[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zwolle-drug-offences-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},57,"Zwolle","nl","zwolle",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1442","ECLI:NL:RBOVE:2026:3812","ecli-nl-rbove-2026-3812","","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.316503.25 en 08-266989-23 (vord. tul) (P)\n\nDatum vonnis: 2 juli 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [adres 1] ,\n\nnu verblijvende in de PI [verblijfplaats] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Tanoglu, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 18 juni 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door haar te wurgen(primair)dan wel dat hij heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te wurgen(subsidiair);\n\nfeit 2:[slachtoffer] heeft mishandeld door in haar keel te knijpen, tegen haar lichaam te slaan, aan de haren te trekken, een knietje tegen haar hoofd te geven, met een blikje tegen het hoofd te slaan, in de nek te knijpen en\u002Fof in de arm\u002Fhand te bijten;\n\nfeit 3:14,13 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk\n\neen ander, te weten [slachtoffer]\n\nvan het leven te beroven,\n\nmeermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt\n\nen\u002Fof dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling\n\nmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan een ander, te weten [slachtoffer] ,\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\nmeermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt\n\nen\u002Fof dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2\n\nhij op een of meerdere momenten op of omstreeks 22 november 2025 te\n\nZwolle, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] vast te pakken\n\nen\u002Fof dicht te knijpen;\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen haar hoofd en\u002Fof haar\n\nschouder, althans haar lichaam, te slaan,\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, aan haar haren te trekken,\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, een knietje tegen haar hoofd\n\nte geven,\n\n- die [slachtoffer] met een blikje cola, althans een soortgelijk voorwerp, tegen\n\nhaar (achter)hoofd te slaan,\n\n- die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] in haar arm en\u002Fof hand te bijten;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle,\n\nopzettelijk\n\naanwezig heeft gehad\n\nongeveer 14,13 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,\n\neen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, de aangifte van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en het dichtknijpen van de keel niet tegen de wil van aangeefster heeft plaatsgevonden, maar met haar instemming in het kader van wurgseks. Mocht de rechtbank de verklaring van aangeefster wel betrouwbaar achten, dan kan niet worden bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel zware mishandeling, aldus de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2, met uitzondering van het vastpakken en dichtknijpen van de keel, en feit 3.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\nHet procesverbaal van aangifte van [slachtoffer] van 22 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nIk heb sinds ongeveer 4 jaar een relatie met [verdachte] .(…) Ik zag dat mijn vriend zijn vuist balde. Ik zag en voelde dat mijn vriend mij met deze rechtervuist op mijn hoofd en schouder sloeg. Mijn vriend probeerde mij uit de auto te krijgen door hard aan mijn haren te trekken. Ik voelde het haar uit mijn hoofd gaan, het deed ontzettend pijn. Ik zag en voelde dat hij mij twee keer met zijn rechtervuist op de rechterzijde van mijn hoofd sloeg. Ik voelde doffe pijn op mijn hoofd. Ik zag en voelde dat mijn vriend weer aan mijn haren trok om mij volledig uit de auto te krijgen. Mijn vriend duwde mij, waardoor ik op mijn linkerzij in de auto terechtkwam. Waarna hij mij 10-15 keer op mijn rechterboven- en onderarm en in mijn gezicht sloeg. Ik voelde een doordringende pijn op mijn rechterbovenarm.\n\nMijn vriend reed door naar de Esso gelegen aan de van [adres 2] . Daar gingen de mishandelingen verder. Op dat moment pleegde hij de volgende handelingen:\n\n- vijf á zes keer aan mijn haren trekken;\n\n- hij pakte en kneep mij in mijn nek en duwde mij met twee handen hard naar de grond;\n\n- hij beet mij in mijn hand en onderarm;\n\n- hij sloeg mij in totaal drie keer met zijn platte hand in mijn gezicht;\n\n- hij sloeg mij vier á vijf keer met zijn vuist op mijn linkerkaak en voorhoofd.\n\nIk stapte uit de auto waarna mijn vriend naar mij toe kwam. Mijn vriend pakte mij met beide handen bij mijn keel. Mijn vriend kneep mijn keel ongeveer 10 seconden lang hard dicht.