[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zwolle-immigration-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},57,"Zwolle","nl","zwolle",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2025-07-30T00:00:00.000Z","2026-06-29T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1511","ECLI:NL:RBDHA:2026:17723","ecli-nl-rbdha-2026-17723","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.33873\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. H. Postma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. K. Diender).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en e van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtmatigheid van het opleggen van de maatregel is niet in geschil, maar het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig, omdat op enig moment na oplegging duidelijk werd dat eiser geen asielaanvraag meer wilde indienen. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. De voor de beoordeling van de overige beroepsgronden belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Daarnaast heeft de minister deze maatregel opgelegd omdat eiser (1o) in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2o) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3o) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.\n\n4.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\n6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel ten tijde van de oplegging daarvan onrechtmatig was.\n\nIs de maatregel van vreemdelingenbewaring na oplegging onrechtmatig geworden?\n\n7. De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat de maatregel na oplegging daarvan onrechtmatig is geworden, omdat op 18 juni 2026 duidelijk werd dat eiser geen asielaanvraag wilde doen en de grondslag had moeten worden omgezet naar artikel 59, eerste lid, van de Vw. Dit heeft de minister niet tijdig gedaan en daarom is de maatregel vanaf 18 juni 2026 onrechtmatig. De minister heeft daarom terecht schadevergoeding aangeboden vanaf 18 juni 2026. De rechtbank acht gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor vijf dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = €600,-\n\nIs er aanleiding voor proceskostenvergoeding?\n\n8. Eiser voert aan dat er bij de brief van de minister van 24 juni 2026 naast schadevergoeding ook proceskostenvergoeding had moeten worden aangeboden. Eiser heeft zijn gemachtigde genoemd als voorkeursadvocaat en die heeft maandag 22 juni 2026 contact opgenomen met de DTenV om de grondslag van de maatregel omgezet te krijgen. Aangezien je ter zitting nog gronden mag aanvoeren is het onjuist dat alleen proceskostenvergoeding wordt aangeboden als een advocaat schriftelijk gronden indient. Het is niet mogelijk om zelf beroep in te stellen, dus dat het met een kennisgeving aanhangig is gemaakt, is onvermijdelijk. Bovendien werden vroeger bij de 28-dagen kennisgevingen ook proceskosten vergoed.\n\n8.1.. De minister stelt dat een automatische kennisgeving geen beroep is waarvoor de gemachtigde handelingen heeft moeten verrichten. De minister verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2024.In dit geval is vóór de zitting al schadevergoeding aangeboden, waardoor een zitting met werkzaamheden niet nodig was geweest.\n\n8.2.. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van dit punt, omdat de minister te kennen heeft gegeven dit standpunt in alle zaken die voorafgaand aan de zitting worden opgeheven te zullen hanteren. De rechtbank is van oordeel dat eiser in dit geval om twee redenen recht heeft op een proceskostenvergoeding:\n\n8.2.1.. De eerste reden is dat de zitting plaatsvond op 25 juni 2026 en de minister pas bij brief van 24 juni 2026 om 14:25 uur te kennen heeft gegeven schadevergoeding te willen aanbieden. Voorstelbaar is dat de gemachtigde op dat tijdstip, net als de rechtbank, de zitting al had voorbereid en dus werkzaamheden had verricht. Bovendien ontbrak nog de M113 ter bevestiging dat de maatregel daadwerkelijk is opgeheven; dat is pas ter zitting bevestigd en pas op 26 juni 2026 geüpload in het dossier.\n\n8.2.2.. De tweede reden is dat, zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen, de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.Iemand heeft recht op een proceskostenvergoeding als het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.Daarbij is niet bepalend of er al gronden van beroep zijn ingediend. In dit geval is de maatregel niet opgeheven vanwege bijvoorbeeld een reeds geplande uitzetting, maar rechtstreeks vanwege een fout die aan het licht is gekomen na het aanhangig worden van de zaak bij de rechtbank. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser terecht beroep heeft ingesteld (door middel van een kennisgeving) en er daarom recht is op een proceskostenvergoeding.\n\n8.2.3.. Omdat de bevestiging van de opheffing pas is ontvangen na de zitting, heeft eiser ook recht op proceskostenvergoeding voor de zitting.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf 18 juni 2026 onrechtmatig.\n\n10. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,00, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\nBijlage: wettelijk kader\n\nArtikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nArtikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste van de twee gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nArtikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als de vreemdeling:\n\nin vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;\n\nreeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en\n\nop redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.\n\nBij de beoordeling of sprake is van een dergelijke aanvraag worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:\n\nof de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan;\n\nde termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;\n\n de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;\n\nof de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;\n\nde gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Vw;\n\nde onderbouwing van de aanvraag.