[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-amsterdam":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},56,"Amsterdam","nl","first_instance","criminal",[11,24,32,40,48,55,62,70,78,85,93,100,107,114,121,128,135,143,150,157],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"634","ECLI:NL:RBAMS:2026:6949","","2026-07-08T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F078137-26 Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13\u002F254175-25 en 16\u002F258789-25\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [de verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1975,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nop dit moment gedetineerd te: [detentieadres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.T. Laigsingh, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige [naam deskundige] , reclasseringswerker, ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 15 maart 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer porseleinen artikelen (met een totale waarde van 7.737,85 euro), in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander te weten aan [winkel\u002Fbenadeelde partij] (gelegen aan het [adres] ) toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n3. Waardering van het bewijs3.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\n3.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. De exacte hoogte van de geleden schade kan namelijk niet worden bewezenverklaard, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.\n\n3.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte het volgende vast.\n\nAangeefster [aangeefster] was op 15 maart 2026 aan het werk in het filiaal van [winkel\u002Fbenadeelde partij] op het [adres] te Amsterdam, toen zij een hoop kabaal uit de winkel hoorde komen. Ze zag op dat moment een man door de winkel lopen die met zijn armen om zich heen sloeg en daarmee verschillende producten kapot maakte. Samen met een collega en een omstander heeft ze de man in bedwang weten te krijgen, waarop de man door de politie is aangehouden.\n\nOp camerabeelden van de winkel is te zien dat een man, die door de verbalisant wordt herkend als verdachte [de verdachte] , de winkel binnenloopt en direct een stellage met goederen omver duwt. Ook wordt gezien dat de man een grote vaas omver duwt en meerdere goederen van een tafel in het midden van de winkel op de grond stuk gooit. Zelfs op het moment dat de man in een worsteling is met een toegesnelde medewerker van de winkel, probeert hij nog gericht verschillende goederen op de grond te gooien.\n\nVerdachte heeft op de zitting van 24 juni 2026 bekend dat hij de man is geweest die de porseleinen goederen in de winkel heeft vernield. Hij heeft verklaard dit opzettelijk te hebben gedaan, vanwege ‘criminele redenen’. Over wat deze redenen precies zijn, heeft verdachte niet verder willen verklaren.\n\nDe rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de op 15 maart 2026 gepleegde vernieling in het filiaal van [winkel\u002Fbenadeelde partij] te Amsterdam. Daarbij zal de rechtbank het geleden schadebedrag vaststellen op een bedrag van € 2.992,89, nu uit de uitdraai met schadebedragen, die bij de aangifte is verstrekt, volgt dat dit bedrag de inkoopwaarde is van de vernielde goederen.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in de bijlageopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat\n\nverdachte:\n\nop 15 maart 2026 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk porseleinen artikelen (met een totale waarde van 2.992,89 euro), die aan [winkel\u002Fbenadeelde partij] (gelegen aan het [adres] ) toebehoorden, heeft vernield.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders7.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\n7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft verzocht om de ISD-maatregel niet op te leggen en te volstaan met de oplegging van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht te bepalen dat, indien de ISD-maatregel wordt opgelegd, er na een jaar een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel plaatsvindt.\n\n7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vernielen van een grote hoeveelheid porseleinen goederen in een porseleinwinkel. Vrijwel direct na binnenkomst in de winkel heeft verdachte zoveel mogelijk goederen kapot geslagen en op de grond gegooid. Door deze zinloze vernielingen heeft hij een ongelooflijke ravage aangericht in de winkel en daarmee overlast en schade veroorzaakt. Verdachte heeft zich daarmee zowel letterlijk als figuurlijk gedragen als ‘een olifant in een porseleinkast’; door middel van zijn onbehouwen gedrag heeft hij flinke schade aangericht en laten zien dat hij zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn gedrag voor de eigendommen en de werknemers van de porseleinwinkel, die een flinke klus hebben gehad aan het opruimen van de door verdachte veroorzaakte schade.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nIn het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 19 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nOok heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 28 mei 2026, waaruit volgt dat de reclassering het recidiverisico als hoog inschat. Er is sprake van een delictpatroon ten aanzien van vernielingen, waarbij het voor de reclassering onduidelijk is gebleven welke risico's of eventuele gedragskenmerken ten grondslag liggen aan het delictgedrag. De reclassering ziet geen mogelijkheden om reclasseringsinterventies binnen een voorwaardelijk kader in te zetten. Verdachte heeft een niet meewerkende houding en de reclassering heeft geen zicht kunnen krijgen op eventuele risicofactoren of beschermende factoren, waardoor er geen plan van aanpak kan worden opgesteld. Om die reden ziet de reclassering ook geen mogelijkheden voor het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel en wordt geadviseerd om bij een bewezenverklaring over te gaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Binnen het langdurige en strikte karakter van de maatregel kan er tijdens de intramurale fase mogelijk meer zicht verkregen worden op verdachte en kan hij gemotiveerd worden om zich open te stellen en inzicht te geven over zijn persoonlijke omstandigheden.\n\nDe deskundige, mevrouw [naam deskundige] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nDe rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is\n\nvoldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor\n\nvoorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan\n\nhet door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk\n\nveroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde\n\nfeit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.\n\nUit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening\n\nmee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit het\n\nstrafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor strafvordering bij\n\nmeerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve\n\nveelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag\n\nworden voor ten minste tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf\n\nmaanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis bewezen verklaarde\n\nfeit.\n\nVerder is de rechtbank van oordeel dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de\n\nISD-maatregel bestaat. Eerder opgelegde straffen hebben niet geleid tot het terugdringen van het recidivegevaar. Zoals in het reclasseringsrapport is omschreven, blijkt een voorwaardelijk kader met reclasseringstoezicht, gelet op de niet meewerkende houding van verdachte, niet mogelijk. Ook op de zitting van 24 juni 2026 heeft verdachte geen inzicht willen geven in zijn beweegredenen. Hij heeft enkel verklaard het feit opzettelijk te hebben gepleegd om ‘criminele redenen’, maar heeft niet willen toelichten welke redenen dit zijn. Bij het niet opleggen van de (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel bestaat aldus het risico dat verdachte zich vanwege deze zelfbenoemde ‘criminele redenen’ opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van vernielingen. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De veiligheid van goederen eist daarom de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.\n\nDe rechtbank zal de vordering van de officier van justitie volgen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. Om optimaal te kunnen werken aan het terugdringen van recidive en de problematiek van verdachte en de maatschappij te beschermen, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, zal om die reden niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om te bevelen dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel na een jaar tussentijds dient te worden getoetst, als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht. Er zijn – mede gelet op de houding van verdachte – op dit moment geen aanknopingspunten voor de verwachting dat het recidivegevaar duidelijk eerder dan de op te leggen twee jaren voldoende zal zijn ingedamd. Mochten deze omstandigheden er in een later stadium wel zijn, dan kan door de verdediging alsnog om een tussentijdse toetsing worden verzocht.\n\n8. De vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [winkel\u002Fbenadeelde partij] vordert een bedrag van € 3.458,- aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit vernielde handelsgoederen (ter waarde van € 3.108,-) en een vernielde winkeldisplay (ter waarde van € 350,-).\n\n8.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n8.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaring in de vordering tot schadevergoeding, nu niet ten aanzien van alle goederen is onderbouwd dat deze ook daadwerkelijk zijn beschadigd. Daarnaast zijn de gevorderde bedragen aan inkoopwaarde van de vernielde goederen volgens de raadsman onvoldoende onderbouwd.\n\n8.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit het procesdossier duidelijk blijkt dat [winkel\u002Fbenadeelde partij] schade heeft geleden als gevolg van het handelen van verdachte. Op de afbeeldingen van de winkel, die bij het procesdossier zijn gevoegd, is immers te zien dat er diverse porseleinen goederen in stukken op de grond liggen. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat de opgegeven vernielde goederen ook daadwerkelijk zijn vernield.\n\nIn de uitdraai met schadebedragen, die bij de aangifte is verstrekt, staat dat de totale schade vlak na de vernieling op een bedrag van € 2.992,89 aan inkoopwaarde werd geschat. Uit de bijlage bij de vordering tot schadevergoeding volgt dat het totale schadebedrag door [winkel\u002Fbenadeelde partij] uiteindelijk op een bedrag van € 3.457,89 is vastgesteld. Nu het verschil tussen deze twee bedragen niet nader is toegelicht, zal de rechtbank uitgaan van het aanvankelijk opgegeven schadebedrag van € 2.992,89. De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding daarom ten aanzien van dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 2026 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij wordt voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.\n\n9. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen9.1.. \n\nDe vorderingen tenuitvoerlegging met parketnummers 13\u002F254175-25 en 16\u002F258789-25\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13\u002F254175-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 1 oktober 2025 van de politierechter van deze rechtbank. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een\n\ngevangenisstraf voor de duur van zeven dagen met aftrek, waarvan vier dagen voorwaardelijk en een proeftijd voor de duur van twee jaren.\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 16\u002F258789-25 betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 3 oktober 2025 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen dagen met aftrek, waarvan zeven dagen voorwaardelijk en een proeftijd voor de duur van twee jaren.\n\n9.2.. \n\nDe standpunten van de officier van justitie en de raadsman\n\nDe officier van justitie heeft verzocht om de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, gelet op de gevorderde ISD-maatregel.\n\nDe raadsman van verdachte heeft eveneens verzocht om de vorderingen tenuitvoerlegging af te wijzen, in het geval dat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de proeftijd van de vorderingen tot tenuitvoerlegging te verlengen, in het geval dat er geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel zou worden opgelegd.\n\n9.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel\n\nafwijzen, omdat aan verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. Hierdoor is de\n\ntenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel naar het oordeel van de rechtbank niet opportuun.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nLegt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van2 (twee) jaren.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [winkel\u002Fbenadeelde partij]\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.992,89 (tweeduizend negenhonderdtweeënnegentig euro en negenentachtig cent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 maart 2026, het moment van het ontstaan van de schade, tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [winkel\u002Fbenadeelde partij] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijkin haar vordering is.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [winkel\u002Fbenadeelde partij] aan de Staat een bedrag van € 2.992,89 (tweeduizend negenhonderdtweeënnegentig euro en negenentachtig cent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 15 maart 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 29 (negentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDe vorderingen tot tenuitvoerlegging\n\nWijstde vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met de parketnummers\n\n13\u002F254175-25 en 16\u002F258789-25 af.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. R.A. Overbosch, voorzitter,\n\nmrs. A.L. op ’t Hoog en C. Işıtman, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.M. Bos, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.\n\n [--]","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6949","ecli-nl-rbams-2026-6949",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht; Materieel strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"568","ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeam Strafrecht\n\nParketnummers: 13\u002F297922-25 (zaak A) en 13\u002F262825-25 (zaak B)\n\nParketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en\n\n15\u002F208785-24\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres\n\n [adres 1],\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres],\n\nhierna: verdachte.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. T.H.L. Kneepkens en mr. R.L.M. Meulman, naar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn advocaat, mr. R.G. van der Laan, naar voren is gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – na een wijziging in zaak A op de zitting van 20 februari 2026 – kort weergegeven - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\ndiefstal van gouden kettingen van [benadeelde partij] met geweld en bedreiging met geweld in vereniging met een discriminatoir oogmerk op 14 oktober 2025 in Amsterdam\n\nzaak B\n\ndiefstal van geld en sieraden uit een woning door middel van braak op 30 juli 2025 in Amsterdam\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe tenlastelegging is opgenomen in bijlage Ibij dit vonnis.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het openbaar ministerie\n\nDe officier van justitie vindt bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. Daarvoor heeft zij partieel vrijspraak gevorderd. Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat het tenlastegelegde in zaak A bovendien is gevolgd door gedragingen die haat en discriminatie tot uitdrukking brachten.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte in zaak A partieel moet worden vrijgesproken van het tonen van een vuurwapen. Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat verdachte in zaak A moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde discriminatie als strafverzwarende omstandigheid, nu verdachte ontkent dat hij ‘kanker koelie” heeft gezegd. Niet is gebleken dat hij zich heeft laten leiden door de afkomst, huidskleur, nationaliteit, godsdienst of enig ander persoonskenmerk van aangever. Voor zaak B heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\nPartiële vrijspraak (Zaak A)\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde in zaak A en zaak B is bewezen, met uitzondering van het tonen van een vuurwapen in zaak A. De verklaring van aangever vindt op dit punt geen steun in enig ander bewijsmiddel. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging bevat het dossier onvoldoende bewijs, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nDiscriminatie (zaak A)\n\nArtikel 44bis Wetboek van strafrecht (Sr) bepaalt dat indien een strafbaar feit wordt gepleegd met een discriminatoir oogmerk (de a-variant) dan wel dat deze wordt voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door discriminerende uitlatingen of gedragingen (de b-variant), er sprake is van een strafverzwarende omstandigheid.\n\nDe rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde onderdeel ‘dat het feit wordt begaan met een discriminatoir oogmerk’, nu de uitlatingen van verdachte, hoe verwerpelijk ook, in deze situatie niet zijn geëigend om te spreken van een discriminatoir oogmerk zoals bedoeld in art. 44bis. De rechtbank zal verdachte wel veroordelen voor de zogenaamde ‘b-variant’ en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nVerdachte heeft beseft dat hij – door ‘kanker koelie’ te zeggen – noodzakelijkerwijs haat tegen en discriminatie van een groep mensen – te weten Hindoestanen – tot uitdrukking heeft gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het woord ‘koelie’ – in dit geval kracht bijgezet door daar ‘kanker’ aan toe te voegen – een beledigende en denigrerende term is die voor Hindoestanen zeer kwetsend is. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij weet wat het woord ‘koelie’ betekent en wat de strekking daarvan is. De rechtbank acht dan ook bewezen dat door het gebruik van deze term sprake is van een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht. Dat uit het dossier niet volgt dat verdachte de straatroof heeft gepleegd met het oogmerk om te discrimineren, maakt immers gelet op de b-variant van artikel 44b Sr voor de strafverzwarende werking niet uit.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage IIvervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn opgenomen, bewezen dat:\n\nzaak A\n\nhij op 14 oktober 2025 te Amsterdam, omstreeks 02:00, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, gouden kettingen, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- één of meerdere malen aan de kettingen van die [benadeelde partij], terwijl voornoemde goederen zich om de nek van [benadeelde partij] bevonden, te trekken en\n\n- die [benadeelde partij] te vegen en\u002Fof op de grond te gooien en\n\n- die [benadeelde partij] te slaan tegen het lichaam\n\nterwijl dit strafbare feit werd gevolgd door een gedraging die haat tegen en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras, tot uitdrukking bracht;\n\nzaak B\n\nhij op 30 juli 2025 te Amsterdam, in een woning, te weten de [adres 2], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, sieraden en contant geld, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straf en maatregelen\n\n7.1. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft verzocht daarbij als bijzondere voorwaarden op te leggen een contactverbod met de medeverdachte en aangever in zaak A.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de eis en aan te sluiten bij de straf die aan de medeverdachte is opgelegd (140 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 120 uren).\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.\n\nErnst van de feiten\n\nIn zaak A heeft verdachte zich ‘s nachts in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan het medeplegen van een straatroof. Hij is daarbij zeer berekenend te werk gegaan. Verdachte had het slachtoffer even daarvoor in een restaurant gezien, en nadat zijn vriend contact met het slachtoffer maakte, gezien dat hij twee gouden kettingen droeg. Deze wilde verdachte kennelijk kostte wat kost hebben. Hij heeft hulp ingeschakeld, is het slachtoffer gaan volgen en heeft vervolgens samen met de medeverdachte met geweld de kettingen van de nek van het slachtoffer getrokken waarbij verdachte het slachtoffer heeft gediscrimineerd. Verdachte heeft verklaard dat het niet goed met hem ging, dat hij lachgas gebruikte en geld nodig had, en de volgende dag heeft hij ten minste één van de kettingen verkocht aan een juwelier, die het goud heeft omgesmolten. De kettingen, die voor het slachtoffer van grote emotionele waarde zijn, zijn daarmee voor altijd weg. Verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat de straatroof diepe indruk op het slachtoffer heeft gemaakt en dat hij nog altijd de vervelende gevolgen daarvan ondervindt. Daarnaast leiden dit soort straatroven in het algemeen tot onrust en angst in de maatschappij.\n\nIn zaak B heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan een woninginbraak, waarbij de deur en het slot zijn beschadigd en contant geld en een grote hoeveelheid sieraden is buitgemaakt. Door zijn handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de eigendom en persoonlijke leefomgeving van anderen. Een woningbraak kan nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning als bij de buurtbewoners. Verdachte heeft geen enkele rekening gehouden met deze gevolgen en ook bij het plegen van dit feit alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 13 januari 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Hierdoor is sprake van recidive. Bovendien liep verdachte tijdens het plegen van de onderhavige feiten in drie proeftijden en hingen hem forse voorwaardelijke gevangenisstraffen boven het hoofd van 4 maanden, 6 weken en 159 dagen. Het is zeer zorgelijk dat zelfs drie voorwaardelijke straffen verdachte er niet van hebben kunnen weerhouden gewelds- en vermogensdelicten te plegen.\n\nVerder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten waaronder de rapporten van 26 mei 2026 en 3 februari 2026. Hierin wordt onder meer gerapporteerd dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Verdachte kent een uitgebreid reclasseringsverleden en staat sinds mei 2023 onder toezicht van de reclassering. Vanuit de reclassering is hij sterk ingebed in hulpverlening. Er is bewindvoering opgestart en hij heeft een zelfstandige woning bij [zorginstelling] gekregen. Vanuit de gemeente wordt hij begeleid om bestendige dagbesteding te vinden. Na de recidive in 2024 heeft hij een behandeling bij Inforsa succesvol afgerond. Kortom, op vrijwel alle leefgebieden is (forensische) hulpverlening betrokken geweest. Desondanks heeft dit hem er niet van weerhouden opnieuw te recidiveren en lijkt het zich wenden tot delictgedrag een keus. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om met interventies en toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert dan ook oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden, opheffing van de voorwaardelijke kaders en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen.\n\nTot slot stelt de reclassering dat de bekennende houding ten aanzien van de feiten de criminogene houding van verdachte niet verandert. Hij lijkt zichzelf onverminderd als slachtoffer van de situatie te zien en zegt dat zijn daadwerkelijke persoonlijkheid afwijkt van de persoon die uit zijn strafblad en daden naar voren komt. Hiermee toont hij wat betreft de reclassering weinig daderbewustzijn. [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, is ter zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard niet tot een ander advies leidt.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die strafrechters in Nederland hanteren en die voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden als vertrekpunt vermelden. Voor woninginbraak geldt bij veelvuldige recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden als vertrekpunt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd en de persoon van verdachte uitsluitend strafverzwarende omstandigheden zijn gelegen. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank bovendien geen aanleiding om een gedeelte van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Om die reden zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan is geëist en aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee jaar.\n\n8. Beslag\n\nOnder verdachte zijn vier flessen lachgas en een telefoon in beslaggenomen.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de flessen lachgas moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat de telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven.\n\nDe flessen lachgas die aan verdachte toebehoren dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf in zaak A en verdachte heeft verklaard dat hij dit strafbare feit heeft gepleegd omdat hij geld nodig had voor lachgas, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de telefoon aan verdachte moet worden teruggegeven.\n\n9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel in zaak A\n\nDe benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een vergoeding van materiële schade van primair € 29.535,99 (vervangingswaarde van de twee gouden kettingen), subsidiair € 14.366,- (intrinsieke goudwaarde) en meer subsidiair € 5.433,- (beleenwaarde). Aan vergoeding van immateriële schade vordert hij een bedrag van € 7.500,-.\n\n9.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair gevorderde bedrag aan materiële en immateriële schade geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n9.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft voor de materiële schade bepleit dat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Voor de immateriële schade heeft de verdediging, onder verwijzing naar jurisprudentie en het vonnis van de medeverdachte, bepleit dat het bedrag moet worden gematigd tot € 2.500,-.\n\n9.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.\n\nMateriële schade\n\nHet primair gevorderde bedrag aan vergoeding van materiële schade betreft de vervangingswaarde van de twee gouden kettingen. De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat de totale kosten voor het opnieuw vervaardigen van de twee kettingen € 29.535,99 bedraagt. Deze begroting is gebaseerd op 22 karaat goud, een totaalgewicht van 136,4 gram, de actuele consumentenprijs van goud, een maakloon van 16,67 % en commerciële opslagen inclusief lokale BTW. De rechtbank is van oordeel dat de vervangingswaarde door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist en daarmee vaststaat.