[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zutphen-property-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":53,"total":16,"page":25,"limit":90},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},68,"Zutphen","nl","zutphen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},95,"property-law-nl","Property Law","NL","2026-07-08T16:56:12.367Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-03-11T00:00:00.000Z","2026-06-25T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,44,47,50],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122214","Burgerlijk Wetboek","art. 5:37",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122215","art. 5:67",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122216","art. 3:4",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122217","art. 3:4 lid 2",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122218","art. 5:67 lid 1",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"122219","art. 5:60",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"122220","art. 5:62",{"provisionId":45,"code":23,"article":46,"count":25},"122221","art. 5:62 lid 1",{"provisionId":48,"code":23,"article":49,"count":25},"122222","art. 5:62 lid 2",{"provisionId":51,"code":23,"article":52,"count":25},"122223","art. 5:49 lid 1",[54,65,73,82],{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"362","ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","ecli-nl-rbgel-2026-5283","","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F467584 \u002F KZ ZA 26-76\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Geeraths,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. M.A. Schuring.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de producties 1 tot en met 8 van [de eiser] - de producties 9 tot en met 15 van [de gedaagde] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [de gedaagde] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Partijen hebben de woning aan de [adres] gekocht. [de eiser] was voor 99% eigenaar, [de gedaagde] voor 1%. Kort na het verkrijgen van de woning zijn partijen uit elkaar gegaan, in april 2021.\n\n2.2.. \n\nBij vonnis van 5 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland op grond van tussen partijen gemaakte afspraken over de verdeling van de woning, [de eiser] veroordeeld om\n\n€ 10.000,00 aan [de gedaagde] te betalen en hem te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek. [de eiser] heeft op 26 maart 2025 € 10.000,00 aan [de gedaagde] betaald.\n\n2.3.. \n [de gedaagde] heeft een kort geding tegen [de eiser] aangespannen om haar te dwingen hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek te ontslaan. De mondelinge behandeling in het kort geding was op 29 oktober 2025, de zaak is toen aangehouden.\n\n2.4.. Op 26 februari 2026 is vonnis gewezen. De beslissing luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“5.1. veroordeelt [de eiser] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, de\n\nverplichting waartoe zij op grond van het vonnis d.d. 5 februari 2025 is veroordeeld te doen\n\nnakomen inhoudende er zorg voor te dragen dat [de gedaagde] uit de hoofdelijke\n\naansprakelijkheid betreffende de hypothecaire geldlening wordt ontslagen op kosten van\n\n [de eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag, of deel daarvan,\n\ndat [de eiser] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 30.000,00,”\n\nHet vonnis is op 3 maart 2026 aan [de eiser] betekend.\n\n2.5.. Op 20 maart 2026 heeft [de eiser] , via haar advocaat, per e-mail het volgende bericht gestuurd aan (de advocaat van) [de gedaagde] : “Cliënte is gisteren gebeld door de Rabobank dat er groen licht is gegeven op haar hypotheekaanvraag, waarbij uw client wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Client verwacht dat de formele offerte op hele korte termijn zal volgen. Indien en zodra ik nader verneem, bericht ik u per omgaande.”\n\n2.6.. Op 26 maart 2026 heeft de bank [de eiser] bericht dat de stukken naar de notaris werden gestuurd. De akte van verdeling is op 28 april 2026 gepasseerd. Op 30 april 2026 is de bestaande hypotheek afgelost en is [de gedaagde] ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.\n\n2.7.. \n\n [de gedaagde] maakt aanspraak op de dwangsommen vanaf 31 maart 2026 tot en met\n\n30 april 2026. De dwangsommen zijn geïncasseerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat geen dwangsommen zijn verbeurd, althans de dwangsommen dienen te worden opgeheven, althans op nihil dienen te worden gesteld. Althans een zodanig vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Kosten rechtens.\n\n3.2.. \n [de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij alles op alles heeft gezet om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er deed zich echter een opeenstapeling van externe factoren voor waardoor dit hele proces is vertraagd: gezondheidsklachten bij [de eiser] , de aanvankelijke weigering van de bank om te financieren, een bouwstop en een taxateur die niet kon taxeren. [de eiser] heeft alles gedaan om aan haar verplichtingen te voldoen. In het zicht van het ontslag van de bank en wetende dat het ontslag zou volgen, maakt [de gedaagde] aanspraak op de dwangsom. Het doel van de dwangsom, te weten het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, was al bereikt. Vanwege de agenda van de notaris en het feit dat de notaris niet beschikte over de gegevens van [de gedaagde] , is de akte van verdeling pas op 28 april 2026 gepasseerd.\n\n3.3.. \n [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , veroordeling van [de eiser] in de reële kosten van deze procedure. [de gedaagde] voert hiertoe aan dat [de eiser] zichzelf in de positie heeft gebracht dat er dwangsommen zijn verbeurd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Het spoedeisend belang is niet betwist en volgt uit de aard van de vorderingen.\n\nDe dwangsommen zijn verbeurd\n\n4.3.. Primair stelt [de eiser] dat de in het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van de veroordelende beschikking verrichte rechtshandelingen te toetsen aan de inhoud van de hoofdveroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (ECLI:NL:HR:2007:AZ3085). Verder geldt in algemene zin dat bij de beoordeling van de vraag of het dictum is overtreden, in aanmerking dient te worden genomen dat het dictum van het vonnis moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, ECLI:NL:HR:2014:1532 en ECLI:NL:HR:2016:369).\n\n4.4.. \n\nDe feiten die [de eiser] heeft aangevoerd met betrekking tot de vertraging voorafgaand aan het vonnis van 26 februari 2026 zijn reeds getoetst en gewogen door de voorzieningenrechter in dat vonnis. Deze heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3: “Omdat [de eiser] bij de voortzetting van deze procedure op 6 februari 2026 aangaf\n\ndat zij op korte termijn een reactie verwachtte van de bank, is aangegeven dat [de eiser] nog\n\ntot de vonnisdatum kon doorgeven of de aanvraag voor de hypotheek is goedgekeurd. De\n\nrechtbank heeft geen informatie meer ontvangen van [de eiser] . Verder heeft [de eiser] in deze procedure niet inzichtelijk gemaakt voor welk bedrag zij een lening heeft aangevraagd. Dit\n\nis van belang omdat de vertraging die [de eiser] oploopt omdat zij een hogere lening wenst\n\ndan nodig is om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor haar eigen\n\nrisico komt. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat het voor [de eiser] niet mogelijk was\n\nom [de gedaagde] afgelopen jaar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, een deel van de vertraging lijkt ingegeven omdat [de eiser] voor een hoger bedrag financiering vraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de eiser] inmiddels voldoende de\n\nmogelijkheid gehad om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er is meer dan een jaar versteken sinds zij daartoe veroordeeld werd, de eerste zitting in deze zaak was van 21 oktober 2026 en de voortzetting was van 6 februari 2026, Sinds de voortzetting is geen reden meer gegeven voor de vertraging van de goedkeuring van de aanvraag.” Dat betekent dat enkel nog feiten van na 26 februari 2026 relevant zouden kunnen zijn.\n\n4.5.. \n\n [de eiser] voert aan dat zij aan de hoofdveroordeling heeft voldaan omdat zij op\n\n20 maart 2026 aan [de gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit de e-mail van 20 maart 2026 van de advocaat van [de eiser] volgt weliswaar dat er groen licht is gegeven op de hypotheekaanvraag, maar ook dat de offerte nog niet was verstrekt en dat zij verwachtte dat dit op korte termijn zou volgen. Het was op dat moment voor [de gedaagde] dus nog niet voldoende duidelijk dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bovendien is dit bericht niet afkomstig van de bank, maar van de advocaat van [de eiser] . Er was nog geen sprake van een aanbod van de bank. Dit klemt te meer omdat uit het vonnis van 26 februari 2026 volgt dat [de eiser] eerder dergelijke toezeggingen heeft gedaan en deze niet is nagekomen.\n\n4.6.. \n [de eiser] doet ook een beroep op haar e-mail van 26 maart 2026 aan haar advocaat waaruit volgt dat de stukken door de bank naar de notaris zijn gestuurd, maar deze is niet gedeeld met [de gedaagde] , terwijl [de gedaagde] ter zitting duidelijk heeft gemaakt dat hij geen inzage had in de bankomgeving. De voorzieningenrechter volgt [de eiser] daarom niet in haar stelling dat [de gedaagde] al voor het verlopen van de termijn uit de hoofdveroordeling wist dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Rond 20 april 2026, na het aflopen van de termijn uit de hoofdveroordeling, heeft [de gedaagde] de uitnodiging van de notaris voor het passeren van de verdelingsakte gekregen. Pas vanaf dat moment wist hij dat hij, behoudens onvoorziene omstandigheden, zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [de eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dwangsommen uit het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. De primaire vordering van [de eiser] zal daarom worden afgewezen.\n\nDe dwangsommen worden niet opgeheven of op nihil gesteld\n\n4.7.. Subsidiair vordert [de eiser] opheffing of vermindering van de dwangsommen op grond van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n4.8.. Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter de dwangsom opschorten, verminderen of opheffen wanneer er sprake is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Vooropgesteld dient te worden dat artikel 611d Rv restrictief moet worden uitgelegd omdat tegen de uitspraak waarin de dwangsom is opgelegd rechtsmiddelen hebben opengestaan. Deze rechtsmiddelen – hoger beroep tegen het vonnis van 26 februari 2026 of een kort geding voorafgaand aan de termijn waarop de dwangsommen gaan lopen – zijn niet door [de eiser] benut. Bij de beoordeling of van een onmogelijkheid sprake is, dient de rechter na te gaan of in redelijkheid meer inspanning en zorgvuldigheid van de veroordeelde kan worden verwacht. Het is in dat kader aan [de eiser] als veroordeelde om aannemelijk te maken dat niet meer inspanning of zorgvuldigheid van haar mocht worden verwacht. Andere feiten en omstandigheden dan hiervoor besproken en afgewogen heeft [de eiser] niet gesteld.\n\n4.9.. Het klopt dat [de eiser] afhankelijk was van de notaris, maar de omstandigheid dat voor de naleving van een hoofdveroordeling de medewerking van anderen dan de veroordeelde noodzakelijk is, hoeft niet aan het uitspreken van een dwangsomveroordeling in de weg te staan (ECLI:NL:HR:2020:1783). De veroordeelde dient op grond van de hoofdveroordeling redelijkerwijs al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat deze anderen hun noodzakelijke medewerking verleenden. In dat kader heeft [de eiser] slechts bloot gesteld dat zij vijf notarissen heeft benaderd en de door haar gemaakte afspraak de eerste mogelijkheid was. Om aan te tonen dat zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat een notaris tijdig zijn medewerking zou verlenen, had het op haar weg gelegen om correspondentie over te leggen waaruit volgt dat geen van de benaderde notarissen eerder plaats had en dat zij aan de door haar gekozen notaris kenbaar heeft gemaakt dat er spoed was bij haar aanvraag. De slotsom luidt dat ook de subsidiaire vorderingen van [de eiser] niet toewijsbaar zijn.