[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":49,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2024-12-11T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,33,41],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"680","ECLI:NL:RBDHA:2026:18644","ecli-nl-rbdha-2026-18644","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 25\u002F24378\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] uit [vestigingsplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) ten behoeve van [naam] (hierna: de vreemdeling). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 7 februari 2025 heeft eiseres namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiseres bij besluit van 7 juli 2025 afgewezen onder verwijzing naar een advies van het Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (UWV) van 4 juli 2025.\n\n2.1.. Eiseres heeft tegen het besluit van 7 juli 2025 bezwaar gemaakt. De minister heeft aanleiding gezien het UWV opnieuw om advies te vragen. Het UWV heeft op 25 november 2025 advies uitgebracht. Onder verwijzing naar dat advies is de minister met het besluit van 28 november 2025 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 27 mei 2026 heeft eiseres nog een nader stuk ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Namens het UWV zijn verschenen mr. M. Dundas en mr. S. Kruijthof.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInleiding\n\n3. De vreemdeling is geboren op [geboortedatum] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Aan haar is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ verstrekt met een geldigheidsduur van 2 mei 2023 tot 20 april 2025.\n\n3.1.. Eiseres heeft op 7 februari 2025 namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend en daarmee om verlenging van de verleende verblijfsvergunning. Bij haar aanvraag heeft eiseres opgegeven, voor zover van belang, dat de naam van de te vervullen functie is “verzorgende IG”. Ook heeft eiseres daarbij opgegeven dat zij de vacature heeft gemeld bij het UWV, alsook dat zij heeft geworven in Nederland en in de andere landen van de EU\u002FEER.\n\nBestreden besluit\n\n4. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag van eiseres gehandhaafd onder verwijzing naar het tweede negatieve advies van het UWV van 25 november 2025. In dat advies concludeert het UWV dat voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. Volgens het UWV stonden ten tijde van het uitbrengen van het advies voor de functie van ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ 809 werkzoekenden bij het UWV ingeschreven. Daarnaast stelt het UWV zich op het standpunt dat eiseres zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om het prioriteit genietend aanbod te bereiken. Het UWV heeft de minister daarom geadviseerd de gevraagde vergunning op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) niet te verlenen.\n\nStandpunt eiseres\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Wat eiseres daartoe heeft aangevoerd, bespreekt de rechtbank hierna.\n\nWettelijk kader\n\n6. Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan – voor zover van belang – de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 8 van de Wav.\n\n7. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wav weigert de minister een gecombineerde vergunning:\n\na. indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is;\n\nb. (…);\n\nc. indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen;\n\nd. (…).\n\n8. Bij wet van 25 november 2013 is de Wav herzien. In de memorie van toelichtingbij die wet is vermeld:\n\n\"Abstractere toets op prioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, onder a)\n\n(…). In deze benadering van de bemiddelingsfunctie van het UWV past niet meer dat het UWV in het kader van een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning bij elke individuele vacature beoordeelt of er een geschikte kandidaat voorhanden is. Het UWV kan voortaan volstaan met het onderzoeken of er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, in plaats van beschikbaar, die aan de functie-eisen van de vacature voldoen. Als dit zo is moet UWV de aanvraag afwijzen.\n\n(…).\n\nArtikel 8, eerste lid, aanhef, onderdeel a\n\nHet aanwezig zijn van prioriteitgenietend aanbod moet in het licht van de doelstelling van de Wav worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond voor de afgifte van een tewerkstellingsvergunning. Onder prioriteitgenietend aanbod moet worden verstaan: aanbod van de zijde van Nederlanders, vreemdelingen waarvoor vrij verkeer van werknemers geldt en vreemdelingen die beschikken over een op grond van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verblijfsvergunning waaruit blijkt dat daaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Toetsen aan het prioriteitgenietend aanbod betekent niet dat dit aanbod concreet voor de werkgever beschikbaar moet zijn. De werkgever dient zelf actief op dit aanbod te werven. Als bij het UWV bekend is dat er voldoende werkzoekenden binnen de EER zijn die gezien hun opleiding of werkervaring de functie bij de werkgever zouden kunnen uitoefenen, dient het UWV deze weigeringsgrond toe te passen.”\n\n9. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8 van de Wav zijn dwingend recht. Dit betekent dat de minister de aanvraag voor een gvva moet weigeren als een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wav van toepassing is. De tekst van deze bepalingen bieden geen ruimte om hiervan af te wijken.\n\nOordeel rechtbank\n\n10. De rechtbank stelt voorop dat het advies van het UWV kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Wanneer de minister – zoals in een geval als dit – een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij zijn besluitvorming van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om de inhoud of de conclusie daarvan in twijfel te trekken.\n\n11. In dat wat door eiseres naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van het UWV of twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in dat advies. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden.\n\nPrioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav)\n\n12. Eiseres voert aan dat het UWV ten onrechte in haar advies stelt dat voldoende personeel beschikbaar is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Eiseres vindt dat deze aanname geen stand houdt bij toetsing aan de feitelijke inzetbaarheid. Het overgrote deel van de personen uit de diverse uitkeringsregelingen beschikt niet over de benodigde diploma- en kwalificatievereisten, zoals relevante diploma’s, een geldige verklaring omtrent het gedrag, scholing of beheersing van de Nederlandse taal. Scholingstrajecten vergen tijd en bieden geen oplossing voor acute personeelstekorten. Bovendien kunnen uitkeringsgerechtigden niet worden verplicht om in de zorgsector te werken. Zij hebben een vrije arbeidskeuze. Eiseres wijst verder erop dat er structurele en oplopende personeelstekorten zijn in de zorg. Het UWV heeft daarnaast niet onderbouwd hoe uitkeringsgerechtigden zonder zorgopleiding of taalvaardigheid reëel inzetbaar zijn. Eiseres stelt dat het UWV zich op een theoretische beschikbaarheid baseert, terwijl gekeken moet worden naar de feitelijke en reële mogelijkheden. Het advies van het UWV is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en kan daarom volgens eiseres het bestreden besluit niet dragen.\n\n13. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor de beoogde functie prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. In het advies van het UWV van 25 november 2025 is vermeld dat op dat moment landelijk 809 – en ten tijde van het verweerschrift van 18 mei 2026 811 – werkzoekenden stonden ingeschreven voor de functie “verzorgende IG”. De minister mocht volstaan met die vaststelling. Uit de in rechtsoverweging 8 opgenomen memorie van toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav volgt al dat het UWV niet (meer) hoeft aan te tonen dat dit aanbod van werkzoekenden concreet voor eiseres geschikt en beschikbaar is.Zoals vaker overwogenis ook sprake van prioriteitgenietend aanbod indien werkzoekenden na een inwerkperiode of na enige scholing aan de functie-eisen kunnen voldoen.\n\nVoldoende inspanningen (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav)\n\n14. Eiseres stelt zich op het standpunt aantoonbare en voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd door onder meer te werven via Facebook, (V)KP\u002F(V)PK vacaturebanken, Werk.nl, regionale zorgplatforms, opleidings- en samenwerkingspartners, de gemeente, het UWV, Instagram en LinkedIn. Eiseres betoogt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze inspanningen niet voldoen zijn en welke aanvullende werving redelijkerwijs nog verlangd kan worden van haar. Eiseres wijst daarbij op de structurele krapte in de zorg. Zij vindt dat het UWV een te formalistisch standpunt inneemt door aan haar tegen te werpen dat de vacatureteksten niet volledig zijn bijgevoegd en daaruit vervolgens af te leiden dat haar wervingsinspanningen onvoldoende zijn. Eiseres voert aan dat het gaat om standaard vacatureteksten die binnen de zorgsector algemeen worden gebruikt en waaruit ondubbelzinnig blijkt dat wordt gezocht naar zorgpersoneel. De inhoud van de teksten is niet maatgevend. Volgens eiseres dient doorslaggevend te zijn of en waar is geworven en met welk bereik. Eiseres vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door haar overgelegde wervingsbewijzen onvoldoende zijn. Eiseres vindt verder dat het UWV zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de wervingsinspanningen geen rekening mag worden gehouden met een taalbarrière en de vraag of niet-Nederlandstalig personeel in de zorgsector kan worden ingezet. Dit standpunt miskent volgens eiseres de feitelijke zorginhoudelijke realiteit en haar wettelijke plicht om zorg te verlenen met inzet van deskundig en bekwaam zorgpersoneel. Eiseres wijst op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg op grond waarvan zij slechts personeel kan inzetten dat beschikt over de juiste competenties, waaronder adequate communicatieve vaardigheden. Met name in de ouderenzorg is daarbij beheersing van de Nederlandse taal essentieel, aldus eiseres.