\n\nDe rechtbank is voorts van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat verdachte twee met de hand gemaakte gouden koningskettingen heeft weggenomen, die de benadeelde partij van zijn moeder heeft geërfd en dus van grote emotionele waarde zijn. Van ten minste één ketting is bekend dat een juwelier het goud heeft omgesmolten. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het redelijk en billijk is om de geleden en te vergoeden materiële schade te begroten aan de hand van de vervangingswaarde. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag van € 29.535,99 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en hierdoor in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) heeft opgelopen, waarvoor de behandeling minimaal een jaar zal duren. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, deel B Geestelijk letsel, 14.2 PTSS, onder d. Zij stelt de vergoeding naar billijkheid vast op € 5.000,-, zodat dit bedrag – vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025– zal worden toegewezen. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.\n\nHoofdelijkheid\n\nVerdachte wordt hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade omdat verdachte het feit samen met anderen\u002Feen ander heeft gepleegd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nIn het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.\n\n10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen\n\nDe officier van justitie vordert tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen die zijn opgelegd in de zaken met parketnummers 13\u002F038698-23, 13\u002F221373-24 en 15\u002F208785-24. De vorderingen zijn op 15 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F038698-23 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 april 2023 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij vonnis van de politierechter Noord-Holland van 9 juli 2024 is de proeftijd met één jaar verlengd. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 oktober 2024 zijn van de opgelegde 6 maanden 60 dagen tenuitvoer gelegd, zodat thans 4 maanden resteren.\n\nDe zaak met parketnummer 13\u002F221373-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 oktober 2024 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 159 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe zaak met parketnummer 15\u002F208785-24 betreft het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 juli 2024 van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nIn voornoemde vonnissen is bepaald dat het deel van de straf dat voorwaardelijk is opgelegd niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wist dat hij in deze zaken tot de betreffende voorwaardelijke straffen is veroordeeld.\n\nGebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen te bevelen.\n\n11. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 44bis, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n12. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nzaak A\n\ndiefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl deze diefstal gevolgd werd door een gedraging die haat en discriminatie van een groep mensen wegens hun ras tot uitdrukking bracht.\n\nzaak B\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan 2 (twee) jaar.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nVerklaart onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK Verdovende Middelen (goednummer G6732982).\n\nGelast de teruggave aan [verdachte] van:\n\n1 STK Telefoontoestel (goednummer G6732971)\n\nWijst de vorderingvan de benadeelde partij [benadeelde partij]gedeeltelijk toetot een bedrag van € 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVoormeld bedrag bestaat voor € 29.535,99 (negenentwintigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent) uit materiële schade en voor € 5.000,- (vijfduizend euro) uit immateriële schade.\n\nVeroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij], aan de Staat€ 34.535,99 (vierendertigduizend vijfhonderd vijfendertig euro en negenennegentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 173 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte en\u002Fof een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van het restant van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 5 april 2023 (parketnummer 13\u002F038698-23) namelijk 4 (vier) maanden gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 oktober 2024 (parketnummer 13\u002F221373-24) namelijk 159 (honderdnegenenvijftig) dagen gevangenisstraf.\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 juli 2024 (parketnummer 15\u002F208785-24) , namelijk 6 (zes) weken gevangenisstraf.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M.C. Danel, voorzitter,\n\nmrs. E.G. Fels en G. Oldekamp rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Madiol, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.\n\n […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6929","ecli-nl-rbams-2026-6929",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"649","ECLI:NL:GHAMS:2026:1864","2026-07-07T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-001277-24\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers\n\n15-322543-21 en 15-025439-23 en 15-186945-22 en 15-259320-22 en 15-316555-23 tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1984,\n\ngedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,\n\n1. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Samengevat weergegeven heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] herhaaldelijk onjuist zijn vastgelegd in processen-verbaal. Er is volgens de verdediging sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij met grove veronachtzaming het recht van de verdachte op een eerlijk proces is aangetast. Daarbij zijn er volgens de verdediging aanknopingspunten dat er sprake is van doelbewust handelen.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte in de zaaksdossiers Ararat en Willich, omdat juist in deze zaken de door de verdediging geconstateerde discrepanties tussen de audio-fragmenten van de verhoren van februari en april 2026 en de processen-verbaal waarin die verhoren zijn gerelateerd het meest aanwezig zijn terwijl die discrepanties op essentiële onderdelen van zijn verklaring zien.\n\nMeer subsidiair heeft de verdediging verzocht om uitsluiting van alle verklaringen van [medeverdachte 1] afgelegd vanaf februari 2026, omdat de wijze waarop deze verklaringen zijn vastgelegd en verwerkt een aanzienlijke schending van het recht op een eerlijk proces opleveren als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaten-generaal (hierna: de advocaat-generaal) hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een vormverzuim en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.\n\nOordeel van het hof\n\nWettelijk kader\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het hof, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:\n\nde hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;\n\nde resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit;\n\nhet Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.\n\nDaarbij moet het hof rekening houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.\n\nIs in deze zaak sprake van een (onherstelbaar) vormverzuim?\n\nDe verdediging stelt dat de processen-verbaal van beide verhoren in 2026 een beeld schetsen waarbij het lijkt alsof medeverdachte [medeverdachte 1] uit zichzelf verklaart, terwijl uit de audiobestanden blijkt dat in werkelijkheid de antwoorden hem door de verbalisanten worden aangereikt. Ook stelt de verdediging dat de politie evident ontlastende verklaringen niet heeft opgenomen in de processen-verbaal, en er ook overigens op meerdere punten sprake is van verkeerde verslaglegging.\n\nHet hof stelt vast dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] zoals die is opgenomen in de processen-verbaal, niet woordelijk overeenkomt met de verklaring zoals die blijkt uit de uitgeluisterde audiobestanden. Op onderdelen is de verklaring van [medeverdachte 1] samengevat of verkort weergegeven. Dit is echter niet in strijd met enige rechtsregel, en dit levert op zichzelf dus ook geen (onherstelbaar) vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Uit de door de verdediging genoemde voorbeelden blijkt niet dat de verklaring van [medeverdachte 1] door de samenvatting of verkorte weergave inhoudelijk niet juist is weergegeven. Evenmin is gebleken dat de verbalisanten hem antwoorden hebben aangereikt of in de mond gelegd, dat zij verklaringen die evident ontlastend zijn voor de verdachte niet hebben opgenomen, of dat de verklaring van [medeverdachte 1] op enig andere wijze onjuist en in strijd met de strekking van zijn verklaring is vastgelegd in de processen verbaal. Dit betekent dat er geen sprake is van een vormverzuim.\n\nTen overvloede overweegt het hof dat zelfs als er wel sprake zou zijn van een vormverzuim, er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, zoals de wet vereist. De audioverhoren van [medeverdachte 1] zijn immers ter beschikking van de verdediging gesteld, de verdediging heeft deze uitgeluisterd en audiofragmenten geselecteerd die op zitting zijn beluisterd en vergeleken met de opgemaakte processen-verbaal van die verhoren. Ook is [medeverdachte 1] als getuige op zitting gehoord over de verklaring die hij heeft afgelegd tegenover de politie. Zo er al sprake zou zijn van een vormverzuim, dan is dat hiermee hersteld. De verdediging is daarmee immers in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren over de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgevonden en zijn vastgelegd en de gevolgen daarvan voor het proces van waarheidsvinding.\n\nUit het voorgaande volgt dat het verweer van de verdediging wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is in alle zaaksdossiers ontvankelijk in de vervolging.\n\n2. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van de onder feiten 1, 2, 4, 5, 7, 8 en 10 tweede cumulatief\u002Falternatief aan hem tenlastegelegde afpersing. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen deze vrijspraken. Hoger beroep door een verdachte tegen een vrijspraak is echter niet mogelijk. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak.\n\n3. Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 en 29 mei 2026 en 1, 2, 4, 8 en 29 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden en de advocaten van de benadeelde partijen, de slachtoffers en de nabestaanden naar voren hebben gebracht.\n\n4. Tenlasteleggingen\n\nGelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen en voor zover in hoger beroep nog aan de orde is (samengevat) aan de verdachte tenlastegelegd:\n\nFeit 1 (Mainz) – 15\u002F316555-23\n\nmedeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in De Goorn op 8 augustus 2020;\n\nFeit 2 (Millet) – 15\u002F025439-23\n\nmedeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in Dreumel op 30 december 2020;\n\nFeit 3 (Zwenkau) – 15\u002F259320-22\n\nmedeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 5] in Avenhorn op 7 januari 2021;\n\nFeit 4 (Zwenkau) – 15\u002F259320-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Avenhorn op 7 januari 2021;\n\nFeit 5 (Zulpich) – 15\u002F025439-23medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] in Heerhugowaard op 4 juni 2021;\n\nFeit 6 (Ararat) – 15\u002F322543-21medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 10] in Berkhout op 14 juni 2021;\n\nFeit 7 (Ararat) – 15\u002F322543-21medeplegen van poging tot diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 10] , met de dood ten gevolge, in Berkhout op 14 juni 2021;\n\nFeit 8 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 11] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 9 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van poging tot gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 12] in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 10 (Willich) – 15\u002F186945-22medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld op [slachtoffer 12] , met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021;\n\nFeit 11 (criminele organisatie) – 15\u002F025439-23deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (overvallen) in de periode van 8 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021.\n\nDe volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit arrest en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\n5. Vonnis van de rechtbank\n\nHet vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd. Het hof is het grotendeels eens met de rechtbank, maar kiest voor een vernietiging van het vonnis ter bevordering van de leesbaarheid van het arrest. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen, maar wel aanvullen en nuanceren aan de hand van de nieuwe verklaringen die door de verdachten in hoger beroep zijn afgelegd en de overige nieuwe stukken die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Voor de leesbaarheid worden hierna de verdachte en de medeverdachten ook met hun achternamen genoemd, te weten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] .\n\n6. Beoordeling van het bewijs\n\n6.1.1. Beoordeling betrouwbaarheid getuigenverklaringen en verklaringen medeverdachten\n\nIn deze zaak bestaat het bewijsmateriaal voor een deel uit getuigenverklaringen. Het Openbaar Ministerie baseert mede daarop het standpunt dat de verdachte verschillende feiten heeft gepleegd waarvan hij wordt beschuldigd, terwijl de verdediging vrijspraak bepleit. Het is aan het hof om de betrouwbaarheid van die verklaringen te onderzoeken en zich daarover een oordeel te vormen.\n\nFactoren met mogelijke invloed op betrouwbaarheid\n\nOp de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en de mate waarin de rechter zijn oordeel daarop kan gronden, kunnen vele factoren van invloed zijn. Factoren die betrekking hebben op de kwaliteit van de waarnemingen, of op de kwaliteit van de verklaringen daarover. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:\n\nde mate waarin de getuige onbelemmerd zicht heeft gehad op de gebeurtenissen: weersomstandigheden, lichtgesteldheid, obstakels, afstand of bijvoorbeeld het afgeleid zijn van de getuige tijdens de waarnemingen;\n\nde complexiteit en de snelheid waarmee die gebeurtenissen hebben plaatsgevonden;\n\nde aandacht waarmee de getuige zijn waarnemingen heeft gedaan, waarbij een grote impact of onbeduidendheid van de gebeurtenissen een rol kan spelen en de moeite die de getuige heeft gedaan om zijn waarnemingen te onthouden;\n\nde mate waarin het nodig is om, voor een goed begrip van die gebeurtenissen, de context daarvan te kennen en de mate waarin die kennis bij de getuige aanwezig is;\n\nobjectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, zoals fysieke belemmeringen van permanente of tijdelijke aard; slechthorend- of, slechtziendheid, een geestelijke stoornis of beperking en bijvoorbeeld drank- of drugsgebruik kunnen van invloed zijn;\n\nsubjectieve factoren die te maken hebben met de persoon van de getuige, die een juiste waarneming en verklaring daarover kunnen bevorderen, zoals een beroepsmatige opleiding, ervaring of expertise;\n\nsubjectieve factoren die een juiste waarneming en verklaring daarover in de weg kunnen staan, zoals een bewuste of onbewuste vooringenomenheid tegenover bepaalde personen of bevolkingsgroepen, eigen belangen van de getuige of belangen van anderen om een bepaalde verklaring af te leggen, dan wel de emotionele toestand waarin de getuige zich bevond tijdens de waarneming of het afleggen van zijn verklaring;\n\nde mate waarin de getuige onder druk staat om een bepaalde verklaring af te leggen;\n\ntijdsverloop tussen het moment waarop de waarnemingen zijn gedaan en het moment waarop de getuige daarover voor het eerst een verklaring aflegt en of en in welke mate de herinnering van de getuige is vervaagd of is beïnvloed door informatie waarvan de getuige in de tussenliggende periode kennis heeft genomen.\n\nBij getuigenverklaringen waarin de getuige vertelt over wat hij van een ander heeft gehoord, kan deze waaier aan factoren ook van toepassing zijn op die ander, de bron van deze verklaring.\n\nOok de wijze waarop de getuige is verhoord kan op de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring van invloed zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:\n\nde mate waarin voor het getuigenverhoor bepaalde kwalificaties bij de verhoorder vereist en aanwezig zijn (bijv. een specifieke opleiding) en of de verhoorder dat tijdens het verhoor laat zien, zowel wat betreft eventueel vereiste (specialistische) voorkennis als wat betreft de wijze van uitvoering van het verhoor;\n\nof in het verhoor open of gesloten vragen, dan wel sturende vragen zijn gesteld en of er informatie aan de getuige is gegeven;\n\nof blijkt van enige vorm van vooringenomenheid bij degenen die het verhoor hebben afgenomen;\n\nals het een kwetsbare getuige betreft, of er passende maatregelen zijn getroffen;\n\nof de getuige is beëdigd of niet.\n\nTaak rechter\n\nHet is de taak van de rechter om de verklaringen van getuigen te wegen en te waarderen in verband met de inhoud van het overige bewijsmateriaal en, als de rechter zover komt, te selecteren welke gedeelten van verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs.\n\nBij de uitoefening van die taak komt het altijd aan op de bijzonderheden van het geval. Wel is er meer in het algemeen een aantal aanknopingspunten voor de selectie en waardering van getuigenverklaringen.\n\nAanknopingspunten zijn bijvoorbeeld of:\n\nsprake is van de hiervoor beschreven factoren die van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring;\n\nde verklaring coherent is of tegenstrijdigheden bevat;\n\nde getuige consistent is in zijn verklaringen of op verschillende momenten verschillend verklaart;\n\nhet bij dergelijke tegenstrijdigheden of inconsistenties gaat om details of om hoofdlijnen;\n\nen of er voor zulke tegenstrijdigheden of inconsistenties een begrijpelijke verklaring is. Een rol kan daarbij ook spelen of de verklaringen van de getuige globaal en kort of gedetailleerd en uitgebreid zijn en of deze bepaalde kenmerkende details bevat;\n\nde getuige pas na het afleggen van eerdere verklaringen is gekomen met bepaalde feiten en omstandigheden en of de getuige daarvoor een aannemelijke uitleg geeft;\n\nde getuige, in situaties waarin dat voor de hand lijkt te liggen, in staat blijkt meer gedetailleerd te verklaren over de gebeurtenissen en over de context waarin deze plaatsvonden;\n\nde verklaring op zichzelf aannemelijk kan zijn of al op het eerste gezicht verzonnen lijkt;\n\nde verklaring aansluit bij andere bewijsmiddelen en daarin steun vindt, en zo niet, of dat verklaarbaar is, en als dat verklaarbaar is, wat de aard en het gewicht is van die andere bewijsmiddelen in samenhang met de verklaring van de getuige. Onderzoeksresultaten die beschikbaar zijn gekomen na het afleggen van een verklaring, kunnen veel steun bieden aan die verklaring, zeker als het gaat om objectieve feiten waarop de getuige geen invloed kan hebben gehad.\n\nAndere aanknopingspunten bij de waardering van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen kunnen zijn of:\n\nde getuige zich toetsbaar opstelt, bijvoorbeeld door de weg te wijzen naar nadere informatie of andere personen (van wie ook voldoende gegevens worden verstrekt) aan de hand waarvan een verklaring getoetst kan worden;\n\nwat de getuige opgeeft als zijn redenen om naar de autoriteiten te stappen en een verklaring af te leggen en of die redenen aannemelijk zijn;\n\nde getuige een oprechte en betrouwbare indruk wekt bij het afleggen van zijn verklaring, bijvoorbeeld wanneer deze met kritische vragen wordt geconfronteerd, onderdelen van zijn verklaring in twijfel worden getrokken of hij met nieuwe gegevens wordt geconfronteerd die zich slecht met zijn verklaring lijken te verdragen.\n\nDe waardering van getuigenverklaringen aan de hand van de aanknopingspunten die daarvoor in het concrete geval bestaan, kan ertoe leiden dat de rechter een bepaalde getuige in het geheel niet geloofwaardig vindt. Ook kan het resultaat van deze waardering zijn dat voor bepaalde delen van wat een getuige heeft verklaard voldoende steun bestaat, zodat de rechter af kan gaan op de juistheid van die delen en deze gebruikt voor zijn beslissing. De rechter hoeft niet altijd verslag te doen van dit proces van bewijswaardering, maar kan volstaan met een weergave van de uitkomst ervan, of dat nu een vrijspraak of een veroordeling is. Dat ligt anders als door de verdediging of het Openbaar Ministerie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring en de rechter dat standpunt niet volgt. Dan zal de rechter gemotiveerd op dat standpunt moeten reageren. Daarnaast kent de wet een aantal motiveringsvoorschriften in verband met specifieke soorten getuigenbewijs, zoals anonieme getuigen en kroongetuigen.\n\n6.1.2. Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 1]\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 5 februari 2026 op eigen verzoek een uitvoerige verklaring afgelegd bij de politie. Op 14 april 2026 is hij door de politie naar aanleiding van die verklaring nader ondervraagd. Ter zitting in hoger beroep is [medeverdachte 1] in de strafzaken tegen de medeverdachten over de verklaringen als getuige gehoord.\n\nHet standpunt van de verdediging van [verdachte] ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 1] van 5 februari 2026 en 14 april 2026 zoals bij pleidooi naar voren gebracht, wordt door het hof afzonderlijk besproken in paragraaf 6.1.3.\n\nNiet valt te ontkennen dat [medeverdachte 1] een belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen. Hij heeft belastend over zichzelf en over anderen verklaard ten aanzien van zaaksdossiers waar hij bij betrokken is geweest. Ook heeft bij belastend verklaard over anderen ten aanzien van zaaksdossiers waar hij niet bij betrokken is geweest of waarover hij heeft gesteld niet bij betrokken te zijn geweest.\n\nHet hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [medeverdachte 1] in de verschillende zaaksdossiers waar hij bij betrokken is geweest terughoudend heeft verklaard over zijn eigen rol. Die terughoudendheid heeft met name betrekking op het toegepaste geweld of bijvoorbeeld over de vraag of het door hem gehanteerde wapen een nepwapen zou zijn geweest. Daarmee ontstaat tevens het gevaar dat hij over de rol van anderen wellicht minder gunstig heeft verklaard. Het hof zal dan ook bij de selectie en waardering van het bewijs in alle zaaksdossiers rekening houden met dat gevaar. Dit betekent dat het hof voor bezwarende onderdelen van zijn verklaringen ten aanzien van anderen, steeds zal beoordelen of deze onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nHet hof zal de verklaring van [medeverdachte 1] niet gebruiken voor zover deze ziet op zijn betrokkenheid bij de feitelijke uitvoering van de overval in het zaaksdossier Ararat. [medeverdachte 1] stelt dat hij daarbij niet betrokken was, maar dit deel van zijn verklaring vindt geen steun in andere onderdelen van het dossier, terwijl meerdere bewijsmiddelen juist wel op zijn betrokkenheid wijzen: de voorbereidingen die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben getroffen, ook volgens hun eigen verklaringen, hun aanwezigheid in de loods kort voor de overval, het uitzetten van de telefoons kort voor en tijdens de overval, hun aanwezigheid in de loods na de overval en communicatie met anderen in de dagen nadien. Gelet hierop zal het hof deze verklaring ook niet gebruiken voor het bewijs in de zaak Ararat van de medeverdachten.\n\n6.1.3. Verweren en verzoeken verdediging met betrekking tot getuigenverklaringen\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van getuige\n [getuige 1]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft verzocht de verklaringen van [getuige 1] uit te sluiten van het bewijs. [getuige 1] twijfelt constant en wordt op bepaalde punten in haar verklaring gestuurd door de verhoorders. De verdediging concludeert dat de wijze waarop de verklaringen van [getuige 1] worden gebruikt als bewijs, duidt op sturing en op twijfel. De verklaringen van [getuige 1] zijn inhoudelijk twijfelachtig en van herkenning (van [verdachte] ) is geen sprake.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie stelt vast dat het verweer strekkende tot uitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] van het bewijs ook in eerste aanleg is gevoerd. Gewezen wordt op de overweging van de rechtbank: “Hoewel [getuige 1] over verschillende onderwerpen niet altijd eenduidig of consistent heeft verklaard, maakt dit niet dat haar verklaring in het geheel niet betrouwbaar zou zijn. De rechtbank acht de verklaring van [getuige 1] – voor zover deze voor het bewijs wordt gebruikt – betrouwbaar, omdat deze voldoende gedetailleerde en concreet is en op essentiële onderdelen steun vindt in ander bewijsmateriaal.” Het Openbaar Ministerie concludeert dat de verklaringen van [getuige 1] bruikbaar zijn voor het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\nMet juistheid kan worden vastgesteld dat [getuige 1] wisselend heeft verklaard over onderdelen van verschillende zaaksdossiers. Ook kan worden vastgesteld dat de verhoorders [getuige 1] sterk afwisselend hebben ondervraagd over de verschillende zaaksdossiers en daarmee springen door de tijd. De verhoorders hebben [getuige 1] met name gevraagd wat in het huis van [medeverdachte 2] heeft plaatsgevonden rond de data waarop de overvallen hebben plaatsgevonden. [getuige 1] heeft verklaard vanaf begin 2020 een relatie met [medeverdachte 2] te hebben gehad en vanaf juli\u002Faugustus 2020 tot aan de aanhouding van [medeverdachte 2] met hem in het huis van [medeverdachte 2] in Noord-Scharwoude te hebben gewoond. (ZD06, p. 854) [getuige 1] heeft ook verklaard dat er altijd mensen over de vloer kwamen, de hele dag door eigenlijk. (ZD06, p. 872) Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het voor [getuige 1] niet eenvoudig moet zijn geweest de dagen rond de data waarop de overvallen hebben plaatsgevonden voor de geest te halen. Wel kan [getuige 1] zich bepaalde bijzonderheden herinneren.\n\nZo kan de getuige zich een ‘bijtincident’ herinneren. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] in zijn vinger zou zijn gebeten en dat zijn vinger en zijn nagel kapot waren. De verhoorders laten [getuige 1] dan zoeken op haar telefoon naar foto’s van de twee middelvingers (ZD06, p. 924) en geven als data op: 7 en 8 augustus 2020. Vervolgens worden deze data door de verhoorders gewijzigd naar 7 januari waarbij het jaartal 2020 wordt genoemd. Pas verder in het verhoor wordt het jaartal 2021 door de verhoorders genoemd. Deze wijze van ondervragen leidt bij [getuige 1] op enig moment tot de uitspraak: “Ja, maar jullie hebben het nu over een andere dag.” (ZD06, p. 934) “He? ik ben helemaal in de war door jullie…Ik raak echt in de war.” (ZD06, p. 934) Inhoudelijk blijft zij echter bij haar verklaring en heeft zij ook bij de rechter-commissaris wezenlijke onderdelen van haar verklaringen herhaald.