uitgaan van het bedrag van € 180.101 (zie 4.3) en dit bedrag, gelijk de systematiek van de inspecteur, toerekenen over 42 maanden. Dat betekent dat het hof zal beslissen dat belanghebbende in 2015 een resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald voor het bedrag van € 51.457 (te weten: € 180.101 gedeeld door 42 maanden en vermenigvuldigd met 12 maanden). Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur voor het overige voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit is af te leiden dat zijn berekeningen van de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig zijn.\n\n4.19.. Op belanghebbende rust vervolgens de last te doen blijken - dat willen zeggen overtuigend aantonen - dat dit bedrag aan geschat inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat:\n\nde aangetroffen gelden over een langere periode door belanghebbende zijn gespaard vanuit kasopnames, bestemd voor huishoudelijke uitgaven; en\n\nde aangetroffen gelden reeds in de aangiften IB\u002FPVV over eerdere belastingjaren waren opgenomen.\n\n4.20.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015, na vermindering door het hof (zie 4.18), te hoog zijn. Belanghebbende heeft wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de vraag op welke wijze de aangetroffen gelden zijn verkregen. Ook ter zitting heeft belanghebbende hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Zelfs in het geval het hof uitgaat van de voor belanghebbende meest gunstige verklaring, tellen de alsdan maandelijks gespaarde bedragen niet op tot € 180.101. Ook heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk kunnen maken waaruit de conclusie kan worden getrokken dat een deel van de aangetroffen gelden aan anderen dan belanghebbende toebehoorden, dan wel dat de aangetroffen gelden reeds eerder in de aangifte IB\u002FPVV zijn opgenomen.\n\n4.21.. Voor het geval de correctie met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden door het hof in stand wordt gelaten, heeft belanghebbende in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden een voorziening kan worden gevormd. De inspecteur voert aan dat het vermogensverlies definitief wordt in het jaar waarin de verbeurdverklaring onherroepelijk is. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat op de balansdatum sprake is van een redelijke mate van zekerheid dat de strafrechter op vordering van het Openbaar Ministerie zou beslissen tot verbeurdverklaring van het in beslag genomen vermogensbestanddeel dan wel een ontneming en dat deze beslissing in rechte zou standhouden. Bovendien staat artikel 3.14, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 aftrek van dergelijke kosten niet toe, aldus de inspecteur.\n\n4.22.. Het hof stelt vast dat de aangetroffen gelden eerst in juli 2017 in beslag zijn genomen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat er reeds in 2015 een redelijke mate van zekerheid bestond dat de gelden in beslag zouden worden genomen. Integendeel, in 2015 beschikte belanghebbende nog over de gelden en er is van geen indicatie gebleken dat die gelden in beslag zouden worden genomen. De stelling van belanghebbende faalt daarom.\n\n4.23.. Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2015 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 92.114, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 40.657. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 82.158 berekenten de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 51.976.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2016\n\n4.24.. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2016 ten bedrage van € 4.544 is in hoger beroep niet langer in geschil. Belanghebbende heeft in 2016 ten onrechte geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in zijn aangifte aangegeven. Over het in de aanslag IB\u002FPVV 2016 in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is een bedrag van € 1.363 aan IB\u002FPVV verschuldigd. De inspecteur heeft verder onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB\u002FPVV 2016 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 6.347. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 17,6% (€ 1.363\u002F€ 7.710). Het niet in de aangifte vermelden van deze inkomsten, mede gelet op de omvang daarvan, ten tijde van het doen van de aangiften leidt tot het oordeel dat belanghebbende zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat als gevolg daarvan verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven (zie 4.15). Hieruit volgt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan.\n\n4.25.. Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2016 moet worden omgekeerd en verzwaard. Het hof zal het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 vaststellen op het bedrag van € 51.457 en acht de schatting voor het jaar 2016 niet willekeurig en onredelijk. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2016, na vermindering door het hof, te hoog zijn. Het hof verwijst ter motivering van het voorgaande naar rechtsoverwegingen 4.17 tot en met 4.20.\n\n4.26.. Ook het standpunt van belanghebbende, inhoudende dat hij een voorziening kan vormen in 2016 voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten, faalt om redenen als genoemd in rechtsoverweging 4.22.4.27.. Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 83.079, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 31.622. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 71.323 berekenten de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 52.763.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017\n\n4.28.. De inspecteur stelt dat belanghebbende door het niet aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden ter grootte van € 33.674, alsmede het niet (tot het juiste bedrag) vermelden van de contante gelden zich ten tijde van het doen van de aangifte ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Dit is in relatieve en absolute zin aanzienlijk, aldus de inspecteur.\n\n4.29.. Het staat vast dat het werkelijk belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, na bezwaar, lager is dan door belanghebbende vermeld in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017. In zoverre kan de omkering en verzwaring van de bewijslast reeds hierom niet daarop worden gebaseerd. Ook de stelling van de inspecteur dat de omkering en verzwaring moet worden gebaseerd op het niet-aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden faalt. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2017 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2017 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.\n\n4.30.. Gelet op het bovenstaande zal het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor 2017 nader vaststellen op nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 25.209, zijnde de reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde belastbare winst uit onderneming (€ 11.835), ontvangen AOW (€ 14.754) en saldo inkomsten eigen woning (-\u002F- € 1.380). Het hof zal de aanslag Zvw 2017 verminderen naar een bijdrage-inkomen van € 11.835.\n\nBoeten\n\n4.31.. De correctie ten aanzien van het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2014 - dat tevens de grondslag voor de boete vormt - zal door het hof worden vernietigd (zie 4.11 en 4.12). Als gevolg daarvan zal het hof de vergrijpboete voor het jaar 2014 eveneens vernietigen.4.32.. Voor zover de boete ziet op het niet door belanghebbende in de aangifte IB\u002FPVV 2016 vermelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen - € 681 (zijnde 50% van € 1.363) - wordt deze door belanghebbende in hoger beroep niet bestreden. Voor het overige ziet de boete op het door belanghebbende niet vermelde resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boete verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.800. Het hof ziet aanleiding om de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verder te verminderen naar een bedrag van € 4.500 wegens de vermindering van het resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof zal de boete verminderen met 20% tot het bedrag van € 3.600 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.\n\nTussenconclusie\n\n4.33.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.34.. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.35.. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.\n\n4.36.. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)x € 934 (waarde per punt) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 2.802.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de proceskosten en griffierechten;\n\nverklaart de beroepen bij de rechtbank gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de beslissingen met betrekking tot de aanslagen Zvw 2015 en Zvw 2016;\n\nvernietigt de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven rentebeschikkingen;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2015 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 92.114 en wijzigt de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2016 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 83.079 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 naar een bedrag van € 3.600;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 25.209 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag Zvw 2017 naar een bijdrage-inkomen van € 11.835;\n\nvernietigt de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2017;\n\nbepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 2.802.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, M.E. Smorenburg en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is alleen ondertekend door M.E. Smorenburg, aangezien de voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nM.M. Stassen-Kanters M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3258.\n\n € 235.715 gedeeld door 42 (drie-en-een-half jaar) maal twaalf.\n\n Artikel 27h, lid 2, AWR.\n\n Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731.\n\n Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.2.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3001, r.o. 4.4.4.\n\n Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.\n\n Belastbare winst uit onderneming van € 30.701, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.\n\n Belastbare winst uit onderneming van € 19.866, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.\n\n Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1458","2026-07-13T00:28:27.466Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":64,"updatedAt":80},"424","ECLI:NL:GHSHE:2026:1278","ecli-nl-ghshe-2026-1278","2026-05-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 25\u002F834\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van\n\n24 maart 2025, nummer BRE 24\u002F2629, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [persoon] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland.\n\n2.2.. Van 18 oktober 2005 tot 2 juni 2022 heeft belanghebbende in loondienst gewerkt voor [bedrijf groep] , waarbij achtereenvolgens als werkgever optraden [bedrijf 1] (van 18 oktober 2005 tot 2 augustus 2013), [bedrijf 2] Luxembourg branch (van 2 augustus 2013 tot 30 september 2018) en [bedrijf 3] (van 1 oktober 2018 tot 2 juni 2022).\n\n2.3.. \n\nGedurende de twee laatstgenoemde dienstverbanden waren [bedrijf 2] ,\n\nLuxembourg branch, respectievelijk [bedrijf 3] inhoudingsplichtige voor de Nederlandse loonbelasting.\n\n2.4.. Tot 1 september 2017 was belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader nam hij verplicht deel aan de Luxemburgse pensioenregeling bij Caisse nationale d'assurance pension (hierna: CNAP). De werkgever betaalde de ene helft van de premies, de andere helft van de premies kwam voor rekening van belanghebbende als werknemer.\n\n2.5.. Vanaf 1 september 2017 is belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Nederland en daarom vanaf die datum premieplichtig in Nederland. Op 31 augustus 2017 eindigde derhalve de verplichte sociale verzekering in Luxemburg en daarmee ook de onder 2.4 genoemde inhouding van de werkgever- en werknemersbijdragen op het loon van belanghebbende. [bedrijf 2] , Luxembourg branch heeft belanghebbende geïnformeerd over de mogelijkheid om in Luxemburg pensioenpremies te blijven voldoen en schrijft daarover het volgende:\n\n“It came to our knowledge that there is a possibility for you to continue paying pension funds in Luxembourg, even though you have been disaffiliated as per August the 31st, 2017.\n\nThe system is based on a voluntary applicationwhich all of you can make, if you are interested in continuing to contribute for pension funds in Luxembourg and it can be done retrospectively to September the 1st, 2017.\n\n(…) the company has decided to participate in contributing pension funds in Luxembourg, for those who wish to apply for it. The maximum proportion of the cost which the company can offer is 8% of your total gross salary, such as we've contributed for you during your affiliation in Luxembourg the years before.\n\n(…)\n\nPlease note that this application is an exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution; the invoice has to be entirely paid by the employee and only if the employee provides a copy of the invoice, the company will be able to reimburse the corresponding part of the cost (which can only be maximum half of the amount - 8% of your total gross salary).\n\nAs mentioned here above, the company is willing to meet you in case if your country of affiliation offers you a less favorable pension scheme than provided by the Luxembourgish public pension institution BUTit is solely up to you, whether to decide to subscribe to the voluntary continuation of pension contributions in Luxembourg or not.”\n\n2.6.. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om na 1 september 2017 door te gaan met het betalen van pensioenpremies in Luxemburg. Hij betaalt die premies van zijn privébankrekening aan Centre Commun de la Sécurité Sociale (CCSS), gevestigd te Luxemburg. Belanghebbende heeft in het jaar 2020 in totaal een bedrag van € 14.830 betaald aan CCSS.\n\n2.7.. Belanghebbende heeft in 2020 van [bedrijf 3] elke maand een bedrag van € 1.361,83 bruto ontvangen, aangeduid op de loonstroken als ‘pension contribution’.\n\nDaarover schrijft [bedrijf 3] aan belanghebbende:\n\n“If you are making pension contributions to LUX pension CCSS.\n\nOn your payslips (…) you will see a new Gross amount. This is due to the fact that [bedrijf 4] decided to put your pension contributions on your payslip and not pay them separately into your personal bankaccounts (…).”\n\n2.8.. Volgens de gerenseigneerde loongegevens heeft belanghebbende in 2020 van [bedrijf 3] een fiscaal loon ontvangen van in totaal € 82.625, waarvan € 16.332 aan pension contributions.\n\n2.9.. In de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2020 heeft belanghebbende in de rubriek ‘loon, uitkering ZW en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking’ onder meer het van [bedrijf 3] ontvangen bedrag van € 82.625 aangegeven en verder een negatieve post opgenomen van € 7.415 met de omschrijving ‘betaalde pensioenpremie CCSS Luxemburg’.\n\n2.10.. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2020 van de aangifte afgeweken. Hij heeft het door belanghebbende in zijn aangifte opgenomen negatieve bedrag van € 7.415 in de aanslag IB\u002FPVV 2020 niet in aftrek van het box 1-inkomen toegelaten.\n\n2.11.. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.708. Tevens is bij beschikking € 348 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een aftrek van het inkomen uit werk en woning voor het gedeelte van de door hem aan CCSS betaalde premies, dat niet door zijn werkgever is vergoed.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van het inkomen uit werk en woning met € 7.415 tot € 77.293. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Het hof stelt voorop dat belanghebbende heeft verzocht om aftrek tot een bedrag van € 7.415. Dat bedrag betreft het saldo van de totaal door belanghebbende in 2020 aan CCSS betaalde premies van € 14.830, verminderd met het bedrag dat belanghebbende van [bedrijf 3] heeft ontvangen als ‘pension contributions’ na aftrek van de daarover ingehouden loonheffingen. Partijen zijn het erover eens dat het van [bedrijf 3] ontvangen brutobedrag van € 16.332 correspondeert met een netto bedrag van € 7.415, welk bedrag vergelijkbaar is met de hoogte van de werkgeversbijdrage van de verplichte pensioenbijdragen aan CNAP van voor 1 september 2017.\n\n(Negatief) loon?\n\n4.2.. Het hof zal, gelijk de rechtbank heeft gedaan, eerst stilstaan bij de vraag of de ‘pension contributions’ die belanghebbende van zijn werkgever heeft ontvangen, terecht tot het belastbaar loon zijn gerekend. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:\n\n“Belastbaar loon5.1.. \n\nDe rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat de inspecteur voor wat betreft de\n\nhoogte van het belastbaar inkomen uit arbeid in de aanslag is uitgegaan van door hem\n\nontvangen gerenseigneerde loongegevens. Dat acht de rechtbank als uitgangspunt juist. De\n\nvergoeding die belanghebbende van zijn werkgever ontving, betreft een geldelijke\n\nvergoeding voortkomend uit dienstverband die belanghebbende heeft aangewend voor een\n\nvrijwillige voortzetting van de voormalige CNAP-regeling bij het CCSS in Luxemburg.\n\nOmdat die vergoeding door de werkgever aan belanghebbende in geld is uitgekeerd en door\n\nbelanghebbende zelf en vrijwillig is aangewend om betalingen aan een door hem in privé\n\novereengekomen verzekering te voldoen, is geen sprake van ‘inhouding’ van\n\npensioenpremies door de werkgever, of van een ‘aanspraak’ ingevolge een\n\npensioenregeling.1 Dat betekent dat belanghebbende in dat kader van zijn werkgever geen\n\nvan de loonbelasting vrijgesteld loon heeft ontvangen. De inspecteur heeft het belastbaar\n\nloon van belanghebbende daarom niet tot een te hoog bedrag in de aanslag IB\u002FPVV 2020\n\nbetrokken.\n\nOnder vermelding van voetnoot 1:\n\nZoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c en j, van de Wet op de Loonbelasting 1964. In\n\nafwijking van de hoofdregel van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in\n\ncombinatie met artikel 10, eerste en tweede lid van de Wet op de Loonbelasting 1964.”\n\nHet hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.3.. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting het voor zijn rekening gebleven deel van de aan CCSS betaalde premies als negatief loon in mindering gebracht op zijn inkomen uit werk en woning.\n\n4.4.. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van negatief loon. Het is belanghebbende die in privé de verzekering heeft afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een “exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution” (zie 2.5). Anders dan voorheen bij CNAP, is belanghebbendes werkgever geen partij bij de door belanghebbende met CCSS afgesloten verzekeringsovereenkomst. Belanghebbende heeft zichzelf op vrijwillige basis verbonden aan de deelname aan de pensioenverzekering bij CCSS. De aanspraak op uitkeringen die hij daarmee verkrijgt is geen aanspraak op pensioen als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), in verband waarmee de uitkeringen niet zijn aan te merken als loon in de zin van die wet. Derhalve houdt de premie die belanghebbende aan de pensioenverzekering heeft betaald onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt.\n\n4.5.. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van een willekeurig gekozen verzekering, maar dat een en ander in het verlengde ligt van de voor 1 september 2017 verplichte sociale verzekering via CNAP in Luxemburg (zie onder 4.1 hiervoor), maakt het voorgaande, wat er ook van deze stelling zij, niet anders.\n\n4.6.. Belanghebbende stelt verder nog dat de werkgever en werknemer pensioen zijn overeengekomen. Voor zover belanghebbende hiermee heeft bedoeld te stellen dat de werkgever een pensioentoezegging heeft gedaan aan belanghebbende, is die stelling niet aannemelijk gemaakt. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken valt niet op te maken dat de werkgever aan belanghebbende een pensioentoezegging heeft gedaan (namelijk dat sprake is van pensioenopbouw via de werkgever), maar juist dat de werkgever een vergoeding betaalt voor de door belanghebbende zelf in privé afgesloten pensioenverzekering bij CCSS. Een vergoeding betalen is iets anders dan een pensioentoezegging doen.\n\n4.7.. De verwijzing van belanghebbende naar het vraag-en-antwoordbesluit, gepubliceerd op 11 december 2019 met de titel “V&A 19-010 Behandeling van door werknemers betaalde pensioenpremie aan een beroepspensioenfonds in de aangifte inkomstenbelasting”, wordt door het hof verworpen. Dit besluit ziet namelijk op werknemers die deelnemen aan de pensioenregeling van een beroepspensioenfonds en zelf de pensioenpremie aan dat fonds betalen. De situatie van belanghebbende valt niet onder de reikwijdte van dit besluit, alleen al omdat de pensioenregeling van belanghebbende bij CCSS niet blijft binnen de grenzen die zijn opgenomen in hoofdstuk IIB en VIII van de Wet LB en de daarop gebaseerde regelgeving, zie onder 4.2 en 4.4 hiervoor. In het besluit wordt in dat kader ook verwezen naar het door het hof in 4.4 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010.\n\nUitgave voor inkomensvoorzieningen (premie voor lijfrente)?4.8.. De volgende vraag waarvoor het hof zich geplaatst ziet is of belanghebbende de premies in aftrek kan brengen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:\n\n“5.2. De rechtbank begrijpt het betoog van belanghebbende verder zo dat de betalingen\n\naan het CCSS als uitgaven voor inkomensvoorziening in mindering op zijn box 1-inkomen\n\nmoeten worden gebracht als aftrekbare premies voor lijfrente. In dat kader rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat de betalingen kwalificeren als\n\npremies voor lijfrente als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001,\n\nen dat die premies dienen ter compensatie van een pensioentekort2. Aan die bewijslast heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Aan de hand van hetgeen\n\nbelanghebbende heeft gesteld en de stukken die hij heeft overgelegd, kan namelijk niet de\n\nconclusie worden verbonden dat de premies aan de definitiebepaling van lijfrente voldoen.\n\nBelanghebbende heeft daar mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur\n\nonvoldoende voor gesteld noch met concrete verifieerbare stukken zijn stellingen in dat\n\nkader onderbouwd. Dat betekent dat reeds om die reden belanghebbende de betaalde bedragen aan het CCSS niet als inkomensvoorziening in mindering op zijn box 1-inkomen\n\nkan brengen.\n\nOnder vermelding van voetnoot 2:\n\nZie de voorwaarden van artikel 3.124 eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001.”\n\nHet hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.9.. Belanghebbende heeft verder gesteld dat sprake is van strijd het Europees recht, waaronder diverse artikelen uit het Europees verdrag voor de rechten van de Mens en het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:\n\n“Europees discriminatieverbod5.4.. \n\nBelanghebbende betoogt verder dat de minister een onderscheid maakt door alleen\n\nsommige buitenlandse pensioenverzekeraars als toegelaten pensioenstellingen in de zin van\n\nartikel 3.126 van de Wet IB 2001 aan te merken5. Dat onderscheid is volgens belanghebbende discriminerend en strijdig met het Unierecht. De rechtbank komt aan een\n\ninhoudelijke beoordeling van deze stelling niet toe, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingen aan het CCSS in zijn geval kwalificeren als\n\npremies voor lijfrente in de zin van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.\n\nDat betekent dat het beroep van belanghebbende in zoverre dus ook niet kan slagen.\n\nOnder vermelding van voetnoot 5:\n\nArtikel 3.126, derde lid, van de Wet IB 2001 in combinatie met artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.”\n\nHet hof acht dat oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.10.. Over klachten die zich richten tegen de wettelijke regeling als zodanig kan het hof zich niet uitlaten, omdat de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde en billijkheid der wet te beoordelen. Dat volgt uit artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.\n\n4.11.. Belanghebbende is het verder niet eens met het oordeel van de rechtbank over het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft dienaangaande als volgt geoordeeld:\n\n“Vertrouwensbeginsel5.5.. \n\nOok de beroepsgrond van belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel is\n\ngeschonden omdat de inspecteur de ingediende aangiften van belanghebbende in andere\n\njaren wel heeft gevolgd en alleen voor het jaar 2020 is afgeweken, slaagt niet. Voor in\n\nrechte te beschermen gewekt vertrouwen als hier bedoeld, is meer vereist dan de enkele\n\nomstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag\n\nop een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Dat sprake is van bijkomstige omstandigheden die leiden tot gewekt vertrouwen, is echter niet aannemelijk geworden.”\n\nHet hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.12.. Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat het niet in aftrek toestaan van de premies leidt tot een buitensporige last en potentieel dubbele heffing omdat hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd.\n\n4.13.. Al hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft gesteld, leidt het hof niet tot een ander oordeel.\n\n4.14.. Voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de door hem gevraagde aftrek van aan CCSS betaalde premies.\n\nTussenconclusie\n\n4.15.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.16.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.17.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik, voorzitter, J.M. van der Vegt en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers M.H. van Schaik\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:2010:BM9268.\n\n Zie voetnoot 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1278","2026-07-13T00:28:29.177Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":85,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":64,"updatedAt":87},"425","ECLI:NL:GHSHE:2026:1283","ecli-nl-ghshe-2026-1283","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F866\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] (Frankrijk),\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 juni 2024, nummer BRE 23\u002F10151, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) over het jaar 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur] .\n\n1.7.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. Het hof heeft partijen daarna schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen is verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak is geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende woonde in het jaar 2019 in Frankrijk.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft in 2019 onder meer een pensioenuitkering van Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) ontvangen van € 22.766.\n\n2.3.. De Franse belastingautoriteiten hebben op 22 september 2022 een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2019 vastgesteld (hierna: de Franse aanslag). Daarbij is de gehele pensioenuitkering van € 22.766 in de heffing betrokken, conform de door belanghebbende aldaar gedane aangifte.\n\n2.4.. De inspecteur heeft op 7 oktober 2022 de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2019 opgelegd (hierna: de aanslag), waarbij de pensioenuitkering voor de helft (€ 11.383) in de heffing is betrokken, conform het door belanghebbende in de aangifte aangegeven bedrag.\n\n2.5.. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur, aan de hand van een door belanghebbende overgelegd diensttijdoverzicht, de pensioenuitkering op een tijdsevenredige basis tot een bedrag van € 11.169 (49,06%) in de heffing betrokken. Uit het diensttijdoverzicht volgt dat de pensioenuitkering voor een deel toerekenbaar is aan een publiekrechtelijke arbeidsverhouding (1 augustus 1984 tot 1 augustus 1996) en voor het overige aan een privaatrechtelijke arbeidsverhouding (1 augustus 1996 tot 1 februari 2009).\n\n2.6.. Belanghebbende heeft in zijn brief van 28 november 2024 aan de Franse belastingautoriteiten gevraagd om vermindering van zijn Franse aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2019 tot en met 2022, vanwege de dubbele belasting van een deel van zijn pensioenuitkeringen. Namens de directeur Overheidsfinanciën van het departement Nièvre is in een brief van 17 maart 2025 aan belanghebbende onder meer het volgende medegedeeld:\n\n“Berekening van de door aangeleverde indeling. U bent immers de enige die de herkomst van uw pensioenuitkeringen kent.\n\nBij het bestuderen van uw dossier bleek dat het publiekrechtelijke pensioen is vrijgesteld in Frankrijk, maar dat er rekening mee gehouden moet worden bij de berekening van het belastingtarief dat van toepassing is op andere inkomsten van de fiscale huishouding (het effectieve tarief).\n\n(…)\n\nDe indeling van het pensioen in publiekrechtelijk en privé is uw taak.\n\nOmdat de genoemde rubrieken bij de Franse aangifte inkomstenbelasting niet juist waren ingevuld, is uw publiekrechtelijke pensioen dat normaliter in Frankrijk is vrijgesteld foutief aangeslagen. Ik wijs u er nogmaals op dat de posten die zijn meegenomen in uw aangifte van inkomsten onder uw verantwoordelijkheid vallen en niet onder die van de Franse Belastingdienst. U bent verplicht om een en ander goed na te kijken en om wijzigingen aan te brengen als dat nodig is.\n\nVoor het jaar 2019 (IR 2020) is de bezwaardatum verlopen op 31 december 2022 en voor het jaar 2020 (IR 2021), is de bezwaartermijn verlopen op 31 december 2023. Dientengevolge kan uw bezwaar van 28 november 2024 niet in uw voordeel beantwoord worden. (…)”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nI. Heeft de inspecteur de aanslag tijdig opgelegd?\n\nII. Heeft de inspecteur de pensioenuitkering terecht voor een deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\nIII. Indien vraag II bevestigend moet worden beantwoord: heeft de inspecteur de pensioenuitkering voor het juiste deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\nIV. Indien vraag II bevestigend moet worden beantwoord: kan belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel doen?\n\nV. Dient de inspecteur een overlegprocedure te starten met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle emigranten die in dezelfde situatie al belanghebbende verkeren?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag door vermindering van het bedrag van de pensioenuitkering dat in de Nederlandse heffing wordt betrokken tot nihil, of subsidiair om dat bedrag te verlagen tot € 6.835. De inspecteur concludeert dat bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nI. Heeft de inspecteur de aanslag tijdig opgelegd?\n\n4.1.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur te lang heeft gewacht met het opleggen van de aanslag. De inspecteur heeft geen rekening gehouden met de omstandigheid dat belanghebbende in Frankrijk ook tijdig aangifte moest doen. Belanghebbende heeft moeten wachten met het doen van aangifte in Frankrijk totdat de Nederlandse aanslag was opgelegd, zodat hij een boete heeft gekregen voor het te laat doen van aangifte in Frankrijk. Daar komt bij dat de aanslag pas is opgelegd nadat de Franse aanslag al was opgelegd, zodat de inspecteur zijn voorkeursrecht, dat in artikel 19, lid 1, van het Belastingverdrag Nederland-Frankrijk van 16 maart 1973 (hierna: het Verdrag)is vastgelegd, heeft verspeeld.\n\n4.2.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur tijdig, en dus niet te laat, de aanslag heeft opgelegd. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt na drie jaren na het einde van het belastingjaar.In dit geval was de inspecteur dus tot en met 31 december 2022 bevoegd om de aanslag vast te stellen, zodat de aanslag op 7 oktober 2022 tijdig is vastgesteld. Dat belanghebbende ook in Frankrijk tijdig aangifte moest doen, maakt het voorgaande niet anders. Verder is er op grond van het Verdrag geen sprake van een voorkeursrecht, zoals belanghebbende betoogt, maar een verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de landen. Dat de Franse aanslag inkomstenbelasting al was opgelegd, leidt er op zichzelf bezien dus niet toe dat de inspecteur geen aanslag meer mocht vaststellen.\n\nII. Heeft de inspecteur de pensioenuitkering terecht voor een deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\n4.3.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de gehele pensioenuitkering al in Frankrijk belast was. Bovendien geeft het Verdrag niet de mogelijkheid om de pensioenuitkering te splitsen in een publiekrechtelijk en privaatrechtelijk deel. Dit standpunt wordt door de Franse inspecteur bevestigd, aldus belanghebbende.\n\n4.4.. Het hof overweegt dat de pensioenuitkering op grond van nationale wetgeving deel uitmaakt van het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland.Nederland is verder op grond van het Verdrag bevoegd om belasting te heffen over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering.Dit deel van de pensioenuitkering dient op grond van datzelfde Verdrag in Frankrijk te worden vrijgesteld van inkomstenbelasting.Dat dit laatste niet gebeurd is, doet niet af aan de bevoegdheid van Nederland om over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering te heffen. De grond slaagt daarom niet. Het hof merkt daarbij overigens nog op dat ook de Franse belastingautoriteiten ervan uitgaan dat op grond van het Verdrag het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering in Nederland belast mag worden, en dat het in Frankrijk wordt vrijgesteld. Dit volgt namelijk uit de onder 2.6 van deze uitspraak geciteerde passages uit de brief van 17 maart 2025.