\n\nArtikel 59c van de Vw. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Zie het arrest C, B en X van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777, r.o. 12.1.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Dit volgt uit artikel 5.7, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17723","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:24.760Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1478","ECLI:NL:RBDHA:2025:14212","ecli-nl-rbdha-2025-14212","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.32908 (maatregel van bewaring)\n\n NL25.33558 (terugkeerbesluit en inreisverbod)\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\ngemachtigde: mr. Y. Özdemir,\n\nen\n\nde Minister van Asiel en Migratie,\n\ngemachtigde: drs. B. Wezeman.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 18 juli 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe minister heeft op 25 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.\n\nOver bestreden besluit 1\n\n2. Eiser heeft geen gronden gericht tegen het terugkeerbesluit zonder vertrektermijn. De rechtbank stelt derhalve vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000.\n\n3. Eiser stelt dat het besluit met betrekking tot het inreisverbod onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Er wordt een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, maar waarom voor de periode van twee jaar wordt gekozen is niet duidelijk. Vooral nu eiser aangeeft sinds een week in Nederland te zijn. Dit zou dan aanleiding moeten zijn voor een inreisverbod van maximaal een jaar. Het staat immers niet onomstotelijk vast dat sprake is van een overstay van 90 dagen. Het besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.\n\n4. Ingevolge artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.\n\n5. Ingevolge artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste twee jaren.\n\n6. In paragraaf A4\u002F2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is opgenomen dat de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een inreisverbod uitvaardigt voor zover mogelijk voor de maximale duur zoals die in artikel 6.5a van het Vb 2000 is genoemd. De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verkort de duur van het inreisverbod, of laat een inreisverbod achterwege, als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de minister terecht aan eiser een terugkeerbesluit heeft opgelegd op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000. De minister was alleen daarom al gehouden om op grond van artikel 66a van de Vw 2000 een inreisverbod uit te vaardigen.\n\n8. Uit het aangehaalde beleid van de minister blijkt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de duur van het inreisverbod twee jaar bedraagt. Eiser heeft tijdens het gehoor van 18 juli 2025 de gelegenheid gehad om omstandigheden aan te voeren waarom de duur van het inreisverbod zou moeten worden verkort. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten van de minister voldoende om duidelijk te maken waarom er voor hem geen aanleiding is van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nOver bestreden besluit 2\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat situaties waarin vrijheidsbeneming, waaronder bewaring, is toegestaan restrictief moeten worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat.Dit heeft tot gevolg dat de motivering van de maatregel van bewaring altijd zal moeten zijn toegespitst op de situatie van de vreemdeling. Dit betekent dus ook dat de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond – per definitie – niet kan volstaan om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen, omdat daarmee het risico wordt gelopen dat een vreemdeling op basis van algemene overwegingen, die niet op de betrokkene zijn toegespitst, in bewaring wordt gesteld, hetgeen afbreuk zou doen aan restrictieve uitleg die moet worden gegeven aan de situaties waarin de vreemdeling kan worden vastgezet.\n\n10. De rechtbank realiseert zich dat het toetsingskader onder overweging 9 afwijkt van het toetsingskader van de Afdeling zoals dat uiteen is gezet in zijn uitspraak van 25 maart 2020en is bevestigd in zijn uitspraak van 25 juli 2025.De rechtbank, althans deze enkelvoudige kamer, kan zich echter, ook gelet op de motivering van de Afdeling in diens laatstgenoemde uitspraak, niet in deze lijn van de Afdeling vinden. Zij licht dit als volgt toe.\n\n11. De gronden voor bewaring, zoals die zijn opgenomen in artikel 5.1b Vb, voldoen weliswaar aan de algemene en abstracte regels die in het nationaal recht moeten zijn vastgesteld,maar daarmee is nog niet voldaan aan de motiveringsplicht waaraan een op basis van die regels opgelegde vrijheidsbenemende maatregel moet voldoen. Kort gezegd is deze rechtbank van oordeel dat weliswaar de wettelijke grondslag voldoet aan het Unierecht, maar dat dit onverlet laat dat iedere vrijheidsbenemende maatregel in de motivering specifiek moet zijn toegespitst op de vreemdeling. Steun voor deze benadering vindt de rechtbank in de conclusie van Advocaat-Generaal Rantos van 5 september 2024, die immers overweegt dat situaties waarin vrijheidsbeneming is toegestaan restrictief worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat, zoals dat is neergelegd in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de EU.De Afdeling leunt in diens voornoemde uitspraken zwaar op aanbeveling (EU) 2017\u002F432. Die aanbeveling is evenwel genomen op grond van artikel 292 VWEU en is daarmee niet juridisch bindend, dit volgt uit artikel 288 VWEU. Weliswaar moet met die aanbeveling rekening worden gehouden bij de uitleg van het Unierecht,maar daaraan wordt reeds voldaan doordat de uitgangspunten van die aanbeveling in de algemene en abstracte regels voor de inbewaringstelling (in artikel 5.1b Vb), zijn neergelegd en de rechter dus ook steeds zal moeten toetsen of die feitelijke gronden zich voordoen. Daarbij komt dat in de aanbeveling weliswaar het Handvest wordt aangehaald, maar daarover in overweging 28 van de considerans is overwogen:\n\nDeze aanbeveling is in overeenstemming met de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Deze aanbeveling waarborgtin het bijzonder de volledige eerbiediging van de menselijke waardigheid en de toepassing van de artikelen 1, 4, 14, 18, 19, 24 en 47 van het Handvest en dient dienovereenkomstig te worden uitgevoerd\n\nArtikel 6 van het Handvest wordt niet expliciet genoemd, terwijl juist die bepaling het uitgangspunt zou moeten zijn van een toets ten aanzien van de rechtmatigheid van een vrijheidsbenemende maatregel.