[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zutphen-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":83},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},68,"Zutphen","nl","zutphen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2025-02-10T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123967","Wetboek van Strafvordering","art. 141",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"123968","Algemene wet bestuursrecht","art. 5:11",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"123969","art. 5:19",[34,45,52,59,67,75],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"843","ECLI:NL:RBGEL:2026:5299","ecli-nl-rbgel-2026-5299","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F242161-25 en 08\u002F277661-25 (gev. ttz.)\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Tunesië),\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nop dit moment gedetineerd in het Detentiecentrum [verblijfplaats] .\n\nRaadsman: mr. R. van Rhijn, advocaat in Amersfoort, als waarnemer van mr. A.H.T. de Haas.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever 1] van het leven te beroven,\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam heeft vastgepakt en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam)\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam heeft vastgepakt en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam),\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem [aangever 1] heeft mishandeld, door\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam vast te pakken en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) dicht te knijpen\u002F dicht te drukken en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond te duwen, waardoor zij ten val kwam.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nhij op of omstreeks 21 juli 2025 te Dalfsen, althans in Nederland, opzettelijk in het openbaar, te weten vanuit een trein (die op dat moment stilstond op het perron), een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten\n\n- het brengen van zijn lichaam richting het raam van de (trein)coupe en\u002Fof\n\n- het naar beneden trekken van zijn onderkleding en\u002Fof het naar boven trekken van zijn bovenkleding en\u002Fof\n\n- het tonen en\u002Fof zichtbaar maken van zijn penis en\u002Fof\n\n- het vastpakken van zijn penis.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Volgens de officier van justitie is sprake van voorwaardelijk opzet. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft verdachte door met beide handen hard de keel van aangeefster dicht te knijpen, waarbij letsel is ontstaan, het risico aanvaard dat het slachtoffer door de verwurging zou komen te overlijden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte had geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van het aangeefster. Alle omstandigheden van het geval, te weten het letsel en de aard en de duur van de tenlastegelegde gedraging maken dat naar algemene ervaringsregels geen sprake is geweest van een reële, aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster. Het letsel dat daadwerkelijk is opgetreden werd door de deskundigen omschreven als niet levensbedreigend. Het slachtoffer had dus niet aan dit daadwerkelijk ontstane letsel kunnen overlijden.\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat op geen enkele wijze de conclusie kan worden getrokken dat verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm enig overtuigend opzet op de dood had en heeft daarbij ook opgemerkt dat het juist aangeefster en haar dochter waren die geruime tijd (over een afstand van een paar honderd meter) achter verdachte aanliepen - niet andersom.\n\nTen aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVerklaring van aangeefster\n\nOp zaterdagavond 13 september 2025 rond 19.00 uur arriveerde aangeefster samen met haar dochter en partner bij de woning van de dochter in Hattem. Zij zagen een voor hen onbekende man (verdachte) op het bouwterrein van de naastgelegen woning, waar ook een bouwkeet en een portable toilet stonden. Aangeefster vond dat hij er niet hoorde. De dochter sprak hem aan. Verdachte wees naar de bouwkeet en sprak in een voor aangeefster onverstaanbare taal. Daarna verliet hij het terrein en liep de straat op richting de bushalte. Aangeefster volgde hem samen met haar dochter. De dochter had op dat moment telefonisch contact met de meldkamer van de politie. Verdachte zette zijn tas bij de bushalte neer en liep een aantal keren heen en weer. Vervolgens keerde hij zich in de richting van aangeefster en kwam ineens op haar af. Hij ging met beide handen richting de keel van aangeefster en kneep met kracht haar keel dicht. Zij voelde dat haar strot werd dichtgeknepen. Hierdoor kreeg zij geen lucht meer. Dat duurde ongeveer 10 seconden. Verdachte liet haar daarna los en aangeefster viel achterover.\n\nAangeefster gaf aan dat zij daarna hees was en dat haar keel een beetje rafelig aanvoelde. Zij had lichte rode plekken aan zowel de rechter- als de linkerzijde van haar hals op de plek waar de vingers van verdachte de hals hadden omvat. \n\nOp 14 september 2024 verklaarde aangeefster dat het voor haar voelde alsof verdachte haar zeker een halve minuut vast had tijdens het wurgen, maar ze weet niet of het ook zo lang was. Ze had heel even het gevoel gehad dat ze geen adem kon halen, maar dat besefte ze zich pas achteraf. Direct ná de verwurging deed haar keel pijn en was zij hees. Ze merkt dat ze dingen is vergeten van gisteren. Ze lag ineens op de grond en weet via haar dochter hoe het is gegaan. Ze is niet buiten westen geweest en heeft goede oren. Ze hoorde haar dochter wel op de achtergrond tijdens het wurgen.\n\nVerklaring van de dochter\n\nDe dochter van aangeefster verklaarde dat zij verdachte heeft aangesproken en dat hij zei dat hij op zoek was naar een toilet. Zij zei tegen hem dat hij niet op haar erf mocht komen. Zij heeft – met zijn instemming – een foto van hem gemaakt en 112 gebeld. Daarna liep verdachte rustig weg. Samen met haar moeder liep zij op een afstandje achter verdachte aan. Verdachte stopte bij de bushalte en ging daar zitten. Moeder en dochter bleven in de buurt van het bushokje wachten op de komst van de politie. Verdachte stond weer op en pakte zijn tas. Hij werd gevolgd door moeder en dochter. Uit het niets draaide verdachte zich ineens om en liep recht op haar moeder af. De dochter zag dat verdachte zijn beide handen om de hals van haar moeder bracht en de hals met veel kracht dichtkneep. Zij zag aan het gezicht van haar moeder dat ze heel erg angstig was en dat ze geen lucht meer kreeg door de kracht waarmee verdachte haar hals dichtkneep. Tijdens het wurgen kreeg haar moeder grote ogen en haar hoofd stond door de opwaartse kracht van verdachte op een onnatuurlijke wijze naar achteren. Dit duurde ongeveer 5 seconden. Daarna heeft hij aangeefster met een harde duw op de hals van zich afgeduwd, waardoor hij haar met een smak op de grond gooide. Ze zag dat haar moeder op de grond viel in het gras en zag dat de man weg rende. Ze vroeg haar moeder of ze oké was. Ze hoorde haar moeder zachtjes en hees 'ja' tegen haar zeggen. Ze liep vervolgens weer achter de man aan, omdat zij hem niet uit het oog wilde verliezen.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte verklaarde dat hij met de bus uit Zwolle was gekomen en op weg was naar Arnhem. Hij stapte in Hattem uit omdat hij nodig moest plassen. Hij zag op een bouwterrein een Dixi-toilet. Hij wilde aangeefster vragen of hij het toilet mocht gebruiken, maar werd weggestuurd. Aangeefster en haar dochter hebben zijn tas doorzocht, een foto van hem gemaakt en aangegeven dat zij de politie gingen bellen. Ze zeiden tegen hem dat hij niet weg mocht gaan. Aangeefster volgde hem samen met haar dochter en paar honderd meter tot aan de bushalte. Toen hij daar wilde gaan plassen werd hij door aangeefster tegengehouden. Zij pakte hem bij de mouw van zijn vest. Verdachte trok zijn arm weg en duwde aangeefster met zijn andere hand tegen de borst. Door de duw viel zij op het gras.\n\nLetsel\n\nOp 14 september werd bij het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) een forensisch-medisch onderzoek niet-fatale strangulatie uitgevoerd bij aangeefster. Aangeefster gaf bij het onderzoek aan dat zij tijdens het incident gedurende 5 tot 10 seconden geen adem kon halen. Direct na het incident had zij moeite en pijn met slikken, keelpijn, hoofdpijn en mogelijk ook oorsuizen. Zij had ook last van keelschrapen, echter daar had ze voor het incident al vaker klachten van. Zij was een fragment van haar geheugen kwijt. Het is onduidelijk of er bewustzijnsverlies is geweest. Na het incident heeft er geen medische behandeling plaatsgevonden.\n\nTijdens het onderzoek werd bij aangeefster het volgende letsel vastgesteld:\n\n- een krasletsel op de rechterflank;\n\n- een zwelling van de aryepiglottische plooi rechts, zichtbaar tijdens het keelonderzoek;\n\n- vocht in de weke delen rond de onderkaak en rond de rechterhoorn van het schildkraakbeen.\n\nEr waren geen bloedingen of rupturen op het netvlies te zien. Na aanleiding van het onderzoek werd geadviseerd om een deskundigenrapport met interpretatie aan te vragen. \n\nIn het deskundigenrapport van het LOEF van 21 januari 2026 is de ontstaanswijze van het letsel getoetst aan specifieke scenario’s. Volgens de deskundigen passen de letsels zoals beschreven en de klachten zoals vermeld door aangeefster tijdens het FMO bij de verklaringen van aangeefster en de getuige. Volgens de KNO-artsen past het letsel in de keelholte bij een traumatische stompe of samendrukkende krachtsinwerking op het strottenhoofd. Op de MRI-scan was een onderhuidse zwelling zichtbaar. Volgens de forensisch radioloog zijn de zwellingen rondom de onderkaak, de kin en in de dieper gelegen weke delen rondom de rechterhoorn van het schildkraakbeen ontstaan door een stompe krachtsinwerking, waarschijnlijk door een samendrukkende kracht op de hals.\n\nVolgens de deskundigen is het daadwerkelijk opgetreden letsel niet levensbedreigend geweest. De genezingstijd werd geschat op enkele weken. Er was geen verwachting op restverschijnselen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangeefster op 13 september 2025 met beide handen met kracht bij de keel\u002Fhals heeft vastgepakt en\n\ngedurende een korte periode krachtig met beide handen de keel\u002Fhals heeft dichtgeknepen en haar daarna met kracht op de grond heeft geduwd. De rechtbank overweegt ten aanzien van de kwalificatie van de gedragingen van verdachte het volgende.\n\nVrijspraak poging doodslagDe rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hangt de beantwoording van die vraag af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Niet elk dichtknijpen van de keel levert daarom zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood op.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aangeefster met beide handen bij de hals heeft gegrepen en haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij naar eigen zeggen moeilijk adem kon halen. Uit het LOEFFonderzoek en de deskundigenrapportage volgt dat bij aangeefster inwendig letsel in de hals en keel is ontstaan dat past bij een samendrukkende kracht op de hals en bij de verklaringen van aangeefster en haar dochter. Daarmee staat vast dat sprake is geweest van krachtig en gevaarzettend geweld tegen een kwetsbaar deel van het lichaam.\n\nDe officier van justitie heeft betoogd dat in geval van verwurging sprake is van een “allesofniets”-situatie nu bij aangeefster letsel is vastgesteld op plaatsen in de hals waar strangulatie fataal kán zijn en aangeefster en haar dochter verklaren dat krachtig is geknepen, en reeds daaruit volgt dat in dit geval een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. De rechtbank volgt die redenering niet. Daarmee zou immers het bewijs voor verwurging in belangrijke mate samenvallen met het bewijs voor poging doodslag, terwijl voor poging doodslag méér nodig is dan het vaststellen van verwurging als zodanig.\n\n De rechtbank onderkent dat verwurging in abstracto een zeer gevaarlijke geweldsvorm is en dat het hals en keelgebied anatomisch kwetsbaar is. Ook volgt uit de deskundigenrapportage in algemene zin dat strangulatie fataal kan zijn, doordat bij voldoende en voldoende lang aangehouden druk op halsvaten en\u002Fof de ademweg bewusteloosheid en uiteindelijk de dood kunnen intreden. In dat verband kan worden gesproken van een medisch “allesofniets”-karakter, zoals door de officier van justitie is betoogd: de grens tussen een nietfatale en een fatale afloop kan, afhankelijk van plaats, duur en mate van druk, betrekkelijk smal zijn.\n\nDe enkele omstandigheid dat strangulatie in algemene zin een potentieel dodelijke geweldsvorm is, dat zich letsel ter hoogte van structuren bevindt die in andere gevallen bij fatale strangulatie betrokken kunnen zijn en de subjectieve beleving van aangeefster (en haar dochter) is dat “krachtig” is geknepen, betekent nog niet dat sprake is van de voor poging doodslag vereiste aanmerkelijkekans op de dood. Voor een bewezenverklaring van poging doodslag is méér vereist. Beslissend is of deze concrete verwurging, gelet op duur, verloop, objectieve verschijnselen en deskundigenduiding, naar algemene ervaringsregels de dood reëel deed duchten. Dat kan in deze zaak niet worden vastgesteld.\n\n Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de deskundige het daadwerkelijk opgetreden letsel uitdrukkelijk als niet levensbedreigend heeft gekwalificeerd en heeft geconcludeerd dat aangeefster aan dit letsel niet had kunnen overlijden. Ook is gerapporteerd dat de letsels binnen enkele weken zullen genezen en dat geen restverschijnselen worden verwacht. Het inwendige letsel in de hals was daarmee medisch gezien beperkt: het betrof wekedelenzwellingen zonder fracturen of blijvende schade. Verder zijn geen netvliesbloedingen, geen petechiën of andere asfyxiespecifieke tekenen en geen uitwendige halsletsels vastgesteld.\n\n In de anamnese van LOEFF is vermeld dat aangeefster een fragment van haar geheugen kwijt zou zijn, maar daarbij is expliciet opgetekend dat onduidelijk is of sprake is geweest van bewustzijnsverlies. Objectieve aanwijzingen voor bewustzijnsverlies, neurologische uitval of een ander bijnafataal klinisch beloop ontbreken.\n\n De rechtbank betrekt verder in haar beoordeling dat de duur van het dichtknijpen door aangeefster in haar aangifte is geschat op ongeveer tien seconden en door haar dochter op ongeveer vijf seconden. Later heeft aangeefster vervolgens weer verklaard dat zij heel evenhet gevoel had gehad dat zij geen adem kon halen, maar dat besefte zij zich pas achteraf. Direct ná de verwurging deed haar keel pijn en was zij hees. Mede omdat aangeefster daarbij heeft aangegeven niet te weten of het daadwerkelijk zo lang heeft geduurd, acht de rechtbank de uitlating vooral een uitdrukking van haar subjectieve beleving onder stress.\n\nOok de uitlatingen van aangeefster over de ernst van de situatie zijn niet eenduidig. In de anamnese bij LOEFF is vastgelegd dat zij niet voor haar leven vreesde, terwijl zij later heeft verklaard dat zij het gevoel had dat het “zo met haar gebeurd kon zijn”. De rechtbank neemt beide uitlatingen in aanmerking, maar verbindt daaraan niet de conclusie dat daaruit een objectieve aanmerkelijke kans op overlijden kan worden afgeleid. Daar komt bij dat de rechtbank het verloop van de situatie direct ná de vermeende verwurging en het op de grond vallen van aangeefster in haar beoordeling heeft betrokken. Daarbij is de verklaring van de dochter van aangeefster, die het incident van het begin tot het eind van zeer dichtbij heeft meegemaakt van bijzonder belang. Met name voor wat betreft de beantwoording van de vraag of bij aangeefster sprake is geweest van bewustzijnsverlies. De dochter van aangeefster zag dat haar moeder op de grond viel in het gras en zag dat de man weg rende. Ze vroeg haar moeder of ze oké was. Ze hoorde haar moeder zachtjes en hees 'ja' tegen haar zeggen. Ze liep vervolgens weer achter de man aan, omdat zij hem niet uit het oog wilde verliezen. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de dochter van aangeefster haar moeder zo kort na een dergelijk incident achter zou laten om achter verdachte aan te lopen, als haar moeder gedurende dat incident op enig moment het bewustzijn had verloren en\u002Fof als zij de situatie van haar moeder direct na het incident als dusdanig had ingeschat dat zij haar op dat moment niet kon achterlaten.\n\n Samengevat ziet de rechtbank drie gewichtige aanwijzingen tégen het aannemen van een aanmerkelijke kans op de dood in deze zaak:\n\nDe verwurging is kortdurend geweest en direct geëindigd, terwijl de duur door aangeefster en haar dochter in de orde van enkele seconden wordt geplaatst;\n\nObjectieve tekenen van een bijnafatale strangulatie ontbreken, zoals vastgesteld bewustzijnsverlies, neurologische uitval, petechiën of andere asfyxiespecifieke bevindingen;\n\nDe deskundige heeft het concrete letsel uitdrukkelijk als niet levensbedreigend gekwalificeerd en geconcludeerd dat aangeefster daaraan niet had kunnen overlijden, terwijl de passages in het rapport over de in algemene zin levensbedreigende aard van strangulatie niet op deze concrete casus zijn toegespitst.\n\n Tegen deze achtergrond kan niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijkekans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen. Nu die aanmerkelijke kans niet kan worden aangenomen, kan evenmin worden bewezen dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 05\u002F242161-25 primair ten laste gelegde poging doodslag.\n\nBewezenverklaring poging zware mishandelingDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvan is sprake indien de gedraging van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept en verdachte die kans bewust heeft aanvaard.\n\n Vast staat dat verdachte aangeefster onverwachts met beide handen bij de hals heeft gegrepen en haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij mogelijk korte tijd geen adem kon halen. Uit de verklaringen van aangeefster en haar dochter volgt dat verdachte daarbij kracht heeft gebruikt. De dochter heeft gezien dat het hoofd van aangeefster door de opwaartse kracht naar achteren werd gedrukt en dat aangeefster grote ogen kreeg en geen lucht meer leek te krijgen.\n\n De hals is een bijzonder kwetsbaar deel van het lichaam. In de hals bevinden zich vitale en kwetsbare structuren, waaronder de luchtweg, bloedvaten en kraakbeenstructuren. Het met beide handen krachtig dichtknijpen van iemands keel roept naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans in het leven dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat, zoals ernstig letsel aan de luchtweg, kraakbeenstructuren of andere halsweefsels. Anders dan voor poging doodslag is voor een bewezenverklaring van poging zware mishandeling niet vereist dat de kans op overlijden aanmerkelijk was; voldoende is dat de gedraging een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel meebracht. Juist die drempel is hier wél bereikt.\n\n Dat oordeel vindt steun in het daadwerkelijk ontstane letsel. Uit het LOEFFonderzoek en de deskundigenrapportage volgt dat bij aangeefster sprake was van een zwelling van de rechter aryepiglottische plooi en vocht in de weke delen rond de onderkaak en rond de rechterhoorn van het schildkraakbeen. De deskundige heeft geconcludeerd dat deze bevindingen passen bij een samendrukkende kracht op de hals en waarschijnlijker zijn te verklaren door externe krachtsinwerking dan door een medische oorzaak of een val. Ook had aangeefster direct na het incident pijn in de hals, slikklachten en heesheid.\n\n De rechtbank onderkent dat de deskundige het daadwerkelijk opgetreden letsel als niet levensbedreigend en medisch gezien beperkt heeft gekwalificeerd. Dat staat echter niet aan een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling in de weg. Juist het onderscheid met de vrijspraak van poging doodslag ligt daarin besloten: het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan, maar wél voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte door het krachtig dichtknijpen van de hals willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster ernstig letsel aan dit kwetsbare lichaamsdeel zou oplopen. Dat het letsel uiteindelijk relatief beperkt is gebleven en zonder restschade zal genezen, maakt niet dat die kans op zwaar lichamelijk letsel ontbrak.\n\n De rechtbank is daarom van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 21 juli 2025, p. 5 t\u002Fm 7;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het parketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair en onder parketnummer 08\u002F277661-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair\n\nhij op of omstreeks13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaamheeft vastgepakt en\u002Fof(vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam),\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nhij op of omstreeks21 juli 2025 te Dalfsen, althans in Nederland,opzettelijk in het openbaar, te weten vanuit een trein (die op dat moment stilstond op het perron),een of meerhandelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten\n\n- het brengen van zijn lichaam richting het raam van de (trein)coupé en\u002Fof\n\n- het naar beneden trekken van zijn onderkleding en\u002Fofhet naar boven trekken van zijn bovenkleding en\u002Fof\n\n- het tonen en\u002Fof zichtbaar makenvan zijn penis en\u002Fof\n\n- het vastpakken van zijn penis.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair\n\npoging tot zware mishandeling;\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nopzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid\n\nverrichten.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met een verminderde toerekenbaarheid van de strafbare feiten aan verdachte.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat verdachte te maken heeft met psychopathologie en dat rekening dient te worden gehouden met een verminderde toerekenbaarheid van verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen van maximaal de duur van het voorarrest.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een kwetsbare vrouw van 70 jaar. Hij heeft haar, nadat zij en haar volwassen dochter enige tijd achter hem aanliepen, op een openbare locatie bij de keel gegrepen en haar keel dichtgeknepen. Vervolgens heeft hij haar ten val gebracht. Het slachtoffer heeft hierdoor meerdere verwondingen opgelopen en is zeer geschrokken. In haar slachtofferverklaring heeft het slachtoffer duidelijk gemaakt dat het incident ernstige gevolgen voor haar heeft gehad. Naast de lichamelijke pijn ervaart zij nog steeds gevoelens van boosheid, woede en verdriet. Haar gevoel van veiligheid heeft een ernstige deuk opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit en de persoonlijke veiligheid van een oudere, kwetsbare vrouw op grove wijze aangetast. Bovendien had het voor het slachtoffer ernstiger kunnen aflopen.\n\nDe rechtbank betrekt bij de straftoemeting ook de omstandigheden waaronder het tot deze confrontatie is gekomen. Uit de verklaringen volgt dat aangeefster en haar dochter verdachte opmerkten nabij de woning van de dochter, hem aanspraken en hem verzochten daar weg te gaan, omdat hij daar volgens hen niet hoorde. Er werd een foto van hem gemaakt. Verdachte is daarop weggelopen. Het slachtoffer en haar dochter hebben verdachte vervolgens over een afstand van een paar honderd meter en op korte afstand gevolgd terwijl hij naar een bushalte liep en zij de politie belden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat verdachte deze situatie als belastend heeft ervaren, bestond op geen enkel moment een rechtvaardiging om een 70jarige vrouw bij de keel te grijpen, haar keel dicht te knijpen en haar ten val te brengen. Verdachte had zich aan de situatie moeten blijven onttrekken door dóór te lopen. Door desondanks voor fysiek geweld te kiezen, heeft hij de grenzen van het toelaatbare overschreden. Tegelijkertijd beschouwt de rechtbank de gang van zaken niet als een volstrekt onverwachte, eenzijdige aanval op een nietsvermoedende voorbijgangster, maar als een geleidelijk geëscaleerde confrontatie, waaraan ook het geruime tijd en op korte afstand achter verdachte aanlopen door het slachtoffer en haar dochter, heeft bijgedragen.\n\nVerdachte heeft zich naast voornoemde poging tot zware mishandeling op een andere dag schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door een tiener en haar vrienden in het openbaar te confronteren met zijn ontblote geslachtsdeel. Het hoeft geen nader betoog dat het slachtoffer daarvan is geschrokken, met name omdat zij de ontbloting van verdachte niet aan zag komen. Het gedrag van verdachte wordt als hinderlijk, onfatsoenlijk, aanstootgevend en angstaanjagend beschouwd en is in strijd met de publieke moraal. Verdachte ziet zelf echter de ernst hiervan niet in.\n\nStrafblad\n\nUit de justitiële documentatie van 30 maart 2026 blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt. Verdachte is in de periode van augustus 2025 tot en met februari 2026 meerdere keren veroordeeld voor vermogensdelicten en zwartrijden, echter niet voor soortgelijke delicten.\n\nPro Justitia rapport\n\nOp 10 april 2026 heeft de psychiater een rapport over verdachte opgemaakt. De psychiater\n\nschetst een beeld van een man die zijn gedrag kan berekenen, met sterke aanwijzingen voor een psychotisch toestandsbeeld ten tijde van het onder parketnummer 05\u002F242161-25 tenlastegelegde, maar dat kon niet worden vastgesteld.\n\nBij verdachte is wel sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en verdovende middelen (cannabis, alcohol, pregabaline en cocaïne).\n\nDeze stoornis was ook aanwezig tijdens het plegen van het onder 08\u002F277661-25 tenlastegelegde , waardoor verdachte mogelijk verminderd in staat was om zijn wil in vrijheid te bepalen, het wederrechtelijke van zijn handelen in te zien of minder invloed had op zijn impulsen en handelen. De psychiater adviseert het onder parketnummer 08\u002F277661-25 ten laste gelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.\n\nReclasseringsadvies\n\nReclassering Nederland heeft op 1 juni 2026 een advies uitgebracht. Verdachte komt uit Tunesië en heeft in Nederland asiel aangevraagd. Voordat hij naar Nederland kwam, heeft hij in meerdere Europese landen gewoond en gewerkt. De autoriteiten hebben aangegeven dat verdachte’s asielaanvraag weinig kansrijk is. Aansluitend op een eventueel strafrechtelijk traject zal verdachte middels vreemdelingenbewaring worden aangemerkt voor gedwongen terugkeer naar Tunesië.\n\nDe reclassering adviseert daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Een taakstraf of een financiële sanctie wordt als niet haalbaar gezien.\n\nStrafoplegging\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van de rapporterende psychiater over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal de voor de eerbaarheid aanstotelijke handelingen dan ook in verminderde mate aan verdachte toerekenen en daarmee bij de oplegging van de straf rekening houden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter - in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving - niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de rechtbank tot een andere grondslag ten aanzien van de bewezenverklaring komt, ziet de rechtbank reden om van de strafeis van de officier van justitie af te wijken en een kortere gevangenisstraf op te leggen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van\n\n6 maanden met aftrek van de tijd, die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\n8. De beoordeling van de civiele vorderingen\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nDe benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met de poging tot zware mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 91,17 aan materiële schade en € 1.100,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nTer onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat door het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het lichamelijke letsel bestaat kort gezegd uit pijn en letsel aan de hals, keel en rechterzijde van de ribbenkast. Voor het letselonderzoek en het bezoek aan Slachtofferhulp Nederland heeft de benadeeld partij reis- en parkeerkosten gemaakt, die zij wenst te verhalen op verdachte.\n\nDe benadeelde partij heeft ten aanzien van de vaststelling van de immateriële schade verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:855, waarbij de benadeelde partij een smartengeldvergoeding ter hoogte van € 950,00 (geïndexeerd naar 2025: € 981,35) is toegewezen.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft de gevorderde vergoeding van de materiële schade en het smartengeld niet betwist.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter vergoeding van de materiële schade ter hoogte van € 91,17 kan worden toegewezen.\n\nSmartengeld\n\nOp basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die onder een van de genoemde grondslagen van artikel 6:106 BW valt. De benadeelde heeft immers lichamelijk letsel opgelopen. Daarmee is een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie ziet op een andere context waarbij het ging om een willekeurige voorbijganger die uit het niets bij de keel werd gepakt. In de onderhavige zaak werd verdachte nadat hij werd opgemerkt nabij de woning van de dochter van aangeefster, gevraagd weg te gaan, heeft de dochter een foto van verdachte gemaakt, is tegen verdachte gezegd dat de politie zou worden gebeld en hebben aangeefster en haar dochter verdachte op korte afstand gevolgd toen hij weg liep van de woning. Gelet hierop zijn de zaken niet geheel vergelijkbaar. De rechtbank ziet hierin reden om het bedrag te matigen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 550,00 vaststellen en de vordering voor het overige af te wijzen.\n\nWettelijke rente\n\nVerdachte is vanaf 13 september 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nDe benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met het onder Parketnummer 08\u002F277661-25 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 300,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nTer onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat door het handelen van verdachte sprake is van een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht, in dit geval de eerbiediging van de persoonlijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangemerkt. Dit vormt de grondslag voor de gevorderde schadevergoeding.\n\nDe benadeelde partij heeft verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3832, waarbij het hof ter zake van openbare schennis van de eerbaarheid smartengeld ter hoogte van € 300,00 heeft toegekend.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft de vordering niet betwist.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nOp basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die onder een van de genoemde grondslagen van artikel 6:106 BW valt. Benadeelde is in haar persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. In de zaak van de door de benadeelde partij aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden toonde de verdachte niet alleen zijn penis, maar verrichte ook seksuele handelingen. De zaken zijn derhalve niet vergelijkbaar. Dat is voor de rechtbank reden om het bedrag te matigen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 200,00 vaststellen en wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.