\n\nIII. Omdat vraag II bevestigend moet worden beantwoord: heeft de inspecteur de pensioenuitkering voor het juiste deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\n4.5.. Belanghebbende stelt dat, als het Verdrag een splitsing van het pensioen toelaat, deze splitsing niet op de door de inspecteur gebruikte tijdsevenredige basis mag worden gemaakt, omdat een tijdsevenredige toedeling alleen past bij een pensioen dat volledig op eindloon is gebaseerd. Hij wijst daarbij op het feit dat zijn pensioenrechten tot 1 januari 2004 werden opgebouwd op basis van een eindloonregeling en vanaf 1 januari 2004 tot 1 februari 2009 op basis van een middenloonregeling. Belanghebbende stelt dat hij over die laatste periode zodanig veel pensioen heeft opgebouwd dat van zijn totale pensioen slechts 30% aan het publiekrechtelijke deel van zijn loopbaan is toe te rekenen.\n\n4.6.. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat bij de splitsing van het pensioen het deel dat is opgebouwd in de jaren dat een middenloonregeling gold bij voorkeur wordt bepaald op het daadwerkelijk in die jaren opgebouwde pensioen. Naar het oordeel van het hof brengt dat met zich dat het op de weg van belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat en hoeveel pensioen hij vanaf 1 januari 2004 heeft opgebouwd. Belanghebbende heeft immers de bewijslast, omdat hij zich beroept op een vermindering van de volgens nationale wetgeving toegestane heffing en alleen hij (en zijn pensioenuitvoerder) (kunnen) beschikken over de voor de berekening benodigde gegevens. Belanghebbende heeft echter slechts een benaderende becijfering gegeven die niet is onderbouwd met stukken en waarbij ten onrechte geen rekening is gehouden met de loonsverhogingen van belanghebbende in de periode van 1 augustus 1996 tot 1 januari 2004. Met deze benaderende becijfering heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2004 meer dan tijdsevenredig pensioen heeft opgebouwd. Belanghebbende heeft niet betwist dat, als het pensioen tijdsevenredig moet worden gesplitst, de inspecteur deze splitsing correct heeft becijferd. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur de pensioenuitkering dan ook voor het juiste deel in de heffing betrokken.\n\nIV. Omdat vraag II bevestigend moet worden beantwoord: kan belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel doen?\n\n4.7.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur de verwachting heeft geschept dat hij rekening zou houden met het deel van de pensioenuitkering dat al in Frankrijk in de heffing betrokken was, in die zin dat hij dit deel dan niet in de Nederlandse belastingheffing zou betrekken. De inspecteur heeft namelijk zelf om de Franse aanslag gevraagd. Belanghebbende wijst daarbij op de volgende passage uit een brief van de inspecteur van 15 september 2022:\n\n“In uw mail van 27 juli 2022 vraagt u het volgende:\n\nOnlangs heb ik de jaaropgaven van het ABP (2019, 2020 en 2021, zie bijlage 2) overgelegd aan de Franse Belastingdienst. Er is nu risico dat het 'ambtenarendeel' dubbel belast gaat worden.\n\nIk zal het erg op prijs stellen als u met dit gegeven rekening houdt bij het vaststellen van mijn belastbaar inkomen over 2019, 2020 en 2021.\n\nAntwoord:\n\nZolang de definitieve aanslag 2019 niet is vastgesteld door Frankrijk kan ik nog geen rekening houden met bedrag wat misschien dubbel belast gaat worden.\n\nU heeft altijd de mogelijkheid om tegen die tijd een bezwaarschrift in te dienen.”\n\n4.8.. Het hof heeft hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Kort gezegd houdt het vertrouwensbeginsel in dat de inspecteur gebonden is aan toezeggingen die door hem zijn gedaan. Het hof is van oordeel dat van een toezegging in dit geval geen sprake is. De inspecteur heeft gedurende de gehele procedure steeds het standpunt ingenomen dat Nederland bevoegd was te heffen over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering. Belanghebbende heeft dat ook erkend.De passage uit de brief van 15 september 2022, wat daar verder ook van zij, kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezien als een concrete toezegging van de inspecteur dat het deel van de pensioenuitkering waarover in Frankrijk geheven is, niet in de Nederlandse belastingheffing zal worden betrokken. Reeds hierom faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel.\n\nV. Dient de inspecteur een overlegprocedure te starten met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle emigranten die in dezelfde situatie als belanghebbende verkeren?\n\n4.9.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat een overlegprocedure in de zin van artikel 27 van het Verdrag voor hem geen redelijke weg is om te begaan, aangezien een dergelijke procedure duur is in verhouding tot het concrete financiële belang van belanghebbende zelf. Belanghebbende zal dan namelijk een advocaat moeten inschakelen en gebruik moeten maken van een tolk. Bovendien duurt zo’n procedure lang, en is het onzeker of het tot een oplossing zal leiden. Belanghebbende wijst op de mogelijkheid van artikel 27, lid 3, onder b, en lid 4, van het Verdrag, waarmee de inspecteur op eigen initiatief in overleg kan treden met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle Nederlanders die in Frankrijk wonen en die hetzelfde probleem als belanghebbende hebben.\n\n4.10.. Het hof overweegt dat het Verdrag aan de bevoegde autoriteiten van Nederland en Frankrijk de mogelijkheid biedt om ten aanzien van verschillende situaties in overleg te treden om overeenstemming te bereiken. Het hof is echter niet bevoegd om de inspecteur te verplichten een dergelijk overleg te initiëren. Het hof merkt daarbij overigens nog op dat van een moeilijkheid of twijfelpunt in algemene zin zoals bedoeld in artikel 27, lid 3, van het Verdrag in dit geval geen sprake lijkt te zijn. Ten aanzien van de toepassing van het Verdrag bestaat in dit geval namelijk geen verschil in opvatting tussen de landen: zowel de Nederlandse als Franse inspecteur gaat ervan uit dat het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering in Nederland belast is, en het privaatrechtelijke deel in Frankrijk.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe uitspraak is ondertekend door de griffier, en door de oudste raadsheer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nR. Camps C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n De Nederlandse vertaling van de brief is door belanghebbende in hoger beroep overgelegd.\n\nOvereenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.\n\n Artikel 11, lid 3 en lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Artikel 7.2, lid 2, aanhef en onder b, Wet IB 2001.\n\n Artikel 19, lid 1, van het Verdrag.\n\n Artikel 24, aanhef en onderdeel B, onder a, van het Verdrag.\n\n In zijn nader stuk (reactie op het verweerschrift) van 16 juli 2024, punt 7.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1283","2026-07-13T00:28:29.236Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":92,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":94,"parsedAt":64,"updatedAt":95},"1269","ECLI:NL:GHSHE:2026:1261","ecli-nl-ghshe-2026-1261","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 25\u002F170\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 januari 2025, nummer BRE 24\u002F1720, in het geding tussen de inspecteur en\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] (Canada), met gekozen domicilie in [plaats] ,\n\nhierna: belanghebbende.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag dividendbelasting over het jaar 2014 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.\n\n1.6.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam 1] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [gemachtigde 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .\n\nOp deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24\u002F1888 tot en met 24\u002F1194 en 24\u002F1220 tot en met 24\u002F1236.\n\n1.7.. De inspecteur heeft tijdens de zitting exemplaren van een pleitnota overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende (voorheen genaamd [belangheb.] ) is een naar Canadees recht door [Ltd 8] (hierna: [Ltd 8] ) ingestelde trust. Volgens een bestuursbesluit van [Ltd 8] van 1 maart 2013 is belanghebbende ingesteld om een pensioenregeling te treffen voor haar werknemers.\n\n2.2.. Belanghebbende is door de Canadese fiscale autoriteiten met ingang van 1 januari 2013 aangemerkt als geregistreerd pensioenfonds. Conform de bepalingen van het Canadese recht is belanghebbende vrijgesteld van belastingheffing naar het inkomen in de periode waarin hij is aan te merken als een geregistreerd pensioenfonds.\n\n2.3.. Aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht neemt één deelnemer, te weten [persoon] , deel. Op basis van het pensioenreglement is het deelnemers niet toegestaan om bij te dragen aan het pensioen. De werkgever draagt verplicht bij aan het pensioen.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft op 1 september 2014 een ‘Profit Share and Cooperation agreement’ (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten met [Ltd 6] . Hierin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij belanghebbende als [belangheb.] is aangeduid):\n\n“\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n”\n\n2.5.. De Samenwerkingsovereenkomst is namens [Ltd 6] . ondertekend door [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [Ltd 6] . was in 2014 een dochtervennootschap van [C BV] en maakte onderdeel uit van de zogenoemde [A-groep] . [naam 2] is de uiteindelijk gerechtigde van de [A-groep] .\n\n2.6.. Het eigen vermogen van belanghebbende bedroeg op 1 januari 2015 CAD $ 93.759 en op 31 december 2015 CAD $ 135.145. Belanghebbende heeft in 2015 een resultaat behaald van CAD $ 39.374 dat in de winst- en verliesrekening over 2015 als volgt is gespecificeerd (bedragen in CAD $):\n\n2.7.. De balans van belanghebbende per ultimo 2015 is als volgt (bedragen in CAD $):\n\n2.8.. Tijdens de zitting van het hof heeft [naam 2] verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (hierna: [stichting] ). [stichting] heeft een fiscale procedure gevoerd waarin de vraag centraal stond of zij als pensioenfonds vrijgesteld is van vennootschapsbelasting. Het gerechtshof Amsterdam heeft die vraag ontkennend beantwoord en onder meer geoordeeld dat [stichting] een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 (hierna: het Besluit). Het door [stichting] tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad ongegrond verklaard.\n\n2.9.. Belanghebbende hield in 2014 een rekening aan bij [Ltd 5] (hierna: [Ltd 5] ), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Belanghebbende hield op deze rekening uitsluitend long posities in aandelen met daartegenover short posities in derivaten. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de rekening bij [Ltd 5] van 12 november 2014 waaruit een sinds 4 november 2014 opgebouwde long positie in Duitse aandelen volgt van € 175.792.081,92.\n\n2.10.. Belanghebbende heeft op 11 november 2014 1.000.000 aandelen [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) gekocht. De settlement date van de transactie is 13 november 2014. Op 12 november 2014 heeft belanghebbende 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] gekocht. De settlement date van die transactie is 14 november 2014.\n\n2.11.. Vervolgens heeft belanghebbende op 11 november 2014 respectievelijk 12 november 2014 futures die zien op 1.000.000 respectievelijk 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht.\n\n2.12.. De record date, de datum die bepalend is voor de uitkering van dividenden, van de aandelen [bedrijf 4] was op 14 november 2014. Voor de 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] ontving belanghebbende op 22 december 2014 € 885.301,56 dividend waarop € 132.796,23 dividendbelasting is ingehouden.\n\n2.13.. Op 9 december 2014 heeft belanghebbende 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht.\n\n2.14.. Belanghebbende heeft verder op 6 november 2014 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] gekocht. Op diezelfde datum is belanghebbende een price return swap overeengekomen ten aanzien van hetzelfde aantal aandelen [bedrijf 5] .\n\n2.15.. De record date van de aandelen [bedrijf 5] was op 7 november 2014. Voor de 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] ontving belanghebbende op 10 december 2014 een dividend van € 512.829 waarop € 76.924,35 dividendbelasting is ingehouden.\n\n2.16.. Belanghebbende heeft 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] op 9 december 2014 verkocht. Op diezelfde datum is de price return swap afgewikkeld.\n\n2.17.. Belanghebbende heeft op 12 oktober 2015 verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting op de dividenden die hij op 22 december 2014 van [bedrijf 4] , respectievelijk op 10 december 2014 van [bedrijf 5] had ontvangen. De inspecteur heeft naar aanleiding van dat verzoek op 13 januari 2016 een teruggaaf dividendbelasting van € 209.720,58 verleend.\n\n2.18.. Vervolgens heeft de inspecteur, naar aanleiding van aan belanghebbende gestelde vragen, aanleiding gezien een naheffingsaanslag dividendbelasting voor het jaar 2014 op te leggen (hierna: de naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag is opgelegd op 20 december 2021 en bestaat uit € 209.720,58 nageheven dividendbelasting, vermeerderd met € 43.380 belastingrente (hierna: de rentebeschikking).\n\n2.19.. Het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking heeft de inspecteur ongegrond verklaard.\n\n2.20.. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag en de rentebeschikking vernietigd.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\n- Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB)? Het geschil spitst zich in dit verband toe op de vraag of belanghebbende, ware hij in Nederland gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit (vraag 1).\n\n- Bij ontkennende beantwoording van vraag 1: staat het Unierecht aan naheffing in de weg (vraag 2)?\n\n- Is belanghebbende opbrengstgerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd (vraag 3)?\n\n- Is belanghebbende uiteindelijk gerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd (vraag 4)? Bij deze vraag spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 7, Wet DB (tekst 2014).\n\n- Bij ontkennende beantwoording van vraag 3 of 4: is er een wettelijke grondslag voor naheffing (vraag 5)?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nVraag 1: Zou belanghebbende op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd?\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB verzocht om teruggaaf van dividendbelasting. Voor een dergelijke teruggaaf is onder meer de voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van een lichaam dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, alhier niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan die voorwaarde is voldaan omdat hij als pensioenfonds vrijgesteld zou zijn geweest van vennootschapsbelasting als hij in Nederland was gevestigd. Volgens belanghebbende verricht hij tezamen met [Ltd 6] . dividendarbitrage-activiteiten door middel van zogenoemde (reverse) cash-and-carry-transacties. De inspecteur heeft dat standpunt gemotiveerd betwist. De inspecteur is van mening dat belanghebbende dividendbelastingarbitrage-activiteiten verricht. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan.\n\n4.2.. Ingevolge artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb worden vrijgesteld van de belasting lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding (hierna: de verzorgingsdoelstelling). Artikel 3 Besluit vereist voorts dat de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met de verzorgingsdoelstelling van dat lichaam (hierna: de werkzaamhedentoets) en dat bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge laatstgenoemd artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang. Met de voor de toepassing van de vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen.\n\n4.3.. \n\nHet hof stelt vast dat:\n\n(i) belanghebbende via zijn Joint Account (2.4) actief deelneemt aan het economische (beurs)verkeer;\n\n(ii) belanghebbende met behulp van zijn (reverse) cash-and-carry-activiteiten, een meer dan ‘autonoom’ rendement kan creëren (2.4, 2.6 en 2.7);\n\n(iii) belanghebbende voor het beheer van zijn vermogen relatief (zeer) hoge kosten beloopt (2.6);\n\n(iv) de voor belanghebbende aan dit vermogensbeheer gerelateerde risico’s, in het bijzonder het risico dat de dividendbelasting niet wordt teruggegeven, en met het vermogensbeheer gegenereerde opbrengsten die van een normale, min of meer ‘passieve’ belegger aanzienlijk te boven gaan (2.6 en 2.7);\n\n(v) aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht één deelnemer deelneemt, het deelnemers op basis van het pensioenreglement niet is toegestaan om bij te dragen aan het pensioenfonds; de werkgever is verplicht bij te dragen aan het pensioen (2.3);\n\n(vi) de pensioenbijdrage van de werkgever in 2015, het jaar van het verzoek om teruggaaf, CAD $ 5.400 was;\n\n(vii) belanghebbende gelet op zijn posities (2.9) tot aanzienlijke bedragen over andere middelen dan premiegelden moet hebben beschikt en deze andere middelen heeft aangewend voor (reverse) cash-and-carry-activiteiten;\n\n(viii) het gebruikmaken van derivaten van effecten niet plaatsvindt in het kader van de belegging van ingelegde pensioengelden;\n\n(ix) de dividendbelasting die belanghebbende als vrijgesteld lichaam heeft geïncasseerd een veelvoud is van zijn uiteindelijke nettoresultaat (2.6 en 2.17);\n\n(x) De samenwerkingspartner \u002F asset manager van belanghebbende, [Ltd 9] , onderdeel is van de [A-groep] , waarvan [naam 2] directeur en uiteindelijk gerechtigde is (2.8);\n\n(xi) [naam 2] ter zitting voor het hof heeft verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (2.8);\n\n(xii) Ten aanzien van [stichting] in rechte is vast komen te staan dat zij een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) Besluit (2.8).\n\n4.4.. Het hof komt op basis van deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat (ook) belanghebbende een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft, dat (ook) de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat belanghebbende niet voldoet aan de werkzaamhedentoets zoals opgenomen in artikel 3 Besluit.\n\n4.5.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het destijds geenszins duidelijk was hoe moest worden vastgesteld of een pensioenlichaam als vrijgesteld lichaam kon worden aangemerkt. Verder is de vergelijking met [stichting] wat haar betreft te makkelijk. Volgens belanghebbende is bij hem geen sprake van vreemd vermogen, terwijl dat bij [stichting] in het oudste jaar wel het geval was. Bovendien bestaat volgens belanghebbende in zijn geval geen risico dat de dividendbelasting niet voor teruggaaf in aanmerking komt, al was het maar vanwege het Unierecht, en heeft dit risico zich bij [stichting] uiteindelijk niet gemanifesteerd. Mocht de vergelijkbaarheid met [stichting] op dit punt al opgaan, dan is de toets in de procedure van [stichting] over haar ondernemerschap onjuist, althans achterhaald, althans nog immer onduidelijk, mede in Europeesrechtelijk perspectief. Belanghebbende meent dat aan het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ) vragen dienen te worden gesteld of de wijze waarop de Hoge Raad de subjectieve vrijstelling invult moet voldoen aan de Pensioenrichtlijn, omdat het een invulling is van het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten, alsmede of de gegeven uitleg dan de juiste is. Belanghebbende wijst in dit kader ook op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 26 oktober 2021 in een procedure die is gevoerd door [stichting].\n\n4.6.. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. De procedure van [stichting] bij het CBb ging over de vraag of De Nederlandsche Bank terecht boetes aan [stichting] had opgelegd vanwege vermeende overtreding van het verbod van nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pensioenwet (hierna: Pw). Dat artikel bepaalt dat een pensioenfonds slechts activiteiten verricht in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden. Het CBb heeft de opgelegde boetes vernietigd omdat volgens hem het voor [stichting] destijds niet voorzienbaar was dat de beleggingsactiviteiten zoals door haar verricht in strijd waren met artikel 116 Pw. In onderhavige procedure gaat het echter niet om de vraag of belanghebbende verboden nevenactiviteiten had, maar om de vraag of belanghebbende een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam zou zijn geweest ware hij in Nederland gevestigd. Met de voor deze vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen (4.2). Deze voorwaarden hebben daarom een andere achtergrond dan het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pw.\n\n4.7.. \n\nVoor zover belanghebbende betoogt dat hij vergelijkbaar is met andere vrijgestelde rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld een stichting, en om die reden recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, heeft het volgende te gelden.\n\nDe teruggaafregeling van artikel 10, lid 1, Wet DB is bedoeld om de subjectieve niet‑onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting uit te breiden naar de voorheffing die de dividendbelasting is voor de (Nederlandse) vennootschapsbelasting. De doelstelling om vennootschapsbelasting noch dividendbelasting te doen drukken op dividenden, is daarmee beperkt tot bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Buitenlandse doelvermogens die daarmee vergelijkbaar zijn, hebben evenzeer recht op teruggaaf, voor zover zij geen onderneming drijven. Tot andere lichamen strekt de bedoeling van deze bepaling niet.\n\nEen buitenlands doelvermogen dat vergelijkbaar is met een stichting, heeft dus recht op teruggaaf van dividendbelasting, mits de effecten niet behoren tot het vermogen van een onderneming van het doelvermogen. Aangezien de aandelen waarop belanghebbende de opbrengst terugvraagt behoren tot het vermogen van de (arbitrage)onderneming van belanghebbende heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf op basis van artikel 10 Wet DB.\n\n4.8.. Vraag 1 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. Gelet hierop komt het hof toe aan behandeling van vraag 2.\n\nVraag 2: Staat het Unierecht aan naheffing in de weg?\n\n4.9.. Belanghebbende heeft zich ook op het standpunt gesteld dat hij op basis van het Unierecht recht heeft op teruggave van dividendbelasting. Als hij niet kwalificeert als een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam, dan zou hij vennootschapsbelastingplichtig zijn geweest indien hij in Nederland was gevestigd. Een ingezeten vennootschapsbelastingplichtig lichaam kan de geheven dividendbelasting als voorbelasting verrekenen of krijgt deze voorheffing, indien er geen vennootschapsbelasting verschuldigd is, terug. Voor een niet-ingezeten lichaam, zoals belanghebbende, is de dividendbelasting echter een eindheffing. Belanghebbende heeft in dit kader verwezen naar de prejudiciële vraag die dit gerechtshof op 14 december 2022aan het HvJ heeft gesteld in de zaak van een Engelse verzekeringsmaatschappij die ‘unit-linked-polissen’ afsloot met grote in het Verenigd Koninkrijk gevestigde pensioenverzekeraars en de beantwoording daarvan door het HvJ op 7 november 2024. Belanghebbende stelt dat in zijn geval de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen dividenden van Nederlandse herkomst (hierna: de Nederlandse dividenden) leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen. Dit omdat volgens belanghebbende sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen zijn (arbitrage)resultaten en het in Canada verplicht moeten doteren van het volledige resultaat aan de pensioenreserve.\n\n4.10.. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de Nederlandse dividenden voor hem als niet-ingezeten belastingplichtige zwaarder worden belast dan het geval is bij een vergelijkbare ingezeten belastingplichtige. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan die bewijslast heeft voldaan. Als belanghebbende in Nederland was gevestigd en vennootschapsbelastingplichtig was geweest, zouden de Nederlandse (bruto)dividenden onderdeel uitmaken van de belastbare winst. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden waardoor die dividenden per saldo niet, of minder zouden worden belast, met een teruggaaf van dividendbelasting tot gevolg. Dat het resultaat van belanghebbende in Canada verplicht moet worden gedoteerd aan de pensioenreserve moge zo zijn, maar dat betekent op zichzelf bezien nog niet dat voor de Nederlandse fiscale winstbepaling sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden zoals in de zaak van de unit-linked verzekeraar.\n\n4.11.. Het ter zitting bij het hof gedane bewijsaanbod van belanghebbende om alsnog een zogenoemde drukvergelijking te overleggen, wijst het hof af. Belanghebbende heeft eerder in de procedure gesteld dat de drukvergelijking besloten ligt in de verplichting in Canada volledig te doteren aan de pensioenreserve en verder het gevolg is van het wettelijk systeem. Een drukvergelijking is volgens belanghebbende kennelijk om die redenen niet nodig. Dat het hof daar anders over oordeelt, neemt niet weg dat belanghebbende reeds voldoende gelegenheid heeft gehad om een drukvergelijking te overleggen. Dat de inspecteur volgens belanghebbende pas ter zitting bij het hof heeft weersproken dat de belastingdruk bij belanghebbende, in het geval geen teruggaaf wordt verleend van dividendbelasting, hoger is dan wanneer hij in Nederland aan de vennootschapsbelasting onderworpen zou zijn geweest, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het hof mocht belanghebbende er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de inspecteur hem, zonder dat deze zelf over stukken beschikt om een drukvergelijkging te maken, zou volgen in zijn stelling dat de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen Nederlandse dividenden leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen.\n\n4.12.. Vraag 2 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord.\n\n4.13.. Door de ontkennende beantwoording van vraag 1 en 2 behoeven de vragen 3 en 4 in beginsel geen beantwoording. Belanghebbende heeft echter het standpunt ingenomen dat geen wettelijke grondslag voor naheffing bestaat indien hij niet opbrengstgerechtigde en\u002Fof uiteindelijk gerechtigde zou zijn (vraag 5). Om redenen van proceseconomie zal het hof eerst die vraag beantwoorden.\n\nVraag 5: Is er een wettelijke grondslag voor naheffing?\n\n4.14.. Het hof zal er bij de beantwoording van deze vraag veronderstellenderwijs van uitgaan dat belanghebbende geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden ten aanzien waarvan hij de dividendbelasting heeft teruggevraagd.\n\n4.15.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 20, lid 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een beperkte groep van personen en lichamen aanwijst, namelijk de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde, van wie kan worden nageheven. Belanghebbende valt niet onder die beperkte groep indien hij geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden. Indien wordt geconcludeerd dat belanghebbende ten onrechte teruggaven van dividendbelasting heeft ontvangen dan kan dat alleen civielrechtelijk worden hersteld, aldus belanghebbende.\n\n4.16.. Artikel 20 AWR luidt als volgt:\n\n“1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek (…) teruggaaf van belasting is verleend.\n\n2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegdaan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan welaan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan welteruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd (onderstreping hof).”\n\n4.17.. Het hof is van oordeel dat de tekst van artikel 20, lid 2, AWR de inspecteur de mogelijkheid biedt om bij belanghebbende na te heffen. Belanghebbende kan immers, gelet op de ontkennende beantwoording van de vragen 1 en 2, worden aangemerkt als ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’. Dat alleen kan worden nageheven van de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde volgt niet uit de tekst van artikel 20, lid 2, AWR. Dat ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’ ook een andere hoedanigheid kan hebben volgt ook uit rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 14 juni 2013, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur – ook\u002Fzelfs – kan naheffen van een (btw-)fiscale eenheid die materieel niet heeft kunnen bestaan.\n\n4.18.. Vraag 5 dient bevestigend te worden beantwoord. Gelet op het voorgaande behoeven vraag 3 en 4 geen beantwoording meer.\n\nTussenconclusie\n\n4.19.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.20.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nS.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3142.\n\n Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2122 (hierna ook: het arrest van 23 september 2016).\n\n Zie r.o. 2.3.3. van het arrest van 23 september 2016.\n\n CBb 26 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:961.\n\n Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2097, r.o. 3.1.3.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471.\n\n HvJ EU 7 november 2024, ECLI:EU:C:2024:932.\n\n Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1261","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.066Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":100,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":64,"updatedAt":102},"1535","ECLI:NL:GHSHE:2026:1277","ecli-nl-ghshe-2026-1277","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F320\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur,\n\nen het incidentele hoger beroep van\n\n [belanghebbende] B.V. (voorheen: [SA 1] ),\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2024, nummer BRE 23\u002F1332, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam 1] en haar gemachtigde [gemachtigde] , ter bijstand vergezeld door [naam 4] en [naam 3] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 4] en [inspecteur 3] .\n\n1.7.. Beide partijen hebben tijdens de zitting pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van vier bij de pleitnota van de inspecteur behorende bijlagen.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\nStructuur\n\n2.1.. Belanghebbende is op 20 oktober 1998 is in het kader van een herstructurering van de [A-groep] naar Luxemburgs recht opgericht onder de naam [SA 1] en is op 27 december 2019 grensoverschrijdend omgezet naar de rechtsvorm van een Nederlandse besloten vennootschap. Belanghebbende was in 2014 gevestigd in Luxemburg. In 2014 werden de aandelen in belanghebbende gehouden door [SPF 1] , gevestigd in Luxemburg en werden de aandelen in [SPF 1] gehouden door [naam aandeelhouder] (hierna: ook de UBO ), woonachtig in België. In 2014 was het Luxemburgse SPF-regime van toepassing op [SPF 1] , waardoor zij niet onderworpen was aan Luxemburgse vennootschaps- en dividendbelasting. Het Luxemburgse SPF-regime vereist dat door het betrokken lichaam geen enkele economische activiteit wordt uitgeoefend. Voordat het SPF-regime op [SPF 1] van toepassing werd was het Luxemburgse 1929-regime van toepassing. Hierdoor was [SPF 1] vrijgesteld van vennootschaps- en dividendbelasting. Belanghebbende was tot aan haar zetelverplaatsing fiscaal inwoner van Luxemburg en onderworpen aan Luxemburgse vennootschaps- en vermogensbelasting.\n\n2.2.. Belanghebbende hield in 2014 alle aandelen in (onder meer) [B.V. 1] en [B.V. 2] , beide gevestigd in Nederland. [B.V. 1] is op 28 april 1998 opgericht en [B.V. 2] is op 20 december 2013 opgericht. [naam aandeelhouder] is bestuurder van deze vennootschappen. De [A-groep] houdt zich met name bezig met leegstands- en vastgoedbeheer en is actief (geweest) in 7 landen: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Ierland en Luxemburg.\n\n2.3.. Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven:\n\n2.4.. Op 31 december 2013 heeft [B.V. 2] drie vennootschappen van belanghebbende gekocht. De totale koopsom bedroeg € 22.246.000 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven.\n\n2.5.. Op 2 januari 2014 heeft [B.V. 1] een aantal deelnemingen verkocht aan [B.V. 2] De totale koopsom bedroeg € 24.166.002 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven.\n\n2.6.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 1] besloten tot een dividenduitkering aan belanghebbende van € 19.000.000 (hierna: de dividenduitkering).\n\nTransacties in 2014\n\n2.7.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 1] € 19.000.000 van haar vordering op [B.V. 2] aan belanghebbende gecedeerd. De koopprijs is door belanghebbende schuldig gebleven.\n\n2.8.. Eveneens op 6 mei 2014 is een ‘set off agreement’ tot stand gekomen tussen [B.V. 1] en belanghebbende. Op basis van deze overeenkomst is de vordering van [B.V. 1] op belanghebbende uit hoofde van de onder 2.5. beschreven transactie verrekend met de vordering van belanghebbende op [B.V. 1] als gevolg van de dividenduitkering.\n\n2.9.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 2] 100.000 aandelen met een nominale waarde van € 1 uitgegeven aan belanghebbende. Belanghebbende heeft vervolgens haar vordering op [B.V. 2] van € 22.246.000 als agio gestort op deze aandelen.\n\n2.10.. Op 15 mei 2014 heeft (onder meer) [B.V. 2] een financieringsovereenkomst met een bank ( [bank] ) getekend voor kredietfaciliteiten tot een totaalbedrag van € 15.500.000. Blijkens de getekende offerte had de kredietfaciliteit voor een bedrag van € 15.000.000 tot doel een dividenduitkering dan wel terugbetaling van aandelenkapitaal door [B.V. 2] te financieren.\n\nBestuur en activiteiten\n\n2.11.. Belanghebbende werd tot aan de zetelverplaatsing naar Nederland bestuurd door drie vertegenwoordigers van een trustmaatschappij. Tot en met 2013 was dit de trustmaatschappij [SA 2] . Deze maatschappij werkte op basis van een vaste prijsafspraak voor zowel de domicilie, bestuurs- en administratiewerkzaamheden. De jaarlijkse vergoeding voor deze werkzaamheden bedroeg € 3.750 (exclusief omzetbelasting).