[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-planning-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":39,"limit":40},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},112,"planning-law-nl","Planning Law","NL","2026-07-08T16:56:56.673Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2024-03-01T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[],[22,32],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762","","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.306Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"510","ECLI:NL:RBOBR:2024:773","ecli-nl-rbobr-2024-773","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F2635\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2024 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. I.L. van Geel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren, het college\n\n(gemachtigden: N. Pullens en mr. A. Kuijken).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade voor zijn pluimveebedrijf aan de [adres] in [vestigingsplaats] .\n\n1.1.. Het college heeft de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade met het besluit van 1 maart 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 september 2021 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven.\n\n1.2.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.\n\n1.4.. Na de zitting heeft de rechtbank twee getuigen opgeroepen. De rechtbank heeft de getuigen op 11 oktober 2023 onder ede gehoord. Nadien heeft de rechtbank aan partijen gevraagd of zij er nog behoefte aan hebben om mondeling op een zitting te worden gehoord. Geen van de partijen heeft aangegeven behoefte te hebben aan een nieuwe zitting. Wel heeft de rechtbank eiser nog in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op door het college ingebrachte stukken. Eiser heeft bij brief van 1 november 2023 nadere stukken ingediend. Het college heeft hier bij brief van 16 november 2023 op gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nVooraf\n\n3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:\n\n Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres] in [vestigingsplaats] met daarop een opfok- en vermeerderingsbedrijf in pluimvee (het pluimveebedrijf). De agrarische activiteiten op het pluimveebedrijf bestonden tot voor kort uit het grootbrengen van kuikens tot kippen. De kuikens werden aan het pluimveebedrijf van eiser geleverd door een opfokorganisatie. Er zijn in Nederland slechts vier van dit soort opfokorganisaties werkzaam.\n\n Bij besluit van 20 december 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Someren het bestemmingsplan \"Vogelasiel Someren\" vastgesteld. Dit plan voorziet op ruim één kilometer afstand tot het pluimveebedrijf in voorzieningen voor dagrecreatie, waaronder een vogelasiel. Ter plaatse was feitelijk al een vogelasiel gevestigd en dit plan maakt een uitbreiding en vernieuwing van dat vogelasiel planologisch mogelijk.\n\n Eiser heeft het college bij brief van 26 september 2019 verzocht om een tegemoetkoming in planschade. De gestelde schade houdt verband met de kennisgeving van diverse opfokorganisaties aan eiser dat zij vanwege de nabijheid van het vogelasiel en de daarbij behorende risico’s op verspreiding van dierziektes geen kuikens (meer) zullen plaatsen op het pluimveebedrijf van eiser.\n\n Het college heeft de aanvraag om toekenning van een tegemoetkoming in planschade voorgelegd aan Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). Op 20 november 2020 heeft SAOZ een conceptadvies naar partijen gestuurd waarop eiser heeft gereageerd. De reactie van eiser heeft niet geleid tot inhoudelijke wijzigingen. Het advies is in januari 2021 definitief geworden. SAOZ heeft de tegemoetkoming in planschade vastgesteld op nihil, omdat het opzeggen van de door eiser genoemde overeenkomsten of het kenbaar maken van afnemers dat zij geen gebruik meer maken van de diensten van het pluimveebedrijf het gevolg is van beslissingen van privaatrechtelijke aard en niet rechtstreeks een ruimtelijk gevolg van de wijziging van de bestemming voor het vogelasiel betreft. De eventuele schade die uit die privaatrechtelijke beslissingen voortvloeit, komt volgens SAOZ niet voor tegemoetkoming op de voet van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in aanmerking.\n\n Het college heeft het advies van SAOZ aan het primaire besluit ten grondslag gelegd.\n\n4 Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. De door eiser in de aanvraag van 26 september 2019 aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.