\n\nWettelijke rente\n\nVerdachte is vanaf 21 juli 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 45, 36f, 57, 63, 254b en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het primair onder parketnummer 05\u002F242161-25 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maanden;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nt.a.v. de vordering van benadeelde partij [aangever 1] (parketnummer 05\u002F242161-25):\n\n veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 91,17 aan materiële schadeen€ 550,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n wijst de vordering tot smartengeld voor het overige af;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 91,17 aan materiële schade en € 550,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 6 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;\n\nt.a.v. de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] (parketnummer 08\u002F277661-25):\n\n veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 200,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n wijst de vordering tot smartengeld voor het overige af;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 200,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 2 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno, voorzitter, mr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025443729, gesloten op 15 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 13 september 2025, p. 8 en 9.\n\n Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangever 1] d.d. 14 september 2025, p. 14.\n\n Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige] d.d. 13 september 2025, p. 17 en 18.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 juni 2026 en\n\n Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 14 september 2025, p. 48.\n\n Forensisch-medische letselbeschrijving LOEF d.d. 13 oktober 2025.\n\n Forensisch-medische letselrapportage LOEF d.d. 21 januari 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025347885, gesloten op\n\n13 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5299","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:50.770Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":51},"846","ECLI:NL:RBGEL:2026:5294","ecli-nl-rbgel-2026-5294","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F048594-25\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak (279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] te [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. R.J.A. van den Munckhof, advocaat in Amsterdam.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en\u002Fof onachtzaam heeft gereden, hierin\n\nbestaande dat verdachte,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) en\u002Fof zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg (de A28) niet\u002Fonvoldoende heeft gevolgd en\u002Fof in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fof over de kop is gegaan\u002Fgeslagen,\n\nen aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft\n\nplaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) en\u002Fof zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg (de A28) niet\u002Fonvoldoende heeft gevolgd en\u002Fof in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fof over de kop is gegaan\u002Fgeslagen,\n\nen door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A28, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig gecrasht en\u002Fof over de kop gegaan\u002Fgeslagen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 13 januari 2025, p. 199 t\u002Fm 202;\n\n- het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t\u002Fm 80.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is het verkeersongeluk te wijten aan de schuld van verdachte (in de zin van ernstigeschuld) en heeft [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval niet tot de conclusie leiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Verdachte was zich niet bewust van het feit dat hij de maximumsnelheid heeft overschreden. De enkele omstandigheid van te hard rijden is niet voldoende voor overtreding van artikel 6 WVW. Het rijden zonder rijbewijs kan een verzwarende factor zijn, maar maakt op zich niet dat artikel 6 WVW is overtreden. Het korte moment van onoplettendheid van verdachte toen hij de telefoon voor de navigatie wilde pakken is mogelijk verwijtbaar onvoorzichtig, maar niet aanmerkelijkverwijtbaar onvoorzichtig.\n\nDe raadsman refereert zich ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe raadsman heeft zich tevens ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet verkeersongeval\n\nOp 7 oktober 2024, omstreeks 01:50 uur, heeft er op de Rijksweg A28, ter hoogte van\n\nHattem, een enkelzijdig verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto betrokken was. In de personenauto zaten drie inzittenden. De bestuurder van de personenauto reed op de Rijksweg A28 links, komende uit de richting van Zwolle en gaande in de richting van Wezep. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid betrof 100 kilometer per uur.\n\nHet verkeersongeval vond plaats op een recht weggedeelte. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een ongeveer 3 meter brede vluchtstrook die door middel van een onderbroken kantstreep van de rijbaan was gescheiden. Rechts naast de vluchtstrook lag een grasberm. De straatverlichting was in werking. Ter hoogte van hectometerpaal 85,5 is de auto van de rijbaan geraakt en in de grasberm gekomen. De auto heeft een 74 meter lang sporenbeeld achtergelaten. De eerste ongeveer 60 meter van dit sporenbeeld bestond uit twee parallel afgetekende bandensporen. Aan het einde van deze 60 meter bevond zich een verhoging in de grasberm. Hierna waren de sporen, over een afstand van ongeveer 14 meter, richting de vluchtstrook afgetekend. Na het raken van de verhoging is de auto terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen tegen de rijrichting in op de vluchtstrook tot stilstand gekomen. De afstand tussen het begin van de eerste sporen en de eindpositie van de personenauto was ongeveer 105 meter. Op de vluchtstrook waren over een afstand van ongeveer 30 meter, tot de eindpositie van de personenauto, gras, glas- en voertuig(onder)delen, een rode, op bloed gelijkende, vlek met daar omheen verpakkingen van medisch handelen en krassporen te zien. De passagier, die op de achterbank zat, was uit de auto geslingerd en gewond geraakt.\n\nVoertuigonderzoek\n\nHet voertuig werd onderzocht op mogelijke technische gebreken, welke een rol gespeeld zouden kunnen hebben in het ontstaan van het ongeval. Dergelijke gebreken werden niet aangetroffen. De auto was voorzien van een event datarecorder (EDR). Deze recorder heeft data opgeslagen die in verband zijn te brengen met het ongeval. De recorder heeft geregistreerd dat de auto voorafgaand aan het ongeval op de cruise control en met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur heeft gereden. Er waren geen aanwijzingen dat verdachte door middel van remmen probeerde het ongeval te voorkomen. Volgens de EDR droegen de inzittenden vóórin de auto de voor hen bestemde autogordel. De linker en rechter gordel achter in de auto waren volgens het EDR-systeem niet vastgeklikt.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij door [benadeelde] is gevraagd om in haar auto van Assen naar Amsterdam te rijden. Zij was moe en niet in staat om te rijden. Verdachte stemde in, hoewel hij zich er bewust van was dat hij niet over de benodigde rijbevoegdheid beschikte. Voordat zij vertrokken, nam hij nog twee hijsjes van een wietsigaret. [benadeelde] zat naast hem en [slachtoffer] zat op de achterbank achter [benadeelde] . Verdachte verklaarde dat het heel donker was en dat vond hij vervelend. Hij reed 120 of 130 kilometer per uur en op de cruise control. De telefoon met de navigatie lag op schoot van [benadeelde] en verdachte moest steeds opzij kijken om de route te zien. Hij vroeg [benadeelde] om hem de telefoon aan te reiken. Terwijl zij hem de telefoon wilde geven, probeerde hij de telefoon van haar schoot af te pakken, maar greep hij mis omdat zij de telefoon al gepakt had. Door dit misverstand was zijn blik even niet op de weg gericht. Daarna ging het allemaal heel snel en sloeg de auto over de kop. Zij vonden [slachtoffer] bewusteloos en bebloed buiten de auto.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994\n\nOf er sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding of verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een op zijn minst aanmerkelijkemate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het moet gaan om méér dan een moment van onoplettendheid.\n\nVerdachte was op 7 oktober 2024 rond 01:53 de bestuurder van de Volkswagen Polo toen deze betrokken raakte bij een eenzijdig ongeval op de A28 te Hattem. Verdachte reed, zonder dat aan hem een rijbewijs voor dit type motorvoertuig was afgegeven, ongeveer 30 kilometer per uur te hard. De navigatie stond ingeschakeld op de telefoon van [benadeelde] die op haar schoot lag. Verdachte moest steeds opzij kijken om de navigatie te kunnen zien en vroeg of hij de telefoon kon krijgen. [benadeelde] gaf hem de telefoon aan terwijl hij op datzelfde moment de telefoon van haar schoot wilde pakken en mis greep. Hierdoor was verdachte afgeleid en was zijn blik niet op de weg gericht.\n\nHet was donker, het ongeval vond plaats op een recht stuk weg met straatverlichting en verdachte reed op de cruise control. Toch is de auto, zonder te remmen, van de rijbaan geraakt, via de vluchtstrook in de grasberm terecht gekomen, heeft een heuvel geraakt, is terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen, tegen de rijrichting in, tot stilstand gekomen op de vluchtstrook. [slachtoffer] , die geen gordel droeg, is door het ongeval de auto uit geslingerd en gewond geraakt. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte gewoonweg niet (voldoende) op de weg heeft gelet. Als gevolg hiervan heeft verdachte zijn voertuig niet voldoende onder controle gehouden en kon hij het voertuig niet op tijd tot stilstand brengen. De rechtbank is van oordeel dat dit – gelet op het bovenstaande - méér dan een moment van onoplettendheid oplevert.\n\nVan iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemen en om de daarvoor benodigde verkeershandelingen te verrichten. Verdachte heeft zich niet aan deze zorgplicht gehouden. Immers, hij heeft zijn voertuig niet onder controle gehouden door op een recht stuk weg van de weg af te raken, de berm in te rijden en over de kop te slaan. Dit terwijl hij geen rijbewijs had en 30 kilometer per uur te hard reed. Daar komt nog bij dat verdachte niet bekend was met de situatie ter plaatse, er twee inzittenden bij hem in het voertuig zaten en bij hem 3,0 microgram cannabis per liter bloed, de maximum toegestane grenswaarde, is gemeten.\n\nGelet op het geheel aan verdachtes gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het eenzijdige verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval zoals bedoeld in artikel 6 WVW.\n\nLetsel\n\nUit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] door het ongeluk het volgende letsel heeft opgelopen:\n\n een schedelbasisfractuur met bloeding rondom de stam;\n\n een sternum fractuur met mediastinaal hematoom;\n\n fractuur thoracale Th3 en Th4;\n\n pulmonale matglas afwijkingen dd contusie dd aspiratie;\n\n hematoom mediastinum;\n\n een sternum fractuur met verhoogde troponines geduid als corcontusie;\n\n een fractuur Lamina c2 bdz.;\n\n 1e Ford type 2 fractuur en sinus maxillaris fractuur.\n\n [slachtoffer] verklaarde dat hij twee weken in coma heeft gelegen. In eigen bewoordingen gaf hij aan dat hij een breuk bij zijn nek had, een schaafwond op zijn achterhoofd en op zijn voorhoofd. De kaak en vier ribben waren gebroken. De druk in de hersenen was heel hoog en hij had bloedingen in de hersenen. In totaal moest hij zes weken in het ziekenhuis in Zwolle blijven. Daarna is hij naar Revalidatiecentrum Overtoom-Reade in Amsterdam gegaan. Het herstel ging langzaam. Naar schatting zou hij wel kunnen genezen, maar kon niet worden voorspeld hoelang dat ging duren en of hij eventueel blijvend letsel of klachten zou houden.\n\nDe rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang zijn. De rechtbank is van oordeel dat het letsel zoals hiervoor omschreven gelet op de aard en de gevolgen naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzeer, althansaanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en\u002Fofonachtzaam heeft gereden, hierin\n\nbestaande dat verdachte,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven lettenop de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fofopde weg (de A28) en\u002Fofzijn aandacht gedurende enige tijdniet, althansin onvoldoende mate,op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fofde weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van,de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg(de A28) niet\u002Fonvoldoendeheeft gevolgd en\u002Fofin strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fofover de kop isgegaan\u002Fgeslagen,\n\nen aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft\n\nplaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 primair en feit 2:\n\nde eendaadse samenloop van\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;\n\nen\n\novertreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot\n\n een taakstraf van 160 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;\n\n een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard, maar dat aan hem geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de zaak. Verdachte is jong. Hij is first offender. Hij handelde met goede bedoelingen om juist een gevaarlijke situatie te voorkomen. Voor de raadsman zijn dit redenen om ten gunste van verdachte van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van het feit\n\nDe verdachte is met te hoge snelheid met de auto van de weg geraakt en in de berm terechtgekomen. De auto is daardoor over de kop geslagen. Door met hoge snelheid te rijden heeft de verdachte zichzelf de mogelijkheid ontnomen om adequaat op de verkeerssituatie te kunnen anticiperen en de controle over het voertuig te behouden. Verdachte had geen rijbewijs en was onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof (THC). De hoeveelheid in zijn bloed betrof weliswaar de grenswaarde, maar in samenhang met de andere verwijten heeft verdachte hiermee onverantwoorde risico’s genomen voor zichzelf en anderen. [slachtoffer] heeft ernstig letsel opgelopen. Het is nog niet te voorzien of het letsel blijvende klachten ten gevolge heeft en welke invloed dat zal hebben op zijn toekomst.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 21 mei 2026 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij is daarom aan te merken als ‘first offender’.\n\nUit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 17 november 2025 komt naar voren dat verdachte zijn leven goed op orde heeft en in staat is zijn zaken goed te regelen. Volgens de reclassering is sprake van een incident. Verdachte heeft niet aan de mogelijke gevolgen gedacht. Met name de gevolgen van zijn handelen (het ernstige letsel van het slachtoffer) hebben een recidivebeperkende werking. Verdere bemoeienis door de reclassering lijkt niet geïndiceerd.