\n\nDit alles maakt dat het hof onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] kan en zal gebruiken voor het bewijs indien en voor zover deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van medeverdachte\n [medeverdachte 1]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft mede aan de hand van ter zitting in hoger beroep beluisterde audiofragmenten gewezen op verschillen tussen de daadwerkelijke verklaringen en de inhoud van het proces-verbaal van verhoor van 5 februari 2026 en 14 april 2026. Ook heeft zij gewezen op het weglaten van evident ontlastende verklaringen. Zij verzoekt om uitsluiting van alle verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd vanaf februari 2026.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nVoor het Openbaar Ministerie is er geen enkele reden voor uitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] van het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\n [medeverdachte 1] heeft op 5 februari 2026 en 14 april 2026 bekennende verklaringen afgelegd. Hij heeft daarbij verklaard over zijn eigen rol in verschillende zaaksdossiers en ook over de rol van anderen zowel in zaken waar hij bij betrokken is geweest als in zaken waarin dat niet het geval is geweest. De door de verdediging benoemde verschillen tussen de audio-bestanden van de verhoren van [medeverdachte 1] en de daarvan opgemaakte processen-verbaal zijn niet van dien aard dat er sprake is van een weergave die inhoudelijk onjuist is Evenmin is gebleken dat verklaringen die evident ontlastend zijn voor de verdachte niet zijn opgenomen. Nu het hof van oordeel is dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet onjuist en niet in strijd met de strekking van zijn verklaring in de processen-verbaal zijn vastgelegd, is er geen reden de verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Wel maken de geconstateerde verschillen het noodzakelijk dat op de door de verdediging benoemde punten de verklaringen van [medeverdachte 1] met enige voorzichtigheid worden gehanteerd en zijn deze enkel bruikbaar indien en voor zover deze worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Het verzoek om integrale bewijsuitsluiting van opgenoemde verklaringen van [medeverdachte 1] wordt afgewezen.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de getuige\n [medeverdachte 10]\n\nDe verdediging heeft de getuige [medeverdachte 10] – hoewel het verzoek om hem te kunnen horen als getuige door het hof in het onderzoek Mainz eerder is toegewezen – niet in hoger beroep kunnen horen. Er is geen effectieve en behoorlijke compensatie geboden voor het niet kunnen horen van [medeverdachte 10] . De verklaring van [medeverdachte 10] is ‘decisive’. Daarbij heeft te gelden dat hoe belangrijker de verklaring van de belastend verklarende persoon is, hoe meer ‘counterbalancing factors’ nodig zijn, wil het geheel worden aangemerkt als een eerlijk proces. Nu deze compensatie niet is geboden, dient de verklaring van [medeverdachte 10] te worden uitgesloten van het bewijs.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie heeft in de regiefase het standpunt ingenomen dat het verzoek tot het horen van [medeverdachte 10] kan worden toegewezen. Uiteindelijk is het onmogelijk gebleken [medeverdachte 10] te horen, maar gelet op overige bewijsmiddelen is de verklaring echter niet ‘decisive’ zodat het niet horen niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces.\n\nOordeel van het hofHet hof stelt allereerst vast dat [medeverdachte 10] op 9 oktober 2023 in het bijzijn van onder andere de verdediging van [verdachte] is gehoord door de rechter-commissaris.\n\nOp de zitting van 17 januari 2025 is de strafzaak tegen onder andere [verdachte] verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde [medeverdachte 10] andermaal als getuige te horen.\n\nOp 20 november 2025 heeft de raadsheer-commissaris in het proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat [medeverdachte 10] , verblijvende in België, kenbaar heeft gemaakt na overleg met zijn advocaat niet mee te willen werken aan een nader verhoor. De raadsheer-commissaris heeft desgevraagd van de Belgische politie vernomen dat het Belgische recht, daar waar het gaat om onwillige getuigen die dienen te worden gehoord in het kader van een buitenlands onderzoek, niet voorziet in dwangmiddelen. De raadsheer-commissaris heeft dan ook geconcludeerd dat het onaannemelijk is dat [medeverdachte 10] binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord.\n\nHet hof is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 10] niet op zichzelf staat en daarmee niet ‘decisive’ is. In zaaksdossier Mainz is sprake van verschillende bewijsmiddelen tegen de verschillende verdachten die van die overval worden beschuldigd. Dit maakt dat de verklaring van [medeverdachte 10] voor het bewijs gebruikt kan worden nu deze in samenhang met andere bewijsmiddelen kan worden gewaardeerd en de bewezenverklaring dus niet in beslissende mate op de verklaring van [medeverdachte 10] wordt gebaseerd.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de getuige\n [medeverdachte 11]\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft verzocht de verklaringen van [medeverdachte 11] niet te gebruiken voor het bewijs om reden dat deze onbetrouwbaar zijn dan wel hierin terughoudend te zijn.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nHet Openbaar Ministerie heeft bij repliek geen standpunt ingenomen ten aanzien van het standpunt van de verdediging van [verdachte] inzake de getuige [medeverdachte 11] .\n\nOordeel van hof\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 11] na zijn aanhouding op 19 juli 2022 aanvankelijk ontkennend heeft verklaard over zijn rol in zaaksdossier Mainz dan wel zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Bij gelegenheid van de eerste verhoren in juli 2022 is [medeverdachte 11] geconfronteerd met verschillende onderzoeksbevindingen zoals de stappenteller met als gegeven dat hij in de nacht van 7-8 augustus 2021 in De Goorn 2,3 kilometer heeft gelopen. (PD 07, p. 50) Ook is hij geconfronteerd met het gegeven dat hij samen met [medeverdachte 3] [getuige 4] is gaan ophalen en ze naar de woning van [medeverdachte 2] zijn gegaan en [medeverdachte 11] haar ook weer heeft weggebracht. (PD07, 44, 46, 49) Verder is hij geconfronteerd met de verkregen informatie uit een opgenomen en uitgeluisterd telefoongesprek van [getuige 4] met [getuige 5] waarin erover gesproken wordt dat [medeverdachte 11] tegen [getuige 4] heeft verteld dat hij de vrouw die bij de woningoverval in De Goorn naar buiten kwam lopen had tegengehouden. (PD07, 53) Tot slot kan nog genoemd worden dat [medeverdachte 11] geconfronteerd is met de onderzoeksbevinding dat zijn DNA is aangetroffen op een breekijzer dat is aangetroffen in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] en dat de daders bij de woningoverval in De Goorn breekijzers bij zich hadden. (PD07, 68)\n\n [medeverdachte 11] heeft uiteindelijk op eigen initiatief op 20 oktober 2022 een bekennende verklaring afgelegd over zijn rol in zaaksdossier Mainz alsmede belastend verklaard over de rol van medeverdachten in dat zaaksdossier.\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 11] in zijn verklaring op 20 oktober 2022 bekennend heeft verklaard maar dat hij daarbij zijn eigen rol op cruciale punten heeft geminimaliseerd. Dit ziet met name op het gegeven dat hij bekend is met de slachtoffers en op zijn rol bij de vrouw die het huis uit is gevlucht ten tijde van de overval en is tegengehouden en teruggeleid naar de woning. Zo heeft hij schoorvoetend verklaard dat de slachtoffers kennissen zijn van de ouders van [getuige 5] (PD07, p. 124) (het Hof begrijpt [getuige 5] , de ex-vriendin van [medeverdachte 11] en moeder van zijn zoon [kind] ). Over de vrouw die bij de overval het huis uit was gevlucht heeft [medeverdachte 11] vanaf 20 oktober 2022 steeds verklaard, ook bij de rechter-commissaris op 20 november 2023, dat zij door [medeverdachte 10] is achterhaald en is teruggeleid naar de woning.\n\nHet hof beantwoordt de vraag of en zo ja welke bewijsrechtelijke betekenis toekomt aan de verklaringen van [medeverdachte 11] op dezelfde wijze als de rechtbank. [medeverdachte 11] heeft zo veel mogelijk weg willen blijven van twee belangrijke aspecten in de verdenking van zijn rol in zaakdossier Mainz: de tipgever en de dader die de wegvluchtende vrouw tegenhoudt en terugleidt naar de woning. Dit maakt echter niet dat de verklaring van [medeverdachte 11] over andere aspecten in dit zaaksdossier niet betrouwbaar zouden zijn. Evenals de rechtbank betekent dit voor het hof wel dat de verklaringen van [medeverdachte 11] die zien op de betrokkenheid van de medeverdachten met de nodige voorzichtigheid moeten worden gewaardeerd. [medeverdachte 11] heeft telkens gelijkluidend verklaard ten aanzien van de strafrechtelijke betrokkenheid van zijn mededaders bij de woningoverval. Daarover heeft hij gedetailleerd, concreet en consistent verklaard: over wie betrokken waren bij de overval, wat de onderlinge rolverdeling was, waar zij zich voorafgaand aan de overval hebben verzameld, waar zij na de overval naartoe zijn gegaan en wie er tijdens de overval zou hebben geschoten.\n\nDit leidt ertoe dat de verklaringen van [medeverdachte 11] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt voor zover de verklaringen op de betreffende aspecten steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nVoorwaardelijke verzoeken\n\nDe verdediging van [verdachte] heeft een drietal voorwaardelijke verzoeken gedaan. Indien en voor zover het hof voornemens is de verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] voor het bewijs te gebruiken dan verzoekt de verdediging [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] te mogen horen als getuige en van de verhoren van [getuige 1] de audiobestanden te mogen beluisteren.\n\nHet hof stelt vast dat het Openbaar Ministerie geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van deze verzoeken.\n\nHet hof overweegt als volgt:\n\nHet hof gebruikt zoals hierna zal blijken onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] voor het bewijs. De voorwaarde waaronder de verzoeken zijn gedaan is dan ook vervuld. Het hof wijst het verzoek om de audiobestanden te mogen beluisteren van het verhoor van [getuige 1] en de verzoeken om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 10] als getuige te mogen horen af en overweegt daartoe het navolgende.\n\nAudioverhoren [getuige 1]\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] erop duiden dat de politie haar in haar verklaring heeft gestuurd en heeft daarnaast gewezen op twijfel die bestaat voor wat betreft de inhoud van haar verklaring. Om die reden verzoekt de verdediging in staat te worden gesteld de audiobestanden te beluisteren zodat de totstandkoming van de verklaring kan worden gecontroleerd.\n\nZoals eerder door het hof overwogen ten aanzien van het verzoek tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [getuige 1] , kunnen onderdelen van haar verklaringen voor het bewijs worden gebruikt, indien en voor zover de betreffende verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verdediging heeft geen aanknopingspunten benoemd voor de door haar gestelde sturing en twijfel die zou blijken uit de processen-verbaal van de verhoren van [getuige 1] . Gelet hierop is het hof van oordeel dat de noodzaak voor het beluisteren van de audiobestanden niet is gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.\n\nVerhoor getuige [medeverdachte 1]\n\nHet hof stelt vast dat [medeverdachte 1] ter zitting in hoger beroep als getuige is gehoord onder meer in de strafzaak tegen [verdachte] . [medeverdachte 1] is door het hof uitvoerig ondervraagd over zijn verklaringen, waaronder ook over de belastende onderdelen voor de verdachte. De verdediging stelt terecht dat [medeverdachte 1] op verschillende vragen van de verdediging zich heeft beroepen op zijn verschoningsrecht. Het zal de verdediging niet zijn ontgaan dat vragen van de verdediging van medeverdachten aan [medeverdachte 1] , gesteld door het hof, wel werden beantwoord door [medeverdachte 1] . De verdediging van [verdachte] is expliciet aangeboden haar vragen aan [medeverdachte 1] te doen stellen door het hof. De verdediging van [verdachte] heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. Het verzoek om [medeverdachte 1] andermaal te horen als getuige wordt afgewezen.\n\nVerhoor getuige [medeverdachte 10]\n\nGelet op het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 20 november 2025 wordt het verzoek van de verdediging van [verdachte] om [medeverdachte 10] als getuige te horen, afgewezen omdat – zoals ook op de zitting van 28 mei 2026 door het hof is beslist – het onaannemelijk is dat [medeverdachte 10] binnen aanvaardbare termijn als getuige kan worden gehoord. Bij pleidooi is geen nadere onderbouwing gegeven die maakt dat die beslissing nu anders zou moeten luiden.\n\nDaarnaast overweegt het hof dat het feit dat de verdediging niet in staat is om de getuige [medeverdachte 10] andermaal te horen, niet in de weg staat aan het gebruik van deze verklaring voor het bewijs. Het hof overweegt daartoe dat de verklaring niet decisiveis en binnen het geheel van de resultaten van het strafvordelijk onderzoek een beperkt gewicht heeft. Bovendien is de verdediging op een eerder moment in de gelegenheid geweest de getuige te ondervragen.\n\nOp 9 oktober 2023 is [medeverdachte 10] immers door de rechter-commissaris als getuige gehoord in de strafzaak tegen [verdachte] . De verdediging heeft bij die gelegenheid de mogelijkheid gehad [medeverdachte 10] te ondervragen over zijn verklaringen bij de politie op 24 en 25 maart 2023. Daarmee is sprake van voldoende compenserende factoren en is er in het geheel bezien ook bij het gebruik van de verklaring van [medeverdachte 10] sprake van een eerlijk proces.\n\n6.2.1. Zaaksdossier Mainz\n\nZaaksdossier Mainz gaat over een woningoverval in De Goorn op 8 augustus 2020. Voor dit feit worden de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] vervolgd. De medeverdachte [medeverdachte 11] is al door de rechtbank veroordeeld voor betrokkenheid bij deze overval en die beslissing is inmiddels onherroepelijk.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met geweld is gekomen en verenigt zich met die beslissing. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep is op enkele punten een nuancering en aanvulling opgenomen. Het hof komt anders dan de rechtbank tot de conclusie dat niet is vast te stellen wie de schutter van de geloste schoten is geweest.\n\nDoor het hof vastgestelde feiten en omstandighedenOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nOp 8 augustus 2020 tussen 03:08 uur en 03:20 uur heeft een woningoverval plaatsgevonden in de vrijstaande woning aan de [adres 1] in De Goorn, waarbij telefoons, sleutels en een envelop met een geldbedrag van € 3.000 zijn weggenomen. Vier mannen met bivakmutsen hebben de woning betreden. Zij hebben daartoe een ruit van de woning ingeslagen. Drie van hen hadden een breekijzer en de vierde dader had een vuurwapen. Aangever [slachtoffer 1] is tegen zijn lichaam en hoofd geslagen met een breekijzer en is tegen zijn hoofd geschopt. Toen hij zich wilde verdedigen is door de dader met het vuurwapen twee keer een schot gelost in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] . Aangeefster [slachtoffer 2] is bedreigd met het vuurwapen. Toen zij probeerde te vluchten, is zij door een vijfde dader uit het naast de woning gelegen weiland teruggehaald en teruggeleid naar de woning. Deze vijfde dader kwam uit de richting van het toegangshek van het perceel en droeg ook een bivakmuts. Op dat moment was [slachtoffer 1] in gevecht met de andere vier daders. De daders zijn uiteindelijk in een auto weggereden in de richting van Berkhout.\n\nOp 12 augustus 2020 werd door de aangevers in dit onderzoek een koeienriem afgegeven bij de politie. Deze koeienriem zat vóór de overval bevestigd om het toegangshek van het perceel behorend bij de woning. De aangevers hadden de koeienriem aangetroffen op het erf nabij de sloot. Op deze koeienriem is een DNA-mengprofiel aangetroffen met celmateriaal van minimaal vier personen. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat het DNA-profiel verkregen uit de bemonstering van de koeienriem, meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer de bemonstering DNA van [medeverdachte 11] en drie willekeurige onbekende personen bevat dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen. Het hof gaat er op basis van deze onderzoeksresultaten van uit dat er DNA-materiaal van [medeverdachte 11] op de koeienriem aanwezig is.\n\nVerklaring van [medeverdachte 11]\n\n is bij de politie meerdere keren als verdachte gehoord. Hij heeft aanvankelijk ontkend dat hij wetenschap had van de woningoverval. In het vijfde verhoor heeft hij verklaard over zijn betrokkenheid daarbij. In die verhoren heeft hij ook belastend verklaard over de medeverdachten. Ook heeft hij als getuige een verklaring afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris.\n\nSamengevat komen zijn verklaringen op het volgende neer.\n\nOp 7 augustus 2020 heeft hij in de avonduren – nadat hij door [medeverdachte 3] was benaderd met de vraag om te komen chillen met een meisje, samen met mevrouw [getuige 4] bij [medeverdachte 2] in de tuin gezeten. Nadat hij mevrouw [getuige 4] naar huis had gebracht, is hij doorgereden naar zijn chalet op camping [camping] in Berkhout. Hij had met [medeverdachte 3] daar afgesproken. [medeverdachte 3] had met anderen het plan gemaakt om een inbraak te plegen en heeft [medeverdachte 11] gevraagd of ze daarna weer terug mochten komen naar het chalet. Toen [medeverdachte 11] bij de camping aankwam, was [medeverdachte 3] daar al. Zij hebben een tijdje in het chalet van [medeverdachte 11] gezeten en gesproken over wat zij van plan waren. Volgens [medeverdachte 11] waren ook [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] daarbij. Op de parkeerplaats van de camping is [medeverdachte 11] in de kofferbak van de auto van [medeverdachte 3] gestapt en meegereden naar De Goorn. [medeverdachte 3] heeft zijn auto in een inham voorbij de woning in De Goorn geparkeerd, waarna [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn uitgestapt. [medeverdachte 11] is ook uitgestapt en heeft aan één van deze mannen een breekijzer gegeven. [verdachte] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn over het weiland naar de woning gelopen. [medeverdachte 3] heeft de auto doorgereden naar het toegangshek en [medeverdachte 11] heeft daar met [medeverdachte 3] staan wachten op de anderen. Ze zijn uiteindelijk samen weer naar het chalet van [medeverdachte 11] gereden. [medeverdachte 11] heeft toen gehoord dat [medeverdachte 2] had geschoten. De anderen waren daar boos over. [medeverdachte 11] heeft een dag later aan [getuige 4] verteld dat hij iets ergs had gedaan, dat hij niet mee naar binnen was geweest en een vrouw had tegengehouden die naar de buren wilde gaan.\n\nZoals hiervoor overwogen acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 11] betrouwbaar voor zover deze zien op de betrokkenheid van anderen nu deze verklaringen op belangrijke onderdelen en in relevante mate steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals de verklaring van [getuige 4] , het telefoongesprek tussen [getuige 4] en [getuige 5] en de verklaring van [medeverdachte 1] zoals hierna wordt overwogen. Het hof acht – uit hetgeen hiervoor over de betrouwbaarheid van zijn verklaringen is overwogen – zijn verklaringen over zijn eigen rol niet op alle punten geloofwaardig.\n\nUit de verklaring van de aangevers blijkt dat er tijdens de overval is geschoten. Dit wordt ook bevestigd door [medeverdachte 11] . In hoger beroep heeft [medeverdachte 1] een verklaring afgelegd als verdachte, welke verklaring in alle zaken is gevoegd. [medeverdachte 1] is daarnaast als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord.\n\nVerklaring van [medeverdachte 1]\n\n heeft als verdachte ten overstaan van de politie verklaard, welke verklaring hij als getuige ten overstaan van het hof heeft bevestigd, dat hij op 9 augustus 2021 bij [medeverdachte 2] thuis was en dat ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 10] daar waren. [medeverdachte 10] vertelde hem over de overval in De Goorn. [medeverdachte 3] was de chauffeur van de vluchtauto voor die overval in De Goorn. Bij die overval zou een raam kapot zijn geslagen. Toen de bewoners naar beneden kwamen heeft [medeverdachte 10] de mannelijke bewoner met een koevoet geslagen. Toen [medeverdachte 10] nog een keer met de koevoet wilde slaan, is deze door de mannelijke bewoner afgepakt. Een ander heeft vervolgens richting het hoofd van de mannelijke bewoner geschoten. Van anderen, in het bijzonder van [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] , heeft [medeverdachte 1] gehoord dat het [medeverdachte 4] is geweest die heeft geschoten. [medeverdachte 11] heeft de vrouwelijke bewoner, die het weiland was ingevlucht, gepakt en naar de woning teruggeleid. Verder was bij die overval aanwezig een kale man met een baard, die – ten tijde van het verhoor in februari 2026 – in [plaats 1] vast zat. Als de verhoorder de naam van [verdachte] noemt, bevestigt [medeverdachte 1] dit. Dat de verklaring van [medeverdachte 1] voor zover het ziet op dit zaaksdossier betrouwbaar is, is al hiervoor overwogen.\n\nSchotenDat er geschoten is tijdens de overval kan op grond van de verklaring van aangevers, de verklaring van [medeverdachte 11] en de verklaring van [medeverdachte 1] worden vastgesteld.\n\nDat er geschoten is met een wapen dat ook in het onderzoek Ararat is gebruikt en dat dit hetzelfde wapen betreft als het wapen waarmee [medeverdachte 5] om het leven is gekomen, leidt het hof uit het volgende af.\n\nUit het rapport schotrestenonderzoek van 26 april 2022 volgt dat de deskundige het zeer veel waarschijnlijker acht dat op de bemonsteringen die van het gelaat van aangever [slachtoffer 1] zijn genomen schotresten aanwezig zijn, dan dat op die bemonsteringen geen schotresten aanwezig zijn. Het hof gaat er daarom vanuit dat op het lichaam van [slachtoffer 1] schotresten aanwezig waren.\n\nNa het overlijden van [medeverdachte 5] is bij zijn lichaam een vuurwapen aangetroffen. Dit betrof een zilverkleurige revolver, type .357 Magnum van fabrikant Smith & Wesson. In het vergelijkend schotrestenonderzoek van 26 april 2022 is de aangetroffen verzameling deeltjes in het onderzoek Mainz, vergeleken met de verzamelingen deeltjes die zijn aangetroffen in het onderzoek Ararat (de woningoverval met dodelijke afloop in Berkhout) en het onderzoek Waltrop (het onderzoek naar het overlijden van [medeverdachte 5] ).\n\nDe deskundige rapporteerde dat de bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek veel waarschijnlijker zijn als hypothese V1 (de verzameling deeltjes hebben dezelfde bron van herkomst) waar is, dan als hypothese V2 (de verzameling deeltjes hebben een andere bron van herkomst) waar is.\n\nBron van herkomst is hierbij gedefinieerd als schoten met dezelfde vuurwapen-munitie combinatie.\n\nDe rechtbank heeft de opsteller van het rapport, [deskundige] , ter terechtzitting als deskundige gehoord. Het hof begrijpt de inhoud van het rapport, in samenhang met de door de deskundige ter terechtzitting van de rechtbank gegeven toelichting, als volgt. Onder hypothese V1 (dezelfde bron van herkomst) kan zowel worden begrepen dat is geschoten met hetzelfde wapen met dezelfde munitie, als met eenzelfde soort (merk en type) wapen met dezelfde soort munitie. De aangetroffen verzamelingen deeltjes in de onderzoeken Mainz, Ararat en Waltrop zijn zeldzaam te noemen. Hierover is in het rapport opgemerkt dat alle drie de verzamelingen deeltjes voornamelijk worden gekenmerkt door deeltjes met elementsamenstellingen PbSbSn (lood, antimoon, tin), waarbij de elementen Sb en Sn in deze deeltjes veelal op spoorniveau aanwezig zijn. Daarnaast zijn in alle drie de verzamelingen deeltjes aanwezig gelijkend op BaAl (barium, aluminium) met (een spoor van) de elementen Pb en Sb. Deze deeltjes worden volgens de deskundige zelden in onderzoeken aangetroffen in combinatie met deeltjes als extra element Sn. Deze deeltjes kunnen afkomstig zijn van het zogeheten memory-effect, wat een aanwijzing kan zijn dat de verzamelingen deeltjes dezelfde bron van herkomst hebben. Weliswaar heeft de deskundige ter zitting in eerste aanleg toegelicht dat niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld dat het zogenaamdememory-effecthier speelt, maar het lijkt er wel sterk op, omdat de aangetroffen verzamelingen deeltjes anders alleen kunnen worden aangetroffen in de situatie dat in alle gevallen is geschoten met eenzelfde (soort) wapen, en waarmee met dezelfde (soorten) munitie is geschoten en waarbij de munitie dan ook in dezelfde volgorde moet zijn verschoten.\n\nDat de deskundige vervolgens op basis van zijn beschouwing, beschikbare literatuur en de ervaring op het NFI in eerdere onderzoeken tot de bewijskracht “veel waarschijnlijker” komt, wijst erop dat in de onderzoeken Mainz, Ararat en Waltrop is geschoten met hetzelfde vuurwapen.\n\nDe theoretische mogelijkheid dat is geschoten met eenzelfde soort wapen acht het hof hoogst onwaarschijnlijk, omdat dan – zoals hiervoor al opgemerkt – dezelfde (verschillende) soorten munitie in dezelfde volgorde moeten zijn verschoten.\n\nSchutterAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van het dossier niet met een voor de bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld wie de schoten heeft gelost.\n\n [medeverdachte 11] heeft in zijn verklaringen aangegeven dat [medeverdachte 2] degene is geweest die de schoten heeft gelost. Hij heeft dat zelf niet gezien, maar van de anderen gehoord toen ze terug waren in zijn chalet. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 10] heeft gehoord dat [medeverdachte 4] verantwoordelijk is voor het schieten.\n\nNu door [medeverdachte 11] en [medeverdachte 1] verschillende verklaringen worden afgelegd over wie de schutter is geweest en nu zij beiden niet kunnen verklaren uit eigen waarneming, acht het hof het niet mogelijk om vast te stellen wie de schutter is geweest.\n\nWeliswaar blijkt dat in zes bemonsteringen op het wapen dat bij [medeverdachte 5] is aangetroffen en waarvan hiervoor is vastgesteld dat dit wapen ook bij deze overval is gebruikt, DNA-materiaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] , maar die enkele omstandigheid acht het hof onvoldoende om [medeverdachte 2] als schutter aan te wijzen, omdat niet vastgesteld kan worden wanneer dat DNA op het wapen terecht is gekomen, en het wapen ten tijde van de overval gehanteerd kan zijn zonder dat de dader daarop DNA heeft achtergelaten.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijsHet hof komt op grond van de bewijsmiddelen tot de conclusie dat (in elk geval) de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en voormalig medeverdachten [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] betrokken zijn geweest bij de woningoverval in De Goorn.