\n\n5 Eiser voert aan dat hij vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan \"Vogelasiel Someren\" in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. Dit bestemmingsplan maakt namelijk een uitbreiding en vernieuwing van een vogelasiel planologisch mogelijk, terwijl het voorgaande bestemmingsplan een vogelasiel niet toestond. Eiser verwijst naar brieven van een drietal opfokorganisaties. Met die brieven hebben de drie opfokorganisaties aan eiser te kennen gegeven dat zij geen kuikens willen leveren aan het pluimveebedrijf vanwege de nabijheid van het vogelasiel en het daarmee samenhangend verhoogd risico op een vogelgriepuitbraak binnen het pluimveebedrijf. Eiser voert aan dat hij voor de levering van kuikens volledig afhankelijk is van de drie opfokorganisaties en dat dit de enige opfokorganisaties in Nederland zijn. Omdat eiser geen kuikens meer geleverd krijgt, is de waarde van de eigendommen van eiser aangetast, omdat deze niet meer kunnen worden gebruikt voor de exploitatie van een pluimveebedrijf, en is sprake van omzetderving, aangezien eiser zijn bedrijf niet meer (in de huidige vorm) kan exploiteren. Volgens eiser is de schade een rechtstreeks gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan “Vogelasiel Someren”. Als dit bestemmingsplan niet zou zijn vastgesteld, dan hadden de opfokorganisaties de levering van dieren aan eiser niet gestopt, zo staat ook in de brieven van de opfokorganisaties. Dit volgt volgens eiser ook uit een van de getuigenverklaringen.\n\n6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het kenbaar maken van opfokorganisaties dat zij geen gebruik meer maken van de diensten van het pluimveebedrijf van eiser het gevolg is van beslissingen van privaatrechtelijke aard en niet rechtstreeks een ruimtelijk gevolg van de wijziging van de bestemming voor het vogelasiel betreft. Tussen de gestelde schade en de planologische wijziging bestaat geen rechtstreeks oorzakelijk verband, nu de overeenkomsten door de opfokorganisaties als gevolg van een bij hen levende, maar niet geobjectiveerde vrees voor besmettingen, zijn opgezegd. Het college stelt namelijk vast dat een concreet en algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs ontbreekt en dat er ook geen sprake is van een anderszins van (rijks)overheidswege voorgeschreven, op het voorzorgsprincipe gebaseerd dringend advies om in een situatie als de onderhavige een bepaalde minimumafstand aan te houden. De schade kan dus niet als een rechtstreeks gevolg van het nieuwe bestemmingsplan aan het college worden toegerekend. De eventuele schade die uit die privaatrechtelijke beslissingen voortvloeit komt daarom niet voor tegemoetkoming in aanmerking. Mocht er daadwerkelijk schade zijn ontstaan door de uitbraak van salmonella of vogelgriep, waarbij aangetoond wordt dat het vogelasiel daarvoor verantwoordelijk is, dan kan dit op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk wetboek verhaald worden op het schadeveroorzakende bedrijf. Dat is in dit geval het vogelasiel, aldus het college. Daarnaast volgt uit de getuigenverklaringen dat de ligging van het vogelasiel niet de enige reden is voor het niet aangaan van een leveringsovereenkomst. Uit één getuigenverklaring volgt namelijk dat de aanwezigheid van een vogelasiel een duidelijk minpunt is in het totaalplaatje, maar op voorhand niet absoluut beslissend hoeft te zijn. Uit de andere getuigenverklaring volgt volgens het college dat de eis van de opfokorganisatie is dat er geen ander pluimveebedrijf binnen één kilometer mag zitten voor Grandparent Stockdieren. Bij Parent Stock dieren zijn deze eisen minder zwaar. Het vogelasiel is gelegen op 1,1 kilometer afstand tot het bedrijf van eiser, dus daarin kan volgens het college geen dwingende reden gelegen zijn om geen leveringsovereenkomst aan te gaan met het pluimveebedrijf van eiser.\n\n7. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getuigen opgeroepen. Beide getuigen werken bij twee verschillende opfokorganisaties, in een functie waarbij zij verantwoordelijk zijn voor of wetenschap hebben over leveringsovereenkomsten die hun firma afsluit met derden zoals het bedrijf van eiser. Uit de getuigenverklaringen leidt de rechtbank het volgende af:\n\n In Nederland zijn vier opfokorganisaties werkzaam. Het is een kapitaalintensieve bedrijfstak met een hoog risico, waardoor er geen nieuwkomers zijn.\n\n Opfokorganisaties kunnen het opfokken van kuikens uitbesteden aan pluimveebedrijven zoals die van eiser. Dit is uniek voor Nederland. In andere landen is de keten namelijk geïntegreerd, en in België is geen sprake is van een vergelijkbare situatie, omdat daar de broederijen vaak de eigenaar van de opfokdieren zijn.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor eigen rekening kuikens levert die worden geplaatst bij andere pluimveehouderijen. Deze worden daar opgefokt, en door de opfokorganisatie vervolgens weer afgenomen, als ze gezond zijn. Daarvoor krijgt de pluimveehouder een vergoeding.\n\n Bij het uitbesteden van het opfokken is voor de opfokorganisaties de ligging van het pluimveebedrijf belangrijk. Uit een van de verklaringen volgt dat de opfokorganisatie als eis stelt dat er geen andere pluimveebedrijven in de buurt mogen zijn gesitueerd van het pluimveebedrijf waaraan zij dieren levert. Deze opfokorganisatie maakt onderscheid tussen Parent Stock-dieren en Grandparent Stock-dieren. Bij Grandparent Stock-dieren mag geen ander pluimveebedrijf binnen een afstand van één kilometer zijn gesitueerd. Bij Parent Stock-dieren zijn de eisen minder zwaar. Dat zijn eisen van de opfokorganisatie zelf.