[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-social-security-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":104,"limit":105},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},44,"social-security-nl","Social Security","NL","2026-07-08T16:53:39.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},10,{"min":18,"max":19},"2026-02-20T00:00:00.000Z","2026-06-12T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51,59,67,75,83,90,97],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1557","ECLI:NL:RBMNE:2026:3503","ecli-nl-rbmne-2026-3503","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 26\u002F3244\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: B. van der Plas)\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer [A] .\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\n3. Eiseres heeft haar verzoek om herbeoordeling ingediend op 11 maart 2024. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 19 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 14 mei 2024 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 8 mei 2026 beroep ingesteld.\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.\n\n5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.\n\n6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).\n\n8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres betalen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:41.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3503","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:27.049Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1394","ECLI:NL:RBMNE:2026:3360","ecli-nl-rbmne-2026-3360","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6491\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Loef),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerzoekster heeft op 10 november 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 17 oktober 2025.\n\nOp 16 april 2026 heeft verweerder een nieuwe beslissing genomen waarin hij de beslissing van 17 oktober 2025 heeft gewijzigd.\n\nVerzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.\n\nVerweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.\n\n2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.\n\n4. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-). bij wegingsfactor 1 wordt dus € 934,- toegekend.\n\n5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3360","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:19.484Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"1418","ECLI:NL:RBMNE:2026:3269","ecli-nl-rbmne-2026-3269","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6409-T\n\nproces-verbaal van de tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen\n Stichting Axioncontinu Groep, uit Utrecht, eiseres\n\n(gemachtigde: A. van Lieshout),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder\n\n(gemachtigde: J.H. Swart).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel [derde belanghebbende] , uit [plaats] .\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres over de uitkering op\n\ngrond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) die aan haar werkneemster [derde belanghebbende] (hierna: werkneemster) is toegekend.\n\n2. Werkneemster was bij eiseres werkzaam als [functie] zorg voor gemiddeld 27,82 uur\n\nper week. Op 10 maart 2023 is zij voor haar werk uitgevallen. Op 5 december 2024 heeft werkneemster een WIA-uitkering aangevraagd.\n\n3. Met het besluit van 28 februari 2025 heeft het Uwv aan werkneemster vanaf\n\n11 maart 2025 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt, omdat zij meent dat werkneemster ook duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een uitkering op grond van de inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).\n\n4. Met het besluit van 8 oktober 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond\n\nverklaard. Het Uwv heeft beoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt. Werkneemster is arbeidsongeschikt, maar heeft geen recht heeft op een IVA-uitkering, omdat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt is.\n\n5. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft in beroep gereageerd met een\n\nverweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2025.\n\n6. De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben\n\ndeelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het Uwv en werkneemster.\n\n7. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk tussenuitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n8. De rechtbank komt tot de conclusie dat de uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en\n\nberoep over de urenbeperking niet duidelijk is. Zij zal hierna uitleggen waarom zij dat vindt. Voor nu geldt dat zij een tussenuitspraak doet, waarbij zij het Uwv acht weken na verzending van de tussenuitspraak de tijd geeft om dit te herstellen. Het Uwv moet binnen twee weken aan de rechtbank laten weten of hij dat wil doen.\n\n9. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat werkneemster volledig (80-100%)\n\narbeidsongeschikt is. Het gaat in deze zaak wel om de vraag of werkneemster ook duurzaam arbeidsongeschikt is.\n\n10. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst\n\n(FML) met duurzame beperkingen opgesteld. In die FML zijn onder andere beperkingen aangenomen als gevolg van angst- en rouwklachten en een urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag.\n\n11. Eiseres is het niet eens met zowel de urenbeperking als de opgenomen beperkingen als\n\ngevolg van angstproblematiek en rouw. Tijdens de zitting heeft zij toegelicht dat de angst- en rouwklachten einde wachttijd, dus op 11 maart 2025, niet meer aanwezig waren en dat er zorgvuldig onderzoek had moeten worden gedaan. De rechtbank begrijpt dat een zorgvuldig onderzoek van belang is, maar dat ziet volgens haar met name op de vraag of de urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag juist is vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De beperkingen als gevolg van angst en rouw heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzocht. Het is ook niet in het nadeel van eiseres of werkneemster dat die beperkingen in de FML staan. De rechtbank heeft geen twijfels over de juistheid van deze beperkingen.