[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-parental-responsibility-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":49},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},64,"parental-responsibility-nl","Parental Responsibility","NL","2026-07-08T16:54:19.202Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-04-07T00:00:00.000Z","2026-06-08T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123094","Burgerlijk Wetboek","art. 1:5 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123095","art. 1:5 lid 9",[30,41],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1080","ECLI:NL:RBMNE:2026:4014","ecli-nl-rbmne-2026-4014","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F603809 \u002F FO RK 25-1557\n\nVaststelling ouderschap\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. A.J. Begthel,\n\ntegen\n\n [de man],\n\noverleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nmet als belanghebbende\n\nmr. L.M. Bongers,\n\nkantoorhoudende in Wijk bij Duurstede,\n\nals bijzondere curator over het kind [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n1. De procedure\n\n1.1. De moeder heeft op 8 december 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend.\n\n1.2. In de beschikking van 8 januari 2026 heeft de rechtbank mr. L.M. Bongers benoemd als bijzondere curator over [minderjarige] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige] in deze procedure en komt op voor zijn belang.\n\n1.3. Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:\n\nhet advies van de bijzondere curator van 27 januari 2026;\n\nhet bericht van de moeder van 11 februari 2026;\n\nhet bericht van de moeder van 30 april 2026 met bijlage.\n\n1.4. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde bijzondere curator.1.5. Aan de heer [A.] , mevrouw [B.] (grootouders moederszijde), de heer [C.] en mevrouw [D.] (grootouders vaderszijde) is bijzondere toegang tot de zittingszaal verleend.\n\n1.6. Na de zitting heeft de moeder nog een origineel afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] overgelegd.\n\n2. De belangrijke feiten\n\n2.1. De moeder en de man hebben een relatie gehad.\n\n2.2. De man is overleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] .\n\n2.3. \n\nDe moeder is vervolgens bevallen van een zoon:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n2.4. \n [minderjarige] is niet erkend.\n\n2.5. De moeder heeft alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.6. Partijen hebben (of hadden) allen de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Verzoeken en verweer3.1. De moeder verzoekt de rechtbank om het ouderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen.\n\n3.2. Omdat de man is overleden kan hij geen verweer voeren tegen het verzoek.\n\n3.3. Hoewel de grootouders (van beide kanten) geen belanghebbenden zijn in deze procedure, merkt de rechtbank op dat zij het verzoek wel ondersteunen.\n\n3.4. De bijzondere curator adviseert de rechtbank om een DNA-onderzoek te gelasten naar de vraag of de man de biologische vader is van [minderjarige] . Als uit dit DNA-onderzoek blijkt dat de man de biologische vader is van [minderjarige] , verzoekt de bijzondere curator om het vaderschap van de man over [minderjarige] gerechtelijk vast te stellen. Ook verzoekt de bijzondere curator om daarbij te bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de man zal dragen.\n\n4. De beoordeling\n\nConclusie4.1. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en stelt het ouderschap vast van de man over [minderjarige] . De rechtbank zal ook bepalen dat [minderjarige] voortaan de geslachtsnaam van de man draagt. Hierna licht de rechtbank de beslissing toe.\n\nOntvankelijkheid4.2. De rechtbank zal de moeder ontvankelijk verklaren in haar verzoek, omdat zij het verzoek binnen vijf jaren na de geboorte van het kind heeft ingediend.Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de moeder inhoudelijk kan beoordelen.\n\nHet wettelijk kader4.3. Op grond van de wet kan het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, door de rechtbank worden vastgesteld op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. Dit kan op verzoek van de moeder of het kind.