\n\nIk moest hoesten, maar ik kon niet hoesten omdat mijn keel dichtgeknepen werd. Ik werd daardoor misselijk. Toen mijn vriend mijn keel losliet, hoestte ik en kwam er slijm vrij.\n\nMijn vriend stopte niet vrijwillig met het dichtknijpen van mijn keel, maar mijn vriend werd weggetrokken door zijn vriend ' [bijnaam] '. Ik voelde dat mijn vriend mijn nek vastpakte en mij twee knietjes op mijn voorhoofd gaf. Ik voelde gelijk hevige pijn op mijn voorhoofd. Ik greep naar zijn baard om mij los te rukken van hem. Ik voelde en zag dat hij mij weer met twee handen naar mijn keel greep en mijn keel ongeveer 5 seconden dichtkneep. Ik voelde dat dit krachtiger was dan de vorige keer dat hij mijn keel dichtkneep. Ik voelde dat ik urine verloor. (…) Ik zag wederom dat mijn vriend uit de auto stapte met een blikje Cola en dat op mijn achterhoofd kapotsloeg. Ik durf niet aangifte te doen tegen mijn vriend, omdat ik bang voor hem ben. Ik denk echt dat hij in staat is om mij dood te maken.\n\nHet aanvullend procesverbaal van 22 november 2025 (aanvullende aangifte [slachtoffer] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nHet duurde twintig seconden voor mijn gevoel. Ik zag hij mij met twee handen mij bij de keel vastpakte. Ik voelde dat hij mij zo hard kneep dat ik daardoor niet meer kon ademen. Het voelde voor mij alsof mijn ogen uit mijn oogkas zouden gaan komen. Ik had nu het gevoel alsof ik dood zou kunnen gaan.\n\nIk zag dat hij mij weer vastpakte bij mijn keel met twee handen en deze keer was het met veel meer kracht dan de eerste keer. Dit merkte ik doordat ik op dat moment ook urine verloor. Ik voelde alsof mijn gezicht in brand stond. Ik had het gevoel dat ik op dat moment niet kon ademen. Daarna heb ik hem gekrabd in zijn gezicht en heb ik zijn baard vastgepakt, ik zag dat hij mij daarna losliet.\n\nHet procesverbaal van bevindingen van 23 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp zaterdag 22 november om 04.33 uur, kwamen wij ter plaatse bij het 'Esso' tankstation, gelegen aan de [adres 2] . Ik zag een vrouw, welke mij later bleek te zijn: [slachtoffer] , [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000 te [geboorteplaats 2] . Ik zag dat deze vrouw huilde. Ik zag dat ze hevig trilde. Ik hoorde dat ze meerdere keren zei: ''hij is weggereden in de richting van de Hogenkampsweg, maar waarschijnlijk nog wel ergens hier in de buurt haar in de gaten aan het houden was.'' Ik zag dat ze de hele tijd om zich heen keek. Dit wekte mij de indruk dat [slachtoffer] in paniek was.\n\nIk vroeg [slachtoffer] wat er was gebeurd. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat zij zojuist in de auto en buiten de auto mishandeld was door haar vriend [verdachte] , later genoemd als verdachte. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze door verdachte: aan haar haren was getrokken, dat zij door verdachte meerdere keren met vuisten op haar gezicht is geslagen, dat zij knietjes van verdachte op haar voorhoofd had gekregen en dat haar keel door verdachte was dichtgeknepen.\n\nNaast [slachtoffer] stond [getuige] , [getuige] . [getuige] vertelde mij dat zij een vriendin en collega was van [slachtoffer] en dat zij de mishandeling deels had gezien.\n\nIk zag en hoorde dat [slachtoffer] erg snel praatte, trilde en niet goed uit haar woorden kwam.Ik heb tijdens het opnemen van de aangifte ervaren dat [slachtoffer] alleen maar bezig was met de gevolgen die dit voor haar zou hebben, zoals: hij kan mijn woning naar binnenkomen via mijn buren, ik durf niet naar huis want hij komt mij opzoeken en dood maken, ik ben veiliger met hem in een relatie dan wanneer ik niet met hem in een relatie ben. Zowel ter plaatse als tijdens het opnemen van de aangifte kwam het slachtoffer op mij over als een slachtoffer die ontzettend bang was en is en vreest voor haar leven.\n\nDe forensischmedische letselbeschrijving van 12 december 2025, door W.A. Karst, forensisch arts KNMG, Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (het LOEF), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nBetrokkene: [slachtoffer]\n\nOp 22 november 2025 vanaf 14:30 uur werd een forensisch-medisch onderzoek uitgevoerd in het kader van nietfatale strangulatie.\n\nMw. [slachtoffer] vertelde mij dat ze twee keer bij de keel was gegrepen met 2 handen. De eerste keer duurde voor haar gevoel een seconde of 20, waarbij ze tussendoor wat lucht kon happen. De tweede keer was korter, mogelijk 5 tot 10 seconden, maar wel met volle kracht. Mw. [slachtoffer] beschreef dat het voelde alsof haar ogen uit haar oogkassen vielen.