\n\n15. Dit betoog kan eiseres ook niet baten. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende wervingsinspanningen heeft gepleegd om de arbeidsplaats door middel van prioriteitgenietend aanbod te vervullen. Het UWV heeft in zijn advies op goede gronden als uitgangspunt genomen dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om haar vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod en dat daarbij slechts de wervingsinspanning in de periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag van belang zijn, te weten de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025. Het UWV heeft na een grondig onderzoek van het door eiseres overgelegde bewijs vastgesteld dat eiseres in die periode alleen via EURES en Facebook heeft gezocht naar kandidaten en dat daarbij bovendien de vacaturetekst geheel (Facebook) of gedeeltelijk (EURES) ontbrak. Van overige concrete wervingsinspanningen in de desbetreffende periode heeft eiseres geen stukken overgelegd. Eiseres heeft alleen daarom al niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om de vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat zij in de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025 ook heeft geworven via LinkedIn en diverse vacaturesites is – zonder verdere onderbouwing – onvoldoende. Ook de stelling van eiseres dat de inhoud van de vacaturetekst niet maatgevend is, kan geen doel treffen. Het UWV stelt zich op goede gronden op het standpunt dat met het ontbreken van die vacaturetekst niet te controleren is of eiseres een normaal uurloon had aangeboden. Het UWV heeft eiseres daarnaast terecht tegengeworpen dat ook vast is komen te staan dat naar aanleiding van de wervingsinspanningen van eiseres zich geïnteresseerden hebben gemeld bij haar, maar dat niet duidelijk is geworden waarom deze kandidaten ongeschikt waren voor het vervullen van de functie van “verzorgende IG”.\n\n16. Uit rechtsoverwegingen 13. en 15. volgt dat minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wav van toepassing zijn, zodat hij gehouden is de gevraagde ggva te weigeren.\n\nBelangenafweging, motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel\n\n17. Eiseres betoogt dat de afwijzing van haar aanvraag berust op een nationaalrechtelijke beoordelingsbevoegdheid en dat geen sprake is van dwingend voorgeschreven bepalingen uit het Unierecht. Dit betekent volgens eiseres dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onverkort van toepassing zijn. Door vrijwel integraal het UWV-advies te volgen zonder zelfstandige toetsing en zonder expliciete afweging van de door eiseres aangevoerde feiten en belangen heeft de minister het motiverings- en evenredigheidsbeginsel geschonden. Dit klemt volgens eiseres temeer, nu het UWV in het advies van 25 november 2025 expliciet heeft aangegeven dat zij het loon op de juiste manier heeft nabetaald aan de vreemdeling en dat dit punt ook niet langer aan haar wordt tegengeworpen. Door deze erkenning niet zelfstandig mee te wegen en niet expliciet te motiveren waarom dit desondanks niet tot een ander besluit leidt, heeft de minister volgens eiseres niet voldaan aan zijn motiveringsplicht. Verder voert eiseres aan dat de afwijzing van de aanvraag zeer zware gevolgen heeft voor de vreemdeling vanwege het verlies van inkomen, bestaanszekerheid en verblijfsperspectief. Ook heeft het afwijzende besluit onevenredige gevolgen voor eiseres en haar cliënten. De minister had deze belangen volgens eiseres kenbaar moeten meewegen en tot de conclusie moeten komen dat de afwijzing van haar aanvraag niet evenredig is.\n\n18. Dit betoog van eiseres kan geen doel treffen. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8, eerste lid, van de Wav zijn dwingend geformuleerd. Zoals ook volgt uit rechtsoverweging 9. laat de tekst van deze wettelijke voorschriften de minister geen ruimte om daarvan af te wijken. De Wav is bovendien een wet in formele zin. De bestuursrechter kan deze wet daarom, zoals ter zitting ook al voorgehouden aan eiseres, niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De essentie van de dwingend geformuleerde bepaling van artikel 8, eerste lid, van de Wav is dat een gvva moet worden geweigerd als één van de in dat artikellid opgenomen weigeringsgronden zich voordoet. De striktheid van deze bepaling kan de wetgever niet zijn ontgaan. Daarbij is bovendien nog van belang dat de wetgever – zoals volgt uit de in rechtsoverweging 8. opgenomen memorie van toelichting – bij de totstandkoming van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod in het licht van de doelstelling van de Wav moet worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n19. Eiseres heeft ten slotte gesteld dat een bij haar vertrokken medewerker wel een gvva heeft gekregen voor het verrichten van vergelijkbaar werk bij een grotere zorginstantie. Ook heeft eiseres gesteld dat een grotere groep buitenlandse zorgprofessionals een vergunning heeft gekregen binnen de Nederlandse zorgsector.\n\n20. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Eiseres heeft met haar niet nader onderbouwde of geconcretiseerde stellingen aannemelijk gemaakt dat sprake is van vergelijkbare gevallen. Het UWV heeft ter zitting bovendien toegelicht dat in de situatie dat een desbetreffende werkgever – anders dan gedaan door eiseres – met diverse bewijsmiddelen aantoont voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd, het UWV in dat geval tegenbewijs aanneemt voor de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod voor de desbetreffende functie op dat moment.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr.I. van der Wijngaart, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n TK, 2012-2013, 33 475, nr. 3, blz. 5 en 12.\n\n Zie bijvoorbeeld uitspraken van 27 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2659, en 17 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2726.\n\n Vgl. de uitspraak van 26 april 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:1236.\n\n Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 18 van de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7575.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18644","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.950Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":37,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1046","ECLI:NL:GHSHE:2025:2716","ecli-nl-ghshe-2025-2716","2025-10-02T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam Handelsrecht\n\nUitspraak : 2 oktober 2025\n\nZaaknummer : 200.348.963\u002F01\n\nZaaknummer eerste aanleg : 11125193 \u002F AZ VERZ 24-37\n\nin de zaak in hoger beroep van:\n\n [werknemer],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nappellant,\n\nhierna aan te duiden als [werknemer] ,\n\nadvocaat: mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor te Maastricht,\n\ntegen\n\nStichting [Stichting] ,\n\nhandelend onder de naam [werkgever] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\nverweerster,\n\nhierna aan te duiden als [werkgever] ,\n\nadvocaat: mr. drs. C.A.H. Lemmens te Heerlen.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 september 2024, zaaknummer\u002Frekestnummer: 11125193\u002F AZ VERZ 24-37.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties 38 tot en met 40, ingekomen ter griffie op 11 december 2024;\n\nhet verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 maart 2025;\n\neen mailbericht van mr. Meulenberg-ten Hoor van 2 april 2025 met producties 41 en 42. Deze producties zijn ter zitting in hoger beroep aan het dossier gevoegd.\n\n- de op 10 april 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:\n\n- [werknemer] , bijgestaan door mr. Meulenberg-ten Hoor, die de zaak heeft toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen;;\n\n- [werkgever] , vertegenwoordigd door [leidinggevende] (hierna: [leidinggevende] ) en [vertegenwoordiger] en bijgestaan door mr. Lemmens, die de zaak heeft toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.\n\n2.2.. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.