[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-public-order-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},99,"public-order-nl","Public Order","NL","2026-07-08T16:56:40.714Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2023-01-23T00:00:00.000Z","2024-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"762","ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","ecli-nl-ghshe-2024-2187","","Parketnummer : 20-002672-23\n\nUitspraak : 3 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 september 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-110821-21, 03-136274-23 en 03-173579-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03-192020-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,\n\nthans uit anderen hoofde verblijvende in [PI] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. De verdachte is ter zake van:\n\n ‘ ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (parketnummer 03-110821-21 feit 1 en parketnummer 03-136274-23);\n\n ‘ ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ (parketnummer 03-110821-21 feit 3);\n\n ‘ ‘wederspannigheid’ (parketnummer 03-110821-21 feit 4);\n\n ‘ ‘diefstal’ (parketnummer 03-173579-23 feit 1);\n\n ‘ ‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels’ (parketnummer 03-173579-23 feit 2),\n\nveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het meerdere afgewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is gedeeltelijk toegewezen, te weten tot € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het meerdere afgewezen. Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 03-192020-19, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met aftrek van voorarrest.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover het is gericht tegen het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de overige tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken onder parketnummer 03-192020-19. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe zal wijzen conform de wijze waarop de politierechter dat heeft gedaan.\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten en de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de verdediging primair bepleit dat deze dient te worden afgewezen en subsidiair bepleit dat de proeftijd dient te worden verlengd.\n\nOntvankelijkheid hoger beroep\n\nDe verdachte is door de politierechter vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – tenlastegelegd dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75,81 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof ongeveer 877,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt;\n\n4. hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld en\u002Fof bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en\u002Fof [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en\u002Fof zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtena(a)re(en) hem trachtte(n) te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\n hij op of omstreeks 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en\u002Fof ongeveer 2,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en\u002Fof 0,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde methamfetamine en\u002Fof heroïne en\u002Fof cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op of omstreeks 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en\u002Fof dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\nonder parketnummer 03-110821-21:\n\n 1. hij op 22 februari 2021 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 75,81 gram cocaïne en 877,5 gram heroïne, zijnde cocaïne en heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3. hij in de periode van 16 januari 2021 tot en met 22 januari 2021 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een enkelband die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft vernield;\n\n4. hij op 22 februari 2021 te Maastricht, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 3] (aspirant van Politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 4] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 5] (brigadier van politie Eenheid Limburg) en [verbalisant 6] (hoofdagent van politie Eenheid Limburg), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten aanhouding van verdachte, door zich met kracht los te rukken en zich te bewegen in tegengestelde richting dan daar waar voornoemde ambtenaren hem trachtten te bewegen;\n\nonder parketnummer 03-136274-23:\n\nhij op 2 juni 2023 te Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad 10 gram methamfetamine en 2,5 gram heroïne en 0,6 gram cocaïne, zijnde methamfetamine en heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nonder parketnummer 03-173579-23:\n\n 1. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een pinpas die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n2. hij op 13 juli 2023 te Maastricht een hoeveelheid geld die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door onbevoegd gebruik te maken van de bankpas van die [benadeelde 1] .