\n\nTijdens dit onderzoek zijn de volgende bevindingen gedaan:\n\n- Er waren onderhuidse bloeduitstortingen links en rechts op het voorhoofd, onder het\n\nlinkeroog, links in de hals, links in de nek, op de rechterschouder, op de borstkas, op\n\nbeide borsten, op beide armen en op de rechterduim;\n\n- Er waren krasletsels links in de hals, op de rechterbovenarm, op de linkerbovenarm en\n\nop de rechterpink;\n\n- Er was een huidbeschadiging op de kin;\n\n- Er was een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het oogwit van het linkeroog;.\n\nDe forensisch-medische letselrapportage met benoeming van 29 mei 2026, door G. Reijnen, forensisch arts, en E. van Mierlo, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 22-11-2025 heeft er een forensisch medisch onderzoek (FMO) plaatsgevonden bij betrokkene. Bij herziening van de foto’s werd in het linkeroog een puntbloeding op de overgang van het oogwit en het onderooglid gezien.\n\nDe vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het\n\noog), samen met de gemelde heesheid en het urineverlies kunnen passen bij een scenario\n\nverwurging. Er is geen alternatieve verklaring voor deze combinatie aan verschijnselen in de hals. De gevaarzetting van een verwurging hangt af van de kracht, de duur en de frequentie van de verwurging. Voor het ontstaan van een puntbloeding moeten de halsader links en rechts met enige kracht, gedurende 10-30 seconden worden dichtgedrukt. Een benadering van de gevaarzetting kan gemaakt worden op basis van de vastgestelde letsels, met inachtneming van de beperkingen van de studie van Plattner. Bij betrokkene resulteren de vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies in een categorie 2, matige verwurging. Dit is mogelijk levensbedreigend.\n\nHet proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:\n\nOp 22 november 2025 had ik ruzie met [slachtoffer] . Ik heb aan de haren van [slachtoffer] getrokken. Ik heb haar geslagen tegen de arm.\n\nDe rechtbank verklaart meerdere feiten bewezen. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2. Overwegingen\n\nDe betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen\n\nHoewel verdachte ontkent te hebben geprobeerd om [slachtoffer] te wurgen en [slachtoffer] ter zitting haar verklaring over het dichtknijpen van de keel heeft gewijzigd en heeft verklaard dat verdachte alleen in het kader van wurgseks in haar keel heeft geknepen, twijfelt de rechtbank niet aan de aangifte en de aanvullende verklaring die [slachtoffer] op 22 november 2025 heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen gedetailleerd en consistent. Ook heeft [slachtoffer] in de aangifte direct verklaard over haar eigen rol, onder meer dat zij aan de baard van verdachte heeft getrokken om het dichtknijpen van de keel te stoppen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen op concrete onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen. De politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben in een procesverbaal van bevindingen beschreven dat [slachtoffer] in paniek was, dat zij vertelde dat zij was mishandeld door haar vriend en dat hij haar keel had dichtgeknepen en dat zij bang voor hem is. Getuige [getuige] heeft na het incident gezien dat [slachtoffer] huilde, dat het haar van [slachtoffer] in de war zat en dat haar kleding gescheurd was en [getuige] hoorde dat [slachtoffer] hoog in haar ademhaling zat. Ook past het door de forensisch arts omgeschreven letsel bij de geweldshandelingen die [slachtoffer] heeft omschreven. Daar komt bij dat de eerste verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door een brief van [slachtoffer] aan het Openbaar Ministerie, die op 1 december 2025 is ontvangen, waarin zij heeft geschreven dat zij een zeer heftige ruzie heeft gehad met verdachte waarbij geweld is gebruikt en zij bij haar keel is gepakt. Over wurgseks wordt in deze brief niet gesproken.\n\nVerdachte heeft in de politieverhoren ontkend dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt bij de keel en haar keel heeft dichtgeknepen. Voor het eerst ter terechtzitting op 18 juni 2026, nadat [slachtoffer] ter terechtzitting heeft verklaard dat zij wurgseks heeft gehad met verdachte, heeft verdachte verklaard dat hij de keel van [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen, maar dat hij dit deed met instemming van [slachtoffer] tijdens wurgseks. De rechtbank beschouwt de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden en het feit dat hij deze verklaring pas heeft afgelegd nadat [slachtoffer] ter zitting een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, als ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank de aangifte en aanvullende verklaring van aangeefster betrouwbaar en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.