\n\n2.12.. Met ingang van 2014 heeft [SA 3] de taken van [SA 2] overgenomen. Contractueel is [SA 3] belast met de volgende taken: (1) het ter beschikking stellen van bestuurders, (ii) het voeren van de boekhouding en (iii) het vaststellen van de jaarrekening. De jaarlijkse bestuurdersvergoeding bedraagt € 1.000 per bestuurder, de jaarlijkse vergoeding voor de boekhouding bedraagt € 1.000 en de vergoeding voor het vaststellen van de jaarrekening bedraagt jaarlijks € 1.200.\n\n2.13.. Belanghebbende heeft geen personeel op de loonlijst staan. Er zijn ook geen loonkosten in de administratie verantwoord.\n\n2.14.. Belanghebbende beschikt niet over een eigen kantoorruimte in Luxemburg.\n\n2.15.. Belanghebbende heeft op 1 januari 2013 zes leningen verstrekt aan zes verschillende groepsvennootschappen, allemaal met een looptijd van 60 maanden en tegen een rente van 3% per jaar.\n\n2.16.. In 2014 vond één aandeelhoudersvergadering plaats in Luxemburg. Tijdens die vergadering is besloten om de jaarrekening 2013 van belanghebbende goed te keuren en decharge te verlenen voor de bestuurders en accountant van belanghebbende.\n\n2.17.. In 2014 vond één directievergadering van belanghebbende plaats in Luxemburg waarin werd besloten tot de agiostorting (zie 2.7.) en de ‘set-off agreement’ (zie 2.6.).\n\n2.18.. In 2014 hebben geen andere vergaderingen plaatsgevonden.\n\n2.19.. Het commerciële resultaat van belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 bestond uit dividendinkomsten, financiële basten\u002Flasten in verband met geldverstrekkingen en uitgaven in verband met de werkzaamheden die worden uitgevoerd door de trustmaatschappijen, door accountskantoren en door notarissen.\n\n2.20.. Belanghebbende had in 2014 de volgende kosten (in EUR):\n\nBoekenonderzoek [B.V. 1]2.21.. Bij [B.V. 1] en een aantal van haar deelnemingen heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de aangifte vennootschapsbelasting voor 2012 en de aangiften omzetbelasting en loonheffing over de tijdvakken in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013. Dit onderzoek is later uitgebreid naar (deels) de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015 voor wat betreft omzetbelastingaspecten van IT support en credit cards (integrale steekproef). Van de bevindingen van het boekenonderzoek is een controlerapport opgemaakt met dagtekening 23 januari 2017. In het controlerapport is een vermogensvergelijking opgenomen voor de jaren 2012, 2013 en 2014. De dividenduitkering van € 19.000.000 is in deze vermogensvergelijking opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’ waar een bedrag staat vermeld van € 18.943.192.\n\n2.22.. Op 27 juli 2017 heeft de inspecteur van gemachtigde een verzoek om vooroverleg inzake de remigratie van de UBO ontvangen.\n\n2.23.. Bij brief van 25 januari 2018 heeft de inspecteur [B.V. 2] verzocht om informatie te verstrekken met betrekking tot de afhandeling van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2014 en 2015 van [B.V. 2] Daarop is op 28 maart 2018 gereageerd. Daaropvolgend zijn nog een aantal informatieverzoeken aan [B.V. 2] gestuurd.\n\n2.24.. Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft de inspecteur met betrekking tot de afhandeling van de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van [B.V. 1] informatie verzocht over de dividenduitkering van € 19.000.000. [B.V. 1] heeft vervolgens informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n2.25.. De inspecteur heeft bij brief van 16 januari 2019 een informatieverzoek aan belanghebbende gestuurd en daarin zijn voornemen kenbaar gemaakt om de belastingplicht van belanghebbende voor de vennootschapsbelasting te gaan onderzoeken.\n\nE-mailcorrespondentie augustus 2016\n\n2.26.. Tot de gedingstukken behoort de volgende e-mailcorrespondentie uit augustus 2016 tussen [naam 5] (finance controller van [B.V. 1] ), [naam 6] en [naam 7] (twee trustbestuurders van belanghebbende) en [naam 8] (CFO van zowel [B.V. 1] en [B.V. 2] ).\n\nEen e-mail van 2 augustus 2016 van [naam 5] gericht aan [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] :\n\n“[…] Today [SA 1] will receice a payment from [B] of € 1.373.715 euro (ref Bridge loan) tot [SA 1]\n\nCould you please make a payment from [SA 1] to [B.V. 1] reference Bridge loan ( [bank] account […] of € 1.370.000.\n\nPlease arrange an urgent payment.\n\n@ [naam 8] ,\n\nPlease approve the payment above. (…)”\n\nWaarop [naam 8] aan allen reageert:\n\n“(..) I advice you to carry out payments as set out below by [naam 5] .”\n\nTransacties en activiteiten na dividenduitkering\n\n2.27.. \n [naam aandeelhouder] heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland.\n\n2.28.. \n [SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap.\n\n2.29.. In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer.\n\nAanslagregeling\n\n2.30.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend. Belanghebbende is daartoe ook niet uitgenodigd. Er is geen definitieve aanslag opgelegd aan belanghebbende.\n\n2.31.. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslag de dividenduitkering in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit een aanmerkelijk belang op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb). De navorderingsaanslag is gedagtekend 30 november 2019.\n\n2.32.. \n\nDe navorderingsaanslag is vastgesteld naar een belastbare winst (tevens belastbaar bedrag) van € 19.000.000 en een verschuldigde belasting van € 475.000. Tevens is bij beschikking € 171.277 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.\n\n2.33.. De rechtbank heeft geoordeeld dat inspecteur beschikt over een nieuw feit op grond waarvan de navorderingsaanslag kan worden opgelegd en het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen. Verder heeft de rechtbank de navorderingaanslag en de rentebeschikking vernietigd omdat zij van oordeel is dat de dividenduitkering niet bij belanghebbende belastbaar is op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb?\n\nIs sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt (incidenteel hoger beroep belanghebbende)?\n\nIs sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel? (incidenteel hoger beroep belanghebbende)\n\n3.2.. De inspecteur beantwoordt de eerste en tweede vraag bevestigend en de laatste vraag ontkennend en concludeert tot handhaving van de navorderingsaanslag en rentebeschikking. Belanghebbende is de tegengestelde mening toegedaan.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n1. Is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb?\n\nWettelijk kader\n\n4.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb (tekst vanaf 1 januari 2012) behoort tot het Nederlandse inkomen: het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 Wet IB 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde beleggingsinstelling, indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (hierna ook: de subjectieve voorwaarde) en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming (hierna ook: de ondernemingstoets).\n\n4.2.. \n\nMet ingang van 1 januari 2016 is artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in overeenstemming gebracht met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijnzoals laatst gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2015\u002F121 van de Raad van 27 januari 2015. Daarbij is in de subjectieve voorwaarde de terminologie “het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen” vervangen door “het hoofddoel of een van de hoofddoelen”. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.Tevens is de ondernemingstoets komen te vervallen en in de tekst vervangen door de voorwaarde dat er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:\n\n1° een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;\n\n2° een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (hierna ook: de objectieve voorwaarde).\n\nDe arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 en 18 juli 2025\n\n4.3.. In de rechtsoverwegingen 4.5.1. tot en met 4.6.6. van zijn arresten van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668 en 669 (hierna: de arresten van 25 april 2025), heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht, met inbegrip van de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast, een en ander zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.6 van die arresten. De betreffende overwegingen luiden als volgt:\n\n“Bestanddelen van misbruik van Unierecht4.4.1. Die rechtspraak van het Hof van Justitie houdt met betrekking tot het begrip misbruik van Unierecht in dat daarvoor enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden is vereist waaruit blijkt dat – in weerwil van de formele naleving van de door regels van Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) opgelegde voorwaarden – het door die regels beoogde doel niet werd bereikt (hierna ook: het doelvereiste). Anderzijds is tevens een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door het Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.9\n\n4.4.2. Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de vraag of de hiervoor in 4.4.1 bedoelde bestanddelen van misbruik van Unierecht (het doelvereiste en het subjectieve element) aanwezig zijn, worden beantwoord aan de hand van een onderzoek van alle feiten en omstandigheden van het geval. In het bijzonder moet in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht om te bezien of belastingplichtigen enkel formele of kunstmatige transacties hebben verricht waarvoor geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat, met als voornaamste doel wederrechtelijk een voordeel te verkrijgen.10\n\n4.4.3. Een concern – begrepen als: een groepering van vennootschappen met (een) gemeenschappelijke achterliggende aandeelhouder(s) – kan als een kunstmatige constructie worden beschouwd indien het (i) niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, (ii) een zuiver formele structuur heeft en (iii) als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt. Zo’n kunstmatige constructie doet zich met name voor wanneer de belastingheffing over dividenden wordt ontgaan doordat aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden.11\n\nAanwijzingen voor misbruik van Unierecht\n\n4.4.4. De rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van Unierecht houdt verder in dat een dergelijk misbruik kan worden vastgesteld aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen.12 Aan het arrest T Danmark zijn de hierna in 4.4.5 en 4.4.6 bij wijze van voorbeeld omschreven aanwijzingen te ontlenen voor de aanwezigheid van misbruik van Unierecht met behulp van een kunstmatige constructie zoals hiervoor in 4.4.3 bedoeld.\n\n4.4.5. Een aanwijzing dat het in het geval van een concern gaat om een kunstmatige constructie, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het concern zich bedient van een vennootschap die als doorstroomvennootschap fungeert. Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van dividenden en de doorbetaling daarvan aan de uiteindelijk gerechtigde tot die dividenden of aan (een) andere doorstroomvennootschap(pen). Ook indien de vennootschap die de uitgekeerde dividenden heeft ontvangen, wel andere activiteiten ontplooit, kan het gaan om een kunstmatige constructie. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze vennootschap de dividenden zeer snel na de ontvangst ervan, eventueel onder een andere titel, volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar of moet doorbetalen aan een of meer entiteiten die niet aan de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn voldoet respectievelijk voldoen.13\n\n4.4.6. Aanwijzingen voor het bestaan van een kunstmatige constructie als hiervoor in 4.4.3 bedoeld, kunnen verder worden gevonden in het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit bij de vennootschap die de dividenden ontvangt. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van die vennootschap, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting. Verdere aanwijzingen kunnen zijn gelegen in het bij de dividend ontvangende vennootschap ontbreken van de bevoegdheid om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, of in het feit dat deze vennootschap in wezen niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.14\n\nBestanddelen van misbruik ‘vertaald’ naar artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet\n\n4.5.1. Het hiervoor in 4.4.1 omschreven subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het aanmerkelijk belang is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd. Voor de uitleg en toepassing van die bepaling in overeenstemming met het Unierecht moet daarom aan deze beide voorwaarden tezamen op een zodanige wijze inhoud worden gegeven, dat daaraan slechts wordt voldaan indien dit subjectieve element van misbruik van recht aanwezig is.\n\n4.5.2. Bij de hiervoor in 4.5.1 bedoelde uitleg en toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet moet in de regel worden aangenomen dat tevens is voldaan aan het andere Unierechtelijke vereiste voor misbruik, namelijk het doelvereiste. Dit vereiste houdt in dat uit het geheel van objectieve omstandigheden van het geval blijkt dat het door de desbetreffende Unierechtelijke regeling (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) beoogde doel niet wordt bereikt door (ook) in het aan de orde zijnde geval het in die richtlijn voorziene belastingvoordeel toe te kennen. Op dit punt zijn doel en strekking van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet gelijk aan die van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn.15\n\nBewijslast ter zake van misbruik\n\n4.6.1. Het is op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie aan de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de bestanddelen van misbruik van recht (in dit geval: van de moeder-dochterrichtlijn) aanwezig zijn. Tot die bestanddelen behoort het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element.16 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt verder dat de belastingplichtige daartegenover de gelegenheid moet hebben om bewijs te leveren dat meebrengt dat van misbruik geen sprake is.17 Die gelegenheid moet betrekking hebben op beide aspecten van het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element van misbruik, dus zowel op de bedoeling om een door het Unierecht toegekend fiscaal voordeel te verkrijgen, als op het kunstmatige karakter van de structuur waarmee de voorwaarden zijn gecreëerd waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.\n\n4.6.2. Aan de bewijslast met betrekking tot de subjectieve en de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet – als bestanddelen van het subjectieve element van misbruik van Unierecht – moet daarom inhoud worden gegeven doordat de inspecteur feiten en omstandigheden moet stellen, en in geval van betwisting aannemelijk moet maken, waaruit een reeks objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen voortvloeit als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, die wijzen op misbruik van recht. De vaststelling dat zo’n reeks aanwijzingen zich voordoet, brengt, behoudens door de belastingplichtige geleverd tegenbewijs als hiervoor in 4.6.1 bedoeld, mee dat het gaat om misbruik van recht.18\n\n4.6.3. Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan zijn dat zich geen van de situaties voordoet die in de totstandkomingsgeschiedenis van de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet zijn genoemd als “geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”19. Het gaat dan om de situatie dat de buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap rechtstreeks houdt (i) geen materiële onderneming drijft tot het vermogen waarvan het aanmerkelijk belang functioneel behoort, en (ii) niet een wezenlijke functie ten dienste van de bedrijfsuitoefening van het concern vervult, en (iii) evenmin een schakelfunctie – tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van haar kleindochtervennootschap(pen) – vervult én voldoende zogenoemde substance (bedrijfseconomische aanwezigheid) heeft. Dergelijke omstandigheden kunnen erop wijzen dat de desbetreffende buitenlandse vennootschap een doorstroomvennootschap is als hiervoor in 4.4.5 bedoeld. De aanwezigheid van zo’n doorstroomvennootschap kan – maar hoeft niet – een relevante, objectieve aanwijzing voor misbruik van recht (te) vormen.\n\n4.6.4. Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan verder worden gevonden binnen het kader van de subjectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, indien de achterliggende aandeelhouder(s) van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap (die het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks houdt), meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap, dus wanneer dividenduitkeringen door de Nederlandse vennootschap rechtstreeks aan die achterliggende aandeelhouder(s) zouden zijn gedaan (de wegdenkgedachte).20\n\n4.6.5. Indien de hiervoor in 4.6.3 en 4.6.4 bedoelde aanwijzingen aanwezig zijn, kan op grond daarvan – behoudens tegenbewijs – worden aangenomen dat de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap (middellijk) houdt, een doorstroomvennootschap is waarmee misbruik van recht wordt gepleegd.\n\n4.6.6. Het hiervoor in 4.6.2 bedoelde tegenbewijs kan worden geleverd door feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, en in aanvulling in zoverre op hetgeen over het tegenbewijs is overwogen in rechtsoverweging 2.6.7 van het arrest van 10 januari 2020, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de toepasselijke belastingwetgeving (in dit geval: artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).21\n\nOnder vermelding van de volgende voetnoten:\n\n9. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 97 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.\n\n10. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 98 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.\n\n11. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 100.\n\n12. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 114.\n\n13. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 101,103 en 104.\n\n14. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 104 en 105.\n\n15. Vgl. Richtlijn (EU) 2015\u002F121 van de Raad van 27 januari 2015, tot wijziging van Richtlijn 2011\u002F96\u002FEU (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid29cea53a04404bd28dfb282cebef5422)betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten,PbEU2015, L 21\u002F1, preambule onder 5.\n\n16. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 117 en 118.\n\n17. Vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A\u002FS, gevoegde zaken C504\u002F16 en C613\u002F16, ECLI:EU:C:2017:1009 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid5fe095b4327149bab2d9eb938e4d6c6a), punt 70, en HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6\u002F16,ECLI:EU:C:2017:641 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid8b5d8ca06eda41e89cec1aff0e4837ae), punt 36, alsmede HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.5.\n\n18. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 99, alsmede HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.7.\n\n19. Vgl. Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 3 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-34306-3.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 9, enKamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 6 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-34306-6.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 7.\n\n20. Vgl. Kamerstukken II 2011\u002F12, 33 003, nr. 10 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-33003-10.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 93-94, en HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.2, eerste alinea.\n\n21. Vgl. HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228\u002F24, ECLI:EU:C:2025:239 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidf6a96399bc3c4a8e87c675f41e9f0b8f), punten 52 tot en met 54.”\n\n4.4.. In zijn arresten van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1162 en 1163 over Belgische houdstervennootschappen (hierna: de 18 juli-arresten) heeft de Hoge Raad aan dit toetsingskader toegevoegddat de vraag of sprake is van een concern dat als een kunstmatige constructie kan worden beschouwd als omschreven in rechtsoverweging 4.4.3 van de arresten van 25 april 2025, moet worden beantwoord aan de hand van een onderzoek dat niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het opzetten van de constructie. Gelet op de context van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn kan namelijk niet worden uitgesloten dat een constructie die aanvankelijk is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, vanaf een bepaald moment als kunstmatig moet worden beschouwd omdat die constructie ondanks een wijziging in de omstandigheden in stand is gehouden. Daarom kunnen bij de beoordeling of de constructie kunstmatig is, mede feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die zich voordoen of hebben voorgedaan na de totstandkoming van de constructie.\n\nHet toetsingskader toegepast op onderhavig geval\n\n4.5.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ten tijde van de dividenduitkering een aanmerkelijk belang hield in [B.V. 1] , dat [B.V. 1] ten tijde van de dividenduitkering in Nederland was gevestigd, en dat [B.V. 1] geen vrijgestelde beleggingsinstelling was. Het geschil spitst zich daarom enkel toe op de vraag of in dit geval sprake is van misbruik van Unierecht.\n\n4.6.. Het toetsingskader zoals uiteengezet door de Hoge Raad brengt mee dat het in eerste instantie aan de inspecteur is om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat het aanmerkelijk belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (de subjectieve voorwaarde) en dat het aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming (de ondernemingstoets). Indien de inspecteur in die bewijslast slaagt, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn.\n\nDe subjectieve voorwaarde\n\n4.7.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval is voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat als belanghebbende en [SPF 1] uit de structuur worden weggedacht, Nederland 15% dividend- en\u002Fof inkomstenbelasting had kunnen heffen over de dividenduitkering.\n\n4.8.. Belanghebbende erkent dat op basis van alleen de wegdenkgedachte in principe wordt voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Belanghebbende stelt echter dat zij ook de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren en stelt zich op het standpunt dat op basis van het door haar geleverde tegenbewijs niet aan de subjectieve voorwaarde wordt voldaan.\n\n4.9.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur aan de hand van de wegdenkgedachte aan zijn initiële bewijslast heeft voldaan aannemelijk te maken dat aan de subjectieve voorwaarde is voldaan. Indien [B.V. 1] de dividenduitkering rechtstreeks had gedaan aan [naam aandeelhouder] zou de dividenduitkering zijn onderworpen aan 15% dividendbelasting en 15% inkomstenbelasting, terwijl met belanghebbende in de structuur er geen Nederlandse belastingheffing is over de dividenduitkering. De stelling van belanghebbende dat zij de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren dat niet aan de subjectieve voorwaarde is voldaan, is gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader juist. Het hof zal hetgeen belanghebbende in dit kader heeft aangevoerd behandelen onder het kopje ‘tegenbewijs’.\n\nDe ondernemingstoets\n\n4.10.. Uit de wetsgeschiedenisvolgt dat de wetgever met de ondernemingstoets voor ogen heeft gestaan dat wordt nagegaan of de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt als belegging, dat wil zeggen met het oog op het verkrijgen van een rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Als dat het geval is, is niet aan de ondernemingstoets voldaan. Daarnaast geldt niet als zelfstandig vereiste dat de belastingplichtige een onderneming drijft.Van het houden van een aandelenbelang als belegging kan in elk geval niet worden gesproken (a) indien de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige, (b) indien de belastingplichtige een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep, of (c) indien en voor zover de belastingplichtige als participatiemaatschappij belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep.Indien zich geen van deze situaties voordoet, vormt dit een aanwijzing voor misbruik van recht.\n\n4.11.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de ondernemingstoets wordt voldaan omdat (i) belanghebbende geen onderneming drijft, (ii) belanghebbende niet beschikt(e) over (relevante) substance), (iii) belanghebbende zich niet heeft bemoeid met het beleid en activiteiten van haar dochtervennootschappen, (iv) de ondernemingsactiviteiten van [B.V. 1] niet in het verlengde liggen van belanghebbende, (v) belanghebbende geen wezenlijke functie vervult (c.q. vervulde) ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep; en (vi) belanghebbende geen rol als (actieve) participatiemaatschappij vervult (c.q. vervulde).\n\n4.12.. Belanghebbende drijft geen onderneming en is geen participatiemaatschappij die belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep. Belanghebbende heeft dit, naar het oordeel van het hof terecht, niet betwist.\n\nIs belanghebbende een tophoudster of een tussenhoudster met een wezenlijke functie?\n\n4.13.. Wel stelt belanghebbende dat ze een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep omdat ze een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep. Zij verstrekt geldleningen aan gelieerde maatschappijen en draagt in dat kader ook de economische risico’s van haar financieringsfunctie. Zij vervult deze rol al sinds 1998 zodat van gekunsteldheid geen sprake kan zijn, aldus belanghebbende.\n\n4.14.. Indien sprake is van een tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend en\u002Fof financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, zal deze tophoudster de aandelen niet als belegging houden. Indien sprake is van een tussenhoudster die door een schakelfunctie een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van de kleindochtervennootschap legt, kan deze tussenhoudster worden geacht een wezenlijke functie ten dienste van de groep te vervullen. De tussenhoudster vervult ook een schakelfunctie als de moedervennootschap een tophoudster is, die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, en de tussenhoudster een deelneming heeft in een lichaam dat een (actieve) onderneming drijft.\n\n4.15.. De inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat belanghebbende geen tophoudster of tussenhoudster met een wezenlijke functie is het volgende aangevoerd:\n\n( i) Belanghebbende beschikte vanaf het moment van oprichting (1998) tot aan het moment van de dividenduitkering (2014) niet over (relevante) substance. Zo stond er in het jaar van de dividenduitkering geen personeel op de loonlijst. Hetzelfde geldt voor de daaraan voorafgaande jaren, althans uit niets kan het tegendeel worden afgeleid. Voorts zijn desgevraagd geen bewijzen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende – op enig moment – de (vrije) beschikking(smacht) heeft gehad over een kantoorruimte. In lijn hiermee ligt dat de inspecteur geen huur- of andere huisvestingskosten is tegengekomen in de stukken. Dat belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft gehad over een kantoorruimte kan ook niet worden afgeleid uit de ‘Domiciliation Agreement’, zoals door belanghebbende werd betoogd ter zitting bij de rechtbank. Die overeenkomst regelt (slechts) het formele vestigingsadres.\n\n( ii) Ook [SPF 1] (enig aandeelhouder in belanghebbende) beschikte in die periode niet over (relevante) substance. Het Luxemburgse SPF-regime verbiedt zelfs dat door een SPF-lichaam economische activiteiten worden uitgeoefend, hoe gering ook (in casu relevant vanaf 2011).\n\n( iii) Belanghebbendes formele (trust)bestuur beschikte over een beperkt mandaat.\n\nDe drie formele bestuurders van belanghebbende ontvingen een marginale vergoeding. In totaal hooguit € 3.000 per jaar. Reeds hierdoor is het niet aannemelijk dat belanghebbende enige invloed heeft gehad op het rendement van [B.V. 1] , zijnde de vennootschap die het dividend uitkeerde. Zulks geldt te meer omdat belanghebbende toen ook geen personeel op de loonlijst had staan. In werkelijkheid handelde belanghebbende volgens de inspecteur daarentegen in opdracht van de UBO dan wel de directie van de dochtervennootschappen, waarbij vaststaat dat de UBO de enig bestuurder van de relevante dochtervennootschappen was. Illustratief in dat kader is de e-mail van 2 augustus 2016 (zie 2.24.). Indachtig het voorgaande is het evenmin aannemelijk dat belanghebbende (meer dan bijkomstige) invloed heeft gehad op de voorwaarden inzake de door haar verstrekte leningen aan de dochtervennootschappen. De inspecteur wijst er in dit verband op dat de leningen die belanghebbende op 1 januari 2013 heeft verstrekt aan haar dochtervennootschappen hetzelfde rentepercentage hebben (3%), terwijl aan zes verschillende binnenlandse en buitenlandse dochtervennootschappen een lening is verstrekt waarbij de hoofdsom varieert van € 500.000 tot 7,5 miljoen euro.\n\n4.16.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende geen tophoudster is of een tussenhoudster met een wezenlijke functie binnen de groep. De enkele omstandigheid dat belanghebbende al sinds 1998 geldleningen aan gelieerde maatschappijen verstrekt en zij daarmee economisch risico loopt is in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot de conclusie te komen dat belanghebbende een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep en zij daarom als tussenhoudster een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep.\n\nTussenconclusie misbruik van Unierecht\n\n4.17.. Gelet op de oordelen in 4.9 en 4.16. heeft de inspecteur aan zijn initiële bewijslast voldaan aannemelijk te maken dat aan zowel de subjectieve als objectieve voorwaarde wordt voldaan. Dit brengt mee dat moet worden aangenomen dat in dit geval in beginsel tevens is voldaan aan het doelvereiste.\n\nTegenbewijs\n\n4.18.. Aangezien de inspecteur in zijn initiële bewijslast is geslaagd, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn.\n\n4.19.. Het hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd er niet in is geslaagd dit tegenbewijs te leveren. Hierbij overweegt het hof het volgende.\n\n4.19.1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat aan de transacties die in 2014 hebben plaatsgevonden zakelijk overwegingen ten grondslag lagen, namelijk verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] . Belanghebbende wijst daarbij op de agiostorting in [B.V. 2] . In de gestelde verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] ziet het hof echter geen reden voor de tussenschakeling van belanghebbende. De agiostorting heeft geen direct verband met de dividenduitkering door [B.V. 1] , maar met de eerdere verkoop van drie deelnemingen door belanghebbende aan [B.V. 2] , getuige de exact corresponderende bedragen. De agiostorting biedt dus ook geen verklaring voor de tussenschakeling van belanghebbende ten opzichte van [B.V. 1] , waarvan het dividend is verkregen. Volledigheidshalve merkt het hof op dat de rechtshandelingen zoals beschreven in 2.5 tot en met 2.8 (waarbij de schuld van [B.V. 1] van € 19.000.000 als gevolg van de dividenduitkering aan belanghebbende uiteindelijk tenietgaat) evenmin aannemelijk maken dat een zakelijke reden bestond voor de tussenschakeling van belanghebbende. De vermogens- of liquiditeitspositie is immers voor geen van de betrokken partijen verbeterd als gevolg van deze rechtshandelingen en overige zakelijke redenen voor deze rechtshandelingen zijn gesteld noch gebleken.\n\n4.19.2. \n\nDaarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat het remigratietraject van de UBO en zijn minderjarige kinderen en de onbelaste terugbetalingen volledig los staan van de herstructurering die in 2014 heeft plaatsgevonden. Verder heeft belanghebbende naar voren gebracht dat de structuur al 16 jaar vóór de dividenduitkering tot stand is gekomen, zonder substantiële wijzigingen in de feitelijke leiding en vestigingsplaats van zowel de uitkerende als de ontvangende vennootschap tot en met het jaar van de dividenduitkering. Belanghebbende heeft als reden voor haar vestigingsplaats aangevoerd dat Luxemburg geografisch een logische keuze was omdat het een buurland is van België, de toenmalige woonplaats van de heer [naam aandeelhouder] .\n\nAl datgene, wat er ook zij van de juistheid ervan, zegt echter niets over de reden(en) van tussenschakeling van belanghebbende.\n\n4.19.3. Belanghebbende heeft gesteld dat er zakelijke redenen zijn voor het opzetten van een houdsterstructuur. Hieronder vallen bijvoorbeeld het beperken van aansprakelijkheid, het beperken van de (financiële) aanspraak van schuldeisers bij een eventueel faillissement, de voordelen die het oplevert bij verkoop van de werkmaatschappijen, en het onderling ter beschikking stellen van middelen. Door het aanhouden van een houdstervennootschap kunnen dan ook gelden uit de risicosfeer van de werkmaatschappij worden gehaald en worden geherinvesteerd in andere vennootschappen. Het gaat er dus niet alleen om dat de UBO wordt afgeschermd tegen aansprakelijkheid, zoals wordt gesuggereerd door de inspecteur. De inspecteur heeft dit alles gemotiveerd betwist. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat dit daadwerkelijk de redenen zijn geweest om belanghebbende tussen te schakelen. Aan die bewijslast heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof niet voldaan. Het hof acht in dit kader relevant dat (de gemachtigde van) belanghebbende ter zitting van het hof niet kon aangeven wat de reden(en) is (zijn) geweest van de herstructurering van de [A-groep] in 1998 en de ‘Luxemburg-structuur’ zoals die toen is opgezet. Ook acht het hof het in dit kader relevant dat belanghebbende zelf wordt gehouden door een houdstervennootschap. De door belanghebbende genoemde zakelijke redenen voor het opzetten van een houdsterstructuur verklaren op zichzelf bezien niet de dubbele Luxemburgse houdsterstructuur.