\n\nProceshouding\n\nVerdachte heeft bij de politie uitgebreid verklaard over zijn handelen. Echter heeft hij ervoor gekozen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Daardoor heeft hij de mogelijkheid verstek laten gaan om de rechtbank te overtuigen dat hij spijt heeft van zijn handelen en om het slachtoffer zijn excuses aan te bieden.\n\nStraftoemeting\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nBij het bepalen van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor het veroorzaken van een verkeersgeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van ‘aanmerkelijke schuld’, die een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden indiceren. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan ziet de rechtbank geen redenen om van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken en zal een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, met inachtneming van eendaadse samenloop, aan verdachte opleggen.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van feit 2 volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nDe benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 13.588,25 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering ziet op de kosten van het eigen risico voor het ambulancevervoer ter hoogte van € 241,04 en het restantbedrag in verband met de leaseovereenkomst voor de auto ter hoogte van € 13.347,21. Verder is om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wellicht sprake is van een (gedeelte) eigen schuld van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek en dat de vordering niet binnen de strafprocedure kan worden afgewikkeld, zonder afbreuk te doen aan fundamentele waarborgen die het civiele recht biedt. Derhalve dient de benadeelde partij volgens de verdediging niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, zodat de vordering in een civiele procedure kan worden behandeld.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op, nu de vordering te ingewikkeld is. Niet duidelijk is of de benadeelde partij ervan op de hoogte was dat verdachte niet over een rijbewijs beschikte toen zij hem de auto liet besturen. Daarnaast zijn de schadeposten onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering alsnog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 22 c, 22d, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\n legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;\n\n ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van\n\n6 maanden;\n\n verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\nTen aanzien van feit 2\n\n bepaalt dat ten aanzien van feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. A.P Sno en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024470076, gesloten op 8 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 21 oktober 2024, p. 89, 90, 93, 99.\n\n Proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeer d.d. 27 november 2024, p. 103, 111.\n\n Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t\u002Fm 80.\n\n Medische verklaring d.d. 12 oktober 2024, p. 192.\n\n Proces-verbaal verhoor van slachtoffer [slachtoffer] d.d. 20 november 2024, p. 16 t\u002Fm 17.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5294","2026-07-13T00:28:50.927Z",{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":56,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":58},"851","ECLI:NL:RBGEL:2026:5296","ecli-nl-rbgel-2026-5296","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: : 05\u002F204418-25 en 05\u002F285057-24 (gev. ttz.)\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] (Turkije),\n\nwonende aan [adres] [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] ,\n\nraadsman: mr. C.C.W. Plaat, advocaat in Ede.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nParketnummer 05-204418-25\n\nhij op of omstreeks 5 juli 2025 te [woonplaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [aangever 1] een of meermalen dreigend de woorden toe te voegen: \"Ik ga je vermoorden\" en\u002Fof heeft verdachte (daarbij) een (vlees)mes op de keel\u002Fhals van die [aangever 1] gezet en\u002Fof met dat (vlees) mes (op korte afstand) een of meermalen stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [aangever 1] , in ieder geval die [aangever 1] (op korte afstand) een (vlees)mes getoond, althans (telkens) woorden en\u002Fof (een) handeling(en) van gelijke dreigende aard of strekking;\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nhij op of omstreeks 5 september 2024 te Olburgen, gemeente Bronckhorst opzettelijk en wederrechtelijk de auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en\u002Fof onbruikbaar gemaakt.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nParketnummer 05-204418-25\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat verdachte niet de bedoeling had om zijn moeder te bedreigen en\u002Fof haar met het mes te steken. Hij heeft ook niet gezegd dat hij haar wilde vermoorden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVerklaring van aangeefster\n\nAangeefster is de moeder van verdachte. Zij verklaarde dat zij op 5 juli 2025 in haar woning aan [adres] in [woonplaats] was. Om 13:15 uur begon zij in de woonkamer te bidden. Na enkele minuten kwam verdachte naar binnen. Hij liep direct naar de keuken en pakte een groot mes uit de keuken. Terwijl hij het mes pakte schreeuwde hij 'Ik ga je vermoorden!'. Vanuit de keuken ging hij rechtstreeks naar de woonkamer. Hij liep direct naar aangeefster toe en zette het mes tegen haar keel aan. Terwijl hij dit deed schreeuwde hij meerdere keren ‘Ik ga je vermoorden!’. Aangeefster zei dat zij heel bang was. Zij schreeuwde terug ‘Maak me maar dood dan ben ik van je af!’. Verdachte zei daarop 'Ik wil jouw vieze bloed niet op mijn vingers hebben.'. Daarna liep hij terug naar de keuken, legde daar het mes neer en liep naar boven.\n\nAangeefster had echt het idee dat hij haar zou vermoorden; verdachte kwam heel geloofwaardig over. Zij is direct naar de buren gelopen en die hebben de politie gebeld. Aangeefster heeft duidelijk gemaakt dat zij niet wilde dat verdachte terugkwam omdat zij bang voor hem was en zich in haar eigen huis niet meer veilig voelde.\n\nAantreffen verdachte\n\nVerbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen de melding van de bedreiging aan [adres] in [woonplaats] . Zij troffen daar de (hen ambtshalve bekende) verdachte aan. Verdachte was moeilijk te verstaan. De verbalisanten hoorden hem zeggen dat hij zijn moeder met een mes had bedreigd. Zij zagen dat verdachte dit bij verbalisant [verbalisant 2] voordeed met een aansteker. Hij maakte stekende bewegingen in de richting van de buik en borststreek van [verbalisant 2] . Hieruit maakten zij op dat verdachte voordeed hoe hij de bedreiging bij zijn moeder had uitgevoerd. In de woning trof de politie een groot vleesmes aan.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft bekend dat hij zijn moeder met een mes heeft bedreigd. Hij was onder invloed van amfetamine. Die dag had hij beelden in zijn hoofd. Hij verklaarde: ‘Eerst kwam een slang en daarna kwamen twee kleine slangen op de rug van die ene jongen. Iemand kwam met een mes’. Verdachte was in de veronderstelling dat zijn moeder een mes in de hand had.Verdachte verklaarde verder dat het nooit zijn bedoeling was om haar steken. Hij voelde zich beperkt door zijn moeder en wilde dat ze naar hem luisterde. Als zij bang was deed zij immers wat hij wilde.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht vereist is dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op 5 juli 2025 zijn moeder, aangeefster [aangever 1] , in haar woning aan [adres] in [woonplaats] heeft bedreigd door meerdere keren tegen haar te zeggen dat hij haar zou vermoorden, waarbij hij een vleesmes op haar keel heeft gezet en met het mes stekende bewegingen naar haar heeft gemaakt. Hij beoogde met de bedreiging controle over zijn moeder uit te oefenen. Aangeefster voelde zich bedreigd. Zij was bang dat verdachte de daad bij het woord zou voegen. Zij voelde zich niet meer veilig in haar eigen woning. Gelet op de handelingen in combinatie met de verbale bedreigingen, kon in redelijkheid de vrees bij haar ontstaan dat verdachte zijn dreigementen ook daadwerkelijk zou uitvoeren.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen en gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de onder parketnummer 05-204418-25 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde vernieling.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van de vernieling geen bewijsverweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVerklaring van aangever\n\nAangever verklaarde dat hij op 5 september 2024 aan het werk was als schipper van het pontje over de IJssel tussen Dieren en Olburgen. Hij had zijn auto, een Volkswagen Passat, op de wal aan de Olburgse kant bovenaan de op- en afrit van de pont geparkeerd. Toen hij zijn auto daar om 6:15 uur neer zette was deze vrij van schade en deuken.\n\nAangever zag om 7:15 uur verdachte op de fiets aankomen. Hij parkeerde zijn fiets, dwaalde eerst een beetje rond en liep vervolgens naar de geparkeerde auto. Aangever zag, terwijl hij met zijn pont op de IJssel zat, dat verdachte bij de auto hurkte en daarna aan de achterkant van de auto bezig was. Het leek alsof hij met zijn mouw dauw van de achterklep afveegde. Verdachte bleef daarna rond de auto lopen.\n\nToen aangever terugkwam aan de Olburgse kant is hij meteen van de pont naar zijn auto gelopen. Hij zag dat verdachte nog steeds bij zijn auto stond. Verdachte zei ‘Sorry, ik dacht dat het de auto van mijn broer was man’. Aangever zag direct dat boven op de achterklep van zijn auto een groot kruis was gekrast. Hij hoorde verdachte nog zeggen dat de verzekering dit zou vergoeden. Aangever heeft de politie gebeld en die heeft verdachte meegenomen.\n\nAangever constateerde dat zijn auto beschadigd was. De volgende beschadigingen waren volgens aangever door verdachte aan zijn auto toegebracht:\n\n- boven op de achterklep was een kruis in de lak gekrast;\n\n- de achterruit was beschadigd;\n\n- schade bij de achterklep net op de knik waar de zijkant overgaat in de bovenkant;\n\n- de motorkap was rechts van het midden beschadigd;\n\n- schade op het rechter voorscherm aan de passagierskant.\n\nLater heeft aangever op camerabeelden gezien dat verdachte na het krassen op zijn auto nog een blikje Monster Energy tegen de auto had gegooid.\n\nAanhouding en verklaring van verdachte\n\nNa de aanhouding vroegen verbalisanten aan verdachte waarom hij de krassen op de auto heeft gemaakt. Verdachte antwoordde: ‘Ik dacht dat het de auto van mijn broer was.’ en ‘Beter de auto dan mensen.’. Bij de fouillering van verdachte kwamen twee schroevendraaiers tevoorschijn.\n\nVerdachte verklaarde tijdens het politieverhoor: ‘Ik heb gewoon een kruisje gezet op de auto. Die jongen was gewoon te snel bij de auto, anders had ik nog meer gedaan.’ Hij verklaarde dat hij de schade met de schroevendraaier heeft toegebracht, die hij tijdens de fouillering in zijn binnenzak had.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich op\n\n5 september 2024 in Olburgen schuldig heeft gemaakt aan beschadiging van de auto van [aangever 2] . Verdachte had bij zijn aanhouding schroevendraaiers bij zich. Hij heeft bekend dat hij daarmee een kruis op de achterklep van de auto heeft gekrast. Aangever heeft later gezien dat verdachte ook een blikje naar de auto heeft gegooid. Verdachte had vol opzet op de beschadiging van de auto. Dat hij dacht dat het om de auto van zijn broer ging maakt dit niet anders.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05\u002F204418-25 en onder parketnummer 05-285057-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nParketnummer 05-204418-25\n\nhij op of omstreeks5 juli 2025 te [woonplaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gerichten\u002Fof met zware mishandeling, door die [aangever 1]een ofmeermalen dreigend de woorden toe te voegen: \"Ik ga je vermoorden\" en\u002Fofheeft verdachte (daarbij) een (vlees)mes op de keel\u002Fhalsvan die [aangever 1] gezet en\u002Fofmet dat (vlees) mes (op korte afstand)een ofmeermalen stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [aangever 1] , in ieder geval die [aangever 1] (op korte afstand) een (vlees)mes getoond, althans (telkens) woorden en\u002Fof (een) handeling(en) van gelijke dreigende aard of strekking;\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nhij op of omstreeks5 september 2024 te Olburgen, gemeente Bronckhorst, opzettelijk en wederrechtelijk de auto,in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheelof ten deleaan [aangever 2], in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeftvernield,beschadigden\u002Fof onbruikbaar gemaakt;\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nParketnummer 05-204418-25\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nPro Justitia-rapportages\n\nNaar aanleiding van de bedreiging van zijn moeder zijn over verdachte door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie rapportages opgemaakt, te weten een rapport van door GZ-psycholoog J. Kluin, gedateerd 7 november 2025, en een rapport van drs. K.N. Broek, psychiater, en drs. M.K. van der Vlis, arts-assistent psychiatrie.\n\nBevindingen van de psycholoog\n\nOp 7 november 2025 heeft de psycholoog een rapport over verdachte uitgebracht. De psycholoog heeft geconstateerd dat verdachte lijdt aan psychotische klachten in de vorm van waandenken, hallucinaties en betrekkingsideeën, die geclassificeerd kunnen worden als schizofrenie. Daarnaast misbruikte verdachte amfetaminen. Verdachte had tijdens de bedreiging van zijn moeder een psychotisch toestandsbeeld, waarbij het gebruik van amfetaminen leek te hebben bijgedragen aan de psychotische ontregeling.\n\nDe psycholoog adviseerde om verdachte in het kader van een zorgmachtiging te behandelen voor zijn psychoses en zijn verslaving, met actieve begeleiding op het gebied van wonen, relaties, dagbesteding en financiën. Indien de zorgmachtiging niet gerealiseerd kan worden, kan volgens de psycholoog worden gedacht aan tbs met dwangverpleging.\n\nBevindingen van de psychiaters\n\nOok drs. K.N. Broek, psychiater, en drs. M.K. van der Vlis, arts-assistent psychiatrie, hebben onderzoek ingesteld omtrent de persoon van verdachte en op 25 maart 2026 hierover gerapporteerd. De deskundigen hebben vastgesteld dat dat verdachte lijdt van schizofrenie. Hij heeft een psychotisch en gedesorganiseerd toestandsbeeld. Daarnaast is er sprake van een matig-ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine, waarvan aannemelijk is dat deze een ontregelende en onderhoudende rol speelt in het psychiatrisch toestandsbeeld.\n\nVolgens het psychiatrisch rapport was ten tijde van het onder parketnummer 05-204418-25 tenlastegelegde sprake van een actief psychotisch toestandsbeeld, gekenmerkt door paranoïde wanen, achterdocht jegens zijn moeder, broer en omgeving en preoccupatie met een persoon genaamd [naam] . Tevens waren er aanwijzingen voor hallucinatoire belevingen en duidelijke desorganisatie in het denken en handelen. Verdachte was niet onder behandeling en er was vermoedelijk sprake van middelengebruik, wat het toestandsbeeld verder kan hebben ontregeld.\n\nUit observaties tijdens detentie bleek dat ook zonder middelengebruik sprake bleef van achterdocht en desorganisatie, passend bij een primair psychotische stoornis. Het psychotische denken en gedesorganiseerde gedrag werd mogelijk wel verergerd door zijn middelengebruik, maar is daar niet de oorzaak van geweest. Het risico op gewelddadig recidivegedrag, zoals het dreigen met een mes, wordt door deskundigen als hoog ingeschat.