\n\nMedeplegenVoor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met een of meer anderen. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsmotivering – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\nUit de verklaringen van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 1] leidt het hof af dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 10] en [verdachte] drie van de vier daders zijn geweest die de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] binnen zijn gegaan. Voorafgaand aan de overval is deze gepland. [medeverdachte 3] heeft de vluchtauto geregeld, is bij de voorbespreking en bij het maken van het plan betrokken geweest en heeft de vluchtauto bestuurd. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt bovendien dat iedere betrokkene bij een overval meedeelde in de buit en iedereen een gelijk deel kreeg, dat geldt ook voor de chauffeur van de vluchtauto. Alle bij de overval betrokken personen hebben dus een actieve rol gehad bij de woningoverval en kunnen om die reden als medepleger van de woningoverval worden aangemerkt bij welke woningoverval geweld is gebruikt, met geweld is gedreigd en waarbij schoten zijn gelost.\n\nHet hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld.\n\n6.2.2. Zaaksdossier Millet\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ;\n\nde DNA match van zowel [slachtoffer 3] als [medeverdachte 2] op de tie-wrap die gebruikt is om de aangever [slachtoffer 3] aan het bed vast te binden;\n\nde route van de gestolen Audi A8 en de gebruikte vluchtauto die te koppelen is aan [medeverdachte 3] ;\n\nde link die [medeverdachte 3] heeft met de aangevers;\n\nde zendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] ;\n\nverschillende chatberichten voor en na de overval die tussen de verdachten zijn uitgewisseld en die verband houden met de overval.\n\nDaar komt bij dat [medeverdachte 1] in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd die de bovenstaande bewijsmiddelen bevestigt.\n\nHet is volgens het Openbaar Ministerie niet aannemelijk dat [verdachte] wel wist van de overval, daarover ‘dingen’ heeft besproken, een gedeelte van de buit heeft gekregen en een auto heeft geregeld, maar dat hij niet is meegegaan naar de woning.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nOordeel van het hofZaaksdossier Millet gaat over een woningoverval in Dreumel in de nacht van 30 december 2020. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en daar aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep[medeverdachte 1] heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij door [medeverdachte 3] is opgehaald voor de overval in Dreumel. Onderweg is ook [verdachte] opgehaald. Volgens [medeverdachte 1] waren hij, [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] aanwezig in de woning tijdens de overval. Ze zijn met gezichtsbedekking naar binnen gegaan. [medeverdachte 3] was de bestuurder van de auto waarmee ze naar Dreumel zijn gereden. Volgens [medeverdachte 1] wist hij een paar dagen van tevoren dat de overval zou gaan plaatsvinden. [medeverdachte 1] was als eerste binnen in het huis nadat hij het raam naast de jacuzzi had opengemaakt met een platte schroevendraaier. In de woning heeft hij boven gezocht naar een kluis, geld of sieraden. [medeverdachte 1] heeft tijdens de autorit naar de overval gehoord dat er € 100.000 in de woning zou liggen. Dit bedrag is ook genoemd tijdens de overval zelf. In de auto op weg naar de overval is vooral [medeverdachte 3] aan het woord geweest. De aangevers lagen beneden in bed en werden verzocht te vertellen waar het geld lag. [verdachte] en [medeverdachte 4] stonden bij de slachtoffers. Volgens [medeverdachte 1] hadden [verdachte] en [medeverdachte 4] wapens mee naar de overval. Hij heeft de wapens gezien toen zij in de woning waren op het moment dat er een wapen werd getrokken. Er was één luchtbuks en twee andere kleinere wapens. [medeverdachte 1] denkt dat de luchtbuks van de eigenaar is; die werd op zolder door een van de verdachten aangetroffen. De aangeefster is door [medeverdachte 4] van haar bed gehaald, waarna [medeverdachte 1] met haar en [medeverdachte 4] naar boven is gelopen om geld te zoeken. De aangeefster zou in een kamer boven een tas hebben aangewezen waarin geld lag. Nadat de aangeefster terug was gebracht naar de slaapkamer zag [medeverdachte 1] dat beide aangevers ‘nee’ naar elkaar schudden. [medeverdachte 1] begreep daaruit dat er meer geld in de woning was dan de aangeefster had aangewezen. [medeverdachte 1] zou daarna naar boven zijn gegaan en daar grondig hebben gezocht. Er werd door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] agressief gereageerd naar de aangeefster. Er werd geschreeuwd en [medeverdachte 2] zou de aangeefster met de platte hand in haar gezicht hebben geslagen. Ook zou [medeverdachte 2] aan de haren van de aangeefster hebben getrokken en is er glas kapot gegooid op de grond. [medeverdachte 1] heeft in het huis meerdere kleine stapeltjes met geld gevonden op verschillende plekken. In totaal is er zo’n € 10.000 gevonden. Er is iets meer dan € 2.000 per persoon buitgemaakt. Ook heeft [medeverdachte 1] een tweetal autosleutels gevonden, waarna besloten is de Audi A8 van de aangevers mee te nemen. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in de Audi A8 van de aangevers gestapt en daarin zijn ook de buitgemaakte spullen geladen. Vervolgens is [medeverdachte 1] met drie andere personen in de Audi A8 van de aangevers naar een plek gereden vlakbij de woning, waar [medeverdachte 3] stond te wachten in een auto. [medeverdachte 2] heeft de Audi A8 van de aangevers bestuurd. Bij de auto van [medeverdachte 3] zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] bij [medeverdachte 3] ingestapt en zijn zij naar Lelystad gereden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zijn in de Audi A8 naar Lelystad gereden. In Lelystad is het geld verdeeld bij een oud bedrijf waar ‘geschuild kon worden’. Dit bedrijf was in de buurt van de plek waar de portemonnee van de aangeefster is gevonden, welke door [medeverdachte 1] in het water is gegooid. Het geld is onder de vijf mannen verdeeld. Iedereen kreeg een gelijk deel. De sieraden zijn door [medeverdachte 1] meegenomen naar huis, maar uiteindelijk zoekgeraakt. [medeverdachte 3] heeft ‘niet met zoveel woorden’ tegen [medeverdachte 1] gezegd dat de tip dat er veel geld lag in de woning van aangevers van zijn vader afkomstig was. [medeverdachte 1] leidde dit af uit ‘de manier waarop [medeverdachte 3] het zei’. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij wist dat de vader van [medeverdachte 3] ‘een connectie was’ van de aangevers.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]\n\nDe aangevers hebben verklaard dat zij lagen te slapen toen vier mannen hun slaapkamer betraden. De mannen droegen allen gezichtsmaskers en handschoenen. Twee mannen hadden een vuurwapen vast en hebben deze op de aangevers gericht. Eén man dreigde met een hamer te slaan en een ander was in het bezit van een luchtbuks, die aangever [slachtoffer 3] herkende als de zijne. De mannen riepen telkens om geld. De mannen bonden de handen en de voeten van de aangevers vast met tie-wraps. Aangever [slachtoffer 3] heeft meerdere keren een vuurwapen tegen het hoofd gezet gekregen. Aangeefster [slachtoffer 4] is aan haar haren van het bed getrokken en heeft twee klappen in haar gezicht gekregen. Uiteindelijk is – onder meer – een geldbedrag, een portemonnee, sieraden en een Audi A8 voorzien van het kenteken [kenteken 1] weggenomen.\n\nDNA-match [medeverdachte 2] op tie-wrapOp het bed van de aangevers zijn meerdere aan elkaar verbonden tie-wraps aangetroffen. Uit de bemonstering van een van deze tie-wraps (het deel tussen het uiteinde en het slotje) is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. Het DNA-hoofdprofiel komt overeen met het DNA-profiel van aangever [slachtoffer 3] . Het DNA-nevenprofiel komt overeen met het DNA van [medeverdachte 2] . Van het DNA-nevenprofiel uit de bemonstering is het 13 miljoen keer waarschijnlijker dat [medeverdachte 2] de donor is dan wanneer dit niet zo is.\n\nHet hof is het met de rechtbank eens dat [medeverdachte 2] de donor is van het celmateriaal op het deel van de tie-wrap tussen het uiteinde en het slotje.\n\nRoute weggenomen Audi A8 met kenteken [kenteken 1] en de auto met het kenteken [kenteken 2]\n\nOp camerabeelden gemaakt op het terrein van de aangevers is te zien dat op 30 december 2020 omstreeks 02:37 uur een personenauto van het merk Audi die op het terrein stond geparkeerd, wegrijdt nadat om 02:36 uur drie personen zijn ingestapt in het voertuig. Het hof begrijpt dat dit – gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – de Audi A8 van de aangevers betreft die is voorzien van het kenteken\n\n [kenteken 1] .\n\nHet kenteken [kenteken 1] is later die nacht twee keer vastgelegd door een ANPR-camera. Om 03:26 uur is de Audi A8 op de A27 ter hoogte van Nieuwegein geregistreerd en om 03:47 uur op de kruising van de N702 met de Polderdreef in Almere-Buiten. Op datzelfde tijdstip (03:47 uur) is door ANPR-camera’s een Audi A8 of S8 met het kenteken [kenteken 2] op diezelfde kruising in Almere-Buiten vastgelegd. Op de ANPR-foto is te zien dat het kenteken op de achterzijde van een personenauto is bevestigd, terwijl dat kenteken hoort bij een camper. Het kenteken [kenteken 2] blijkt eerder die nacht om 03:18 uur door een ANPR-camera te zijn vastgelegd op de A15 ter hoogte van Deil Oost (Gelderland). Uit raadpleging van Google Maps volgt dat dit punt ligt op een van de rijroutes vanaf Dreumel in de richting van de A2. De voertuigen zijn uiteindelijk samengekomen in Almere-Buiten.\n\nUit het dossier blijkt dat het kenteken [kenteken 2] aan [medeverdachte 3] is te koppelen, omdat hij op 24 december 2020 (ongeveer één week voor de overval) een voertuig met daarin twee kentekenplaten met het kenteken [kenteken 2] heeft opgehaald bij het beslaghuis. Uit de politiesystemen blijkt bovendien dat [medeverdachte 3] vanaf 12 december 2020 een Audi A8, voorzien van het kenteken [kenteken 3] , op zijn naam heeft staan. [medeverdachte 3] is op 23 december 2020 ook als bestuurder van deze auto gecontroleerd.\n\nHet hof begrijpt – gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – dat de auto waarop het kenteken\n\n [kenteken 2] was bevestigd, de auto is geweest waarin [medeverdachte 3] heeft gereden op weg naar de overval en waar [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn ingestapt na de overval op weg naar Lelystad.\n\nLink tussen de aangevers en [medeverdachte 3]Uit het dossier blijkt dat de aangevers (goede) bekenden zijn van de vader van [medeverdachte 3] . Ook heeft de aangeefster [medeverdachte 3] in het verleden twee keer gezien en heeft zij verklaard dat haar man en de vader van [medeverdachte 3] elkaar al lang kennen. Dat [medeverdachte 3] de aangevers kent wordt ook bevestigd door een proces-verbaal dat is gevoegd in hoger beroep van 23 maart 2026. Uit dit proces-verbaal blijkt dat [medeverdachte 3] de aangever [slachtoffer 3] heeft gebeld op 17 maart 2026 naar aanleiding van de verklaring die [medeverdachte 1] heeft afgelegd bij de politie. [medeverdachte 1] heeft overigens ook verklaard dat de vader van [medeverdachte 3] ‘een connectie’ was van de aangevers. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij dacht dat de tip dat er € 100.000 in de woning lag van de vader van [medeverdachte 3] kwam, hoewel [medeverdachte 3] dit ‘niet met zoveel woorden’ tegen hem heeft gezegd.\n\nZendmastgegevens van [medeverdachte 3]Uit het politieonderzoek is gebleken dat [medeverdachte 3] ten tijde van de overval de gebruiker was van het telefoonnummer + [telefoonnummer] . Uit zendmastgegevens van dit telefoonnummer blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 3] verschillende reisbewegingen heeft gemaakt die overeenkomen met het verloop van de overval. Zo straalt de telefoon eerst een zendmast aan die dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] op 29 december 2020 van 20:54 uur tot 22:11 uur. Daarna maakt de telefoon een reisbeweging naar Amsterdam en straalt de telefoon van 23:23 uur tot 23:46 uur een zendmast aan die dekking geeft aan het adres waar [verdachte] ten tijde van de overval woonachtig was. In de nacht van 30 december 2020 om 00:52 straalt de telefoon een zendmast aan in Lith (Gelderland). Tijdens de overval heeft de telefoon geen verbindingen geregistreerd. Later straalt de telefoon zendmasten aan in Vianen (03:24 uur) en Almere (03:52 uur), locaties die naar voren zijn gekomen in de netwerkmeting uitgevoerd op de route Dreumel-Almere. Iets later die nacht straalt de telefoon een zendmast aan in Lelystad (van 04:43 uur tot 04:58 uur). Uiteindelijk maakt de telefoon vanaf 06:45 uur weer contact met zendmasten in de regio West-Friesland.\n\n [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] in Amsterdam is opgehaald op weg naar de overval door [medeverdachte 3] en dat zij vervolgens zijn doorgereden naar de woning in Dreumel. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij met [verdachte] na de overval weer bij [medeverdachte 3] is ingestapt en dat zij naar Lelystad zijn gereden. Volgens [medeverdachte 1] is het geld verdeeld in Lelystad vlakbij de locatie waar de portemonnee van de aangeefster later is teruggevonden. De zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] sluiten dus aan bij de verklaring van [medeverdachte 1] . De zendmastgegevens komen ook overeen qua tijdstip en locatie met de twee ANPR-registraties van de weggenomen Audi A8 van aangevers in Vianen (03:24 uur) en in Almere (03:52 uur).\n\nChatberichten voor en na de overval\n\nUit het telefoontoestel van [verdachte] heeft de politie een groot aantal chatberichten uit de applicatie WhatsApp veiliggesteld waarvan een deel was verwijderd. De politie heeft de verwijderde berichten kunnen herstellen, maar hierbij is wel de woordvolgorde ‘gescrambled’ (verwisseld).\n\nGeen van de verdachten heeft betwist de gebruiker te zijn van de door de politie aan hen toegeschreven telefoonnummers. Er is door de verdachten ook niet betwist dat zij de in het dossier opgenomen en aan hen toegeschreven chatberichten hebben verstuurd.\n\nVoorafgaand aan de overval hebben de verdachten verschillende gesprekken gevoerd over het aanschaffen van auto’s:\n\nop 4 december 2020 zegt [verdachte] dat een auto (“bak”) moet worden geregeld (“fixen”) en dat ze dan kunnen gaan “happen”.\n\nop 11 december 2020 laat [medeverdachte 3] weten dat hij een A8 kan ophalen voor € 3.000,00 (“3k”). [verdachte] zegt even later dat hij “ [bijnaam 1] ” heeft gesproken die met “ [bijnaam 2] ” was en dat het een goede prijs (“goeie”) is. [medeverdachte 3] schrijft “laat ze daarom wat regelen”, waarop [verdachte] antwoordt dat hij “ [bijnaam 1] ” heeft gezegd “opschieten”.\n\nop 13 december 2020 schrijft [medeverdachte 3] “die gaat nu naar m’n vader” en hij laat weten op een (andere) auto een aanbetaling te hebben gedaan, maar nog steeds een geldbedrag mist van “ [bijnaam 1] ”. [verdachte] schrijft “we gaat dat regelen met die snotaap”. [medeverdachte 3] antwoordt “ja want dan hebben we 7 serie en a8”. [verdachte] zegt “we hadden nu gewoon twee waggie” en “gaan we het allemaal van hem afhalen”. Het hof merkt hierbij op dat [medeverdachte 1] ook wel “ [bijnaam 2] ” wordt genoemd.\n\nHet hof begrijpt uit deze gesprekken dat er werd gesproken over de aankoop van de Audi A8 en de BMW 735i (7 serie) die vanaf 12 december 2020 (Audi A8) en 21 december 2020 (BMW 735i) op naam van [medeverdachte 3] hebben gestaan. [verdachte] was actief betrokken bij de aankoop van deze twee auto’s. Dit vindt bevestiging in de verklaring die [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. [verdachte] heeft verklaard dat deze berichten gingen over ‘het regelen van auto’s voor een klus en dat hij daar ook wat voor heeft gekregen’. Met ‘happen’ bedoelt [verdachte] – naar eigen zeggen – geld verdienen door het uitvoeren van ‘klussen’. De auto was volgens [verdachte] nodig om de klus te doen. De verklaring van [verdachte] bevestigt daarmee dat de auto’s niet voor [medeverdachte 3] persoonlijk bedoeld waren, maar dat deze geregeld moesten worden voor het uitvoeren van ‘klussen’ (het hof begrijpt: overvallen). Dit vindt ook steun in een chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 26 augustus 2021, waarin [medeverdachte 1] zegt – althans, zo begrijpt het hof het bericht – dat de Audi A8 op naam van [medeverdachte 3] “van ons allemaal is”.\n\nVoorafgaand aan de overval hebben de verdachten ook verschillende chatgesprekken gevoerd over de planning van de overval:\n\nop 21 december 2020 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 3] of iedereen klaar (“ready”) is voor volgende week (“next week”) en zegt hij dat hij “honger” heeft. [medeverdachte 3] antwoordt “ik ook”. [verdachte] heeft hier ter terechtzitting in hoger beroep over verklaard dat met deze berichten werd bedoeld dat ‘iedereen geld wilde gaan verdienen met de klus’.\n\nop 22 december 2020 laat [verdachte] aan [medeverdachte 1] weten dat [medeverdachte 3] (“ [bijnaam 3] ”) “honger” heeft. [medeverdachte 1] antwoordt “jaa hij komt” en “die [persoon] zit toch vast”. [verdachte] zegt “we vertrouwen op hem”, “ik weet het” en “had hij me gezegt”.\n\nop 25 december 2020 schrijft [verdachte] naar [medeverdachte 2] dat maandag “aan” is, waarop [medeverdachte 2] antwoordt “zie je snel”. [medeverdachte 2] zegt “goede dingen”, wat [verdachte] bevestigt met dat hij “ready” is. [medeverdachte 2] zegt dan “nieuwe wagie ook daar”.\n\nop 28 december 2020 chat [medeverdachte 1] met zijn vriend [betrokkene 1] . De politie heeft dit gesprek aangetroffen op de telefoon van [betrokkene 1] . Deze berichten konden zonder dat de woordvolgorde is veranderd veilig worden gesteld. [betrokkene 1] schrijft dan “bigday”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “jaa we gaan in de avond” en “hoop goed daar”.\n\nop 28 december 2020 schrijft [verdachte] naar [medeverdachte 3] dat vandaag de “big day” is, wat [medeverdachte 3] bevestigt. Om 17:51 uur stuurt [verdachte] een locatie naar [medeverdachte 3] “ [adres 6] ”, “grote parkeerplaats”. Om 18:52 uur zegt [medeverdachte 3] “morgen 100 procent”.\n\nop 29 december 2020 schrijft [medeverdachte 3] naar [verdachte] “vuurwerk vanavond”, wat [verdachte] bevestigt met “vanavond 100”. [medeverdachte 3] zegt “jackpot”. Om 17:19 uur kunnen [medeverdachte 3] en [verdachte] “ [bijnaam 8] ” niet bereiken. [verdachte] denkt dat hij misschien “bij zijn vrouwtje thuis” is. [medeverdachte 3] zegt dat “hij weet wat gaande is”. [verdachte] zegt “geen stress”. Om 21:07 uur laat [verdachte] weten dat hij nu naar Amsterdam gaat rijden. Om 23:05 uur geeft [verdachte] de locatie door “ [adres 6] ”. Om 23:16 uur zegt [medeverdachte 3] “ben er”, waarop [verdachte] antwoordt “wacht effe op me ik ga nu komen ”.\n\nHet hof begrijpt uit deze chatgesprekken dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in eerste instantie op maandag 28 december 2020 met elkaar hebben afgesproken en dat deze afspraak in het teken stond van geld verdienen door het uitvoeren van ‘een klus’ (het hof begrijpt: een overval). Het hof begrijpt uit de berichten dat de overval uiteindelijk niet is doorgegaan, omdat [medeverdachte 3] op 28 december 2020 om 18:52 uur schrijft ‘morgen 100 procent’. Dit blijkt ook uit de daarop volgende berichten van 29 december 2020 waarin wordt gesproken over ‘vuurwerk vanavond’. [verdachte] heeft overigens ook ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de berichten over vuurwerk gingen over ‘die klus’. Hij heeft van tevoren over ‘die overval’ gesproken. De berichten van 29 december 2020 tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] komen ook overeen met de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] en de verklaring van [medeverdachte 1] , die heeft verklaard dat [verdachte] onderweg naar de overval in Amsterdam is opgehaald.\n\nIn de periode kort na de overval zijn er ook verschillende chatgesprekken geweest die naar het oordeel van het hof verband houden met de overval in Dreumel:\n\nop 30 december 2020 om 10:49 uur schrijft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1] “ben net ene uur terug maar lag er niet iedereen 2 kop per man” en “hij had het echt niet”. Om 18:20 uur stuurt [medeverdachte 1] een schermafbeelding van een chatgesprek met ‘ [bijnaam 3] ’ (het hof begrijpt [medeverdachte 3] ), waarin staat geschreven “ik moet zo met me pa naar die man dus niemand moet me appen tot gehoor van mij snap je”. [medeverdachte 1] schrijft “die man heeft vermoedens”. [betrokkene 1] vraagt “kende hij jullie”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt “neee”.\n\nop 30 december 2020 vanaf 18:34 uur probeert [verdachte] contact te leggen met [medeverdachte 4] . [verdachte] schrijft “die [bijnaam 3] heeft ons nodig man” en “we moeten deze man gaan helpen”.\n\nop 30 december 2020 om 23:27 uur stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 3] een locatie “ [adres 7] ” en “ [plek] ”, waarop [medeverdachte 3] om 23:31 uur antwoordt “ben er”.\n\nop 2 januari 2021 om 14:34 uur laat [medeverdachte 3] aan [verdachte] weten dat de afspraak is om vanavond met zijn vader te gaan. [verdachte] zegt te willen bespreken “hoe we dit moeten aanpakken”. [medeverdachte 3] schrijft “ben ik op anpr gehit” en zegt “moet straks andere nummerborde klemmen”. [verdachte] zegt “doe dat” en “laat me weten”.\n\nop 2 januari 2021 om 18:46 uur schrijft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 1] “hele gedoe met deze torrie man”. Als [betrokkene 1] vraagt “hoezo”, antwoordt [medeverdachte 1] “ [bijnaam 3] ze vader is bedreigt met gannu” en “die vader van [bijnaam 3] zeg hij heeft daar ligge”.\n\nHet hof begrijpt uit deze berichten dat er na de overval problemen zijn ontstaan tussen de aangevers en (de vader van) [medeverdachte 3] . De berichten zijn relatief kort na de overval gestuurd en sluiten aan bij wat zich – zoals uit het dossier blijkt – na de overval heeft afgespeeld. Aangever [slachtoffer 3] heeft direct na de overval aan de politie ter plaatse verteld dat hij vrijwel zeker wist wie één van de verdachten was. De volgende dag heeft aangever [slachtoffer 3] aan de politie laten weten dat dit vermoeden ziet op [medeverdachte 3] (“de zoon van [vader medeverdachte 4] ”). Aangever [slachtoffer 3] is in de avond van 30 december 2020 naar Noord-Holland gereden om zijn vermoeden met [vader medeverdachte 4] te bespreken en naar [medeverdachte 3] op zoek te gaan. Op 30 december 2020 om 21:56 uur vraagt [vader medeverdachte 4] via de chat aan [medeverdachte 3] om naar huis te komen , zodat zij samen naar aangever [slachtoffer 3] (“mijn naamgenoot”) kunnen gaan. [medeverdachte 3] antwoordt op diezelfde dag om 22:01 uur “morgen gaan we erheen”. Het bericht van [medeverdachte 1] ‘dat het er niet lag’ en dat er ‘2 kop de man’ was sluiten bovendien aan bij de verwachting van alle verdachten dat er € 100.000 in de woning zou liggen en dat ze uiteindelijk ongeveer € 2.000 per persoon hadden gekregen.\n\nHet hof komt tot de conclusie dat de hierboven opgenomen chatberichten allemaal verband houden met de overval in Dreumel. Daarbij merkt het hof op dat [verdachte] in hoger beroep heeft verklaard dat – in elk geval – een gedeelte van de berichten gingen over het regelen van auto’s voor de overval en de wens om geld te verdienen met ‘een klus’ (het hof begrijpt: een overval). De berichten sluiten ook aan bij de verklaring van [medeverdachte 1] en hetgeen hierboven verder is opgenomen over de andere bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijs\n\nHet hof komt tot de conclusie dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de overval in Dreumel hebben gepleegd en dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan diefstal met (bedreiging van) geweld op grond van:\n\nde verklaringen die [medeverdachte 1] en [verdachte] in hoger beroep hebben afgelegd;\n\nde verklaringen van de aangevers;\n\nde conclusie dat [medeverdachte 2] de donor is van het celmateriaal op het deel van de tie-wrap tussen het uiteinde en het slotje;\n\nde route van de gestolen Audi A8 en de personenauto met het kenteken [kenteken 2] die te koppelen is aan [medeverdachte 3] ;\n\nde link tussen de aangevers en [medeverdachte 3] ;\n\nde zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] ;\n\nde chatberichten die hierboven zijn opgenomen.\n\nVolgens de raadslieden van [verdachte] is er geen bewijs dat [verdachte] daadwerkelijk bij de overval aanwezig is geweest. Hij heeft voorafgaand aan de overval wel afgesproken met [medeverdachte 3] , maar hij is enkel betrokken geweest bij het regelen van een voertuig voor de overval en hij is niet meegegaan.\n\nHet hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat [verdachte] wél aanwezig is geweest bij de overval en dat hij daaraan heeft deelgenomen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] bij de overval aanwezig is geweest. Daarbij komt dat [verdachte] zich ook kort na de overval bezig houdt met de problemen die zijn ontstaan tussen de aangevers en [medeverdachte 3] . Zo stuurt hij op 30 december 2020 aan [medeverdachte 4] (die ook bij de overval aanwezig was) dat ze ‘ [bijnaam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) moeten helpen’. Op 30 december 2020 spreekt [verdachte] nog laat op de avond af met [medeverdachte 3] . Op 2 januari 2021 houdt [medeverdachte 3] [verdachte] nog op de hoogte van het verdere verloop en schrijft [verdachte] te willen bespreken ‘hoe we dit moeten gaan aanpakken’. De verklaring van [medeverdachte 1] en de chatberichten na de overval passen niet goed bij het scenario dat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval. Dat er geen zendmastgegevens zijn die [verdachte] in Dreumel plaatsen maakt dit niet anders, omdat uit het dossier blijkt dat het voor de verdachten gebruikelijk was om hun telefoon uit te zetten tijdens een overval. [medeverdachte 1] heeft dit ook bevestigd ter terechtzitting in hoger beroep. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij zijn telefoon ‘elke keer uit deed als er wat gebeurde om zijn locatie niet aan te geven’. [verdachte] heeft overigens ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij zijn telefoon wel eens bewust uitzette. Hij heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigmodus heeft gezet zodat hij kon voorkomen dat later gezien kon worden waar hij geweest was.\n\nMedeplegen\n\nHet hof stelt – mede gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] – vast dat [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tijdens de overval in de woning in Dreumel aanwezig waren en dat [medeverdachte 3] de bestuurder van de vluchtauto was. Dit komt overeen met de verklaring van de aangevers, die hebben verklaard dat er vier mannen in hun slaapkamer stonden. Het hof stelt verder vast dat de daders in de slaapkamer hebben gestaan met wapens. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vervolgens met de aangeefster [slachtoffer 4] naar boven gegaan om geld te zoeken. De kleine overvaller die volgens de aangeefster aan haar haren heeft getrokken en haar in het gezicht heeft geslagen is [medeverdachte 2] geweest, zoals ook door [medeverdachte 1] is bevestigd.\n\nHet hof leidt hieruit af dat alle verdachten een eigen rol hadden tijdens de overval. [medeverdachte 1] heeft – naar eigen zeggen – via het raam de toegang tot de woning verschaft en (al dan niet met [medeverdachte 4] en de aangeefster) gezocht naar geld. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben bij de slachtoffers gestaan. Nu uit de verklaringen van aangevers blijkt dat er toen wapens waren en dit ook door [medeverdachte 1] wordt bevestigd, gaat het hof er van uit dat [medeverdachte 4] en [verdachte] (in elk geval) toen in de slaapkamer de wapens hadden. [medeverdachte 2] was ook in de woning aanwezig en heeft geweld tegen de aangeefster gebruikt. [medeverdachte 3] heeft als bestuurder van de vluchtauto opgetreden.\n\nDaar komt bij dat de verdachten voorafgaand aan de overval al met elkaar hebben afgestemd wanneer de overval zou plaatsvinden en hebben zij daartoe de nodige voorbereidingen getroffen. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben zich voor de overval actief bezig gehouden met het regelen van een (vlucht)auto voor de overval. [medeverdachte 3] heeft ook valse kentekenplaten geregeld voor de (vlucht)auto. [verdachte] heeft bovendien verklaard dat er voorafgaand aan de overval dingen met hem waren besproken over de overval. Er was dus sprake van een vooraf voor alle verdachten duidelijk plan en de verdachten hebben in die wetenschap gehandeld.\n\nDe verdachten zijn nadat zij plannen hadden gemaakt voorafgaand aan de overval vanuit Noord-Holland naar de woning in Dreumel gereisd. Na de overval zijn de verdachten in twee voertuigen, waaronder de Audi A8 van de aangevers weggereden om de buit te verdelen. Hierbij heeft iedereen een gelijk deel gekregen van de buit. Dit blijkt zowel uit chatberichten (‘iedereen 2 kop per man’) als ook uit de verklaring van [medeverdachte 1] .\n\nHet verweer van de verdediging dat er sprake is van een onvoldoende materiële bijdrage om van medeplegen te spreken, wordt door het hof verworpen. Behalve zijn betrokkenheid in de voorbereiding; in de voorfase, heeft hij ook een actieve en essentiële rol gehad tijdens de overval en ook na de overval was hij aanwezig bij het verdelen van de buit en was hij actief bezig met de problemen die waren ontstaan tussen de aangevers en [medeverdachte 3] . Dit duidt naar het oordeel van het hof op een bedrage die van voldoende gewicht is geweest voor de kwalificatie medeplegen.\n\nOp grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is van dusdanig gewicht geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen. Het hof acht daarmee het medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld bewezen.\n\n6.2.3. Zaaksdossier Zwenkau\n\nOp 7 januari 2021, een week na de overval in Dreumel, wordt een woning overvallen in Avenhorn. Voor deze overval worden alle vier de verdachten vervolgd: [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte voor betrokkenheid als medepleger van zowel de poging gekwalificeerde doodslag als het medeplegen van diefstal met geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend kan worden veroordeeld.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van beide feiten moet worden vrijgesproken.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van medeplegen van diefstal met geweld is gekomen in de zaken tegen [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] en verenigt zich met die beslissingen. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep heeft het hof op enkele punten in de overwegingen van de rechtbank een nuancering en aanvulling opgenomen. Het hof komt anders dan de rechtbank tot de conclusie dat niet is vast te stellen wie de schutter van de geloste schoten is geweest.\n\nDoor het hof vastgestelde feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nIn de nacht van 7 januari 2021 heeft rond 01:30 uur in een woning aan [adres 3] in Avenhorn een gewapende woningoverval plaatsgevonden, waarbij onder meer contant geld, een portemonnee met inhoud en autosleutels zijn weggenomen. Aangever [slachtoffer 6] is edelsmid van beroep en heeft een werkplaats aan huis. [slachtoffer 6] en zijn partner [slachtoffer 5] lagen te slapen toen drie mannen met bivakmutsen de woning betraden. Twee van de daders hadden een vuurwapen. [slachtoffer 6] heeft in zijn slaapkamer met de overvallers gevochten en is onder andere op zijn hoofd geslagen met een hard voorwerp. Tijdens het gevecht met een van de overvallers heeft [slachtoffer 6] hem hard in een van zijn vingers gebeten. [slachtoffer 5] is haar partner komen helpen en heeft ook met de overvallers gevochten. Toen [slachtoffer 5] haar partner [slachtoffer 6] wilde helpen, is een van de overvallers met een wapen op haar afgekomen. Hij heeft een vuurwapen tegen haar hals gedrukt en heeft geschoten.\n\nGebleken is dat [slachtoffer 5] een groot gat in haar hals had en dat sprake was van een schotwond. Uit het dossier, de toelichting op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] en de slachtofferverklaring zoals die ten overstaan van het hof is afgelegd blijkt dat [slachtoffer 5] tot op heden – onder meer – een blijvende tinnitus heeft opgelopen. De schotwond in de hals en de blijvende tinnitus zijn naar het oordeel van het hof te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr.\n\nDe verdachten zijn met een BMW gekomen en na de overval ook weer in die BMW vertrokken. Deze BMW was door [medeverdachte 3] en [verdachte] geregeld en werd door [medeverdachte 3] bestuurd.\n\nVerklaring [medeverdachte 1]\n\n heeft verklaard dat hij voor de overval al wist van het plan. Dit heeft hij ook besproken met zijn vriend [betrokkene 1] . Op de dag zelf was hij bij [medeverdachte 2] thuis en daar heeft hij [verdachte] gezien, [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 3] . Rond een uur of half een (’s-nachts) zijn zij naar woning in Avenhorn gereden. Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hadden een schroevendraaier bij zich. [verdachte] en [medeverdachte 4] hadden een wapen mee. [medeverdachte 4] had een wapen van het merk Smith en Wesson mee. [verdachte] had de CZ. Deze had hij ten tijde van de overval ook in zijn handen. [medeverdachte 2] heeft met de mannelijke bewoner gevochten en de mannelijke bewoner heeft [medeverdachte 2] in een van zijn vingers gebeten. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] de mannelijke bewoner met een lamp geslagen. [medeverdachte 1] heeft een schot gehoord. Hij denkt dat [verdachte] heeft geschoten. Ze waren met de BMW van [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) gekomen en met die auto zijn ze ook weer vanaf de woning in Avenhorn vertrokken. [medeverdachte 3] was de bestuurder. Voor de overval was er een voorbespreking bij [medeverdachte 2] geweest. Er zou daar (in de woning in Avenhorn) goud zijn en mogelijk ook cash. Het ging om iemand die professioneel met goud bezig was: een goudsmid aan huis.\n\nHet hof is – zoals hiervoor is overwogen – van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] voor het bewijs gebezigd kunnen worden.\n\nDat [medeverdachte 2] door de mannelijke bewoner in zijn vinger is gebeten wordt bevestigd door de verklaring van zijn ex-partner [getuige 1] . Zij heeft ten overstaan van de politie verklaard dat [medeverdachte 2] op een avond ‘toen hij iets ging doen’ in zijn vinger is gebeten. Zij heeft de vinger verzorgd. Dit heeft zij ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd. Dat de verklaring van [getuige 1] naar het oordeel van het hof voor het bewijs gebruikt kan worden is hiervoor al overwogen.\n\nDat [medeverdachte 2] ten tijde van deze woningoverval in zijn vinger is gebeten leidt het hof af uit het volgende. Volgens [getuige 1] was [medeverdachte 2] in zijn vinger gebeten toen ze ‘met zijn allen op pad gingen’. De ‘ [bijnaam 4] ’ belde via video de volgende dag en had toen ook zijn rug bezeerd, zo heeft zij verklaard.\n\n [verdachte] was in die periode woonachtig in [stad] . Uit berichtenverkeer (Telegram) tussen [verdachte] en zijn ex-partner [getuige 6] op 8 januari 2021 en informatie van de huisarts van [verdachte] van 15 januari 2021 en zijn verklaring ten overstaan van de politie op 25 mei 2022 leidt het hof af dat [verdachte] toen letsel aan zijn ribben had en dat hij over dit letsel in het videogesprek met [medeverdachte 2] sprak waarover [getuige 1] heeft verklaard.\n\nOp grond hiervan concludeert het hof dat het letsel aan de vinger van [medeverdachte 2] door een beet is ontstaan op 7 januari 2021.\n\nVerklaring [verdachte]\n\nTen overstaan van het hof heeft [verdachte] verklaard dat de berichten op 6 januari 2021 in de avond erover gingen dat [medeverdachte 1] hem vroeg of hij ( [verdachte] ) hem ( [medeverdachte 1] ) kon ophalen. Eerder was gesproken over een klus bij een goudsmid. Er waren meerdere personen aanwezig bij die bespreking. Met hem werd gesproken over hoe ze het ongeveer wilden doen. Ook werd er besproken of er goud, ‘goldies’ aanwezig zou zijn. De bedoeling was dat een paar mensen naar binnen zouden gaan om het goud te halen. Er zou een BMW gebruikt worden. Hij zou meedelen in de buit. Het gesprek over ‘cz bro’ gaat over een wapen. Er werd een vraag over een wapen gesteld. Hij kende mensen die in wapens handelen.\n\nDat [verdachte] die avond in Noord-Holland was leidt het hof af uit het feit dat uit ARS-gegevens is op te maken dat een voertuig (Audi A2) met kenteken [kenteken 6] , op 6 januari 2021 rond 23:40 uur (dus in de uren voorafgaand aan de overval in Avenhorn) over de N242, vanaf de [adres 26] in Alkmaar in de richting van Heerhugowaard\u002FBroek op [adres 25] rijdt. Dit voertuig stond op naam van de moeder van [verdachte] , maar werd ook door hem gebruikt. Het hof meent dat dit feit in combinatie met de berichtenuitwisselingen en de verklaring van [medeverdachte 1] de conclusie rechtvaardigt dat [verdachte] die avond naar Noord-Holland is gekomen en mee is gegaan naar Avenhorn.\n\nVerklaring [betrokkene 1]\n\n heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld over de overval in Avenhorn op een goudsmid, dat [medeverdachte 1] daarbij betrokken was, dat [medeverdachte 1] mee naar binnen is gegaan, dat er is geschoten en dat hij heeft gehoord dat er iemand in zijn vinger is gebeten.\n\nDeze verklaring van [betrokkene 1] wordt onderbouwd door chatgesprekken tussen [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] uit die periode.\n\nBerichtenuitwisselingenIn de telefoon van [verdachte] bevinden zich berichten die zijn uitgewisseld tussen de verdachten en tussen de verdachten en anderen, die naar het oordeel van het hof gaan over de woningoverval in Avenhorn. Zo zijn er berichten over ‘goud’, ‘gol(d)(ies)’ en ‘goudsmit’.\n\nAangever [slachtoffer 6] is edelsmid van beroep en hij had een werkplaats aan huis, met een kluis met daarin zijn voorraad goud en zilver. In berichtenuitwisselingen eind december 2020, begin januari 2021 wordt gesproken over goud, gol en goldies. Zo zegt [medeverdachte 8] (een bekende van de verdachten) tegen [verdachte] op 20 december 2020: “Morgen of overmorgen ga ik die ene” (…) “die Goud”. [verdachte] zegt dan “Is cool, check hem goed”. Op 23 december 2020 zegt [medeverdachte 2] tegen [verdachte] : “up ook niet wat goldies dan doen”. Op 3 januari 2021 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 4] : “ [bijnaam 9] gaan we die gol doen”. Het hof gaat ervan uit dat waar er in deze berichten wordt gesproken over ‘die Goud’, ‘Goldies’ en ‘Gol’, dat er dan wordt gesproken over ‘de goudsmid’, refererend aan het beroep van [slachtoffer 6] . Voor deze interpretatie ziet het hof overtuigend bewijs in de berichtenuitwisseling door [medeverdachte 1] op 6 januari 2021 waarin hij expliciet de benaming goudsmid gebruikt, in combinatie met de term ‘goldies’. Hij zegt namelijk tegen [betrokkene 1] dat hij vanavond “een goeie torri heeft, bij goldies goudsmit in osso”. Het hof begrijpt dit bericht zo dat [medeverdachte 1] hier spreekt over een overval (torri) op een goudsmid in huis (in osso), welke overval dus ook daadwerkelijk die nacht heeft plaatsgevonden.\n\nDe verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben verklaard dat de chats over hasj gaan. Gelet op het voorgaande en in het bijzonder de verklaring van [medeverdachte 1] wordt deze verklaringen als ongeloofwaardig terzijde gesteld.\n\nMedeplegen\n\nUit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de drie daders zijn geweest die (in elk geval) de woning van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] in Avenhorn zijn binnengegaan en dat [medeverdachte 3] de bestuurder van de vluchtauto is geweest. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkt dat er voorafgaand aan de overval een overleg heeft plaatsgehad waarin het plan om de woning te overvallen is besproken. Dit blijkt eveneens uit de berichtenuitwisselingen die hebben plaatsgevonden.\n\n [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben samen het plan opgevat om de woning te overvallen, zij zijn gezamenlijk naar de woning toegegaan en vervolgens zijn midden in de nacht in elk geval [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en mogelijk [medeverdachte 4] met in ieder geval twee vuurwapens de woning binnen gegaan.\n\nDaarmee hebben zij nauw en bewust samengewerkt om de bewoners in de slaapkamer ‘onder controle te houden’ en de buit mee te nemen. Zij hebben dan ook allen een rol van voldoende gewicht gehad bij de gezamenlijke uitvoering van de woningoverval en kunnen om die reden als medepleger van de woningoverval worden aangemerkt.\n\nTen aanzien van [medeverdachte 3] overweegt het hof nog het volgende. Voorafgaand aan de woningoverval in Avenhorn hadden al drie overvallen plaatsgevonden: de woningoverval in De Goorn op 8 augustus 2020, de overval op het tankstation in Nieuwe Niedorp op 9 augustus 2020, de woningoverval in Dreumel op 30 december 2020 en dan een week later deze overval. In alle gevallen treedt [medeverdachte 3] op als chauffeur en regelt hij de vluchtauto. Bovendien blijkt uit wat ten aanzien van deze andere overvallen is overwogen dat [medeverdachte 3] meedeelde in de buit en ook bij de voorbesprekingen aanwezig was. Gelet op zijn rol bij die overvallen en wat ten aanzien van deze overval hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat ook zijn rol als die van medepleger kan worden gekwalificeerd.\n\nSchutterUit de verklaring van mevrouw [slachtoffer 5] volgt dat een van de overvallers met een wapen op haar af is gekomen. Hij heeft een vuurwapen tegen haar hals gedrukt en heeft geschoten. Uit deze verklaring begrijpt het hof dat dit de door haar geduide ‘tweede overvaller’ is geweest. Deze persoon zou tussen de 1.74 en 1.77 meter lang zijn geweest, tussen de 20 en 25 jaar en droeg gezichtsbedekking. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat zowel [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 4] als hijzelf in de woning zijn geweest. Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 5] , in het bijzonder de kenmerken van de schutter die zij noemt, en de omstandigheid dat meerdere verdachten in de woning\u002Fslaapkamer zijn geweest, komen naar het hof meerdere verdachten in aanmerking voor de vaststelling de schutter te zijn geweest. Immers zowel [verdachte] en [medeverdachte 1] en mogelijk ook nog een derde verdachte passen binnen de vaststellingen die het hof kan doen.\n\nGelet hierop concludeert het hof dat het niet mogelijk is om vast te stellen wie de schutter is geweest. Wel kan worden vastgesteld dat een van de aanwezige daders hiervoor verantwoordelijk is.\n\nConclusieHet hof komt op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken zijn geweest bij de gewelddadige woningoverval in Avenhorn en dat dit gekwalificeerd kan worden als medeplegen van diefstal met (bedreiging met) geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachten is ook het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag ten laste gelegd. Deze verdenking geldt in hoger beroep nog voor de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het hof maakt eerst enkele algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag. Vervolgens licht het hof toe waarom voor de verdachten [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] in het zaaksdossier Zwenkau aan die eisen is voldaan.\n\nDe wet spreekt van (een poging tot) gekwalificeerde doodslag als er sprake is van (een poging tot) doodslag die is gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een ander strafbaar feit. Voor een bewezenverklaring van een poging gekwalificeerde doodslag moet allereerst worden bewezen dat verdachten opzettelijk een ander van het leven hebben proberen te beroven. Onder ‘opzettelijk’ wordt ook begrepen ‘voorwaardelijk opzet’. Dat betekent dat de verdachten niet per sé de uitdrukkelijke bedoeling hoeven te hebben gehad om iemand van het leven te beroven, maar dat het voldoende is als zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer van het leven zou worden beroofd.\n\nTen tweede moet de (poging tot) doodslag zijn gepleegd met het oogmerkom dat andere strafbare feit voor te bereiden, te vergemakkelijken of om – bij betrapping op heterdaad – aan zichzelf of anderen straffeloosheid of bezit van het wederrechtelijke verkregene te verzekeren. Anders verwoord: de (poging tot) doodslag moet worden gepleegd met een specifiek doel.\n\nHet hof zoomt voor de verdachten in deze zaak hierna in op beide elementen (opzet en oogmerk).\n\nOpzetOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 5] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en de inhoud van een kluis, geld en waardevolle goederen te bemachtigen. Dat blijkt uit de wijze van binnentreden, uit het feit dat zij (nadat met het vuurwapen is geschoten) de woning beneden nog hebben doorzocht en de verdachten voortdurend hebben geroepen: ‘Waar is het geld’, ‘We willen het grote geld’, ‘We willen geld van achteren’. Er is dus geen sprake van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 5] .\n\nVoorwaardelijk opzetVervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 5] . De verdachten zijn de woning binnengedrongen terwijl twee van hen een vuurwapen in de hand hadden. Ook bij eerdere overvallen hadden de verdachten een vuurwapen bij zich. Bij een woningoverval, zeker op een tijdstip in de nacht, bestaat de aanmerkelijke kans dat de bewoners thuis zijn en zich tegen dat binnendringen zullen verzetten. Reeds door een vuurwapen direct bij de hand te hebben waarbij het, gelet op de verklaring van [slachtoffer 5] over het moment waarop moet zijn geschoten, aannemelijk is dat dit wapen was doorgeladen, hebben de verdachten zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij verzet het vuurwapen zou worden gebruikt en (een) bewoner(s) daardoor zodanig ernstig gewond zou(den) raken dat de dood het gevolg zou kunnen zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schotwonden onder omstandigheden de dood tot gevolg kunnen hebben. Bij [slachtoffer 5] is het wapen tegen haar hals gedrukt waarna zij in de hals is geschoten. Algemene ervaringsregels leren dat de hals een kwetsbaar deel van het lichaam is, omdat zich daarin de luchtpijp en (slag)aders bevinden, waar op vrij eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht. Door in de nacht de woning met vuurwapens (waarvan er ten minste één was doorgeladen) binnen te dringen, hebben de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij verzet het vuurwapen zou worden gebruikt.\n\nOogmerkOok kan bewezen worden verklaard dat de verdachten deze poging tot doodslag hebben gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de overval gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemers straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Dit blijkt immers uit het feit dat het schot is gelost toen zij na het binnendringen van de woning op weerstand stuitten. Nadat deze weerstand was gebroken door [slachtoffer 5] neer te schieten, zijn de verdachten blijven zoeken naar en roepen om waardevolle goederen en hebben zij onder meer de portemonnee en autosleutels van [slachtoffer 6] meegenomen.\n\nConclusieHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag.\n\nHet hof merkt verder op dat hierbij sprake is geweest van eendaadse samenloop met het medeplegen van de diefstal met (bedreiging met) geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Dat betekent dat de gedragingen van de verdachten weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar dat de verdachten in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.4. Zaaksdossier Zulpich\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes;\n\neen vluchtauto die gekoppeld kan worden aan [medeverdachte 3] ;\n\nverschillende chatberichten voor en na de overval die tussen de verdachten zijn uitgewisseld en die verband houden met de overval;\n\nde aanwezigheid van [verdachte] en [medeverdachte 5] voorafgaand aan de overval in de woning van [medeverdachte 2] ;\n\nde aanwezigheid van [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] voor en na de overval;\n\neen foto van [medeverdachte 5] met een wapen die vlak voor de overval is gemaakt en waarbij het wapen overeenkomt met het wapen dat bij de overval is gebruikt;\n\nhet aantreffen van de weggenomen autosleutel op de vluchtroute;\n\nde verklaring van [medeverdachte 11] ;\n\ncamerabeelden.\n\nDaar komt bij dat [medeverdachte 1] in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd die de bovenstaande bewijsmiddelen bevestigt.\n\nHet is volgens het Openbaar Ministerie niet aannemelijk dat [verdachte] wel wist van de overval, maar dat hij niet is meegegaan.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.\n\nOordeel van het hof\n\nZaaksdossier Zulpich gaat over een woningoverval in Heerhugowaard in de nacht van 4 juni 2021.\n\nHet hof is net als de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 3] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en daar aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft in hoger beroep bij de politie en ter terechtzitting als getuige verklaard dat hij wist van de overval, maar dat hij er niet bij aanwezig is geweest. [medeverdachte 1] is wel een week voor de overval op locatie geweest, maar de overval is toen niet doorgegaan omdat er politie kwam aanrijden. [medeverdachte 1] zou achteraf over de overval hebben gehoord in restaurant [eetgelegenheid] (het hof begrijpt: eetgelegenheid [eetgelegenheid] in Opmeer). [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , ‘ [medeverdachte 6] ’ en [medeverdachte 3] betrokken waren bij de overval. [medeverdachte 3] was de bestuurder van de auto waarmee naar de overvallocatie is gereden en waarmee na de overval weer is gevlucht. [medeverdachte 1] heeft gehoord dat er € 200 per persoon is buitgemaakt.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffers 7 en 8] en [slachtoffer 8]\n\nDe aangevers hebben verklaard dat in de nacht van 4 juni 2021 vijf mannen met bivakmutsen hun woning zijn binnengekomen. De overvallers hebben daartoe het rooster van het lichtvenster van de garage verwijderd en het uitzetraam opengebroken, waarna één van de overvallers naar binnen is geklommen en toegang heeft verleend aan de andere overvallers. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en één van hen had een koevoet. Een van de wapens had een demper. De aangevers zijn vastgebonden en geblinddoekt. De aangever [slachtoffer 7] is meermaals geslagen met de koevoet. Zijn vrouw, [slachtoffer 8] , is bedreigd met een vuurwapen. Hun zoon, [slachtoffer 9] , is ook met de koevoet geslagen. Er is ook een hete strijkbout op de bovenarm van de zoon nabij de schouder gezet, waardoor een tweede en derdegraads brandwond is ontstaan. De overvallers zijn in de auto van de aangevers weggereden, een Audi Q7 met kenteken [kenteken 4] . Van de aangevers zijn ook een telefoon en een geldbedrag weggenomen.\n\nCamerabeeldenUit forensisch onderzoek is gebleken dat een hek van gaas op het bedrijventerrein waar de woning van de [familie slachtoffers 7, 8 en 9] \u002F [slachtoffer 8] zich bevindt naar beneden is gedrukt. Op deze manier is het mogelijk geweest voor de overvallers het bedrijventerrein te betreden en naar de achterzijde van de woning te lopen.\n\nOp camerabeelden van een bedrijf gevestigd op het bedrijventerrein is te zien dat omstreeks 02:32 uur een auto van het type Sedan het parkeerterrein van een naastgelegen bedrijf oprijdt. Omstreeks 02:33 uur zijn vijf personen te zien die in de richting van het hekwerk lopen. Uit de camerabeelden kan worden afgeleid dat één persoon in de auto achterblijft, omdat er af en toe licht brandt in of bij de auto. Omstreeks 03:58 uur komt er van rechts een auto aangereden die stopt bij de geparkeerde auto. Omstreeks 03:59 uur is te zien is dat één persoon naar de passagierszijde van de geparkeerde auto loopt en dat de verlichting van de auto aangaat. Omstreeks 04:00 uur rijdt de auto weg. De andere auto rijdt er achteraan.\n\nUit de camerabeelden blijkt dus dat één persoon in de auto heeft gewacht op de andere overvallers. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] de bestuurder is geweest bij deze overval.\n\nHet hof gaat ervan uit dat de geparkeerde auto op de beschreven beelden de auto betreft waarmee de overvallers met [medeverdachte 3] als bestuurder naar de plaats van het delict zijn gereden. De tweede auto is de gestolen Audi Q7 van [slachtoffer 7] . Het hof betrekt daarbij dat de aangever [slachtoffer 7] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat zijn gestolen auto wegreed in de richting van [adres 25] . Later zag hij van links weer twee auto’s aankomen, die vlak achter elkaar reden. De achterste auto herkende hij aan het kenteken als zijn eigen auto.\n\nAantreffen Audi Q7 aan de [adres 8] in Winkel\n\nKort na de overval is de gestolen auto van de [familie slachtoffers 7, 8 en 9] teruggevonden aan de [adres 8] in Winkel. Uit de getuigenverklaring van [getuige 7] volgt dat deze auto daar is geparkeerd en dat een groep jongens in een grijze personenauto, type Sedan zijn weggereden. De vluchtauto reed met hoge snelheid weg in oostelijke richting. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij denkt dat een grijze auto is gebruikt. Het zou kunnen dat het een Sedan was. Het hof merkt daarbij op dat op de hierboven beschreven camerabeelden gemaakt van het terrein van de aangevers ook een grijze sedan te zien is. De auto die is gezien door [getuige 7] komt dus qua type overeen met de auto die is gezien op de camerabeelden.