\n\n Uit de andere getuigenverklaring volgt dat het bedrijf waarvoor de getuige werkt een scan maakt van potentiële pluimveebedrijven waarmee de opfokorganisatie wil samenwerken. In zo’n scan kijkt de opfokorganisatie naar ondernemerschap, naar het pluimveebedrijf zelf, de stallen, de algemene kwaliteit, en verder onder meer of in het verleden salmonella is opgetreden bij het pluimveebedrijf. De opfokorganisatie vraagt zich met de scan steeds af of zij een investering wil plegen bij het pluimveebedrijf.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie de getuige werkt een vogelasiel absoluut ziet als een risico. Uit de andere getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie de getuige werkt de omstandigheid dat een vogelasiel nabij het pluimveebedrijf van eiser is gesitueerd ziet als een minpunt in de scan van een pluimveebedrijf, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat als het vogelasiel er niet zou zitten, de opfokorganisatie zonder meer niet in zee zou zijn gegaan met het pluimveebedrijf van eiser. De aanwezigheid van een vogelasiel is voor deze opfokorganisatie wel een heel duidelijke min in het totaalplaatje.\n\n Uit een van de getuigenverklaringen volgt dat de opfokorganisatie voor wie deze getuige werkt in het verleden een leveringsovereenkomst had met het pluimveebedrijf van eiser, maar dat niet bekend is wanneer deze overeenkomst is beëindigd. Het totaalplaatje van het pluimveebedrijf is de reden geweest voor het niet (opnieuw) aangaan van een overeenkomst. Uit de andere getuigenverklaring volgt dat het de getuige niet bekend is of de opfokorganisatie voor wie hij werkt een overeenkomst heeft (gehad) met het pluimveebedrijf van eiser.\n\n8. De rechtbank overweegt het volgende. Voor het toekennen van een tegemoetkoming in planschade is vereist dat de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade lijdt of zal lijden. Volgens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de schade en het nieuwe planologische regime vereist, wat wil zeggen dat de schade in een zodanig nauw verband met het nieuwe bestemmingsplan moet staan, dat de schade het college, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een rechtstreeks gevolg van het nieuwe bestemmingsplan kan worden toegerekend.\n\n9. Een tegemoetkoming in geleden planschade is een vorm van nadeelcompensatie van een rechtmatige overheidsdaad. De rechtbank maakt bij het vaststellen van de aanwezigheid van het causale verband twee stappen: is er een conditio sine qua non (csqn)-verband (is er maar één factor waardoor schade wordt geleden of zijn er meerdere factoren?) en wat is de omvang van de aansprakelijkheid (welke schadeposten en welke schadeomvang kunnen de overheid worden toegerekend?).\n\n10. In dit geval lijdt eiser strikt genomen geen schade door de wijziging van het bestemmingsplan zelf, maar lijdt hij schade door de keuze van de opfokorganisaties om de bestaande overeenkomst op te zeggen dan wel geen (nieuwe) overeenkomst aan te gaan. Het nieuwe bestemmingsplan dwong de opfokorganisaties echter niet tot het maken van die keuze. Het bestemmingsplan maakt wel de komst van een vogelasiel mogelijk. Uit de getuigenverklaringen blijkt naar het oordeel van de rechtbank in een voldoende redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aanwezigheid van een vogelasiel invloed heeft op opfokorganisaties bij de selectie van pluimveebedrijven. In zoverre is er een csqn-verband (en wordt voldaan aan de eerste noodzakelijke voorwaarde voor toekenning van een tegemoetkoming in geleden planschade).\n\n11. Kan deze schade wel volledig aan de overheid worden toegerekend? De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit bij de beantwoording van deze vraag in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het geval. De rechtbank noemt een aantal omstandigheden die van belang zijn bij de toerekening:\n\n de selectie van opfokbedrijven is een ondernemersbeslissing van de opfokorganisaties. Naast de aanwezigheid van een vogelasiel zijn bij de selectie andere elementen van een potentieel opfokbedrijf van belang.\n\n Bovendien valt niet uit te sluiten dat de aanwezigheid van een vogelasiel in de toekomst een meer doorslaggevende rol gaat spelen of juist een minder prominente rol (bijvoorbeeld als er een goed, breed geaccepteerd vaccin tegen vogelgriep is ontwikkeld). De vrees voor verspreiding van dierziektes speelt een belangrijke rol maar deze vrees is niet overal even hard aanwezig en is evenmin vertaald in harde, eenduidige selectiecriteria. Een getuige heeft aangegeven dat hierbij een harde grens wordt getrokken van één kilometer bij Grandparent Stock-dieren, maar de grens is al minder hard bij Parent-stock dieren. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat eiser ook zou kunnen omschakelen naar een reguliere pluimveehouderij (vleeskuikens of leghennen).\n\n Ook de kennis over verspreidingsrisico’s zal een rol spelen. Dit wordt bevestigd in de reactie van het college op de getuigenverklaringen waarin twijfels worden geuit over de overdraagbaarheid van vogelgriep door de lucht.