\n\n3. De beoordeling\n\nIn het principaal hoger beroep\n\n3.1.. \n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n [werknemer] is tandarts en werkt daarnaast sinds 1990 als docent voor 5,5 uur per week bij [werkgever] als docent. De kantonrechter heeft op verzoek van [werkgever] de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2024 ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) en [werkgever] veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding ad € 10.740,70 bruto, vermeerderd met rente.\n\n [werknemer] verzoekt in hoger beroep -samengevat- primair de arbeidsovereenkomst te herstellen, subsidiair een billijke vergoeding van € 100.000,-- (althans € 60.000,--) in de plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst en meer subsidiair eenzelfde billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] , zowel primair als subsidiair met veroordeling van [werkgever] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. [werkgever] voert verweer.\n\nHet hof is met de kantonrechter van oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW en dat er geen grond is voor toewijzing van een billijke vergoeding. Het hof zal dit hierna bij de bespreking van de gronden van het hoger beroep toelichten.\n\n3.2.. \n\nFeitenoverzicht\n\nIn dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, waartegen in hoger beroep geen bezwaren zijn gericht en met inachtneming van het hierna in 3.4.2. vermelde. Aangevuld met enige andere vaststaande feiten gaat het om het volgende.\n\n3.2.1.. \n\n [werknemer] is sinds 1990 werkzaam voor (de rechtsvoorgangers van) [werkgever] als docent aan\n\nde MBO-opleiding tot tandartsassistente - Team TA - voor 5,5 uur per week voor een basisloon van € 788,68 per maand exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. De cao MBO 2023-2024 is van toepassing. [werknemer] gaf op woensdag zijn lesuren. [leidinggevende] is de meest recente leidinggevende van [werknemer] .\n\n3.2.2.. \n [werknemer] heeft een eigen tandartspraktijk te [woonplaats] ; daarnaast werkt hij bij [werkgever] .\n\n3.2.3.. \n\nGedurende het schooljaar 2022-2023 zijn er bij [werknemer] onduidelijkheden ontstaan\n\nover de (nieuwe) wijze van lesgeven bij [werkgever] . Tussen [leidinggevende] en [werknemer] is meerdere keren gesproken, zonder dat de onduidelijkheden bij [werknemer] zijn weggenomen.\n\n3.2.4.. \n\n [werknemer] heeft zich op 15 mei 2023 om 9:02 uur per WhatsApp ziek gemeld bij [leidinggevende] . [leidinggevende] heeft daarop per WhatsApp van 15 mei 2023 om 9:32 gereageerd met de volgende tekst: Goedemorgen [werknemer] , vervelend dat je ziek bent. Wat is er aan de hand?\n\n [werknemer] heeft daarop niet gereageerd.\n\n3.2.5.. \n\n [leidinggevende] heeft de dag erna een bezoek gebracht aan de tandartspraktijk van [werknemer] .\n\n [werknemer] was toen niet aanwezig. Tegen de assistente heeft [leidinggevende] gezegd dat ze in de buurt\n\nwas en zich zorgen maakte over [werknemer] omdat hij zelden ziek was. [leidinggevende] heeft gevraagd of\n\nde assistente wist wat er aan de hand was, of hij ’gewoon’ ziek was en of zij een idee had\n\nhoelang hij afwezig zou zijn. Bij verweerschrift in eerste aanleg is een schriftelijke verklaring van de assistente over dit bezoek overgelegd, waarin zij onder meer schrijft dat zij aan [leidinggevende] heeft aangegeven dat ze beter zelf contact met [werknemer] kon opnemen om te vernemen hoe het met hem gaat.\n\n3.2.6.. \n\nIn een e-mail van 21 mei 2023 aan [leidinggevende] heeft [werknemer] zijn ongenoegen over dit\n\n(onaangekondigde) bezoek aan zijn tandartspraktijk kenbaar gemaakt en onder meer aan [leidinggevende] geschreven:\n\n“Jij vond het nodig om mijn assistente te ondervragen over mijn ziekmelding zonder mij vooraf te informeren of ik hiermee akkoord kan gaan. Ik vind dit intimiderend en stel mij nu de vraag waarom jij zo weinig vertrouwen in mijn ziekmelding hebt. Ik krijg door deze actie een heel onveilig gevoel, alsof ik altijd (ook op dagen dat ik niet werkzaam ben voor [werkgever] ) achterom moet kijken of ik gecontroleerd word door iemand van [werkgever] .\n\nDoor deze intimiderende actie vind ik het niet wenselijk dat ik een voortgangsgesprek (gepland 7 juni as) met jou zal hebben, omdat ik het vertrouwen in een open, eerlijk, veilig en objectief gesprek volledig verloren ben. Ik annuleer dan ook bij deze onze eerder gemaakte afspraak om dit voortgangsgesprek te hebben op 7 juni.\n\nReactie van jou op deze mail en de uitleg waarom jij zonder overleg, zonder afspraak, tijdens\n\nmijn ziek zijn, mijn assistente hebt benaderd en ondervraagt wil ik graag schriftelijk van jou\n\nontvangen.”\n\n3.2.7.. Op 24 mei 2023 is [werknemer] weer aan het werk gegaan.\n\n3.2.8.. \n\nIn een e-mail van 27 mei 2023 van [werknemer] aan [leidinggevende] schrijft [werknemer] onder andere het volgende:\n\n“(…) Allereerst fijn om te lezen dat je bezorgt om mij was en betrokken bent met je medewerkers, maar helaas zijn niet al mijn vragen die ik gesteld had in mijn vorige mail beantwoord of wordt er deels met een ontwijkend antwoord, antwoord gegeven in jouw mail. Ik zou graag antwoord krijgen op alle door mij gestelde vragen in mijn vorige en huidige mail.\n\n(…) mijn vraag aan jou was of bij de andere ziekmeldingen jij ook de dag na ziekmelding een bezoek aan al die personen hebt gebracht; c.q. of het een regel binnen [werkgever] is, dat een zieke werknemer 1 dag na ziekmelding wordt bezocht.\n\nUit je mail kan ik enigszins de suggestie lezen dat jij, omdat ik niet reageerde op je app, en jij geen contact met mij kon krijgen, bij mijn praktijk op bezoek bent gekomen. Kun je mij aangeven wat de ( [werkgever] ) regels zijn aangaande de tijdsduur tussen een app (door jou gestuurd) en een mogelijke reactie van de persoon van ziekmelding (ik in dit geval), waarop door jou een 2e actie (in dit geval bezoeken van de praktijk) kan worden gedaan?\n\nJe stelt in je mail dat je wilt informeren of “we iets kunnen doen om het herstel te bevorderen”. Kun je aangeven op welke wijze jij door een bezoek aan mijn praktijk te brengen mijn herstel kunt bevorderen en hoe je mij had willen informeren over hoe jij mij zou willen helpen om mijn herstel te bevorderen?\n\nEen andere vraag die ik je gesteld heb, is waarom jij, bij je onaangekondigde bezoek aan mijn praktijk, mijn assistente hebt overvallen met jouw ondervraging over mijn ziekmelding. Mijn privacy wordt geschaad nu jij bij derden informatie inwint over mij zonder mij daarvan (vooraf) op de hoogte te stellen. Jij hebt mij na je bezoek niet zelf op de hoogte gesteld van je onaangekondigde, ongewenste en intimiderende bezoek, mijn assistente heeft mij hiervan op de hoogte gesteld.\n\nJij stelt nu voor dat wij een gesprek gaan hebben over omgangsnormen en\u002Fof mailwisseling,\n\nmaar ik heb liever eerst antwoorden op voor mij prangende vragen, zijnde de gestelde vragen\n\nin mijn vorige en huidige mail.\n\nWederom vraag ik je mij schriftelijk te beantwoorden.\n\nGroet [werknemer] ”\n\n3.2.9.. \n\n [leidinggevende] heeft in een e-mail van 31 mei 2023 aan [werknemer] als volgt gereageerd:\n\n“Fijn om te horen dat je mijn bezorgdheid op prijs stelt (…)\n\nInderdaad is iedere ziekmelding een op zich staande ziekmelding. En leidinggevende en medewerker maken da(arna? Niet leesbaar in procesdossier in verband met niet gekopieerde einde regel, hof) gezamenlijk, een inschatting over de hervatting van werk. Ik ben niet bij jou thuis geweest. Ik ben bij jouw pra(ktijk? Niet leesbaar in procesdossier in verband met niet gekopieerde einde regel, hof) langsgegaan. Dit was een spontane actie op weg naar een afspraak met een huisarts in de buurt. Nogmaals ik hetd(at?) einde regel, niet leesbaar in procesdossier, hof) gedaan vanuit bezorgdheid en betrokkenheid. Ik heb je op geen enkele manier een onveilig gevoel willen geven.\n\nMet betrekking tot de andere collega's, het is niet aan de orde geweest omdat zij zich ziekmelden via het [protocol werkgever] . Ze bellen het centrale nummer en melden zich ziek. Daarna worden ze doorverbonden met mij en kunnen we de situatie 'live' met elkaar bespreken. Het was fijn geweest om ook jouw ziekmelding op deze manier te ontvangen. Ik bemerk dat er irritaties zijn, niet alleen op dit punt, maar ook over de nieuwe manier van lesgeven, de contacten communicatie met collega's, het lesrooster en de houding tegenover studenten waardoor er geen teambreed standpunt wordt aangenomen tegenover de lesgroep. Ik stel voor in de volle breedte met elkaar in gesprek te gaan over deze onderwerpen en dit te doen, samen met de personeelsfunctionaris van [werkgever] die aan onze afdeling is verbonden, de heer [personeelsfunctionaris] .\n\nIk hoor graag jouw reactie hierop”\n\n3.2.10.. \n\n [werknemer] heeft op deze mail niet gereageerd, waarna [leidinggevende] in een aanvullende mail van 6 juni 2023 aan [werknemer] schrijft:\n\n“ [werknemer] ,\n\nIk heb nog geen reactie mogen ontvangen.\n\nVind je het goed wanneer ik morgen tijdens de pauze bij jou binnenloop om deze mail te bespreken maar ook de situatie rondom de TA2 ?”\n\n3.2.11.. \n\n [werknemer] mailt diezelfde dag aan [leidinggevende] :\n\n“Hallo [leidinggevende] ,\n\nik heb geen afspraak met je bevestigd voor morgen en heb ook geen behoefte (op dit moment) aan een gesprek over onze mails.\n\nIk kan mij beter focussen op het geven van les aan TA2 , dit omdat het aantal uren toch al erg beperkt zijn.