\n\nOverwegingen ten aanzien van feit 1\n\nVervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de aangifte voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier en of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood en verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aangifte voldoende steun vindt in het procesverbaal van bevindingen van de politieagenten die aangeefster hebben aangetroffen na het incident, de forensischmedische omschrijving van het letsel van aangeefster en de forensischmedische letselrapportage met de interpretatie van het letsel en de toelichting van deskundige G. Reijnen, forensisch arts KNMG, ter terechtzitting.\n\nDe politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben de emoties en angst bij [slachtoffer] waargenomen. Ook komt de verklaring van [slachtoffer] tegenover de politieagenten over de geweldshandelingen overeen met wat zij later in haar aangifte heeft verklaard.\n\nTijdens het forensischmedisch onderzoek is geconstateerd dat [slachtoffer] bloeduitstortingen in de nek, een huidbeschadiging op de kin en krasletsels op de hals had en dat sprake was van een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het linkeroog. Bij de letselinterpretatie werd ook een puntbloeding (petechie) in het linkeroog gezien. Deskundige Reijnen heeft beschreven dat de bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de huidbeschadiging op de kin kunnen worden verklaard door een samendrukkende krachtsinwerking op de hals. Een puntbloeding kan ontstaan als de halsaderen (links en rechts) met enige kracht, gedurende tenminste 10 tot 30 seconden worden dichtgedrukt. De vastgestelde letsels met de heesheid en het urineverlies kunnen passen bij het scenario van verwurging. Op de vraag hoe gevaarlijk het letsel is dat had kunnen optreden, heeft de deskundige beschreven dat het daadwerkelijk ontstane letsel niet levensbedreigend is geweest. Dit staat echter los van de gevaarzetting van de handeling van het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals door een derde (strangulatie). Het gevaar van een samendrukkende kracht op de hals bestaat uit het optreden van zuurstoftekort. Dit kan via twee mechanismes optreden, namelijk door het dichtdrukken van de bloedvaten of het dichtdrukken van de ademweg. Bij het uitoefenen van deze handeling kan er letsel optreden, zoals bloeduitstortingen, inwendig letsel en\u002Fof krasletsel. Dit letsel op zichzelf is niet levensbedreigend, maar de kans op zuurstoftekort is groter naarmate de uitgeoefende kracht op de hals groter is of langer duurt. Indien het zuurstoftekort niet tijdig wordt opgeheven, leidt dit tot bewustzijnsverlies en uiteindelijk tot de dood. Het kritieke punt waarop verwurging levensbedreigend wordt, is niet precies vast te stellen, net zoals de exacte duur dat een verwurging moet worden aangehouden na bewusteloosheid om het punt zonder spontaan herstel van het bewustzijn en de ademhaling te bereiken. Zonder medisch ingrijpen leidt deze situatie tot de dood. De gevaarzetting van de niet-fatale verwurging bij [slachtoffer] kan op basis van de letsels (bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies geclassificeerd worden als matige verwurging (Plattner’s classificatie klasse 2). Dit is mogelijk levensbedreigend. De Plattnerclassificatie moet volgens het rapport met voorzichtigheid worden benaderd en daarom heeft de rechtbank ook acht geslagen op wat de deskundige in aanvulling op het rapport heeft toegelicht over het risico van verwurging.\n\nTijdens het onderzoek ter terechtzitting op 18 juni 2026 heeft deskundige Reijnen in aanvulling op zijn deskundigenrapport toegelicht dat het ontstaan van een puntbloeding in het oog minder waarschijnlijk is bij het scenario van wurgseks, zoals daarover door [slachtoffer] ter terechtzitting is verklaard, dan bij het scenario van onvrijwillig verwurging. [slachtoffer] heeft ter zitting verklaard dat het wurgen tijdens de wurgseks vijf tot tien seconden duurde. Een puntbloeding ontstaat na minstens tien seconden verwurging. Het ontstaan van de puntbloeding is volgens de deskundige wel te verklaren door het scenario van onvrijwillige verwurging waarbij de keel tien tot twintig seconden is dichtgeknepen, zoals door [slachtoffer] in de aangifte en de aanvulling daarop is verklaard. Wat betreft het gevaar van verwurging heeft de deskundige toegelicht dat bewusteloosheid al na tien seconden verwurging kan optreden. Het is niet in zijn algemeenheid te zeggen hoelang het duurt tot de dood intreedt bij bewusteloosheid door verwurging; de dood kan plots intreden als de bloeddoorstroming naar de hersenen door de verwurging is onderbroken. Bij vrijwel iedere verwurgingshandeling is daarom levensgevaar aan de orde.