\n\n4.19.4. \n\nBelanghebbende heeft erop gewezen dat het dividend van € 19.000.000 uit 2014 niet is ‘door uitgedeeld’ aan de UBO en dat in België belasting zou zijn geheven als dat wel het geval was geweest. Het hof stelt vast dat belanghebbende een hypothetisch scenario schetst en ziet in deze stelling dan ook geen bewijs dat de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb ondermijnt. Het dividend is immers niet uitgekeerd aan de UBO . De UBO heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland. [SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap. In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet IB 2001 geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer. Voor zover belanghebbende met deze stelling heeft willen betogen dat het geen doorstroomvennootschap is, overweegt het hof dat ook zonder (snelle) dooruitdeling sprake kan zijn van een volstrekt kunstmatige constructie.\n\nHet hof acht verder relevant dat [SPF 1] omdat zij een SPF is geen beroep kan doen op de moeder-dochterrichtlijn en ook niet gerechtigd is tot de toepassing van het belastingverdrag tussen Luxemburg en Nederland. Belanghebbende lijkt daarom veeleer te zijn tussengeschoven tussen [SPF 1] en de in de Nederland gevestigde werkmaatschappijen om op die manier toch de richtlijn- en verdragsvoordelen te kunnen inroepen. In het geval belanghebbende niet zou zijn tussengeschoven, dan was de dividenduitkering aan [SPF 1] belast geweest met 15% Nederlandse dividendbelasting.\n\nAndere standpunten van belanghebbende\n\n4.20.. Belanghebbende heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in strijd is (i) met de moeder-dochterrichtlijn, (ii) de vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU en (iii) de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag Nederland-Luxemburg.\n\n4.21.. \n\nHet hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt. De nationale antimisbruikmaatregel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb is richtlijnconform toegepast. Verder is de moeder-dochterrichtlijn niet van toepassing in geval van misbruik; van strijdigheid met de moeder-dochterrichtlijn is dan ook geen sprake.\n\nOok kunnen indien sprake is van misbruik van Unierecht de in het VWEU neergelegde vrijheden niet worden ingeroepen.\n\nBelanghebbende verwijst naar de non-discriminatiebepaling van artikel 24 in het belastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg. Volgens belanghebbende zou zij door toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb, anders of zwaarder belast worden dan indien zij onderdaan van Nederland zou zijn. Ook deze stelling faalt. De non-discriminatiebepaling in het verdrag is gebaseerd op primair EU-recht (verbod op discriminatie naar nationaliteit). Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van misbruik van EU-recht kan naar het oordeel van het hof geen geslaagd beroep meer worden gedaan op een non-discriminatiebepaling in een belastingverdrag. Grondrechten zijn er niet om oneigenlijke belastingverijdeling te faciliteren.\n\n4.22.. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de inspecteur voorgestane vennootschapsbelastingheffing ten aanzien van de dividenduitkering van 2,5% op grond van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb leidt tot economische dubbele belasting die niet van toepassing was geweest in de situatie dat het een puur binnenlandse situatie had betroffen omdat belanghebbende en [SPF 1] alsdan de deelnemingsvrijstelling hadden kunnen toepassen. Volgens belanghebbende is deze economisch dubbele belasting in casu disproportioneel bezien vanuit de doelstelling van bestrijding van belastingontwijking.\n\n4.23.. Het hof volgt belanghebbende niet in haar stelling. De vergelijking die belanghebbende maakt gaat naar het oordeel van het hof niet op. [SPF 1] is omdat zij een SPF is in Luxemburg vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De vergelijking die dan gemaakt dient te worden is die van een Nederlands vennootschapsbelastingplichtig lichaam dat een dividend uitkeert aan in Nederland gevestigd van vennootschapsbelasting vrijgesteld lichaam. Ter zake van dergelijke dividenduitkeringen is in de regel 15% Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Het dividend wordt in casu daarom niet zwaarder belast dan het geval was geweest in een puur binnenlandse situatie.\n\n4.24.. Gelet op het voorgaande is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb. Dat betekent dat het hof toekomt aan de behandeling van het incidentele hoger beroep van belanghebbende.\n\n2. Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?\n\n4.25.. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Belanghebbende stelt dat de feiten waar de inspecteur zich op beroept reeds bekend waren dan wel bekend hadden moeten zijn als gevolg van het boekenonderzoek bij [B.V. 1] In het controlerapport zijn immers correcties voorgesteld met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting van (de fiscale eenheid) [B.V. 1] , het jaar waarin de dividenduitkering van [B.V. 1] aan belanghebbende heeft plaatsgevonden. De dividenduitkering van € 19.000.000 blijkt volgens belanghebbende duidelijk uit de in het controlerapport opgenomen vermogensvergelijking van [B.V. 1] waar het is opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’. Over deze dividenduitkering zijn in het kader van het boekenonderzoek geen verdere vragen gesteld. Een verdere aanwijzing dat geen sprake is van een nieuw feit is volgens belanghebbende dat de inspecteur bekend was met de structuur van de [A-groep] , waaronder de Luxemburgse aandeelhouder van belanghebbende. Ten slotte is belanghebbende van mening dat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 aan belanghebbende.\n\n4.26.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Het boekenonderzoek bij [B.V. 1] gaf volgens hem geen enkele aanleiding om enig onderzoek in te stellen naar de belastingpositie van belanghebbende. Van belanghebbende bestond in eerste instantie nog geen dossier omdat zij bij de inspecteur niet bekend was als (buitenland) belastingplichtige. Verder rustte op de inspecteur niet de verplichting om andere dossiers te raadplegen voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Ook kon de inspecteur uit andere dossiers, waaronder het boekenonderzoek bij [B.V. 1] , niet opmaken dat belanghebbende een kunstmatig tussengeschoven vennootschap was die niet werd beschermd door het Unierecht. Het vermoeden van de (buitenlandse) belastingplicht van belanghebbende is pas gerezen in de periode tussen 27 juli 2018 en 16 januari 2019. Op 27 juli 2018 stelde de inspecteur voor het eerst vragen over de dividenduitkering bij [B.V. 1] Op 29 augustus 2018 verzocht de inspecteur voor het eerst om contactgegevens van belanghebbende om de fiscale gevolgen van de dividenduitkering bij belanghebbende te kunnen onderzoeken en op 16 januari 2019 stelde de inspecteur de eerste concrete vragen over de belastingpositie van belanghebbende.\n\n4.27.. Het hof stelt voorop dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de vennootschapsbelasting van de belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens voor de vennootschapsbelasting van die belastingplichtige bevat. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die door hem of door een andere inspecteur zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook niet als de mogelijkheid bestaat dat daarin gegevens worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de vennootschapsbelasting van belang kunnen zijn. In het algemeen is de inspecteur slechts dan verplicht tot een onderzoek buiten het (digitale) dossier van de belastingplichtige indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.De inspecteur was in dit geval dan ook niet verplicht om bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting het dossier dat binnen de Belastingdienst was aangelegd met het oog op de heffing van de vennootschapsbelasting van de [B.V. 1] te raadplegen. Zoals onweersproken is gesteld door de inspecteur was in ieder geval tot juli 2018 geen dossier aangelegd van belanghebbende omdat zij op dat moment nog niet bij de inspecteur bekend was als buitenlands belastingplichtige.\n\n4.28.. Het voorgaande neemt niet weg dat onder bijzondere omstandigheden het (digitale) dossier van de belastingplichtige (in dit geval: belanghebbende) onvolledig moet worden geacht c.q. er een dossier aangelegd had moeten worden omdat de ten aanzien van een andere belastingplichtige bevoegde inspecteur heeft nagelaten dat dossier aan te (doen) vullen c.q. maken. Dat is het geval indien een wettelijke regeling meebrengt dat (een geheel van) rechtshandelingen, verricht door tot een specifiek afgebakende, beperkte groep van verwanten behorende belastingplichtigen, rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de belastingplicht van tot die groep behorende en bij die rechtshandelingen betrokken verwanten, zodat de inspecteur die deze rechtshandelingen ten aanzien van één van hen heeft onderzocht, gehouden is de resultaten van dat onderzoek te doen opnemen in de (digitale) dossiers van die verwanten.Een dergelijk geval doet zich in deze zaak niet voor.\n\n4.29.. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert. Het nieuwe feit volgt uit de informatie die de inspecteur van belanghebbende heeft verkregen nadat de inspecteur op 16 januari 2019 belanghebbende heeft medegedeeld dat hij haar belastingplicht wil onderzoeken en belanghebbende om informatie heeft verzocht.\n\n4.30.. Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat de inspecteur niet voortvarend genoeg heeft gehandeld met het opleggen van de navorderingsaanslag en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2013. Het voortvarendheidsvereiste geldt echter alleen voor navorderingsaanslagen die met toepassing van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn opgelegd. Dat is in deze zaak niet het geval.\n\n4.30.. Gelet op het voorgaande beschikt de inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en is de inspecteur niet te laat geweest met navorderen.\n\n3. Is sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel?\n\n4.31.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De inspecteur kon de dividenduitkering afleiden uit de vermogensvergelijking bij het boekenonderzoek dat heeft plaatsgevonden bij [B.V. 1] . Doordat de inspecteur de dividenduitkering al tijdens het boekenonderzoek heeft kunnen detecteren, en daar verder geen vragen over heeft gesteld, moet dit als een impliciete standpuntbepaling worden gezien. De inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.\n\n4.32.. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Als regel heeft te gelden dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een of meer andere belastingplichtigen. Dit is echter anders indien dat optreden heeft plaatsgevonden op een zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden dat de belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat dit ook bedoeld was om te gelden in zijn situatie.Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake. Uit de enkele omstandigheid dat in de post ‘niet aftrekbare bedragen’ in de vermogensvergelijking van de dochtermaatschappij het dividend van € 19.000.000 is begrepen en de inspecteur van de dochtermaatschappij daar geen nader onderzoek naar heeft gedaan, volgt niet dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb niet van toepassing is en de dividenduitkering niet belastbaar is.\n\nTussenconclusie\n\n4.33.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep ongegrond.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.34.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nverklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Richtlijn 2011\u002F96\u002FEU van de Raad van 30 november 2011.\n\n Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 3, p. 8.\n\n Zie r.o. 5.2.3. van de arresten van 18 juli 2025.\n\n Het dividend zou bij [naam aandeelhouder] op grond van artikel 7.5. Wet IB 2001 als regulier AB-voordeel worden belast tegen het in 2014 geldende aanmerkelijkbelang-tarief van 25% (tot € 250.000 22%). Nederland mag de dividenduitkering op grond van het belastingverdrag met België echter maar met maximaal 15% belasten (artikel 10, lid, 2, letter b, van het Verdrag).\n\n Kamerstukken II 2011\u002F12, 33 003, nr. 10, p. 94, in samenhang gelezen met Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 58 en 59.\n\n Vergelijk HR 14 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0829.\n\n HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, r.o. 2.5.2.\n\n Vergelijk de arresten van 25 april 2025, r.o. 4.6.3.\n\n Vergelijk Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 59.\n\n Vergelijk de arresten van 25 april 2025, r.o. 4.5.2\n\n Zie r.o. 5.4.4. van de arresten van 18 juli 2025 en de onderdelen 5.16 tot en met 5.18 van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wattel.\n\n Zie r.o. 5.4.4. van de arresten van 18 juli 2025 en onderdeel 5.18 van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wattel.\n\n Vergelijk Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1343, r.o. 5.2.1.\n\n Hoge Raad 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1508, r.o. 3.2.\n\n ECLI:NL:HR:2013:717.\n\n Hoge Raad 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213, r.o. 3.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1277","2026-07-13T00:29:25.888Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":107,"fullText":108,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":64,"updatedAt":110},"869","ECLI:NL:GHSHE:2026:809","ecli-nl-ghshe-2026-809","2026-03-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 23\u002F1580 en 23\u002F1854\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] A.G.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 oktober 2023, nummers BRE 20\u002F7289 en 21\u002F1054, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over het jaar 2016 respectievelijk 2017 en 2018.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft telkens bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.\n\n1.5.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [persoon] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .\n\nOp deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 23\u002F1579, 23\u002F1593 tot en met 23\u002F1598 en 23\u002F1600.\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.7.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op 7 januari 2011 naar het recht van [plaats 1] opgericht en statutair in [plaats 1] gevestigd.\n\n2.2.. In het handelsregister van [plaats 1] (het Offenlichtkeitsregister) staan als bestuurder van belanghebbende ingeschreven [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), welke is gevestigd in [plaats 1] , vanaf de oprichting, en [bestuurder] , woonachtig in Zwitserland, vanaf 10 februari 2017 tot en met 31 december 2018. Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door [naam 3] , woonachtig in Zwitserland.\n\n2.3.. Tot de stukken van het dossier behoort het “Mandatsvertrag” tussen [naam 3] en [bedrijf 1] , voorzien van een handtekening en datum 7 januari 2011 bij de partij [naam 3] . In artikel 11 van het Mandatsvertrag is vastgelegd dat [naam 2] een volmacht zal krijgen om overeenkomsten te ondertekenen, bancaire aangelegenheden uit te voeren, opdrachten te geven, financieringen aan te gaan en aandelen en obligaties en andere waardepapieren te kopen en te verkopen. In 2011 en 2012 heeft [naam 2] van deze volmacht gebruik gemaakt.\n\n2.4.. \n\nBij brief van 20 februari 2017 heeft de inspecteur belanghebbende, ter attentie van [naam 2] , verzocht om informatie omdat volgens hem uit de door de FIOD inbeslaggenomen gegevens betreffende de jaren 2011 en 2012 blijkt dat de feitelijke leiding van belanghebbende door [naam 2] wordt uitgeoefend. In de brief heeft de inspecteur belanghebbende gevraagd de volgende gegevens te verstrekken:\n\n1. Een schema van de vennootschappelijke structuur van belanghebbende, waarin haar (economische) aandeelhouder(s) is of zijn vermeld en ook de vennootschappen, waarvan belanghebbende - al dan niet middellijk - meer dan 1\u002F3 van de geplaatste aandelen bezit, en waaruit tevens de aandeelhoudersrelatie tussen die (rechts)personen blijken;\n\n2. Een overzicht van de lichamen, waarmee belanghebbende is verbonden als bedoeld in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en een opgave van de transacties tussen deze lichamen en de in Nederland gevestigde vennootschappen, die zijn vermeld in het onder punt 1 hiervoor genoemde schema;\n\n3. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende van het meest recente boekjaar en van drie hieraan voorafgaande boekjaren;\n\n4. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen over 2015 en 2016.\n\n2.5.. Bij brieven van 14 april 2017 heeft de gemachtigde namens [naam 2] en belanghebbende geantwoord dat de informatie niet zal worden verstrekt omdat [naam 2] geen bestuurder van belanghebbende is en belanghebbende fiscaal gevestigd is in [plaats 1] .\n\n2.6.. \n\nBij brief van 21 juni 2017 heeft de inspecteur een opsomming van e-mailberichten gegeven waaruit volgens hem blijkt dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting en heeft belanghebbende verzocht de volgende gegevens te verstrekken, die volgens de inspecteur van belang zouden kunnen zijn voor het vormen van een oordeel over de mogelijke belastingplicht van belanghebbende in Nederland:\n\n1. Alle correspondentie (inclusief emailberichten) van en over belanghebbende tussen (medewerkers van) [bedrijf 1] , de [bank] , en de heer [naam 2] of de heer [naam 4] of medewerkers van de [naam 2] -groep, die namens deze heren corresponderen (zoals bijvoorbeeld de in het overzicht van de e-mails genoemde mevr. [naam 5] );\n\n2. Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het emailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihnen den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;\n\n3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;\n\n4. Alle bankafschriften van belanghebbende vanaf de oprichting tot heden;\n\n5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2011 tot en met het meest recente boekjaar waarvan de jaarrekening is opgemaakt;\n\n6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2011 tot en met 2015.\n\n2.7.. Op 12 november 2018 hebben de fiscale autoriteiten in [plaats 1] informatie verstrekt aan de inspecteur naar aanleiding van een informatieverzoek van 6 augustus 2015. De verstrekte informatie betreft de periode 2011 tot 2013.\n\n2.8.. Op 20 respectievelijk 27 september 2019 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, aangiftebiljetten vennootschapsbelasting 2016, 2017 en 2018 ingediend met (telkens) een belastbaar bedrag van nihil en een belastbare winst van nihil. Belanghebbende heeft in de aangiftebiljetten vermeld: “Geen v.i. in NL. Schriftelijke onderbouwing volgt”.\n\n2.9.. \n\nNaar aanleiding van de ontvangst van deze aangiftebiljetten heeft de inspecteur belanghebbende bij brief van 10 oktober 2019 verzocht de volgende gegevens te verstrekken:\n\n1. Alle correspondentie (inclusief emailberichten) van en over belanghebbende tussen enerzijds (medewerkers van) [bedrijf 1] of de [bank] en anderzijds de heer [naam 2] of de heer [naam 4] of andere medewerkers van de [naam 2] -groep, die namens deze heren corresponderen (zoals bijvoorbeeld de in het overzicht van de e-mails genoemde mevr. [naam 5] ) in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016;\n\n2. A: Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het emailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihnen den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;\n\nB: Voor zover de onder A) bedoelde overeenkomst vóór 31 december 2016 is beëindigd: alle volgende overeenkomsten, die ten grondslag liggen aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;\n\n3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende over de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016;\n\n4. Alle bankafschriften van belanghebbende over 2016;\n\n5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2013 tot en met 2016;\n\n6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2013 tot en met 2016.\n\n2.10.. Nadat belanghebbende bij brief van 16 oktober 2019 heeft aangegeven de gevraagde informatie niet te verstrekken heeft de inspecteur de informatiebeschikking 2016 gegeven. In de informatiebeschikking heeft de inspecteur verzocht de in zijn brief van 10 oktober 2019 genoemde documenten te verstrekken.\n\n2.11.. \n\nBij brief van 17 september 2020 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht mutatis mutandis met betrekking tot de jaren 2017 en 2018 de documenten te verstrekken die hij in zijn brief van 10 oktober 2019 met betrekking tot het jaar 2016 heeft opgevraagd. Het betreft de volgende documenten:\n\n1. Alle correspondentie (inclusief e-mailberichten) in de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 van en over belanghebbende tussen enerzijds (medewerkers van) [bedrijf 1] en anderzijds degene van wie de heer [bedrijf 1] of medewerkers van zijn kantoor instructies ontvangen in verband met de dienstverlening van dit kantoor met betrekking tot belanghebbende (zoals belanghebbende heeft aangegeven in de brief van 16 oktober 2019);\n\n2. A: Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het e-mailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihden den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Het e-mailbericht is opgenomen op bladzijde 32 van de bijlage bij de brief van 20 februari 2017. Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;\n\nB: Voor zover de onder A) bedoelde overeenkomst voor 31 december 2018 is beëindigd: alle volgende overeenkomsten, die ten grondslag liggen aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;\n\n3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] te [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende over de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018;\n\n4. Alle bankafschriften van belanghebbende over 2017 en 2018;\n\n5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2016 tot en met 2018;\n\n6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2016 tot en met 2018.\n\n2.12.. Omdat belanghebbende de gevraagde informatie niet heeft verstrekt heeft de inspecteur de informatiebeschikking 2017 en 2018 gegeven. In de informatiebeschikking heeft de inspecteur verzocht de in zijn brief van 17 september 2020 genoemde documenten te verstrekken.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\n1) zijn de informatiebeschikkingen terecht afgegeven, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 47 AWR?\n\n2) is sprake van schending van het verbod op détournement de pouvoir als bedoeld in artikel 3:3 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)?\n\n3) is er sprake van een fishing expedition door de inspecteur?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de informatiebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.4. Gronden\n\nVooraf en ambtshalve\n\n4.1.. \n\nHet hof beoordeelt in de eerste plaats de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de zaak over de informatiebeschikking 2017-2018. Het hof beschikt namelijk uitsluitend over een pro forma hoger beroep inzake de informatiebeschikking 2016.\n\nGemachtigde heeft op verzoek van het hof informatie verstrekt met track & trace codes van zes stukken die op 9 november 2023 bij het hof zijn ingediend en een email van Business Post Limburg BV van 9 november 2023 met een bevestiging daarvan en eveneens bevestigingen van PostNL over de bezorging. Het hof heeft nader intern onderzoek gedaan naar de op 9 november 2023 ingekomen stukken met track & trace codes. Daaruit volgt dat de betreffende 6 enveloppen bij het hof zijn ingekomen. Het hof acht daarom aannemelijk dat deze 6 enveloppen, vier pro forma hoger beroepschriften van [naam 2] en twee pro forma hoger beroepschriften van belanghebbende bevatten en dat een deel daarvan, waaronder het pro forma hoger beroep inzake de informatiebeschikking 2017-2018 bij het hof zijn zoekgeraakt.\n\nHet hof is daarom van oordeel dat het hoger beroep in beide zaken ontvankelijk is.\n\n1) Zijn de informatiebeschikkingen terecht afgegeven?\n\n4.2.. Voor de vraag of de inspecteur de informatiebeschikkingen terecht heeft afgegeven is van belang of de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.\n\n4.3.. \n\nOp grond van het Mandatsvertrag tussen [naam 3] en [bedrijf 1] , is aan [naam 2] een volmacht verleend. Tevens was [naam 2] als enige gemachtigd tot de bankrekening van belanghebbende. In november 2011 is de heer [naam 4] benoemd als lid van de raad van bestuur van belanghebbende, maar uit diverse e-mails (uit 2012 en 2013) (bijlage 7 bij het verweerschrift in eerste aanleg) leidt het hof af dat de heer [naam 4] alle vragen die door [bedrijf 1] worden gesteld, doorspeelt naar [naam 2] die vervolgens beslist wat er moet worden geantwoord of welke acties moeten worden ondernomen. Op grond van deze informatie kon de inspecteur voor die jaren in ieder geval een redelijk vermoeden hebben van mogelijke belastingplicht voor de vennootschapsbelasting in Nederland, omdat de feitelijke leiding van belanghebbende mogelijk in Nederland was gelegen. Overigens wordt door gemachtigde in zijn brief van 7 oktober 2019 aangegeven dat het vermoeden van een vennootschapsbelastingplicht in Nederland door middel van een vaste inrichting gerechtvaardigd lijkt, hetgeen impliceert dat gemachtigde van mening was dat er mogelijk sprake was van buitenlandse belastingplicht.\n\nDe volmacht die aan [naam 2] is verstrekt in het Mandatsvertrag is nimmer ingetrokken. Belanghebbende stelt dat [naam 2] van deze volmacht in de jaren 2016 en verder geen gebruik heeft gemaakt. De inspecteur heeft dit gemotiveerd weersproken en gesteld dat in 2018 nog gebruik is gemaakt van de volmacht. Ter zitting heeft gemachtigde niet kunnen verklaren wie in de latere jaren heeft zorggedragen voor betalingen. Aangezien [naam 2] als enige gemachtigd was tot de bankrekening bij [bank] , is het vermoeden gerechtvaardigd dat [naam 2] dit heeft gedaan. Het hof is dan ook van oordeel dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat ook in de jaren 2016 tot en met 2018 het vermoeden bestaat dat de feitelijke leiding van belanghebbende nog steeds bij [naam 2] lag en dat die feitelijke leiding in Nederland werd uitgeoefend. Het feit dat [naam 2] op enig moment (30 januari 2017) naar het buitenland is verhuisd doet daar niet aan af, aangezien vaststaat dat [naam 2] nog zeer regelmatig (iedere maand) in Nederland was om leiding te geven aan zijn bedrijven in Nederland.\n\n2) Is er sprake van détournement de pouvoir?\n\n4.4.. \n\nBelanghebbende stelt dat de inspecteur misbruik maakt van zijn bevoegdheden, omdat de inspecteur zoekt naar informatie die belanghebbende linkt aan [naam 2] , een en ander met het oog op de lopende fiscale en strafrechtelijke procedures.\n\nHet hof verwerpt deze stelling. Er zijn voldoende aanknopingspunten voor een vermoeden van belastingplicht in Nederland. Dat in dat kader ook de positie van [naam 2] in beeld komt, doet daar niet aan af.\n\n3) Is er sprake van een fishing-expedition?\n\n4.5.. Het hof is van oordeel dat er geen sprake van een zogenoemde ‘fishing expedition’ omdat de inspecteur voldoende concrete aanknopingspunten heeft verschaft ten grondslag liggende aan zijn stelling dat er redelijkerwijs heffingsbelang kan zijn. De inspecteur heeft er namelijk terecht op gewezen dat uit de jaarrekening 2016 weliswaar volgt dat een commerciële verlies van 2016 van € 55.193 is geleden, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat het fiscale verlies even groot is.\n\nTussenconclusie\n\n4.6.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.7.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.8.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nbepaalt dat belanghebbende de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie alsnog aan de inspecteur kan verstrekken binnen een termijn vier weken vanaf de dag waarop deze uitspraak is gedaan;\n\nDe uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers T.A. Gladpootjes\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:809","2026-07-13T00:28:52.135Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":115,"fullText":116,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":64,"updatedAt":118},"739","ECLI:NL:GHSHE:2026:183","ecli-nl-ghshe-2026-183","2026-01-28T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F171\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 december 2023, nummer BRE 21\u002F2955 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende was van 29 maart 2006 tot en met 1 december 2017 directeur en enig aandeelhouder van [b.v.] (hierna: de vennootschap). De vennootschap exploiteerde een supermarkt onder de [supermarkt 1] formule.\n\n2.2.. Omdat de vennootschap in een slechte financiële positie verkeerde, heeft belanghebbende in 2012 een bedrag van € 368.263 vanuit zijn privé vermogen naar de vennootschap overgemaakt. Dit bedrag is als schuld in rekening-courant in de jaarrekening van de vennootschap verwerkt. Van deze rekening-courantschuld is geen schriftelijke overeenkomst opgesteld.\n\n2.3.. Eind 2013 wordt voor de exploitatie van de supermarkt overgegaan naar de [supermarkt 2] formule. De rekening-courantschuld aan belanghebbende die op dat moment € 364.808 bedroeg, is op verzoek van [supermarkt 2] omgevormd naar een achtergestelde lening. Met betrekking tot deze lening is op 7 maart 2014 een overeenkomst opgemaakt. Hierin staat, voor zover hier van belang, vermeld:\n\n“Artikel 1 Schuldomzetting\n\n1. Schuldeiser doet hierbij, doch met ingang van 31 december 2013 ten aanzien van het hierna te noemen bedrag afstand van haar rekening courant vordering op Schuldenaar.\n\n2. De rekening courant schuld van Schuldenaar aan Schuldeiser wordt per gelijke datum voor het een bedrag ad € 364.808 (zegge: driehonderdvierenzestigduizend achthonderd en acht euro's) omgezet in een schuld ten titel van geldlening, dat in het hierna volgende zal worden aangeduid als \"de geleende som\", welke geacht wordt per voornoemde datum voor Schuldenaar beschikbaar te zijn.\n\nArtikel 2 Rentevergoeding\n\n1. Over de geleende som, althans over het nog niet afgeloste gedeelte daarvan, is Schuldenaar vanaf de in artikel 1 aangeduide datum aan Schuldeiser een naar tijdsgelang te berekenen jaarlijkse rente van 4 procent verschuldigd.\n\n(…)\n\n4. De rentevergoeding zal pas daadwerkelijk worden uitgekeerd indien het eigen vermogen van de Schuldenaar minimaal € 100.000 bedraagt. Tot die tijd zal de rente bij de lening worden bijgeschreven.\n\n(…)\n\nArtikel 3 Duur en Aflossing van de geleende som\n\n1. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en de geleende som behoeft niet te worden afgelost voordat Schuldeiser teruggave van de geleende som vordert. Partijen zullen alsdan een aflossingsschema overeenkomen.\n\n(…)\n\nArtikel 7 Zekerheden\n\n1. Positieve Pandverklaring: Schuldenaar verbindt zich op eerste afroep van Schuldeiser, tot zekerheid voor de voldoening van de hoofdsom, rente, alle kosten die uit hoofde van deze overeenkomst ten laste van de Schuldenaar komen, en al hetgeen ingevolge de bepalingen dezer akte door de Schuldenaar aan de Schuldeiser verschuldigd is of verschuldigd zal worden, ten behoeve van Schuldeiser bij onderhandse geregistreerde akte een bezitloos pandrecht van zo hoog mogelijke rang te vestigen, op alle thans en in de toekomst tot haar bedrijf behorende bedrijfsinventaris, bedrijfsauto's, overige vaste bedrijfsmiddelen en voorraden. Schuldenaar zal tevens bij geregistreerde onderhandse akte ten behoeve van Schuldeiser een stil pandrecht vestigen op alle inventaris, voorraden en huidige en toekomstige vorderingen op (handels)debiteuren.”.\n\n2.4.. Ultimo 2016 had de vennootschap in de vorm van een achtergestelde lening een schuld ter grootte van € 387.380 aan belanghebbende. Aanvullend had de vennootschap dat moment een rekening-courantvordering op belanghebbende ter grootte van € 67.754, resulterend onder verrekening in een netto schuldpositie van € 319.626.2.5.. Per 1 januari 2017 heeft de vennootschap de onderneming overgedragen aan belanghebbende. Belanghebbende heeft de onderneming voortgezet in de vorm van een eenmanszaak. Met betrekking tot deze overdracht is op 16 mei 2017 een akte van bedrijfsoverdracht overeengekomen. De akte vermeldt, onder meer, het volgende:\n\n“Artikel 7. Betaling\n\nKoper en verkoper van zijn overgekomen dat verkoper de in artikel 6 genoemde koopsom schuldig zal blijven. Over de aflossing, zekerheid en de te vergoeden rente zullen nadere afspraken worden gemaakt.”.\n\n2.6.. De verkoopprijs van de onderneming bedroeg € 438.337 negatief. De vennootschap is deze verkoopprijs aan belanghebbende schuldig gebleven. Dit bedrag, vermeerderd met een bedrag van € 6.793 aan rente, dus totaal € 445.170, staat als vordering op de balans van de eenmanszaak en als schuld op de balans van de vennootschap. In dit bedrag is verdisconteerd het bedrag van € 387.380 (zie 2.4). Blijkens de overnamebalans per 1 januari 2017 is het bedrag van € 445.170 als volgt tot stand gekomen:\n\nActiva\n\nPassiva\n\nImmateriële vaste activa\n\nKortlopende schulden\n\nGoodwill\n\n- 518.000\n\nSchulden aan kredietinstellingen\n\n- 142.266\n\nVoorfinanciering [supermarkt 2]\n\n- 70.750\n\nRenteloze lening [supermarkt 2] I\n\n- 40.600\n\nMateriele vaste activa\n\nRenteloze lening [supermarkt 2] II\n\n- 45.940\n\nAfbouw\n\n- 122.094\n\nRenteloze lening [supermarkt 2] III\n\n- 146.584\n\nInventaris\n\n- 32.885\n\nLening aandeelhouder\n\n- 319.626\n\nCrediteuren\n\n- 690.808\n\nFinanciële vaste activa\n\nTe betalen loonbelasting\n\n- 24.444\n\nInleggeld [supermarkt 2]\n\n- 5.000\n\nOverige schulden\n\n- 30.322\n\nWaarborgsom huur\n\n- 14.652\n\nKredietspaarrekening [supermarkt 2]\n\n- 114.950\n\nVlottende activa\n\nVoorraden\n\n- 200.391\n\nKortlopende vorderingen\n\nVordering omzetbelasting\n\n- 7.632\n\nDebiteuren\n\n- 10.087\n\nRekening-courant directie\n\n0\n\nOverige vorderingen\n\n- 28.927\n\nliquide middelen\n\nliquide middelen\n\n- 718\n\nOverige liquide middelen\n\n- 10.294\n\nTotaal activa\n\n- 1.066.170\n\nTotaal passiva\n\n- 1.511.340\n\nKoopsom onderneming: - € 445.1702.7.. De vennootschap is per 1 december 2017 geliquideerd.