\n\n12. De rechtbank heeft wel twijfels over de juistheid van de urenbeperking van 20 uur per\n\nweek en 4 uur per dag. De primaire verzekeringsarts had namelijk een urenbeperking van 10 uur per week en 2 uur per dag aangenomen. Met die urenbeperking waren geen functies te duiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zonder nadere toelichting deze urenbeperking gewijzigd in het nadeel van eiseres en werkneemster. Dat is des te opvallender, omdat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 september 2025 naar voren lijkt te komen dat zij zich kan vinden in de beperkingen zoals de primaire verzekeringsarts die heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 17 november 2025, dus na het instellen van het beroep, een toelichting gegeven op de urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag, maar de rechtbank vindt die toelichting onvoldoende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep lijkt te suggereren dat het steeds bijstellen van de behandeling duidt op een verbetering van de klachten, maar ze wijst tegelijkertijd ook op het chronisch verloop van de astma, de duur hiervan, de frequente exacerbaties en het gecompliceerde verloop door het postcovidsyndroom en verwacht ook geen essentiële verbetering in de toekomst. Dat matcht niet met elkaar.\n\n13. Dit betekent dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid van de medische beoordeling.\n\nOmdat die beoordeling ten grondslag ligt aan het besluit van het Uwv dat werkneemster niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, is dat besluit gebrekkig. Het Uwv kan dat gebrek herstellen door opnieuw te onderzoeken of de urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag passend is. Daarbij moet het Uwv betrekken dat de primaire verzekeringsarts een urenbeperking van 10 uur per week en twee uur per dag passend vindt.Het Uwv moet daar ook bij betrekken dat de klachten van eiseres grillig verlopen en dat het steeds moeten bijstellen van de behandeling niet betekent dat er ook daadwerkelijk verbetering is in de klachten. Het Uwv moet dat onderzoek laten doen door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en die moet werkneemster zien tijdens een spreekuurcontact.\n\n14. Het Uwv moet zijn bevindingen binnen acht weken na verzending van de\n\ntussenuitspraak aan de rechtbank sturen. De rechtbank zal daarna eiseres en wekneemster in de gelegenheid stellen hierop binnen vier weken te reageren.\n\n15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.\n\nDat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;\n\n- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. M.H.L. Debets, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n Bent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3269","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.297Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"1401","ECLI:NL:RBMNE:2026:3368","ecli-nl-rbmne-2026-3368","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F7493\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser] , uit [plaats] , eiser,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,(gemachtigde: R. van den Brink) verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 21 december 2025 heeft ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 december 2025.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Eiser heeft namelijk het griffierecht niet betaald, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.\n\n2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 53,-.\n\n3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.\n\n4. De rechtbank heeft eiser op 22 januari 2026 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiser het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Ook staat in deze brief dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiser het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Uit de track & trace volgt dat de brief is afgehaald bij een PostNL-punt. De ontvangt is ondertekend op 5 februari 2026.\n\n5. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Eiser heeft daar geen reden voor gegeven.\n\n6. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb).\n\n7. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van\n\nJ.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3368","2026-07-13T00:29:19.693Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":66},"1490","ECLI:NL:RBMNE:2026:3347","ecli-nl-rbmne-2026-3347","2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F5865\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. N. Velthorst),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerzoeker heeft op 9 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaren van\n\n29 augustus 2025.\n\nOp 6 november 2025 heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin hij de beslissing van 29 augustus 2025 heeft herzien.\n\nVerzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.\n\nVerweerder heeft op 9 december 2025 gereageerd op dit verzoek.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.\n\n2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen.\n\n4. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-). bij wegingsfactor 1 wordt dus € 934,- toegekend.\n\n5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3347","2026-07-13T00:29:23.575Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":74},"1527","ECLI:NL:RBMNE:2026:3307","ecli-nl-rbmne-2026-3307","2026-03-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F4016\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. B. Mor- Yazir),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder,\n\n(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).\n\nProcesverloop\n\nVerzoekster heeft op 20 mei 2025 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaren van 8 april 2025.\n\nOp 27 oktober 2025 heeft verweerder een nieuw besluit genomen waarin hij het besluit van 8 april 2025 heeft gewijzigd.\n\nVerzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.\n\nVerweerder heeft op 31 december 2025 gereageerd op dit verzoek.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.\n\n2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.\n\n4. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-). bij wegingsfactor 1 wordt dus € 934,- toegekend.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3307","2026-07-13T00:29:25.457Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":82},"1441","ECLI:NL:RBMNE:2026:3283","ecli-nl-rbmne-2026-3283","2026-03-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F7290\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen\n\nStichting Amaris Zorggroep, gevestigd te Laren, verzoekster\n\n(gemachtigde: B. van der Plas),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand).\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.\n\nVerzoekster heeft op 27 oktober 2023 bezwaar ingediend tegen de beslissing van verweerder van 29 september 2023. Bij de brief van 5 december 2024 heeft verweerder een besluit genomen waarbij aan de ex-werknemer een IVA-uitkering is toegekend per 23 oktober 2023.\n\nOp 30 juni 2025 heeft verzoekster een verzoek om herbeoordeling ingediend. Op 12 december 2025 heeft verzoekster een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Bij de brief van 23 december 2025 heeft verweerder aangegeven dat de aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen, omdat per 23 oktober 2023 aan de ex-werknemer al een IVA-uitkering is toegekend. Verzoekster heeft vervolgens het beroep niet tijdig ingetrokken en een vergoeding gevraagd van de proceskosten.