\n\nGeen DNA-onderzoek4.4. De rechtbank is van oordeel dat DNA-onderzoek in dit geval niet noodzakelijk is om het vaderschap van de man over [minderjarige] vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is er gelet op de stukken en wat tijdens de zitting is besproken voldoende grond om te concluderen dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Gebleken is namelijk dat de moeder en de man een bestendige relatie met elkaar hadden toen de man plotseling overleed. Op dat moment woonden zij ook met elkaar samen. Naar de buitenwereld toe hebben de moeder en de man samen bekend gemaakt dat zij in verwachting waren van een kindje, hetgeen blijkt uit de overgelegde verklaringen van familie en vrienden, Whatsappberichten en berichten van de moeder op Facebook. Daarnaast blijkt uit de overgelegde verloskundigenkaart van de moeder dat de man met de moeder mee is geweest naar afspraken bij de verloskundige en dat hij daar werd gezien als vader van het toen nog ongeboren kind. Tot slot is van belang dat ook de grootouders van beide kanten het verzoek ondersteunen en er bij alle betrokkenen geen enkele twijfel is over het verwekkerschap van de man.\n\nGeslachtsnaam4.5. De moeder heeft verklaard dat zij graag wil dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de man zal dragen.\n\n4.6. Uit de wet volgt dat als een kind door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, het de geslachtsnaam van de moeder houdt, tenzij de moeder en de man wiens vaderschap is vastgesteld ter gelegenheid van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben of van beide ouders in vrij te bepalen volgorde.Als één van de ouders voorafgaand aan de naamskeuze is overleden, dan legt de andere ouder een verklaring omtrent de naamskeuze af.\n\n4.7. In dit geval is de man overleden, zodat de ouders niet gezamenlijk een naamskeuze kunnen doen. De moeder kan op grond van de wet in dat geval alleen de naamskeuze afleggen. De rechtbank zal daarom de naamskeuze opnemen in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.8. De moeder heeft verzocht om de beslissing ‘voor zover mogelijk’ uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1. \n\nstelt het ouderschap vast van:\n\n [de man], geboren op [geboortedatum 2] 1996 in [geboorteplaats] en overleden op [datum overlijden] 2025 in [plaats] ,\n\nover het kind:\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats] ;\n\n5.2. stelt vast dat de moeder heeft verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [naam]zal dragen, zodat hij zal heten:[minderjarige];\n\n5.3. wijst de verzoeken voor het overige af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:207 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 1:207 lid 1 BW\n\n Artikel 1:5 lid 2 BW\n\n Artikel 1:5 lid 9 BW","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4014","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:03.053Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"1866","ECLI:NL:RBMNE:2026:3455","ecli-nl-rbmne-2026-3455","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F604599 \u002F FO RK 25-1620\n\nhoofdverblijfplaats en zorgregeling\n\nBeschikking van 7 april 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de vader],\n\nwonende in [plaats] , gemeente Utrechtse Heuvelrug,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nadvocaat mr. D.I.A. Schröder,\n\ntegen\n\n [de moeder],\n\nwonende in [plaats] , gemeente Utrechtse Heuvelrug,\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nadvocaat mr. A.Y.M. Jansse.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 22 december 2025;\n\nhet bericht van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 23 februari 2026;\n\nde akte aanvullend verzoek van de vader (met bijlagen), binnengekomen op 24 februari 2026.\n\n1.2.. De rechtbank heeft aan de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de zonen van de ouders, gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. Zij hebben beiden op 18 februari 2026 met de kinderrechter gesproken.\n\n1.3.. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 2 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat,\n\nde moeder met haar advocaat,\n\nmevrouw [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming,\n\nmevrouw [persoon 2] , namens Samen Veilig Midden-Nederland, als informant.\n\n2. Waar de procedure over gaat\n\n2.1.. Het geregistreerd partnerschap van de ouders is ontbonden op 24 juni 2024.\n\n2.2.. \n\nDe kinderen van de ouders zijn:\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] .\n\n2.3.. De kinderen wonen bij de moeder. Zij hebben geen contact meer met de vader.\n\n2.4.. De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. Dit betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.