\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 384.404 negatief. Het verlies uit onderneming wordt veroorzaakt door de afwaardering van de vordering op de vennootschap ter grootte van € 445.170. Onder vermindering van de MKB-vrijstelling van 14% wordt in de aangifte ter zake van deze onïnbare vordering opgenomen een aftrekpost van € 391.415. Het verlies uit aanmerkelijk belang in de aangifte bedraagt € 18.000 negatief.\n\n2.9.. Bij het vaststellen van de aanslag IB\u002FPVV voor 2017 is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij is de afwaardering van de vordering in box 1 geschrapt. Het verlies uit aanmerkelijk belang is verhoogd met het bedrag aan afwaardering van de verstrekte lening. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.011 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 337.626 negatief. Het bedrag van € 337.626 is het saldo van de vordering van belanghebbende op de vennootschap ter grootte van € 387.380, verminderd met de rekening-courant schuld van belanghebbende aan de vennootschap (€ 67.754) en vermeerderd met het bedrag aan gestort kapitaal (€ 18.000). Tevens is bij beschikking € 378 belastingrente in rekening gebracht. Het verzamelinkomen bedraagt € 312.615 negatief.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nIn geschil is het antwoord op de vraag of de vordering van € 445.170 (zie 2.6) onder zakelijke voorwaarden tot stand is gekomen. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:\n\ni) Kan de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering ten laste van het resultaat voor de winst uit onderneming van belanghebbende worden gebracht?\n\nii) Kan de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende worden gebracht?\n\niii) Kan van de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering het bedrag € 319.626 ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende worden gebracht?\n\niv) Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel?\n\n3.2.. \n\nBelanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair het belastbaar inkomen uit\n\nwerk en woning over het jaar 2017 vast te stellen op € 366.404 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 18.000 negatief (conform de ingediende\n\naangifte), resulterend in een verzamelinkomen van € 384.404 negatief. Subsidiair concludeert belanghebbende het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 366.739 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 18.000 negatief, resulterend in een verzamelinkomen van € 384.739. Meer subsidiair concludeert belanghebbende het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 256.260 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 143.544 negatief, resulterend in een verzamelinkomen van € 399.804 negatief. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende bij het verstrekken van de lening een onzakelijk debiteurenrisico is aangegaan, oftewel of de lening onzakelijk is, gelden de volgende uitgangspunten.Een afwaarderingsverlies ter zake van een vordering komt niet voor aftrek in aanmerking wanneer sprake is van een onzakelijke lening. Hiervan is sprake indien een aandeelhouder van een vennootschap aan die vennootschap een geldlening verstrekt en daarbij een debiteurenrisico aanvaardt dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente. Indien geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, zonder dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening daardoor in wezen winstdelend zou worden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de crediteur een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. In dat geval moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de crediteur dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht.\n\n4.2.. De vraag of sprake is van een onzakelijke lening dient beoordeeld te worden naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden.\n\n4.3.. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende een geldlening heeft verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.\n\n4.4.. Het voorgaande heeft ook betrekking op geldleningen, die door de aandeelhouder aan diens vennootschap zijn verstrekt en waarop de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en letter a, Wet IB 2001 van toepassing is.\n\nTen aanzien van vraag i.\n\n4.5.. Belanghebbende betoogt primair dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een onzakelijke lening waardoor het afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht. Hij voert onder meer aan dat de rechtbank voorbij gaat aan het feit dat de vordering een resultante is van een zakelijke bedrijfsoverdracht. Ten tweede gaat volgens belanghebbende de rechtbank voorbij aan het feit dat de door de rechtbank genoemde ‘lening 2’schriftelijk is vastgelegd in de overeenkomst van 16 mei 2017 (akte van bedrijfsoverdracht). Belanghebbende erkent dat er ten aanzien van deze lening geen separate overeenkomst van geldlening is opgesteld, maar meende dat dit voldoende was benoemd in de overeenkomst van 16 mei 2017.\n\n4.6.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de afwaardering van de vordering op de vennootschap ten bedrage van € 445.170 niet ten laste van de winst uit onderneming, dan wel het resultaat overige werkzaamheden kan worden gebracht, omdat de lening onder zodanige voorwaarden en omstandigheden is verstrekt dat daarmee een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. De lening is volgens de inspecteur reeds vanaf de verstrekking ervan in 2017 onzakelijk.\n\n4.7.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat belanghebbende een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, en overweegt daartoe het volgende.\n\n4.8.. Belanghebbende is bij de aankoop van de onderneming akkoord gegaan met de voorwaarde dat de verkoper, de vennootschap, de (negatieve) koopsom schuldig zal blijven. Anders dan in artikel 7 van de akte van bedrijfsoverdracht staat vermeld (zie 2.5), zijn partijen niets overeengekomen over de aflossing, zekerheid en de te vergoeden rente. Uit de overnamebalans per 1 januari 2017 (zie 2.6) volgt dat de vennootschap op 1 januari 2017 een significant negatief eigen vermogen heeft. Ook de balans van de vennootschap na overdracht van de onderneming toont een negatief eigen vermogen. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de vennootschap ten tijde van het ontstaan van de vordering op de vennootschap ten bedrage van € 445.170 weliswaar de intentie had om de schuld af te lossen, maar dat de vennootschap op dat moment geen ondernemingsactiviteiten uitoefende of voornemens was uit te gaan oefenen, op basis waarvan vermogen kon worden gegenereerd waarmee de schuld kon worden afgelost. Op basis hiervan moet het belanghebbende ten tijde van de overdracht van de onderneming duidelijk zijn geweest dat de schuld ten bedrage van € 445.170 niet door de vennootschap kon en ook niet zou worden voldaan.\n\n4.9.. Een onafhankelijke derde die de vennootschap gelden zou lenen, zou er in zo’n geval niet mee instemmen dat geen zekerheden worden gesteld en geen aflossingsschema wordt overeengekomen. Belanghebbende heeft alsdan een debiteurenrisico gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Onder de gegeven omstandigheden – met name het significante negatieve eigen vermogen van de vennootschap in combinatie met het ontbreken van zekerheden en een aflossingsschema, en het ontbreken van een voornemen om nieuwe activiteiten te starten –concludeert het hof dat de kans op terugbetaling van de lening zeer gering was, en zou een zakelijk handelende derde naar het oordeel van het hof een dergelijke lening niet zijn aangegaan. Er is dus sprake van een onzakelijke lening, zodat het onderhavige afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht. Ook als er van uit moet worden gegaan dat de koopsom zelf onder zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen, treft dat geen doel. Niet van belang is of de koopsom op zakelijke gronden tot stand is gekomen, maar of de lening voortvloeiende uit het schuldig blijven van de koopsom onder zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen. Vraag i moet ontkennend worden beantwoord.\n\nTen aanzien van vragen ii en iii.\n\n4.10.. \n\nSubsidiair betoogt belanghebbende dat de vordering ten bedrage van € 445.170 uit twee verschillende leningen bestaat, te weten een deellening ter grootte van € 319.626\n\nen een deellening ter grootte van € 125.544. De deellening van € 319.626 is gelijk aan de ultimo 2016 bestaande netto schuldverhouding van de vennootschap aan belanghebbende en maakt onderdeel uit van de koopsom. De deellening van € 125.544 houdt verband met de schuldig gebleven koopsom ter zake van de overdracht van de onderneming. Naar de mening van belanghebbende vormt de afwaardering van deze twee deelleningen een verlies dat in mindering kan worden gebracht op het resultaat overige werkzaamheden. Meer subsidiair betoogt belanghebbende dat in ieder geval de afwaardering van de deellening van € 319.626 een verlies vormt dat in mindering kan worden gebracht op het resultaat overige werkzaamheden.\n\n4.11.. Het hof stelt vast dat de schuld van de vennootschap aan belanghebbende ten tijde van de overdracht van de onderneming door de vennootschap aan belanghebbende € 387.380 bedroeg. Belanghebbende had nog een rekening-courantschuld aan de vennootschap ter grootte van € 67.754 zodat het totaalbedrag uitkomt op € 319.626. Met de overdracht van de onderneming door de vennootschap aan belanghebbende hebben de hoedanigheid van schuldeiser en die van schuldenaar zich in één persoon, te weten belanghebbende, verenigd. Naar het oordeel van het hof is deze lening daarmee van rechtswege teniet gegaan door vermenging.Van een afwaardering van de vordering ten laste van het resultaat overige werkzaamheden voor het bedrag van € 319.626 door belanghebbende kan reeds hierom geen sprake zijn.\n\n4.12.. De afwaardering van de deellening van € 125.544 kan naar het oordeel van het hof evenmin ten laste van het resultaat overige werkzaamheden worden gebracht op basis van de gronden zoals hiervoor vermeld in rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.9. Vragen ii en iii moeten ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag iv\n\n4.13.. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door de afwaardering van de vordering niet ten laste van de winst of het resultaat te laten komen bij de liquidatie van de vennootschap. Dit geldt temeer nu ter zake van de liquidatie van de vennootschap overleg is geweest tussen de vennootschap en de inspecteur, aldus belanghebbende.\n\n4.14.. Het hof stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast voor een beroep op het vertrouwensbeginsel op belanghebbende rusten. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Belanghebbende heeft zulke toezeggingen, uitlatingen en\u002Fof gedragingen van de zijde van de inspecteur niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve. Vraag iv moet ontkennend worden beantwoord.\n\nGevolgen voor het verzamelinkomen\n\n4.15.. Uit bovenstaande volgt dat belanghebbende de afwaardering van de vordering ter grootte van € 445.170, dan wel de vorderingen ter grootte van € 387.380 en\u002Fof € 125.544 niet ten laste van de winst uit onderneming, dan wel ten laste van het resultaat overige werkzaamheden kan brengen. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op € 25.011.\n\n4.16.. Belanghebbende bepleit in zijn primaire en subsidiaire standpunt tot vaststelling van de aanslag IB\u002FPVV 2017 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 18.000 negatief en meer subsidiair naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 143.544 negatief. De inspecteur heeft aanslag IB\u002FPVV 2017 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 337.626 negatief. Omdat belanghebbende niet in een slechtere positie mag komen dan als hij geen bezwaar of (hoger) beroep ingesteld had, zal het hof het hoger beroep ongegrond verklaren.\n\nTussenconclusie\n\n4.17.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.18.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.19.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, A.M. van Amsterdam en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE.A.D. Dockx J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Zie onder andere HR 9 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1108, HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, HR 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BP8068, HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735 en HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6552.\n\n Zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442.\n\n Zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952.\n\n Volgens de rechtbank is ‘lening 1’ de oude rekening-courantschuld van € 387.380 en is ‘lening 2’ ontstaan bij de overname en als schuld op de balans van de vennootschap blijven staan (zie p-v).\n\n Artikel 6:161, lid 1, Burgerlijk Wetboek.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1069 en ECLI:NL:HR:2021:439.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:183","2026-07-13T00:28:45.863Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":64,"updatedAt":126},"1364","ECLI:NL:GHSHE:2024:4081","ecli-nl-ghshe-2024-4081","2024-12-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2285 tot en met 22\u002F2291\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 2] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6587 t\u002Fm BRE 18\u002F6591, BRE 18\u002F6593 en BRE 18\u002F6594 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van haar partner, en haar gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, haar partner en haar gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en haar partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. De partner heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. De partner verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde de partner de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat de partner verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. De partner hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . [B Ltd] hield via [C Ltd] , [E Ltd] en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voerden gezamenlijk de directie over [G Ltd] . De partner is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende haar werkzaamheden als IT-consultant zelfstandig en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van haar in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft haar IT-werkzaamheden tot en met het jaar 2012 verricht voor [bank] . Vanaf het jaar 2013 verrichtte zij haar werkzaamheden uitsluitend voor [H BV] . Voormelde werkzaamheden heeft zij verricht via tussenkomst van een bemiddelaar. Tot eind 2008 was dit [I] en daarna achtereenvolgens [J] en [K] .\n\n2.7.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Vanaf het jaar 2013 heeft belanghebbende voormelde werkzaamheden via [L Ltd] verricht. Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland voor inkomen uit werk & woning vanaf 1\u002F10\u002F2013. i.v.m. onroerend goed in Nederland ( [adres 1] , [postcode] [plaats 2] ) is aangifte ingediend voor 2014 en zal aangifte plaatsvinden voor 2015.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoegd voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner (…) d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen] te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier , [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst 1st December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] Creditcard\n\n [rekeningnummer 1]\n\n [nummer]\n\nING Betaalrekening [de partner] en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Betaalrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 3]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nCotes-D'Armor Frankrijk [belanghebbende] en\u002Fof [de partner]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas\n\naangevraagd.\n\nING Beleggings Hypotheek\n\n [rekeningnummer 5]\n\nNVT\n\nWestland Utrecht Garantie Fonds\n\n [rekeningnummer 6]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet - [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\na. Zie kopie hypotheekakte voor huis [adres 1] , [postcode] [plaats 2] op naam van [belanghebbende], 19\u002F10\u002F2001.\n\nb. ING Beleggershypotheek: [Bel. hypotheek nummer 1] was voorheen [Bel. hypotheek nummer 2] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\nc. ING Aflossingsvrije Hypotheek [Afl. hypotheeknummer 1] was voorheen [Afl. hypotheeknummer 2] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\nd. ING Aflossingsvrije Hypotheek [Afl. hypotheeknummer 3] was voorheen [Afl. hypotheeknummer 4] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\ne. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nf. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 1] )\n\ng. Nationale Nederlanden – pensioen beleggingsverzekering ( [werkgever] werkgever) (polis: [polisnummer 2] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend.\n\nh. Huis [adres 1] , [postcode] [plaats 2] staat op naam [belanghebbende]\n\ni. Zie huurovereenkomst mevr. [persoon 1] periode 1\u002F11\u002F2013 – 1\u002F07\u002F2015 opgesteld door [makelaar] .\n\nj. Zie huurovereenkomst mevr. [persoon 2] periode 1\u002F8\u002F2015 – heden, opgesteld door [makelaar] .\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015.\n\nk. Huurcontract mevr. [persoon 1] - periode 1\u002F11\u002F2013 – 1\u002F07\u002F2015. Huur ontvangen 2013 – € 4.350, 2014 – €17.400, 2015 – €5.852. Schuld achterstand\u002Fvordering bestaat nog van €6.292 voor periode 2015 zoals bepaald door gerechtelijk uitspraak. Deurwaarder procedure loopt.\n\nI. Huurcontract [persoon 2] – periode 1\u002F8\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015. Huur ontvangen € 6.750\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 – 2015.\n\nm. [belanghebbende] was niet belastingplichting in periode 01\u002F01\u002F2010 – 30\u002F09\u002F2013 in [woonplaats] maar in Nederland.\n\nn. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n\"Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.\"\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:\n\n3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 20031268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht.[1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht.[2] Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt.[3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:\n\n2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n‘Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.’\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3 Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak).\n\n3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen die u hebt verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n7. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] .\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n10. Kopie notariële akten betreffende de lening(en) verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een\n\naandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen.\n\nU hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\nde aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\nde genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\nde genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\nBent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s)\n\n(geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899. ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\nA. U geeft aan op pagina 3: \"Mogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, gelet op het feit dat ik niet meer in Nederland woon (niet binnenlands belastingplichtig) per 1\u002F10\u002F2013.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 6) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit zou derhalve mijn inziens onredelijk zijn mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 3 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben.\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund A. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nB. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 3,4, 8, etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Gelet op Bl., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 3,4) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).\"U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n5. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welk uw standpunt onderbouwd. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n6. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt daadwerklijk van toepassing kunnen zijn op u standpunt. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n7. Op pagina 4 geeft u aan \"!k wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijk.\"Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek om zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld B1, B2, B3, B4).\n\n8. Gelet op B1 t\u002Fm B7 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunt genoemd in A.\n\nC. Gelet op punt A. 4. & B.8, zijn al u vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n4. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011- 2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B1 t\u002Fm B4,\n\n5. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 & B4 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3& B4 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n7. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B5 & B6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n8. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie B1 t\u002Fm B4\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n10. Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Nee.\n\n12. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven\n\n• Nee’\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. In mijn brief van 8 september 2016 heb ik aangegeven dat het mogelijk is dat u na liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen heeft ontvangen die voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking. U reageert daar als volgt op.\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\nDerhalve is uw standpunt niet relevant, gelet op het feit dat ik niet meer in Nederland woon (niet binnenlands belastingplichtig) per 1\u002F10\u002F2013.\"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw\n\nstandpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoe om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 6) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannemelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannemelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit zou derhalve mijn inziens onredelijk zijn mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 3- alle bankrekening mutaties na 3019\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben.\"\n\n4. “Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund A. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat op basis van artikel 47 AWR u gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nOnder B en C merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers. Ik herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] Is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 10, 11 en 12 (ab vraag). Ik heb informatie ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 12 (ab vraag).\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n- 1 november 2016;\n\n- 3 november 2016;\n\n- 14 november 2016;\n\n- 15 november 2016; of\n\n- 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n7. Kopieën van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever ING ).\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n10. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n12. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n“Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [de partner] en [belanghebbende] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [de partner] en [belanghebbende] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van [de partner] en\u002Fof [belanghebbende].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [de partner] en [belanghebbende] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [de partner] en [belanghebbende].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 20 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, de partner en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [de partner] and [belanghebbende] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [de partner] and possibly [belanghebbende] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [de partner] and [belanghebbende] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [de partner] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[Belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, PKF BBA Limited en het Companies Registry at the [woonplaats] Financial Services Commission.\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 9 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van haar beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van haar genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’ en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op haar emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet zij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of zij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en zij daarmee niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )”,\n\n“4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015”,\n\n“5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris”\n\n“6. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen”\n\n“7. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa”\n\n“8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ”\n\n“9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.12.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst.\n\n4.12.3.. Wat betreft de stelling dat de door de inspecteur verzochte kopieën van de mutaties van belanghebbendes American Expresskaart voor de jaren 2011 tot en met 2015 (vraag 4) reeds zijn aangeleverd, kan de rechtbank haar niet volgen. In haar brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende op dit verzoek geantwoord dat gelet op haar inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing (zie 2.11). Verder is het de rechtbank ook uit de gedingstukken niet gebleken dat deze kopieën zijn overgelegd. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.\n\n4.22.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.23.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 haar consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat zij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat zij (of haar partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.24.. Het hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat zij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] ., over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Belanghebbende zou normaliter over deze gegevens hebben moeten beschikken dan wel zouden deze gegevens in de administratie van de vennootschappen aanwezig moeten zijn. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [F Ltd] . (vragen 7 en 8) en de dividendstromen en overige voordelen en toezeggingen binnen de structuur (vragen 5 en 6) en de wijze van vereffening van het vermogen van de geliquideerde vennootschappen (vraag 9).\n\n4.25.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van haar redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, haar werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat zij niet beschikte over een American Expresskaart in de periode 2011 tot en met 2015 en reeds daarom de verzochte gegevens niet heeft kunnen overleggen. In haar brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op haar inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven.\n\n4.27. Gelet op het voorgaande is van een fishing expedition door de inspecteur geen sprake en zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee zij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.28.. Vraag d moet bevestigend worden beantwoord.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.29.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.30.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.31.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.32.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.33.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.34.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.35.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.36.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.37.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.38.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.39.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.40.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.41.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.42.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.43.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.44.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.45.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.46.. Uit de slotzin van de onder 4.45 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.47.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.48.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.49.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.50.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.51.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.52.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.53.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.54.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.55.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.56.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.57.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.58.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.59.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.60.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\nen een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4081","2026-07-13T00:29:18.069Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":123,"fullText":131,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":64,"updatedAt":133},"1384","ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","ecli-nl-ghshe-2024-4082","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2292 tot en met 22\u002F2297\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6597 t\u002Fm BRE 18\u002F6602, en BRE 18\u002F6604 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn partner, en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, zijn partner en zijn gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en zijn partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. Belanghebbende heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. Belanghebbende verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde belanghebbende de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat belanghebbende verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. Belanghebbende hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . . [B Ltd] . hield via [C Ltd] , [E Ltd] . en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voeren gezamenlijk de directie over [G Ltd] . Belanghebbende is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant als zelfstandige - in de vorm van een eenmanszaak via tussenkomst van een bemiddelaar, [J] BV - en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van zijn in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming. Vanaf oktober 2007 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant voor [H BV] .\n\n2.6.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten, via tussenkomst van [J] BV, gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd.\n\n2.7.. Vanaf 1 oktober 2013 verricht belanghebbende zijn werkzaamheden voor [H] , via [Q BV] , door middel van tussenkomst van [L Ltd] . Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland vanaf 1\u002F10\u002F2013.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoed voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor het jaar 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner () d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen]\n\n te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier, [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst V December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] ING Creditcard\n\n [rekeningnummer 11]\n\n [bankkaartnummer]\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] en\u002Fof de partner\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Profijt rekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 11]\n\nNVT\n\nING beleggingsrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 12]\n\nNVT\n\nABN-AMRO Direct beleggen & eurostyle rekening [kind]\n\n [rekeningnummer 13]\n\n??\n\nCotes-d’Armor Frankrijk de partner en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas aangevraagd.\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 14]\n\nNVT\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 15]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\nPAYPAL [L] .nl\n\n [rekeningnummer 16]\n\nNVT\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\nA. Zie kopie hypotheekakte voor huis in Frankrijk ( [naam] ) van notaires [notaris] op naam van [belanghebbende], 17\u002F10\u002F2008.\n\nB. ING Lineaire hypotheek: [lineaire hypotheeknummer] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012. Het nieuwe nummer werd: [huypotheeknummer] .\n\nC. ING aflossingsvrij hypotheek [Afl. hypotheeknummer 5] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012.\n\nD. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nA. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 3] )\n\nB. Atos pensioenfonds (relatienummer: [relatienummer] )\n\nC. Centraal beheer (polisnummer: [polisnummer 4] )\n\nD. ABP (klantnummer [klantnummer] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend. Niet van toepassing geweest.\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015. Niet van toepassing geweest.\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 — 2015.\n\nA. [Belanghebbende] was niet belastingplichting in [woonplaats] in de periode 01\u002F01\u002F2010 —30\u002F09\u002F2013 maar in Nederland.\n\nB. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens vanaf 30\u002F09\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n‘Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht. [1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht. [2]. Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt. [3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 7.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is de volgende bepaling opgenomen:\n\n“Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:\n\na. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland;\n\nb. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en\n\nc. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland.\"\n\nIn artikel 7.2 Wet IB is dit nader uitgewerkt:\n\n\"1.Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3 en verminderd, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6.2., 6.2a en 6.31, met uitgaven voor monumentenpanden.\n\n2. Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:\n\na.de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in de\n\nartikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt\n\ngedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in\n\nNederland (Nederlandse onderneming);...”\n\nUit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse\n\ntussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n\"Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.\"\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd]\n\n ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van\n\n2008 ad € 100.000,= en 2009 ad € 12.000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld. 16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum\n\noprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd]\n\n en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met\n\nkopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Kopie notariële akten lening verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een aandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen. U hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\n- de aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Op pagina 3 geeft uw aan:\" Uit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse tussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht\".Vervolgens geeft u uitleg over al hetgeen dat onder loon kan worden verstaan.\n\n1. Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht\" maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en om de work\u002Fhealth balance van medewerkers te ondersteunen.\n\n2. Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\n\n3. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n4. U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een\n\nderdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n5. Op basis van punten A.1., A.2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\n\nB. U geeft aan op pagina 4: \"Mogelijk hebt u no liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelenontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking\".\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund B. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nC. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven welke wetten of rechtelijke uitspraken (\"Theoretisch kaderheffingsbelang') volgens u van toepassing zijn (\"theoretisch kader toegepast op uw situatie\") voor elk standpunt dat u aandraagt (zie hierboven A. & B.). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Specifieker aan te geven welke vragen volgens u corresponderen met elk standpunt die u aandraagt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 4, 7, 11, 12, 13, 14,15 etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Gelet op C3., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n5. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 4, 8, 17) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n6. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).' U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n7. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welke uw standpunten onderbouwen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven.. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n8. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt om u standpunt te onderbouwen daadwerklijk van toepassing kunnen zijn. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n9. Op pagina 4 geeft u aan \"Ik wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, foxen, facturen endergelijk.' Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek omzo uitgebreid mogelijkte beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy)b die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld C3, C4, C5, C6).\n\n10. Gelet op D 1 t\u002Fm D 9 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunten genoemd in A & B.\n\nD. Gelet op punt A. 4., B.4. & C.10, zijn al uw vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n4. Kopie opdrachtbevestigingen en contracten 2008 t\u002Fm heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6 hierboven.\n\n• Opdrachten\u002Fcontracten van [G Ltd] zijn in de brief van 29 augustus 2016 reeds aangeleverd mbt boekenonderzoek [E Ltd] .\n\n5. Consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven.\n\n6. Kopie bankrekeningen mutaties 2013-2015\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5.\n\n• Voor 2013 (tot 30\u002F9\u002F2013) is in mijn vorige brief van 17 mei 2016 de verloopstaten van de Franse bankrekening als bijlage opgenomen.\n\n7. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011-2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6.\n\n8. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5& C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n10. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Zie mijn eerdere brief 17 mei 2016 (leningsoverenkomsten) voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n11. Kopieen onderliggende stukken betreffende de oprichting [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n12. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n13. Kopieen stukken beftreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n14. Onderbouwing van de verkoopprijs aandelen en toelichting hoogte verkoopprijs aandelen in relatie dividend van 2008 & 2009.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van de verkoopprijs aandelen is vermeld.\n\n• Niet relevant zie D3, D4, DS & D6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n16. Is het dividend in 2008 en 2009 ook als lening aan u vestrekt door [E Ltd] ?\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n17. Alle leningsovereenkomsten afgesloten met [E] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode tot 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n18. Kopieen van alle communicatie rente betalingen en afwikkeling leningen met [E Ltd]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n19. Bankafschriften van rentebetalingen leningen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie bijlagen voorde periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n20. Kopieen van alle communicatie van leningen na liquidatiedatum [E Ltd] .\n\n• Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Zie vraag 20.\n\n• Zie vraag 8\n\n22: Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Nee.\n\n24. Aandelen [B]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Niet relevant zie C4 & C5\n\n• Zie bijlage\n\n25. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Nee”\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Met betrekking tot de informatie welke ik heb verkregen uit een derdenonderzoek, waaruit blijkt dat u na opheffing van [G Ltd] op 1 oktober 2013 via dezelfde Nederlandse tussenpersoon bij dezelfde Nederlandse eindopdrachtgever dezelfde consultacywerkzaamheden bent blijven uitvoeren, stelt u het volgende:\n\n1. \"Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en work\u002Fhealth balance balance van medewerkers te ondersteunen.\"\n\nUit mijn informatie blijkt dat u tot 1 oktober 2013 woon-werkverkeer heeft gedeclareerd, welke is onderbouwd als dagelijks reizen naar de werkplek in [plaats 1] . Uit onze informatie blijkt dat uw werkzaamheden ook in [plaats 1] plaats hebben gevonden. Uit verdere informatie is geen wijziging opgetreden ten aanzien van de plaats van tewerkstelling. Ik moet dan verder constateren dat u uw stelling van thuiswerken niet heeft onderbouwd met documentatie, waaruit blijkt dat u vanaf 1 oktober 2013 voor uw werkzaamheden niet langer op de werkplek in [plaats 1] aanwezig hoefde te zijn. Ik verzoek u dan ook uw stelling met documentatie te onderbouwen.\n\n2. \"Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\"\n\nVooralsnog volg ik u in uw stelling dat u vanaf 1 oktober 2013 in [woonplaats] woonachtig bent. Dit laat onverlet dat inkomsten uit werkzaamheden in Nederland na 1 oktober 2013 mogelijk in Nederland belast zijn. Indien deze werkzaamheden door u in [woonplaats] over de jaren 2013 en verder zijn aangegeven, zou dit een nadere onderbouwing kunnen zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden door u in [woonplaats] en de belastbaarheid van deze werkzaamheden in [woonplaats] .\n\n3. “Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\"\n\n4. \"U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een derdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A. 1.\"\n\n5. \"Op basis van punten A. 1., A. 2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat u op basis van artikel 47 AWR gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u hiervoor dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nB. Ten aanzien van de mogelijk ontvangen voordelen voortkomend uit de (voormalige)\n\ndienstbetrekking, heeft u het volgende medegedeeld:\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven. \"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een (voormalige) dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6- alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\"\n\n4. \"Gelet B. 1., B2. & 83., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voorstandpund B. Hierdoorben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk herhaal hetgeen in onder A3, A4 en A5 reeds heb opgemerkt.\n\nOnder C. en D. merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers.\n\nIk herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 22, 23 en 25. Met betrekking tot uw antwoorden op vraag 23 en 25 merk ik op dat ik informatie heb ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 23 en 25.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n 1 november 2016;\n\n 3 november 2016;\n\n 14 november 2016;\n\n 15 november 2016; of\n\n 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstellingen onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad € 100.000,= en 2009 ad 12 000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld.\n\n16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle leningovereenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de\n\nverwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nHierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten:\n\nKopie letter of wishes, overeenkomst 'success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie.\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner [de echtgenote] op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [belanghebbende] en [de partner] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [belanghebbende] en [de partner] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van de heer [belanghebbende] en\u002Fof [de partner].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [belanghebbende] en [de partner] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [belanghebbende] en [de partner].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 22 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, [de partner] en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [belanghebbende] and possibly [de partner] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [belanghebbende] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 21 en 24 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van zijn beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van zijn genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op zijn emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet hij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of hij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en hij daarmee niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt’,\n\n‘4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden’,\n\n‘5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende na 1 oktober 2013 (nagenoeg) uitsluitend voor de eindopdrachtgever [H BV] heeft gewerkt. Om die reden wenst hij te onderzoeken of Nederland over de daarmee verband houdende inkomsten mogelijk een heffingsrecht heeft. Gelet hierop kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar het volgende aan toe.\n\n4.22.. Belanghebbende stelt geen consultancywerkzaamheden te hebben verricht als zelfstandige (natuurlijk persoon) na zijn verhuizing. Belanghebbende stelt in dienst te zijn geweest bij een derde, [L Ltd] . Het is geheel onduidelijk welk doel de inspecteur zou hebben om informatie te ontvangen van alle opdrachtgevers hierin, aldus belanghebbende. Als de inspecteur een vermoeden heeft dat er werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden voor een Nederlandse opdrachtgever, dan zouden specifieke vragen over deze desbetreffende Nederlandse opdrachtgever afdoende kunnen zijn en niet die informatie van alle overige niet Nederlandse opdrachtgevers.\n\n4.23.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De inspecteur heeft met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschreden.\n\n‘6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )’,\n\n‘7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015’,,\n\n‘8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris’,\n\n‘9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen’en\n\n‘21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.24.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.13.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.13.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.25.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar met betrekking tot vraag 7 het volgende aan toe.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat hij niet beschikte over een American Expresskaart na 2012 en reeds daarom de verzochte gegevens niet over heeft kunnen leggen. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op zijn inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven. De door belanghebbende overgelegde brief van American Express leidt niet tot een ander oordeel. De brief van American Express bevestigt enkel dat er geen gegevens van belanghebbende bekend zijn ten tijde van de verzending van de brief (14 december 2016). De brief vermeldt tevens dat de gegevens uit het verleden niet meer traceerbaar zijn, zodat de brief in zoverre geen duidelijkheid verschaft over het niet-bestaan van een American Expresskaart in de periode voor 14 december 2016.\n\n‘10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa’,\n\n‘11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ’,\n\n‘12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] )’,\n\n‘13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] ’,\n\n‘14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad €100.000,= en 2009 ad 12 000,=’ en\n\n‘15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld’\n\n4.27.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.14.1. Bij de inspecteur heerst het vermoeden dat belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant begin 2008 in [G Ltd] heeft ingebracht. Dit vermoeden is gebaseerd op de omstandigheid dat belanghebbende dezelfde werkzaamheden, na het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [G Ltd] , via deze vennootschap is blijven verrichten. Omdat belanghebbende zichzelf daarvoor een laag salaris heeft toegekend ten opzichte van de door [G Ltd] behaalde omzet, is een fors deel van de met die werkzaamheden behaalde winst in [G Ltd] achtergebleven, aldus de inspecteur.De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.14.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\n4.14.3.. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. Dat belanghebbende met betrekking tot de vraag over de vermoedelijke inbreng van zijn werkzaamheden in [G Ltd] niet zou begrijpen wat ermee wordt bedoeld, doet hieraan niet af. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 staat vermeld dat hij hierop heeft geantwoord dat hij de verstrekking van die informatie niet relevant acht, onder meer omdat hij in twijfel trekt waarom hij informatie met betrekking tot [G Ltd] dient te verstrekken (zie 2.11). Hieruit volgt dat hij wel degelijk kon begrijpen dat de inspecteur vermoedt dat hij zijn werkzaamheden in [G Ltd] heeft ingebracht. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.28.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt hier het volgende aan toe.\n\n4.29.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.30.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 zijn consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat hij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat hij (of zijn partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.31.. Het Hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat hij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] , over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Deze gegevens zouden aanwezig moeten zijn (geweest) in zijn eigen administratie dan wel in de administratie van de vennootschappen. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [E Ltd] (Cyprus) en [G Ltd] (vragen 10 en 11) en de informatie betreffende de verkoop van [G Ltd] (vragen 13, 14 en 15).\n\n4.32.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, zijn werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk. Van een ‘fishing expedition’ door de inspecteur is geen sprake.\n\n‘16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort,\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen’,\n\n‘17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden’,\n\n‘18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen’,\n\n‘19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland’ en\n\n‘20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland’\n\n4.33.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.15.1. De inspecteur vermoedt dat de door belanghebbende bij [G Ltd] aangegane leningen van ieder € 200.000 slechts dienden om voordelen uit aanmerkelijk belang te verhullen en de aanzienlijke vermogensoverschotten die in [G Ltd] zijn ontstaan onbelast te onttrekken. De inspecteur vermoedt dat in werkelijkheid geen sprake van een terugbetalingsverplichting is geweest (zie 2.3). De inspecteur vermoedt dat in de jaren 2008 en 2009 ook dergelijke gelden bij [G Ltd] zijn geleend en dat daarop evenmin is afgelost.\n\n4.15.2.. De inspecteur kon zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft voormelde vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.34.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken. Hierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten: Kopie letter of wishes, overeenkomst `success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie’\n\n4.35.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.16.1. De inspecteur vermoedt dat het aandelenbelang van belanghebbende in [B Ltd] niet in box 3, maar in box 2 in aanmerking moet worden genomen. Volgens de inspecteur zou sprake kunnen zijn van een indirect aanmerkelijk belang in [G Ltd] , dat vermoedelijk recht geeft op haar volledige waardeontwikkeling en winst. Dit zou kunnen via een side letter of enige andere overeenkomst, waarin staat vermeld dat bijzondere rechten aan het belang in [B Ltd] zijn verbonden, aldus de inspecteur.\n\n4.16.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur gelet op het hiervoor vermelde zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.36.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n4.37.. Gelet op het voorgaande zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee hij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.38.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.39.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.40.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.41.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.42.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.43.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.44.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.45.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.46.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.47.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.48.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.49.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.50.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.51.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.52.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.53.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.54.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.55.. Uit de slotzin van de onder 4.54 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.56.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.57.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.58.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.59.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.61.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor zijn bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.62.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.63.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.64.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.65.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.66.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.67.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.68.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.69.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.70.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","2026-07-13T00:29:19.111Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":123,"fullText":138,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":64,"updatedAt":140},"1385","ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","ecli-nl-ghshe-2024-4083","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2298 tot en met 22\u002F2305\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F7946 t\u002Fm BRE 18\u002F7953 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2013 tot en met 2016 (de informatiebeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, na te noemen belanghebbende 1 en na te noemen belanghebbende 2 en de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 (hierna: belanghebbende 1) en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291(hierna: belanghebbende 2).\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op [oprichtingsdatum] 2013 opgericht naar het recht van [vestigingsplaats] , en heeft de rechtsvorm Limited. Het statutaire adres van belanghebbende bevindt zich op [vestigingsplaats] .\n\n2.2.. De aandelen in belanghebbende werden gehouden door belanghebbende 1 en belanghebbende 2, elk voor 50%. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 voerden gezamenlijk de directie over belanghebbende. Zij waren tevens werknemer van belanghebbende.\n\n2.3.. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit ICT-dienstverlening en projectmanagement. Hiertoe werden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 gedetacheerd. De diensten werden sinds begin 2013 verricht via tussenkomst van [J BV] , [S Ltd] , [T Ltd] en [F Ltd] . De uiteindelijke opdrachtgever van belanghebbende was [H BV] .\n\n2.4.. Vanaf begin 2008 tot oprichting van belanghebbende in 2013 hadden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . In die periode heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende 1 en belanghebbende 2 verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Tot begin 2008 verrichtten belanghebbende 1 en belanghebbende 2 hun werkzaamheden als zelfstandige.\n\n2.5.. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [vestigingsplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [vestigingsplaats] .\n\n2.6.. Met dagtekening 21 maart 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht haar volledige administratie, inclusief e-mailverkeer, over 2013 tot de datum van dagtekening van de brief binnen vier weken na dagtekening over te leggen. Ook heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek.\n\n2.7.. Bij e-mail van 11 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft onder meer betwist dat de werkzaamheden van belanghebbende 1 en belanghebbende 2 na de verhuizing in Nederland hebben plaatsgevonden, dat de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens correct zijn en heeft vermeld dat belanghebbende inzage wenste te krijgen in deze gegevens. De door de inspecteur gevraagde informatie is niet overgelegd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 13 april 2018 heeft de inspecteur gereageerd op belanghebbendes e-mailbericht en heeft hij zijn verzoek om informatie herhaald.\n\n2.9.. Bij e-mail van 24 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd. De gemachtigde heeft onder meer geschreven dat belanghebbende druk doende was om informatie te verzamelen die de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens kunnen weerleggen en heeft verzocht inzage te verstrekken in de gegevens die de inspecteur beweert te hebben ontvangen van derden. Belanghebbende heeft tevens verzocht met inachtneming van nader over te leggen gegevens het vermoeden van een heffingsbelang gemotiveerd te heroverwegen. Verder was volgens de gemachtigde niet duidelijk wat de over te leggen administratie inhoudt. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.10.. Bij brief van 28 mei 2018 heeft de inspecteur een herhaald verzoek om inlichtingen en bescheiden naar belanghebbende verstuurd. In dit verzoek stond onder meer het volgende:\n\n‘U stelt dat onduidelijk is wat administratie inhoudt, nu in [vestigingsplaats] andere administratieve eisen gelden. [Belanghebbende] verzoekt helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting.\n\nAls onderdeel van die administratie beschouw ik onder meer:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2] , inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en -overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die correspondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\nBij deze wil ik u nogmaals in de gelegenheid stellen om te reageren op de brief van 21 maart 2018. Ik geef u de gelegenheid tot 19 juni 2018.’\n\n2.11.. Bij e-mail van 19 juni 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft haar standpunten uit de mail van 24 april 2018 gehandhaafd. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.12.. Bij e-mail van 2 juli 2018 heeft belanghebbende aan de inspecteur een tweetal verklaringen gestuurd van de Comptroller of Taxes van [vestigingsplaats] van 18 januari 2017, ten aanzien van belanghebbende 1 en belanghebbende 2, waarin het volgende is opgenomen:\n\n‘I confirm that you are resident and paying taxes in [vestigingsplaats] for [vestigingsplaats] Income Tax purposes since October 2013.’\n\n2.13.. Op 3 juli 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende de informatiebeschikking gegeven. Deze heeft betrekking op de heffing van omzetbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. De informatiebeschikking vermeldt, voor zover van belang, het volgende:\n\n‘(…)\n\n2. Omvang en tijdstip informatieverzoek\n\nDe inspecteur heeft informatie ontvangen met betrekking tot de vennootschap [belanghebbende]. [Belanghebbende] is een naar het recht van [vestigingsplaats] opgericht lichaam. Bestuurders en aandeelhouders van deze Limited zijn [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2].\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik [belanghebbende] om informatie gevraagd. In de hiervoor genoemde brief heb ik een beschouwing gegeven over het theoretisch kader van het Nederlands heffingsbelang met een verwijzing naar artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268. Daarnaast heb ik in mijn brief het theoretische kader toegepast op de feiten en omstandigheden inzake [belanghebbende]. Ik heb u medegedeeld dat ik informatie heb ontvangen van derden inzake de werkzaamheden in Nederland bij Nederlandse eindopdrachtgevers door de bestuurders van [belanghebbende].\n\nUit informatie die de inspecteur van derden heeft gekregen, valt af te leiden dat [Belanghebbende 2] namens [belanghebbende] werkzaamheden in Nederland heeft uitgevoerd.\n\n[Belanghebbende 1] heeft na zijn formele vertrek naar [vestigingsplaats] namens [belanghebbende] in voortdurendheid werkzaamheden voor een Nederlandse eindopdrachtgever verricht. [Belanghebbende 1] was bij deze eindopdrachtgever voor vertrek naar [vestigingsplaats] ook werkzaam. De plaats van werkzaamheden was op dat moment gelegen in Nederland, waarvoor door [Belanghebbende 1] kosten voor dagelijks woon-werkverkeer is geclaimd. Volgens verkregen informatie van derden zou er bij de werkzaamheden voor deze eindopdrachtgever na vertrek van [Belanghebbende 1] naar [vestigingsplaats] niets zijn veranderd.\n\nOp basis van deze informatie lijkt het aannemelijk dat de feitelijke vestigingsplaats van [belanghebbende] in Nederland is gelegen, danwel dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland of dat er sprake is van een vaste vertegenwoordiging in Nederland. Deze feiten leiden tot een fiscaal Nederlands heffingsbelang bij [belanghebbende]. In redelijkheid heb ik mij daardoor op het standpunt gesteld dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nGevraagde informatie\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik u verzocht om de volledige administratie (inclusief afschriften van alle e-mailverkeer, contracten en overeenkomsten, bankafschriften etc.) van de vennootschap in te zenden over 2013 tot en met heden. Kopie van deze brief heb ik bijgevoegd als bijlage 1.\n\nAls alternatief heb ik [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2], in hun hoedanigheid als bestuurders van [belanghebbende], op grond van artikel 41 AWR, opgeroepen voor een gesprek in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht en ze in de gelegenheid te stellen om de administratie persoonlijk te overhandigen en toe te lichten. In mijn brief heb ik 16 april 2018; 17 april 2018; 23 april 2018; 24 april 2018 en 26 april 2018 als beschikbare datum voorgesteld. Ik heb belanghebbenden gevraagd binnen 2 weken na dagtekening van de brief te reageren op het verzoek om een afspraak te maken en ik heb verzocht binnen 4 weken na dagtekening van de brief de administratie te verstrekken.\n\nUw reactie\n\n(…)\n\nTot slot zou het belanghebbende onduidelijk zijn wat ik onder ‘administratie’ versta. In [vestigingsplaats] zouden andere administratieve eisen worden gesteld dan in Nederland. Belanghebbende verzocht mij helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting, zonder overigens eerst enige documentatie te overleggen. In mijn reactie van 28 mei 2018 heb ik een opsomming gegeven van wat ik ondermeer onder administratie beschouw. Daar ik tot op heden nog geen enkel stuk heb ontvangen zal ik deze opsomming hieronder nogmaals\n\ngeven:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met de heer Belanghebbende 1 en mevrouw Belanghebbende 2, inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en - overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die\n\ncorrespondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\n3. Conclusie\n\nOp dit moment is voldoende dat ik mij, gelet op de bij mij bekende gegevens, op het standpunt kan stellen dat de door mij gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [belanghebbende]. In mijn e-mail van 13 april 2018 heb ik u al medegedeeld dat ik pas kan beoordelen of er sprake is van een reële heffing en tot welke omvang, als ik over alle feiten en omstandigheden beschik.\n\nIk stel vast dat ik de verzochte informatie, genoemd in onderdeel 2, niet heb ontvangen. Daarom ontvangt u bij deze een informatiebeschikking. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 52a van de AWR en wordt aan u afgegeven omdat u ook na herhaalde verzoeken, niet heeft voldaan aan uw informatieverplichtingen van artikel 47 eerste lid letter a en b en artikel 49 van de AWR. Deze informatiebeschikking heeft betrekking op de omzetbelasting en vennootschapsbelasting van het jaar 2013, 2014, 2015 en 2016.\n\nU kunt, naar aanleiding van deze beschikking, ervoor kiezen om alsnog aan de informatieverplichting(en) te voldoen. In dat geval verzoek ik u om spoedig doch binnen 2 weken na dagtekening van deze informatiebeschikking met mij contact op te nemen.\n\n(…)’\n\n2.14.