\n\nAdvies van de deskundigen\n\nDe deskundigen hebben geadviseerd het onder parketnummer 05-204418-25 tenlastegelegde niet aan verdachte toe te rekenen, gezien de doorwerking van zijn psychotische toestandsbeeld op zijn al zijn denken en zijn handelen, en geadviseerd om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen en een zorgmachtiging te overwegen, alleen gericht op het blijven innemen van antipsychotica, mocht hij dit gaan weigeren.\n\nConclusie van de rechtbank\n\nDe rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en zal verdachte ten aanzien van de bedreiging, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 05-204418-25, volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren.\n\nGelet op hetgeen de psycholoog en de psychiater hebben vastgesteld en op de ernst van de stoornissen verwacht de rechtbank niet dat de deskundigen tot een ander oordeel waren\n\ngekomen als de vernieling, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 05-285057-24, was mee genomen in de beoordeling. De rechtbank ziet namelijk concrete aanknopingspunten dat ook bij dit feit sprake was van een situatie waarin verdachte heeft gehandeld vanuit een psychose waarbij hij de ernst en strafrechtelijke van zijn handelen niet inzag en hij ook de gevolgen daarvan niet overzag. De rechtbank zal verdachte dus ook volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren voor dat feit.\n\nDe rechtbank zal verdachte niet strafbaar verklaren en hem ontslaan van alle rechtsvervolging en zodoende aan hem geen straf opleggen.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van terbeschikkingstelling\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals de reclassering ze heeft geformuleerd in het maatregelrapport van 2 juni 2026. De officier van justitie heeft verzocht deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd.\n\nDe officier van justitie heeft voorts verzocht de voorlopige hechtenis niet op te heffen, maar te bepalen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) zal worden opgenomen, in elk geval tot er een overbruggingsplek is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis moeten dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de terbeschikkingstelling zullen worden verbonden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd en aangegeven dat hij zich kan vinden in het standpunt van de officier van justitie. Verdachte is gemotiveerd om aan de voorwaarden mee te werken. De raadsman heeft wel verzocht om af te zien van de gedragsbeïnvloedende maatregel.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nTbs-maatregel met voorwaarden\n\nDe rechtbank stelt verder vast dat het onder parketnummer 05-204418-25 bewezenverklaarde een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank gelet op de conclusies van de deskundigen van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.\n\nReclassering Nederland heeft op 2 juni 2026 in haar maatregelrapport positief geadviseerd ten aanzien van een tbs-maatregel en aanbevolen de volgende voorwaarden daaraan te verbinden:\n\ngeen strafbaar feit plegen;\n\nmeewerken aan reclasseringstoezicht;\n\nmeewerken aan time-out;\n\nniet naar het buitenland;\n\nmeldplicht bij reclassering;\n\nopneming in een zorginstelling;\n\nambulante behandeling;\n\nverblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\nverbod verdovende middelen;\n\ndagbesteding;\n\naflossing schulden.\n\nDe reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen.\n\nVerdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij zich realiseert dat hij ziek is en dat hij behandeling nodig heeft. Hij heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan de voorwaarden.\n\nDe verwachting is dat het hoge recidiverisico middels deze maatregel voldoende naar een meer aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht. Gelet op de inhoud van de rapporten van de deskundigen, het maatregelenrapport en de houding van verdachte ten aanzien van een dergelijke maatregel is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel met voorwaarden passend is. De rechtbank zal dit dan ook opleggen.\n\nHet bewezenverklaarde feit onder 05-204418-25 is een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank overweegt daartoe dat het gaat om een bedreiging in woord, die is vergezeld door niet-verbaal agressief geweld dat bestond uit het tonen van een mes, het op de keel zetten van het mes en meerdere stekende bewegingen in de richting van de bedreigde. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook in duur ongemaximeerd.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank ziet aanleiding de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, nu verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, het gevaar op herhaling van gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat en niet ter discussie staat dat klinische behandeling noodzakelijk is.\n\nGedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank schat in dat een tbs-maatregel voldoende tijd en mogelijkheden biedt om verdachte te behandelen, in te grijpen indien nodig en verdachte gedurende een langere tijd te monitoren.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nDe voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop verdachte voor zijn klinische behandeling in een FPK kan worden opgenomen, of indien deze niet tijdig beschikbaar is, er een overbruggingsplek voor verdachte is. Voor de schorsing van de voorlopige hechtenis gelden dezelfde voorwaarden, die aan de terbeschikkingstelling zijn verbonden.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nDe benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met de beschadiging van zijn auto een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.125,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het bedrag te matigen naar € 2.000,00 en de vordering voor het overige af te wijzen.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter hoogte van € 3.125,00 kan worden toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\nVerdachte is vanaf 5 september 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de maatregelen is gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;\n\n gelast dat verdachte ter beschikking wordt gestelden stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte:\n\n- Geen strafbaar feit plegen\n\nVerdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.\n\n- Meewerken aan reclasseringstoezicht\n\nVerdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n• Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.\n\n• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.\n\n• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n- Meewerken aan time-out\n\nAls de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n- Niet naar het buitenland\n\nVerdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n- Opneming in een zorginstelling\n\nVerdachte laat zich - zolang de reclassering het nodig vindt - opnemen in en behandelen door FPK Inforsa Amsterdam of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo snel als mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n- Ambulante behandeling\n\nVerdachte laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVerdachte verblijft - zolang de reclassering dat nodig vindt - in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\n- Verbod verdovende middelen\n\nVerdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n- Dagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n- Aflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\n geeft Reclassering Nederland (Tactus) opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;\n\n beveelt dat de terbeschikkingstellingmet voorwaardendadelijk uitvoerbaaris;\n\n schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven genoemde voorwaarden met ingang van het moment waarop verdachte bij een FPK zal worden opgenomen, althans tot er een passende overbruggingsplek is;\n\nten aanzien van de schadevordering van [aangever 2] (parketnummer 05-285057-24)\n\n veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 3.125,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf\n\n5 september 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 3.125,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 31 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost, voorzitter, mr. A.P. Sno en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025317639, gesloten op 6 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] op 5 juli 2025, p. 6 en 7.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 5 juli 2025, p. 9.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte door de rechter-commissaris op 8 juli 2025.\n\n Proces-verbaal van verhoor van verdachte op 5 juli 2025, p. 48 en 49.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024415579, gesloten op 11 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\nProces-verbaal van aangifte door [aangever 2] op 5 september 2024, p. 6 t\u002Fm 9.\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte op 5 september 2024, p. 31.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 september 2024, p. 39.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5296","2026-07-13T00:28:51.202Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":43,"updatedAt":66},"1607","ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","ecli-nl-rbgel-2026-5217","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F229359-25\n\nDatum uitspraak : 2 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. J. van Wijk, advocaat in Eindhoven.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 januari 2026 en 18 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 200 kilogram hennep.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van détournement de pouvoir, omdat de politie bestuursrechtelijke controlebevoegdheden uitsluitend heeft gebruikt voor het verrichten van opsporingshandelingen. De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs dat ziet op het tenlastegelegde, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en omdat dergelijke schendingen bij herhaling voorkomen. De raadsman heeft zich in dit verband subsidiair op het standpunt gesteld dat het vormverzuim moet leiden tot strafvermindering, waarbij hij heeft gewezen op een zaak waarin vanwege het vormverzuim artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) werd toegepast.\n\nDe raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat verdachte op verzoek van een ander het voertuig met daarin hennep in de buurt van Zwolle heeft opgehaald en dus niet binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De raadsman heeft zich in het verlengde hiervan meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van ofwel opzet had op de aanwezigheid van hennep in de bus en ook om die reden vrijgesproken dient te worden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden bespreken die hebben geleid tot het onderzoek aan de laadruimte van het voertuig dat verdachte bestuurde, waarna zij zal bespreken of sprake is van détournement de pouvoir en daarmee een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.\n\nOp 29 augustus 2025 kwam in de ochtend een melding van het ANPR-systeem binnen waaruit bleek dat een Ford Transit met kenteken [kenteken] over de A28 ter hoogte van Lankhorst reed. Deze Ford Transit was blijkens het ANPR-systeem eerder die ochtend om 8.29 uur op de A37 bij de grensovergang met Duitsland Nederland binnengekomen. Dit voertuig was met toestemming van een officier van justitie in het ANPR-systeem geplaatst met als doel dit voertuig te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit. Verbalisanten zagen dit voertuig om. 9.19 uur vanaf de A28 ter hoogte van Zwolle de A50 oprijden.Dat is 50 minuten na de ANPR-hit. Volgens Google-Maps is de afgelegde afstand tussen de plek van de ANPR-hit en de plek waar het voertuig de A50 op reed, te rijden in 53 minuten.\n\nDe verbalisanten hebben beschreven dat bovenvermeld voertuig uitsluitend werd gebruikt voor het vervoer van goederen, zoals bedoeld in artikel 1.1 Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg). Eén van de verbalisanten zag dat de vering van het voertuig was ingezakt en daaruit maakte hij op dat het voertuig geladen was. Zij hielden het voertuig vervolgens in Hattem stil met als doel te onderzoeken of er voor het vervoer een vergunning dan wel een vrachtbrief vereist was. Deze verbalisant vroeg de bestuurder (verdachte) of het voertuig geladen was en daarop vertelde verdachte dat er spullen achterin lagen. Verdachte wilde verder geen antwoord meer geven op de vraag wat voor lading hij vervoerde en zei alleen maar “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Vervolgens stapte verdachte uit en openden verbalisanten de laadruimte. Bij het openen van de laadruimte roken verbalisanten een henneplucht en zagen zij grote gesealde zakken in die ruimte liggen.\n\nDaarop stopten verbalisanten het onderzoek in het kader van de Wwg in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), deelden verdachte mee dat nu sprake was van verdenking van een strafbaar feit en doorzochten zij het voertuig op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).\n\nGeen vormverzuim\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is van détournement de pouvoir. Daarvan zou sprake kunnen zijn als verbalisanten controlebevoegdheden uitsluitend inzetten ten behoeve van opsporing.\n\nOp grond van artikel 5.1 van de Wwg jo. artikel 141 Sv en artikel 5:11 Awb zijn (onder meer) politieambtenaren als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wwg. In dit verband is de politieambtenaar als toezichthouder op grond van artikel 5:19 Awb bevoegd vervoermiddelen, waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.\n\nDe vaststelling dat sprake was van een voertuig dat enkel gebruikt werd voor het vervoer van goederen en dat blijkens de ingezakte vering kennelijk was geladen, bracht mee dat de politieambtenaren bevoegd waren ter controle op de naleving van de Wwg, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 2.13 van die wet, na te gaan of sprake was van beroepsvervoer waarvoor een vrachtbrief of vergunning vereist was. In dat kader mochten de politieambtenaren het voertuig stilhouden en de lading aan een controle onderwerpen. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de politieambtenaren de uitoefening van deze controlebevoegdheden op grond van de AWB en Wwg in de concrete bovenvermelde omstandigheden uitsluitend hebben aangewend met het oog op de opsporing in de zin van artikel 132a Sv. Van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dus geen sprake. Dat dit voertuig in juni 2025 naar voren kwam in een onderzoek naar vermoedelijke overtreding van de Opiumwet maakt dat niet anders. Ten eerste niet omdat niet aannemelijk is geworden dat deze informatie bekend was bij de verbalisanten die het voertuig controleerden. En ten tweede niet omdat dan nog steeds zou gelden dat de controlebevoegdheid die er was, niet uitsluitend is gebruikt met het oog op de opsporing. Er waren immers feiten en omstandigheden op grond waarvan de verbalisanten het voertuig mochten controleren. Omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een vormverzuim gaat zij niet over tot bewijsuitsluiting ofwel strafvermindering. Dit betekent dat de rechtbank de verweren van de raadsman die hierop zien verwerpt.