[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zutphen-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":39,"total":16,"page":25,"limit":58},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},68,"Zutphen","nl","zutphen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-13T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121857","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 118",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"121858","Burgerlijk Wetboek","art. 4:78 lid 1",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"121859","art. 4:78",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"121860","art. 4:65",{"provisionId":37,"code":28,"article":38,"count":25},"121861","art. 4:6",[40,51],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":50},"362","ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","ecli-nl-rbgel-2026-5283","","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F467584 \u002F KZ ZA 26-76\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Geeraths,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. M.A. Schuring.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de producties 1 tot en met 8 van [de eiser] - de producties 9 tot en met 15 van [de gedaagde] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [de gedaagde] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Partijen hebben de woning aan de [adres] gekocht. [de eiser] was voor 99% eigenaar, [de gedaagde] voor 1%. Kort na het verkrijgen van de woning zijn partijen uit elkaar gegaan, in april 2021.\n\n2.2.. \n\nBij vonnis van 5 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland op grond van tussen partijen gemaakte afspraken over de verdeling van de woning, [de eiser] veroordeeld om\n\n€ 10.000,00 aan [de gedaagde] te betalen en hem te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek. [de eiser] heeft op 26 maart 2025 € 10.000,00 aan [de gedaagde] betaald.\n\n2.3.. \n [de gedaagde] heeft een kort geding tegen [de eiser] aangespannen om haar te dwingen hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek te ontslaan. De mondelinge behandeling in het kort geding was op 29 oktober 2025, de zaak is toen aangehouden.\n\n2.4.. Op 26 februari 2026 is vonnis gewezen. De beslissing luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“5.1. veroordeelt [de eiser] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, de\n\nverplichting waartoe zij op grond van het vonnis d.d. 5 februari 2025 is veroordeeld te doen\n\nnakomen inhoudende er zorg voor te dragen dat [de gedaagde] uit de hoofdelijke\n\naansprakelijkheid betreffende de hypothecaire geldlening wordt ontslagen op kosten van\n\n [de eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag, of deel daarvan,\n\ndat [de eiser] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 30.000,00,”\n\nHet vonnis is op 3 maart 2026 aan [de eiser] betekend.\n\n2.5.. Op 20 maart 2026 heeft [de eiser] , via haar advocaat, per e-mail het volgende bericht gestuurd aan (de advocaat van) [de gedaagde] : “Cliënte is gisteren gebeld door de Rabobank dat er groen licht is gegeven op haar hypotheekaanvraag, waarbij uw client wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Client verwacht dat de formele offerte op hele korte termijn zal volgen. Indien en zodra ik nader verneem, bericht ik u per omgaande.”\n\n2.6.. Op 26 maart 2026 heeft de bank [de eiser] bericht dat de stukken naar de notaris werden gestuurd. De akte van verdeling is op 28 april 2026 gepasseerd. Op 30 april 2026 is de bestaande hypotheek afgelost en is [de gedaagde] ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.\n\n2.7.. \n\n [de gedaagde] maakt aanspraak op de dwangsommen vanaf 31 maart 2026 tot en met\n\n30 april 2026. De dwangsommen zijn geïncasseerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat geen dwangsommen zijn verbeurd, althans de dwangsommen dienen te worden opgeheven, althans op nihil dienen te worden gesteld. Althans een zodanig vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Kosten rechtens.\n\n3.2.. \n [de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij alles op alles heeft gezet om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er deed zich echter een opeenstapeling van externe factoren voor waardoor dit hele proces is vertraagd: gezondheidsklachten bij [de eiser] , de aanvankelijke weigering van de bank om te financieren, een bouwstop en een taxateur die niet kon taxeren. [de eiser] heeft alles gedaan om aan haar verplichtingen te voldoen. In het zicht van het ontslag van de bank en wetende dat het ontslag zou volgen, maakt [de gedaagde] aanspraak op de dwangsom. Het doel van de dwangsom, te weten het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, was al bereikt. Vanwege de agenda van de notaris en het feit dat de notaris niet beschikte over de gegevens van [de gedaagde] , is de akte van verdeling pas op 28 april 2026 gepasseerd.