\n\nGelet op het feit dat verdachte twee keer met kracht [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt, waarvan de eerste keer minstens tien seconden, waarbij [slachtoffer] het gevoel had dat zij niet meer kon ademen en bloeduitstortingen in de hals en nek zijn ontstaan, en het volgens de deskundige aannemelijk is dat daardoor de puntbloeding in het oog is ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat de kans op het overlijden van [slachtoffer] aanmerkelijk moet zijn geweest.\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat verdachte niet zelf de keel van [slachtoffer] heeft losgelaten, maar dat zijn vriend hem de eerste keer wegtrok en dat hij de tweede keer losliet, omdat aangeefster in zijn gezicht krabde en aan zijn baard trok. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.\n\nDe rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nOverwegingen ten aanzien van feit 2\n\nGelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft overwogen, en het feit dat de verdediging zich voor het overige heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nFeit 3\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2026;\n\nhet procesverbaal van bevindingen van 22 november 2025, pagina 104;\n\ngeschriften, te weten NFiDENT rapporten van 25 november 2025, pagina 169173.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1\n\nhij op 22 november 2025 te Zwolle,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,\n\nmeermalen de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2\n\nhij op meerdere momenten op 22 november 2025 te Zwolle,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- meermalen de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en dicht te knijpen;\n\n- die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en haar schouder te slaan,\n\n- die [slachtoffer] meermalen aan haar haren te trekken,\n\n- die [slachtoffer] meermalen een knietje tegen haar hoofd te geven,\n\n- die [slachtoffer] met een blikje cola tegen haar (achter)hoofd te slaan,\n\n- die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en\n\n- die [slachtoffer] in haar arm en hand te bijten;\n\n3\n\nhij op 22 november 2025 te Zwolle,\n\nopzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,13 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\npoging tot doodslag;\n\nen\n\nmishandeling;\n\nfeit 3\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd in het rapport van 1 mei 2026.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaar wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor een gebied rondom haar woning, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast De maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om bij oplegging van een gevangenisstraf deze voorwaardelijk op te leggen voor zover de duur ervan langer is dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een proeftijd van maximaal twee jaren op te leggen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het mishandelen van zijn (ex-)partner [slachtoffer] . Verdachte heeft daarbij twee keer de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen waardoor de kans bestond dat zij zou overlijden. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen [slachtoffer] en hij liep nog in een proeftijd van die veroordeling, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw geweld te plegen tegen [slachtoffer] . De rechtbank acht het zorgwekkend dat [slachtoffer] na het incident tegenover de politie heeft verklaard dat zij veiliger is in een relatie met verdachte dan wanneer zij de relatie verbreekt en dat zij bang is dat verdachte haar zal doden. Verdachte heeft weinig inzicht getoond in de ernst van de feiten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 14 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gebruikers zelf, maar ook voor hun eigen omgeving en de maatschappij in het algemeen. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 28 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld en een misdrijf op grond van de Opiumwet. Verdachte liep in een proeftijd van een veroordeling vanwege huiselijk geweld toen hij de nieuwe feiten pleegde. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 mei 2026. De reclassering heeft beschreven dat sprake is van een beginnend delictpatroon van huiselijk geweld. De voornaamste delictgerelateerde factoren zijn het psychosociaal functioneren van verdachte en de relatiedynamiek met aangeefster. De relatie is volgens verdachte en aangeefster inmiddels beëindigd. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. De reclassering acht het zorgwekkend dat verdachte en aangeefster contact met elkaar blijven houden, mede gelet op de eerdere veroordeling van verdachte voor huiselijk geweld tegen aangeefster. De reclassering adviseert om diagnostiek en behandeling in te zetten, zodat verdachte risicosignalen leert te herkennen en handvatten aanleert om nieuwe geweldsincidenten, bijvoorbeeld in toekomstige partnerrelaties, te voorkomen. De reclassering adviseert daarnaast een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor haar woonadres op te leggen. Ook adviseert de reclassering om als voorwaarde op te leggen dat verdachte meewerkt aan controles op het gebruik van verdovende middelen, zodat er zicht komt op zijn middelengebruik.\n\nGezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een langere gevangenisstraf en een langer onvoorwaardelijk strafdeel rechtvaardigt dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nTot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met [slachtoffer] , tenzij het contact plaatsvindt met voorafgaande (schriftelijke) toestemming van en onder toezicht van de reclassering. Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie geldt dit contactverbod voor de duur van drie jaren. Iedere overtreding van het contactverbod levert twee weken hechtenis op, met een maximum van zes maanden. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, zal de rechtbank geen 38vmaatregel opleggen in de vorm van een locatieverbod.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen aangeefster en uit het reclasseringsadvies blijkt dat hij nog steeds contact onderhoudt met aangeefster, terwijl dat een risicofactor is voor herhaling.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de vordering onder parketnummer 08.266989.23 tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 weken toe te wijzen.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank indien de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38w en 55 Sr.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2, de eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\npoging tot doodslag;\n\nen\n\nmishandeling;\n\nfeit 3, het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van40 (veertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en\n\nzolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen twee werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] ;\n\n- zich diagnostisch laat onderzoeken en aansluitend laat behandelen door Transfore of\n\neen soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing. Indien er vanuit de middelencontroles blijkt dat er sprake is van problematisch middelengebruik, dan kan de aanpak daarvan eveneens onderdeel uitmaken van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer]\n\n , geboren op [geboortedatum 2] 2000, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;\n\n- zich niet bevindt aan de [adres 4] en op het deel van de [adres 5] dat is gelegen tussen de [adres 4] , te [plaats] . Dit verbod geldt zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en\u002Fof aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.\n\n- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren\n\nbeheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregel\n\n- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;\n\n- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jarenop geen enkele wijze – direct of\n\nindirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2000);\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 (twee) wekenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt deze maatregel dadelijk uitvoerbaar;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08.266989.23\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter te Almelo van 13 september 2024 voorwaardelijk opgelegdegevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. T.C. Kuil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Kuil is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid OostNederland van 9 april 2026 met nummer 2025566569. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\n Pagina 16.\n\n Pagina 17.\n\n Pagina 18.\n\n Pagina 94.\n\n Pagina 128.\n\n Pagina 129.\n\n Pagina 66.\n\n Pagina 67.\n\n Pagina 81.\n\n Pagina 5-6 van de letselrapportage.\n\n Pagina 16 van de letselrapportage.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3812","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:21.372Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"750","ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","ecli-nl-rbove-2026-3723","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummers: 08.105279.26 (P) en 13.057968.24 (TUL)\n\nDatum vonnis: 30 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],\n\nwonende aan de [woonplaats],\n\nnu verblijvende in de PI [locatie].