\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nNu de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering:\n\nIn de zaak met parketnummer 03-110821-21:\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 22 februari 2021 (p. 1-3);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 22 februari 2021 (p. 4-5);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 6-7);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 8-9);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 10-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 12-13);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 9 maart 2021, inclusief bijlagen (rapporten NFiDENT) (p. 24-38);\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [aangever] d.d. 2 februari 2021, inclusief bijlagen (p. 39-48);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-136274-23:\n\nHet proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 2 juni 2023 (p. 5-6);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 2 juni 2023 (p. 8-11);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming (p. 26-27);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] d.d. 2 juni 2023 (p. 35);\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 8] d.d. 26 juni 2023 (p. 37-40);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 43);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 44);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 45);\n\nEen geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een rapport NFiDENT (p. 46);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.\n\nIn de zaak met parketnummer 03-173579-23:\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 1] d.d. 13 juli 2023 (p. 6-10);\n\nHet proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [benadeelde 1] d.d. 14 juli 2024 (p. 12);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] d.d. 13 juli 2023 (p. 17-18);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 20-21);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 23);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 19] en [verbalisant 16] d.d. 13 juli 2023 (p. 25-26);\n\nHet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 13 juli 2023 (p. 28-29);\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 19 juni 2024.Bewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-136274-23 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwederspannigheid.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal.\n\nHet in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\ndiefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat het hof – gelet op de geest en strekking van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat aan de verdachte aldus geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat aan de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 12 juni 2024 de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat hij gemotiveerd is om behandelingen te volgen. Indien en voor zover aan de verdachte een straf zou worden opgelegd, dan zou dat de behandelingen van de ISD-maatregel doorkruizen. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf of een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs, het vernielen van een enkelband, wederspannigheid, diefstal van een pinpas en diefstal van een grote hoeveelheid geld door die pinpas te gebruiken. Met de diefstallen en vernieling heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendomsrecht. Ook zorgen deze feiten voor schade en hinder bij de betrokkenen. Door zich met kracht los te rukken uit de handen van politieambtenaren en zich in een andere richting te bewegen, heeft de verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het openbaar gezag en heeft hij de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak. Voorts heeft de verdachte opzettelijk hoeveelheden harddrugs aanwezig gehad. Hiermee heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit, welke handel vaak allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten bevordert, onder meer de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Daarnaast is het algemeen bekend dat harddrugs grote gevaren voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft bij de straftoemeting gelet op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 april 2024, reeds eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich schuldig te maken aan de tenlastegelegde feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat artikel 63 van het Wetboek van Strafecht van toepassing is.\n\nTevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij spijt heeft van zijn daden, momenteel clean is, aan zichzelf wil werken en zelf om oplegging van de ISD-maatregel heeft gevraagd.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:\n\n- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;\n\n- de mate waarin het bewezenverklaarde schade bij de betrokkenen teweeg heeft gebracht;\n\n- de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan 6 strafbare feiten en\n\n- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.