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo (CLO) aan de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [vestigingsplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2. In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n“On 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] officially emigrated to [vestigingsplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [Belanghebbende 1] and possibly [Belanghebbende 2] incorporated [belanghebbende] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA) shows that after 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [Belanghebbende 2] and [Belanghebbende 1] declare the income from these activities in their income tax returns in [vestigingsplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [Belanghebbende 1] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n [belanghebbende]\n\nTo gain insight into the fiscal residence of the company and to determine whether there is a permanent establishment in the Netherlands. In addition, there may be activities by [Belanghebbende 1] and\u002For [Belanghebbende 2] via [belanghebbende], that are subject to income tax in the Netherlands. I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of corporation tax returns and assessments of [belanghebbende] for the years 2013 - (…) 2015.\n\n2. Overview of declared and paid wages tax regarding the years 2013 - 2016.\n\n3. Financial statements of [belanghebbende] regarding the years 2013 - 2015.\n\n4. Copies of invoices sent by [belanghebbende] and a specification of the performed activities\u002Fservices for the years 2013 -2016.”\n\n2.15.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 7 januari 2019 de ‘company tax returns and assessments’ voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [vestigingsplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.16.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 ongegrond verklaard en heeft belanghebbende voorts tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2013 tot en met 2016 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 213 tot en met 2016 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de ten aanzien van haar genomen informatiebeschikking en tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nVraag a. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden.\n\n4.2.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.3.. Vraag a moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag b) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.4.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.5.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.6.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.7.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.9.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte is gehandhaafd.\n\n4.10.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.11.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.12.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, omdat de inspecteur aannemelijk acht dat hij aan de hand van belanghebbendes administratie in staat zal zijn om de subjectieve belastingplicht van belanghebbende vast te stellen en, indien van toepassing, tevens de objectieve belastingplicht van belanghebbende. Tevens meent de inspecteur, aan de hand van de administratie van belanghebbende, te kunnen beoordelen of belanghebbende over de betreffende jaren omzetbelasting is verschuldigd. De omstandigheden op basis waarvan de inspecteur zich op het standpunt heeft gesteld dat hij opheldering wenst te verkrijgen over de belastingplicht van belanghebbende zijn onder meer de volgende:\n\n- Belanghebbende is, voor zover bekend, uitsluitend actief op de Nederlandse markt en heeft uitsluitend Nederlandse afnemers, zoals [H] ;\n\n- De enige bekende werknemers van belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2, hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden, in ieder geval tot september 2013, in Nederland;\n\n- De inspecteur beschikt over aanwijzingen dat de werknemers van belanghebbende ook na september 2013 hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in Nederland verrichtten:\n\n- Ten aanzien van belanghebbende 2 wordt op 3 januari 2017 namens [S Ltd] . verklaard dat zij haar werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] uitsluitend in Nederland verricht;\n\n- Ten aanzien van de belanghebbende 1 verklaart mevrouw [persoon 6] van [J BV] op 15 december 2016 dat de plaats van werkzaamheden niet is gewijzigd ten tijde van de verhuizing van belanghebbende 1 naar [vestigingsplaats] en dat dit vermoedelijk [plaats 1] is;\n\n- Belanghebbende maakt gebruik van een Nederlandse bankrekening en verzoekt [J BV] op 7 oktober 2013 om de gefactureerde bedragen naar deze Nederlandse bankrekening over te maken;\n\n- Op 20 december 2013 ondertekent belanghebbende 1, namens belanghebbende, een overeenkomst met IT-Staffing. De overeenkomst vermeldt dat deze is ondertekend te [plaats 5] .\n\n4.14.. Om vast te stellen of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is, beschikt de inspecteur over de in artikel 47 AWR vastgelegde bevoegdheid om algemene inlichtingen in te winnen. De verplichting die inlichtingen te verstrekken is zeer ruim. Indien een (rechts)persoon niet voldoet aan die op haar rustende inlichtingenverplichtingen, kan de inspecteur dat vastleggen in een informatiebeschikking en, zodra die beschikking definitief is, aanslagen opleggen waarna de belastingplichtige in beginsel moet bewijzen (overtuigend aantonen) dat de aanslagen onjuist zijn, bijvoorbeeld omdat zij niet in Nederland is gevestigd. Gelet op de onder 4.13 vermelde omstandigheden zijn de door de inspecteur gestelde vragen en verzoek om inlichtingen legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Op grond van deze omstandigheden heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.Belanghebbende heeft in reactie op de vragen geen inhoudelijk antwoord verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.15.. Vraag c moet bevestigd worden beantwoord.\n\nVraag d) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.16.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.17.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.18.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.19.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.20.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikking is opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderings- dan wel naheffingsaanslagen te verlengen.\n\n4.21.. Vraag d moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag e) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.22.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.23.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.24.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikking hoeft dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.25.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.27.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.28.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.29.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Heeft de inspecteur de informatiebeschikking gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.30.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [vestigingsplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding.\n\n4.31.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [vestigingsplaats] .\n\n4.32.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.33.. Uit de slotzin van de onder 4.32 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.34.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.35.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.36.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag d). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur de informatiebeschikking heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.37.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.38.. Zoals uit het voorgaande volgt, is de informatiebeschikking terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderings- dan wel naheffingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.39.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.40.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.41.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.42.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.43.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.44.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.45.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\n HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","2026-07-13T00:29:19.174Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":145,"summary":24,"language":7,"source":61,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":147,"parsedAt":64,"updatedAt":148},"852","ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","ecli-nl-ghshe-2024-4140","GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH\n\nParketnummer : 20-002537-19\n\nUitspraak : 17 december 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-996007-10 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1961,\n\nvolgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep wonende te:\n\n [woonplaats] (Spanje, provincie [provincie] ), [woonadres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de dagvaarding partieel nietig verklaard, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’, het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, de verdachte ter zake van het onder feit 4 sub A bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging, de overige bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:\n\n‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, van welke organisatie hij leider is’ (feit 1);\n\n‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (feit 3) en\n\n‘medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen’ (feit 4),\n\nde verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het in de tenlastelegging onder feit 3 impliciet cumulatief opgenomen strafbare verwijt met betrekking tot het onjuist doen van aangifte omzetbelasting over september 2006. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.\n\nTegen het vonnis is bij akte van 7 augustus 2019 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.\n\nIngevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken.\n\nHet hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, gemeente Aalburg en\u002Fof in de gemeente(n) Heusden en\u002Fof Veghel en\u002Fof Zundert en\u002Fof Vianen en\u002Fof Hardinxveld-Giessendam en\u002Fof Oud-Beijerland en\u002Fof Sliedrecht en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof Duitsland en\u002Fof België en\u002Fof Spanje (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem verdachte, en\u002Fof - [medeverdachte 1] en\u002Fof - [medeverdachte 2] en\u002Fof - [medeverdachte 3] en\u002Fof - [medeverdachte 4] en\u002Fof - [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 5] en\u002Fof - [autobedrijf 2] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 6] en\u002Fof - [autobedrijf 3] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 7] en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 2) en\u002Fof [autobedrijf 4] B.V. (per 22-01-2009) en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 3) en\u002Fof - [medeverdachte 8] en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het plegen van valsheid in geschrift (art. 225, lid 1 WvSr) en\u002Fof - het opzettelijk doen van onjuiste en\u002Fof onvolledige aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 2 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet doen van aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 1 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en\u002Fof het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers (art. 68, lid 1 sub d en sub e jo. art. 69 lid 1 AWR) en\u002Fof - witwassen van (een) geldbedrag(en) (art. 420ter, art. 420bis Sr), zulks terwijl hij, verdachte, van bedoelde organisatie oprichter en\u002Fof leider en\u002Fof bestuurder was;\n\n2. hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een deel van) de (bedrijfs)administratie van zijn, verdachtes, onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde (dat deel van) de (bedrijfs)administratie voornoemd, (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die\u002Fdat bestemd waren\u002Fwas om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), (telkens) opzettelijk valselijk en\u002Fof in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie voornoemd opgenomen en\u002Fof verwerkt en\u002Fof doen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof verwerken, (circa) 1475 valse of vervalste inkoopfacturen en\u002Fof (circa) 1184 valse en\u002Fof vervalste verkoopfacturen, althans een (groot) aantal valse of vervalste (inkoop- en\u002Fof verkoop)facturen, waaronder * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 (te weten: F\u002F2527, F\u002F2528 en\u002Fof F-2536), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 1] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 4, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de maand oktober 2006 (waaronder F\u002F2529 en\u002Fof F\u002F2530), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 2] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode maart 2006 tot en met maart 2007 (waaronder F\u002F2511, F\u002F2503 en\u002Fof F\u002F1512), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 3] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 6, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van januari 2007 tot en met juli 2007 (waaronder F\u002F2062, F\u002F2082, F\u002F2104, F\u002F2139, F\u002F2137 en\u002Fof F\u002F2155), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 4] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode juli 2007 tot en met april 2008 (waaronder F\u002F1708, F\u002F1976, F\u002F1898 , F\u002F1670, F\u002F1827, F\u002F1787, F\u002F1924 en\u002Fof F\u002F1869), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 5] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 2, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode april 2008 tot en met mei 2008 (waaronder F\u002F2431 en\u002Fof F\u002F2441), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 6] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode mei 2008 tot en met februari 2009 (waaronder F\u002F1488, F\u002F1494, F\u002F1502, F\u002F1530, F\u002F1577, F\u002F1573, F\u002F1558 en\u002Fof 1599), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van (ZAP) [onderneming 7] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van februari 2009 tot en met september 2009 (waaronder F\u002F1344, F\u002F1375, F\u002F1399, F\u002F1401, F\u002F1414, F\u002F1425, F\u002F1440 en\u002Fof F\u002F1460), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 8] B.V. (h.o.d.n. [onderneming 8] ) en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van juli 2009 tot en met december 2009 (waaronder F\u002F1244, F\u002F1307, F\u002F1316 en\u002Fof F\u002F2335), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 9] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van december 2009 tot en met november 2010 (waaronder F\u002F0969, F\u002F0902, F\u002F1093, F\u002F1146, F\u002F1165, F\u002F1202, F\u002F1237 en\u002Fof F\u002F2266), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 10] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode van augustus 2006 tot en met november 2008 (waaronder F\u002F3391, F\u002F3389, F\u002F3416, F\u002F3400, F\u002F3570, F\u002F4012, F\u002F4464 en\u002Fof F\u002F4560), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof * 10, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode januari 2009 tot en met december 2010 (waaronder F\u002F3731, F\u002F4960, F\u002F5249, F\u002F5322, F\u002F5420, F\u002F5439, F\u002F6782, F\u002F6855, F\u002F6889 en\u002Fof F\u002F7006), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 2] B.V., terwijl een inkoop van auto's en\u002Fof een verkoop van auto's zoals op die facturen vermeld, in werkelijkheid (telkens) niet tussen die voornoemde onderneming(en) heeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en\u002Fof terwijl in werkelijkheid sprake was van door die onderneming(en) opgezette (schijn)transacties met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een internationale BTW-fraude) de Nederlandse Staat financieel te benadelen (op het terrein van omzetbelasting) en\u002Fof zichzelf\u002Fhenzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om die\u002Fdat (samenstel van) geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010 in de gemeente(n) Sprang-Capelle en\u002Fof Breda en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), te weten aangifte(n) voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) over het\u002Fde (maandelijkse) aangiftetijdvak(ken) - maanden oktober 2006 tot en met december 2006 en\u002Fof - maanden januari 2007 tot en met december 2007 en\u002Fof - maanden januari 2008 tot en met december 2008 en\u002Fof - maanden januari 2009 tot en met december 2009 en\u002Fof - maanden januari 2010 tot en met oktober 2010, onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, althans doen of laten doen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), toen aldaar (telkens) opzettelijk op\u002Fin het\u002Fde bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (langs elektronische weg) ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) – zakelijk weergegeven – - (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, en\u002Fof - (telkens) een te laag belastbaar bedrag en\u002Fof een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl die\u002Fdat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 2 april 2006 tot en met 22 oktober 2010 te Veen, gemeente Aalburg, en\u002Fof in de gemeente(n) Veghel en\u002Fof in Vianen en\u002Fof Zundert en\u002Fof (elders) in Nederland, en\u002Fof in Duitsland en\u002Fof in Spanje en\u002Fof in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt, althans zich schuldig heeft\u002Fhebben gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn mededader(s), (uit hoofde van die gewoonte) (telkens) in voornoemde periode van (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de\u002Fhet navolgende geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fof (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de navolgende geldbedrag(en), (telkens) verworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) dat die\u002Fdat voorwerp(en) en\u002Fof dat\u002Fdie geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf, door:\n\nA) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een (totaal)bedrag groot (circa) € 702.098,00, althans enig(e) geldbedrag(en), in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening en\u002Fof\n\n B) (een of meer van) de navolgende geldbedrag(en) als kasopname\u002Fkasuitgave in het kasboek van (het [autobedrijf verdachte] ) [verdachte] jaar 2008 te boeken en\u002Fof te laten boeken met als verantwoording \" [onderneming 6] BV\" en\u002Fof \" [onderneming 6] \", terwijl die \" [onderneming 6] BV \"en\u002Fof \" [onderneming 6] \" als onderneming(en) rechtens niet bestond(en), (het betrof(fen) het\u002Fde navolgende geboekte geldbedrag(en) (in euro's): - april 24 58.000,00 en\u002Fof - april 25 110.500,00 en\u002Fof - april 29 158.250,00 en\u002Fof - mei 6 55.050,00 en\u002Fof - mei 7 39.000, - mei 8 62.500,00 en\u002Fof\n\nC) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een of meer van de navolgende geldbedrag(en) over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen bankrekening(en) ten name gesteld van het\u002Fde navolgende (plof)bedrijf\u002Fbedrijven, te weten: - in het jaar 2007 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 12.035.500,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in het jaar 2008 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.304.200,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 naar [onderneming 10] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 13.816.350,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 naar [onderneming 12] , een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.804.600,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof\n\nJ) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 2] ) ten name gesteld van [onderneming 10] B.V. in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.896.670,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Belgische) bankrekening(en) ( [rekeningnummer 3] ) (DEXIA) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA en\u002Fof ( [rekeningnummer 4] (ING) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA, en\u002Fof\n\nL) vanaf de\u002Feen bankrekening ( [rekeningnummer 5] ) ten name gesteld van [onderneming 12] in de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 juni 2010: - een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.630.700,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 6] ) ten name gesteld van, althans in gebruik bij, [onderneming 14] (GmbH & Co KG) en\u002Fof - een (totaal)bedrag groot (circa) € 59.500,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 7] ) ten name gesteld van [onderneming 15] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nPartiële nietigheid van de dagvaarding\n\nHet onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover het de zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’ betreft, behelst naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, een onduidelijkheid, aangezien niet duidelijk is op welke (rechts)personen de steller der tenlastelegging doelt. De tenlastelegging is op dit punt in hoger beroep niet anders komen te luiden.\n\nNu in zoverre niet is voldaan aan de aan een dagvaarding te stellen eisen voor wat betreft duidelijkheid, is het hof mitsdien van oordeel dat de tenlastelegging, zoals vervat in de inleidende dagvaarding, voor wat betreft voormelde zinsnede, niet voldoet aan de daaraan in artikel 261, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Het hof zal derhalve, evenals de rechtbank, de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde\n\nDe verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd terecht ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen, terwijl de verdachte daarvan leider was.\n\nHet hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel. Die fraude heeft niet anders dan binnen een crimineel samenwerkingsverband kunnen plaatsvinden. Uit de heden eveneens uitgesproken en ten laste van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] gewezen arresten komt naar voren dat zij een rol binnen dat samenwerkingsverband hebben gehad, welke rol in strafrechtelijke zin als deelneming aan een criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit het procesdossier komt verder naar voren dat medeverdachte [medeverdachte 1] een leidende rol binnen de gepleegde BTW-fraude heeft vervuld.\n\nIn de onderhavige zaak dient het hof evenwel de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze criminele organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is dienaangaande het volgende naar voren gekomen. Medeverdachte [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij onder meer voor de verdachte rechtstreeks auto’s heeft opgehaald bij [onderneming 15] in Duitsland. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij eveneens voor de verdachte auto’s bij dat Duitse bedrijf heeft opgehaald, meestal met een transporter van de verdachte, waarvoor hij door de verdachte contant werd betaald.\n\nDe directeur van [onderneming 15] , [directeur onderneming 15] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte telefonisch contact met zijn [autobedrijf verdachte] had om te informeren naar bepaalde voertuigen. De verdachte zou ook voertuigen hebben besteld en hebben gemeld welke firma de voertuigen kwam afhalen en op welke firma de voertuigen moesten worden gefactureerd. De verdachte zou volgens [directeur onderneming 15] de auto’s zelf hebben uitgezocht. Medeverdachte [medeverdachte 1] kocht ook vaak bij hem in, aldus getuige [directeur onderneming 15] .\n\nDe verdachte heeft de verklaring van [directeur onderneming 15] waaruit zijn betrokkenheid bij het inkopen van auto’s in Duitsland ten overstaan van het hof ten stelligste bestreden. De verdachte stelt dat hij nimmer zelf voertuigen bij [onderneming 15] heeft ingekocht, maar dat hijzelf zijn voertuigen alleen inkocht via medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte voelt zich misbruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] en stelt dat [medeverdachte 1] en [directeur onderneming 15] de schuld op hem proberen af te schuiven, nadat zij zijn geconfronteerd met belastingcontroles. In dat verband heeft de verdachte aangevoerd dat [directeur onderneming 15] in 2010, nadat de FIOD bij de verdachte een inval had gedaan en [onderneming 15] onderzocht werd door de Duitse fiscus, bij hem op zijn bedrijf is geweest met een stapel door [medeverdachte 1] te tekenen koopcontracten om zijn administratie kloppend te maken. Bij die gelegenheid zou [directeur onderneming 15] de verdachte een beloning van € 25.000,00 in het vooruitzicht hebben gesteld als hij hem in contact zou kunnen brengen met [medeverdachte 1] om dit te bewerkstelligen.\n\nHet hof stelt vast dat getuige [directeur onderneming 15] pas in zijn tweede verhoor en in vrij algemene zin heeft verklaard over de rol van de verdachte en dat die verklaring geen nadere steun vindt in andere bewijsmiddelen. Weliswaar lijken de in 2010 aangetroffen voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] met daarop handgeschreven (inkoop)bedragen op het eerste gezicht steun te bieden aan de verklaring van [directeur onderneming 15] , doch het hof heeft geconstateerd dat de daarop vermelde auto’s afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en niet van [onderneming 15] . Daarbij komt dat [directeur onderneming 14] van [onderneming 14] als getuige niet heeft verklaard over de verdachte als zijnde de persoon die bij [onderneming 14] de auto’s inkocht. Dat was immers steeds medeverdachte [medeverdachte 1] . In de getuigenverklaring van [directeur onderneming 14] is aldus veeleer ondersteuning te vinden voor de verklaring van de verdachte, dan dat deze getuigenverklaring de verklaring van [directeur onderneming 15] ondersteunt.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de getuigenverklaring van [getuige 1] , echtgenote van [echtgenoot getuige 1] , die heeft verklaard dat [directeur onderneming 15] haar – bij afwezigheid van haar echtgenoot omdat hij in de gevangenis zat – thuis onder druk heeft gezet om papieren met betrekking tot auto’s (onder meer afhaalverklaringen) te tekenen.\n\nHet voorgaande maakt dat er bij het hof twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [directeur onderneming 15] . Om die reden kan niet zonder meer, zonder nadere ondersteuning, van de juistheid van zijn belastende getuigenverklaring met betrekking tot de rol van de verdachte uit worden gegaan, zodat die verklaring naar ’s hofs oordeel niet in doorslaggevende zin tot het bewijs in deze zaak kan bijdragen.\n\nMet betrekking tot een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gebruikte plofbedrijven die in de constructie van de BTW-fraude een essentiële rol hebben gespeeld heeft medeverdachte [medeverdachte 4] verklaard dat zij de bankrekening van [onderneming 10] B.V. op haar naam heeft laten zetten op verzoek van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte. Het procesdossier ontbeert verdere concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte gedragingen heeft verricht in relatie tot de plofbedrijven die bij de BTW-fraude zijn gebruikt.\n\nHet hof is van oordeel dat aan de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte niet het wettige bewijs kan worden ontleend dat die gedragingen strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Dat maakt dat het bewijs ervoor tekort schiet om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde te kunnen komen. Het hof zal de verdachte derhalve daarvan vrijspreken.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er met betrekking tot de in- en verkoop van auto’s, waarop de onder feit 2 bedoelde facturen zien, grootschalige BTW-fraude is gepleegd. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde te kunnen komen is onder meer vereist dat in rechte kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de valsheid van de facturen betreffende de transactie(s) met betrekking tot een bepaalde auto. Daarvoor is noodzakelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van die betreffende facturen. Indien blijkt dat de verdachte wist dat in een opeenvolging van transacties met betrekking tot een bepaalde auto bij een transactie met betrekking tot die auto (in betrekkelijk korte tijd) sprake was van een prijsval ten opzichte van een eerdere transactie met betrekking tot diezelfde auto, dan draagt dat bij tot het bewijs daarvoor. In het handelsverkeer is immers een prijsdaling bij opvolgende verkooptransacties met betrekking tot hetzelfde voorwerp (auto) zonder dat concreet sprake is van een (aanwijsbare oorzaak voor een) waardedaling van dat voorwerp, zeer ongewoon. Het hof heeft daarom bij de in verband met de in de tenlastelegging opgenomen facturen aan de orde zijnde in- of verkooptransacties ten aanzien van desbetreffende voertuigen afzonderlijk beoordeeld of sprake is geweest van een dergelijke prijsval.\n\nHet hof is allereerst met de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde verkoopfacturen (laatste twee gedachtestreepjes) niet als vals kunnen worden aangemerkt. De met [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen waren voor de verdachte een middel om financiering te verkrijgen voor de aankopen die hij deed. Welke vennootschappen hem in dat kader financierden en op welke wijze zij die financiering regelden, was voor de verdachte niet belangrijk. [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. zijn bij de litigieuze autotransacties betrokken geraakt door de relatie die zij hadden met [medeverdachte 8] , met wie de verdachte zaken deed. In de onherroepelijke vonnissen, door de rechtbank gewezen in de zaken tegen [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V., heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze beide vennootschappen geacht moeten worden de beschikkingsmacht te hebben gehad over de door hen bij de verdachte gekochte auto’s, dat zij niet bekend waren met het bestaan van een prijsval of met de prijzen die in Duitsland werden betaald en dat zij geen wetenschap hadden van de BTW-fraude en tenslotte dat van een valselijk opgemaakte administratie bij deze vennootschappen geen sprake is. Op grond daarvan dienen de tussen de verdachte en [autobedrijf 1] B.V. respectievelijk [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen als in het handelsverkeer gebruikelijke transacties te worden beschouwd. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de in de tenlastelegging bedoelde verkoopfacturen.\n\nMet betrekking tot de inkoopfacturen geldt het volgende. Tijdens het vooronderzoek zijn voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] uit de periode van 2 maart tot en met 6 december 2010 in beslag genomen, waarop in de linkermarge met pen handgeschreven bedragen zijn vermeld. Aan de hand van die voorraadlijsten met auto’s, van welke auto’s het merendeel is ingekocht bij [onderneming 14] in Duitsland en welke auto’s via de in de tenlastelegging genoemde (plof)bedrijven zijn verkocht aan [autobedrijf verdachte] , heeft het hof onderzocht of sprake was van een prijsval en of de verdachte daar wetenschap van had. Het hof heeft, zoals hierna onder B.4 en B.5 zal worden overwogen, met betrekking tot de voorraadlijst die in de jaszak van de verdachte is aangetroffen en waarvan aldus – in combinatie met de vaststelling dat het zijn handschrift betreft – kan worden vastgesteld dat hij daar gebruik van heeft gemaakt, geconcludeerd dat ter zake van vijf transacties sprake is geweest van een prijsval aan de inkoopzijde én dat de verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Het hof heeft die conclusie niet kunnen trekken ten aanzien van overige tenlastegelegde inkoopfacturen. Daarvoor is het wettige bewijs namelijk niet toereikend. In zoverre zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde\n\nNu, behoudens de hierna te bespreken vijf inkoopfacturen, het bewijs ervoor tekort schiet om te kunnen oordelen dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde facturen vals zijn en dat met het opnemen daarvan (een deel van) de bedrijfsadministratie van [autobedrijf verdachte] valselijk is opgemaakt, kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de aangiften omzetbelasting over de maanden oktober 2006 tot en met april 2010 en juni 2010 tot en met oktober 2010 onjuist zijn gedaan. Die facturen liggen immers aan de aangiften over de genoemde aangiftetijdvakken ten grondslag. Het hof zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde\n\nAangezien de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat de grondslag aan de witwasverdenking, zoals onder feit 4 in de aanhef en sub B, C, J en L aan de verdachte ten laste is gelegd, komt te ontvallen. Dat maakt dat het onder feit 4 tenlastegelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reden waarom het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n2. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 24 november 2010 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, een deel van de bedrijfsadministratie van zijn onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die bedrijfsadministratie voornoemd doen of laten opnemen en\u002Fof verwerken, 5 valse inkoopfacturen, waaronder 2 inkoopfacturen uit de periode van november 2010, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [onderneming 10] B.V. en telkens gericht aan [autobedrijf verdachte] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en terwijl in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op 25 juni 2010 in Nederland opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangifte voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten over het maandelijkse aangiftetijdvak mei 2010, onjuist heeft laten doen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk in het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn langs elektronische weg ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan voorbelasting doen of laten opgeven en een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4.