\n\nVluchtauto\n\nOp camerabeelden van de [adres 8] in Winkel van 4 juni 2021 vanaf 04:08 uur is een Volvo C70 Coupe uit de jaren 1998-2005 te zien. De politie herkent deze auto als de vluchtauto. Uit onderzoek van de politie blijkt dat deze auto aan [medeverdachte 3] kan worden gekoppeld. In die periode had [medeverdachte 3] zo’n auto op zijn naam staan en uit foto’s opgeslagen in zijn telefoon blijkt dat hij deze auto ook gebruikte in de periode rondom de overval. [medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat ‘het waarschijnlijk wel zo is’ dat deze auto van hem is als deze door de politie aan hem is toegeschreven.\n\nChatberichten\n\nIn het dossier bevinden zich verschillende chatberichten in de periode voorafgaand aan de overval die over het regelen van wapens en het plannen van de overval gaan:\n\nop 11 mei 2021 is er een chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] waarin gesproken wordt over 765, dempers, “eropzette” en adapters.\n\nop 24 mei 2021 stuurt [verdachte] een audiobericht aan [medeverdachte 5] , waarin [verdachte] vraagt of alles “ready” is, omdat hij een datum moet gaan prikken voor dat wat ze gaan doen. In een chatbericht dat daarop volgt wordt gesproken over een adapter, een “pijppie” en “erop draaije”. En: “we alles wannrr ready gaan”.\n\nuit chatberichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] blijkt dat op 31 mei 2021 een afspraak wordt gemaakt bij eetgelegenheid [eetgelegenheid] in Opmeer. [verdachte] wil even wat dingen bespreken met [medeverdachte 3] Om 17:39 uur maakt de telefoon van [verdachte] verbinding met de wifi van dat restaurant.\n\nop 2 juni 2021 chat [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat “ [bijnaam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) vraagt of hij morgen ready is”. [verdachte] antwoordt hierop bevestigend en chat aan [medeverdachte 1] dat hij niet moet vergeten om contact op te nemen met “ [bijnaam 1] ” en “ie en wat dan hoe weet”, wat het hof vertaalt als ‘dan weet ie hoe en wat’.\n\nHet hof begrijpt de chatberichten zo dat er wapens geregeld moeten worden voor een overval. Als dit geregeld is kan de overval plaatsvinden (“we alles wnnrr ready gaan”). Dat de gesprekken over wapens gaan wordt bevestigd door [verdachte] zelf. Hij heeft in hoger beroep verklaard over deze gesprekken dat het klopt dat hij met [medeverdachte 5] over wapens heeft gepraat. Met de ‘765’ werd een ‘CZ’ wapen bedoeld.\n\n [verdachte] en [medeverdachte 5] zijn voor de overval in de woning van [medeverdachte 2]\n\nUit het dossier blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 5] voor de overval in de woning van [medeverdachte 2] zijn geweest. Dit blijkt onder andere uit telefooncontacten tussen [verdachte] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , zendmastgegevens van de telefoon van [verdachte] , telefoongegevens van [medeverdachte 2] en ARS-gegevens van de auto van de (ex-)vriendin van [verdachte] . [verdachte] heeft dit bevestigd door in hoger beroep te verklaren dat hij voorafgaand aan de overval in de woning van [medeverdachte 2] is geweest.\n\nAanwezigheid in loods [medeverdachte 3] voor en na de overval\n\nUit het dossier blijkt dat [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de periode voorafgaand aan de overval en daarna in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] zijn geweest. Dit kan geconcludeerd worden op basis van:\n\neen pintransactie van [medeverdachte 3] bij tankstation [tankstation] in [plaats 2] om 01:45 uur (zo’n 45 minuten voor de overval) in de nabijheid van zijn loods;\n\nzendmastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 2] , die nog geen tien minuten na die pintransactie een zendmast aanstraalt die dekking geeft aan de loods van [medeverdachte 3] ;\n\nde zendmastgegevens van de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 2] na de overval waaruit blijkt dat beide telefoons een zendmast aanstralen die dekking geeft aan de loods van [medeverdachte 3] . De telefoon van [medeverdachte 2] blijft tot 07:08 uur een zendmast aanstralen in de omgeving van de loods van [medeverdachte 3] .\n\n [verdachte] heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij op de avond van de overval in de loods in [plaats 2] is geweest. Tijdens de overval zijn er geen registraties van de telefoons van [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Dit komt overeen met de verklaring van [verdachte] , die heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigstand heeft gezet om te voorkomen dat later gezien kon worden waar hij was geweest.\n\nAantreffen autosleutels\n\nDe autosleutels van de gestolen Audi Q7 zijn een paar dagen na de overval teruggevonden op de [adres 9] in Winkel. Uit raadpleging van Google Maps blijkt dat deze locatie past in de route van de [adres 8] in Winkel naar de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] .\n\nVerklaring van [medeverdachte 11][medeverdachte 11] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat [medeverdachte 3] betrokken is geweest bij de overval in Heerhugowaard en dat de gestolen auto is weggereden naar Winkel. Voor wat betreft de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 11] verwijst het hof naar hetgeen daarover is overwogen in paragraaf 6.1.3 Het hof merkt daarbij op dat de verklaring van [medeverdachte 11] overeen komt met het aantreffen van de gestolen auto aan de [adres 8] in Winkel, de camerabeelden hiervan en de later teruggevonden autosleutels van de gestolen auto in Winkel.\n\nGebruikte wapen\n\nIn de nacht van 4 juni 2021 om 00:44 uur is in de woning van [medeverdachte 2] een foto gemaakt van [medeverdachte 5] , terwijl hij een vuurwapen vastheeft dat volgens de politie een CZ Scorpion VZ.61 betreft. Op de foto is het wapen voorzien van een demper. Het hof concludeert net als de rechtbank dat dit het wapen is dat is gebruikt bij de overval in Heerhugowaard. De foto is vlak voor de overval gemaakt en het wapen dat op de foto is te zien komt overeen met het wapen dat de aangever [slachtoffer 7] heeft beschreven in zijn aangifte. [slachtoffer 7] heeft verklaard dat er een vuurwapen met een demper was, terwijl het vuurwapen op de foto van [medeverdachte 5] ook is voorzien van een demper. Dat dit het wapen is dat is gebruikt bij de overval vindt ook bevestiging in de verklaring die [verdachte] in hoger beroep heeft afgelegd. In de chatberichten waarin het gaat over het regelen van een wapen voor een overval wordt immers gesproken over een ‘.765’ en [verdachte] heeft verklaard dat die berichten over een ‘CZ’ gingen. Hij heeft verder verklaard dat hij op de avond van de overval het wapen heeft gezien waarmee [medeverdachte 5] op de foto staat en dat hij wist dat het wapen mee zou gaan naar de overval.\n\nVolgens de raadslieden van [verdachte] is er geen bewijs dat [verdachte] is meegegaan naar de overval Zendmastgegevens, forensisch bewijs of camerabeelden die hierop duiden ontbreken immers. De verklaring van [medeverdachte 1] is onvoldoende om bij te dragen aan het bewijs, omdat hij heeft verklaard niet veel te weten over deze overval en er zelf niet bij is geweest. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij wel wist van de overval, maar dat hij niet is meegegaan. Hij is in de loods achtergebleven om de rolluiken open te doen als de overvallers terug zouden keren na de overval. De gesprekken die hij gevoerd heeft met [medeverdachte 5] gingen wel over wapens, maar hielden geen verband met de overval in Heerhugowaard.\n\nHet hof is – anders dan de verdediging – van oordeel dat [verdachte] is meegegaan naar de overval. De gesprekken die [verdachte] voorafgaand aan de overval heeft gevoerd hebben naar het oordeel van het hof betrekking op het regelen van een wapen voor de overval in Heerhugowaard. Het hof betrekt daarbij dat de gesprekken kort voor de overval zijn gevoerd. Uit de gesprekken blijkt dat de overval kan plaatsvinden als er een wapen is geregeld (“we alles wnnrr ready gaan”). Iets meer dan een week daarna bevestigt [verdachte] op 2 juni 2021 dat hij ‘ready’ is en zeer kort daarop wordt de overval gepleegd op 4 juni 2021. Het wapen waarover in het gesprek wordt gesproken (de ‘765’) komt daarnaast overeen met het wapen dat is gebruikt bij de overval. [verdachte] is – zoals hij zelf ook verklaart – de avond van de overval zowel in de woning van [medeverdachte 2] als in de loods van [medeverdachte 3] met de medeverdachten geweest. Daarbij komt dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] betrokken is geweest bij de overval. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] wel kan worden gebruikt voor het bewijs, omdat zijn verklaring bevestiging vindt in de andere bewijsmiddelen. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de verdachte bij andere overvallen in die periode betrokken is geweest met gedeeltelijk dezelfde medeverdachten als die bij deze overval betrokken zijn geweest. [medeverdachte 1] verklaart bovendien dat hij eerst zelf deze overval zou plegen, maar dat dit niet is doorgegaan omdat de politie kwam aanrijden. Het is daarmee aannemelijk dat hij geïnformeerd is over deze overval.\n\nDeze bevindingen in onderlinge samenhang bezien maken dat het hof het niet aannemelijk vindt dat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval en dat hij is achtergebleven in de loods. Dat er geen zendmastgegevens zijn die [verdachte] op de plaats delict plaatsen maakt dat niet anders, omdat [verdachte] immers zelf heeft verklaard dat hij zijn telefoon op vliegtuigstand heeft gezet zodat kan worden voorkomen dat later gezien kan worden waar hij geweest is.\n\nConclusie ten aanzien van het bewijs en de betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [verdachte]Het hof stelt op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, vast dat [verdachte] en [medeverdachte 3] , samen met anderen, betrokken zijn geweest bij de woningoverval in Heerhugowaard. Het hof gaat ervan uit dat zij vanaf de loods in [plaats 2] in de auto van [medeverdachte 3] naar de plaats van het delict zijn vertrokken, en dat zij na afloop van de overval daarnaar ook zijn teruggekeerd.\n\nMedeplegen\n\nHet hof is van oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 3] als medeplegers hebben deelgenomen aan de overval in Heerhugowaard.\n\nVoorafgaand aan de overval zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] beiden betrokken geweest bij de voorbereiding en de planning van de overval. [verdachte] heeft met [medeverdachte 5] gesproken op 11 en 24 mei 2021 over het regelen van een wapen, munitie en een demper. Hierna zouden ze ‘ready’ zijn om de overval te plegen. Kort na die gesprekken spreken [verdachte] en [medeverdachte 3] op 31 mei 2021 af om ‘dingen te bespreken’. Op 2 juni 2021 worden wat berichten gewisseld over ‘ready’ zijn en kort daarna wordt in de nacht van 4 juni 2021 de overval gepleegd. Uit deze berichten blijkt dat sprake was van onderlinge afstemming voorafgaand aan de overval.\n\nOp de avond van de overval zijn de verdachten in de loods van [medeverdachte 3] in [plaats 2] , waarvandaan de verdachten gezamenlijk zijn vertrokken naar de woning in Heerhugowaard.\n\nHet hof gaat ervan uit dat [verdachte] een van de vijf overvallers is die te zien zijn op de camerabeelden die in de richting van het hek en het perceel van de woning lopen en dat hij één van de overvallers is geweest die binnen in de woning is geweest. [medeverdachte 3] bestuurde de auto naar de plaats delict en is buiten in de auto blijven wachten.\n\nNa afloop van de overval rijden de verdachten met de gestolen auto naar Winkel, die ze daar vervolgens achterlaten. Daarna zijn de verdachten weer samen naar de loods in [plaats 2] gegaan. Uit de telefoongegevens blijkt dat [verdachte] nog geruime tijd in de loods van [medeverdachte 3] is gebleven, voordat hij daar weer is opgehaald door zijn (ex-)vriendin.\n\nUit het bovenstaande blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 3] zich voorafgaand aan de overval intensief hebben beziggehouden met de planning daarvan. Op de avond van de overval wordt er gezamenlijk gereisd en lijkt sprake van een onderlinge taakverdeling, waarbij [medeverdachte 3] in de auto achterblijft zodat de overvallers na de overval snel weg kunnen komen . Na de overval gaat niet ieder zijn eigen weg, maar verzamelen de verdachten nog in de loods in [plaats 2] .\n\nOp grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Er was sprake geweest van onderlinge afstemming en een gezamenlijk plan. De bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde is van dusdanig gewicht geweest dat deze moet worden aangemerkt als medeplegen.\n\n6.2.5. Zaaksdossier Ararat\n\nOp 14 juni 2021 wordt in een woning in Berkhout het overleden lichaam van de heer [slachtoffer 10] aangetroffen. Hij heeft een schotverwonding in de borst. Vermoed wordt dat het slachtoffer die nacht in zijn woning is overvallen. Voor deze overval met dodelijke afloop worden alle vier de verdachten vervolgd: [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Behalve de poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend wordt ook aan de verdachten de gekwalificeerde doodslag verweten.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van zowel medeplegen van een poging diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend als het medeplegen van gekwalificeerde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging ten aanzien van de verdenking poging diefstal met geweld\n\nDe verdediging heeft betoogd dat een integrale vrijspraak voor beide feiten moet volgen.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de poging tot diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend en het medeplegen van gekwalificeerde doodslag is gekomen in de zaken tegen [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en verenigt zich met die beslissingen. Ook de daaraan ten grondslag liggende overwegingen neemt het hof voor een groot deel over. Gelet op het verhandelde in hoger beroep is op enkele punten een nuancering en aanvullingen opgenomen.\n\nOp grond van de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen in de bijlage neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.\n\nAantreffen van het slachtoffer [slachtoffer 10]\n\nOp maandag 14 juni 2021 rond 13:55 uur heeft de politie een melding gekregen dat in de woning aan het [adres 10] te Berkhout een overleden persoon lag. De politie is naar de woning gegaan en trof op de grond in de woonkamer, het levenloze lichaam aan van [slachtoffer 10] (geboren op [geboortedatum 2] ). [slachtoffer 10] lag op zijn buik, was op blote voeten en droeg alleen een onderbroek.\n\nSporen in de woning van het slachtoffer\n\nDe voordeur en het kozijn van de woning zijn beschadigd door wrikken met een breekijzer en een schroevendraaier. De ruit van de voordeur is gebroken. Op de vloer van de woning is een bloedsporenpatroon te zien en zijn afdruksporen gevonden die zijn veroorzaakt door blote voeten. Deze sporen liepen van de gang, via de woonkamer en de keuken tot bij de achterdeur in de bijkeuken en vervolgens terug tot aan de plaats in de woonkamer waar het lichaam van [slachtoffer 10] is gevonden. In de bijkeuken is op de grond een hockeystick gevonden. Op de buitenzijde van de voordeur en op de vloer in de gang zijn schoenzoolafdruksporen gevonden met een profiel dat overeenkomt met dat van Nike-schoenen. Moeten (indrukken) in het kozijn van de deur tussen de gang en de woonkamer wijzen erop dat daar een worsteling is geweest waarbij een breekijzer en een hockeystick zijn gehanteerd.\n\nOp de grond in de woonkamer is de vaste telefoon gevonden. Gebleken is dat er om 02:56:43 uur en 02:57:29 uur met deze telefoon is geprobeerd te bellen. Beide keren is er geen verbinding tot stand gekomen.\n\nOnderzoek aan het lichaam van het slachtoffer\n\nOnderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 10] heeft aangetoond dat hij schotletsel aan de borst had waardoor de rechterondersleutelbeenader en rechterlong zijn geperforeerd. Dit heeft geleid tot ademhaling- en longfunctiestoornissen en bloedverlies op basis waarvan het overlijden wordt verklaard. [slachtoffer 10] had ook een schotwond aan zijn linker ellenboog; dit betrof een doorschot en dit letsel is op één lijn te brengen met het schotkanaal door de borst. Verder zijn er meerdere bloeduitstortingen, waaronder één aan de borst die kan zijn opgelopen door een krachtinwerking met een langwerpig voorwerp. Het tijdstip van zijn overlijden wordt door de schouwarts geschat op 14 juni 2021 rond 03:00 uur.\n\nGeluidsopname camerasysteem [adres 11]\n\nEen camerasysteem bij de woning aan het [adres 11] heeft een video- en geluidsopname gemaakt. Op de geluidsopname is omstreeks 02:33 uur en 02:39 uur een auto te horen die een zwaar, sportief geluid maakt. Tussen 02:54 uur en 02:56 uur zijn meerdere dreunen te horen, en om ongeveer 02:55 uur is er een harde knal te horen die nog even na-echoot en waarna de schapen in het weiland beginnen te blaten. Om 02:59:21 uur is de eerder genoemde auto met zwaar, sportief geluid wederom te horen, die ditmaal in tegengestelde richting reed.\n\nTussenconclusie ten aanzien van het overlijden van [slachtoffer 10]\n\nUit het voorgaande concludeert het hof dat een of meer personen door middel van braak de woning van [slachtoffer 10] zijn binnengedrongen en dat er een gewelddadige confrontatie is geweest tussen deze persoon of personen en [slachtoffer 10] . Hierbij is geschoten wat heeft geleid tot een schotwond in de borst bij [slachtoffer 10] ten gevolge waarvan [slachtoffer 10] op 14 juni 2021 omstreeks 03:00 uur is overleden. Zeer kort daarna zijn de daders weer met een auto vertrokken.\n\nVuurwapen\n\nSporen op de kogel die in het lichaam van [slachtoffer 10] is gevonden zijn vergeleken met sporen op proefkogels uit het zilverkleurige vuurwapen dat op 29 juni 2021 bij het overleden lichaam van [medeverdachte 5] is gevonden. De deskundige heeft in het rapport wapen- en munitieonderzoek gerapporteerd dat de resultaten van dit onderzoek veel waarschijnlijker tot en met zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogel is afgevuurd uit de loop van dat vuurwapen, dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.\n\nSchotresten op het lichaam van [slachtoffer 10] zijn vergeleken met schotresten op het lichaam van [medeverdachte 5] en schotresten die zijn aangetroffen op het lichaam van [slachtoffer 1] (het mannelijke slachtoffer in het onderzoek Mainz). De drie verzamelingen deeltjes vertonen volgens de deskundige overeenkomsten. Het hof verwijst naar de overwegingen hierover die zijn opgenomen onder het kopje ‘zaaksdossier Mainz’. Het hof neemt de conclusie van de deskundige over.\n\nOp het in de woning van [medeverdachte 5] aangetroffen wapen is ook DNA-onderzoek verricht. In het rapport van 26 augustus 2021 heeft de deskundige opgenomen dat in drie bemonsteringen (namelijk #21, #23 en #29) DNA-materiaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] . In het rapport vergelijkend DNA-onderzoek van 28 oktober 2022 staat beschreven dat de bemonsteringen waarin DNA-materiaal was aangetroffen van op dat moment nog onbekende personen is vergeleken met de DNA-profielen van diverse slachtoffers, verdachten en andere personen. Uit dat rapport volgt dat in nog eens drie bemonsteringen (namelijk #17, #22, #24) DNA-materiaal is gevonden dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 2] . Uit deze zes bemonsteringen zijn telkens mengprofielen van verschillende donoren verkregen. Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] komt overeen met deze DNA-mengprofielen. De bewijskracht van de overeenkomsten met het profiel van [medeverdachte 2] variëren van circa 1,3 miljoen tot meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat DNA van [medeverdachte 2] in de bemonsteringen aanwezig is dan de kans dat het DNA betreft van een willekeurige, niet aan hem verwante persoon.\n\nIn één bemonstering (#17) is DNA-materiaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer [slachtoffer 10] . Het DNA-mengprofiel [profiel] is circa 240 duizend keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer 10] en drie willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van vier willekeurige onbekende personen.\n\nTussenconclusies ten aanzien het vuurwapen\n\nOp grond van het wapen- en munitieonderzoek, het vergelijkend schotrestenonderzoek, de toelichting van de deskundige ter terechtzitting van de rechtbank en bovengenoemd DNA-onderzoek concludeert het hof dat het wapen dat bij [medeverdachte 5] is gevonden, ook het wapen is geweest waarmee het schot is gelost dat [slachtoffer 10] dodelijk heeft getroffen. Het gebruikte wapen betreft – gelet op het feit dat het ook aan de dood van [medeverdachte 5] kan worden gekoppeld en er DNA van [medeverdachte 2] op is aangetroffen – een wapen dat in verband kan worden gebracht met deze groep verdachten.\n\nCamerabeelden en vluchtauto\n\nOp camerabeelden van [adres 11] is te horen dat rond drie uur ’s nachts een auto komt aanrijden uit de richting van de woning van [slachtoffer 10] . De auto lijkt snel op te trekken en rijdt zonder verlichting. Op diverse camerabeelden is de auto te volgen via Spierdijk tot in Opmeer.\n\nGetuige [getuige 8] heeft de auto die is te horen in een geluidsopname van het camerasysteem van een perceel aan de [adres 12] te Spierdijk herkend als zijn groene Opel Astra met kenteken [kenteken 5] en heeft verklaard dat hij zijn auto op 13 juni 2021 heeft uitgeleend aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .\n\nHet hof acht zijn verklaring betrouwbaar omdat zijn verklaringen consistent en gedetailleerd zijn geweest en bovendien bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Zo passen de zendmastgegevens van de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van 13 juni 2021 bij de verklaring van [getuige 8] en heeft [medeverdachte 3] in afgeluisterde gesprekken tussen hem en zijn moeder en met zijn toenmalige vriendin bevestigd dat hij de auto van [getuige 8] heeft geleend.\n\nDe Opel Astra met kenteken [kenteken 5] is op 11 november 2021 door [medeverdachte 3] ingeleverd bij een auto demontagebedrijf in Blokker.\n\nTussenconclusie ten aanzien van de groene Opel Astra\n\nVanwege het tijdstip (zeer kort nadat [slachtoffer 10] dodelijk gewond is geraakt) en omdat de auto zonder verlichting reed en snel optrok, gaat het hof ervan uit dat de groene Opel Astra van [getuige 8] is gebruikt als vluchtauto. Ook deze vluchtauto kan gelet op wat hiervoor is overwogen aan de groep van de verdachten worden gekoppeld.\n\nVoorverkenningen en ‘voorbesprekingen’\n\nOp twee telefoons van [medeverdachte 5] zijn notities gevonden die beide op 5 december 2020 zijn gemaakt. In de notities staat: ‘Berkhout [adres 10] ’ resp. ‘ [adres 10] ’.\n\nOp 6 juni 2021 om 16:14 uur heeft [verdachte] een bericht gestuurd aan [medeverdachte 5] dat luidt: “32 min”. [medeverdachte 5] antwoordde “aii totzo”.\n\nUit locatiegegevens gekoppeld aan de telefoon van [medeverdachte 5] (Google Cloud gegevens) blijkt dat hij op 6 juni 2021 van 16:02 uur tot ten minste 16:57 uur in de buurt van treinstation Hoorn is geweest. Hij is vervolgens over het [adres 27] in Berkhout in de richting van De Goorn gereden, waarbij [medeverdachte 5] rond 17.13 uur ter hoogte van de woning van [slachtoffer 10] reed. Daarna is hij teruggereden naar Hoorn via het [adres 13] in Berkhout. Ook de telefoon van [verdachte] maakt dan contact met een Cell-ID in Hoorn.\n\n [verdachte] heeft ten overstaan van het hof bevestigd dat hij op 6 juni 2021 met [medeverdachte 5] vanuit Hoorn is gereden en in de omgeving van Berkhout is geweest. [medeverdachte 5] had gezegd dat ‘dit de omgeving’ was, waaruit [verdachte] begreep dat dit ging om een klus. In de auto hebben zij over de klus gesproken.\n\nUit de Cell-ID gegevens van de telefoons en de verklaring van [verdachte] leidt het hof af dat [verdachte] en [medeverdachte 5] op 6 juni 2021 samen in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer 10] zijn geweest en toen over de geplande overval (de klus) hebben gesproken.\n\nUit chatberichten die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] op 7 juni 2021 vanaf 18:21 uur hebben uitgewisseld en uit de locatiegegevens van hun telefoons leidt het hof af dat zij elkaar hebben ontmoet bij een coffeeshop in Hoorn. De chatberichten suggereren dat ook [medeverdachte 3] daarbij aanwezig is geweest, wat is bevestigd door [medeverdachte 1] .\n\nOp 7 juni 2021 om 21:12 uur heeft [medeverdachte 5] aan [verdachte] geschreven: “mondhoude zitten wij op iedereen wachte die enge en punt ze getallen taart gelijke 100procent stil in punten gaat wel snijden”. [verdachte] antwoordde om 21:23 uur: “krijgt zelfde zowie 100 de deel bro zo iedereen”.\n\nOp 8 juni 2021 hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] contact gehad. [verdachte] heeft aan [medeverdachte 1] bericht: “gezegt heb je die [bijnaam 3] bro”, waarop [medeverdachte 1] heeft geantwoord: “jaaa”, “klaar alles zere wij gaan”. [bijnaam 3] (ook: [bijnaam 3] ) is de bijnaam van [medeverdachte 3] .\n\nOp 9 juni 2021 rond 03:15 uur heeft de telefoon van [medeverdachte 5] wederom over het [adres 13] in Berkhout bewogen. Aan het eind van het [adres 13] is hij gekeerd en dezelfde weg terug gereden. Voorafgaand aan en na deze reisbeweging is de telefoon van [medeverdachte 5] in de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 2] geweest.\n\nOp 9 juni 2021 rond 11:15 uur heeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] geschreven: “ [bijnaam 5] checken je komen is”. [medeverdachte 2] antwoordde: “aaai”, “was daaar”, “efe die kijke jwz man moete”. Vervolgens heeft [verdachte] gereageerd met: “ai”, “is maar goeie”, “happen g deze moeten we”, “geen grap”, “alles ready”. In een verhoor heeft [verdachte] verklaard dat “happen” betekent ‘proberen bij te verdienen’.\n\nIn de middag van 9 juni 2021 heeft [verdachte] geprobeerd [medeverdachte 3] telefonisch te bereiken. [medeverdachte 3] heeft vervolgens in chatberichten aan [verdachte] gemeld: “aan stiefmoeder thuis t werk is”, “dat niet te horen bro die hoeft”. [verdachte] antwoordde: “oke bro cool”, “ [bijnaam 6] naar dalijk ga”, “bro en”, “regel alles”, “je weet precies”. [bijnaam 6] is een bijnaam van [medeverdachte 2] .\n\nOp 10 juni 2021 heeft [medeverdachte 1] aan [verdachte] gevraagd: “wie is [bijnaam 10] ”. [verdachte] antwoordde: “ [medeverdachte 2] broertje”. [medeverdachte 1] schreef daarop: “ [bijnaam 10] en hij [medeverdachte 2] halen zegt”. [medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij door anderen ‘ [bijnaam 10] ’ wordt genoemd en zijn telefoonnummer stond in de telefoon van [medeverdachte 5] opgeslagen als ‘ [bijnaam 10] ’.\n\nOp 11 juni 2021 zijn er chatberichten verstuurd tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] uitte daarin zijn onvrede over [medeverdachte 3] (“ [bijnaam 3] ”) die hij ‘kk driver’ noemt. [verdachte] antwoordde: “dingen met hem gesproken”, “zondag gaan”, “bro ik die doen torrie weet”, “goed alles hij moet fixen maken”, “ook gaat doen ie”.\n\nOp 12 juni 2021 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] elkaar onderstaande berichten geschreven.