\n\n2.5.. \n\nDe kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2024 de kinderen onder toezicht gesteld van Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI). Op\n\n19 juni 2025 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 4 juli 2026.\n\nBij beschikking van 23 december 2025 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen op verzoek van de GI tussentijds opgeheven met ingang van 23 december 2025.\n\n2.6.. Bij beschikking van 2 maart 2023 heeft deze rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de man en de vrouw in de vorm van “birdnesting” voor de kinderen zorgden.\n\n2.7.. Bij beschikking van 5 december 2024 heeft de rechtbank de voorlopige zorgregeling gewijzigd in die zin dat [minderjarige 2] voorlopig vier dagen per veertien dagen achter elkaar bij de vader zal verblijven. Voor [minderjarige 1] is geen zorgregeling vastgelegd. De definitieve beslissing over de zorgregeling is aangehouden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling.\n\n2.8.. Bij beschikking van 9 juli 2025 heeft de rechtbank de zorgregeling wederom gewijzigd en bepaald dat de GI de regie heeft over het contactherstel en de mogelijke opbouw van het contact tussen de vader en [minderjarige 1] en de vader en [minderjarige 2] .\n\n2.9.. \n\nDe vader verzoekt de rechtbank nu:\n\nPrimair:\n\nHet hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen, in die zin dat zij hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;\n\nSubsidiair:\n\nI. Primair: een zorgregeling vast te leggen waarbij de kinderen gedurende de ene week bij de vader verblijven en de andere week bij de moeder, enzovoorts;\n\nSubsidiair: een andere zorgregeling vast te stellen zoals uw rechtbank in goede justitie meent te behoren;\n\nII. Te bepalen dat de moeder de zorgregeling zoals in de in deze te wijzen beschikking door uw rechtbank zal worden vastgesteld nakomt, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding, met een maximum van € 10.000,-;\n\nIII. De vader te machtigen om nakoming van de zorgregeling zoals in de in deze te wijzen beschikking door uw rechtbank zal worden vastgelegd, na verbeurte van het maximum van € 10.000,- aan dwangsommen, door middel van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen;\n\nMeer subsidiair:\n\nDe moeder te bevelen om de vader per e-mail te consulteren en minimaal eenmaal per maand per e-mail te informeren over het welzijn van de kinderen en gewichtige aangelegenheden aangaande de kinderen en daarbij per kind ten minste twee recente foto’s per e-mail aan de vader te verstrekken.\n\n2.10.. De moeder heeft verweer gevoerd.\n\n3. De beoordeling\n\nDe beslissing3.1.. De rechtbank zal de verzoeken van de vader over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling afwijzen. De rechtbank zal daarnaast beslissen dat de moeder eens per drie maanden informatie over de kinderen zal sturen aan de vader, met daarbij eensper zes maanden een recente foto van de kinderen. Hierna zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.\n\nDe hoofdverblijfplaats en zorgregeling3.2.. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet wijzigen. Evenmin zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen tussen de vader en de kinderen. Dit wordt hierna uitgelegd.\n\n3.3.. Partijen zijn er niet in geslaagd om samen een ouderschapsplan op te stellen toen zij uit elkaar gingen, waarna de rechtbank beslissingen heeft genomen over (onder meer) de zorgregeling tussen de vader en de kinderen. [minderjarige 1] heeft sinds april 2023 geen contact meer met de vader en sinds december 2024 heeft ook [minderjarige 2] geen contact meer met de vader. In juli 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. In het kader van de ondertoezichtstelling is hulpverlening ingezet van EchtKinderachtig en Youké. Pogingen om het contact tussen de kinderen en de vader te herstellen zijn tot nu toe niet gelukt. De kinderen zijn stellig in hun mening dat zij nu geen contact met de vader willen. De vader kan zich hier niet bij neerleggen.\n\n3.4.. \n\nYouké heeft een gezinsdiagnostisch onderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of en op welke manier gewerkt zou kunnen en moeten worden aan contactherstel tussen de vader en de kinderen. In het rapport van 18 september 2025 zijn vijf oplossingsrichtingen uitgewerkt, met ieder hun voor- en nadelen. In vier van de vijf opties wordt ingezet op een plaatsing van [minderjarige 1] en\u002Fof [minderjarige 2] in een andere omgeving dan die bij de moeder, van waaruit vervolgens zou kunnen worden gewerkt aan contactherstel met de vader. Als vijfde optie wordt voorgesteld om de kinderen te volgen in hun weigering tot contact met de vader en voorlopig dus te berusten in de huidige situatie waarbij er geen contact is tussen de kinderen en de vader.