\n\nBij doorzoeking van de laadruimte van het voertuig werden negen gevulde strijkzakken gevonden.In één zak zat een scheur en verbalisant herkende de inhoud op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep. Uit deze zak werd een monster genomen dat indicatief werd getest. Deze test gaf een indicatie voor de aanwezigheid van THC. Een verbalisant, opgeleid om verdovende middelen te onderzoeken, herkende de inhoud van de overige acht zakken op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep.De verbalisanten die de hennep vervoerden naar de plaats waar het vernietigd zou worden hebben voorafgaand aan het uitladen hun auto op een geijkte weegbrug gewogen. De inbeslaggenomen hennep werd vervolgens uitgeladen. De auto van verbalisanten werd vervolgens weer gewogen en na geijkte weging bleek dat de inbeslaggenomen strijkzakken met hennep in totaal 200 kilo wogen.\n\nDe rechtbank stelt op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen vast dat in de laadruimte van het voertuig, waarvan verdachte de bestuurder en tevens enig inzittende was, 200 kilo hennep lag.\n\nVerdachte heeft op zitting voor het eerst een verklaring afgelegd over het tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2025 door een vriend werd gevraagd om in de buurt van Zwolle een busje op te halen en naar Den Bosch te brengen. Hij wist niet dat er hennep in het busje lag. Verdachte wist ook niet waarom het busje opgehaald moest worden, heeft daar ook op geen enkel moment vragen over gesteld en wil niet verklaren welke vriend hem dat destijds heeft gevraagd te doen. Ook wil verdachte niet verklaren waar het busje precies heen gebracht moest worden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij met een vriend van die vriend in de auto naar een parkeerplaats of tankstation in de buurt van Zwolle reed, hij weet niet precies waar, en vervolgens op die parkeerplaats of bij dat tankstation in het desbetreffende busje is overgestapt. Hij stapte in het busje, waarvan de sleutel nog in het contact zat, reed weg en werd kort daarna door de politie van de weg gehaald.\n\nDe verklaring van verdachte die inhoudt dat hij niets wist van de hennep en dat iemand anders het busje vanuit Duitsland Nederland in heeft gereden en dat verdachte pas is ingestapt in Zwolle, staat op zichzelf en wordt niet ondersteund door objectieve gegevens uit het dossier of anderszins. Uit de gegevens van Google Maps blijkt bijvoorbeeld ook niet dat het busje langer over de route heeft gedaan dan gebruikelijk. Omdat verdachte verder niets wil verklaren over wie hem dat zou hebben gevraagd te doen en waarom, is zijn verklaring daarnaast nauwelijks concreet en niet verifieerbaar. Feitelijk verklaart verdachte alleen dat hij voor iemand anders reed en blijft verder ieder detail achterwege. Bovendien wordt deze verklaring weersproken door het feit dat verdachte – voordat de laadruimte door de politie was geopend en hij uit de auto was gestapt – niet wilde antwoorden op de vraag wat voor lading hij vervoerde maar zei “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte heel goed wist wat hij vervoerde.\n\nAlles afwegende staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, als bestuurder en tevens enig inzittende van het voertuig, beschikkingsmacht en wetenschap van de lading in zijn voertuig heeft gehad en dat hij opzettelijk 200 kilo hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij op of omstreeks29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer200 kilogram, in elk geval een hoeveelheidhennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II., dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij de bepaling van de strafmaat aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), aangaande de straffen die doorgaans worden opgelegd voor het kweken van 500 hennepplanten. Daar wordt uitgegaan van taakstraffen. Verdachte had namelijk strijkzakken met volledige planten onder zich. De raadsman heeft verder gesteld dat het niet redelijk is om bij de strafbepaling uit te gaan van het brutogewicht van de planten, omdat ze vochtig waren.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft een grote hoeveelheid hennep vanuit het buitenland binnen het Nederlandse grondgebied gebracht. De bijdrage van de verdachte aan de invoer van softdrugs houdt de illegale handel in deze drugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Het is algemeen bekend dat de verspreiding van deze grote hoeveelheden en de organisatie daaromheen leiden tot zeer grote nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en voor de maatschappij, zoals zware criminaliteit en ondermijning van de samenleving. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen – naar mag worden aangenomen – uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.\n\nUit het strafblad van verdachte volgt dat hij in 2022 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar vanwege de vervaardiging of productie van verdovende middelen. Oplegging van deze straf heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een ernstig drugsdelict te plegen.\n\nUit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering gelet op de bovenvermelde veroordeling een patroon in het plegen van drugsdelicten ziet. Zij schatten het risico op herhaling in als hoog, onder meer omdat verdachte blijkbaar niet heeft geleerd van de eerdere veroordeling. Omdat de reclassering geen contact met verdachte kreeg, is hen niets bekend over de verschillende leefgebieden van verdachte. Het opstellen van een plan van aanpak voor begeleiding of gedragsinterventie was daardoor niet mogelijk. Verdachte heeft ter zitting aangegeven geen behoefte te hebben aan reclasseringsbemoeienis, omdat hij zijn leven op orde heeft.\n\nAnders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor het kweken van 500 hennepplanten, omdat nergens uit blijkt dat het in deze zaak ging om 500 planten en het bovendien gaat om een ander feit. In de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilo softdrugs wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. In deze zaak heeft verdachte niet enkel een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad, maar deze hennep vanuit het buitenland ingevoerd. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank er rekening mee houden dat het in deze zaak gaat om een brutogewicht van vochtige hennep, terwijl vochtige hennep doorgaans vier keer zo zwaar is als droge hennep. Zij zal daarom uitgaan van het droge gewicht van deze hennep.\n\nAlles overwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf en\u002Fof een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte niet passend, omdat het geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het feit, in het bijzonder dat het gaat om invoer, in combinatie met het gegeven dat sprake is van recidive, tot gevolg moet hebben dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden opleggen. Oplegging van een hogere gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet passend gelet op straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 3 en 11 van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Vijftigschild (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Landelijke Eenheid van de politie, team infrastructuur, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025415671, gesloten op 2 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 30-32.\n\n Afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen PL0600-2025415671-22, p. 2\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 39.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 6-7, gelezen in onderlinge samenhang met het bijschrift bij de fotobijlage op p. 9 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 18-20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","2026-07-13T00:29:29.352Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":43,"updatedAt":74},"1675","ECLI:NL:RBGEL:2026:5218","ecli-nl-rbgel-2026-5218","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummers: 05.223831.25 en 05.114360.25 (tul)\n\nDatum uitspraak : 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nraadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan\n\nvan [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, immers heeft\n\nverdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: \"Als ik zaterdag\n\nmijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik\n\nvarkensvoer van haar\", van welke bedreiging(en)\u002Fdreigende woorden voornoemde\n\n [aangever 1] kennis heeft genomen;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst\n\n [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3]\n\nheeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak\n\njullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd\n\nom het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin\" en\u002Fof door het\n\nversturen van tekstberichten met de tekst \"Ik ruim jullie 2 op\" en\u002Fof \"Kop der af\",\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval\n\nin Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een\n\npersonenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet\n\n1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te\n\nverlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht\n\nte blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en\u002Fof aan de verplichting\n\ngevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het\n\nonderzoek gegeven aanwijzingen;\n\n4\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juni 2025 tot en met\n\n18 augustus 2025 te Voorst, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig\n\nopzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten\n\ndie van [aangever 1] door:\n\n- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en\u002Fof foto’s en\u002Fof youtubelinkjes te\n\nsturen (al dan niet met bedreigende en\u002Fof intimiderende inhoud) en\u002Fof\n\n- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,\n\nmet het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te\n\ndulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit wegens onvoldoende bewijs. Zij heeft aangevoerd dat aangeefster de gestelde bedreiging via een derde, [hulpverlener] , heeft vernomen, die hiervan ook melding bij de politie heeft gedaan. De informatie is daarom afkomstig uit dezelfde bron. Daarnaast biedt de verklaring van de getuige [getuige] onvoldoende steun, nu deze ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Voorts heeft de buurman, op wie de verklaring van [getuige] is gebaseerd, zelf geen verklaring afgelegd.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niemand getuige is geweest van het telefoongesprek. Nu onvoldoende bewijs voorhanden is, dient vrijspraak te volgen.\n\nDe raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeit 1\n\nBewijsmiddelen\n\nAangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van [hulpverlener] heeft gehoord dat verdachte heeft gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet zie, dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik varkensvoer van haar’.\n\n [hulpverlener] , ambulant hulpverlener vanuit [instelling] , heeft op 12 augustus 2025 gebeld naar de politie. Hij heeft verklaard dat hij net bij verdachte op het adres [adres] in [woonplaats] was geweest en dat hij had medegedeeld dat hij zijn kinderen aanstaande zaterdag niet te zien zou krijgen. Verdachte heeft toen tegen hem gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet krijg, maak ik [aangever 1] van kant.’ Verdachte heeft hem opgedragen deze boodschap aan aangeefster over te brengen.\n\nGetuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van de buurman van verdachte heeft gehoord dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij [aangever 1] ‘van kant zou maken’ indien hij zaterdag de kinderen niet zou krijgen.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank volgt het standpunt van de raadsvrouw dat de informatie uit dezelfde bron komt niet. De verklaring van aangeefster betreft weliswaar geen eigen waarneming, maar vindt op essentiële onderdelen steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin is vastgelegd dat [hulpverlener] melding heeft gemaakt van een door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Daarnaast vindt deze verklaring steun in de verklaring van [getuige] . Hoewel aan laatstgenoemde verklaring, nu deze is gebaseerd op informatie van horen zeggen, in beginsel minder bewijskracht toekomt dan aan een verklaring uit eigen waarneming, kan zij wel dienen als ondersteuning van ander bewijsmateriaal. De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in haar standpunt dat de verklaring van aangeefster ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de verklaring van [hulpverlener] als die van [getuige] betrekking heeft op een op of omstreeks 12 augustus 2025 door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Dat de bedreiging op verschillende momenten op 12 augustus 2025 aan derden is medegedeeld, maakt niet dat sprake is van verschillende gebeurtenissen. De verklaringen zijn in essentie gelijkluidend en ondersteunen elkaar op wezenlijke onderdelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.\n\nConclusie\n\nOp grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster op 12 augustus 2025 met enig misdrijf tegen het leven heeft bedreigd.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen\n\nAangever [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte op 8 augustus 2025 telefonisch tegen hem heeft gezegd ‘ik maak jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen, en jullie krijgen drie dagen de tijd om het huis te verlaten dan zet ik een verkoopbord in de tuin’. Dit was gericht tegen mij en mijn vrouw [aangever 3] .\n\nHet dossier bevat afbeeldingen van een WhatsAppgesprek tussen aangever en verdachte. Daarin zegt verdachte onder meer: “Ben onderweg” met vier emoticons van vuisten, “Kop der af” en “Ik ruim jullie 2 op”. In het laatstgenoemde bericht zijn drie emoticons van een pistool te zien.\n\nUit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat verdachte bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze berichten heeft verzonden.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aangever en [aangever 3] op 8 augustus 2025 telefonisch heeft bedreigd door onder meer te zeggen ‘ik maak jullie dood’. Die verklaring vindt ondersteuning in de WhatsApp-berichten die verdachte diezelfde dag aan aangever heeft verzonden, waarin verdachte onder meer heeft geschreven dat hij onderweg was en de tekst ‘kop der af’ en ‘ik ruim jullie twee op’ gevolgd door emoticons van pistolen en vuisten. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van aanhouding dat verdachte zich bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 agressief en dreigend heeft uitgelaten en heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’. Naar hun aard en inhoud waren de uitlatingen van dien aard dat bij aangever en diens echtgenote in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ten uitvoer zou leggen.\n\nConclusie\n\nGelet op de inhoud van de telefonische uitlatingen, de daaropvolgende WhatsApp-berichten en de overige door de verdachte geuite bedreigingen, bezien in onderlinge samenhang, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangever [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nFeit 3\n\nEr is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen\n\n- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 42-43;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.