\n\nDe proceskosten\n\n4.10.. \n [de gedaagde] vordert veroordeling van [de eiser] in de reële proceskosten, ten bedrage van € 2.523,35, omdat zij al hem meermaals heeft verplicht om een procedure te starten om hetgeen zij gezamenlijk hebben afgesproken af te dwingen en nu probeert middels een nieuwe procedure onder de dwangsom uit te komen.\n\n4.11.. In uitzonderlijke gevallen wordt vergoeding van de reële proceskosten toegewezen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesbevoegdheid of onrechtmatig handelen door het instellen van de vorderingen. Dit is het geval als [de eiser] het instellen van haar vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van [de gedaagde] achterwege had moeten laten. Daarvan kan pas sprake zijn als [de eiser] haar vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is.\n\n4.12.. De slotsom luidt dat [de eiser] in het ongelijk is gesteld en daarom de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n760,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.290,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nJV\u002FKH","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:26.105Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":63,"updatedAt":72},"586","ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","ecli-nl-rbgel-2026-5282","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F454310 \u002F HZ ZA 25-189\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser in conventie 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [naam eiser in conventie 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. C. Cenik,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in conventie],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. K.W. Janssen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 maart 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de eiser in conventie] hebben op 11 april 2016 van [de gedaagde in conventie] en haar voormalige partner de eigendom verkregen van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te [woonplaats] . [de gedaagde in conventie] is eigenares van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [woonplaats] . Partijen zijn (directe) buren van elkaar.\n\n2.2.. \n\nIn de akte waarbij de woning aan [de eiser in conventie] is geleverd zijn verschillende erfdienstbaarheden gevestigd. In de akte staat in dit verband onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nVESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN\n\nVerkoper en koper zijn voorts blijkens voormelde overeenkomst overeengekomen en vestigen ter uitvoering daarvan:\n\n(…)\n\nten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte, het woonhuis (voorhuis) [straatnaam] [huisnummer 1] [postcode] [woonplaats] , het heersende erf, en ten behoeve en ten laste van het aan de verkoper in eigendom verblijvende gedeelte (…) het woonhuis (achterhuis) [straatnaam] [huisnummer 2] te [postcode] [woonplaats] , over en weer als heersende en dienende erven, erfdienstbaarheden, inhoudende te dulden, dat de toestand waarin de erven zich ten opzichte van elkaar bevinden wordt gehandhaafd, speciaal voor wat betreft (…) toevoer van licht en lucht (…);\n\nde gemeenschappelijke muren zullen gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens zal door het hart van die muren lopen;\n\nvoormelde zojuist gevestigde erfdienstbaarheden worden door verkoper en koper aangenomen.\n\n(…)”\n\n2.3.. Tussen partijen zijn door de jaren heen verschillende geschilpunten ontstaan.\n\n2.4.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, toen [de eiser in conventie] met vakantie waren en zonder hun medeweten, een deel van het bordes van de entree tot de woning van laatstgenoemden verwijderd en een zwarte houten wand geplaatst tegen de zijkant van deze entree. Aan de ene kant was de wand bevestigd aan de eiken paal die het afdak boven de entree ondersteunt, aan de andere zijde aan de muur naast de entree. De lichtinval bij de entree van de woning van [de eiser in conventie] werd daardoor aanzienlijk verminderd.\n\n2.5.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van haar perceel een haagbeuk geplaatst.\n\n2.6.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar perceel naast de mandelige scheidsmuur op slordige wijze een muur gemetseld waarop van boven naar beneden de letters “A J A X” zijn gemetseld. Later heeft zij voor deze letters een groen geschilderde houten plank gehangen.\n\n2.7.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, zonder toestemming van [de eiser in conventie] houten planken op de mandelige tuinmuur geplaatst. Deze heeft zij na ontvangen sommaties verwijderd en vervolgens bevestigd aan de achtergelegen pergola.\n\n2.8.. Aan de achterzijde van de woningen staat langs de erfgrens op het perceel van [de gedaagde in conventie] een dubbel hekwerk, dat wil zeggen een binnen- en buitenhekwerk met daartussen een beukenhaag. [de gedaagde in conventie] heeft op en langs het buitenste deel van het hekwerk, aan de zijde van [de eiser in conventie] , stroomdraad bevestigd.\n\n2.9.. \n [de eiser in conventie] zijn eigenaar van de toegangsweg vanaf de openbare weg naar de woning van [de gedaagde in conventie] . Bij de levering van de woning aan [de eiser in conventie] is ten behoeve van het perceel van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid gevestigd op grond waarvan [de gedaagde in conventie] van en naar haar woning mag lopen of rijden.\n\n2.10.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van de woning de houten balk van haar pergola bevestigd aan de muur.2.11.. Nadat verschillende incidenten tussen partijen hadden plaatsgevonden hebben [de eiser in conventie] op advies van de politie beveiligingscamera’s geplaatst. Deze bevinden zich op het schuurtje in de zijtuin, aan de zijgevel en aan de voorgevel. Ook heeft de deurbel een camera.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [de eiser in conventie] vorderen dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis\n\nI. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het bordes in de oorspronkelijke staat te herstellen, welke oorspronkelijke staat blijkt uit de als productie 5 overgelegde foto’s, alsmede de zwarte wand te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nII. [de gedaagde in conventie] zal gebieden de haag op maximaal 2 meter hoogte te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [de gedaagde in conventie] met deze verplichting in overtreding is, met een maximum van € 50.000,00,\n\nIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de AJAX-muur, zoals blijkt uit de als productie 7 overgelegde foto’s, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nIV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur te verwijderd en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het stroomdraad op en langs het buitenste scheidingshek te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVI. [de gedaagde in conventie] zal verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nVII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis de aan de muur van [de eiser in conventie] bevestigde houten balk van de pergola te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, alles tevens te vermeerderen met de wettelijke rente indien de kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis.\n\n3.2.. \n [de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.3.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [de gedaagde in conventie] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nI. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 1.000,00,\n\nII. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het verwijderen en verwijderd houden van alle camera’s, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nsubsidiair:\n\nIII. [de eiser in conventie] zal veroordelen c.q. gelasten om binnen\n\n48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het fysiek vergrendelen en afschermen en fysiek vergrendeld en afgeschermd houden van alle camera’s, zodat deze geen zicht hebben op het perceel van [de gedaagde in conventie] en de openbare weg, alsmede daarbij te bepalen dat voornoemde camera’s niet (meer) over de mogelijkheid mogen beschikken om audio opnames te maken en daarbij te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen dezelfde termijn als voornoemd bewijs van de vergrendelde c.q. afgeschermde situatie inclusief de onmogelijkheid van het maken van geluidsopnamen door voornoemde camera’s dienen te overleggen door een opname daarvan aan [de gedaagde in conventie] te verstrekken, dan wel op enigerlei andere wijze bewijs aan [de gedaagde in conventie] te overleggen waaruit blijkt dat aan de veroordeling op dit onderdeel is voldaan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nin alle gevallen:\n\nIV. [de eiser in conventie] zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 278,00 zonder betekening en\n\n€ 370,00 met betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.\n\n3.5.. \n [de eiser in conventie] voeren verweer. [de eiser in conventie] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het geschil, zal zij ingaan op de stelling van [de gedaagde in conventie] dat – zo begrijpt de rechtbank – [de eiser in conventie] de waarheidsplicht als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben geschonden. Volgens [de gedaagde in conventie] hebben [de eiser in conventie] de door haar ingenomen standpunten buiten de dagvaarding gelaten en schetsen zij een eenzijdig beeld.\n\n4.2.. Op grond van artikel 21 Rv hebben partijen de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aan te voeren. Het is de rechtbank duidelijk dat partijen van mening verschillen over de feiten en omstandigheden die aan het geschil ten grondslag liggen. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat [de eiser in conventie] bewust voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid hebben aangevoerd en in strijd hebben gehandeld met artikel 21 Rv.\n\nin conventie\n\n4.3.. De rechtbank begrijpt dat [de eiser in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht dan wel onrechtmatige hinder aan hun vorderingen ten grondslag leggen. Het juridisch kader van deze grondslagen zal eerst worden geschetst, dit kader zal vervolgens worden toegepast op de vorderingen van [de eiser in conventie] .\n\nHet juridisch kader\n\n4.4.. Artikel 5:1 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij om gebruik te maken van zijn zaak, mits dit gebruik niet in strijd is met rechten van anderen en daarbij de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen in acht worden genomen. De eigenaar kan zijn recht dus aan iedereen tegenwerpen en hij hoeft niet te dulden dat een ander zijn zaak op wat voor wijze dan ook gebruikt, tenzij die ander een bevoegdheid daartoe heeft verkregen. Het is in beginsel onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW om op een eigendomsrecht inbreuk te maken, tenzij voor die inbreuk een rechtvaardigingsgrond bestaat. Een vorm van een inbreuk op het eigendomsrecht is (onrechtmatige) hinder. Op grond van artikel 5:37 BW mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Voor de vraag of de hinder onrechtmatig is, zijn de criteria van artikel 6:162 BW bepalend. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en de omstandigheden waaronder de hinder plaatsvindt (ECLI:NL:HR:1991:ZC0235). Wanneer sprake is van onrechtmatige hinder, kan degene die van mening is dat zijn buur hem hindert, een verbod tot verdere veroorzaking van die hinder of een gebod tot herstel in de oude toestand vorderen.\n\nHet bordes en de houten wand\n\n4.5.. \n [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt veroordeeld om het bordes te herstellen in de oorspronkelijke staat en de houten wand te verwijderen. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat de entree, het bordes en de steunpaal van het afdak worden nagetrokken door de woning op grond van artikel 5:20 lid 1 onder e BW. Door de situatie zonder hun toestemming te wijzigen maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht, aldus [de eiser in conventie] . [de gedaagde in conventie] voert hiertegen aan dat de houten wand op haar perceel staat en is bevestigd aan een mandelige muur. Daarom maakt zij volgens haar op grond van artikel 5:67 BW geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] .\n\n4.6.. Uit artikel 5:20 lid 1 onder e BW vloeit voort dat de eigenaar van een perceel grond eigenaar is van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond zijn verenigd, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak. Als een bestanddeel van een gebouw zich bevindt in, op of boven grond die aan een ander dan de eigenaar van het gebouw toebehoort, is dit bestanddeel geen eigendom van de grondeigenaar, maar van de eigenaar van het gebouw waarvan het deel uitmaakt (ECLI:NL:HR:1994:ZC1502). Het voorgaande brengt mee dat indien het bordes en het afdak met eiken paal bestanddelen zijn van de woning van [de eiser in conventie] , [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk maakt op hun eigendomsrecht.\n\n4.7.. In artikel 3:4 BW staat, kort gezegd, dat sprake kan zijn van een bestanddeel van de woning op grond van de verkeersopvatting (lid 1) en op grond van onverbrekelijke verbondenheid (lid 2). Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting een bestanddeel is, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd. Een andere aanwijzing kan zijn dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming (ECLI:NL:HR:2012:BX7474). Op grond van artikel 3:4 lid 2 BW is al hetgeen dat zodanig met de hoofdzaak is verbonden, dat het daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van beide zaken, bestanddeel van die hoofdzaak (TM, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 72).\n\n4.8.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] ten aanzien van het bordes onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat van een situatie als bedoeld in artikel 3:4 lid 1 of 3:4 lid 2 BW sprake is. [de eiser in conventie] hebben bloot gesteld dat het bordes een bestanddeel is van hun woning. [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat zij alleen stenen van het bordes heeft weggehaald die op haar eigen perceel lagen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat die stenen onverbrekelijk verbonden waren met de woning van [de eiser in conventie] , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit niet het geval was. [de eiser in conventie] hebben verder onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat hun woning en het bordes constructief op elkaar zijn afgestemd of dat de woning niet aan zijn bestemming (wonen) kan beantwoorden zonder het bordes. In het licht hiervan hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat het deel van het bordes dat is weggehaald door [de gedaagde in conventie] hun eigendom was en daarmee ook dat [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk heeft gemaakt op hun eigendomsrecht. De vordering van [de eiser in conventie] is daarmee niet toewijsbaar voor zover deze ziet op herstel van het bordes naar de oude situatie.\n\n4.9.. Over het plaatsen van de houten wand heeft [de gedaagde in conventie] betoogd dat de buitenmuur van de woning mandelig is en dat de houten wand is bevestigd aan haar deel van de mandelige muur. Volgens [de gedaagde in conventie] maakt zij op grond van artikel 5:67 lid 1 BW hiermee geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] hebben hiertegenover aangevoerd dat alleen de binnenmuren mandelig zijn en de betreffende buitenmuur, die in het verlengde van een binnenmuur loopt, niet. Volgens [de eiser in conventie] heeft de buitenmuur namelijk geen gemeenschappelijk nut. Daarnaast moet de mandelige bestemming in een notariële akte zijn opgenomen, wat niet het geval is, aldus [de eiser in conventie] .\n\n4.10.. Contractuele mandeligheid in de zin van artikel 5:60 BW ontstaat wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en zij deze zaak bestemmen tot gemeenschappelijk nut van die erven. De toekenning van deze bestemming dient te geschieden bij notariële akte die wordt ingeschreven in de openbare registers. Door [de eiser in conventie] is onweersproken aangevoerd dat de betreffende muur de buitenmuur is van hun woning. De notariële akte waar beide partijen naar verwijzen bepaalt dat de gemeenschappelijke muren gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens door het hart van die muren zal lopen. Nu de muur slechts aan één kant onderdeel is van een gebouw of werk (de woning van [de eiser in conventie] ) en aan de andere kant grenst aan onbebouwde grond (van [de gedaagde in conventie] ), heeft [de gedaagde in conventie] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een gemeenschappelijke muur in de zin van de notariële akte. De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW. Mandeligheid kan ook ontstaan op grond van de in artikel 5:62 BW genoemde gevallen. Artikel 5:62 BW maakt onderscheid tussen een vrijstaande scheidsmuur (lid 1) en een niet-vrijstaande scheidsmuur (lid 2). Onder een vrijstaande scheidsmuur moet worden verstaan een muur die twee erven scheidt en niet onderdeel is van een gebouw of werk (TM, Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 231). Een vrijstaande scheidsmuur is op grond van artikel 5:62 lid 1 BW van rechtswege mandelige mede-eigendom indien vaststaat dat de grens tussen de erven in de lengterichting onder de muur doorloopt. Op grond van artikel 5:62 lid 2 BW is een scheidsmuur die twee gebouwen of werken die aan verschillende eigenaren toebehoren, gemeen hebben, gemeenschappelijk eigendom en mandelig. Voor het ontstaan van de mandeligheid bij een niet-vrijstaande scheidsmuur is niet vereist dat de grens in de lengterichting onder de muur doorloopt.\n\n4.11.. \n [de eiser in conventie] hebben onweersproken aangevoerd dat de buitenmuur alleen aan hun zijde van de muur bebouwd is. Van een vrijstaande scheidsmuur is dus geen sprake. Tussen partijen is in geschil of in dit geval wel sprake is van een scheidsmuur als bedoeld in het tweede lid van artikel 5:62 BW. De woningen van partijen grenzen aan elkaar en de muur tussende beide woningen is mandelig op grond van artikel 5:62 lid 2 BW. Dit is ook niet tussen partijen in geschil. Partijen twisten wel over de vraag of deze mandeligheid zich ook uitstrekt tot de buitenmuur die in het verlengde van de mandelige (binnen)muur aan één zijde feitelijk de buitenmuur vormt van de woning van [de eiser in conventie] en aan de andere zijde aan de tuin van [de gedaagde in conventie] grenst. Omdat de muur op die plaats slechts aan één zijde bebouwd is, is deze op grond van artikel 5:62 BW niet mandelig. Door (horizontale) natrekking is de muur voor zover deze als buitenmuur kan worden aangemerkt (volledig) eigendom van [de eiser in conventie] . Het verweer dat de houten wand aan een kant is bevestigd aan een mandelige muur, slaagt dus niet.\n\n4.12.. De houten wand is aan de andere zijde bevestigd aan een eiken houten paal. Deze eiken houten paal ondersteunt het afdak van de woning van [de eiser in conventie] . Nu het afdak met de houten paal in constructief opzicht is afgestemd op de woning van [de eiser in conventie] , is de houten paal naar de verkeersopvatting een bestanddeel van de woning. Uit het voorgaande volgt dat zowel de muur als de houten paal waaraan de houten wand door [de gedaagde in conventie] bevestigd is, eigendom zijn van [de eiser in conventie] . Door het plaatsen van een houten wand tegen de muur en houten paal, maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . Dat [de eiser in conventie] vervolgens ook zelf een houten schutting hebben geplaatst, tegen de andere zijde van de eiken paal, doet hier niet aan af. Voor zover [de gedaagde in conventie] betoogt, dat [de eiser in conventie] daardoor geen belang bij verwijdering van de houten wand hebben, omdat die schutting ook het zicht en licht blokkeert, faalt dit betoog. De rechtbank heeft van [de eiser in conventie] begrepen dat zij deze schutting in reactie hebben geplaatst en deze zullen verwijderen als de houten wand is verwijderd. Daarbij komt dat, zoals [de eiser in conventie] op de zitting onweersproken hebben aangevoerd, de door [de gedaagde in conventie] geplaatste wand in strijd is met de in de leveringsakte opgenomen erfdienstbaarheid op grond waarvan de toestand moet worden gehandhaafd voor wat betreft de toevoer van licht en lucht. De vordering van [de eiser in conventie] zal daarom (ook) worden toegewezen voor zover deze ziet op verwijdering van de houten wand.\n\nDe beukenhaag\n\n4.13.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen perceel een beukenhaag geplaatst. [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt geboden om de beukenhaag op maximaal twee meter hoogte te houden. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [de gedaagde in conventie] heeft gezegd dat de beukenhaag hoger gaat reiken dan vijftien meter en het uitzicht van [de eiser in conventie] zal ontnemen. [de gedaagde in conventie] betwist de beukenhaag enkel te hebben geplaatst om [de eiser in conventie] te pesten en dat zij heeft aangegeven dat deze haag 15 meter hoog zou worden. Het laatste is volgens haar bovendien onmogelijk als gevolg van de wijze van beplanting. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling daaraan toegevoegd dat de beukenhaag al twee jaar lang ongeveer twee meter hoog is, hetgeen niet is betwist, en dat zij niet van plan is om de beukenhaag (veel) hoger te laten groeien omdat het onderhoud dan problematisch wordt. De stelling van [de eiser in conventie] dat [de gedaagde in conventie] de beukenhaag tot meer dan vijftien meter zal laten groeien is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd betwist. Nu [de eiser in conventie] niet hebben gesteld dat zij bij de huidige hoogte van de beukenhaag hinder ondervinden, zal hun vordering tot het gebieden van [de gedaagde in conventie] om de beukenhaag op maximaal twee meter te houden worden afgewezen.\n\nDe AJAX-muur\n\n4.14.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een muur gemetseld met daarin de letters AJAX (hierna: de AJAX-muur). [de eiser in conventie] stellen dat de muur een rustig beeld verstoort en vorderen verwijdering van deze muur. In het midden kan worden gelaten of de AJAX-muur, waarvan kan worden aangenomen dat deze op deze wijze is gemetseld om [de eiser in conventie] dwars te zitten, voldoende is om onrechtmatige hinder aan te nemen. [de gedaagde in conventie] heeft immers een houten plank voor de letters geplaatst zodat deze niet meer zichtbaar zijn voor [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij nog steeds hinder ondervinden omdat de muur niet net en passend is afgewerkt. Dit betoog kan hen niet baten. Er bestaat geen recht op vrij of mooi uitzicht. Dat de muur en de afwerking er volgens [de eiser in conventie] niet mooi uitzien, is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. De vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van de muur is daarom niet toewijsbaar.\n\nDe houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur\n\n4.15.