\n\nDe GI heeft uitgelegd waarom zij uiteindelijk in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor deze laatste optie hebben gekozen. De GI ziet de schadelijke effecten van alle opties, maar ziet daarnaast bij een uithuisplaatsing van de kinderen ook het aanzienlijke risico dat de kwaliteit en het doel van de uithuisplaatsing niet gewaarborgd kunnen worden gezien de leeftijd van de kinderen en hun weigering contact met de vader te hebben. De effecten van een uithuisplaatsing kunnen uiteindelijk voor deze kinderen schadelijker zijn dan het feit dat zij geen contact met hun vader hebben.\n\n3.5.. Op 23 december 2025 is de ondertoezichtstelling van de kinderen door de kinderrechter beëindigd, omdat de ingezette hulpverlening niet tot verder resultaat heeft geleid. De ondertoezichtstelling leek zelfs het verzet van de kinderen tegen contactherstel met de vader te versterken. Na een zorgvuldige afweging heeft de kinderrechter geoordeeld dat het in het belang van de kinderen is dat er nu voor hen een periode van rust komt, waarin niet door instanties of hulpverlening of de ouders aan de kinderen wordt getrokken en zij zich op zichzelf kunnen richten. Deze beslissing tot beëindiging van de ondertoezichtstelling is inmiddels onherroepelijk.\n\nWat wil de vader3.6.. De vader heeft zijn huidige verzoeken over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling één dag voor de beslissing over de beëindiging van de ondertoezichtstelling ingediend en daarna gehandhaafd. De vader beroept zich op het rapport van 18 september 2025 van Youké en hij vindt dat voor een andere optie moet worden gekozen om het proces van ouderonthechting te stoppen. Hij vindt het nodig dat de kinderen uit de invloedsfeer van de moeder worden gehaald en tijdelijk in een netwerk-gezin gaan wonen, met intensieve begeleiding van een psycholoog of psychotherapeut. De vader vindt het in het belang van de kinderen dat het contact met hem zo snel mogelijk wordt hersteld.\n\nWat willen de kinderen3.7.. De kinderrechter heeft in de huidige procedure opnieuw met de kinderen gesproken. De kinderen hebben verteld dat er voor hen niets is veranderd sinds de laatste keer dat zij de rechter spraken over (de beëindiging van) de ondertoezichtstelling. Zij willen geen contact met de vader en zij hebben het fijn bij de moeder. [minderjarige 1] heeft daarnaast heel duidelijk aangegeven dat hij het helemaal beu is dat hij steeds weer aan anderen moet uitleggen dat hij geen contact wil met zijn vader. Hij heeft ook duidelijk gesteld dat hij niet wil meewerken aan alle hulpverlening die gericht is op contactherstel. [minderjarige 1] wil rust.\n\n3.8.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat er zich sinds de beëindiging van de ondertoezichtstelling geen gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat de rechtbank nu tot een ander oordeel zou moeten komen. De rechtbank is van oordeel dat contact met de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan op dit moment niet van de kinderen worden gevergd om te werken aan contactherstel met de vader. De GI en de Raad delen dit standpunt. Het voorgaande is ook overwogen in de beslissing tot beëindiging van de ondertoezichtstelling (zaaknummer C\u002F16\u002F602971 \u002F JE RK 25-1754). De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen door de kinderrechter in die beschikking is overwogen.\n\nGelet hierop zal de rechtbank de verzoeken van de vader afwijzen.\n\n3.9.. Voor de vader is deze situatie, waarin er geen contact is met de kinderen, zeer pijnlijk, verdrietig en ingrijpend, zo is duidelijk gebleken tijdens de zitting. De rechtbank beseft dat deze beslissing een grote weerslag kan hebben op de vader. De rechtbank heeft de hoop dat de kinderen, als de druk er een periode af is en de kinderen in alle rust stappen in hun ontwikkeling hebben kunnen zetten, op termijn ruimte kunnen voelen om toenadering tot de vader te zoeken.\n\nDe informatieregeling3.10.. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de vader weet wat er in het leven van de kinderen gebeurt.Dit is ook belangrijk omdat de vader samen met de moeder het gezag heeft over de kinderen en dus mee moet beslissen over belangrijke onderwerpen in het leven van de kinderen. Dit is niet mogelijk wanneer hij geen idee heeft wat er speelt in hun leven. Daarnaast heeft de vader deze informatie nodig om goed bij de kinderen te kunnen aansluiten als er in de toekomst mogelijk weer contact komt.