\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Rengelink, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en of vervoerd;\n\nfeit 2:opzettelijk 4.165 gram hasj en 175,39 kilogram hennep aanwezig heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\nfeit 1\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en\u002Fof vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 2\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Deventer, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4.165 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en\u002Fof ongeveer 175,39 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en\u002Fof hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervoeren en aanwezig hebben van de hasj en hennep.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen voor de onderdelen verkopen, afleveren en verstrekken als ten laste gelegd onder feit 1 omdat bewijs ontbreekt dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak van zowel feit 1 als 2 bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte wetenschap dan wel opzet heeft gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de hennep en hasj.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de hierna te bespreken partiële vrijspraak, op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, behoudens het hierna te bespreken verweer aangaande de wetenschap van verdachte, - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nhet proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 8 april 2026, pagina 5 en 7;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 9 april 2025, pagina 9.\n\nPartiële vrijspraak verkopen, afleveren en verstrekken\n\nOp basis van het dossier acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de hasj en hennep heeft verkocht, afgeleverd en\u002Fof verstrekt, zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nWetenschap\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de dozen die achterin de bus zaten gevuld waren met softdrugs. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk en ongeloofwaardig en zal deze terzijde schuiven. Zij overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft, naast hetgeen hierboven is weergeven, verklaard dat toen hem werd gevraagd om te rijden, hij wel wist dat het om iets kon gaan wat niet mocht. Hij heeft hier vervolgens geen vragen over gesteld. Dat verdachte wel op de hoogte was van de illegale inhoud van de dozen leidt de rechtbank ook af uit zijn gedrag vlak voor de staandehouding. Verdachte volgde in eerste instantie het volgteken dat hij van de verbalisanten kreeg maar stuurde halverwege de uitvoegstrook zijn bestelbus weer terug de snelweg op. Door dit gedrag lijkt het er sterk op dat verdachte zich probeerde te onttrekken aan de controle van de verbalisanten. Van belang acht de rechtbank verder dat verdachte een relatief hoge vergoeding, te weten € 500, zou ontvangen voor deze rit. Tot slot acht de rechtbank het niet aannemelijk dat iemand ruim 175 kilogram hennep en 4 kilogram hasj, wat een zeer hoge straatwaarde vertegenwoordigt, in een bestelauto zou laden zonder dat de chauffeur van die lading op de hoogte is. Dit zou voor de eigenaar een te groot risico op het verliezen van de drugs opleveren. Een dergelijk risico zal men in het criminele circuit niet snel nemen.\n\nGelet op het voorgaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van softdrugs in zijn bestelauto. De verdachte heeft aldus opzet gehad op het voorhanden hebben en vervoeren van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid softdrugs.\n\nEendaadse samenloop\n\nFeit 1 en feit 2 zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de rechtbank de feiten als één enkele daad zal beschouwen en daarom als eendaadse samenloop zal beoordelen.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nfeit 1\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk heeft vervoerd, een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram, hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;\n\nfeit 2\n\nhij op 8 april 2026 te Deventer opzettelijk aanwezig heeft gehad 4.165 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en 175,39 kilogram hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan een aanzienlijk deel voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. De raadsman heeft daarnaast verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel te schorsen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en vervoeren van ongeveer 180 kilogram softdrugs. Dit is een uitzonderlijk grote hoeveelheid die een hoge financiële waarde vertegenwoordigd. Het kan dan ook niet anders dan dat deze drugs bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De handel in verdovende middelen gaat gepaard met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Het handelen van verdachte heeft bijgedragen aan de instandhouding hiervan. Daar komt bij dat hasj en hennep stoffen betreffen die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van personen. Verdachte heeft zich niet bekommerd om deze risico’s en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor drugsfeiten. Wel is verdachte meermaals veroordeeld voor vermogens- en geweldsfeiten. Tijdens het plegen van onderhavige feiten liep verdachte in een proeftijd.