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een houten plank aan een pergola bevestigd. [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de houten plank, omdat zij er hinder dan wel last van ondervinden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [de eiser in conventie] aangegeven dat zij de plank geen gezicht vinden. Wederom is de enkele stelling van [de eiser in conventie] dat de plank lelijk is, onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [de eiser in conventie] nog aangevoerd dat de plank, bezien vanuit het perceel van eisers, boven de twee meter uitsteekt, wat volgens hem in strijd is met artikel 5:49 lid 1 BW. Artikel 5:49 lid 1 BW bepaalt dat iedere eigenaar van aangrenzende erven kan vorderen dat de ander meewerkt aan een gemeenschappelijke scheidsmuur van twee meter hoogte. Blijkens de eigen stellingen van [de eiser in conventie] zit de houten plank aan de pergola niet (meer) op de tuinmuur, maar tien tot vijftien centimeter achter de muur. Naar het oordeel van de rechtbank kan de houten plank aan de pergola daarom niet (meer) worden aangemerkt als onderdeel van een erfscheiding in de zin van artikel 5:49 lid 1 BW, zodat ook artikel 5:49 lid 1 BW geen grondslag biedt voor de gevorderde verwijdering van de houten plank. De vordering is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet stroomdraad\n\n4.16.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van het stroomdraad op en langs het buitenste hekwerk. Voor zover [de eiser in conventie] hun vordering tot verwijdering van het stroomdraad vorderen op grond van onrechtmatige daad wegens gevaarzetting, geldt het volgende.\n\n4.17.. Vooropgesteld wordt dat niet iedere vorm van gevaarzetting onrechtmatig is en dat een zekere mate van risicoschepping geoorloofd is. Het stroomdraad op en langs het hek van [de gedaagde in conventie] is alleen onrechtmatig als dit naar de normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is. Of dat het geval is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:1994:ZC1576). Daarbij zijn de volgende gezichtspunten van belang: de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). Op [de eiser in conventie] rust de stelplicht en bewijslast dat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting.\n\n4.18.. \n [de eiser in conventie] stellen dat zij bij normaal gebruik van hun tuin tegen de stroomdraden aan kunnen komen en daardoor een schok krijgen en dat dit ook al eens is gebeurd. Daarnaast komt er wel eens bezoek met kinderen, ook zij lopen het risico de stroomdraden te raken. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende gesteld dat sprake is van een gevaarzetting. [de gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat het stroomdraad bij aanraking een schok geeft. Echter, [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat het hek met de stroomdraden in zijn geheel op haar perceel staat. [de eiser in conventie] stellen in het kader van de onrechtmatigheid enkel dat het hek met stroom alleen is geplaatst om hun schade toe te brengen. [de gedaagde in conventie] betwist dit en voert aan dat het hek met de stroomdraden er staat om wild en honden weg te houden bij haar paarden en om haar paarden binnen te houden. Weliswaar staan er nu geen paarden in de wei, maar dit komt volgens [de gedaagde in conventie] omdat zij meermaals stenen in de wei heeft gevonden. [de gedaagde in conventie] heeft hiermee voldoende betwist dat het hek alleen is geplaatst om [de eiser in conventie] te schaden. De aard van de gedraging – het plaatsen van een hek op eigen perceel om wild en honden buiten te houden – is naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig. In het licht van het voorgaande hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de gevaarzetting door [de gedaagde in conventie] naar normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is, zodat geen sprake is van een onrechtmatige daad. De vordering van [de eiser in conventie] tot het verwijderen van de stroomdraden op en langs het hek is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet betreden van het erf\n\n4.19.. \n [de eiser in conventie] vorderen [de gedaagde in conventie] te verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat zij vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt verboden het gehele perceel, kadastraal aangeduid als [kadasternummer] , te betreden. Voor zover [de gedaagde in conventie] betwist dat de aan de overzijde van de weg gelegen strook grond, behorend tot dit perceel, eigendom van [de eiser in conventie] is, geldt dat zij deze betwisting, in het licht van de kadastrale tekeningen, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan. [de eiser in conventie] mogen op grond van artikel 5:1 lid 2 BW met uitsluiting van eenieder gebruik maken van hun eigendom. Dat betekent dat [de eiser in conventie] van [de gedaagde in conventie] mogen verwachten dat zij zich niet meer op hun perceel begeeft, als zij dat niet wensen.\n\n4.20.. Het perceel van [de eiser in conventie] omvat echter mede de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van (het perceel van) [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [de gedaagde in conventie] zonder recht en noodzaak hun perceel betreedt, hetgeen een onrechtmatige daad is en het gevorderde verbod rechtvaardigt. Voor zover [de eiser in conventie] hiermee doelen op de toegangsweg, geldt dat [de gedaagde in conventie] op grond van de erfdienstbaarheid het recht heeft om zich over de toegangsweg van en naar de openbare weg te begeven. [de eiser in conventie] dienen op grond van de erfdienstbaarheid daarom te dulden dat [de gedaagde in conventie] de toegangsweg betreedt. De rechtbank zal, als het mindere, [de gedaagde in conventie] verbieden om het perceel, kadastraal aangeduid met [kadasternummer] , te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid gevestigd is.\n\nDe houten balk aan de muur\n\n4.21.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de balk van de pergola. Hun raadsman heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [de gedaagde in conventie] de houten balk van de pergola heeft losgemaakt van de muur, zodat dit geschilpunt feitelijk is opgelost. Voorts geldt het volgende. [de gedaagde in conventie] stelt dat de muur aan de achterzijde waar de houten balk aan was bevestigd, mandelig is op grond van de notariële akte. [de eiser in conventie] voeren aan dat de mandeligheid niet is bevestigd in de notariële akte. De buitenmuur is volgens [de eiser in conventie] geen gemeenschappelijk eigendom en daarmee niet mandelig. De rechtbank begrijpt dat hier zich eenzelfde soort situatie voordoet als bij de door [de gedaagde in conventie] bevestigde houten wand. De muur waaraan de houten balk aan was bevestigd, is immers ook alleen aan de woning van [de eiser in conventie] bebouwd en grenst aan de andere kant aan de (onbebouwde) tuin van [de gedaagde in conventie] . De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW of artikel 5:62 BW. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen dat is overwogen in rechtsoverweging 4.10 en 4.11. Door de houten balk aan de muur te bevestigen heeft [de gedaagde in conventie] inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] , zodat hun vordering zal worden toegewezen voor zover deze ziet op het verwijderd houden van de balk van de muur.\n\nDe gevorderde dwangsommen\n\n4.22.. De door [de eiser in conventie] gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.23.. \n [de gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring ingeval de vorderingen jegens haar toewijsbaar worden geacht. [de gedaagde in conventie] voert aan dat zij in dat geval in hoger beroep zal gaan en er sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen als zij wordt veroordeeld aanpassingen te doen in en om haar woning.\n\n4.24.. Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, indien gevorderd, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd hangende een hogere voorziening. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze beoordeling blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aan te wenden rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (ECLI:NL:HR:2019:2026)\n\n4.25.. De vorderingen in conventie die worden toegewezen zijn – samengevat – dat [de gedaagde in conventie] de houten wand dient te verwijderen, dat zij het erf van [de eiser in conventie] niet mag betreden (met uitzondering van de toegangsweg) en dat zij de houten balk verwijderd dient te houden. [de gedaagde in conventie] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat in deze gevallen sprake is van een onomkeerbare situatie en evenmin dat zij, zolang niet in hoger beroep is beslist, een groter belang heeft bij handhaving bij de bestaande toestand dan [de eiser in conventie] bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Er bestaat dan ook geen grond om van het onder 4.24 weergegeven uitgangspunt af te wijken. Het vonnis in conventie zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nDe proceskosten in conventie\n\n4.26.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nin reconventie\n\n4.27.. \n [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar vordering – samengevat – inhoudende dat [de eiser in conventie] worden veroordeeld om de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen, ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.. De overige vorderingen in reconventie zien op de door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s.\n\nDe camera’s\n\n4.28.. \n [de gedaagde in conventie] vordert in reconventie primair verwijdering van alle door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s. Subsidiair vordert [de gedaagde in conventie] dat [de eiser in conventie] de camera’s dienen te vergrendelen en af te schermen en dat de camera’s niet meer de mogelijkheid mogen hebben om audio opnames te maken. [de gedaagde in conventie] legt aan haar vorderingen onrechtmatige daad in de vorm van inbreuk op haar recht op privacy ten grondslag. [de eiser in conventie] voeren hiertegen aan dat de camera’s niet op het perceel van [de gedaagde in conventie] zijn gericht en ook geen geluidsopnames maken. Daarnaast hebben de camera’s beveiligingsdoeleinden en een bewijsvergaringsfunctie in het geschil tussen partijen.\n\n4.29.. Het recht op privacy is opgenomen in artikel 8 van het EVRM (Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) en artikel 10 van de Grondwet. Bij de beantwoording van de vraag of [de eiser in conventie] onrechtmatig inbreuk maken op het recht van [de gedaagde in conventie] op bescherming van de privacy, heeft in zijn algemeenheid als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Ook dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.30.. \n [de gedaagde in conventie] stelt dat de camera’s van [de eiser in conventie] een deel van haar perceel filmen. Ter onderbouwing heeft zij door [de eiser in conventie] gemaakte afbeeldingen overgelegd, waarop een deel van haar perceel te zien is. [de eiser in conventie] hebben (onweersproken) aangevoerd dat de afbeeldingen waarop het perceel van [de gedaagde in conventie] te zien is, zijn gemaakt met een mobiele telefoon en niet door de camera’s. Verder hebben [de eiser in conventie] door middel van de overgelegde afbeeldingen en posities van de camera’s voldoende gemotiveerd betwist dat de camera’s het perceel van [de gedaagde in conventie] filmen. Dat de camera’s kunnen draaien en daarmee op het perceel van [de gedaagde in conventie] gericht kunnen worden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op het recht van privacy van [de gedaagde in conventie] . Niet althans onvoldoende gesteld of gebleken is immers dat een gerechtvaardigde vrees bestaat dat [de eiser in conventie] de camera’s aldus zullen draaien. Ten aanzien van de camera die op de schuur is bevestigd en gericht is op het erf van [de eiser in conventie] , de camera op de zijgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] en de deurbel met een camerafunctie die gericht is op de entree van het woonhuis van [de eiser in conventie] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . De vorderingen van [de gedaagde in conventie] zijn voor wat betreft de voorgenoemde camera’s daarom niet toewijsbaar.