\n\n [medeverdachte 3] : [betrokkene 2]\n\n [medeverdachte 1] : ja wat is plan wil je doen wat\n\n [medeverdachte 3] : jagen\n\n [medeverdachte 1] : nooo je blijf rustig vandaag risico lopen nu geen voor ga saus\n\nmorgen belangrijk dag verpeste het niet ga\n\n [medeverdachte 3] : zijn met oke dan rijden pak morgen we [betrokkene 2] even rustig rondje ik en bespreken ook want auto gaan weten te hij hoeft niet veel die eventueel voet licht als ik andere er heb al nieuwe niet\n\n [medeverdachte 1] : niks je hem zegt die je auto pakt gewoon\n\n [medeverdachte 3] : yes op aan kunnen maar wel van moet\n\n [medeverdachte 1] : auto geregeld morgen voor jongen\n\n [medeverdachte 3] : ik pak zijn auto heb gezegd keer tien je al ik anders morgen starten de we alfa en op niet tijds we dat voor bij auto ga verrassingen mar komen pakken te staan zijn\n\n(…)\n\n [medeverdachte 1] : bel [betrokkene 2]\n\nis hoeveel vraag ze tank\n\n [medeverdachte 3] : didii zijn tank is voor hij heeft auto wat astra sport\n\nEn op 13 juni 2021:\n\n [medeverdachte 1] : nu hij onderweg is\n\n [medeverdachte 3] : si\n\nmij ook osso haal.\n\nOp 13 juni 2021 om 22:29 uur heeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] gestuurd: “broer moet je halen we”. [medeverdachte 2] antwoordde: “waar jullie”, “reddy”. [medeverdachte 1] schreef vervolgens: “nu obdam”, waarna [medeverdachte 2] chatte: “loods ga wacht”.\n\nOp 14 juni 2021 om 00:06 uur heeft [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] getekst: “Ewa broer, doe je ding goed”. [medeverdachte 1] antwoordde: “Ja broer thans”.\n\nOp 14 juni 2021 om 00:21 uur stuurde [medeverdachte 2] aan [verdachte] : “open dan swa”.\n\nTussenconclusie met betrekking tot voorverkenningen en voorbesprekingen\n\nDe politie heeft de verdachten gevraagd naar de betekenis van de hiervoor genoemde chatberichten. [verdachte] heeft in hoger beroep verklaard dat de tekstberichten van 11 juni en 13 juni 2021 waaraan hij deelneemt over deze klus gaan. Verder is een aannemelijke uitleg voor deze chatberichten uitgebleven. De chatgesprekken die de verdachten met elkaar hebben gevoerd zijn door de verdachten gewist. De politie heeft de chatgesprekken gedeeltelijk kunnen terughalen, maar de woordvolgorde is daardoor gewijzigd (‘scrambled’). Desondanks wijst de inhoud van de berichten op een overval (torrie, happen, iedereen krijgt een gelijk deel) en er wordt ook gesproken over “zondag gaan” en “morgen belangrijk dag” wat past bij de nacht waarin de overval op [slachtoffer 10] plaatsvond (van zondag 13 op maandag 14 juni 2021) en dit is ook door [verdachte] in hoger beroep bevestigd. Uit de voorgaande berichtenuitwisselingen leidt het hof verder af dat er behalve op 6 juni 2021 ook op 7 en 9 juni 2021 kortstondige bezoeken aan het [adres 13] in Berkhout hebben plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in chatgesprekken en door middel van voorverkenningen de overval op [slachtoffer 10] hebben voorbereid.\n\nAanwezigheid van de verdachten in de loods in [plaats 2] in de avond en nacht van de overval (13 op 14 juni 2021)\n\nUit de verklaring van zowel [verdachte] als die van [medeverdachte 2] blijkt dat zij die avond\u002Fnacht in de loods in [plaats 2] zijn geweest. [verdachte] heeft verklaard dat er toen meerdere personen aanwezig waren .\n\nUit telefoongegevens blijkt dat de telefoons van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] in die avond\u002Fnacht contact maken met een Cell-ID van een zendmast die dekking geeft aan de locatie van de loods in [plaats 2] . De telefoon van [medeverdachte 1] maakte tussen 13 juni 2021 22:50 uur en 14 juni 2021 01:34 uur contact met een Cell-ID van een zendmast die dekking geeft aan de loods in [plaats 2] .\n\nDe telefoon van [medeverdachte 2] heeft op 14 juni 2021 tussen 01:18 uur en 02:05 uur middels data contact gemaakt met Cell-ID’s van een zendmast die dekking biedt aan diezelfde loods.\n\nOp 14 juni 2021 om 01:23 uur maakte de telefoon van [medeverdachte 3] contact met een Cell-ID van diezelfde zendmast.\n\nDe telefoon van [verdachte] maakte om 01:34:06 uur contact met een Cell-ID die dekking biedt aan de loods in [plaats 2] .\n\nUit zendmastgegevens en locatiegegevens van de telefoon van [medeverdachte 7] volgt dat hij tussen ongeveer 18:01 uur en 23:06 uur in de buurt van de woning van [medeverdachte 2] is geweest en vanaf 00:26 uur in de omgeving van de loods in [plaats 2] aanwezig was.\n\nTussenconclusie met betrekking tot aanwezigheid in de loods voorafgaand aan overval\n\nUit de hiervoor genoemde verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 2] , en uit de gegevens over de locatie van de telefoons van de verdachten leidt het hof af dat [medeverdachte 7] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] rond half twee ’s nachts in de nacht waarin de overval op [slachtoffer 10] plaats heeft gevonden, in de omgeving van de loods in [plaats 2] zijn geweest.\n\nDeze conclusie wordt ondersteund door het hiervoor genoemde chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 13 juni 2021 (“loods ga wacht”), de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie op 12 juli 2022, de ARS-gegevens van de auto van [getuige 9] (de toenmalige vriendin van [verdachte] ), en het volgende chatgesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] op 13 juni 2021 tussen 21:49 en 00:04 uur:\n\n [medeverdachte 1] : broer al je onderweg ben\n\n [bijnaam 6] wij moeten halen toch\n\n [verdachte] : [bijnaam 5] halen zou ze gaan\n\n(…)\n\n [verdachte] : er ik bijna bro ben\n\n [medeverdachte 1] : toch [plaats 2]\n\n [verdachte] : man ja\n\n [medeverdachte 1] : aii\n\nbroer parra op niet mijn worden\n\nstraks\n\n [verdachte] : waarom\n\nwat\n\n [medeverdachte 1] : [bijnaam 3]\n\n [verdachte] : net die mat wat\n\n [medeverdachte 1] : neus\n\n [verdachte] : met lat hem ze neus\n\nmaar als shit ze ie\n\ndoet\n\nis daat ie\n\n [medeverdachte 1] : ja\n\n(…)\n\n [verdachte] : ben er ik.\n\nHet hof begrijpt uit deze (gewiste maar gescrambled teruggehaalde) berichten dat [verdachte] onderweg was naar de loods in [plaats 2] en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] daar reeds waren. [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] zijn kennelijk door [medeverdachte 5] ( [bijnaam 5] ) naar de loods gebracht. [verdachte] is gelet op het chatbericht van [medeverdachte 2] aan [verdachte] (“open dan swa”) kennelijk eerder dan de anderen aangekomen in de loods en moest de deur voor hen openen.\n\nBeeldmateriaal gemaakt in de loods\n\nDat [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] rond half twee ’s nachts in de loods in [plaats 2] waren, wordt verder bevestigd door beeldmateriaal dat daar is gemaakt. Op de telefoon van [medeverdachte 7] stonden foto’s opgeslagen waarop hij en [medeverdachte 2] samen te zien zijn. Die foto’s zijn die nacht gemaakt in de loods om 01:27 uur en 01:28 uur. Om 01:29 uur is in het kantoor van de loods een filmpje gemaakt met de telefoon van [medeverdachte 1] . Op dat filmpje is [medeverdachte 1] te zien en is de stem van onder andere [medeverdachte 2] te horen. Op het filmpje is een tas zichtbaar met daarin een zwart vuurwapen met een houtkleurig handvat (dat volgens verbalisant overeenkomsten heeft met een Scorpion vuurwapen), handschoenen en tape.\n\n [verdachte] heeft bij het hof verklaard dat hij die avond\u002Fnacht in de loods een wapen, te weten een Scorpion, heeft gezien.\n\nTelefoons van de verdachten uitgeschakeld of inactief tijdens overval\n\nKort na de video-opname zijn de telefoons van de verdachten uitgezet of was daarop geen activiteit in de zin van telecommunicatie of geregistreerde stappen. Het hof stelt vast dat dit ook nog zo was gedurende de tijd dat de overval op [slachtoffer 10] plaatsvond.\n\nLocatie van de telefoons van de verdachten na de overval en de vlucht van [medeverdachte 7]\n\nToen de telefoon van [verdachte] om 03:24 uur weer een dataverbinding maakte, is de verbinding opgebouwd via een Cell-ID die dekking biedt aan de loods in [plaats 2] . De telefoon van [medeverdachte 2] maakte om 04:26 uur een datacontact met een zendmast die dekking bood aan diezelfde loods. De telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] maakten voor het eerst weer contact om respectievelijk 05:52 uur en 05:39 uur, via zendmasten die onder meer dekking bieden aan hun woningen.\n\nDe telefoon van [medeverdachte 7] is om 03:03 uur weer aangezet, dus zeer kort na de overval. [medeverdachte 7] was op dat moment in Berkhout. [medeverdachte 7] is te zien op camerabeelden die zijn opgenomen op het [adres 14] en [adres 15] in Berkhout en de [adres 16] in Hoorn. De kleding en de schoenen die [medeverdachte 7] die avond droeg (te zien op de foto’s die in de loods in [plaats 2] zijn gemaakt om 01:27 uur en 01:28 uur) komen overeen met de kleding en schoenen van de persoon die op deze camerabeelden te zien is en [medeverdachte 7] heeft in verhoren bij de politie en als getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris bevestigd dat hij de persoon is die op de camerabeelden is te zien. Behalve [medeverdachte 7] zijn op die camerabeelden geen andere personen te zien. [medeverdachte 7] heeft echter verklaard dat hij samen met anderen in een auto naar de plek in Berkhout is gereden waar – volgens [medeverdachte 7] – zou worden ingebroken.\n\nOm 10:54 uur startte een dataverbinding vanaf de telefoon van [medeverdachte 7] naar een Cell-ID in een zendmast die dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] . Uit een om 13:21 uur opgenomen video opgeslagen op de telefoon van [medeverdachte 7] volgt dat [medeverdachte 7] toen in de schuur bij de woning van [medeverdachte 2] was.\n\nVerschillende verdachten hebben verklaard dat de telefoons werden uitgezet als een klus werd uitgevoerd, ook als je uiteindelijk niet mee ging. Dit om te voorkomen dat ze in verband zouden kunnen worden gebracht met een bepaalde inbraak\u002Foverval. Dat dit in elk geval niet voor iedereen gold leidt het hof al af uit het feit dat [medeverdachte 5] ten tijde van de overval op de woning van [slachtoffer 10] in Berkhout zijn telefoon niet had uitgezet. Van [medeverdachte 5] kan worden vastgesteld dat hij niet op de plaats delict was. Naar het oordeel van het hof levert dit een aanwijzing op dat de telefoons werden uitgezet op het moment dat feitelijk naar de woning of het pand werd gereden die\u002Fdat zou worden overvallen.\n\nTussenconclusie aankomst bij en vertrek van de plaats van het delict\n\nHet voorgaande in onderlinge samenhang bezien leidt het hof tot de conclusie dat de verdachten in de Opel Astra vanaf de loods in [plaats 2] naar de woning van het slachtoffer zijn gereden. Na de overval is [medeverdachte 7] te voet gevlucht in de richting van Hoorn en hij is in de loop van de ochtend weer bij de woning van [medeverdachte 2] gearriveerd. De andere aanwezigen in\u002Fbij de woning in Berkhout zijn met de groene Opel Astra gevlucht, die via Spierdijk naar de loods in [plaats 2] is gereden.\n\nChat [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] 14 juni 2021\n\nOp 14 juni 2021 om 15:50 uur heeft [betrokkene 1] aan [medeverdachte 1] geschreven: “Was gelukt of niet”. [medeverdachte 1] stuurde [betrokkene 1] vervolgens twee audioberichten, waarin hij onder meer zegt: “Het is uit de hand gelopen broer uhhh.” en “Zoals ik gister al zei broer. Ik ben er klaar mee.”\n\nOntkennende verklaringen verdachten\n\nAlle vier de verdachten hebben – ook ten overstaan van het hof – ontkend bij de overval in Berkhout, waar [slachtoffer 10] in zijn woning om het leven is gekomen, aanwezig te zijn geweest.\n\n [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben kort gezegd verklaard wel op de hoogte te zijn geweest van het plan om deze woning te overvallen. Er zou veel contant geld aanwezig zijn, waarbij een bedrag van 100.000 euro is genoemd. Ook waren zij betrokken bij de voorbereidingen en hebben zij met anderen over het plan gesproken, maar uiteindelijk zijn zij niet meegegaan.\n\n [medeverdachte 2] heeft verklaard geen enkele betrokkenheid te hebben gehad bij dit feit. Hij is wel in de loods geweest, maar dit was om hennep te knippen.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft in hoger beroep ook verklaringen afgelegd over dit zaaksdossier. Hoewel het hof eerder heeft overwogen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] die hij als verdachte en als getuige in hoger beroep heeft afgelegd, betrouwbaar zijn en voor het bewijs gebezigd kunnen worden, geldt dat niet voor zijn verklaringen over het onderzoek Ararat.\n\nUit de inhoud van het dossier bezien in samenhang met de inhoud van zijn verklaringen, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] zijn eigen rol in dit zaaksdossier marginaliseert en ook de rol van verschillende anderen kleiner maakt. Het door hem geschetste alternatieve scenario is in het licht van de inhoud van het dossier ook onvoldoende aannemelijk geworden. Op grond van wat hierna wordt overwogen concludeert het hof dat alle vier de verdachten aanwezig zijn geweest op de plaats delict. Gelet hierop zal het hof de verklaringen van [medeverdachte 1] over dit zaaksdossier niet als bewijsmiddel gebruiken. Het hof zal de verklaring evenmin in ontlastende zin gebruiken, omdat het geschetste alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk is geworden.\n\nVerklaringen van getuigen met wie de verdachten hebben gesproken\n\n [betrokkene 1] is als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft toen verteld dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 1] bij de overval op [slachtoffer 10] betrokken was. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 1] veel moeite heeft gehad met wat er is gebeurd, er slecht van sliep, geschrokken was en er nachtmerries van had.\n\nHet hof acht de verklaring van [betrokkene 1] bruikbaar voor het bewijs, omdat deze steun vindt in de verklaring van getuige [getuige 10] .\n\n [getuige 10] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij de overval op [slachtoffer 10] en dat bij die overval door [medeverdachte 2] is geschoten met een revolver. Hij hoorde dit van [medeverdachte 1] op de dag na de overval, toen zij bij een feestje bij [betrokkene 3] thuis waren.\n\nHet hof acht deze verklaring van [getuige 10] betrouwbaar. [getuige 10] is consistent en gedetailleerd geweest in zijn verklaringen en niet gebleken is van een motief bij [getuige 10] om een valse verklaring af te leggen. Maar belangrijker nog is dat zijn verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat [slachtoffer 10] is doodgeschoten met een revolver komt overeen met de resultaten van het forensisch onderzoek. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] in een chatbericht op 14 juni 2021 om 18:25 uur (de dag na de overval op [slachtoffer 10] ) aan [medeverdachte 2] getekst: “zit bij [betrokkene 3] ”. Dat bevestigt dat [medeverdachte 1] die dag bij [betrokkene 3] thuis was, zoals [getuige 10] heeft verklaard.\n\nWat verder bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [getuige 10] is het feit dat er ook een verklaring is afgelegd door een persoon die op enig moment gedetineerd heeft gezeten in dezelfde penitentiaire inrichting als [medeverdachte 2] . Deze ‘beperkt anonieme medegedetineerde ( [nummer] )’ heeft verklaard dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld over een overval met dodelijke afloop. [medeverdachte 2] heeft deze medegedetineerde gezegd dat [medeverdachte 2] voorop liep en gewapend was, dat na het betreden van de woning een aantal stappen gedaan zijn en dat er toen iemand de trap af kwam. Het wapen is toen gericht, er heeft een klein handgemeen plaatsgevonden waarbij het vuurwapen vastgepakt werd of tegen het wapen is geslagen door het slachtoffer en het vuurwapen is afgegaan. Het slachtoffer is ter hoogte van zijn borst geraakt. [medeverdachte 2] heeft de getuige ook verteld dat het wapen dat bij de overval is gebruikt, een Smith & Wesson .357 was en dat een vriend van [medeverdachte 2] met hetzelfde wapen zelfmoord gepleegd zou hebben.\n\nOok deze verklaring is naar het oordeel van het hof bruikbaar voor het bewijs. Onderdelen van de verklaring van de medegedetineerde vinden immers steun in andere bewijsmiddelen. Dat de verdachten slechts enkele stappen in de woning hebben gedaan, dat er een handgemeen is geweest in de buurt van de trap en dat er een schot is gelost en de verdachte(n) vervolgens is\u002Fzijn vertrokken, komt overeen met de sporen die zijn gevonden in de woning van [slachtoffer 10] . Dat zowel [medeverdachte 2] als het slachtoffer het wapen hebben aangeraakt komt overeen met de resultaten van het DNA-onderzoek dat is verricht op het wapen. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld wanneer het DNA van [medeverdachte 2] op het wapen terecht is gekomen, komt aan deze bevinding wel redengevende betekenis toe gelet op de overige bewijsmiddelen. Verder is juist dat het gebruikte wapen een Smith & Wesson .357 was, dat [slachtoffer 10] in de borst is geraakt en dat ook [medeverdachte 5] met datzelfde wapen om het leven is gekomen. Er is niet gebleken van een motief bij deze getuige om een valse verklaring af te leggen en ook is niet aannemelijk geworden dat deze getuige de informatie in zijn verklaring heeft verkregen uit de media of door het lezen van het (voorgeleidings)dossier van [medeverdachte 2] . Belangrijk om op te merken is dat de medegedetineerde de informatie van [medeverdachte 2] heeft gehoord in december 2021, terwijl pas uit het DNA-rapport van 28 oktober 2022 is gebleken dat er ook DNA van [slachtoffer 10] op het wapen zat. De medegedetineerde kon in december 2021 dan ook niet weten dat in oktober 2022 bevestigd zou worden dat [slachtoffer 10] het wapen heeft aangeraakt. Sommige onderdelen van de verklaring van de medegedetineerde kloppen weliswaar niet met andere onderzoeksresultaten (namelijk dat er een Audi RS3 is gebruikt en dat degene die te voet vluchtte dezelfde persoon is als degene die zelfmoord pleegde), maar de hiervoor beschreven punten die wel overeenstemmen wegen voor het hof zwaarder.\n\nVerder is van belang om te markeren dat deze getuigenverklaringen elkaar ook onderling ondersteunen.\n\nVerklaring [medeverdachte 11] over rol [medeverdachte 3]\n\n [medeverdachte 11] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) ook bij de overval is geweest op die man in Berkhout. Hij heeft ook toen als chauffeur opgetreden. Dat [medeverdachte 11] hier spreekt over het zaaksdossier Ararat leidt het hof af uit zijn opmerking dat dit die zaak is waar de politie die man op de camera’s heeft gezien, een jongen uit Alkmaar. Dit komt overeen met de informatie in het dossier dat op de camerabeelden [medeverdachte 7] is gezien. [medeverdachte 7] is afkomstig uit Alkmaar en heeft als getuige verklaard dat hij daar toen aanwezig is geweest. Bovendien heeft de getuige verklaard over de door [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) geleende auto van iemand uit Heerhugowaard. Ook dit wordt door de onderzoeksresultaten bevestigd. De auto die gebruikt is bij de overval en te horen is op de camerabeelden is immers herkend door getuige [getuige 8] die bevestigd heeft dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn auto hebben geleend.\n\nTussenconclusie met betrekking tot verklaringen van getuigen\n\nOp grond van het voorgaande concludeert het hof dat verschillende personen hebben verklaard dat zij van [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] hebben gehoord dat [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] betrokken is\u002Fzijn geweest bij de overval op [slachtoffer 10] . Voormalig medeverdachte [medeverdachte 11] heeft over de betrokkenheid van [medeverdachte 3] verklaard. Twee van de getuigen hebben [medeverdachte 2] aangewezen als de schutter. Nu deze verklaringen steun vinden in de resultaten van het forensisch onderzoek, gaat het hof ervan uit dat [medeverdachte 2] degene is geweest die het schot heeft gelost als gevolg waarvan [slachtoffer 10] is overleden.\n\nConclusie\n\nHet hof leidt uit het voorgaande af dat alle vier de verdachten betrokken zijn geweest bij de voorbereiding en de uitvoering van de overval op de woning van [slachtoffer 10] . Al in de dagen voorafgaand aan de overval is over de ‘klus’ gesproken en is de omgeving voorverkend. Voor wat betreft de verschillende rollen kan vastgesteld worden dat [medeverdachte 3] de chauffeur was van de vluchtauto en dat [medeverdachte 2] heeft geschoten. Hoewel de rollen van [verdachte] en [medeverdachte 1] niet verder kunnen worden geduid, is het hof van oordeel dat deze rollen in elk geval voldoende waren voor medeplegen. De verdachten hebben immers (allen) in de voorfase overleg gevoerd over de overval, [verdachte] heeft met [medeverdachte 5] de omgeving voorverkend, ze hebben op het moment van vertrek naar de woning in Berkhout allemaal hun telefoon uitgezet, zij zijn gezamenlijk naar de woning in Berkhout toegegaan waarna [medeverdachte 3] achterbleef in de auto om direct de vluchtauto te kunnen besturen. De overige verdachten (en [medeverdachte 7] ) zijn naar de woning gegaan om het vooraf besproken doel, te weten het halen van een groot contant geldbedrag dat men dacht daar aan te zullen treffen, te realiseren.\n\nDat het geld uiteindelijk niet is meegenomen en dus de diefstal niet is voltooid kan worden verklaard door het schot dat is gelost en in elk geval direct tot levensgevaarlijke verwondingen bij [slachtoffer 10] heeft geleid. Gelet hierop is het aannemelijk dat de verdachten direct na het dodelijke schot de woning hebben verlaten en zijn vertrokken.\n\nHet hof acht voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het medeplegen van de poging diefstal met (bedreiging met) geweld de dood ten gevolge hebbend.\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachte is ook het medeplegen ten laste gelegd van gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Sr). Het hof verwijst allereerst naar de in zaaksdossier Zwenkau gemaakte algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag. Hieronder licht het hof toe waarom voor [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan die eisen is voldaan.\n\nOpzet\n\nOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 10] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en een groot geldbedrag buit te maken. Er is dus geen sprake van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 10] .\n\nVoorwaardelijk opzet\n\nVan belang om te markeren is dat [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voorafgaand aan de overval in de woning van [slachtoffer 10] , betrokken zijn geweest bij eerdere overvallen die zij gezamenlijk hebben gepleegd en waarbij vuurwapens zijn gebruikt. In twee gevallen is dat vuurwapen ook daadwerkelijk afgevuurd, namelijk in de onderzoeken Mainz en Zwenkau. In het onderzoek Mainz is met een wapen in de richting van het hoofd van slachtoffer [slachtoffer 1] geschoten toen hij zich verzette tegen de overvallers. In het onderzoek Zwenkau is komen vast te staan dat het slachtoffer [slachtoffer 5] in haar hals is geschoten toen zij en haar partner zich verzetten tegen de overvallers. Gelet op de betrokkenheid van de verdachten bij deze eerdere overvallen waarbij vuurwapens zijn gebruikt, moesten de verdachten er ook bij deze overval ernstig rekening mee houden dat een of meer wapen(s) zou(den) worden meegebracht en gebruikt. Door kennelijk een vuurwapen direct bij de hand te hebben, hebben de verdachten zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat bij verzet door [slachtoffer 10] het vuurwapen zou worden gebruikt en dat hij daardoor zodanig ernstig gewond zou raken, dat zijn dood het gevolg zou zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat schotwonden onder omstandigheden dit gevolg kunnen hebben. Bovendien is [slachtoffer 10] in de borst geschoten. De borst is een kwetsbaar deel van het lichaam omdat zich daarin vitale organen bevinden.\n\nAangezien deze vier verdachten in (deels) dezelfde samenstelling (in deze aangevuld met [medeverdachte 7] ), wederom midden in de nacht, een tijdstip waarop bewoners doorgaans thuis zijn, gewapend naar een woning zijn gegaan met het doel de bewoner met (bedreiging met) geweld te beroven, hebben zij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook bij deze overval de bewoner zou worden neergeschoten in geval van verzet.\n\nDaarnaast is op het filmpje van de tas met de Scorpion (dat is gemaakt kort voor vertrek vanuit de loods naar Berkhout) [medeverdachte 2] te horen en [medeverdachte 1] te zien. [verdachte] heeft ten overstaan van het hof bevestigd dat hij die avond in de loods de Scorpion heeft gezien. De verdachten hadden daarom nog meer reden om rekening te houden met de aanwezigheid van een vuurwapen. Voor [medeverdachte 2] geldt bovendien dat hij door het hof als de schutter wordt beschouwd en dus van de aanwezigheid van dat vuurwapen op de hoogte was.\n\nOogmerk\n\nDuidelijk is dat de verdachten uit waren op het contante geld dat in de woning van [slachtoffer 10] aanwezig was. Zij hebben de voordeur van de woning opengebroken, ten minste één van de verdachten heeft de woning betreden, waarna in de hal van de woning een gevecht heeft plaatsgevonden met [slachtoffer 10] en [slachtoffer 10] is daarbij in de borst geschoten. Daarna heeft\u002Fhebben de in de woning aanwezige verdachte(n) de woning van [slachtoffer 10] verlaten.\n\nDe raadslieden van de verdachte hebben betoogd dat het dossier geen aanwijzing bevat dat het schot werd gelost met het oogmerk de overval te begunstigen of straffeloosheid te verzekeren. Oogmerk veronderstelt een bewuste, op een bepaald doel gerichte wilshandeling. Een (impulsief en mogelijk per ongeluk afgevuurd) paniekschot tijdens een worsteling, het onmiddellijk vluchten van de verdachten, het nog leven van het slachtoffer op het moment dat de woning werd verlaten en het feit dat er geen voortgezette zoektocht naar de buit heeft plaatsgevonden wijzen juist op het tegendeel, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nBij de eerdere overvallen Mainz en Zwenkau is door de verdachten geschoten op het moment dat de slachtoffers zich verzetten tegen de overvallers. Ook bij de hierna te bespreken overval in het onderzoek Willich is door de overvallers ( [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) geschoten op het moment dat het slachtoffer verzet bood. Uit dit patroon leidt het hof af dat de verdachten bij al deze overvallen kennelijk vuurwapens hebben meegebracht om zo nodig te gebruiken op het moment dat de slachtoffers verzet zouden bieden.