\n\nhij, verdachte, in de periode van 25 juni 2010 tot en met 22 oktober 2010 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode een voorwerp, te weten een bedrag groot € 207.371,00, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf, door vanaf de bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) geldbedragen in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Daarin wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD, kantoor Rotterdam, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst\u002FFIOD, dossiernummer 45590, onderzoek ‘Kameleon’, gesloten d.d. 17 januari 2012, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-6299.\n\nBewijsoverwegingen\n\nA.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.\n\nDe verdachte kocht auto’s in bij de bedrijven van medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte had geen wetenschap van de Duitse aankoopprijzen van die auto’s die [medeverdachte 1] bij de Duitse autohandelaren had betaald. Er zijn voorts in de visie van de verdediging verklaarbare legale redenen voor een prijsval in de facturenketen, waardoor de tussenverkopers (waaronder de verdachte) en de uiteindelijke afnemers van de auto’s geen argwaan hoefden te hebben dat er sprake zou zijn van fraude. Tevens is er volgens de raadsman geen bewijs voor de wetenschap aan de zijde van de verdachte dat de plofbedrijven betrokken waren bij BTW-fraude en evenmin dat hij op enigerlei wijze daarbij was betrokken. Het feit dat er uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zijn gemaakt, is wat de raadsman betreft een sterke contra-indicatie voor hetgeen de verdachte wordt verweten. Het is in de visie van de verdediging juist medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die de kwade genius was achter de BTW-fraude, waarbij hij door de zijnen werd geholpen.\n\nDe verdachte stelt zich op het standpunt dat de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 (documentnummer D-0059-c, dossierpagina 2777) – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, maar de inkoopprijs die de verdachte heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om de FIOD opdracht te geven om aan de hand van de chassisnummers de facturen van de betreffende transacties en de betalingen van de verdachte aan de betreffende bedrijven na te gaan om de stelling van de verdachte te kunnen verifiëren.\n\nMet betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de Belastingdienst bij het autobedrijf van de verdachte een boekenonderzoek heeft ingesteld en daarvoor meerdere keren bij het autobedrijf langs is geweest. De fiscus heeft echter nimmer onregelmatigheden in de facturen opgemerkt. De verdachte heeft telkens BTW teruggevraagd en teruggekregen van de Belastingdienst. Tegen die achtergrond vermag de verdediging niet in te zien waarom de verdachte het verwijt van het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting kan worden gemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nB.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier zijn met betrekking tot het onder feit 2, feit 3 en onder feit 4 tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.\n\nB.1Aanleiding onderzoek KameleonDe Belastingdienst heeft een controle in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme ingesteld bij [autobedrijf verdachte] , de eenmanszaak van de verdachte. Daarbij zijn in 2008 inkoopfacturen ten name van een aantal bedrijven meegenomen. Onderzoek naar deze facturen leverde het strafrechtelijke vermoeden op dat er sprake zou kunnen zijn van valse facturen en fiscale fraude. Daaropvolgend is op 3 juni 2010 onder leiding van de officier van justitie bij het Functioneel Parket door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart met de onderzoeksnaam ‘Kameleon’. Tijdens het onderzoek ontstond de verdenking dat auto’s die door [autobedrijf verdachte] werden ingekocht in Duitsland via een fictieve dan wel valse facturenstroom aan [autobedrijf verdachte] werden doorgefactureerd. Daarbij zouden de Duitse leveranciers tegen het 0% BTW-tarief – vanwege de omstandigheid dat het intracommunautaire leveringen betrof – factureren aan zogenoemde (Nederlandse) plofbedrijven, zijnde niet daadwerkelijk bestaande dan wel daadwerkelijk handelende bedrijven. Die bedrijven deden over de door hen bij verkoop van die ingekochte auto’s verkregen behaalde omzet – waarbij BTW aan de kopers in rekening werd gebracht – geen of onjuiste aangiften omzetbelasting en droegen verschuldigd geworden omzetbelasting niet op aangifte af. Op naam van deze plofbedrijven zouden de auto’s inclusief BTW worden gefactureerd aan [autobedrijf verdachte] , waarmee de plofbedrijven verlies zouden lijden aangezien deze bedrijven een netto-verkoopprijs (prijs exclusief BTW) hanteerden die lager lag dan hun inkoopprijs bij de Duitse leveranciers. Hierdoor ontstond een prijsval, omdat de plofbedrijven de verschuldigde BTW niet afdroegen, terwijl [autobedrijf verdachte] de aan hem in rekening gebrachte BTW wel als voorbelasting in aftrek bracht bij zijn aangiften omzetbelasting.\n\nB.2Voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte]\n\nDe verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat er binnen zijn autobedrijf gewerkt werd met voorraadlijsten. De lijsten met het opschrift ‘Voorrraadlijst’ komen hem bekend voor. De verdachte gebruikte die lijsten bij de verkooponderhandelingen met zijn afnemers. De verdachte was degene die steeds onderweg was om in auto’s te handelen. De broer van de verdachte, [broer verdachte] , deed op het autobedrijf van de verdachte in [plaats] de administratie en hij verwerkte de inkoopfacturen daarin. De verdachte gaf altijd aan zijn broer door welke prijs hij voor een auto had betaald. De verdachte keek ook wel eens naar een ingekomen factuur, maar heeft zich naar eigen zeggen niet met elke factuur bemoeid. De verdachte deed veel zaken met [medeverdachte 1] . De verdachte kreeg voor de auto’s die hij bij [medeverdachte 1] had gekocht van hem per fax een factuur toegestuurd. Die facturen waren volgens de verdachte afkomstig van de bedrijven van [medeverdachte 1] , waaronder [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA.\n\nUit het procesdossier komt naar voren dat er tijdens het vooronderzoek op 9 december 2010 in de woning van [zoon verdachte] , de zoon van de verdachte, aan de [adres] een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is in de jaszak van de verdachte een uitgeprinte of getypte voorraadlijst aangetroffen en in beslag genomen. Die voorraadlijst bestond uit twee pagina’s en had als opschrift ‘Voorrraadlijst 02-12-2010’.Op de voorraadlijst is per auto ‘opgetypt’ om welk merk, welk type, welke kleur, welk bouwperiode (maand en jaar), welke kilometerstand, welk chassisnummer en welke verkoopprijs c.q. vraagprijs het gaat. Bij elke auto is voorts in de linkermarge telkens handgeschreven een andere prijs vermeld. Die prijs is steeds aanmerkelijk lager dan de getypte verkoopprijs c.q. vraagprijs.\n\nB.3Voorraadlijst van 2 december 2010 en het daarop vermelde handschrift\n\nHet hof acht, gezien de locatie waar de voorraadlijst van 2 december 2010 is aangetroffen (te weten in de jaszak van de verdachte), met name die voorraadlijst van belang in relatie tot hetgeen de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. In dat verband heeft het hof zich de vraag gesteld of het handschrift waarmee de handgeschreven bedragen in de linkermarge zijn geschreven het handschrift van de verdachte betreft. Het hof acht dat aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.\n\nAan getuige [getuige 2] is door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Middelburg, een voorraadlijst getoond die in gebruik was bij het [autobedrijf verdachte] van de verdachte.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat hij die voorraadlijsten herkende als lijsten waarmee ‘ [broer verdachte] ’ bij het [autobedrijf verdachte] waar hij werkzaam was kwam om te kijken of zij in één of meer van de op die lijst vermelde auto’s geïnteresseerd waren.Het hof stelt vast dat in plaats van [broer verdachte] de verdachte bedoeld zal zijn, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij steeds op weg was om in auto’s te handelen en in aanmerking genomen dat zijn broer [broer verdachte] uitsluitend de administratie van het [autobedrijf verdachte] verzorgde.\n\nVoorts zijn aan de getuige [getuige 2] lijsten getoond met bijlagenummers D-04 en D-05.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat die lijsten hem bekend voorkomen. Daarop staan auto’s die van [verdachte] waren gekocht. Die lijst werd door [verdachte] gemaakt, aldus getuige [getuige 2] .\n\nHet hof heeft in raadkamer het handschrift in de tabellen op de lijsten met bijlagenummers D-04 en D-05 vergeleken met het handschrift op de voorraadlijst van 2 december 2010 en heeft geconstateerd dat daarin dusdanig grote overeenkomsten zijn te zien, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat sprake is van hetzelfde handschrift. Daarbij heeft het hof onder meer acht geslagen op de kenmerkende wijze waarop de cijfers 7, 8 en 9 zijn geschreven. Gezien de verklaring van getuige [getuige 2] dat de verdachte deze lijsten heeft gemaakt en in aanmerking genomen dat hetzelfde handschrift te zien is op een door het [autobedrijf verdachte] van de verdachte per fax verstuurde handgeschreven notitie waarop zeven auto’s staan vermeld, is het hof van oordeel dat het steeds gaat om het handschrift van de verdachte. Het andersluidende standpunt van de verdachte, meer bepaald dat opsporingsambtenaren van de FIOD deze bedragen op de lijsten hebben bijgeschreven, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, wordt derhalve door het hof als zijnde onaannemelijk verworpen.\n\nHet voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de verdachte van de voorraadlijst van 2 december 2010 gebruik heeft gemaakt, aangezien hij de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst heeft geschreven en die lijst bij zich heeft gedragen. Dat laat naar ’s hofs oordeel geen andere conclusie toe dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de op die lijst vermelde gegevens.\n\nB.4Transacties met betrekking tot vijf op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s\n\nHet hof heeft in raadkamer een nader onderzoek ingesteld naar de inkoopzijde van de op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s en daarmee samenhangende facturenstroom. In dat kader is gebruik gemaakt van het door de FIOD opgestelde digitale Excelbestand.In het digitale bestand zijn de gegevens met betrekking tot alle tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten (onder de nummers F\u002F0001 t\u002Fm F\u002F7475) van de bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken bedrijven en personen opgenomen, waaronder de herkomst van de betreffende factuur, de meldcode van de op de factuur vermelde auto (de laatste 4 cijfers van het chassisnummer) en de op de factuur genoemde prijs (al dan niet inclusief BTW). Deze gegevens zijn overgenomen van de aan- en verkoopfacturen en koopovereenkomsten van de betrokken bedrijven en (mede)verdachte(n). Aan de hand van dit bestand zijn per auto dan wel per meldcode transacties geselecteerd en geanalyseerd, zodat telkens kon worden vastgesteld via welke facturenstroom een auto is verkocht. De tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten hebben betrekking op 1663 auto’s in de periode van 2006 tot en met 2010, bijna allemaal afkomstig uit Duitsland en voornamelijk van het merk Mercedes. De hierna te noemen auto’s die op de voorraadlijst van 2 december 2010 staan vermeld zijn ook te vinden in het digitale Excelbestand, edoch het hof heeft geconstateerd dat de facturen van de verkopen van die auto’s zelf door de officier van justitie niet aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof heeft bij vorenbedoeld onderzoek in raadkamer geconstateerd dat vijf auto’s, via [onderneming 10] B.V. dan wel via [onderneming 13] BVBA, afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en waarbij de handgeschreven bedragen in de linkermarge gelijkluidend zijn aan de prijzen waarvoor de auto door [onderneming 14] in Duitsland is verkocht. De bevindingen aangaande die auto’s zijn als volgt:\n\ni. De eerste auto is een Mercedes E 200 CDI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 04\u002F10, kilometerstand 22000, met chassisnummer [chassisnummer 1] en een vraagprijs van € 31.500,00 inclusief BTW.Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 26.500,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202590 (in het dossier aangeduid als: F-2634) op 30 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 26.500,00.\n\nii. De tweede auto is een Mercedes E 250 T CGI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 03\u002F10, kilometerstand 25500, met chassisnummer [chassisnummer 2] en een vraagprijs van € 34.750,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 30.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202570 (in het dossier aangeduid als: F-2627) op 24 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 30.600,00.\n\niii. De derde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 20000, met chassisnummer [chassisnummer 3] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 42.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202198 (in het dossier aangeduid als: F-2726) op 11 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 42.600,00.\n\niv. De vierde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 11\u002F09, kilometerstand 12000, met chassisnummer [chassisnummer 4] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 43.000,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202245 (in het dossier aangeduid als: F-2727) op 28 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 43.000,00.\n\nv. De vijfde auto is een Mercedes CL 500, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 17800, met chassisnummer [chassisnummer 5] en een vraagprijs van € 85.000,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 74.700,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 1209030 (in het dossier aangeduid als: F-2753) op 14 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 74.700,00.\n\nB.5Prijsval en valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie\n\nWezenskenmerk van BTW-fraude is dat in de fraudeketen in de regel één keer een prijsdaling of prijsval plaatsvindt, waarbij door een ondernemer wordt verkocht voor een lagere nettoprijs dan waarvoor hij heeft ingekocht (exclusief BTW). De prijsval treedt veelal op bij het plofbedrijf, dat de BTW welke dat bedrijf in rekening brengt op zijn verkoop niet afdraagt aan de Belastingdienst. Door het niet afdragen van de BTW is het plofbedrijf, ondanks het verlies waarmee hij doorlevert, in staat om alsnog (een kleine) winst te maken.\n\n [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA hebben de betreffende auto’s volgens de daarvan opgemaakte facturen telkens ingekocht bij [onderneming 14] . Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in ieder geval op de hoogte was van de inkoopprijzen van de vijf genoemde auto’s bij [onderneming 14] in Duitsland. De omstandigheid dat de door de verdachte handgeschreven bedragen met betrekking tot de vijf auto’s exact overeenkomen met de uit het dossier naar voren komende Duitse inkoopprijzen, laat immers geen andere conclusie toe dan dat de verdachte van die inkoopprijzen op de hoogte was. Het hof stelt aan de hand van de gehanteerde prijzen vast dat bij [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA een prijsval moet hebben opgetreden, omdat het verschil van de Duitse inkoopprijs en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijs steeds minder dan 19% (zijnde het toentertijd geldende BTW-tarief) bedraagt en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijzen exclusief BTW telkens lager zijn dan de Duitse inkoopprijs. Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden. Daarmee heeft hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een BTW-fraudeketen, waarbij in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat.\n\nDe door de raadsman ten verwere aangevoerde omstandigheid dat uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat hijzelf prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zou hebben gemaakt kan aan het voorgaande niet afdoen. Voorts zijn naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten in het procesdossier te vinden die de conclusie kunnen wettigen dat sprake zou zijn van ‘legale redenen’ voor de prijsval, zoals de verdediging heeft beweerd. Nu dergelijke redenen ook overigens op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden, kan de conclusie geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude.\n\n De inkoopfacturen afkomstig van de plofbedrijven [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA zijn naar het oordeel van het hof als intellectueel vals in de zin der wet aan te merken. De inhoud van die facturen stemt immers niet overeen met hoe een gebruikelijke transactie in het handelsverkeer tot stand zou zijn gekomen en de opmaak van die factuur heeft mede tot doel gehad om een frauduleuze prijsval te creëren teneinde, aan de hand van die facturen, BTW-fraude te kunnen plegen.\n\nDoor onder voormelde omstandigheden de valse facturen te doen of laten opnemen in de bedrijfsadministratie, is het hof van oordeel dat een deel van die administratie opzettelijk valselijk is opgemaakt. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor aangehaalde facturen van [onderneming 10] B.V. (2 stuks) en [onderneming 13] BVBA (3 stuks).\n\nB.6Verzoek opdracht aan FIOD om de voorraadlijst van 6 december 2010 te controlerenHet verzoek om de FIOD aan de hand van de inkoopfacturen en betaalstromen te laten controleren of de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, of – zoals de verdachte beweert – de inkoopprijs die hij heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven, wordt door het hof als niet noodzakelijk zijnde afgewezen, aangezien enerzijds de op die voorraadlijst vermelde transacties geen verband houden met hetgeen onder feit 2 bewezen zal worden verklaard en anderzijds omdat het hof in raadkamer zelf in staat is geweest om de (on)juistheid van de stelling van de verdachte te onderzoeken.\n\nB.7Onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010Uit het procesdossier komt naar voren dat fiscaal adviesbureau [fiscaal adviesbureau] de administratie van [autobedrijf verdachte] over de jaren 2006 tot en met 2010 verzorgde. Uit daarnaar ingesteld onderzoek volgt dat onder meer over de maand mei 2010 op aangifte teruggave van voorbelasting is verzocht op basis van facturen afkomstig van [onderneming 10] B.V.De aangifte over dat tijdvak is op 25 juni 2010 elektronisch binnengekomen bij de centrale administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn.\n\nGetuige [getuige 3] van het gelijknamige fiscaal adviesbureau heeft verklaard dat in opdracht van de verdachte de aangiften omzetbelasting voor [autobedrijf verdachte] werden verzorgd. Er werd maandelijks aangifte gedaan via de computer. De bescheiden werden altijd aangeleverd door zijn broer [broer verdachte] .\n\nDe broer van de verdachte, [broer verdachte] , heeft als getuige verklaard dat de administratieve gegevens door hem werden gebracht naar [fiscaal adviesbureau] . Het kwam ook voor dat de administratie werd opgehaald. [broer verdachte] legde de administratieve bescheiden op volgorde en deed de bankbetalingen en de kasadministratie. De verkoopfacturen werden door hem opgemaakt. Dit alles gebeurde volgens hem in opdracht van de verdachte.\n\nHet hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte de aangifte omzetbelasting over mei 2010 ten name van hemzelf (zijn eenmanszaak) heeft laten doen. Die aangifte is onjuist gedaan, omdat ten onrechte tegen het tarief van 19% BTW voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek is genomen met betrekking tot de facturen die afkomstig waren van [onderneming 10] B.V.Als sprake is van fraude, zoals in casu aan de orde, had de verdachte – die bovendien van die fraude af heeft geweten, althans heeft moeten weten – niet dat bedrag aan voorbelasting in aftrek mogen nemen. Immers, naar bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient aan een belastingplichtige de toepassing te worden geweigerd van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de BTW, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de BTW in het kader van een keten van leveringen. Dit geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van BTW-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was.Mutatis mutandis is eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. In aanmerking genomen dat de verdachte, zoals hiervoor onder B.5 is overwogen, wetenschap heeft gehad van de valsheid van de inkoopfacturen van [onderneming 10] B.V., kan naar ’s hofs oordeel eveneens worden vastgesteld dat de aan de hand van die facturen gedane aangifte omzetbelasting opzettelijk onjuist is gedaan. Het hof komt aldus eveneens tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de Belastingdienst in 2007 en 2008 een boekenonderzoek heeft uitgevoerd en toen geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Ter adstructie daarvan is een rapport van de fiscus overgelegd. Nog afgezien van het feit dat dit boekenonderzoek voornamelijk tot doel heeft om te controleren of de administratie aansluit op de ingediende aangiften omzetbelasting, behoeft dit verweer geen nadere bespreking omdat dit boekenonderzoek betrekking had op de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2003 tot en met 2006, terwijl de onjuiste aangifte ziet op het tijdvak mei 2010.\n\nB.8Witwassen van een bedrag van € 207.371,00\n\nHet hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het onder feit 4 sub A in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. In dat verband overweegt het hof als volgt.\n\nVoor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende in rechte komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nHet hof is van oordeel dat sprake is van voldoende bewijs op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen (een deel van) het tenlastegelegde geldbedrag, te weten tot een bedrag van € 207.371,00, en een bepaald misdrijf. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting over mei 2010. Er is bij het doen van die aangifte op 25 juni 2010 ten onrechte voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen. Daarmee heeft de verdachte eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Het hof stelt vast dat de verdachte aldus een besparing heeft gerealiseerd, omdat hij – na aftrek van de voorbelasting waarop hij geen recht had – slechts een bedrag een € 3.884,00 aan verschuldigde omzetbelasting aan de fiscus op aangifte heeft afgedragen, terwijl dat een bedrag van € 211.255,00 had moeten zijn.Hiermee is sprake van een gronddelict voor het witwassen.\n\nNiettegenstaande dat de Belastingdienst, naar aanleiding van de onjuist gedane aangifte omzetbelasting over mei 2010, geen gelden aan de verdachte heeft betaald omdat het saldo van de aangifte resulteerde in een positief en dus af te dragen bedrag aan omzetbelasting, is het hof van oordeel dat het niet aan de fiscus afgedragen bedrag (de hiervoor bedoelde besparing) kan worden aangemerkt als een ‘voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis en artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht, welk voorwerp kan worden witgewassen. De verdachte is aldus, door het (laten) doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010, over een vermogensbestanddeel ter waarde van de ontdoken omzetbelasting de beschikking blijven houden, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Dat niet afgedragen vermogensbestanddeel is daarmee als ware ‘van kleur verschoten’, te weten van – verondersteld – legaal geld naar crimineel geld. Daarmee is het bedrag van € 207.371,00 naar ’s hofs oordeel onmiddellijk afkomstig uit enig misdrijf.\n\nBij de Rabobank werd door de verdachte, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , een bankrekening aangehouden met nummer [rekeningnummer 1] .Het van misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00 is vermengd geraakt met de overige geldbedragen op die rekening die door middel van (verondersteld) legale activiteiten zijn verkregen, waardoor het aldus vermengde vermogen – en nadien elke betaling en opname daaruit – kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.\n\nUit de bewijsmiddelen komt naar voren dat van voormelde bankrekening in 2010 contante geldopnamen zijn gedaan ten bedrage van € 195.830,00 en in datzelfde jaar betalingen bij betaalautomaten zijn gedaan ten bedrage van € 12.557,00.Voorts heeft in 2010 met betrekking tot die bankrekening tot een bedrag van € 87.500,00 aan contante kasopnamen bij de bank plaatsgevonden.Deze vaststellingen zijn gedaan aan de hand van de bankafschriften, waarvan de laatste is gedateerd op 22 oktober 2010.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voor de rechtbank verklaard dat de contante opnamen van zijn rekening werden gedaan door zijn broer, in opdracht van hemzelf. Contante betalingen werden gedaan door hemzelf of door zijn broer, in zijn opdracht.\n\nHet hof is van oordeel, gelet op de omstandigheden dat het de bankrekening betrof van de eenmanszaak van de verdachte waarover hij als gerechtigde tot die bankrekening als heer en meester kon beschikken, hij het geldbedrag van € 207.371,00 voorhanden heeft gehad. Ten minste een deel van dit bedrag is eveneens omgezet, doordat de verdachte in ieder geval geldbedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen, althans laten opnemen, en de bedragen daarmee van chartaal naar giraal geld heeft omgezet. Voorts zijn bij betaalautomaten betalingen gedaan vanaf de bankrekening.\n\nGelet op het voorgaande zien de witwashandelingen van de verdachte naar het oordeel van het hof zowel op het voorhanden hebben, omzetten als gebruik maken van het geldbedrag van € 207.371,00, althans in ieder geval van een deel daarvan. Het onder feit 4 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.\n\nC.\n\nAldus falen alle tot vrijspraak strekkende verweren. Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nAangezien, zoals hiervoor onder B.8 is overwogen, naast het voorhanden hebben van het uit eigen misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00, eveneens sprake is geweest van omzettingshandelingen en van het gebruik maken van dat geldbedrag, vindt de kwalificatieuitsluitingsgrond ter zake van witwassen geen toepassing. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en waartoe de advocaat-generaal heeft gerequireerd, zal het hof de verdachte dan ook niet in zoverre van het onder feit 4 tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nvalsheid in geschrift.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 4 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwitwassen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, het opzettelijk onjuist doen van een belastingaangifte en witwassen.\n\nDe verdachte was werkzaam als autohandelaar. Hij heeft vijf valse inkoopfacturen die te maken hadden met grootschalige BTW-fraude in zijn administratie laten opnemen en daarmee (een deel van) zijn bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt. Voorts heeft de verdachte een onjuiste aangifte omzetbelasting laten doen. Bij die aangifte is voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen, terwijl de verdachte daartoe niet gerechtigd was. Dat bedrag is vervolgens door de verdachte witgewassen, doordat hij dat bedrag – dat zich heeft vermengd met het overige aanwezige banksaldo – voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt.\n\nDoor de bedrijfsadministratie valselijk op te maken heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Het hof rekent het de verdachte eveneens aan dat hij een aangifte omzetbelasting onjuist heeft ingediend. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan misbruik gemaakt. Door een aangifte te doen die niet strookt met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Met het witwassen van criminele gelden, waaraan de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt, wordt getracht om illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 september 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thans samen met zijn vrouw woonachtig is in Spanje, hij vier kinderen heeft die niet meer thuis wonen, zijn autobedrijf ten onder is gegaan als gevolg van deze zaak, er naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting aan hem zijn opgelegd en nog niet zijn afgewikkeld, hij zijn eigen woning heeft moeten verkopen en dat hij met het verrichten van diverse hand- en spandiensten zijn inkomen vergaart. De verdachte stelt voorts overspannen te zijn geraakt door deze strafzaak en heeft daardoor een tijd te kampen gehad met psychische klachten.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstraf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag, passend en geboden.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 24 mei 2011, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer door de FIOD als verdachte is gehoord. De rechtbank heeft op 31 juli 2019 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van 6 jaren en ruim 2 maanden. Daarnaast is het hof gebleken dat ook de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 7 augustus 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden – op 17 december 2024 en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – eindarrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ongeveer 3 jaren en iets meer dan 4 maanden overschreden. De totale overschrijding bedraagt aldus om en nabij 9 jaren en 6 maanden.\n\nBij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en\u002Fof zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak zeer omvangrijk en complex van aard is en de verdediging diverse (door de rechtbank en het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Het hof zal de aanzienlijke overschrijding van de redelijk termijn mitsdien ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen taakstraf zal worden gematigd met 25 uren.\n\nHet voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 125 uren subsidiair 62 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstaf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde, namelijk voor zover dat ziet op de aangifte omzetbelasting over september 2006;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nverklaart de dagvaarding partieel nietig, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’;\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van125 (honderdvijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door62 (tweeënzestig) dagen hechtenis;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. J. Platschorre, voorzitter,\n\nmr. J.M. van der Vegt en mr. W.F. Koolen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,\n\nen op 17 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Vegt voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Proces-verbaal van aantreffen voorraadlijsten in pand [adres] AH-126-a, p. 1645; Proces-verbaal van doorzoeking [adres] , AH-18-b, p. 1136-1137; D-0059-b, p. 2775-2776; Bewijzen van inbeslaggenomen voorwerpen [adres] , AH-018-b-1, p. 1141.\n\n Voorraadlijst met documentnummer D-03-B, 49412 1\u002F2, p. 653.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven lijsten met documentnummers D-04, 49412, p. 669 en D-05, 4912, p. 670.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven notitie met zeven auto’s, per fax verstuurd vanuit [autobedrijf verdachte] , D-0140-C, p. 3184.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, welk bestand onderdeel uitmaakt van het procesdossier.\n\n De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat indien sprake was van een personenauto (zoals hier telkens aan de orde), de prijzen altijd inclusief BTW waren. Zie het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3060. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3053. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3152. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3153. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3179. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Overzichtsproces-verbaal, p. 20.\n\n Proces-verbaal van nadeelberekening [autobedrijf verdachte] , AH-171, p. 1912-1916; Jaaroverzicht omzetbelasting 2006, B-0081-aa en Aangiftenoverzicht omzetbelasting B-0081-a, p. 5392-5397.\n\n Ambtsedige verklaring omzetbelasting januari 2006 tot en met juli 2010, B-0081, p. 5388-5391.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 3] d.d. 12 juli 2011, p. 2603-2604.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [broer verdachte] d.d. 6 juli 2011, p. 2427.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395 in combinatie met het proces-verbaal inzake nadeelberekening [verdachte] , AH-171, p. 1912-1916.\n\n Vgl. Hof van Justitie van de EU 6 juli 2006, Kittel en Recolta, C-439\u002F04 en C-440\u002F04, ECLI:EU:C:2006:446, punten 45, 46, 56 en 61; Hof van Justitie van de EU 6 december 2012, Bonik, ECLI:EU:C:2012:774, punten 38‑40; Hof van Justitie van de 18 december 2014, Italmoda, ECLI:EU:C:2014:2455.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395.\n\n Vgl. Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774 en de daaraan voorafgaande conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 27 mei 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2774, i.h.b. r.o. 11, 12 en 20, alsmede de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:516, i.h.b. r.o. 40-44.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630-1631.\n\n Vgl. Hoge Raad 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar opnamen bij geldautomaat en betalingen bij betaalautomaat, AH-124-b, p. 1634-1635.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar kasopnamen bij de bank, AH-124-c, p. 1636.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 13 mei 2019, 15 mei 2019 en 31 juli 2019, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","2024-12-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.279Z",20]