\n\nFeit 4\n\nEr is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 7-9;\n\nhet proces-verbaal tijdlijn in stalkingszaken, p. 19-25;\n\nhet aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2025, nummer PL0600-2025360830-18;\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025 zeer vaak contact heeft gezocht met aangeefster, terwijl aangeefster had gezegd geen rechtstreeks contact meer te willen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging heeft schuldig gemaakt in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025. Voor zover de tenlastelegging ziet op de periode na 15 augustus 2025 ontbreekt het bewijs, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan\n\nvan [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, immers heeft\n\nverdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: \"Als ik zaterdag\n\nmijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik\n\nvarkensvoer van haar\", van welke bedreiging(en)\u002Fdreigende woorden voornoemde\n\n [aangever 1] kennis heeft genomen;\n\n2\n\nhij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst\n\n [aangever 2] en\u002Fof[aangever 3]\n\nheeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] en\u002Fof[aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak\n\njullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd\n\nom het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin\" en\u002Fofdoor het\n\nversturen van tekstberichten met de tekst \"Ik ruim jullie 2 op\" en\u002Fof\"Kop der af\",\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval\n\nin Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een\n\npersonenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet\n\n1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te\n\nverlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht\n\nte blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en\u002Fof aan de verplichting\n\ngevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het\n\nonderzoek gegeven aanwijzingen;\n\n4\n\nhij op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 27 juni 2025 tot en met\n\n15 augustus 2025 te Voorst, althansin Nederland, wederrechtelijk stelselmatig\n\nopzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten\n\ndie van [aangever 1] door:\n\n- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en\u002Foffoto’s en\u002Fofyoutubelinkjes te\n\nsturen (al dan niet met bedreigende en\u002Fof intimiderende inhoud) en\u002Fof\n\n- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,\n\nmet het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te\n\ndulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\nfeit 2:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;\n\nfeit 3:\n\novertreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;\n\nfeit 4:\n\nbelaging.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) waarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.\n\nVerder heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met ingang van 23 juni 2026 om 13.30 uur, onder de voorwaarden die aan de maatregel van terbeschikkingstelling worden verbonden, zodat verdachte vanaf die datum kan worden opgenomen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [afdeling] .\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft, nu er concreet zicht is op een behandelplek voor verdachte, geen verweer gevoerd tegen de gevorderde tbs-maatregel als zodanig. Ten aanzien van de aan die maatregel te verbinden voorwaarden heeft zij primair verzocht geen locatieverbod op te leggen. Subsidiair heeft zij verzocht de omvang van het locatieverbod te beperken, omdat het vastgestelde gebied volgens de verdediging te omvangrijk is. Daarnaast heeft zij verzocht geen maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging met de dood van zijn ex-partner en zijn moeder en stiefvader. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan belaging van diezelfde ex-partner en heeft hij geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Met de bedreigingen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers. Bedreigingen met de dood zijn ernstige feiten die diep kunnen ingrijpen in het leven van degenen tegen wie zij zijn gericht. Dat geldt temeer wanneer deze plaatsvinden binnen de familiaire of relationele sfeer. Door zijn ex-partner gedurende langere tijd stelselmatig te benaderen en haar berichten te sturen, heeft verdachte bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft zich kennelijk niet kunnen neerleggen bij het einde van de relatie en heeft met zijn handelen het gevoel van vrijheid en veiligheid van het slachtoffer aangetast. De rechtbank rekent verdachte de feiten zwaar aan. Verder heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Daarmee heeft hij de handhaving van de verkeersveiligheidswetgeving belemmerd. Het vaststellen of een bestuurder onder invloed van alcohol verkeert, is van groot belang voor de verkeersveiligheid.\n\nStrafblad\n\nUit de justitiële documentatie van 12 mei 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen zijn (ex)partner, laatstelijk op 9 mei 2025. Dit weegt de rechtbank mee in strafverzwarende zin. Verdachte liep van de laatste veroordeling nog in een proeftijd. De veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nToerekenbaarheid\n\nTer beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de psycholoog van 13 maart 2026 en het rapport van de psychiater van 31 maart 2026.\n\nUit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een psychotisch toestandsbeeld en een stoornis in het gebruik van alcohol. Zijn denken, voelen en handelen werden hierdoor beïnvloed, mede door een verstoorde realiteitstoetsing, verhoogde prikkelbaarheid en verminderde impulsbeheersing. Als gevolg daarvan was verdachte verminderd in staat zijn gedrag te sturen en de gevolgen van zijn gedragingen te controleren en in redelijkheid af te wegen. Hierbij handelde verdachte vanuit onvoldoende adequate coping vaardigheden. De psycholoog adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.\n\nUit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van een schizofrenieforme spectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en een stoornis in de realiteitstoetsing. Verdachte heeft weinig adequate copingmechanismen, waardoor hij bij oplopende spanningen de neiging heeft de problemen te vermijden\u002Fde stress te dempen door overmatig alcohol te gebruiken. Hierdoor bestaat het risico dat verdachte achterdochtig reageert, wat dusdanige vormen aan kan nemen dat de realiteitstoetsing verstoord raakt en hij, met andere woorden, psychotisch kan worden. De psychotische stoornis was ten tijde van de tenlastelegging niet zo ernstig dat deze zijn oordeelsvermogen en daaruit voortkomend gedrag in die mate beïnvloedde dat hij geen enkele vrijheid van denken of handelen meer had. Dit neemt niet weg dat de combinatie van deze stoornissen als psychische stoornis in de zin van de wet, het denken, voelen, oordelen en handelen wel beïnvloedde en daarmee doorwerkte in het tenlastegelegde. De psychiater adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank is, gelet op het advies van de rapporterende deskundigen, van oordeel dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.\n\nTbs maatregel met voorwaarden\n\nDe psycholoog schat het risico op recidive in als hoog. Daarbij wijst de psycholoog op de aanwezigheid van meerdere risicofactoren voor gewelddadig gedrag. Bij de combinatie van stoornissen zoals hiervoor genoemd, zijn beschermende factoren slechts beperkt aanwezig. Gelet hierop is een hoge mate van externe structurering noodzakelijk om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en de kans van slagen van die behandeling te vergroten. Complicerend in het geval van verdachte is dat het hem ontbreekt aan ziektebesef en -inzicht en intrinsieke behandelmotivatie. Gezien de behandelings- en delicthistorie heeft verdachte tot op heden onvoldoende geprofiteerd van de geboden behandeling en begeleiding. Ondanks eerder ingezette ambulante hulpverlening en reclasseringstoezicht heeft verdachte opnieuw strafbare feiten gepleegd. De psycholoog adviseert daarom een klinische behandeling binnen een forensisch psychiatrische kliniek. De behandeling dient gericht te zijn op stabilisering van het psychotisch toestandsbeeld, gevolgd door intensieve outreachende ambulante behandeling door een forensisch FACT-team. De psycholoog acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Daarbij kan, indien verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft, alsnog worden voorzien in een tbs met dwangverpleging. Volgens de psycholoog biedt deze maatregel voldoende waarborgen om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en het behandeltraject duurzaam voort te zetten.\n\nUit het rapport van de psychiater blijkt eveneens dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Volgens de psychiater is voor de aanpak van de combinatie van een schizofreniespectrum\u002Fpsychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol een klinisch forensische behandeling noodzakelijk. Daarbij dient niet alleen aandacht te worden besteed aan de verslavingsproblematiek, maar ook aan de psychotische kwetsbaarheid van verdachte en zijn beperkte copingvaardigheden. Van belang is dat verdachte een duurzame behandelrelatie opbouwt, waarin open kan worden gesproken over zijn aandeel in de ontstane problematiek. De psychiater acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Binnen dat kader kan een klinische behandeling plaatsvinden, gevolgd door een ambulant behandeltraject. Indien verdachte zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, bestaat de mogelijkheid de maatregel om te zetten in een tbs-maatregel met dwangverpleging. Volgens de psychiater biedt dit voldoende waarborgen voor zowel de behandeling van verdachte als de bescherming van de veiligheid van anderen.\n\nUit het reclasseringsrapport van 8 mei 2026 blijkt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. De reclassering acht een klinische behandeling binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk. Een dergelijk kader biedt de mogelijkheid om de draagkracht van verdachte te vergroten, zijn inzicht in de problematiek te bevorderen en hem langdurig te ondersteunen bij het verminderen van het recidiverisico. De reclassering adviseert in het maatregelenrapport daarom tbs met de volgende voorwaarden: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan time-out, niet naar het buitenland, meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod met elektronische monitoring. Verder adviseren zij de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden en daarnaast om een GVM op te leggen.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting van 9 juni 2026 verklaard zich aan alle geadviseerde voorwaarden te zullen houden.\n\nGelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van de bij verdachte aanwezige problematiek, het recidiverisico en de noodzaak van behandeling, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.\n\nGelet op de inhoud van de rapporten van de psychiater, de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat opname in een zorginstelling (klinische opname) noodzakelijk is om het risico op recidive te verlagen. Uit de voornoemde rapporten blijkt dat verdachte een beperkt ziekte-inzicht heeft en dat gelet op de combinatie van stoornissen een intensieve klinische behandeling noodzakelijk is.\n\nGelet op de beschikbare behandelplek, de bereidheid van verdachte om zich aan de voorwaarden te houden en mee te werken aan de behandeling, en het positieve advies van de reclassering, acht de rechtbank een terbeschikkingstelling met voorwaarden passend en geboden. De rechtbank wijst verdachte er wel op dat niet-naleving van de voorwaarden of als verdachte anderszins onvoldoende meewerkt aan de behandeling, omzetting van de maatregel in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging tot de mogelijkheden behoort.\n\nDe bewezenverklaarde feiten zijn geen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook in duur gemaximeerd, indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en later alsnog dwangverpleging wordt bevolen.\n\nTer bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag. De rechtbank neemt de voorwaarden over die de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank ziet, gelet op het recidiverisico, geen aanleiding om af te zien van het locatieverbod, zoals door de raadsvrouw verzocht. De rechtbank overweegt dat de regio waarvoor het locatieverbod geldt door de reclassering kan worden aangepast als de reclassering dat nodig of wenselijk acht, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de reclassering regelmatig zal evalueren of het (volledige) locatieverbod in stand moet blijven. De rechtbank zal om die reden geen wijziging aanbrengen in het locatieverbod.\n\nDe rechtbank zal de aan de terbeschikkingstelling met voorwaarden verbonden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte aansluitend onder schorsingsvoorwaarden kan worden opgenomen in de FPA, zodat onmiddellijke uitvoering van de voorwaarden noodzakelijk en passend is.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nZoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. De rechtbank stelt vast dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf van 6 maanden, gelet op de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geheel is ondergaan. Nu aan verdachte tevens de maatregel van tbs met voorwaarden wordt opgelegd en een van die voorwaarden strekt tot verplichte klinische opname in een forensische zorginstelling, ziet de rechtbank aanleiding het bevel voorlopige hechtenis niet op te heffen. Deze opname brengt een vrijheidsbeneming mee. Gelet daarop staat artikel 67a, derde lid, van het wetboek van Strafvordering (Sv) niet aan voortduring van de voorlopige hechtenis in de weg totdat de klinische opname is aangevangen. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis handhaven. De rechtbank heeft wel aanleiding gezien de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van heden. Daarvan is een afzonderlijke schorsingsbeslissing opgemaakt.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank leidt uit de stukken af dat bij verdachte sprake is van meervoudige en complexe problematiek, gecombineerd met een beperkte ontvankelijkheid voor interventies die gericht zijn op gedragsverandering. De inschatting van de deskundigen is dat bij verdachte langdurig enige mate van controle en zicht noodzakelijk is. Door het opleggen van een GVM is het mogelijk om ook na afloop van de (gemaximeerde) terbeschikkingstelling toezicht uit te blijven oefenen op verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opleggen van de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr aangewezen is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.114360.25)\n\nDe politierechter heeft verdachte op 9 mei 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe officier van justitie vordert de afwijzing van de tenuitvoerlegging van die straf.\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat verdachte in de onderhavige zaak ook al een flink aantal voorwaarden opgelegd krijgt. Subsidiair heeft de raadsvrouw gevraagd om het voorwaardelijk strafdeel af te trekken van de straf in de hoofdzaak.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen nu tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf de voorwaarden verbonden aan de maatregel tbs doorkruist. De rechtbank ziet verder aanleiding de voorwaarden te wijzigen in die zin dat deze komen te vervallen. De rechtbank acht hierbij van belang dat verdachte zich in het kader van de maatregel tbs dient te houden aan diverse voorwaarden. De eerder opgelegde bijzondere voorwaarden hebben daarom geen meerwaarde.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maandenen beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstellingde volgendevoorwaardenbetreffende het gedrag van verdachte:\n\nVerdachte zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit.\n\nVerdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n• Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om zijn identiteit vast te stellen.\n\n• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.\n\n• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en\n\n instanties die contact met hem hebben, als dat van belang is voor het\n\n toezicht.\n\n3. Verdachte laat zich opnemen in FPA [afdeling] dan wel een soortgelijke forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start op 23 juni 2026 om 13.30 uur en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n4. Verdachte stelt zich na de klinische fase onder behandeling bij door de reclassering aan te wijzen instelling(en) voor forensische verslavingszorg en\u002Fof forensische psychiatrie en houdt zich aan de huisregels van die zorginstelling(en) en aan de aanwijzingen die hem in het kader van zijn behandeling door zijn behandelaren zullen worden gegeven zolang de reclassering dit nodig acht. Het innemen van medicijnen en het afnemen van urinecontroles kan onderdeel van de behandeling zijn.\n\n5. Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan hij voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n6. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n7. Verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n8. Verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: - mevrouw [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1985; - mevrouw [aangever 3] , geboren op [geboortedag] 1950; - de heer [aangever 2] , geboren op [geboortedag] 1960.\n\n10. Verdachte zal zich niet bevinden in het verboden gebied; beschrijving van het verboden gebied is van Apeldoorn tot en met Delden en Haaksbergen en van Raalte tot en met Eerbeek en Groenlo, zoals omschreven is in de afbeelding in de bijlage, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en\u002Fof aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.\n\n11. gedurende de duur van het elektronisch toezicht verlaat verdachte Nederland niet zonder toestemming van de reclassering;\n\n geeft de Reclassering opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;\n\n beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende maatregel\n\n legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr;\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\n wijstde vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 05-114360.25afen past de voorwaarden onder dat parketnummer aan, in die zin dat alle bijzondere voorwaarden komen te vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen, voorzitter, mr. W.H.S. Duinkerke en mr. O. El Kadi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025386900, gesloten op 16 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 8.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 11.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 10.\n\n Afbeelding van een WhatsAppgesprek, p. 55.\n\n Proces-verbaal van aanhouding van 8 augustus 2025, p. 18.\n\n Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5218","2026-07-13T00:29:32.939Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":79,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":43,"updatedAt":82},"711","ECLI:NL:GHARL:2025:911","ecli-nl-gharl-2025-911","Parketnummer : 20-002793-24\n\nUitspraak : 10 februari 2025\n\nTEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 25 oktober 2023 van in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 05-242022-23 en 05-186252-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummers 09-209763-21 en 09-286167-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 tenlastegelegde en is hij ter zake van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 7,11 gram cocaïne en ongeveer 1,82 gram heroïne (in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 tenlastegelegde) en tweemaal ter zake van belediging van een ambtenaar in functie (in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.\n\nVoorts heeft de politierechter de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte gelast.\n\nTot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen en de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder in de zaak met parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf afgewezen.\n\nNamens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden, behoudens de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen en tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder in de zaak met parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep voor zover deze is gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 is tenlastegelegde.\n\nVoorts heeft de verdediging het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete.\n\nTot slot heeft de verdediging bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 09-286167-19 zal afwijzen en ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 09-209763-21 primair bepleit dat het hof deze zal afwijzen en subsidiair dat het hof de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal omzetten naar een taakstraf.\n\nOntvankelijkheid hoger beroep\n\nDe verdachte is door politierechter in de rechtbank Gelderland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\nZaak met parketnummer 05-242022-23:2. hij op of omstreeks 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 7,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 1,82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3. hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 4 juli 2023 te Zutphen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten\n\n [benadeelde 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland en\u002Fof\n\n [benadeelde 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, in zijn\u002Fhaar\u002Fhun tegenwoordigheid, een of meerdere malen mondeling heeft beledigd, door hem\u002Fhaar\u002Fhen de woorden toe te voegen: \"Kanker wouten\" en\u002Fof \"Kanker flikker\" en\u002Fof \"Krijg de kanker\", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking.\n\nZaak met parketnummer 05-186252-23 (gevoegd):hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Zutphen opzettelijk (een) (politie)ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde 2] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland) en\u002Fof [benadeelde 1] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, in zijn\u002Fhaar\u002Fhun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem\u002Fhaar\u002Fhen de woorden toe te voegen: \"Jullie zijn kankerlijers\" en\u002Fof \"Flikkers\" en\u002Fof \"Kankerflikkers\", althans woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\nZaak met parketnummer 05-242022-23:2. hij op 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- 7,27 gram cocaïne en\n\n- 1,82 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n 3. hij op 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten\n\n [benadeelde 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland en\n\n [benadeelde 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: \"Kanker wouten\" en \"Kanker flikker\" en \"Krijg de kanker.\n\nZaak met parketnummer 05-186252-23 (gevoegd):hij op 19 juli 2023 te Zutphen opzettelijk politieambtenaren, te weten [benadeelde 2] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland) en [benadeelde 1] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: \"Jullie zijn kankerlijers\" en \"Flikkers\" en \"Kankerflikkers\".\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIndien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-186252-23 bewezenverklaarde levert op:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe politierechter heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verdachte alle kansen heeft gehad van justitie, maar desondanks zijn leven niet heeft gebeterd.\n\nDe verdediging heeft met een verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 7,27 gram cocaïne en 1,82 gram heroïne. Daarnaast heeft hij zich op twee verschillende data schuldig gemaakt aan het beledigen van ambtenaren in functie. Niet alleen getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag, ook heeft de verdachte de ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen. Dit geldt temeer omdat hun werk het in de regel niet toelaat dat zij zich distantiëren van een situatie waarin zulke gedragingen zich zouden kunnen voordoen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.\n\nHet hof is van oordeel dat in het algemeen genomen bij het bepalen van de strafoplegging aansluiting kan worden gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Voor een belediging is het uitgangspunt de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 150,00. Voor zover het feit is begaan tegen (onder andere) een – kort gezegd – ambtenaar in functie, kan de in het oriëntatiepunt genoemde straf worden verhoogd met 33% tot 100%. Ter zake van het opzettelijk voorhanden hebben van harddrugs tussen 0 en 10 gram is het oriëntatiepunt in beginsel een geldboete ter hoogte van € 750,00. In de gevallen waarin het verkopen, afleveren of verstrekken niet te bewijzen is, maar dealen wel aannemelijk is, kan – met de nodige terughoudendheid – ook aansluiting worden gezocht bij het oriëntatiepunt voor dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.\n\nHet hof is van oordeel dat er goede gronden zijn om in de onderhavige zaak af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten voor belediging en het voorhanden hebben van harddrugs en motiveert deze afwijking als volgt.\n\nIn de eerste plaats heeft de verdachte zich niet eenmaal schuldig gemaakt aan de belediging van een enkele ambtenaar in functie, waar het voornoemde oriëntatiepunt van uitgaat, maar heeft hij op twee verschillende data twee agenten beledigd.\n\nIn de tweede plaats is het hof van oordeel dat het dossier ten laste van de verdachte meerdere dealerindicaties bevat. Zo was de heroïne verpakt in 9 en de cocaïne in 34 gripzakjes (p. 31 en 32 van het politiedossier). Daarnaast bestond het geldbedrag dat de verdachte bij zich had voornamelijk uit kleine coupures (p. 20 van het politiedossier). Tot slot werd door verbalisanten tijdens het kort volgen van de verdachte waargenomen dat de verdachte zesmaal in contact is geweest met drugsgebruikers of woningen is binnengegaan waarin drugsgebruikers wonend zijn (p. 14 van het politiedossier).\n\nTot slot heeft het hof acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 14 november 2024, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte. Blijkens dit uittreksel heeft de verdachte ondanks zijn nog relatief jonge leeftijd al de nodige justitiële contacten gehad. Bovendien bevond de verdachte zich ten tijde van de pleegdata in de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijk jeugddetentie voor de duur van 89 dagen. Zelfs de dreiging van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsbenemende straf heeft de verdachte er niet van kunnen weerhouden zich op twee verschillende data schuldig te maken aan strafbare feiten. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden hof is van oordeel dat de door de verdediging verzochte strafafdoening, te weten het opleggen van een geldboete, geen recht doet aan de ernst van de gedragingen van de verdachte en acht het hof, met de advocaat-generaal, vanuit het oogpunt van juiste normhandhaving de oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden.\n\nTot slot heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. Het enkele feit dat de verdachte thans werkzaam is in Duitsland, acht het hof van onvoldoende gewicht om van voornoemde normhandhaving af te wijken.\n\nAl het vorenstaande afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, passend is bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan.\n\nBeslag\n\nConform de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal, zal het hof de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, nader beschreven in het dictum van dit arrest, aan de verdachte gelasten.\n\nVordering tenuitvoerlegging (09-209763-21)\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland heeft bij vordering van\n\n24 oktober 2023 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2022 onder parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe politierechter heeft deze vordering toegewezen en de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen gelast.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof conform de politierechter zal beslissen.\n\nDe verdediging heeft primair bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, nu voornoemde voorwaardelijk straf is opgelegd ter zake van een geheel ander soort strafbaar feit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal omzetten naar een taakstraf.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat de rechter met de oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf enerzijds beoogt de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Immers, als algemene voorwaarde bij een voorwaardelijke straf is gesteld dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Ten overvloede merkt het hof hierbij op dat ziet op een strafbaar feit in het algemeen en derhalve niet is vereist dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk strafbaar feit. De veroordeelde heeft derhalve te gelden als een gewaarschuwd man en dient zich ervan bewust te zijn dat, indien hij zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit, de opgelegde voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.\n\nDit heeft ook te gelden in onderhavige zaak. De verdachte wist dat deze eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen boven zijn hoofd hing en heeft er desondanks zelf voor gekozen om zich wederom meerdere malen schuldig te maken aan een strafbaar feit en hiermee derhalve de algemene voorwaarde te overtreden met als gevolg dat deze eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.\n\nIn beginsel heeft dan ook te gelden dat deze eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. Dit kan anders zijn in het geval er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden die de tenuitvoerlegging niet wenselijk zouden maken. Nu daarvan in onderhavige zaak niet is gebleken, ziet het hof geen reden om af te wijken van de vordering tot tenuitvoerlegging en zal deze derhalve gelasten.\n\nVordering tenuitvoerlegging (09-286167-19)\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland heeft bij vordering van\n\n24 oktober 2023 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 9 juli 2021 onder parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie.\n\nNu gebleken is dat deze eerder voorwaardelijk opgelegde straf reeds is tenuitvoergelegd, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 57, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) weken.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n- een zwarte Nokia telefoon (goednr. PL0600-2023303852-3009779);\n\n- € 501,05 (goednr. PL0600-2023303852-3009446);\n\n- een zwarte Apple iPhone (goednr. PL0600-2023303852-3009782) .\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2022, parketnummer 09-209763-21, te weten van jeugddetentievoor de duur van89 (negenentachtig) dagen.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland van\n\n24 oktober 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 9 juli 2021, parketnummer 09-286167-19, voorwaardelijk opgelegde een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,\n\nen op 10 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M. van der Horst zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:911","2025-02-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:44.262Z",20]