\n\n4.31.. Ten aanzien van de camera op de voorgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] , oordeelt de rechtbank als volgt. Door [de eiser in conventie] wordt erkend dat de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van [de gedaagde in conventie] , wordt gefilmd. Hierdoor is sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] kunnen met deze camera immers de verkeersbewegingen van [de gedaagde in conventie] vastleggen, evenals die van haar eventuele bezoek. Dat [de eiser in conventie] tijdens de mondelinge behandeling hebben aangeven dat zij dit niet in de gaten houden, maakt dit niet anders. In beginsel is dus sprake van een onrechtmatige daad jegens [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij een rechtvaardigingsgrond hebben voor de camera’s, te weten beveiliging en bewijsvergaring. Beveiliging omdat de camera’s een afschrikkende werking hebben voor ongenode gasten en bewijsvergaring ten aanzien van het gestelde onrechtmatige gedrag van [de gedaagde in conventie] .\n\n4.32.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] een gerechtvaardigd belang om hun eigendommen te beschermen, zodat het hun in beginsel is toegestaan om de camera op te hangen. De primaire vordering van [de gedaagde in conventie] tot verwijdering van de camera is daarom niet toewijsbaar. Echter, het doel van beveiliging van de eigendommen van [de eiser in conventie] kan voor wat betreft de voorzijde van het perceel ook op een minder vergaande manier bereikt worden. Uit de door hen als productie 18 overgelegde afbeeldingen volgt namelijk dat er nog een stuk oprit zit tussen hun woning en de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd. Indien zij de camera aan de voorgevel zo afstellen dat deze gericht is op de oprit, is alsnog sprake van de afschrikkende werking van de camera met als doel ongenode gasten buitenhouden. Ten aanzien van de bewijsvergaringsfunctie van de camera is de rechtbank van oordeel dat het recht op privacy van [de gedaagde in conventie] zwaarder weegt. Hierbij geeft het voor de rechtbank de doorslag dat de toegangsweg van [de eiser in conventie] voor [de gedaagde in conventie] aan die zijde van haar woning de enige manier is om de openbare weg te bereiken. Zowel [de gedaagde in conventie] als haar bezoek wordt altijd gefilmd bij het komen en gaan van en naar haar perceel, zodat [de eiser in conventie] altijd inzicht kunnen hebben in bij voorbeeld wie er wanneer op bezoek komt bij [de gedaagde in conventie] . Ten aanzien van de camera aan de op de voorgevel van de woning van [de eiser in conventie] , is de rechtbank daarom van oordeel dat de proportionaliteit meebrengt dat deze zo dient te worden afgesteld dat deze geen zicht geeft op de toegangsweg. De subsidiaire vordering in reconventie zal daarom als het mindere worden toegewezen als vermeld in de beslissing.\n\n4.33.. Verder heeft [de gedaagde in conventie] aangevoerd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnamen kunnen maken, waardoor alles wat [de gedaagde in conventie] in haar tuin zegt wordt opgenomen. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de camera’s geluidsopnames kunnen maken, maar dat dit niet kan op een grotere afstand dan een of twee meter. Volgens [de eiser in conventie] staan geen van de camera’s binnen een of twee meter van de erfgrens. In het licht van deze verklaring van [de eiser in conventie] , heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnames (kunnen) maken van hetgeen wordt gezegd op het perceel van [de gedaagde in conventie] . Het enkele feit dat de camera’s de mogelijkheid hebben om geluidsopnames te maken, is onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op de privacy van [de gedaagde in conventie] . Voor zover de vordering van [de gedaagde in conventie] ziet op het bepalen dat de camera’s geen geluid meer op mogen nemen, is de vordering daarom niet toewijsbaar.\n\nDe gevorderde dwangsom is niet toewijsbaar\n\n4.34.. De door [de gedaagde in conventie] gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. [de gedaagde in conventie] heeft niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe proceskosten in reconventie\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis de zwarte houten wand te verwijderen en verwijderd te houden,\n\n5.2.. verbiedt [de gedaagde in conventie] om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] (kadastraal aangeduid als [kadasternummer] ) te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om de balk van de pergola die aan de muur van [de eiser in conventie] was bevestigd van de muur verwijderd te houden,\n\n5.4.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [de eiser in conventie] om de camera die aan de voorgevel van hun woning hangt dusdanig af te stellen dat deze de toegangsweg, waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd, niet meer filmt en gebiedt [de eiser in conventie] te bewijzen dat dit het geval is door middel van het overleggen van afbeeldingen van de stand van de afgestelde camera,\n\n5.8.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.7 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op\n\n17 juni 2026.\n\nJV\u002FMa","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","2026-07-13T00:28:38.154Z",{"id":74,"ecli":75,"slug":76,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":78,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":80,"parsedAt":63,"updatedAt":81},"1161","ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","ecli-nl-rbgel-2026-5165","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F466488 \u002F KZ ZA 26-57\n\nVonnis in kort geding van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTORT DOONWEG B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: SDW,\n\nadvocaat: mr. E.P.C. Duinkerke,\n\ntegen\n\nZONNEPARK EERBEEK B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: ZE,\n\nadvocaat: mr. M.J.M. Derks.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 25\n\n- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 12\n\n- de aanvullende producties 13 tot en met 15 - de mondelinge behandeling van 26 mei 2026 - de pleitnota van SDW - de pleitnota van ZE.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. SDW is eigenaar van de voormalige vuilstortplaats aan de Doonweg te Eerbeek. ZE is de oprichter en exploitant van het zonnepark dat gelegen is op het topvlak van het perceel.\n\n2.2.. Voordat ZE het zonnepark heeft opgericht is onderzoek gedaan naar het verschil in opbrengst tussen zonnefolie en reguliere zonnepanelen. Op basis van onderzoeksresultaten is in 2018 vastgesteld dat het aanbrengen van zonnefolie niet haalbaar wordt geacht en dat de realisatie van het zonnepark met reguliere zonnepanelen op een stabilisatielaag van staalslakken wel haalbaar is. Advies- en ingenieursbureau [adviesbureau 1] (hierna: [adviesbureau 1] ) heeft hierover geadviseerd. Vervolgens heeft [adviesbureau 1] een plan van aanpak opgesteld voor het aanbrengen van een tijdelijke bovenafdichting bestaande uit een stabilisatielaag van staalslakken waarop het zonnepark werd voorzien. Staalslakken zijn een steenachtig restproduct uit de staalindustrie.\n\n2.3.. Partijen hebben een erfpachtovereenkomst gesloten op 16 maart 2018.\n\n2.4.. In 2020 is de staalslakkenlaag aangebracht. In voornoemde erfpachtovereenkomst is bepaald dat het recht van erfpacht, wat het gebruik betreft, is beperkt tot de tijdelijke afdeklaag van staalslakken en het daarop aangebrachte zonnepark.\n\n2.5.. Op 12 maart 2020 is de notariële akte gepasseerd waarmee ZE de rechten van erfpacht, opstal en erfdienstbaarheid verkreeg ten behoeve van de realisatie en exploitatie van het zonnepark (hierna: Akte van erfpacht). In de Akte van erfpacht zijn grotendeels de afspraken uit de erfpachtovereenkomst opgenomen en daarnaast zijn nieuwe afspraken vastgelegd. In de Akte van erfpacht staan onder andere de volgende bepalingen:\n\n“1.3. De Eigenaar zal voor eigen rekening en risico uiterlijk opéén mei tweeduizend twintigde voor realisatie van het Zonneveld benodigde tijdelijke afdeklaag van staalslakken aangebracht hebben en de Erfpachtzaak de overige werkzaamheden hebben verricht die zorgen dat de Erfpachtzaak geschikt is als draagconstructie van het Zonneveld, een en ander conform de Werkomschrijving.\n\n(…)\n\nArtikel 5. Bodemverontreiniging\n\n5.1. Aangezien de Erfpachter de grondlagen onder de afdeklaag niet zal en niet mag gebruiken is de bodemgesteldheid hiervan voor de vestiging van het Recht van erfpacht van ondergeschikt belang. In dit kader verklaart de Erfpachter evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard als bedoeld in artikel 8:47 derde lid Wet milieubeheer en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Erfpachter accepteert hierbij uitdrukkelijk de specifieke fysieke en milieutechnische gevolgen, kenmerken, beperkingen en eigenschappen van de Erfpachtzaak en accepteert tevens dat hij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke fysieke kenmerken van deze locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publiekrechtelijke besluitvorming.\n\n(…)\n\n5.3. \n\nOp de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig zoals bedoeld in de Werkomschrijving.Voor het geval Eigenaar van overheidswege (door een wetswijziging, door regelgeving en\u002Fof een al dan niet op bestaande regelgeving gebaseerd onherroepelijk besluit van het bevoegd gezag) verplicht wordt om gedurende de duur van het Recht van erfpacht over te gaan tot het aanbrengen van een definitieve afdeklaag, geldt het volgende:\n\n(…)\n\nh. Erfpachter draagt voor iedere fase van de werkzaamheden steeds tijdig zorg voor de tijdelijke verwijdering van de zonnepanelen, de onderstellen en de ballast (een en ander conform het daartoe in het goedgekeurde Plan bepaalde).”\n\nArtikelen 5.1 en 5.2 waren reeds opgenomen in de overeenkomst van erfpacht, artikel 5.3 bevat nieuwe afspraken die alleen in de Akte van erfpacht zijn vastgelegd.\n\n2.6.. Vanaf medio 2021 zijn er berichten in de media verschenen over mogelijk negatieve effecten door het gebruik van staalslakken voor mens en milieu in het algemeen en specifiek ten aanzien van de staalslakken die zijn gebruikt bij de tijdelijke afdeklaag op de vuilstortplaats van SDW die door ZE wordt gebruikt.\n\n2.7.. SDW heeft vervolgens een milieuonderzoek laten uitvoeren door ingenieursbureau Arcadis Nederland B.V. (hierna: Arcadis). In opdracht van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: ODRN) is een contra-expertise uitgevoerd door [adviesbureau 2] . [adviesbureau 2] adviseert om zo spoedig als technisch mogelijk een definitieve bovenafdichting aan te brengen.\n\n2.8.. Op 6 juni 2022 heeft Arcadis een plan van aanpak voor het afdekken van de laag staalslakken opgesteld. In dit plan van aanpak worden twee alternatieven tegenover elkaar afgewogen. Het eerste alternatief waarbij de toplaag tijdelijk werd afgedicht. De zonnepanelen kunnen in dat geval blijven staan en er wordt pas een definitieve bovenafdichting geplaatst als het zonnepark wordt ontmanteld in 2043. Het tweede alternatief betreft het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. In dat geval dient het zonnepark tijdelijk verwijderd te worden. Arcadis adviseert om te kiezen voor het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting.\n\n2.9.. Bij brief van 29 augustus 2024 aan SDW bericht de omgevingsdienst Regio Arnhem (hierna: ODRA) dat zij het volgende van SDW verwachten:\n\n“\n\n7. Dichte eindafwerking.\n\nDe stortplaats moet worden afgewerkt met een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nU heeft hierop scenario’s beschreven voor het aanbrengen van de eindafwerking. In de notitie “Afweging keuze voor een oplossing van de milieuproblemen van stort Doonweg”, SDW d.d. 15 april 2024 ziet u drie mogelijke scenario’s:\n\nVerbeteren van de situatie door dusdanig verleggen van de ringweg en ringsloot dat het percolaat uit de staalslakken effectief wordt opgevangen en afgevoerd naar de waterzuivering in combinatie met vergroten van de capaciteit om het water te bufferen, zodat er geen risico meer is op overstroming (fase 1).\n\nAanbrengen van de definitieve bovenafdichting. Hierbij ontstaat een situatie waarin een waterdichte afdichting over de staalslakken wordt aangebracht met daarop een laag van één meter grond. Het is deze laag grond infiltrerende regenwater komt aan de teen van de stort als schoon water naar buiten en kan vervolgens in de ringsloot en infiltratievijver geïnfiltreerd worden (fase 2).