\n\nUitgaande van een restrictieve uitleg van situaties waarin vrijheidsbeneming is toegestaan komt het de rechtbank niet overtuigend voor dat een bewaring zou kunnen worden gebaseerd op de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond, in het bijzonder omdat meerdere van de zware gronden waarvoor dit volgens Afdeling voldoende is van zodanig algemene aard zijn, dat vrijwel iedere vreemdeling die zijn vertrektermijn heeft overschreden, althans het merendeel, hieraan zal voldoen (bijvoorbeeld de gronden genoemd onder artikel 5.1b lid 3 onder a en b Vb, voor wat betreft de grond onder b met name omdat vrijwel steeds wordt gewezen op de meldplicht bij de korpschef, die voortvloeit uit artikel 4.39 Vb, maar waarvan bezwaarlijk kan worden aangenomen dat iedere vreemdeling van die verplichting op de hoogte is).\n\nVoorts komt het uitgangspunt van de aanbeveling, dat bij het voldoen aan de gronden er een rechtsvermoeden ontstaat, ook niet tegemoet aan de restrictieve uitleg van situaties waarin een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld, juist omdat het zwaartepunt van de motivering voor de vrijheidsbeneming zou moeten liggen bij de autoriteit die de vrijheidsbeneming gelast. In zoverre kan – ook rekening houdend met die aanbeveling – van dat uitgangspunt in de aanbeveling worden afgeweken. Het rekening houden met een aanbeveling, betekent immers niet dat die aanbeveling steeds volledig moet worden gevolgd, dan zou immers het aanbevelingskarakter eraan komen te ontvallen. Daarentegen moet artikel 6 van het Handvest bij de motivering van een maatregel en de rechterlijke beoordeling daarvan juist wel in acht worden genomen.\n\n12. Om voornoemde redenen wijkt de rechtbank in het navolgende aldus opnieuw af van de benadering van de Afdeling.\n\n13. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n14. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.\n\nDe minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n15. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist, met uitzondering van de zware grond 3d. De rechtbank is van oordeel dat de gronden weliswaar feitelijk juist zijn, maar dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in eisers geval het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, terwijl dit risico voor de minister wel de aanleiding is geweest voor het opleggen van de maatregel van bewaring. De minister heeft hiertoe in de maatregel onder andere redengevend geacht dat eiser geen identificerend document heeft en dat hij zich niet meteen gemeld heeft bij de korpschef. Naar het oordeel van de rechtbank is het onttrekkingsrisico hiermee niet voldoende vast komen te staan. Voorop staat dat eiser het grondrecht op vrijheid en veiligheid heeft, zoals dat is neergelegd in onder meer artikel 6 van het Handvest van de grondenrechten van de EU. Die bepaling vereist dat situaties waarin vrijheidsbeneming kan plaatsvinden, restrictief worden uitgelegd.Uit de verklaringen van eiser blijkt onvoldoende dat eiser niet zou meewerken. Eiser heeft verklaard dat hij graag een paar weken de tijd wil om wat plaatsen in Nederland te bezoeken en daarna zelfstandig zal vertrekken. Hieruit kan dus een vrijwillige bereidheid om Nederland te verlaten worden afgeleid. Het komt de rechtbank op voorhand dan ook niet onaannemelijk voor dat als de minister eiser op zijn verplichting direct het land te verlaten had gewezen, eiser zijn verplichting om direct te vertrekken zou hebben begrepen en hieraan ook zijn medewerking zou hebben verleend. Bij twijfel hierover had het op de weg van de minister gelegen om eiser nader te bevragen, om zo een meer afgewogen inschatting op het onderduikrisico te maken. Door zulks na te laten heeft de minister onzorgvuldig gehandeld, en is het onderduikrisico onvoldoende gemotiveerd. Tegen de achtergrond van de eerder genoemde restrictieve uitleg van situaties waarbinnen bewaring is toegestaan is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd dat in eisers specifieke geval sprake is van een onttrekkingsrisico. Het beroep is daarom gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd hoeft geen nadere bespreking.\n\nOver de beroepen\n\n16. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ongegrond. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.\n\n17. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 800,-.\n\n18. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;\n\n- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings - Rassa, rechter, in aanwezigheid van\n\nH.B. Slot - Akkerman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\nConclusie van Advocaat-Generaal A Rantos bij het HvJ EU van 5 september 2024, ECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:829.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3442\n\n HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:868, r.o. 43.\n\nECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40\n\n HvJ EG 13 december 1989, ECLI:EU:C:1989:646, r.o. 18.\n\n Artikel 51 van het Handvest van de Grondrechten van de EU.\n\n Vgl. Conclusie van Advocaat-Generaal A Rantos bij het HvJ EU van 5 september 2024, ECLI:ECLI:EU:C:2024:703, overweging 40.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14212","2025-07-31T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:22.960Z",1,20]