\n\nIn het gegeven dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank Limburg van 12 juni 2024 (parketnummer 03-327366-23) de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren is opgelegd en dat de verdachte in dat kader een behandeling zal gaan volgen, ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde handelen geen straf of maatregel op te leggen. Een dergelijke afdoening doet onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, kan naar het oordeel van het hof eveneens niet worden volstaan met een taakstraf of geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de verdediging is bepleit. Het hof ziet echter, met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, wel aanleiding om een groot gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek, passend en geboden. Daarbij zal een proeftijd van 1 jaar worden opgelegd omdat daarmee naar het oordeel van het hof kan worden volstaan.\n\nMet oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 494,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nHet procesdossier bevat geen gespecificeerde vordering tot schadevergoeding. De vordering is ter terechtzitting ook niet nader toegelicht door de benadeelde partij. Het is het hof daardoor niet duidelijk wat het totaalbedrag van de vordering is, uit welke schadeposten de vordering is opgebouwd en of deze schadeposten het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof is daarom van oordeel dat behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nDe benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van de verdachte en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10,96. Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 9,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering is voor het meerdere afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. De verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij de strap van de enkelband heeft vernield. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de vordering dan ook volledig toewijzen. De vordering is niet weersproken en komt het hof ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nWettelijke rente\n\nAangezien geen factuur is overgelegd, zal het hof het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021, zijnde de dag waarop de vordering is ingediend.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 10,96. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der algehele voldoening,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Limburg heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020 onder parketnummer 03-192020-19. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nHet hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding om de vordering af te wijzen dan wel de bij voormeld vonnis vastgestelde proeftijd te verlengen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 180, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 1, 3 en 4, het in de zaak met parketnummer 03-136274-23 en het in de zaak met parketnummer 03-173579-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-110821-21 onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10,96 (tien euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 1 (één) dag kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 17 januari 2020, parketnummer 03-192020-19, te weten van: een gevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. dr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. A.J. Henzen en mr. dr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,\n\nen op 3 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2021027903, sluitingsdatum 9 april 2021, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 64. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023084417, sluitingsdatum 25 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 46. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.\n\n Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023109016, sluitingsdatum 17 juli 2023, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 77. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2187","2024-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:46.959Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"507","ECLI:NL:RBOBR:2023:332","ecli-nl-rbobr-2023-332","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F1400, SHE 21\u002F1401, SHE 21\u002F1402, SHE 21\u002F1403\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2023 in de zaak tussen\n \n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam] ,\n\n [naam], uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. S.G.H. van de Kamp en mr. M.A. Prins),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Oss, de burgemeester,\n\n(gemachtigde: mr. F.A. Pommer).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het de besluiten van de burgemeester om sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel aan [adres] te bevelen voor een duur van zes maanden.\n\nMet het bestreden besluit van 28 april 2021 op de bezwaren van eisers is de burgemeester bij dat besluit gebleven.