\n\n(…)\n\nNa weging van voor- en nadelen kiest u ervoor het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047.\n\n(…)\n\nNaar ons oordeel is er een noodzaak tot het spoedig aanbrengen van een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nDoor de aanleg van de eindafwerking uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047 gaat u voorbij aan de u toekomende zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 Bal.\n\nNaar ons standpunt handelt u slechts in lijn met de in artikel 2.11 Bal neergelegde specifieke zorgplicht wanneer u uitvoering geeft aan scenario 3, waarbij in 2024 fase 1 wordt uitgevoerd en aansluitend fase 2a in 2025. Fase 2b kan in dat gevolg volgen in 2026, tenzij u aan de hand van de resultaten van technisch onderzoek aantoont dat uitvoering van fase 2b technisch niet mogelijk is.\n\n(…)\n\nGelet op het bovenstaande verzoeken wij u een afdichtingsplan op te stellen zoals bedoeld in en overeenkomstig voorschrift 7.3.3 vergunning 1996.”\n\n2.10.. Op 3 maart 2025 is een goedkeuringsbesluit genomen door de ODRN en ODRA met betrekking tot het door SDW ingediende Plan van Aanleg en Bestek. Het plan van aanleg betreft het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. Het aanbrengen is verdeeld in twee fasen: Aanlegfase 1 (afdekken talud) en Aanlegfase 2 (afdekken topvlak). Voor aanlegfase 1 hoeft het zonnepark niet verwijderd te worden. Aanlegfase 1 is inmiddels uitgevoerd. Partijen twisten over de vraag of de werkzaamheden ook (deugdelijk) zijn afgerond.\n\n2.11.. Omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Na beslissing op bezwaar van 29 augustus 2025 is op 27 oktober 2025 een herstelbesluit genomen waarin is bepaald dat fase 1 uiterlijk in 2025 moet zijn afgerond en fase 2 in 2027 moet starten en uiterlijk 30 juli 2028 moet zijn uitgevoerd. Tegen het herstelbesluit is eveneens bezwaar gemaakt door omwonenden omdat zij wensen dat de werkzaamheden eerder worden uitgevoerd.\n\n2.12.. Partijen hebben regelmatig overleg gehad met betrekking tot de problematiek rondom de staalslakken. Daarbij is gesproken over de vraag wie de kosten voor het verwijderen van het zonnepark ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden in fase 2 moet dragen. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. SDW vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. Primair: ZE gebiedt haar verbintenis uit hoofde van artikel 5.3 sub h Akte van Erfpacht tot het tijdig verwijderen van het Zonnepark na te komen en daartoe tijdig alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten, waaronder in ieder geval begrepen:\n\na. het binnen vijf (5) werkdagen na het in dezen te wijzen vonnis, doch uiterlijk op 1 juli 2026, op eigen naam aanvragen van offertes bij een of meer door ZE geschikt geachte aannemers ten behoeve van de tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding;\n\nb. het uiterlijk op 1 april 2027 verstrekken van een definitieve opdracht aan een of meer van de desbetreffende aannemers tot tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van de uiterste data zoals vermeld in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding, en bestekposten 120104, 1607 en 160701 uit het Bestek;\n\nc. het onmiddellijk, althans binnen één (1) werkdag na de relevante data van de correspondentie zoals omschreven onder sub a onderscheidenlijk sub b, verstrekken van (i) kopieën aan SDW en TerrAdvies van de schriftelijke correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers op de bij ZE bekende e-mailadressen en (ii) indien en voor zover de correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers mondeling plaatsvindt, een schriftelijke verslaglegging aan SDW en TerrAdvies van hetgeen is besproken op de bij ZE bekende e-mailadressen;\n\nd. het tijdig (doen) verwijderen van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub a, sub b en\u002Fof sub c te voldoen, per overtreding een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 200.000,00;\n\nIII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub d te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 25.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 1.500.000,00;\n\nSubsidiair:\n\nIV. SDW machtigt om na betekening van dit vonnis het Zonnepark te (doen) verwijderen met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nV. ZE veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ter grootte van € 1.564.016,00 althans ter grootte van € 671.181,00 althans ter grootte van € 622.131,00 althans ter grootte van € 220.000,00, te betalen binnen twee (2) werkdagen na dit vonnis;\n\n3.2.. ZE voert verweer. ZE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van SDW, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van SDW, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SDW in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat SDW daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSDW heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen\n\n4.2.. SDW stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat zij door het bevoegde gezag (ODRA en ODRN) wordt verplicht om uiterlijk 30 juni 2028 fase II uitgevoerd te hebben. Hiervoor is het nodig dat fase II uiterlijk 23 juni 2027 start. Het zonnepark moet dan zijn verwijderd. Het aanneemtraject voor de verwijdering van de zonnepanelen kan wel een jaar duren.\n\n4.3.. ZE betwist dat SDW een spoedeisend belang heeft. Volgens ZE komt er door uitvoering van fase 1 geen percolaat meer in het grondwater. SDW kiest zelf voor definitieve afdichting van de bovenlaag. SDW heeft daarvoor een plan ingediend en voor dat plan is het goedkeuringsbesluit genomen waarin de termijnen zijn opgenomen. SDW had ook voor een andere oplossing kunnen kiezen.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van voldoende spoedeisend belang. Uit de brief van ODRA van 29 augustus 2024 blijkt dat het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden en dat niet kan worden volstaan met alleen het uitvoeren van fase 1. SDW heeft hiervoor in overleg met de ODRA een plan van aanpak en een bestek opgesteld en deze zijn goedgekeurd in het goedkeuringsbesluit. Vervolgens is SDW -bij een herstelbesluit- door de ODRA verplicht om fase II uiterlijk 30 juni 2028 uit te voeren. Volgens SDW hebben omwonenden bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat zij de termijn voor uitvoering van fase II te lang vinden.\n\n4.5.. Hieruit blijk dat zowel de ODRA als de omwonenden verwachten dat zo spoedig mogelijk een definitieve afdichtingslaag wordt aangebracht. Het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag is door SDW al vergaand voorbereid. De voorbereiding is een complex proces. SDW heeft verschillende samenhangende vergunningen aan moeten vragen, plannen moeten maken met deskundigen en het bevoegd gezag en er spelen belangrijke belangen van omstanders en het milieu. Van SDW kan niet verwacht worden, als dat al juridisch mogelijk zou zijn, dat zij dit plan weer intrekt om een bodemprocedure tegen ZE te gaan voeren. De vraag in hoeverre SDW ook een minder vergaande oplossing had kunnen aanbieden waarbij het zonnepark niet verwijderd had hoeven worden, doet verder niet af aan het spoedeisend belang dat SDW heeft op basis van het plan dat zij wel heeft ingediend.\n\nHet is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een situatie zoals door partijen bedoeld in artikel 5.3 onder h van de Akte van erfpacht\n\n4.6.. SDW stelt dat ZE uit hoofde van (primair) wanprestatie, (subsidiair) zaakwaarneming, (meer subsidiair) ongerechtvaardigde verrijking dan wel (uiterst subsidiair) onrechtmatige daad gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen. Ter onderbouwing van elk van deze rechtsgronden wordt door SDW als uitgangspunt genomen dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht contractueel verplicht is om de zonnepanelen te verwijderen. Als van dit uitgangspunt geen sprake is, vervalt de door SDW aangevoerde toepasselijkheid van elk van de rechtsgronden. Er wordt daarom eerst ingegaan op de vraag of voldoende aannemelijk is dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen.\n\n4.7.. Partijen twisten over de vraag of SDW van overheidswege verplicht wordt om een definitieve afdeklaag aan te brengen. Volgens ZE heeft SDW gekozen voor het plaatsen van een definitieve afdeklaag. SDW had ook kunnen volstaan met het door Arcadis aangedragen alternatief waarbij zonnepanelen niet tijdelijk verwijderd hoeven te worden. In dat alternatief wordt een folielaag aangebracht onder de zonnepanelen en hoeven de zonnepanelen alleen opgetild te worden. Omdat SDW heeft gekozen voor een definitieve afdeklaag als oplossing, wordt zij nu verplicht om die definitieve afdeklaag aan te brengen. Die verplichting was er niet vooraf van overheidswege, aldus ZE. Volgens SDW hebben meerdere deskundigen, waaronder Arcadis zelf, geadviseerd om zo spoedig mogelijk een definitieve afdeklaag aan te brengen. Het aanbrengen van een folielaag brengt teveel risico’s met zich en is geen duurzame oplossing. SDW heeft getracht het aanbrengen van een definitieve afdeklaag uit te stellen, maar volgens de ODRA handelt SDW in strijd met de zorgplicht beschreven in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als zij niet op korte termijn de definitieve afdeklaag aanbrengt. SDW diende daarvoor een plan te maken en dat heeft zij gedaan. Dat plan is vervolgens door het goedkeuringsbesluit en herstelbesluit goedgekeurd en van een nakomingstermijn voorzien.\n\n4.8.. Niet ter discussie staat dat SDW gehouden is om te voorkomen dat het percolaat weglekt naar de bodem en\u002Fof zich op een andere manier verspreidt. Beantwoording van de vraag in hoeverre sprake is van een verplichting van overheidswege om dit te bewerkstelligen door een definitieve afdichtlaag kan echter in het midden blijven. Ook als daarvan sprake is, is onvoldoende aannemelijk dat artikel 5.3 van de Akte van erfpacht op deze situatie van toepassing is. Hieronder wordt dit nader toegelicht.\n\n4.9.. In artikel 5.1 van de Akte van erfpacht is opgenomen dat ZE ermee bekend is dat de erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Verder staat er dat ZE uitdrukkelijk de specifieke eigenschappen etc. van de erfpachtzaak accepteert en dat ZE accepteert dat zij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke kenmerken van de locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publieke besluitvorming. Hieruit blijkt dat partijen de risico’s van het gebruik van een vuilstortplaats hebben willen regelen ten aanzien van de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats.Niet blijkt dat door partijen was voorzien dat de slakkenlaag mogelijk problemen zou opleveren. Het enkele feit dat sec gezien de staalslakkenlaag de erfpachtzaak is, zoals SDW stelt, doet daar niet aan af. Uit onder andere de tekst ‘In dit kader verklaart de Erfpacht evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is.’ en ‘Op de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig’ blijkt dat in ieder geval in artikel 5 van de Akte van erfpacht met erfpachtzaak de vuilstortplaats wordt bedoeld.\n\n4.10.. De gestelde verplichting van SDW om de vuilstortplaats definitief af te dichten, vloeit niet voort uit de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats, maar uit fouten gemaakt bij het aanleggen van de staalslakkenlaag. Enkel SDW heeft opdracht gegeven aan [adviesbureau 1] om een plan te maken. Het was de keuze van SDW om een tijdelijke afdeklaag aan te brengen (in tegenstelling tot een definitieve afdeklaag) en om daarvoor staalslakken te gebruiken. Vervolgens is de tijdelijke afdeklaag in opdracht van SDW aangelegd. ZE was hierbij niet betrokken. Ten slotte is het SDW die de verplichting op zich heeft genomen om voor eigen rekening en risico de afdeklaag aan te brengen (zie artikel 11 van de erfpachtovereenkomst en artikel 2.1 van de Akte van erfpacht). Uit artikel 5.3 van de Akte van erfpacht blijkt niet dat partijen de risico’s met betrekking tot de door SDW aangelegde staalslakkenlaag hebben willen verdelen. Uit de erfpachtovereenkomst en de Akte van erfpacht blijkt juist het tegendeel. Het feit dat overleg is geweest met ZE over het aanbrengen van de staalslakkenlaag doet daar niet aan af. De laag werd ten behoeve van het gebruik door ZE aangelegd, reden waarom ZE bij het proces wordt betrokken. Dat maakt niet dat ZE daarom mede de risico’s draagt voor gebreken bij de aanleg.