\n\n3.3.. \n [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , veroordeling van [de eiser] in de reële kosten van deze procedure. [de gedaagde] voert hiertoe aan dat [de eiser] zichzelf in de positie heeft gebracht dat er dwangsommen zijn verbeurd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Het spoedeisend belang is niet betwist en volgt uit de aard van de vorderingen.\n\nDe dwangsommen zijn verbeurd\n\n4.3.. Primair stelt [de eiser] dat de in het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van de veroordelende beschikking verrichte rechtshandelingen te toetsen aan de inhoud van de hoofdveroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (ECLI:NL:HR:2007:AZ3085). Verder geldt in algemene zin dat bij de beoordeling van de vraag of het dictum is overtreden, in aanmerking dient te worden genomen dat het dictum van het vonnis moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, ECLI:NL:HR:2014:1532 en ECLI:NL:HR:2016:369).\n\n4.4.. \n\nDe feiten die [de eiser] heeft aangevoerd met betrekking tot de vertraging voorafgaand aan het vonnis van 26 februari 2026 zijn reeds getoetst en gewogen door de voorzieningenrechter in dat vonnis. Deze heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3: “Omdat [de eiser] bij de voortzetting van deze procedure op 6 februari 2026 aangaf\n\ndat zij op korte termijn een reactie verwachtte van de bank, is aangegeven dat [de eiser] nog\n\ntot de vonnisdatum kon doorgeven of de aanvraag voor de hypotheek is goedgekeurd. De\n\nrechtbank heeft geen informatie meer ontvangen van [de eiser] . Verder heeft [de eiser] in deze procedure niet inzichtelijk gemaakt voor welk bedrag zij een lening heeft aangevraagd. Dit\n\nis van belang omdat de vertraging die [de eiser] oploopt omdat zij een hogere lening wenst\n\ndan nodig is om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor haar eigen\n\nrisico komt. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat het voor [de eiser] niet mogelijk was\n\nom [de gedaagde] afgelopen jaar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, een deel van de vertraging lijkt ingegeven omdat [de eiser] voor een hoger bedrag financiering vraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de eiser] inmiddels voldoende de\n\nmogelijkheid gehad om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er is meer dan een jaar versteken sinds zij daartoe veroordeeld werd, de eerste zitting in deze zaak was van 21 oktober 2026 en de voortzetting was van 6 februari 2026, Sinds de voortzetting is geen reden meer gegeven voor de vertraging van de goedkeuring van de aanvraag.” Dat betekent dat enkel nog feiten van na 26 februari 2026 relevant zouden kunnen zijn.\n\n4.5.. \n\n [de eiser] voert aan dat zij aan de hoofdveroordeling heeft voldaan omdat zij op\n\n20 maart 2026 aan [de gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit de e-mail van 20 maart 2026 van de advocaat van [de eiser] volgt weliswaar dat er groen licht is gegeven op de hypotheekaanvraag, maar ook dat de offerte nog niet was verstrekt en dat zij verwachtte dat dit op korte termijn zou volgen. Het was op dat moment voor [de gedaagde] dus nog niet voldoende duidelijk dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bovendien is dit bericht niet afkomstig van de bank, maar van de advocaat van [de eiser] . Er was nog geen sprake van een aanbod van de bank. Dit klemt te meer omdat uit het vonnis van 26 februari 2026 volgt dat [de eiser] eerder dergelijke toezeggingen heeft gedaan en deze niet is nagekomen.\n\n4.6.. \n [de eiser] doet ook een beroep op haar e-mail van 26 maart 2026 aan haar advocaat waaruit volgt dat de stukken door de bank naar de notaris zijn gestuurd, maar deze is niet gedeeld met [de gedaagde] , terwijl [de gedaagde] ter zitting duidelijk heeft gemaakt dat hij geen inzage had in de bankomgeving. De voorzieningenrechter volgt [de eiser] daarom niet in haar stelling dat [de gedaagde] al voor het verlopen van de termijn uit de hoofdveroordeling wist dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Rond 20 april 2026, na het aflopen van de termijn uit de hoofdveroordeling, heeft [de gedaagde] de uitnodiging van de notaris voor het passeren van de verdelingsakte gekregen. Pas vanaf dat moment wist hij dat hij, behoudens onvoorziene omstandigheden, zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [de eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dwangsommen uit het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. De primaire vordering van [de eiser] zal daarom worden afgewezen.