\n\nVerweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig\n\nis.\n\n2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de\n\nindiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n3. In dit geval is er geen sprake van dat het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) is tegemoetgekomen. Voordat verzoekster het beroep niet tijdig had ingediend, had verweerder de IVA-uitkering namelijk al toegekend aan de ex-werknemer. Er is daarom geen sprake van formeel of materieel tegemoetkomen vanwege het ingediende beroep. Hierdoor oordeelt de rechtbank dat het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van\n\nJ.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.\n\n Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3283","2026-07-13T00:29:21.308Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":87,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":89},"1357","ECLI:NL:RBMNE:2026:3357","ecli-nl-rbmne-2026-3357","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6473\n\nRectificatie d.d. 24 april 2026, p. 2\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. P.S. Fluit),\n\nen\n\nde raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder\n\n(gemachtigde: R. Roos).\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.\n\nVerweerder heeft op 13 maart 2025 en 12 augustus 2025 twee besluiten genomen. Verzoekster is hiertegen in bezwaar gegaan. Verweerder heeft in de beslissing van 8 oktober 2025 de beslissing op bezwaar van 15 april 2025 ingetrokken en beide bezwaarschriften ongegrond verklaard.\n\nOp 1 december 2025 is de beslissing op bezwaar gewijzigd. De bezwaren tegen de besluiten van 13 maart 2025 en 12 augustus 2025 worden hiermee toch gegrond verklaard.\n\nVerzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.\n\n2. Als een beroep geheel of gedeeltelijk is ingetrokken kan de rechtbank een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Awb).\n\n3. In deze procedure is een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee tegemoetgekomen is aan het beroep van eiser.\n\n4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.\n\n5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\n6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster kan zich hiervoor wenden tot verweerder.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.\n\n Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3357","2026-07-13T00:29:17.623Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":94,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":96},"1526","ECLI:NL:RBMNE:2026:3304","ecli-nl-rbmne-2026-3304","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F3754\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder\n\n(gemachtigde: R. Kluvers).\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.\n\nVerweerder heeft op 1 december 2025 gereageerd op dit verzoek.\n\nVerzoekster is in bezwaar gegaan tegen het besluit van verweerder. Verweerder heeft op 16 september 2025 een beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde.\n\nVerzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).\n\n2. Verzoekster heeft een vergoeding van € 53,- gevraagd aan verschotten.\n\n3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en aangegeven dat hij ervan uitgaat dat verzoekster met de verzochte proceskosten het griffierecht bedoelt.\n\n4. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb onder verschotten worden verstaan uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken. De rechtbank is van oordeel dat de door verzoekster gestelde kosten van het griffierecht niet valt onder die categorie.\n\n5. Alleen de kosten die zijn opgenomen in artikel 1 van het Bpb kunnen worden vergoed. Omdat niet is gebleken dat kosten zijn gemaakt zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) of van andere kosten die zijn opgenomen in artikel 1 van het Bpb, zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.\n\n6. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden. Omdat dit rechtstreeks uit de wet volgt, hoeft verweerder hier niet toe veroordeeld te worden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van\n\nJ.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3304","2026-07-13T00:29:25.424Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":101,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":103},"1439","ECLI:NL:RBMNE:2026:3282","ecli-nl-rbmne-2026-3282","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6669\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen\n\n [eiser] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiser,\n\n(gemachtigde: mr. J.Y. Sumer),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 10 september 2024.\n\nVerweerder heeft, ondanks meerdere verzoeken daartoe, geen gedingstukken en verweerschriften ingediend.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het beroepschrift voldoet niet aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.\n\n2. Iemand die namens een ander beroep in beroep gaat moet, als de rechtbank daar om vraagt, een machtiging indienen waarin staat dat hij dat namens die ander mag doen. Dit staat in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als dat niet gebeurt is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen machtiging is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.\n\n3. In dit dossier heeft eiser een procesmachtiging aangeleverd bij het beroepschrift. Deze machtiging geeft aan dat mevrouw [A] Brandmeester Advocaten en Juristen BV machtigt om eiser te vertegenwoordigen bij het instellen, behandelen en intrekken van een bezwaarprocedure en\u002Fof (hoger) beroepsprocedure naar aanleiding van de beslissing van UWV van 31 juli 2024 met het recht van vervanging. Mevrouw [A] staat echter niet vermeld als bestuurder in het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Daarom is zij onbevoegd tot het verlenen van de machtiging.\n\n4. De rechtbank heeft op 4 december 2025 aan eiser verzocht een schriftelijke machtiging te versturen ondertekend door een bevoegde bestuurder en een uittreksel uit het handelsregister van eiser waaruit blijkt wie als bevoegd bestuurder gerechtigd is beroep in te stellen. Brandmeester Advocaten en Juristen BV heeft een verzoek ingediend tot uitstel om de informatie aan te leveren. De rechtbank heeft dit verzoek geaccepteerd en uitstel verleend tot 14 januari 2026. Brandmeester Advocaten en Juristen BV heeft deze informatie niet aangeleverd.\n\n5. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb).\n\n6. Van een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3282","2026-07-13T00:29:21.233Z",1,20]