\n\n4.11.. Voorgaande in acht genomen is zonder nader feitenonderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is, onvoldoende aannemelijk dat ZE contractueel verplicht is om op eigen kosten de zonnepanelen te verwijderen. De vorderingen van SDW worden daarom afgewezen.\n\n4.12.. SDW is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ZE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n10.487,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.853,00\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van SDW af,\n\n5.2.. veroordeelt SDW in de proceskosten van € 11.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SDW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt SDW tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:07.469Z",{"id":83,"ecli":84,"slug":85,"caseNumber":58,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":86,"summary":58,"language":7,"source":60,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":88,"parsedAt":63,"updatedAt":89},"1896","ECLI:NL:RBGEL:2026:1862","ecli-nl-rbgel-2026-1862","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F456088 \u002F HZ ZA 25-243\n\nVonnis van 11 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. M.A. Amende,\n\ntegen\n\nGEMEENTE APELDOORN,\n\nte Apeldoorn,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Gemeente Apeldoorn,\n\nadvocaat: mr. J.J. Jacobse.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 15 oktober 2025,\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Tussen 2018 en 2021 heeft op de Udellerhei in de Gemeente Apeldoorn een munitieruiming onder archeologische begeleiding plaatsgevonden. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in de variant Opgraven Landbodems – variant Archeologische begeleiding. Voorafgaand aan de werkzaamheden is het onderzoek aangemeld bij het landelijk registratiesysteem Archis van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De werkzaamheden bestonden, onder meer, uit het afplaggen van de grond.\n\n2.2.. In het dagrapport van de werkzaamheden van 10 oktober 2018 (productie 2 bij conclusie van antwoord) is, voor zover relevant, het volgende opgenomen\n\n “3. Technische \u002Fwetenschappelijke ontwikkelingen\n\nTijdens de inspectie zijn twee vondstnummers uitgedeeld in vak L52-2. Hierbij gaat het om vuurstenen afslagen. De vondsten zijn met de GPS ingemeten. De vakken zijn ingemeten met de GPS, gefotografeerd met een spiegelreflexcamera en gedetecteerd door middel van de metaaldetector.”\n\n2.3.. Op 27 augustus 2020 heeft [eiser] circa 700 stuks vuurstenen (afslagen) gevonden op de Uddelerhei. [eiser] heeft de vuurstenen gefotografeerd, er een notitie van gemaakt en de vuurstenen vervolgens geraapt en meegenomen. [eiser] heeft direct daarna zijn vondst gemeld bij Gemeente Apeldoorn.\n\n2.4.. Op 16 maart 2021 heeft [eiser] de vuurstenen afgegeven aan Gemeente Apeldoorn voor wetenschappelijk onderzoek.\n\n2.5.. Op 12 oktober 2021 heeft Gemeente Apeldoorn per e-mailbericht (productie 1 bij dagvaarding) over de eigendomskwestie van de vuurstenen, voor zover relevant, het volgende geschreven aan [eiser] :\n\n“Telefonisch gaf je afgelopen donderdag aan dat je vooral benieuwd bent naar de onderbouwing van de juridische eigendomssituatie. Deze zal ik hieronder nader toelichten.\n\nTen eerste is geen sprake van een ‘vondst’. De verzamelde objecten zijn geraapt op een geregistreerde archeologische vindplaats tijdens een lopend archeologisch onderzoek. Daarmee heb je de vindplaats niet ‘gevonden’, maar geschonden. Dit is een overtreding van artikel 5.1 van de Erfgoedwet. Het verzamelen van de vondsten heeft geleid tot beschadiging van de vindplaats en tot informatieverlies over de vindplaats.\n\nDe eigendomssituatie wordt verder beschreven in artikel 3 van Burgerlijk wetboek 5. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de eigenaar van een zaak eigenaar van al haar bestanddelen. Op basis daarvan is de terreineigenaar ook eigendom van de verzamelde objecten. Dit verandert pas als de eigenaar zich van zijn eigendom ontdoet. Of als de vindplaats archeologisch wordt onderzocht. Dat laatste is echter alleen voorbehouden aan daartoe gecertificeerde organisaties. Ook daarin ben je in overtreding met artikel 5.1 van de Erfgoedwet.\n\n(…)\n\nIn het kort komt het erop neer dat je iets meegenomen hebt wat niet van jou is, op een locatie die verboden toegang was, waarmee je een archeologische vindplaats hebt beschadigd. Aangezien de terreineigenaar rechtmatig eigenaar van de verzamelde objecten is, en jij de objecten vrijwillig hebt afgestaan, kan ik niet tegemoet komen aan jouw eis om het materiaal aan jou retour te zenden.”\n\n2.6.. Op 27 oktober 2021 heeft [eiser] hierop per e-mailbericht (productie 2 bij dagvaarding) geantwoord. Hierin weerspreekt [eiser] de uitlatingen van Gemeente Apeldoorn, stelt hij zich op het standpunt dat hij als vinder eigenaar is geworden van de vuurstenen en eist hij teruggave van de vuurstenen.\n\n2.7.. Op 7 december 2021 heeft Gemeente Apeldoorn bij brief (productie 3 bij dagvaarding) geantwoord en aangeven de vuurstenen niet terug te zullen geven. Zij schrijft hierover, voor zover relevant, het volgende:\n\n“Op basis van het advies van de Inspectie[de rechtbank: de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed] concluderen wij dat de artefacten eigendom zijn van de provincie Gelderland, aangezien deze zijn aangetroffen tijdens een archeologisch onderzoek. Deze conclusie wordt onderschreven door onze juridische afdeling. De artefacten zullen worden gedeponeerd bij het PDB[de rechtbank: het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van de provincie Gelderland],zoals eerder met u is afgestemd. De provincie is hiervan op de hoogte gebracht en heeft daarbij aangegeven graag mee te willen werken aan het exposeren van het materiaal.”\n\n2.8.. Op 14 maart 2022 heeft de provincie Gelderland zich bij e-mailbericht (productie 5 bij conclusie van antwoord) aan Gemeente Apeldoorn op het standpunt gesteld eigenaar te zijn van de vuurstenen en verzocht om overdracht van de vuurstenen. Gemeente Apeldoorn heeft de vuurstenen op 15 maart 2022 overhandigd aan de provincie Gelderland, die deze in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten heeft gedeponeerd.\n\n2.9.. \n [eiser] heeft vervolgens aangifte gedaan van verduistering van de vuurstenen en een klacht ingediend bij de gemeentelijke ombudsman. [eiser] heeft verder bezwaar gemaakt tegen de brief van Gemeente Apeldoorn van 7 december 2021, welk bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. [eiser] is hiertegen in beroep gegaan bij de Rechtbank Gelderland, die het beroep bij uitspraak van 15 december 2022 ongegrond heeft verklaard. [eiser] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het hoger beroep bij uitspraak van 2 oktober 2024 ongegrond heeft verklaard.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. Gemeente Apeldoorn te veroordelen om alles in het werk te stellen om de voor wetenschappelijk onderzoek tijdelijk aan Gemeente Apeldoorn afgestane archeologische vondst, zijnde de vuurstenen artefacten door [eiser] gevonden op 27 augustus 2020 te Uddelerhei, aan [eiser] terug te geven. Dit omvat de verplichting voor Gemeente Apeldoorn om de betreffende vondst onverwijld aan [eiser] af te (doen) geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van €500,- per dag voor elke dag of gedeelte daarvan dat Gemeente Apeldoorn in gebreke blijft na betekening van het te dezen te wijzen vonnis,\n\nII. te verklaren voor recht dat Gemeente Apeldoorn jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door: (a) [eiser] met inzet van aantoonbaar onjuiste verklaringen ertoe te bewegen zijn eigendomsrecht op te geven, dan wel deze te betwijfelen, (b) onbevoegd een bindende uitspraak te pretenderen over de eigendom van de vondst, (c) de vondst na afloop van de onderzoeksperiode niet terug te geven aan [eiser] als vinder, en (d) de vondst zonder rechtsgrond over te dragen aan de provincie Gelderland; en dat Gemeente Apeldoorn aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden en nog zal lijden,\n\nIII. Gemeente Apeldoorn te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 13.194,09 ter vergoeding van de door [eiser] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over elk van de deelbedragen waaruit dit schadebedrag is opgebouwd, te rekenen vanaf de datum waarop elk deelbedrag door [eiser] is voldaan of verschuldigd is geworden, althans vanaf de datum van dagvaarding over het gehele bedrag, alles tot aan de dag der algehele voldoening,\n\nIV. Gemeente Apeldoorn te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van de dagvaarding en eventueel nakomende kosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – indien betaling uitblijft – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.\n\n3.2.. Gemeente Apeldoorn voert verweer. Gemeente Apeldoorn concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nDe kern van de zaak\n\n4.1.. De kern van het geschil betreft de vraag wie eigenaar is van de circa 700 stuks vuurstenen (afslagen) die [eiser] heeft aangetroffen en geraapt op de Uddelerhei. [eiser] stelt dat hij de eigenaar van de vuurstenen is, omdat sprake is van een archeologische toevalsvondst. Volgens [eiser] lagen de vuurstenen bloot aan de oppervlakte en wees niets erop dat zij aan een ander toebehoorden, zodat hij de eigendom van de vuurstenen heeft verkregen op de voet van artikel 5:4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor zover hij geen eigenaar is geworden op grond van artikel 5:4 BW, stelt [eiser] (subsidiair) dat hij de eigendom van de vuurstenen op grond van artikel 5:5 BW heeft verkregen. [eiser] vordert in de onderhavige procedure daarom, kort gezegd, teruggave van de vuurstenen, alsmede een schadevergoeding voor verschillende kosten die hij heeft moeten maken voor (gerechtelijke) procedures die hij voorafgaand aan deze procedure heeft doorlopen in een poging de vuurstenen terug te krijgen van Gemeente Apeldoorn.\n\n4.2.. Gemeente Apeldoorn betwist dat [eiser] eigenaar is geworden van de vuurstenen. Volgens Gemeente Apeldoorn zijn de vuurstenen reeds in 2018 gevonden bij een munitieruiming onder archeologische begeleiding, waarna de stenen op de vondslocatie (‘in situ’) zijn bewaard in afwachting van nadere besluitvorming over de bestemming van de vuurstenen. Gemeente Apeldoorn stelt zich daarom op het standpunt dat sprake is van een archeologische vondst bij opgraving, waardoor de provincie Gelderland eigenaar is geworden van de vuurstenen op grond van artikel 5.7 Erfgoedwet.\n\nVooraf\n\n4.3.. De vordering onder I. van [eiser] strekt tot teruggave van de vuurstenen door Gemeente Apeldoorn. De grondslag voor een dergelijke revindicatievordering is artikel 5:2 BW. Voor toewijzing van deze vordering dienst vast te staan dat [eiser] eigenaar is van de vuurstenen en dat Gemeente Apeldoorn de vuurstenen zonder recht houdt. Vast staat echter dat op dit moment niet Gemeente Apeldoorn, maar de provincie Gelderland de vuurstenen houdt. Reeds om deze reden zal deze vordering afgewezen worden, zodat in het kader van deze vordering de rechtbank zich niet hoeft te buigen over de vraag of [eiser] eigenaar van de vuurstenen is. [eiser] vordert echter voorts een verklaring voor recht dat Gemeente Apeldoorn jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat Gemeente Apeldoorn wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Aan deze vorderingen legt [eiser] onder meer ten grondslag dat Gemeente Apeldoorn onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij eigenaar van de vuurstenen is, maar Gemeente Apeldoorn heeft geweigerd de vuurstenen aan hem terug te geven. De rechtbank zal zich daarom hierna alsnog buigen over de vraag of [eiser] eigenaar van de vuurstenen is geworden.