\n\nDe burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 12 december 2022 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] , de gemachtigden van eisers, met mr. S.A.C. de Ridder als waarnemer van S.G.H. van de Kamp, en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n1. In een bestuurlijke rapportage is vermeld dat op 13 november 2019 een politieonderzoek heeft plaatsgevonden op en rond het perceel [adres] (het perceel). Dit perceel is een woonwagenstandplaats, die wordt gehuurd door [naam] en [naam] . Hun kinderen [naam] en [naam] zijn geboren in 2003, respectievelijk 1997. Eisers woonden op dit perceel in een woonwagen. Op het perceel staat ook een schuur en achter de schuur ligt een bosperceel.\n\n2. In de bestuurlijke rapportage van 9 december 2019 is vermeld dat in de woonwagen en de daarachter gelegen schuur het volgende is aangetroffen;\n\nAmfetamine, +\u002F- 150 gram, in het keukenkastje;\n\nDeense kronen en Euro’s, totaal een waarde van € 256.650, -, verborgen in ruimte slaapkamer kast vloer;\n\nBankbiljetten en muntgeld, € 6244,-, op verschillende plekken in woning;\n\nMunitie en hulzen, 8 + 4 (divers kaliber, in de schuur);\n\nOnderdelen van (vuur)wapens, meerderen, in de schuur.\n\n3. Op grond van deze informatie heeft de burgemeester aan eisers op 13 januari 2020 het voornemen bekend gemaakt om ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, het perceel te sluiten voor de duur van twaalf maanden. Op 7 februari 2020, later bevestigd in een aanvullende rapportage van 24 februari 2020, maakte de politie aan de burgemeester bekend dat sprake was geweest van een vals-positieve test van amfetamine. De stof bleek geen amfetamine of enig andere hard- of softdrugs te zijn. Aan het voornemen van 13 januari 2020 heeft de burgemeester geen vervolg gegeven.\n\n4. Op 26 februari 2020 volgt een bestuurlijke rapportage over het op 13 november 2019 verrichte onderzoek en wat daarbij in de schuur en op\u002Fin het daarachter gelegen bosperceel is aangetroffen. Hierover is het volgende vermeld:\n\n“Aan onder andere de achterzijde van de schuur op het perceel waren camera’s gemonteerd die gericht waren op het bosperceel grenzend aan de achterzijde van het perceel. Deze camera’s konden in de schuur worden uitgelezen op een daarop aangesloten en werkend beeldscherm. Tijdens het onderzoek op 13 november 2019 werden op\u002Fin het betreffende bosperceel, waarop de camera’s gericht waren, drie ondergrondse bergruimtes, een ingegraven vat en andere zaken met inhoud aangetroffen. Het ging om de volgende inhoud: in de ondergrondse ruimten werd een groot aantal kunststofvaten en kartonnen dozen aangetroffen met daarin een groot aantal vuurwapens en onderdelen hiervan, alsook verdovende middelen. De verdovende middelen zijn voor nader onderzoek in beslag genomen. Uit het onderzoek is in iedere geval een positief indicatieve test gebleken van de volgende (hard)drugs c.q. stoffen:\n\n- 110 kilo MDMA-pillen (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 193 MDMA-kristallen (lijst T Opiumwet)\n\n- 49 kilo Amfetamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 222 liter Amfetamine olie (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 3,4 kilo Methamfetamine (kristallen) (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 1,5 kilo Ketamine (lijst T Opiumwet)\n\n- 0,3 kilo Cocaïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 0,5 kilo Heroïne (lijst 1 Opiumwet)\n\n- 156,7 plakken Cannabis (hashish) (lijst 2 Opiumwet).”\n\nen:\n\n“Op basis van onderzoeksbevindingen (opgenomen gesprekken) kan worden gesteld dat de schuur achter de woning van deze locatie, in de periode maart 2018 tot en met november 2019 vrijwel dagelijks werd gebruikt als overleglocatie \u002F handelsplaats voor een crimineel samenwerkingsverband (CSV), waar ook vrijwel dagelijks bezoekers werden ontvangen. Dit CSV bestaat naast [naam] en [naam] uit tientallen personen, waaronder familieleden. Leden van het CSV en hun contacten konden ook buiten aanwezigheid van [naam] en [naam] gebruik maken van de schuur. Deze schuur was ingericht als vergaderruimte en werd door een deelnemer van het CSV zijn ‘kantoor’ genoemd. Ook op basis van onderzoeksbevindingen kan worden gesteld dat vanuit de schuur doorlopend drugstransacties besproken werden, voorbereid en uitgevoerd. Er werd vrijuit gesproken over onder andere:\n\n• het produceren van verdovende middelen (synthetische drugs) en het verhandelen van producten (precursoren) bestemd voor de productie van synthetische drugs.\n\n• het importeren van containers met verdovende middelen met diverse soorten dekladingen.\n\n• het uithalen van containers met daarin verdovende middelen.\n\n• het wegnemen van containers met vermoedelijk verdovende middelen.\n\n• het maken van afspraken met buitenlandse personen afkomstig uit onder andere Bulgarije, Zuid-Amerika en België.\n\n• het handelen in (vuur)wapens.\n\nOok in de woning aan de [adres] kwamen leden van het crimineel samenwerkingsverband samen en werd veelvuldig gesproken over deze onderwerpen. Gesprekken in de schuur werden in de woning voortgezet, met name door familieleden die deel uit maken van het CSV”.