\n\nHet aantal opdrachten wat in Xerte staan voor Ortho, staan in geen verhouding tot het aantal lesuren dat er dit jaar voor gepland staan. Ik heb dit al eerder meerdere keren aan meerdere personen gemeld, maar ik heb nooit een terugkoppeling gehad hoe daar mee om te gaan (ondanks een toezegging daarover),\n\nGroet [werknemer] .”\n\n3.2.12.. \n\nVervolgens mailt [leidinggevende] wederom op 6 juni 2023 ’s avonds aan [werknemer] : “Dag [werknemer] ,\n\nDan stel ik voor om een gesprek - zoals vorig jaar- te plannen voorafgaand aan het nieuwe schooljaar op een nader te bepalen terras in [woonplaats] om terug te kijken en het komende schooljaar te bespreken. Ik zal het secretariaat laten kijken naar een datum. Met betrekking tot de TA2 , zoals geschreven nav de teammeeting gisterenavond, is er nog ruimte in de laatste weken om over te gaan tot 4 uur ipv 2 uur om de lesstof te behandelen. Zullen we dit inplannen voor woensdag 21\n\nen 28 juni?\n\nGroet, [leidinggevende] ”\n\n3.2.13.. \n\nDaarna verzendt [werknemer] op 18 juni 2023 een mail aan [leidinggevende] , waarin hij naast een verzoek om informatie over een aantal onderwijsgerelateerde zaken het volgende schrijft:\n\n“(…) De reden waarom ik tot nu toe (nog) geen afspraak met je heb willen maken is dat ik nog steeds een antwoord verwacht op mijn vraag welke regels er bij een ziekmelding binnen [werkgever] gelden (voor leidinggevenden).\n\nEen duidelijkere vraagstelling:Is het een leidinggevende van [werkgever] toegestaan om, 1 dag na een ziekmelding van een van haar werknemers, een bezoek te brengen aan het 2e werk adres van deze werknemer (zonder de werknemer vooraf en\u002Fof achteraf hiervan in kennis te stellen).\n\nEn\n\nIs het een leidinggevende van [werkgever] toegestaan om een werknemer van de [werkgeverwerknemer] (dus eigenlijk een buitenstaander) aanwezig op het 2e werkadres te bevragen\u002Fondervragen over de ziekmelding van de werknemer van [werkgever] .\n\nGraag ontvang ik de [werkgever] regels over hoe om te gaan met een ziekmelding.\n\nIk had in een eerdere mail al aangegeven dat ik [werkgever] afspraken niet op een andere locatie dan een [werkgever] locatie wil, tenzij ik daar zelf mee akkoord ga.\n\nMet vriendelijke groet\n\n [werknemer] ”\n\n3.2.14.. \n\n [werknemer] heeft zich daarna tot de vertrouwenspersoon gewend. Op 20 juni 2023 heeft\n\n [werknemer] aan [leidinggevende] geappt: “Dag [leidinggevende] , bij deze mijn ziekmelding. Ik zal er dit schooljaar niet\n\nmeer zijn. Als je je “bezorgdheid” wil komen tonen meld het dan even vooraf.”[leidinggevende]\n\nheeft de ziekmelding vervolgens via WhatsApp bevestigd.\n\n3.2.15.. \n\n [werknemer] heeft op 21 juli 2023 het spreekuur van de bedrijfsarts (i.o.) bezocht. Volgens de bedrijfsarts was geen sprake van ziekte, maar van een verstoorde arbeidsverhouding. De\n\nbedrijfsarts heeft mediation geadviseerd. In een e-mail van 17 augustus 2023 heeft [leidinggevende]\n\ningestemd met het advies van de bedrijfsarts en [werknemer] meegedeeld dat zijn ziekmelding\n\nvan kracht bleef tot partijen samen met de mediator tot een oplossing waren gekomen.\n\n3.2.16.. Mediation is ingezet en begin december 2023 beëindigd zonder dat een oplossing werd bereikt.\n\n3.2.17.. \n\nDe bedrijfsarts heeft op 8 december 2023 als volgt gerapporteerd:\n\n“(…) Er is geen sprake van ziekte en ik acht de heer [werknemer] in staat om zijn eigen werk te verrichten. Zoals destijds ook aangeven is er wel sprake van een verstoorde arbeidsverhouding, waarvoor sinds september 2023 een mediation traject is opgestart. Ik begreep van de heer [werknemer] dat dit traject geëindigd is zonder concrete oplossing. Ik adviseer echter om toch samen tot een concrete oplossing te komen. Maak afspraken wat er dan nodig is om wel tot een concrete oplossing te komen en voer deze afspraken vervolgens uit. (…)”\n\n3.2.18.. \n\nBij brief van 11 december 2023 heeft [werkgever] [werknemer] medegedeeld dat [werkgever] er geen\n\nvertrouwen in had dat een oplossing kon worden bereikt. Volgens [werkgever] waren de\n\nopvattingen te verschillend en was [werknemer] ook niet bereid zich te voegen in de koers van het\n\nonderwijs dat [werkgever] voor ogen stond. [werkgever] heeft verder een aantal aspecten in het\n\nfunctioneren van [werknemer] benoemd die zij niet kon accepteren, waaronder het niet deelnemen\n\naan overleggen en het niet aangaan van de dialoog. [werkgever] heeft medegedeeld dat zij een\n\nregeling wilde treffen om te komen tot een einde van het dienstverband en anders een\n\nverzoek zou indienen om de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden.\n\n3.2.19.. \n\nIn een e-mail van 23 januari 2024 heeft [werknemer] zich tot het college van bestuur\n\ngewend met een klacht over - voornamelijk - het bezoek van [leidinggevende] aan zijn\n\ntandartspraktijk op 16 mei 2023. [werknemer] heeft in deze e-mail medegedeeld dat hij zich\n\ngeïntimideerd voelde en dat hij aangetast was in zijn privacy. Het college van bestuur heeft\n\n [werknemer] op 1 februari 2024 laten weten dat hij binnenkort een reactie zou ontvangen van het\n\nbestuursbureau. [werknemer] heeft op 14 maart 2024 geïnformeerd naar de stand van zaken,\n\nwaarop de gemachtigde van [werkgever] [werknemer] heeft medegedeeld dat hij zijn klacht kon indienen\n\nbij het daartoe bestemde klachtenloket. De klacht is -uiteindelijk- door het college van bestuur intern doorgeleid naar de klachtencommissie, waar deze uiteindelijk niet is behandeld vanwege de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.2.20.. In de tussentijd had [werknemer] zich bij brief van 22 maart 2024 bereid verklaard om de arbeid te hervatten, hetgeen hij op 16 april 2024 en 28 mei 2024 heeft herhaald.\n\n3.3.. Het geschil in eerste aanleg, de bestreden beslissing, de verzoeken in hoger beroep\n\n3.3.1.. In eerste aanleg heeft [werkgever] de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden wegens primair een verstoorde arbeidsverhouding. [werknemer] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht om dit verzoek af te wijzen en subsidiair de kantonrechter verzocht hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 80.000.- bruto en een schadevergoeding van € 35.000.- netto.\n\n3.3.2.. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:\n\n- de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 november 2024 op grond van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW;\n\n- [werkgever] veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van een transitievergoeding van € 10.740,70 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2024 tot de dag van betaling;\n\n- [werknemer] veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 1.338,- aan salaris gemachtigde en griffierecht;\n\n- de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n3.3.3.. \n [werknemer] heeft in hoger beroep -samengevat- verzocht om bij beslissing uitvoerbaar bij voorraad primair: - de arbeidsovereenkomst tussen partijen te herstellen met ingang van 1 november 2024, althans [werkgever] te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst op straffe van verbeurte van dwangsommen;\n\n- [werkgever] te veroordelen om [werknemer] weer te werk te stellen op straffe van verbeurte van dwangsommen;\n\nsubsidiair: - [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding (in de plaats van herstel) van € 100.000,-- (bij brief van 2 april 2025 beperkt tot € 60.000,-- bruto);\n\n- [werkgever] in geval van een ontbinding op de i-grond te veroordelen tot betaling van een aanvullende vergoeding naast de transitievergoeding op grond van art. 7:671b lid 8 BW; meer subsidiair: - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de kantonrechter daarbij de door [werknemer] verzochte billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen en nalaten door [werkgever] heeft afgewezen, en [werkgever] te veroordelen aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 100.000,00 bruto (bij brief van 2 april 2025 beperkt tot € 60.000,-- bruto), althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nzowel primair als subsidiair: - [werkgever] te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.\n\n3.3.4.. \n [werkgever] voert verweer.\n\n3.4.. De beoordeling in hoger beroep\n\n3.4.1.. \n [werknemer] heeft geen genummerde grieven aangevoerd. Het hof onderscheidt de volgende voor het hof en voor [werkgever] kenbare zelfstandige gronden van beroep:\n\na. [werknemer] maakt opmerkingen over de weergave van de feiten door de kantonrechter (beroepschrift 6.2);\n\nb. [werknemer] betwist dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder g (beroepschrift 6.3.1 en volgende);\n\nc. voor zover al sprake is van een dergelijke verstoorde arbeidsverhouding, dan heeft [werkgever] die zelf gecreëerd met het enige doel om tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen op de g-grond (beroepschrift 6.3.25);\n\nd. indien het hof niet over gaat tot herstel van de arbeidsovereenkomst heeft [werknemer] recht op een billijke vergoeding (in plaats van herstel van de arbeidsovereenkomst) dan wel, zo begrijpt het hof, op basis van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] .