\n\nDe rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 29 mei 2026, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat verdachte vanaf jonge leeftijd in aanraking komt met justitie. De reclassering signaleert problematiek op alle leefgebieden. Voorafgaand aan zijn detentie leidde verdachte een zwerversbestaan, ervoer hij depressieve klachten en was er sprake van overmatig alcoholgebruik. Volgens verdachte heeft hij ten tijde van onderhavige feiten de consequenties van zijn handelen niet ingezien en was er wegens gebrek aan werk en inkomen sprake van een financieel motief. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Zij adviseren een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen aan verdachte en dat hij daarnaast meewerkt aan de volgende bijzondere voorwaarden:\n\n- meldplicht;\n\n- ambulante behandeling;\n\n- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\n- aflossing schulden; en\n\n- beheersing middelengebruik.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank houdt bij de bepaling van de straf rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ten aanzien van het aanwezig hebben van dergelijke hoeveelheden softdrugs. Als uitgangspunt hiervoor geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat sprake is van eendaadse samenloop. Met de officier van justitie ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met bijzondere voorwaarden. De rechtbank hoopt dat het voorwaardelijke strafdeel verdachte ervan weerhoudt opnieuw de fout in te gaan. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden, zoals die hieronder zijn geformuleerd en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Sv nog niet aan de orde is en zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Ook ziet de rechtbank geen persoonlijke belangen van verdachte die op dit moment tot schorsing van de voorlopige hechtenis moeten leiden. De rechtbank wijst ook dit verzoek af.\n\n6.4. De in beslag genomen voorwerpen\n\nDe officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon kan worden teruggegeven aan verdachte nu er geen indicaties zijn gevonden dat deze telefoon is gebruikt bij de strafbare feiten.\n\nDe raadsman heeft verzocht dat de telefoon wordt teruggeven aan verdachte.\n\nDe rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aangezien deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging 13.057968.24\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de bij vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 60 uren, ten uitvoer wordt gelegd.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht en subsidiair de rechtbank verzocht om terughoudendheid te betrachten en haar beslissing zo vorm te geven dat deze aansluit bij het reclasseringstraject.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht .\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van,\n\nfeit 1\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod; en\n\nfeit 2\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van12 (twaalf) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 2 (twee) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte werkt mee aan diagnostiek en daaruit voortvloeiende behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;\n\n- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;\n\n- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002F speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nde in beslag genomen voorwerpen\n\n- gelast de teruggavevan de telefoon, te weten een Apple Iphone met goednummer 3674982, aan verdachte;\n\ntenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2025 voorwaardelijk opgelegdetaakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren;\n\nde voorlopige hechtenis\n\n- wijst het verzoek tot opheffing af;\n\n- wijst het verzoek tot schorsing af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.H. Peper, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. M. ter Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. A. van Holten is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2026170007. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3723","2026-07-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.410Z",1,20]