\n\n5. Naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen heeft de burgemeester op\n\n10 maart 2020 aan eisers een nieuw voornemen kenbaar gemaakt tot sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel, voor de duur van twaalf maanden. In het voornemen heeft de burgemeester eisers in de gelegenheid gesteld om op het voornemen hun zienswijze kenbaar te maken. Eisers hebben op 24 maart 2020 hun zienswijzen kenbaar gemaakt.\n\n7. Daarop heeft de burgemeester bij de primaire besluiten van 28 april 2020 de voorgenomen sluiting gehandhaafd, maar volstaan met een sluitingsduur van zes maanden in plaats van twaalf. Bij het bestreden besluit is de burgemeester bij die besluiten gebleven.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank beoordeelt of de burgemeester de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen sluiten voor de duur van zes maanden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n9. Het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesbelang\n\n10. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of eisers nog procesbelang hebben bij de door hen ingestelde beroepen. De sluiting van het perceel is inmiddels beëindigd en ligt dan ook in het verleden. Dat brengt de vraag met zich wat eisers feitelijk nog kunnen bereiken met deze beroepsprocedures.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Vereist wordt dat tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.Desgevraagd hebben eisers gesteld dat zij als gevolg van het bestreden besluit schade hebben omdat zij de huur moesten doorbetalen, terwijl zij geen gebruik konden maken van de woning en omdat het bestuursrechtelijke bestreden besluit mogelijk doorwerking heeft in een civiele procedure. Met inachtneming van de vaste rechtspraak oordeelt de rechtbank dat eisers met deze stellingen tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit en dat zij daarom een belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep.\n\nBeoordelingskader\n\n12. De rechtbank beoordeelt de beroepen volgens het beoordelingskader dat de Afdeling uiteen heeft gezet in haar uitspraak van 28 augustus 2019, in de uitspraken van de Afdeling over de evenredigheid van 2 februari 2022en in de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2022.\n\nBevoegdheid\n\n13. Desgevraagd hebben eisers op de zitting bevestigd dat zij de bevindingen, die zijn vermeld in bestuurlijke rapportage over wat en hoeveel in de woning, in de schuur en op het bosperceel is aangetroffen, niet bestrijden. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die bevindingen.\n\n14. Eisers betogen dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten omdat de ruimtelijke en functionele samenhang met het bosperceel en de schuur ontbrak. Daarbij wijzen zij op de feitelijke situatie, dat de woning en de schuur losstaande bouwwerken zijn, dat de schuur vrij toegankelijk is via een brede oprit en geen rechtstreekse toegang heeft vanuit de woning en dat het bosperceel van de standplaats met de woning en schuur wordt gescheiden door een stenen muur zonder doorgang. Daarnaast stellen eisers dat de kadastrale gegevens niet alleszeggend zijn en dat zij het bosperceel niet huurden van de gemeente. Tijdens de zitting hebben eisers aangegeven dat zij niet langer het standpunt innemen dat er op de schuur geen camera’s waren gericht op het bosperceel.\n\n15. De burgemeester heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar een drietal uitspraken van de Afdelingals volgt gereageerd op de beroepsgrond van eisers:\n\n“Uit al deze uitspraken volgt dat om te kunnen spreken van een ‘samenhangend geheel’\n\ner in de eerste plaats sprake moet zijn van ruimtelijke samenhang en daarnaast van\n\nfunctionele samenhang. Anders dan eisers beweren in hun (aanvullend) beroepschrift is\n\nde burgemeester niet alleen uitgegaan van de kadastrale eenheid. Dit laatst, ruimtelijke\n\nelement is slechts één van de (vele) factoren waarop de burgemeester baseert dat de\n\nwoning, schuur en het achterliggende bosperceel een samenhangend geheel zijn. De\n\nruimtelijke samenhang bestaat hieruit dat:\n\nde woning en de schuur op hetzelfde, als één geheel verhuurde kadastrale perceel gelegen zijn;\n\nhet perceel als één geheel is omsloten en als één geheel toegankelijk is via dezelfde toegang vanaf de openbare weg. De schuur is alleen via een smalle toegang die loopt langs de woonwagen te bereiken (zie ook de foto’s in de bestuurlijke rapportage van 26 februari 2020). Dat geldt ook voor het achter de schuur gelegen bosperceel;\n\nde schuur en woonwagen worden door dezelfde personen gehuurd en gebruikt, te weten [naam] en [naam] , alsmede hun kinderen;\n\nde schuur en woonwagen liggen praktisch tegen elkaar aan, daarmee in elkaars fysieke nabijheid. Tussen de schuur en de woonwagen is nauwelijks fysieke ruimte aanwezig, waardoor buiten het zicht vanuit de woning de schuur kan worden bereikt.\n\nIn het kader van de ruimtelijke samenhang mag ook het sluitingsdoel worden betrokken.\n\nEen gedeeltelijke sluiting — van bijvoorbeeld alleen de schuur of, zoals eisers lijken voor\n\nte staan, alleen het bosperceel zal ertoe leiden dat niet goed controleerbaar is wat er\n\ntijdens de sluiting op de rest van het perceel gebeurt. Een persoon zou geheel aan het\n\nzicht vanaf de openbare weg onttrokken, vanuit de woning de schuur of het daarachter\n\ngelegen bosperceel alsnog kunnen betreden. Dit zou afbreuk doen aan het doel van de\n\nsluiting, te weten het beëindigen van de overtreding en voorkoming van het herhaling en\n\nhet afgeven van een signaal dat het overtreden van de Opiumwet wordt gehandhaafd.