\n\nDe dwangsommen worden niet opgeheven of op nihil gesteld\n\n4.7.. Subsidiair vordert [de eiser] opheffing of vermindering van de dwangsommen op grond van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n4.8.. Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter de dwangsom opschorten, verminderen of opheffen wanneer er sprake is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Vooropgesteld dient te worden dat artikel 611d Rv restrictief moet worden uitgelegd omdat tegen de uitspraak waarin de dwangsom is opgelegd rechtsmiddelen hebben opengestaan. Deze rechtsmiddelen – hoger beroep tegen het vonnis van 26 februari 2026 of een kort geding voorafgaand aan de termijn waarop de dwangsommen gaan lopen – zijn niet door [de eiser] benut. Bij de beoordeling of van een onmogelijkheid sprake is, dient de rechter na te gaan of in redelijkheid meer inspanning en zorgvuldigheid van de veroordeelde kan worden verwacht. Het is in dat kader aan [de eiser] als veroordeelde om aannemelijk te maken dat niet meer inspanning of zorgvuldigheid van haar mocht worden verwacht. Andere feiten en omstandigheden dan hiervoor besproken en afgewogen heeft [de eiser] niet gesteld.\n\n4.9.. Het klopt dat [de eiser] afhankelijk was van de notaris, maar de omstandigheid dat voor de naleving van een hoofdveroordeling de medewerking van anderen dan de veroordeelde noodzakelijk is, hoeft niet aan het uitspreken van een dwangsomveroordeling in de weg te staan (ECLI:NL:HR:2020:1783). De veroordeelde dient op grond van de hoofdveroordeling redelijkerwijs al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat deze anderen hun noodzakelijke medewerking verleenden. In dat kader heeft [de eiser] slechts bloot gesteld dat zij vijf notarissen heeft benaderd en de door haar gemaakte afspraak de eerste mogelijkheid was. Om aan te tonen dat zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat een notaris tijdig zijn medewerking zou verlenen, had het op haar weg gelegen om correspondentie over te leggen waaruit volgt dat geen van de benaderde notarissen eerder plaats had en dat zij aan de door haar gekozen notaris kenbaar heeft gemaakt dat er spoed was bij haar aanvraag. De slotsom luidt dat ook de subsidiaire vorderingen van [de eiser] niet toewijsbaar zijn.\n\nDe proceskosten\n\n4.10.. \n [de gedaagde] vordert veroordeling van [de eiser] in de reële proceskosten, ten bedrage van € 2.523,35, omdat zij al hem meermaals heeft verplicht om een procedure te starten om hetgeen zij gezamenlijk hebben afgesproken af te dwingen en nu probeert middels een nieuwe procedure onder de dwangsom uit te komen.\n\n4.11.. In uitzonderlijke gevallen wordt vergoeding van de reële proceskosten toegewezen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesbevoegdheid of onrechtmatig handelen door het instellen van de vorderingen. Dit is het geval als [de eiser] het instellen van haar vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van [de gedaagde] achterwege had moeten laten. Daarvan kan pas sprake zijn als [de eiser] haar vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is.\n\n4.12.. De slotsom luidt dat [de eiser] in het ongelijk is gesteld en daarom de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n760,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.290,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nJV\u002FKH","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.105Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":57},"330","ECLI:NL:RBGEL:2026:5279","ecli-nl-rbgel-2026-5279","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F461694 \u002F HZ ZA 26-9\n\nVonnis in incident van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. P.A.J. Raaijmaakers,\n\nen\n\nde opgeroepen derde ex artikel 118 Rv\n\n [naam executeur] , in zijn hoedanigheid van (gewezen) executeur in de nalatenschap van [naam erflaatster] ,\n\nte [plaatsnaam] ,\n\nhierna te noemen: [de executeur] ,\n\nadvocaat: mr. P.A.J. Raaijkmakers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding \u002F oproep voor een rechtszaak\n\n- de conclusie van antwoord van [de gedaagde]\n\n- de (antwoord)akte van [de eiser]\n\n- de oproeping van de heer [de executeur] op grond van artikel 118 Rv\n\n- het B2-formulier waarin mr. P.A.J. Raaijmaakers zich stelt als advocaat voor de heer\n\n [de executeur]\n\n2. De feiten in het incident\n\n2.1.. \n [de eiser] en [de gedaagde] zijn de enige kinderen van de heer [de erflater] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflater”) en mevrouw [de erflaatster] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflaatster”). Erflater en erflaatster waren gehuwd in gemeenschap van goederen.\n\n2.2.. \n [de eiser] is door erflater en erflaatster onterfd. [de executeur] , echtgenoot van [de gedaagde] , is benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster.\n\n2.3.. De goederen van erflaatster zijn op enig moment onder bewind gesteld. De bewindvoerder heeft de woning van erflaatster, toen zij naar een verpleeghuis was verhuisd, met machtiging van de kantonrechter verhuurd aan de zoon van [de gedaagde] .\n\n2.4.. \n [de eiser] heeft op 22 mei 2025 een beroep op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster gedaan.\n\n3. Het geschil in het incident en in de hoofdzaak\n\n3.1.. \n\n [de eiser] vordert\n\nin het incident:\n\nI. [de gedaagde] te veroordelen binnen zeven dagen na het vonnis de volgende stukken in kopie aan de advocaat van [de eiser] ter beschikking te stellen:\n\na. de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster,\n\nb. de huurovereenkomst voor de woning met de zoon van [de gedaagde] ,\n\nc. bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van moeder;\n\nII. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,\n\nin de hoofdzaak:\n\nIII. vaststelling van de legitieme portie van [de eiser] in de nalatenschap van erflaatster;\n\nin het incident en in de hoofdzaak verder:\n\nIV. te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [de eiser] in haar vorderingen, althans de vorderingen van [de eiser] af te wijzen, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten. [de gedaagde] stelt dat [de eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat er een executeur in de nalatenschap van erflaatster is benoemd en de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. [de eiser] had daarom de executeur moeten dagvaarden.\n\n3.3.. \n [de eiser] heeft bij akte gereageerd op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [de gedaagde] . [de eiser] voert aan dat [de executeur] als executeur niet meer in functie was, zodat zij [de gedaagde] als erfgenaam mag dagvaarden. Daarnaast is [de executeur] op grond van artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij exploot opgeroepen.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. Het meest verstrekkende verweer van [de gedaagde] is dat [de eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het incident en in de hoofdzaak. [de gedaagde] stelt hiertoe dat [de executeur] is benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster. De executeur vertegenwoordigt de erfgenamen op grond van artikel 4:145 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in en buiten rechte, zodat [de eiser] [de executeur] had moeten dagvaarden en niet [de gedaagde] .\n\n [de eiser] is ontvankelijk in het incident\n\n4.2.. \n\nDe rechtbank begrijpt dat [de eiser] , als legitimaris die niet erfgenaam is, afschrift van bescheiden vordert van [de gedaagde] op grond van\n\nartikel 4:78 lid 1 BW. Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW kan de legitimaris zowel de erfgenamen als de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspreken hem inlichtingen over de nalatenschap te verschaffen. Dit betekent dat [de eiser] ontvankelijk is in haar incidentele vordering tot het verstrekken van afschrift van bescheiden jegens [de gedaagde] als erfgenaam. De rechtbank komt dus toe aan de inhoudelijke behandeling van het incident.\n\nHet juridisch kader\n\n4.3.. In artikel 4:78 BW is bepaald dat een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en dat zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Hoever de informatieplicht reikt, dient per geval te worden beoordeeld. Daarbij geldt in ieder geval dat in artikel 4:78 BW door de wetgever is gekozen voor een ruim toepassingsbereik met de bewoordingen “alle daartoe strekkende inlichtingen”. Het is echter geen algemeen inzagerecht maar is beperkt tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:6 BW wordt onder waarde van de goederen van de nalatenschap verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.\n\nDe machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster\n\n4.4.. \n [de eiser] vordert een kopie van de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning voor erflaatster. [de eiser] heeft in dit verband gesteld dat de kantonrechter de toestemming destijds alleen verleende voor verhuur voor de ten hoogste toelaatbare bepaalde tijd van twee jaar en dat de huurovereenkomst na die periode van rechtswege eindigde. Volgens [de eiser] moet daarom de waarde van de woning in het economisch verkeer in vrije staat in aanmerking genomen worden en niet de overeengekomen verkoopprijs. Door [de gedaagde] is aangevoerd dat de machtiging van de kantonrechter slechts ziet op de toestemming voor het aangaan van de huurovereenkomst en niet op de waardering van de nalatenschap zelf. De machtiging heeft volgens [de gedaagde] geen invloed op de omvang van de legitimaire massa of op de hoogte van de legitieme portie.