\n\na. Opmerkingen over de feitenweergave3.4.2.. \n\nHet hof heeft bij de weergave van de feiten rekening gehouden met enkele opmerkingen daarover van [werknemer] . Voor zover andere opmerkingen relevant zijn voor de beoordeling, betrekt het hof die hierna bij de beoordeling.\n\nb. Is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder a.?3.4.3.. \n\nHet hof deelt de overweging van de kantonrechter dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [werkgever] niet gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat leidt het hof af uit het volgende.\n\nUit de door beide partijen overgelegde producties blijkt dat er in het schooljaar 2022-2023 bij zowel [werknemer] als [werkgever] onvrede en irritaties waren over de wijze waarop de onderwijstaak door [werknemer] moest worden ingevuld. Uit de overgelegde e-mails blijkt ook dat beide partijen vonden dat de andere partij weinig moeite deed om onduidelijkheden en irritaties weg te nemen.\n\nZo stelt [werknemer] dat hij de communicatie binnen het Team TA beperkt vindt. Hij stelt weinig tot geen informatie te krijgen over wat er speelt, wat nieuwe afspraken zijn et cetera.\n\n [werkgever] stelt zich op haar beurt op het standpunt dat [werknemer] weinig tot geen moeite doet om die informatie te krijgen. Hij bezoekt structureel geen teamvergaderingen, heeft achteraf opmerkingen en wil punten geagendeerd zien, maar komt dan niet naar een volgende vergadering. [werknemer] meent dat hij met zijn vorige leidinggevende de afspraak heeft dat hij zich, gelet op zijn beperkte aanstelling, dient toe te leggen op het geven van lessen. Bovendien kan hij vrijwel nooit aanwezig zijn op teamvergaderingen in verband met zijn werkzaamheden als tandarts, aldus [werknemer] .\n\nVaststaat dat als gevolg van al deze omstandigheden de arbeidsverhouding -zeker nu sprake was van onderwijsvernieuwing en andere lesmethodes die juist een nadere afstemming vereisten- verder onder druk kwam te staan. De door beide partijen overgelegde mailwisselingen getuigen ook daar van.\n\nNa de ziekmelding door [werknemer] op 15 mei 2023 en het daaropvolgende bezoek van [leidinggevende] aan diens tandartspraktijk op 16 mei 2023 is zelfs geen sprake meer van een enige (vak)inhoudelijke communicatie tussen [werknemer] en [leidinggevende] . Het hof verwijst naar de hiervoor onder 3.2.6 tot en met 3.2.14 weergegeven mailwisseling.\n\nOp 20 juni 2023 meldt [werknemer] zich dan opnieuw ziek. Volgens de bedrijfsarts, die door [werknemer] wordt bezocht op 21 juli 2023 is geen sprake van ziekte, maar van een verstoorde arbeidsverhouding. De bedrijfsarts adviseert mediation. Vervolgens heeft mediation plaatsgevonden. Dat traject is begin december 2023 zonder resultaat geëindigd.\n\nDe communicatie tussen partijen is niet verbeterd; de impasse is niet doorbroken. Daarmee is sprake van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [werkgever] niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Voor een vruchtbare uitoefening van diens onderwijstaken door [werknemer] is immers vereist dat sprake is van (enige) adequate communicatie en afstemming tussen [werknemer] en diens leidinggevende\u002Fteamvoorzitter [leidinggevende] . Die afstemming stond tijdens het schooljaar 2022-2023 al onder druk en inhoudelijke communicatie is vanaf 15 mei 2023 niet meer mogelijk.\n\nDat [werkgever] zich onvoldoende heeft ingespannen om de verstoorde verhouding te herstellen is niet gebleken. Integendeel, het hof leidt met de kantonrechter uit de hiervoor weergegeven mailwisseling af dat het [werknemer] is die weigert in constructief overleg te treden met [leidinggevende] . [werknemer] voert weliswaar aan dat [leidinggevende] niet meer heeft gereageerd op diens e-mail van 18 juni 2023, maar toen was al sprake van een patstelling tussen partijen en bovendien meldde [werknemer] zich ziek op 20 juni 2023. Bovendien heeft [werkgever] nadien meegewerkt aan het mediationtraject.\n\n [werknemer] voert verder nog aan dat [leidinggevende] en daarmee [werkgever] het mediationtraject bewust heeft gefrustreerd door een lijst van afspraken en voorwaarden te presenteren waarop [werknemer] slechts op kleine details wijzigingen mocht aanbrengen. Uit 6.3.13 van het beroepschrift leidt het hof echter af dat ook voor [werknemer] randvoorwaarden golden die mede aan een succesvol verloop van de mediation in de weg stonden. Hij schrijft immers dat hij ervan uitging dat primair vooral(onderstreping hof) aandacht zou worden besteed aan de bespreking van hetvolstrekt ontoelaatbaar binnentreden van de praktijk(onderstreping hof) van [werknemer] en het bevragen van de assistente van [werknemer] over zijn ziekmelding. Om, in de visie van [werknemer] , op deze manier eerst de lucht te klaren.\n\nOok uit diens houding ter zitting in hoger beroep leidt het hof af dat [werknemer] vooral uit is op genoegdoening voor hetgeen hem in zijn visie door [leidinggevende] is ‘aangedaan’. Het hof bespreekt het bezoek van [leidinggevende] aan de tandartspraktijk overigens nog hierna bij de beoordeling van de stelling van [werknemer] dat [leidinggevende] en\u002Fof [werkgever] opzettelijk een verstoorde arbeidsverhouding hebben gecreëerd. De conclusie is dat de mediation niet heeft geleid tot verbetering van de verstoorde arbeidsverhouding.\n\nDat de bedrijfsarts op 8 december 2023 na de mededeling van [werknemer] dat de mediation niet heeft geleid tot een concrete oplossing adviseert om alsnog afspraken te maken, doet niets af aan de conclusie van [werkgever] op 11 december 2023 dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g. Al het gestelde over de nadien door [werknemer] ingediende klacht, de wijze waarop die is afgehandeld en diens beroep op de Gedragscode Sociale Veiligheid van [werkgever] leidt niet tot een ander oordeel. Kortom: er is sprake van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat van [werkgever] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te laten duren.\n\nHet hof merkt nog op dat zij -anders dan [werknemer] - onvoldoende feitelijke grondslag ziet voor de door hem gestelde grove schending van de sociale veiligheid door [leidinggevende] of [werkgever] . Het hof verwijst daarvoor naar hetgeen hierna onder 3.5.4.1. wordt overwogen over de feitelijke gedragingen van [leidinggevende] .\n\nc. Heeft [werkgever] de verstoorde arbeidsverhouding gecreëerd met het enige doel om tot ontbinding van de arbeidsverhouding te komen?\n\n3.4.4.. \n [werknemer] stelt dat [werkgever] de verstoorde arbeidsverhouding heeft gecreëerd met het enige doel om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen en hij voert daartoe met name het volgende aan: - [leidinggevende] heeft met een ongeloofwaardige verklaring de praktijk van [werknemer] bezocht op de eerste dag na zijn ziekmelding en de assistente van [werknemer] bevraagd over zijn ziekmelding. [leidinggevende] heeft hiermee niet alleen haar bevoegdheden miskend maar ook op ernstige wijze een inbreuk gemaakt op de privacy van [werknemer] , zonder enige grond, zij had volstrekt geen recht om [werknemer] privé te bezoeken, maar had ook de wetenschap dat [werknemer] dit niet zou accepteren. [werknemer] heeft meerdere malen duidelijk gemaakt dat hij privé en zakelijk duidelijk gescheiden wilde houden. De denigrerende wijze waarop [werkgever] zich in de pleitnota uitlaat over dit bezoek: “Het ‘voorval’ (het bezoeken van de tandartspraktijk door mevrouw [leidinggevende] ) wordt door [werknemer] opgeblazen en totaal uitvergroot” maakt ook duidelijk dat [werkgever] haar handelwijze niet alleen maar bagatelliseert, maar ook de confrontatie zoekt;\n\n- dit blijkt ook het feit dat [leidinggevende] haar bezoek aan de praktijk van [werknemer] niet eens zelf heeft meegedeeld aan [werknemer] , maar [werknemer] dit van zijn assistente moest horen;\n\n- [leidinggevende] heeft tot op heden haar excuses niet aangeboden. Daarmee had zij een begin van een oplossing kunnen creëren. Maar die wil was er blijkbaar niet, aldus [werknemer] .\n\n3.5.. \n\nHet hof overweegt hierover het volgende.\n\nOp 15 mei 2023 meldt [werknemer] zich ziek. [leidinggevende] vraagt wat er aan de hand is maar krijgt geen reactie meer van [werknemer] . [leidinggevende] bezoekt vervolgens op 16 mei 2023 de tandartspraktijk van [werknemer] , naar zij zegt omdat zij in de buurt was, zich zorgen maakte om [werknemer] en wilde informeren.\n\n [werknemer] ervaart dit bezoek als een wantrouwen van [werkgever] , een inbreuk op zijn privacy en (sociale) veiligheid. Hij neemt geen genoegen met de verklaring van [leidinggevende] en eist schriftelijke excuses, alvorens verder het gesprek met [leidinggevende] aan te willen gaan.