\n\nDat er een afscheiding zou bestaan — hetgeen niet zo is — of zou zijn te maken tussen de\n\nwoning, de schuur en het bosperceel, laat daarmee onverlet dat het sluitingsdoel zich\n\nalsdan nog steeds verzet tegen het buiten de sluiting houden van delen van het\n\nsamenhangende geheel. Zie in dit verband ook de volgende overweging van de Afdeling\n\nin een uitspraak van 6 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401:\n\n‘Hieruit blijkt onder meer dat de loods direct achter de woning ligt, dat tussen de woning en de loods een tuin ligt die is omheind en dat een uitgang van de loods uitkomt in de tuin. Dit betekent dat de loods, vanaf de openbare weg bezien, ongezien kan worden binnengetreden via de woning en de tuin. Indien de woning niet zou zijn gesloten dan was de bereikbaarheid van de loods gelet hierop vele malen gemakkelijker geweest. Dat [appellante] derden de toegang tot haar terrein had kunnen ontzeggen en bovendien het toegangshek had kunnen sluiten, geeft geen grond voor een ander oordeel. De burgemeester stelt in dit verband terecht dat de productie van amfetamine zich afspeelt in een criminele omgeving en hij heeft aannemelijk mogen achten dat [appellante], al dan niet met geweld, in dat geval gedwongen zou kunnen worden toegang te verlenen tot het terrein en de loods. Voorts heeft de burgemeester erop gewezen dat sluiting van de woning en het terrein nodig was om de loods achter de woning zichtbaar te onttrekken aan het illegale circuit, waardoor de bekendheid van de drugslaboratoria definitief kon worden beëindigd.’\n\nIn verband met de functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het\n\nbosperceel, wijs ik namens de burgemeester op de volgende elementen waarop deze\n\nfunctionele samenhang met name is gestoeld:\n\n- in de schuur zijn munitie en huizen, alsmede onderdelen voor (vuur)wapens\n\naangetroffen, daaronder begrepen een onderdeel van een machinegeweer. Deze\n\nvoorwerpen werden ook aangetroffen in\u002Fop het bosperceel, tezamen met grote\n\nhoeveelheden harddrugs. De wapens, wapenonderdelen en munitie zijn — zeker\n\nin de gegeven context — aan te merken als drugs gerelateerd;\n\n- uit tapgesprekken is gebleken dat de schuur vrijwel dagelijks werd gebruikt als\n\noverleglocatie\u002Fhandelsplaats voor een CSV. In de schuur werden blijkens tapgesprekken doorlopend drugstransacties besproken (zie de bestuurlijke\n\nrapportage van 26 februari 2020);\n\n- uit een proces-verbaal van 21 februari 2019 en strafvonnis van 6 september\n\n2021 blijkt ook dat vermoedelijk MDMA is geleverd in de schuur. Ook is een\n\ntapgesprek in de schuur waargenomen waarin is gesproken over Barcelonapillen.\n\nHet betreft vermoedelijk de voorraad MDMA-pillen met daarop een logo\n\nvan FC Barcelona die in de ondergrondse ruimten in\u002Fop het bosperceel werden\n\naangetroffen;\n\n- blijkens tapgesprekken werden diverse gesprekken over — kort gezegd —\n\ndrugshandel in de schuur werden voortgezet in de woning op hetzelfde perceel\n\nen werd de woning ook bezocht door leden van het CSV;\n\n- in de woning zijn daarnaast grote contante geldbedragen aangetroffen,\n\nwaaronder in totaal € 256.650,- aan o.a. Deense Kronen. Het geld lag verstopt\n\nin de ouderlijke slaapkamer, in een kast onder de vloer. Het geld was in\n\ncoupures van bankbiljetten verpakt in plastic pakketjes;\n\n- door de strafrechter is bovendien bewezen bevonden (zie eerder genoemd\n\nvonnis van 6 september 2021) dat het in de woning aangetroffen geldbedrag —\n\nkort gezegd — een gedeelte van de ‘kas’ van het CSV betrof, in verband met de\n\no.a. op het perceel plaatsvindende illegale activiteiten.”\n\n16. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de burgemeester bij het aannemen van ruimtelijke en functionele samenhang tussen het bosperceel, de schuur en de woning en de elementen die daarbij relevant zijn. De burgemeester heeft op goede gronden verwezen naar de rechtspraak van de Afdeling. Uit die rechtspraak volgt ook dat een bestuursorgaan, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekende bestuurlijke rapportage, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Als die bevindingen worden betwist, dan zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zulke twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.\n\n18. Omdat eisers de bevindingen in de beschikbare bestuurlijke rapportages niet betwisten oordeelt de rechtbank dat kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan, waaronder hetgeen als volgt in de aanvullende bestuurlijke rapportage van 22 juni 2020 is vermeld:\n\n“Relatie bos (terrein) en [adres]\n\nUit het strafrechtelijk\u002Fforensisch onderzoek is gebleken dat er meerdere (4x) camera’s waren aangebracht aan, onder andere, de achterzijde van de schuur, behorende bij perceel [adres] . De camera’s waren gericht op het bos (terrein) direct grenzend aan de achterzijde van de schuur en gaven vanuit een aangesloten en werkend beeldscherm, geplaatst in de betreffende schuur perceel [adres] , beelden van de plekken al waar de aangetroffen ondergrondse ruimten en het vat werden aangetroffen in het bos (terrein).