\n\n Eiser heeft in zijn reactie op de getuigenverklaring enkele andere relevante omstandigheden genoemd: de kring van opfokorganisaties is beperkt (er zijn maar vier organisaties in Nederland) en er zijn ook maar weinig opfokbedrijven. Het is een kleine kring en het is een zeer kapitaalintensieve markt.\n\n Tot slot staat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een vogelasiel op deze locatie uit het oogpunt van vogelgriep en de eventuele gevolgen van het bestemmingsplan voor de agrarische bedrijven in de omgeving, waaronder die van eiser, vast na de uitspraak van de Afdelingop het beroep van eiser tegen het bestemmingsplan op juist dit punt. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat het bedrijf van eiser in het verleden wel door een opfokorganisatie is geselecteerd, ondanks de illegale aanwezigheid van het vogelasiel op dat moment.\n\n12. De rechtbank acht het onder de hierboven geschetste omstandigheden in dit specifieke geval niet redelijk dat de door eiser geleden schade volledig aan de gemeente wordt toegerekend. Daarvoor is de selectie van opfokbedrijven te veel een ondernemersbeslissing en zijn de criteria voor deze selectie niet geheel objectief en wetenschappelijk onderbouwd. Anderzijds acht de rechtbank het evenmin redelijk dat eiser met lege handen achterblijft en geen enkele aanspraak kan maken op enige tegemoetkoming. Duidelijk is dat de aanwezigheid van het vogelasiel wel een rol speelt en dat de invloed van dat asiel bepalend kan zijn in een kleine kapitaalintensieve markt. Met andere woorden, deze zaak leent zich niet voor een ‘alles of niets’-benadering. Welke benadering past dan wel? Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede om in dit specifieke geval een toerekening naar redelijkheid toe te passen waarbij het antwoord op de vraag aan welke gebeurtenis of gebeurtenissen de schade moet worden toegerekend, afhangt van diverse factoren en de omstandigheden van het geval. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat door de positieve bestemming van het vogelasiel op zijn minst een risico voor eiser is geschapen, dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt. Dit heeft het college in het bestreden besluit op bezwaar niet onderkend. In zoverre slaagt de beroepsgrond. Overigens acht de rechtbank het redelijk om de omvang van de schade te relateren aan de kosten van omschakeling van een pluimveehouderij van bijvoorbeeld Grandparent-stock dieren naar een andere categorie (bijvoorbeeld vleeskuikens).\n\nRedelijke termijn\n\n13. De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser. In beginsel is in dit geval, waarin de bezwaarfase is gevolgd, een totale lengte van de procedure van ten hoogste twee jaar redelijk, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.Heeft de totale periode langer geduurd dan twee jaar, dan dient vervolgens te worden bezien of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om een langere behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.\n\n14. De redelijke termijn is aangevangen op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift (12 april 2021). Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn bijna 3 jaren verstreken. Al is het geen gemakkelijke zaak, de rechtbank heeft in dit geval geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de lengte van de gehele procesgang langer dan twee jaar zou mogen duren. De redelijke termijn is aldus met 11 maanden overschreden. Uitgaande van een uit de jurisprudentie af te leiden vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiser toe te kennen bedrag aan schadevergoeding € 1.000,00. Deze schade moet volledig worden toegerekend aan de rechtbank. Daarom zal de rechtbank de Staat opdragen deze schade te vergoeden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak binnen twaalf weken na dagtekening van deze uitspraak.\n\n16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college verder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.062,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen op de zittingen inclusief het bijwonen van het getuigenverhoor en ½ punt voor de reactie naar aanleiding van het getuigenverhoor, met een waarde per punt van € 875,00 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\ndraagt het college op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\nbepaalt dat het college aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 183,00 vergoedt;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 3.062,50;\n\nveroordeelt de Staat tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 1.000,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J.A.B. Elsman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vergelijk de overzichtsuitspraak in planschadezaken van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 2.11 en 3.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2462).\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:886.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1704.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:773","2026-07-13T00:28:34.064Z",1,20]