\n\nHet hof constateert dat gesteld noch gebleken is dat er aan de zijde van [werkgever] andere beweegreden om de tandartspraktijk van [werknemer] te bezoeken zijn geweest dan wat daarover door [leidinggevende] in haar mailwisseling met [werknemer] is aangegeven (3.2.10). Ook volgens de verklaring van de assistente van [werknemer] (prod. 32 verweerschrift in e.a.) “uit bezorgdheid.” Daarmee kan niet gezegd worden dat [werkgever] ( [leidinggevende] ) met dit bezoek aanstuurde op een verstoorde arbeidsverhouding met als doel de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ook uit de houding van [werkgever] ( [leidinggevende] ) na het bezoek kan niet afgeleid worden dat zij uit was op het creëren van een verstoorde arbeidsverhouding. Integendeel, [werkgever] ( [leidinggevende] ) heeft uitgelegd waarom zij de tandartspraktijk heeft bezocht en meermalen geschreven dat zij met [werknemer] in de volle breedte in gesprek wilde, zowel met betrekking tot de ervaren strubbelingen over de onderwijstaak als over haar bezoek aan de tandartspraktijk. [werknemer] wilde echter niet in gesprek gaan en de toonzetting in zijn e-mails is bitter en kennelijk enkel gericht op het krijgen van genoegdoening en excuses van [leidinggevende] . Daarbij merkt het hof nog op dat de door [werknemer] gestelde inbreuk op zijn privacy en sociale veiligheid nuancering behoeft. [leidinggevende] heeft onweersproken enkel de balie van diens tandartspraktijk en hem niet thuis bezocht en de assistente van [werknemer] slechts enige vragen gesteld. De assistente heeft [werkgever] ( [leidinggevende] ) niet of nauwelijks informatie verstrekt en haar doorverwezen naar [werknemer] . Er is geen sprake van een heimelijke inbreuk op de privacy van [werknemer] .\n\nDe slotsom is dat niet is gebleken dat [leidinggevende] of [werkgever] bewust aanstuurde op een verstoorde arbeidsverhouding. Het was juist [werknemer] die de verhoudingen op scherp zette en weigerde in gesprek te gaan. De rol van partijen in het mediationtraject heeft het hof hiervoor al besproken. Daaruit valt evenmin af te leiden dat door [werkgever] bewust een verstoorde arbeidsverhouding is gecreëerd.\n\n3.6.. Het hof concludeert dat op 11 december 2023 sprake was van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Er is niet gebleken van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] dat geleid heeft tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Daarbij merkt het hof nog op dat voor het aannemen van dergelijke ernstige verwijtbaarheid een hoge lat geldt. Het verzoek tot vaststelling van een billijke vergoeding dient afgewezen te worden.\n\n3.7.. \n\nOok herplaatsing van [werknemer] binnen [werkgever] is niet aan de orde. Er is niet gesteld of gebleken dat [werknemer] inzetbaar is binnen een andere studierichting dan die van Tandartsassistent.\n\nHet hof overweegt nog dat [werknemer] terecht geen beroep doet op het opzegverbod wegens ziekte. Er is immers geen verband tussen de ongeschiktheid om de arbeid te verrichten wegens ziekte en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.8.. Gelet op het voorgaande dienen de verzoeken van [werknemer] afgewezen te worden. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.\n\n3.9.. \n\n [werknemer] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van [werkgever] veroordelen.\n\nDe kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [werkgever] zullen vastgesteld worden op:\n\nGriffierechten € 798,--\n\nSalaris advocaat € 4.426,-- (2 punt(en) x tarief IV)\n\nNakosten € 178,--(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 5.402,--\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de bestreden beschikking;\n\nveroordeelt [werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep van € 5.402,-- te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [werknemer] € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, J.W. van Rijkom en G.F.A.M. de Graauw en is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2716","2026-07-13T00:29:01.069Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"603","ECLI:NL:RBOBR:2024:6239","ecli-nl-rbobr-2024-6239","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1552\n uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2024 in de zaak tussen\n\n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. P.J.M. Boomaars),\n\nen\n\nde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister\n\n(gemachtigde: mr. J.C. Hooker).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van de minister van 15 juni 2023 om aan haar een boete van € 22.500,– op te leggen vanwege overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (de Atw).\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 9 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 15 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] , en de gemachtigden van partijen.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Eiseres is een tuindersbedrijf (teelt van onder meer aardbeien) en maakt gebruik van arbeidsmigranten uit onder meer Polen. Eiseres heeft twee locaties, aan de [adres] en aan de [adres] , beide in [plaats] . Op 22 juni 2021 hebben inspecteurs van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) een controle uitgevoerd bij eiseres. De controle was gericht op de naleving van onder andere de Atw. De inspecteurs hebben over deze controle op 15 april 2022 op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte een boeterapport opgesteld en ondertekend (boeterapport met kenmerk [kenmerk] ).\n\n2.1.. \n\nDe minister heeft vervolgens besloten om aan eiseres een boete van € 22.500,– op te leggen, omdat zij artikel 4:3, eerste lid, van de Atw heeft overtreden. Hij stelt zich op het standpunt dat eiseres geen deugdelijke registratie heeft bijgehouden van begin-, eind- en pauzetijden. De minister vindt dat de opgelegde boete evenredig is ten opzichte van de overtreding. Bij het bestreden besluit heeft de minister de boete gehandhaafd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt het besluit van 9 februari 2024 aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 4 april 2024 het volgende aangegeven: “Eiseres handhaaft haar stellingen en weren uit de onderliggende stukken en verzoekt de inhoud daarvan als hier woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen”. Die mededeling, zonder daarbij aan te geven in welk opzicht, in haar visie, de reactie van de minister in het bestreden besluit ontoereikend was, is onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op dient in te gaan. De rechtbank richt zich op wat eiseres concreet in beroep heeft aangevoerd.\n\n4. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nHeeft eiseres artikel 4:3, eerste lid, van de Atw overtreden?\n\n5. Eiseres voert aan dat zij artikel 4:3, eerste lid, van de Atw niet heeft overtreden. Ter zitting heeft zij haar beroepsgrond als volgt verduidelijkt. Primair stelt eiseres wel degelijk over een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden te beschikken. Zij stelt dat de minister niet aan zijn bewijslast heeft voldaan en dat het dossier maar een deel van alle door haar ter beschikking gestelde informatie omvat. Over deze beroepsgrond oordeelt de rechtbank als volgt.\n\n5.1.. De minister heeft het opleggen van de boete gebaseerd op het boeterapport. Een bestuursorgaan mag in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het boeterapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, moet worden onderzocht of, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen, dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n5.2.. In een brief van 22 juni 2021 heeft de arbeidsinspecteur van eiseres gevorderd om inzage te geven in alle zakelijke gegevens en bescheiden, fysiek en digitaal, met betrekking tot alle werknemers die in de periode van maandag 1 maart 2021 tot en met zondag 20 juni 2021 voor eiseres arbeid hebben verricht. Hij heeft verder gevorderd om inlichtingen te verstrekken over -onder meer- de arbeids- en rusttijdenregistraties van de werknemers. Daarbij is eiseres erop gewezen dat het opzettelijk niet voldoen aan deze vordering een misdrijf is als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n5.3.. Naar aanleiding van de vordering zijn de gewerkte uren ten behoeve van de salarisverwerking op een USB-stick gekopieerd en schriftelijke arbeidsovereenkomsten van de werknemers van eiseres overgelegd. Verder zijn ten aanzien van drie werknemers de gevorderde en ontvangen gegevens en opgenomen verklaringen nader onderzocht.\n\n5.4.. Uit het boeterapport volgt verder dat de arbeidsinspecteurs hebben gesproken met [naam 3] en (de gevolmachtigde van eiseres) [naam 1] . [naam 3] heeft verteld dat de voorwerkers de gewerkte uren doorgeven en de gewerkte uren noteren voor hun groepje personeelsleden. De begin- en eindtijden worden niet genoteerd, zo heeft [naam 3] verklaard. Verder is gesproken met de gevolmachtigde in het bijzijn van de boekhouder. In dit gesprek hebben zij verklaard dat zij niet bekend zijn met hoe de arbeids- en rusttijdenregistratie in zijn werk gaat, dat de voormannen de gewerkte uren doorgeven en dat ze de lijsten waarop deze gewerkte uren staan vermeld niet hebben. Verder is verklaard dat er geen planning is, dat de personeelsleden maximaal 10 uur per dag werken en dat niet bekend is hoe lang de pauzes zijn.\n\n5.5.. De gevolmachtigde is op 20 juli 2021 nogmaals gehoord in het bijzijn van [naam 2] . Daarbij heeft zij, nadat haar was voorgehouden dat zij de Atw had overtreden, het volgende verklaard op de vraag of zij op enige wijze kan aantonen wanneer de werknemers, en dan met name de arbeidsmigranten, gewerkt hebben: “Nee, de begin- en eindtijden zijn er niet, de totaaluren zijn er wel, maar er is geen planning wanneer iemand rust neemt, dat weten we niet.”\n\n5.6.. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de stukken die eiseres aan de arbeidsinspecteur heeft overgelegd niet worden afgeleid wat de arbeids- en rusttijden zijn van een individuele werknemer. De afgelegde verklaringen benadrukken dat een dergelijke registratie ook niet werd bijgehouden. Daarmee heeft de minister aangetoond dat eiseres artikel 4:3, eerste lid, van de Atw heeft overtreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de arbeidsinspecteur wel over dergelijke stukken zou beschikken, zoals eiseres pas voor het eerst ter zitting naar voren heeft gebracht. Niet alleen staat deze stelling haaks op de verklaringen die eerder herhaaldelijk namens eiseres naar voren zijn gebracht, ook een objectief bewijsstuk dat de juistheid van deze stelling onderbouwt, ontbreekt. Het betoog slaagt niet.\n\nHad de minister moeten volstaan met een waarschuwing?\n\n6. Eiseres voert subsidiair aan dat de minister had moeten volstaan met een waarschuwing, omdat de inspectie niet is gehinderd door de ondeugdelijke registratie.\n\n6.1.. Volgens de toelichting bij bijlage 2 van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 (hierna: Beleidsregel) legt de minister niet direct een boete op als de arbeids- en rusttijdenregistratie weliswaar niet deugdelijk is, maar een inspectie hierdoor niet gehinderd wordt. In dit geval heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht betoogd dat een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk was. Eiseres heeft geen deugdelijke urenregistratie gevoerd voor de arbeids- en rusttijden, terwijl ook anderszins niet uit de wel beschikbare gegevens kon worden herleid of eiseres de Atw heeft nageleefd. De minister heeft in dit verband gewezen op discrepanties tussen de aangeleverde Excel bestanden en de verklaringen van werknemers. Zo stelt werknemer [werknemer] dat hij zeven dagen per week werkt en het totaal aantal uren doorgeeft, terwijl uit de Excel gegevens niet blijkt dat [werknemer] op zaterdag of zondag zou hebben gewerkt. Eiseres heeft ter zitting weliswaar de juistheid van de verklaringen van de betrokken werknemers in twijfel getrokken door te stellen dat zij wellicht niet het juiste inspectietijdvak voor ogen hadden, maar daarmee miskent eiseres dat de minister hier heeft te oordelen of de inspectie gehinderd wordt door het feit dat geen deugdelijke registratie is bijgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister mogen vinden dat een inspectie gehinderd werd. De verklaringen compenseren de gebrekkige registratie namelijk niet. De minister heeft dus niet hoeven te volstaan met een waarschuwing. Toch ziet de rechtbank in het betoog over het al dan niet direct opleggen van een boete wel aanleiding om de boete te matigen. Dat zal de rechtbank hierna uitleggen.\n\nMoet de boete worden gematigd?\n\n7. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat het bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw gaat om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid.De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, volgens artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen over het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. De Afdeling heeft de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 in zijn algemeenheid niet onredelijk geacht. De Beleidsregel, voor zover toegepast bij de overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw, biedt in beginsel voldoende mogelijkheden tot differentiatie om te kunnen leiden tot oplegging van een boete, die in het desbetreffende geval als evenredig is aan te merken, aldus de Afdeling.\n\n7.1.. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de minister in de Beleidsregel onvoldoende heeft gemotiveerd dat een direct beboetbare overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw, rechtvaardigt dat het normbedrag voor overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw van € 10.000,- met toepassing van artikel 6 van de Beleidsregel wordt verhoogd met een factor 1,5. De rechtbank zal dus artikel 6 van de Beleidsregel voor deze overtreding buiten toepassing laten. De rechtbank motiveert dit als volgt.\n\n7.2.. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel wordt bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet voor alle overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet' die als bijlage 1 bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\n7.3.. Voor het niet naleven van de algemene verplichting terzake de arbeids- en rusttijdenregistratie geldt als uitgangspunt het boetenormbedrag van € 10.000.-.\n\n7.4.. Bij de toepassing van artikel 1, eerste lid, wordt op grond van het tweede lid van artikel 1 van de Beleidsregel een onderscheid gemaakt tussen twee soorten overtredingen. Het gaat enerzijds om a. overtredingenwaarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld. Pas in tweede instantie, nadat nogmaals is geconstateerd dat dezelfde of een soortgelijke wettelijke verplichting niet is nageleefd of dat de desbetreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete. En anderzijds gaat het om b.overtredingenwaarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd, die zijn opgenomen in de ‘Lijst overtredingen waarvoor direct een boete wordt opgelegd’, die als bijlage 2 bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\n7.5.. Het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie indien hierdoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is, wordt als een direct beboetbare overtreding aangemerkt. Dit is in de Beleidsregel als volgt gemotiveerd (cursivering hierna door de rechtbank):\n\n“De arbeids- en rusttijdenregistratie ligt ten grondslag aan een inspectie van de naleving van de Arbeidstijdenregelgeving. Als deze registratie er niet is, kan niet worden geïnspecteerd. Het kan dan lonend zijn voor een werkgever die veel overtredingen begaat om geen arbeids- en rusttijdenregistratie te hebben. Om dit misbruik tegen te gaan is het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie gedefinieerd als overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd, indien daardoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is.\n\nIndien de arbeids- en rusttijdenregistratie niet deugdelijk is, maar een inspectie hierdoor niet gehinderd wordt,is er geen sprake van een overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd. Er wordt dan eerst een waarschuwing gegeven en niet direct een boete opgelegd. In ieder geval moet zijn aangegeven welke werknemer op een bepaald tijdstip met de arbeid begint en wanneer hij die arbeid heeft beëindigd, alsmede de daartussen gelegen pauzes. Het gaat bij deze verplichting om de feitelijk gewerkte uren en de feitelijk genoten rust, alsmede om de fictieve arbeidsuren op grond van artikel 5:2 van de Arbeidstijdenwet. Ook de identiteit van de werknemer, bijvoorbeeld het zijn van een jeugdige of kind moet zijn aangegeven, vanwege het feit, dat voor dergelijke categorieën van personen bijzondere voorschriften ten aanzien van het verrichten van arbeid worden voorgeschreven. De manier waarop de werkgever de gegevens registreert is vormvrij, maar de “verschillende soorten arbeidstijd” moeten er wel uit blijken of herleidbaar zijn.”\n\n7.6.. De beleidsregel maakt dus een onderscheid tussen soorten van overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van Atw, namelijk die waarbij uitsluitend een waarschuwing wordt gegeven en die waarbij meteen een boete wordt opgelegd, de zogenaamde direct beboetbare overtredingen. Voor de goede orde: in beidegevallen is dus sprake van een overtreding van het wettelijke voorschrift in artikel 4:3, eerste lid, van de Atw en ontbreekt het aan een deugdelijke administratie terzake van de arbeids- en rusttijden die het toezicht op de naleving van de wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt. Een waarschuwing kan zonder overtreding namelijk niet worden gegeven. De minister maakt in zijn Beleidsregel derhalve ten gunste van de overtreder een verdiscontering van de ernst van de overtreding door met een waarschuwing te volstaan in die gevallen dat de inspectie ondanks het niet hebben van een deugdelijke registratie toch niet gehinderd wordt en die gevallen waarin de inspectie wel gehinderd wordt. Wat de minister vervolgens echter in artikel 6 van de Beleidsregel doet, is de omstandigheid dat niet met een waarschuwing kan worden volstaan ook nog eens extra negatief in de boete tot uitdrukking te brengen. Dat doet hij door deze met 1,5 te verhogen ten opzichte van het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw. Dat is, zonder nadere motivering, die in de Beleidsregel ten aanzien van overtredingen van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw ontbreekt, onevenredig. Dat de overtreding qua ernst geen waarschuwing rechtvaardigt, rechtvaardigt niet zonder meer dat diezelfde overtreding dan een hogere boete krijgt ten opzichte van het voor overtreding van dit artikel geldende boetenormbedrag. Anders gezegd, dat het niet een minder ernstige overtreding is, maakt het nog niet tot een ernstiger overtreding ten opzichte van het boetenormbedrag. De minister heeft dus voor wat betreft de (motivering van) de ernst van de overtreding en de daaraan gekoppelde hoogte van de boete niet kunnen volstaan met een verwijzing naar zijn beleid. Een individuele motivering waarom in dit geval de ernst van de overtreding een hogere boete dan het normbedrag rechtvaardigt, heeft de minister niet gegeven. De rechtbank zal dus bij de hierna vast te stellen hoogte van de boete de boete met een factor 1,5 verlagen omdat er geen aanleiding bestaat om, behoudens de correctie vanwege de grootte van het bedrijf, tot een hogere boete dan het boetenormbedrag te komen.