\n\nVerondersteld wordt dat de camera’s aan de achterzijde van de schuur, gericht op het bos (terrein) bedoeld waren voor het zicht op de ondergrondse ruimten en het ingegraven vat waarin de inbeslaggenomen goederen werden aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat er een directe relatie bestaat tussen deelnemers aan het CSV dat criminele activiteiten ontplooide vanuit de schuur aan de [adres] en de inbeslaggenomen goederen in het bosperceel (zie sporenonderzoek\u002FDNA hits).”\n\n19. De rechtbank concludeert dat de burgemeester terecht een ruimtelijke en functionele samenhang tussen de woning, de schuur en het bosperceel heeft aangenomen en bevoegd was tot sluiting van zowel het bosperceel, de schuur als de woning.\n\nEvenredigheid\n\n20. Eisers stellen dat de sluiting onevenredig is, omdat de burgemeester het tijdsverloop en de verwijtbaarheid van de bewoners onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Volgens eisers heeft de burgemeester ten onrechte ook niet meegewogen dat de gemeente als verhuurder van de woning belang heeft bij de sluiting omdat direct een procedure tot ontruiming is gestart nadat van rechtswege de ontbindingsbevoegdheid was ingeroepen.\n\n21. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester het tijdsverloop voldoende heeft betrokken in de besluitvorming. In het primaire besluit is immers overwogen dat vanwege het tijdsverloop en omdat de omstandigheden als gevolg van het coronavirus het vinden van een vervangende woonruimte lange termijn bemoeilijken, de sluitingsduur wordt verkorten van de voorgenomen twaalf naar zes maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding dat de sluitingsduur vanwege het tijdsverloop nog verder moet worden verkort. De burgemeester heeft terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021,waaruit volgt dat pas na het verstrijken van één jaar sinds de datum dat de sluiting volgens het besluit zou moeten ingegaan, de burgemeester de noodzaak tot sluiting opnieuw moet beoordelen. In dit geval is die periode van één jaar echter nog niet verstreken.\n\n23. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester zich er voldoende zorgvuldig en inzichtelijk van heeft vergewist dat de duur van de sluiting evenwichtig is en daarbij heeft kunnen betrekken dat [naam] en [naam] , gelet op de niet bestreden feiten en omstandigheden, een zeer ernstig verwijt treft. Aan de omstandigheid dat voor hun kinderen [naam] en [naam] mogelijk een verminderde mate van verwijtbaarheid geldt, kan niet de door eisers gewenste betekenis worden toegekend. Uit rechtspraak van de Afdelingvolgt immers dat ouders in beginsel verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte voor de kinderen. De burgemeester heeft hulp aangeboden, indien eisers daarin niet zouden kunnen slagen.\n\n24. Aan het door eisers gestelde belang van de gemeente als verhuurder van de woning kan bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting evenmin relevante betekenis worden toegekend. Daarbij overweegt de rechtbank dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet zozeer een gevolg is van de woningsluiting, maar van het feit dat gelet op de beschikbare gegevens sprake is van zeer ernstige activiteiten.\n\n25. De rechtbank concludeert dat de burgemeester bevoegd was om te sluiten voor een periode van zes maanden. De voor eisers nadelige gevolgen van de sluiting zijn niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en algemene belang. De burgemeester heeft met in achtneming van de rechtspraak van de Afdeling alle relevante omstandigheden en belangen betrokken bij de besluitvorming.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de burgemeester sluiting van de woning, de schuur en het bosperceel heeft mogen bevelen voor een duur van zes maanden. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. V.A.C.M. Vonk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 23 januari 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Uitspraken van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1520, en van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2526.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:2912.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285 en 335.\n\n Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2022:1910, 1911, 1913 en 1916.\n\n De uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2401, de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2456 en de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193.\n\n Zie onder andere de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1916, r.o. 5.3.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2756.\n\n Zie bijvoorbeeld de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:332","2023-01-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.954Z",1,20]