\n\nDe wetssystematiek\n\n4.4.. Alvorens over te gaan op de beoordeling van de vraag of [eiser] eigenaar is (geworden) van de vuurstenen, zal eerst ingegaan worden op de systematiek van de verschillende vormen van eigendomsverkrijging van roerende zaken in het Burgerlijk Wetboek en de verhouding daarvan tot de eigendomsverkrijging zoals die geregeld is in de Erfgoedwet.\n\n4.5.. Het Burgerlijk Wetboek kent in boek 5, titel 2 verschillende regelingen voor eigendomsverkrijging van roerende zaken. Voor zover relevant in de onderhavige procedure zijn dat:\n\nhet in bezit nemen van een aan niemand toebehorende roerende zaak (artikel 5:4 BW). De inbezitnemer wordt dan de eigenaar;\n\nhet vinden en onder zich nemen van een onbeheerde zaak (artikel 5:5-5:12 BW). De vinder wordt dan eigenaar van de zaak één jaar nadat aan de (aangifte- of meldings)vereisten van artikel 5:5 lid 1 BW is voldaan;\n\nschatvinding (artikel 5:13 BW). De vinder wordt dan, samen met de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waar de schat is gevonden, mede-eigenaar van de schat.\n\n4.6.. Het kenmerkende verschil tussen de regelingen uit artikel 5:4 BW en artikel 5:5-5:12 BW, is dat bij artikel 5:4 BW sprake is van een zogenaamde res nullius: een aan niemand toebehorende zaak. Hiervan kan sprake zijn omdat de zaak nooit eerder een eigenaar heeft gehad of omdat de vorige eigenaar het bezit van de zaak heeft prijsgegeven met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen (artikel 5:18 BW). Bij de regeling van artikel 5:5-5:12 BW behoort de zaak wel aan iemand toe, maar is die onbeheerd wanneer deze gevonden wordt. Deze regelingen dienen onderscheiden te worden van schatvinding (artikel 5:13 BW). Van schatvinding is sprake wanneer de gevonden zaak een schat is: een zaak van waarde die zolang verborgen is geweest dat daardoor de oorspronkelijke eigenaar niet meer op te sporen is (artikel 5:13 lid 2 BW).\n\n4.7.. Daarnaast kent de Erfgoedwet een specifieke regeling van eigendomsverkrijging voor archeologische vondsten. Deze regeling gaat, als lex specialis, voor op de regelingen uit het Burgerlijk Wetboek. In artikel 5.7 aanhef en sub a Erfgoedwet is bepaald dat een archeologische vondst die is aangetroffen bij een opgraving en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, eigendom wordt van de provincie waar de vondst is aangetroffen.De Erfgoedwet kent daarnaast in artikel 5.10 de figuur van de archeologische toevalsvondst. Dat is een archeologische vondst anders dan bij het verrichten van opgravingen, welke vondst volgens datzelfde artikel zo spoedig mogelijk moet worden gemeld bij de minister. Voor de archeologische toevalsvondst kent de Erfgoedwet geen eigen regeling van eigendomsverkrijging, zodat in een dergelijk geval teruggevallen moet worden op de regelingen uit het Burgerlijk Wetboek. De wetgever heeft hierover in de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet aangegeven dat voor de gevolgen voor de eigendom bij een archeologische toevalsvondst de regels van schatvinding uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.De archeologische vondst bij opgraving en de archeologische toevalsvondst sluiten elkaar (per definitie) uit. Immers, in het eerste geval wordt de archeologische vondst aangetroffen bij opgraving, terwijl in het tweede geval de archeologische vondst wordt aangetroffen anders dan bij opgraving.\n\nHet toepasselijke beoordelingskader in de onderhavige situatie\n\n4.8.. Partijen zijn het erover eens dat de vuurstenen een archeologische vondst zijn. De vraag die partijen naar de kern verdeeld houdt, is of sprake is van een toevalsvondst – zoals [eiser] betoogt – of van een vondst die is aangetroffen bij een opgraving – zoals Gemeente Apeldoorn betoogt. In het eerste geval dient de eigendomsvraag, gelet op het voorgaande, beantwoord te worden aan de hand van de regeling van schatvinding (artikel 5:13 BW) en in het tweede geval aan de hand van artikel 5.7 Erfgoedwet. [eiser] wordt dus niet gevolgd in zijn betoog dat de eigendomsvraag in het geval van een toevalsvondst beantwoord moet worden aan de hand van de regelingen uit artikel 5:4 BW of artikel 5:5 BW. Uit de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet volgt namelijk dat bij een toevalsvondst de regeling van schatvinding uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Overigens is de rechtbank bovendien van oordeel dat de vuurstenen zijn aan te merken als schat, nu het prehistorische artefacten betreffen waarvan de oorspronkelijk eigenaar niet meer op te sporen is omdat de vuurstenen zeer lang verborgen zijn geweest (artikel 5:13 lid 2 BW).\n\n4.9.. Aangezien de archeologische toevalsvondst en de archeologische vondst bij opgraving elkaar uitsluiten, dient beoordeeld te worden of de vuurstenen eerst in 2020 door [eiser] bij een archeologische toevalsvondst zijn ontdekt – in welk geval [eiser] samen met de grondeigenaar mede-eigenaar is van de vuurstenen (artikel 5:13 BW) – of dat de vuurstenen reeds in 2018 bij een opgraving zijn ontdekt – in welk geval als uitgangspunt de provincie Gelderland eigenaar is van de vuurstenen (artikel 5.7 aanhef en sub a Erfgoedwet).\n\nDe vuurstenen zijn aangetroffen bij een opgraving\n\n4.10.. Een opgraving, als bedoeld in artikel 5.7 Erfgoedwet, is een handeling met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem of verstoring, of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt (artikel 5.1 Erfgoedwet). Onder deze handelingen vallen onder meer het bloot leggen en uit de grond halen van archeologische vondsten.\n\n4.11.. Vast staat dat in het gebied waar [eiser] de vuurstenen heeft aangetroffen tussen 2018 en 2021 een munitieruiming onder archeologische begeleiding heeft plaatsgevonden, waarbij de grond werd afgeplagd en dus werd verstoord. Volgens Gemeente Apeldoorn zijn hierbij door de begeleidende archeoloog de betreffende vuurstenen aangetroffen, waarna is besloten deze op de vindlocatie te bewaren. Dat bij het afplaggen vuurstenen zijn aangetroffen, wordt bevestigd in het door Gemeente Apeldoorn overgelegde dagrapport van 10 oktober 2018, waarin melding wordt gemaakt van aangetroffen vuurstenen (zie r.o. 2.2.). Door Gemeente Apeldoorn is bovendien onweersproken aangevoerd dat de vindplaats van de vuurstenen is ingemeten met GPS en dat de door [eiser] aangetroffen vuurstenen zijn aangetroffen op de geregistreerde vindplaats. Ook volgens de eigen stellingen van [eiser] lagen de door hem aangetroffen vuurstenen bloot aan de oppervlakte op afgeplagde grond. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de betreffende vuurstenen reeds bloot zijn gelegd en zijn aangetroffen bij het afplaggen van de grond.\n\n4.12.. \n [eiser] wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het afplaggen van de grond in het kader de munitieruiming onder archeologische begeleiding niet gezien kan worden als opgraving in de zin van de Erfgoedwet. Volgens [eiser] had het afplaggen van de grond primair munitieruiming als doel. Gemeente Apeldoorn heeft echter tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het afplaggen zowel explosievenonderzoek als archeologisch onderzoek als doel had, welke doelen gecombineerd waren omdat het te risicovol was het archeologisch onderzoek voorafgaand aan de munitieruiming plaats te laten vinden. Daarom is volgens Gemeente Apeldoorn in een multidisciplinair team, met onder meer archeologen en ecologen, besloten tot afplagwerkzaamheden onder zowel explosieven- als archeologische condities. Dit is niet gemotiveerd weersproken door [eiser] . Bovendien staat vast dat voorafgaand aan de start van de afplagwerkzaamheden een melding is gemaakt van archeologisch onderzoek voor, onder meer, de Uddelerhei in de betreffende periode bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Een en ander leidt tot het oordeel dat de afplagwerkzaamheden mede zagen op het opsporen en\u002Fof verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 5.7 Erfgoedwet. Dat, zoals [eiser] stelt, de archeologische vondsten vervolgens niet op de juiste wijze zijn gedocumenteerd – hetgeen Gemeente Apeldoorn overigens betwist – doet hieraan niet af.\n\n4.13.. \n\nGelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de vuurstenen reeds in 2018 zijn aangetroffen bij een archeologische opgraving, waarop de eigendomsregeling uit artikel 5.7 Erfgoedwet van toepassing is. Zodoende was geen sprake van een toevalsvondst door [eiser] op 27 augustus 2020. [eiser] is daarmee niet de eigenaar geworden van de vuurstenen. Tegen deze achtergrond, oordeelt de rechtbank over de overige vorderingen van [eiser] als volgt.\n\nGemeente Apeldoorn heeft niet onrechtmatig gehandeld\n\n4.14.. \n\n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat Gemeente Apeldoorn onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat Gemeente Apeldoorn wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 13.194,09 voor de schade die hij als direct en indirect gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden. [eiser] maakt Gemeente Apeldoorn in dat kader de volgende verwijten:\n\nI. Gemeente Apeldoorn heeft [eiser] met inzet van aantoonbaar onjuiste verklaringen ertoe bewogen zijn eigendomsrechten op te geven, dan wel deze te betwijfelen;\n\nII. Gemeente Apeldoorn heeft onbevoegd gepretendeerd een bindende uitspraak te doen over de eigendom van de vondst;\n\nIII. Gemeente Apeldoorn heeft na afloop van de onderzoeksperiode de vondst niet teruggegeven aan [eiser] als vinder; en\n\nIV. Gemeente Apeldoorn heeft de vondst zonder rechtsgrond overgedragen aan de provincie Gelderland.\n\n4.15.. Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn jegens [eiser] is sprake wanneer het handelen (of nalaten) van Gemeente Apeldoorn in strijd is met de wet, het recht of hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW). Met het oordeel in r.o. 4.13. staat vast dat Gemeente Apeldoorn met het oog op artikel 5.7 Erfgoedwet op goede gronden de afgifte van de vuurstenen aan [eiser] mocht weigeren en deze mocht overdragen aan de provincie Gelderland. Hiermee heeft zij niet gehandeld in strijd met de wet, het recht of hetgeen in het maatschappelijke verkeer betaamt. Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn op grond van de door [eiser] onder III en IV gemaakte verwijten is derhalve geen sprake.\n\n4.16.. Voor wat betreft de verwijten onder I en II geldt dat Gemeente Apeldoorn in de door [eiser] overgelegde correspondentie (zie r.o. 2.5. en 2.7.) een standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de eigendom van de vuurstenen, hetgeen niet in strijd is met de wet, het recht of hetgeen in het maatschappelijk betaamt. Uit de correspondentie volgt bovendien niet dat Gemeente Apeldoorn heeft gepretendeerd een bindende uitspraak te kunnen doen over de eigendom van de vuurstenen. Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn op grond van de door [eiser] onder I en II gemaakte verwijten is daarom evenmin sprake. Dit leidt ertoe dat ook de overige vorderingen van [eiser] afgewezen zullen worden.\n\nProceskosten\n\n4.17.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Apeldoorn worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.C.G. Metz en in het openbaar uitgesproken door mr. F.M.C. Boesberg op 11 maart 2026.\n\n Of van de gemeente waar de vondst is aangetroffen, indien die gemeente beschikt over een aangewezen depot; of van de Staat, indien de vondst is aangetroffen buiten het grondgebied van enige gemeente (artikel 5.7 aanhef en onder b, respectievelijk c). Gesteld noch gebleken is dat een van deze situaties zich voordoet in deze zaak.\n\nKamerstukken II2014\u002F15, 34109, nr. 3, p. 86-87.\n\nKamerstukken II2014\u002F15, 34109, nr. 3, p. 86.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1862","2026-03-10T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.307Z",20]