\n\n7.7.. De rechtbank ziet in dat wat eiseres verder heeft aangevoerd geen reden om tot een nog verdere verlaging van de boete te komen. Het feit dat eiseres heeft meegewerkt aan het onderzoek en openheid van zaken heeft gegeven, geldt als uitgangspunt en is daarom geen reden voor matiging van een boete.\n\n7.8.. De omstandigheid dat eiseres inmiddels een nieuw urenregistratiesysteem heeft ingevoerd ter voorkoming van verdere overtredingen vormt evenmin aanleiding om de boete te verlagen. Inspanningen die zijn verricht na de overtreding, ter voorkoming van verdere overtredingen, kunnen van betekenis zijn voor de beoordeling of de opgelegde boete evenredig is. Inspanningen achteraf kunnen echter alleen tot matiging leiden als deze adequaat zijn en uit eigen beweging en zo snel mogelijk zijn verricht.\n\n7.10.. De minister heeft in het verweerschrift uiteengezet dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij adequate maatregelen heeft getroffen. De enkele stelling dat een nieuw systeem in gebruik is genomen, vergezeld van een e-mail van de accountant over de werking van dit systeem, is volgens de minister onvoldoende. Ter zitting heeft hij daaraan nog toegevoegd dat eiseres de inspanningen ook niet uit eigen beweging en zo snel mogelijk heeft gedaan, maar in reactie op het feit dat haar is voorgehouden dat zij een overtreding heeft begaan. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 20 juli 2021, na de mededeling van de arbeidsinspecteur dat zij de Arbeidstijdenwet had overtreden, het volgende heeft laten weten: “We hebben er nooit bij stilgestaan, de mensen hebben het goed hier, we zullen ons komende winter erin gaan verdiepen om een goed arbeids- en rusttijdensysteem aan te schaffen”. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet hierop niet worden vastgesteld dat eiseres uit eigen beweging en zo snel mogelijk na de overtreding ter voorkoming van verdere overtredingen maatregelen heeft getroffen. Daar komt bij dat namens eiseres ter zitting is aangegeven dat zij eigenlijk vindt dat zij niets fout heeft gedaan. De omstandigheid dat eiseres nu stelt wel een registratie van de arbeids- en rusttijden bij te houden ter vermijding van boetes kan daarom niet worden aangemerkt als een intrinsieke inspanning die matiging van de boete rechtvaardigt. Het betoog slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het besluit van 9 februari 2024 vernietigen en het besluit van 15 juni 2023 herroepen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door uit te gaan van een boetenormbedrag van € 10.000,-, dat wegens de grootte van het bedrijf wordt verhoogd tot € 15.000,-. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank de minister veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De rechtbank stelt deze kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage vast op € 2.998,- voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 624,-; 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en een punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 875,- waarbij een wegingsfactor 1 is toegepast). De minister moet ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 371,- terugbetalen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 9 februari 2024;\n\n- herroept het besluit van 15 juni 2023 en stelt de hoogte van de boete vast op € 15.000,-;\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.998,- aan proceskosten aan eiseres;\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzitter, en mr. R. Grimbergen en mr. J. Krommendijk, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBIJLAGE\n\nArbeidstijdenwet (Atw)\n\nArtikel 4:3, eerste lid\n\nEen werkgever en een persoon als bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, voert een deugdelijke registratie terzake van de arbeids- en rusttijden welke het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.\n\nArtikel 10:1, eerste lid\n\nAls overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen (…) 4:3, eerste lid (…).\n\nBeleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 (Beleidsregel)\n\nArtikel 1\n\n1. Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 10:5 van de Arbeidstijdenwet wordt voor alle overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die gelden voor de onderscheiden onderwerpen in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet' die als bijlage 1bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\n2. Bij de toepassing hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen:\n\na. overtredingen waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven of een eis wordt gesteld en pas in tweede instantie, nadat nogmaals is geconstateerd dat dezelfde of een soortgelijke wettelijke verplichting niet is nageleefd of dat de desbetreffende tekortkoming niet is opgeheven, wordt overgegaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete;\n\nb. overtredingen waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd, die zijn opgenomen in de ‘Lijst overtredingen waarvoor direct een boete wordt opgelegd’, die als bijlage 2 bij deze beleidsregel is gevoegd.\n\nArtikel 2\n\n1. De in bijlage 1 genoemde boetenormbedragen zijn uitgangspunt voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes voor een werkgever die 50 of meer, maar minder dan 100 werknemers in dienst heeft (middelgroot bedrijf).\n\n2. Voor de werkgever die een van het eerste lid afwijkend aantal werknemers in dienst heeft, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd voor de berekening van op te leggen bestuurlijke boetes:\n\na. 0,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die minder dan 10 werknemers in dienst heeft (kleinbedrijf);\n\nb. 0,75 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 10 of meer, maar minder dan 50 werknemers in dienst heeft (middenbedrijf);\n\nc. 1,5 maal het boetenormbedrag voor de werkgever die 100 of meer werknemers in dienst heeft (grootbedrijf).\n\n3. Een al dan niet op het aantal werknemers dat in dienst is van de werkgever gecorrigeerd normbedrag, is het uitgangsbedrag voor de eventuele verdere berekening van de bestuurlijke boete.\n\nArtikel 6\n\nHet op grond van voorgaande artikelen bepaalde boetebedrag wordt met anderhalf vermenigvuldigd, indien er sprake is van een overtreding waarvoor direct een bestuurlijke boete wordt opgelegd zoals genoemd in de lijst die is opgenomen als bijlage 2 bij deze beleidsregel.\n\nBijlage 1 (Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Arbeidstijdenwet)\n\nOnderwerp Boetenormbedrag\n\nAlgemene verplichtingen\n\n- arbeids- en rusttijdenregistratie € 10.000,–\n\nBijlage 2 (Lijst overtredingen waarvoor direct een boete wordt opgelegd)\n\na. Het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie indien hierdoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is.\n\nToelichting:\n\nDe arbeids- en rusttijdenregistratie ligt ten grondslag aan een inspectie van de naleving van de Arbeidstijdenregelgeving. Als deze registratie er niet is, kan niet worden geïnspecteerd. Het kan dan lonend zijn voor een werkgever die veel overtredingen begaat om geen arbeids- en rusttijdenregistratie te hebben. Om dit misbruik tegen te gaan is het niet hebben van een deugdelijke arbeids- en rusttijdenregistratie gedefinieerd als overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd, indien daardoor een volledige inspectie over de gehele te onderzoeken periode niet mogelijk is.\n\nIndien de arbeids- en rusttijdenregistratie niet deugdelijk is, maar een inspectie hierdoor niet gehinderd wordt, is er geen sprake van een overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd. Er wordt dan eerst een waarschuwing gegeven en niet direct een boete opgelegd. In ieder geval moet zijn aangegeven welke werknemer op een bepaald tijdstip met de arbeid begint en wanneer hij die arbeid heeft beëindigd, alsmede de daartussen gelegen pauzes. Het gaat bij deze verplichting om de feitelijk gewerkte uren en de feitelijk genoten rust, alsmede om de fictieve arbeidsuren op grond van artikel 5:2 van de Arbeidstijdenwet. Ook de identiteit van de werknemer, bijvoorbeeld het zijn van een jeugdige of kind moet zijn aangegeven, vanwege het feit, dat voor dergelijke categorieën van personen bijzondere voorschriften ten aanzien van het verrichten van arbeid worden voorgeschreven. De manier waarop de werkgever de gegevens registreert is vormvrij, maar de “verschillende soorten arbeidstijd” moeten er wel uit blijken of herleidbaar zijn.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1814.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:1146, r.o. 7.1, recent ECLI:NL:RVS:2024:4173, r.o. 9.3.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4173, r.o. 9.8.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4173, r.o. 9.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:6239","2024-12-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.875Z",1,20]