\n\n3.11.. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail zal sturen aan de vader over:\n\n- de gezondheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\n- hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat op school,\n\n- de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\nen dat de moeder daarnaast een keer per zes maanden een recente foto van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader zal sturen.\n\n3.12.. Het is niet de bedoeling dat de vader reageert op de informatie die de moeder stuurt. Het contact zal eenzijdig zijn, van de moeder naar de vader. Het staat de vader natuurlijk wel vrij om aan de kinderen kaartjes te blijven sturen. Al hoort de vader mogelijk niets terug, op die manier kan hij wel aan ze laten weten dat hij aan ze denkt.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad3.13.. \n\nDe rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.\n\nDat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.\n\nDe kosten van deze procedure3.14.. De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.\n\nDe brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]3.15.. Tegelijkertijd met de beschikking stuurt de rechter een brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :\n\n“Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\nDeze brief gaat over mijn beslissing die ik heb genomen over het verzoek dat is gedaan door jullie vader om een omgangsregeling vast te stellen. Ik heb jullie hierover gesproken en jullie hebben mij allebei verteld wat je ervan vindt. Na ons gesprek heb ik met je moeder, je vader, hun advocaten en met een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming en met jullie vorige gezinsvoogd gesproken. Daarna heb ik de beslissing genomen die ik voor jullie het beste vind. Die beslissing is dat ik vind dat er nu geen omgangsregeling tussen jullie vader en jullie moet komen. Ik heb de verzoeken van jullie vader daarom afgewezen.\n\nIk vind namelijk dat jullie nu rust moeten krijgen zodat jullie je op jullie eigen ontwikkeling kunnen richten. Deze jaren in jullie leven zijn belangrijke jaren voor jullie. En natuurlijk zou het het fijnst zijn als jullie goed contact zouden hebben met allebei jullie ouders. Ik vind het heel verdrietig dat jullie geen contact meer hebben met jullie vader. Maar ik vind dat er al heel veel is geprobeerd om het contact tussen jullie en je vader te herstellen. Ik verwacht niet dat nu weer een nieuwe poging doen jullie daarin verder gaat helpen. Ik vrees zelfs dat als de druk er zwaar op blijft liggen en jullie hierin weer van alles moeten, een nog diepere kloof tussen jullie en jullie vader zal ontstaan.\n\nIk heb wel besloten dat jullie moeder eens per drie maanden aan jullie vader moet laten weten hoe het met jullie gaat. Ook moet zij een keer per zes maanden een recente foto van jullie aan hem sturen. Dit is belangrijk voor jullie vader, zodat hij – zolang er geen contact is – kan blijven volgen hoe het met jullie gaat.\n\nJullie vader houdt heel erg veel van jullie allebei. Het maakt hem erg verdrietig dat hij geen contact met jullie heeft. Ik hoop dat er in de toekomst een moment komt waarin jullie ruimte gaan voelen om weer stapjes richting jullie vader te zetten. Dat wens ik jullie toe, in jullie eigen tempo.\n\nVoor nu wens ik jullie al het goede!\n\nDe kinderrechter”\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1.. \n\nbepaalt dat de moeder een keer per drie maanden een e-mail zal sturen aan de vader over: - de gezondheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,\n\n- hoe het met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat op school,\n\n - de hobby’s van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;\n\n4.2.. bepaalt dat de moeder een keer per zes maanden een recente foto van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader zal sturen;\n\n4.3.. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.4.. bepaalt dat de ouders hun eigen proceskosten betalen;\n\n4.5.. wijst de verzoeken van de vader voor het overige af.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door A.M.J. van der Weide, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:253a lid 2 sub c BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3455","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:42.761Z",20]