\n\n4.5.. \n [de gedaagde] heeft niet althans onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat de toestemming voor verhuur destijds in veel gevallen slechts voor een beperkte periode werd verleend en dat de huurovereenkomst na ommekomst van die periode van rechtswege eindigde. De inhoud van de machtiging kan dan ook relevant zijn voor de bij de waardering van de woning te hanteren grondslag en daarmee voor de hoogte van de legitimaire massa. De woning van erflaatster is immers een goed in de zin van artikel 4:6 BW, zodat de waarde van de woning op grond van artikel 4:65 relevant is voor de berekening van de legitieme portie van [de eiser] . In zoverre faalt het verweer dan ook. [de gedaagde] stelt evenwel dat de machtiging zich niet in haar bezit bevindt. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, neemt de rechtbank aan dat de (voormalig) bewindvoerder van erflaatster over deze machtiging beschikt en dat [de gedaagde] een kopie hiervan bij de bewindvoerder kan opvragen om deze vervolgens aan [de gedaagde] te doen toekomen. De vordering zal daarom aldus worden toegewezen.\n\nDe huurovereenkomst\n\n4.6.. \n [de eiser] vordert verder een afschrift van de huurovereenkomst van erflaatster met de zoon van [de gedaagde] , naar de rechtbank begrijpt eveneens met het oog op de vraag of de woning in vrije staat dan wel verhuurde staat moet worden getaxeerd. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat niet kan worden ingezien dat de huurovereenkomst invloed zou hebben op de omvang van de legitieme portie. De verkoop van de woning van erflaatster aan de zoon van [de gedaagde] is volgens haar geen gift of bevoordeling maar een zakelijke overeenkomst die voor erflaatster tot behoud van haar vermogen heeft geleid. De verhuur van de woning was bedoeld om te voorkomen dat de woning leeg zou komen te staan met het risico van verval en waardevermindering.\n\n4.7.. Naar het oordeel van de rechtbank kan voor de waardering van de woning relevant zijn of deze en zo ja, onder welke voorwaarden, is verhuurd. Voor de berekening van de legitieme portie moet de legitimaris dan ook kennis kunnen nemen van de inhoud van de huurovereenkomst. De vordering van [de eiser] tot het overleggen van afschrift van de huurovereenkomst is daarom toewijsbaar.\n\nBewijsstukken van uitkeringen uit levensverzekeringen\n\n4.8.. \n\n [de eiser] vordert bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van erflaatster. Door [de gedaagde] wordt niet betwist dat [de eiser] deze stukken nodig heeft voor de berekening van haar legitieme portie, zodat de vordering van [de eiser] voor dit gedeelte toewijsbaar is. Voor zover [de gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [de eiser] geen belang heeft bij haar vordering omdat het overgrote deel van de stukken al bij e-mail aan de advocaat van [de eiser] zijn toegestuurd, geldt dat de bewijsstukken ten aanzien van de uitkering uit levensverzekeringen niet zijn opgenomen in de bedoelde\n\ne-mail. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.\n\nProceskosten in het incident\n\n4.9.. Gelet op de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank bepalen dat de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beoordeling in de hoofdzaak\n\n5.1.. \n [de eiser] heeft [de executeur] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster, in het geding betrokken op grond van artikel 118 Rv. Het gevolg van de oproeping is dat [de executeur] partij is geworden in deze procedure. Mr. Raaijmakers heeft zich als advocaat gesteld voor [de executeur] . Nu [de executeur] in de procedure is verschenen, zal hij in de gelegenheid worden gesteld om een conclusie van antwoord te nemen. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord door [de executeur] .\n\n5.2.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn het incident\n\n6.1.. veroordeelt [de gedaagde] , binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis:\n\nde beschikking van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster bij de (voormalig) bewindvoerder op te vragen en deze na ontvangst daarvan aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\nde huurovereenkomst voor de woning van erflaatster met de zoon van [de gedaagde] aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\nbewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van erflaatster aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\n6.2.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.4.. wijst af het meer of anders gevorderde,\n\nIn de hoofdzaak\n\n6.5.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord door [de executeur] ,\n\n6.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.\n\nJV\u002FMa","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5279","2026-07-13T00:28:24.722Z",20]