\n\nUit de verklaring van de beperkt anonieme medegedetineerde blijkt dat [medeverdachte 2] het wapen heeft gericht op [slachtoffer 10] op het moment dat deze de trap af kwam. Met andere woorden: op dat moment heeft [medeverdachte 2] de keuze gemaakt om het wapen als dreigmiddel te gebruiken tegenover mogelijk verzet. De beperkt anonieme medegedetineerde heeft verder verklaard dat er vervolgens een klein handgemeen heeft plaatsgevonden waarbij het vuurwapen vastgepakt werd of tegen het wapen is geslagen door het slachtoffer en het vuurwapen is afgegaan. Deze verklaring is verder weinig concreet en specifiek over de gang van zaken, en hiermee is op zichzelf dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat het schot per ongeluk is afgegaan. Uit de verklaring blijkt bijvoorbeeld niets over het verloop van de worsteling, hoe het kan dat het vuurwapen op de borst van [slachtoffer 10] was gericht, hoe het wapen door het slachtoffer dan zou zijn vastgepakt of hoe hij tegen dat wapen zou hebben geslagen, of het vuurwapen al schietklaar was voorafgaand aan de worsteling of pas later en hoe het kan dat het vuurwapen “is afgegaan” (is het wapen afgegaan zonder dat de trekker werd overgehaald, heeft [medeverdachte 2] in een reflex de trekker overgehaald, of was er nog een andere oorzaak).\n\nDat verdachten na het schot onmiddellijk zijn gevlucht, dat het slachtoffer op dat moment nog leefde en dat er geen voortgezette zoektocht naar de buit heeft plaatsgevonden, is weliswaar een aanwijzing dat verdachten voorafgaand aan de overval niet het plan hadden om iemand dood te schieten, maar zegt niets over het oogmerk waarmee het schot tijdens de worsteling werd gelost.\n\nUit het feit dat het gebruik van een vuurwapen past binnen de gebruikelijke werkwijze van de verdachten, waarbij zowel bij overvallen voorafgaand aan deze overval als bij de hierop volgende overval door de verdachten is geschoten op het moment dat slachtoffers verzet boden, het feit dat [medeverdachte 2] een vuurwapen op [slachtoffer 10] heeft gericht op het moment dat hij de trap af kwam en het feit dat [slachtoffer 10] vervolgens verzet heeft geboden, kan het hof, ook bij gebrek aan een betrouwbare verklaring van één van de verdachten uit eigen wetenschap over de aanleiding voor het schot, geen andere conclusie verbinden dan dat [slachtoffer 10] kennelijk door [medeverdachte 2] is neergeschoten omdat [slachtoffer 10] de verdachten in zijn woning betrapte en zich tegen hen verzette, met het oogmerk om hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.\n\nHet hof acht dus het voor gekwalificeerde doodslag vereiste oogmerk aanwezig. Voor de hand ligt dat – gelet op de betrapping op heterdaad door en het daarop volgende verzet van [slachtoffer 10] – het vuurwapen is gebruikt om de vlucht mogelijk te maken (en dus: straffeloosheid te verzekeren). Uit de rechtspraak volgt overigens dat – zoals in het geval van [slachtoffer 10] – ook sprake kan zijn van het oogmerk om zich het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren in het geval de diefstal (nog) niet is voltooid en dus (nog) niets is weggenomen van het slachtoffer. Dat het wapen is afgegaan voordat er iets uit de woning van [slachtoffer 10] is weggenomen, vormt dus geen obstakel voor het aanwezig achten van het vereiste oogmerk.\n\nOogmerk en medeplegen\n\n [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben niet op [slachtoffer 10] geschoten. Ook degene die niet het bijkomende oogmerk had, kan echter voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag worden veroordeeld als hij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn mededader een derde zou doden om bijvoorbeeld de vlucht mogelijk te maken of straffeloosheid te verzekeren. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat daarvan in deze zaak sprake is.\n\nConclusie\n\nDe doodslag is vergezeld van een poging tot diefstal met geweld en is gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.\n\nHet hof merkt op dat sprake is geweest van eendaadse samenloop van de gekwalificeerde doodslag en de poging diefstal met (bedreiging met) geweld, de dood ten gevolge hebbend. Dat betekent dat deze gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.6. Zaaksdossier Willich\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging gekwalificeerde doodslag en het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het bewijs daarvoor volgt uit:\n\nde aangiftes;\n\nchatgesprekken voorafgaand aan de overval;\n\ncamerabeelden;\n\nde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 9] ;\n\nde omstandigheid dat het wapen dat is gebruikt bij de overval aan de verdachten gekoppeld kan worden;\n\nde door [medeverdachte 1] in hoger beroep afgelegde verklaringen.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich in dit zaaksdossier op het standpunt gesteld dat [verdachte] de schutter is geweest die op [slachtoffer 12] heeft geschoten. Uit het dossier blijkt dat het type wapen dat is gebruikt in deze zaak een Scorpion betreft. Volgens de advocaat-generaal kan dit type wapen aan [verdachte] worden gekoppeld. De verklaring van [verdachte] dat hij wist van de overval, maar niet mee is gegaan naar de overval is niet geloofwaardig gelet op de bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde\n\nOordeel van het hofZaaksdossier Willich gaat over een woningoverval in Noord-Scharwoude op 22 juli 2021.\n\nHet hof is evenals de rechtbank van oordeel dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag en het medeplegen van diefstal met (bedreiging van) geweld. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen en aanvullen waar nodig met verklaringen van de verdachten en bewijsmiddelen die in hoger beroep aan het dossier zijn toegevoegd. Het hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat kan worden vastgesteld dat [verdachte] de schutter is geweest in deze zaak.\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\nVerklaring [medeverdachte 1] in hoger beroep\n\n [medeverdachte 1] heeft bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [medeverdachte 4] , ‘ [medeverdachte 6] ’, [verdachte] , [medeverdachte 2] en hijzelf aanwezig waren bij de overval. Er was ook nog een andere jongen bij van wie een DNA-spoor is aangetroffen op de trui van de aangever [slachtoffer 12] . Deze jongen heeft buiten gewacht in de auto. Volgens [medeverdachte 1] was het de bedoeling wiet te stelen. Er moest snel geld [slachtoffer 12] , want het kon elk moment klaar zijn. De groep beroofde vaker wietplantages en het ging altijd goed in die zin dat ‘niemand een kogel kreeg’ en de politie werd niet gebeld door de slachtoffers. [medeverdachte 1] had van ‘ [bijnaam 7] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 8] ) gehoord dat er wiet in de woning lag. Hier zou tevoren over zijn gesproken met [bijnaam 7] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en hemzelf. Eén of twee dagen voor de overval zou [medeverdachte 1] zijn gaan kijken op de te overvallen locatie samen met [bijnaam 7] en [medeverdachte 2] .\n\nTijdens de overval is [medeverdachte 1] met [medeverdachte 6] in de schuur geweest waar de aangever [slachtoffer 11] zich bevond. De schuur werd ook als een woning gebruikt. [medeverdachte 6] had een bijl in zijn hand en rende op de aangever [slachtoffer 11] af, die daarna met tape is vastgebonden door [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat daarbij ook een wapen is getoond. De aangever [slachtoffer 11] zou hebben gezegd dat er wiet in het huis lag. Hierna zou zijn gevraagd om sleutels van de hoofdwoning, maar de aangever [slachtoffer 11] had deze niet.\n\n [medeverdachte 1] is de woning van de aangever [slachtoffer 12] binnengekomen door een raam te forceren. [medeverdachte 2] zou naar binnen zijn gegaan en de aangever [slachtoffer 12] gelijk tegen zijn gekomen. [medeverdachte 1] zag dat er binnen een worsteling ontstond tussen [medeverdachte 2] en de aangever [slachtoffer 12] .\n\n [medeverdachte 4] en [verdachte] stonden met [medeverdachte 1] buiten. [verdachte] stond aan de linkerkant en [medeverdachte 4] aan de rechterkant. [medeverdachte 1] stond bij het raam. Aan de linkerkant van [medeverdachte 1] ging vervolgens een wapen af. [medeverdachte 1] hoorde een ‘paf’. Toen het schot was gelost zag [medeverdachte 1] een Scorpion met een demper erop. [medeverdachte 1] zag dat de demper eraf vloog omdat deze er niet goed opgedraaid was. [medeverdachte 1] zag dat [verdachte] de demper van de grond pakte en weer op het wapen draaide. Het was ook [verdachte] die een wapen bij zich had. [medeverdachte 4] zou mensen buiten hebben bedreigd met een zwarte revolver.\n\nHet slachtoffer is naar buiten gevlucht via de voordeur, waarna [medeverdachte 1] naar binnen is gestapt via het kozijn. Hij zag bloed op de grond liggen. [medeverdachte 2] heeft een dweil gepakt en daarmee de grond gedweild om schoensporen uit te wissen. Hierna zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar boven gelopen. [medeverdachte 1] heeft geprobeerd een witte deur te openen. Toen dit niet lukte is hij weer naar beneden gegaan. Buiten was het druk geworden met toeschouwers. [medeverdachte 1] is teruggelopen naar de woning en heeft [medeverdachte 2] geroepen.\n\nZe zijn allemaal weggerend en bij de chauffeur in een witte auto gestapt. Na een klein stukje zijn ze uitgestapt en kwamen zij in een steeg terecht. In die steeg zijn [medeverdachte 1] en de andere overvallers te zien op de camerabeelden waarop ze ‘in een treintje achter elkaar lopen’. [medeverdachte 1] is op de camerabeelden naar eigen zeggen de persoon met de gevlekte rugtas. [medeverdachte 6] is naar zijn eigen auto gegaan en in de kofferbak gaan liggen. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 4] naar de woning van [medeverdachte 2] gegaan, maar wel via een omweg om camera’s te omzeilen.\n\nBij terugkomst in de woning van [medeverdachte 2] waren daar [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [getuige 1] en [medeverdachte 4] . Gedurende de overval heeft hij zijn telefoon uitgezet.\n\nVerklaringen van de aangevers [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12]\n\nDe overval heeft vanaf 03:44 uur plaatsgevonden aan de [adres 28] in Noord-Scharwoude. De locatie betreft een woonhuis met daarnaast een steeg en daaraan grenzend een schuur\u002Fgarage met woongedeelte. Aangever [slachtoffer 11] verbleef in de schuur en aangever [slachtoffer 12] in de woning. Beiden waren aan het slapen op het moment van de overval. [slachtoffer 11] is tijdens de overval bedreigd met een wapen, geschopt en vastgebonden met tape. De daders hebben [slachtoffer 11] naar geld en de wiet gevraagd. [slachtoffer 12] is beschoten, heeft gevochten met één van de daders en is ernstig gewond de woning uit gevlucht en naar het ziekenhuis gebracht. Op de eerste verdieping van de woning waar [slachtoffer 12] verbleef zijn een hennepkwekerij en onder andere hennepplantjes gevonden. Bij de overval zijn portemonnees, een sleutel, een telefoon en een breekijzer weggenomen.\n\nLetsel van de aangever [slachtoffer 12]\n\n heeft een schotwond opgelopen in de borst. Verder zijn bij hem gebroken ribben, een klaplong, letsel aan meerdere longkwabben en een bloeding in de borstholte vastgesteld. [slachtoffer 12] heeft vier liter bloed verloren en hij is geopereerd. Het hof is het met de rechtbank eens dat daarmee sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr.\n\nCamerabeeldenIn het dossier bevinden zich (beschrijvingen van) camerabeelden uit de omgeving van de plaats van het delict en camerabeelden van de omgeving van de [straat 1] \u002F [straat 2] \u002F [straat 3] in Noord-Scharwoude.\n\nUit de camerabeelden in de omgeving van de plaats delict ( [adres 29] ) volgt dat bij de overval sprake was van één dadergroep van vijf personen. Te zien is dat om 03:44 uur deze groep van vijf personen de steeg van [adres 28] binnengaat. Dit is hetzelfde tijdstip als het tijdstip waarop volgens de aangevers de overval heeft plaatsgevonden. Op de verschillende beelden zijn vijf personen te zien in donkere kleding met hoodies. De getuige [getuige 11] , die vier van de vijf daders de steeg uit zag komen en in de rug werd gelopen door een vijfde dader met een revolver, heeft het over in ieder geval drie personen met gezichtsbedekking (kappen). Omstreeks 04:34 uur verlaten de vijf personen de plaats van het delict.\n\nOmstreeks 04:40 uur is vervolgens een groep van vijf personen in donkere kleding en hoodies te zien op de [straat 1] . Deze groep personen loopt door naar de [straat 2] . Op de beelden van de [adres 20] (in samenhang met de beelden van [adres 21] ) is te zien dat drie van deze vijf personen gezichtsbedekking dragen. Verder is op de camerabeelden van zowel de [straat 5] , als op die van de [adres 21] en [adres 20] te zien dat één van de vijf personen een rugtas draagt met een vlekkerige print, ook wel camouflageprint genoemd. Tenslotte is de portemonnee van aangever [slachtoffer 12] nog dezelfde dag teruggevonden in een speeltuin gelegen achter een woning aan de [adres 22] . Het hof merkt op dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de persoon is op de camerabeelden met ‘de gevlekte rugtas’.\n\nHet hof is het met de rechtbank eens dat de vijf personen die te zien zijn op de camerabeelden van de plaats delict dezelfde personen zijn als de personen op de camerabeelden van de omgeving [straat 1] \u002F [straat 2] \u002F [straat 3] . Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het aantal personen, de rugtas met camouflageprint en gezichtsbedekking op de camerabeelden overeen komen . Dat de bovenkleding in het ene proces-verbaal als donker en in het andere proces-verbaal als licht wordt beschreven doet daar niets aan af omdat kleding kan zijn uittrokken. Hiervoor vindt het hof ook bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 1] die heeft verklaard altijd een ‘dubbele laag’ kleding te dragen. Bovendien heeft [medeverdachte 1] ook verklaard over een dadergroep van vijf personen en een chauffeur die in de auto bleef.\n\nVoorbereiding en afspreken bij [medeverdachte 2]In het dossier bevinden zich verschillende chatgesprekken van 21 juli 2021 waaruit blijkt dat de verdachten met elkaar over het voornemen om een overval te plegen hebben gesproken en naar het oordeel van het hof deze hebben voorbereid:\n\n [medeverdachte 1] heeft contact met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 1] om een auto (“wagie”) te regelen en hij zegt dat [medeverdachte 1] moet zorgen dat alles klaar is (“regel alles reddy”). [medeverdachte 1] geeft dan aan [medeverdachte 2] aan dat het hem niet lukt om een auto te regelen (“ik kan nu geen waggie fixen”).\n\nOndertussen heeft [medeverdachte 1] contact met [verdachte] . [medeverdachte 1] zegt: “lekker vanavond bij [bijnaam 6] ”. [medeverdachte 2] heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij [bijnaam 6] wordt genoemd. [medeverdachte 1] vraagt aan [verdachte] of hij ook aanwezig is. [verdachte] zegt dat hij aanwezig is en vraagt aan [medeverdachte 1] of alles geregeld (“gefixt”) is en of er een auto geregeld is om spullen weg te kunnen nemen (“een waggie om spullen te rossen”). [medeverdachte 1] geeft daarop aan dat [medeverdachte 2] een bus heeft geregeld. [verdachte] is dan tevreden (“oke cool bro”). Hij zegt dat hij op dat moment (16:28 uur) in Duinrell is en dat hij er rond 12 is (het hof begrijpt: twaalf uur ‘s nachts).\n\nLater op de avond vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] of hij hem kan ophalen van station Heerhugowaard. [medeverdachte 2] antwoordt dat dat kan en dat hij eraan komt. Om 21:54 uur geeft [medeverdachte 1] aan dat hij [medeverdachte 2] belt als hij er bijna is en om 22:39 uur is [medeverdachte 1] kennelijk gearriveerd, want dan vraagt hij waar [medeverdachte 2] is. Op de camerabeelden van de [adres 20] is vervolgens te zien dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] omstreeks 23:02 uur achter elkaar aanlopen in de richting van de woning van [medeverdachte 2] .\n\nOm 23:06 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of hij met [medeverdachte 2] is en geeft hij aan dat hij zo uit huis gaat.\n\nHet hof begrijpt uit deze berichten in onderlinge samenhang bezien dat de verdachten spreken over het regelen van een auto voor de overval en dat onderling werd afgestemd om voorafgaand aan de overval met elkaar af te spreken bij [medeverdachte 2] thuis.\n\nDeze lezing vindt ook steun in de verklaringen die [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben afgelegd in hoger beroep. [verdachte] heeft bevestigd dat hij heeft gesproken over het regelen van een auto voor ‘de klus’ (het hof begrijpt: de overval) en dat hij de avond van deze overval bij [medeverdachte 2] thuis is geweest. [medeverdachte 1] bevestigt ook dat deze gesprekken gingen over het regelen van een auto voor de overval.\n\nVerklaring van de getuige [getuige 1]De getuige [getuige 1] heeft met betrekking tot de overval van zaaksdossier Willich verklaard dat [verdachte] en zijn vriendin [getuige 9] die nacht bij haar en [medeverdachte 2] thuis waren op de [adres 23] . Ook waren er volgens haar twee andere mannen met een donkere huidskleur aanwezig. [getuige 1] heeft verklaard dat de mannen, waaronder [medeverdachte 2] en [verdachte] , in de nacht zijn weggegaan en dat [getuige 9] bij haar is blijven wachten. Zij en [getuige 9] hebben de hele tijd samen gezeten en zijn op enig moment in slaap gevallen. Toen ze terugkwamen zijn [verdachte] en [getuige 9] weggegaan. Over [medeverdachte 1] heeft [getuige 1] verklaard dat zij hem in de ochtend bij haar thuis heeft gezien.\n\n [getuige 1] heeft tijdens haar verhoor bij de politie op 3 oktober 2022 de bewegende beelden van de [adres 21] zoals vertoond in Opsporing Verzocht bekeken, en een still(overzichtsfoto) waarop van links naar rechts de daders 1 tot en met 5 te zien zijn (zoals te zien op p. 581 in Map ZD07). [getuige 1] heeft aangegeven iedereen te herkennen op de beelden. Zij heeft daarover gezegd dat als je met iemand omgaat, dat je diegene dan herkent. Op de overzichtsfoto herkent zij persoon 1 als [medeverdachte 2] . Persoon 2 met de schoudertas herkent zij als [verdachte] . Persoon 3 met de camouflagerugzak is volgens haar [medeverdachte 1] . Personen 4 en 5 zouden volgens [getuige 1] [medeverdachte 4] en een vriend van hem zijn. Dat de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar is, is hiervoor al overwogen.\n\nBovendien vindt de verklaring van [getuige 1] steun in andere bewijsmiddelen zoals hieronder weergegeven.\n\nOndersteuning voor de verklaring van [getuige 1]De verklaring van [getuige 1] vindt bovendien steun in de verklaring van [getuige 9] , die net als [getuige 1] aan de politie heeft verklaard dat zij één keer samen met [verdachte] bij [medeverdachte 2] en [getuige 1] thuis is geweest en dat zij toen de hele tijd samen met [getuige 1] in de woonkamer heeft gezeten. Ook heeft [getuige 9] verklaard dat er die avond een groep van vier of vijf mannen in de keuken aanwezig was, waaronder [medeverdachte 2] en [verdachte] . [getuige 9] heeft verklaard dat zij op de bank in slaap is gevallen en dat [verdachte] haar wakker heeft gemaakt, waarna [getuige 9] en [verdachte] naar huis zijn gegaan. Zowel [getuige 9] als [verdachte] hebben tegenover de politie verklaard dat zij samen wegrijden in de auto die volgens de camerabeelden om 04:50 uur wegrijdt over de [straat 1] , komende vanaf (de parkeerplaats achter) de [straat 2] . De verklaring van [getuige 9] over het verloop van de avond\u002Fnacht past bij wat [getuige 1] hierover heeft verklaard.\n\nDe verklaring van [getuige 1] vindt daarnaast steun in de camerabeelden, die passen bij het tijdspad waarover [getuige 1] en [getuige 9] verklaren.\n\n [getuige 1] heeft [medeverdachte 2] herkend als degene die op de beelden van de [adres 21] voorop loopt (persoon 1). Zij herkent hem onder meer aan zijn loopje en de beige schoenen en geeft daarbij aan dat hij een muts op heeft, maar geen gezichtsbedekking. [verdachte] heeft zij herkend als persoon 2. Op de beelden van de [adres 21] draagt persoon 2 een sporttas ter hoogte van de rechterheup. Op de beelden van de [adres 20] is te zien dat persoon 1 nog steeds voorop loopt. Op deze beelden is ook te zien dat deze persoon geen gezichtsbedekking draagt, maar een muts op lijkt te hebben met een capuchon daaroverheen, zoals [getuige 1] heeft beschreven. Persoon 2, met de sporttas nu kruiselings om zijn schouder, loopt als derde de steeg in naast [adres 20] .\n\nVervolgens is op de beelden van de [adres 31] te zien dat de personen 1 en 2 omstreeks 04:43 uur achter elkaar aan lopend de steeg naast [adres 20] uitkomen en vanaf de achterzijde van de [straat 2] , recht over de parkeerplaats, richting de [straat 3] lopen. Persoon 2 doet tijdens het lopen de sporttas af en houdt hem in zijn hand. Uit de beelden van [adres 24] en [adres 30] volgt dat personen 1 en 2 doorlopen naar het voetpad richting [straat 4] . Komende vanaf dat voetpad, uit de richting van de parkeerplaats, is de tweede woning aan de rechterkant de woning van [medeverdachte 2] .\n\nHet hof is met de rechtbank van oordeel dat de personen op de camerabeelden die hierboven zijn beschreven elke keer [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn, die na de overal samen teruglopen naar de woning van [medeverdachte 2] . Het teruglopen van [verdachte] en [medeverdachte 2] sluit daarnaast aan bij het vertrek van [verdachte] en [getuige 9] zeven minuten later vanaf de woning van [medeverdachte 2] naar Rotterdam.\n\nVerder vindt de verklaring van [getuige 1] dat zij persoon 3 op de beelden (de persoon met de rugtas met camouflageprint) als [medeverdachte 1] herkent steun in de verklaring van [medeverdachte 1] zelf, die heeft verklaard dat hij de persoon met ‘de gevlekte rugtas’ is. De verklaring van [getuige 1] dat zij [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] herkent als 4 van de 5 personen die te zien zijn op de camerabeelden vindt ook steun in de verklaring van [medeverdachte 1] , die over al deze personen heeft verklaard dat zij bij de overval aanwezig waren.\n\nGebruikte vuurwapenUit de bewijsmiddelen volgt dat aangever [slachtoffer 12] is beschoten met een vuurwapen. De kogel die door het lichaam van [slachtoffer 12] heen is gegaan is teruggevonden op de vensterbank van zijn woning. De huls is in de steeg teruggevonden. Uit munitie-onderzoek blijkt dat de huls vermoedelijk is verschoten met een (semi-)automatisch werkend machinepistool van het kaliber 7,65mm Browning type Scorpion, merk Ceska Zbrojovka model 61 of merk Crvena Zastava model 84. De afvuursporen in de kogel passen eveneens bij dergelijke vuurwapens. [slachtoffer 11] heeft verklaard dat hij een machinegeweer met een demper heeft gezien bij de daders.\n\nUit het dossier volgt daarnaast dat ook bij andere overvallen (Zulpich en Ararat) een Scorpion wapen is meegenomen. Zowel in het zaakdossier Zulpich als in Ararat is sprake van een foto dan wel videomateriaal waarop een op een Scorpion (gelijkend) wapen is te zien. Dat de verdachten over een Scorpion wapen beschikten vindt ook steun in de verklaringen van de verdachten zelf. [medeverdachte 1] heeft zowel ten aanzien van zaaksdossier Ararat als Willich verklaard dat hij een Scorpion wapen heeft gezien en dat deze door [verdachte] is meegenomen. [verdachte] heeft verklaard in zaaksdossiers Zulpich, Ararat en Willich dat hij een Scorpion heeft gezien op de avond van de overval. Ten aanzien van onderzoek Willich heeft hij verklaard over een ‘Scorpion met een demper’.\n\nTot slot heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] bij de overval in Willich ‘een Scorpion met demper’ in zijn hand had en dat hij daarmee heeft geschoten.\n\nOp grond van het bovenstaande komt het hof net als de rechtbank tot de conclusie dat de aangever [slachtoffer 12] is beschoten met een Scorpion.\n\nSchutter\n\nHet hof is – anders dan de rechtbank – van oordeel dat wel kan worden vastgesteld wie de schutter is geweest bij de overval in zaaksdossier Willich. Het hof komt tot de conclusie dat [verdachte] de schutter is geweest die van buiten naar binnen heeft geschoten en waarbij aangever [slachtoffer 12] is geraakt. Het hof trekt deze conclusie op basis van de verklaringen van [medeverdachte 1] , die heeft verklaard dat [verdachte] de schutter is geweest in onderzoek Willich. Het ging gewoon ‘paf’, er viel wat op de grond, kennelijk had [verdachte] de demper er niet goed opgedraaid van de Scorpion. [verdachte] pakte te demper van de grond en draaide deze er weer op. Bovendien blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] ten aanzien van het zaaksdossier Ararat dat [verdachte] vaker een Scorpion wapen meenam naar overvallen en dat hij dus over een zodanig wapen kon beschikken. [verdachte] heeft overigens ook zelf verklaard dat hij mensen kende die in wapens handelden en dat een paar keer aan hem om wapens is gevraagd.\n\nDat [verdachte] niet is meegegaan naar de overval en dat hij is achtergebleven in de woning van [medeverdachte 2] ‘om wiet snel door te kunnen stoten naar Rotterdam’ wordt weersproken door verschillende bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden. [getuige 1] verklaart immers dat [verdachte] de woning heeft verlaten en is teruggekomen. Dit vindt ook steun in de verklaring van [getuige 9] . Hoewel zij niet heeft verklaard dat zij [verdachte] weg heeft zien gaan, past haar verklaring met betrekking tot het verloop van de avond wel bij de verklaring van [getuige 1] . Daarnaast blijkt uit zowel de herkenning van [getuige 1] als de verklaring van [medeverdachte 1] dat [verdachte] te zien is op de camerabeelden voorafgaand aan en kort na de overval. Tot slot heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [verdachte] mee is gegaan naar de overval en dat hij de schutter is geweest. Dat ‘de overvaller met de donkere huidskleur’ zou kunnen duiden op [medeverdachte 9] wordt verworpen gelet op het voorgaande. Het hof betrekt daarbij dat de verklaring van [medeverdachte 1] ook aanwijzingen bevat dat [medeverdachte 9] wel bij de overval betrokken is geweest, maar dan in de rol als chauffeur. Dat de zendmast is aangestraald ook dekking geeft aan de woning van [medeverdachte 2] doet ook niets af aan de conclusie dat [verdachte] bij de overval is geweest. Het hof betrekt hierbij zoals eerder al overwogen ten aanzien van andere zaaksdossiers, dat het gebruikelijk was voor de verdachten om hun telefoons uit te zetten tijdens overvallen.\n\nMedeplegenHet hof komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang bezien tot de conclusie dat (in elk geval) [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en een persoon die “ [medeverdachte 6] ” wordt genoemd, betrokken zijn geweest bij de gewelddadige woningoverval in Noord-Scharwoude. Deze overval is zoals blijkt uit de chatgesprekken gezamenlijk voorbereid. De verdachten hebben van tevoren gesproken over het regelen van een auto en voorafgaand aan de overval is er bij [medeverdachte 2] thuis afgesproken. Vervolgens zijn de verdachten samen naar de overval gegaan. [medeverdachte 1] is met [medeverdachte 6] de schuur binnengegaan bij de aangever [slachtoffer 11] en hebben hem op gewelddadige wijze gevraagd ‘waar de wiet was’ en gevraagd naar de sleutel van de woning van [slachtoffer 12] . In de woning heeft [medeverdachte 2] gevochten met de aangever [slachtoffer 12] . [verdachte] heeft vervolgens van buiten door het raam geschoten op de aangever [slachtoffer 12] . Nadat [slachtoffer 12] hevig gewond naar buiten is gevlucht heeft [medeverdachte 4] vervolgens omstanders bedreigd met een pistool die op de situatie waren afgekomen. Alle verdachten hebben daarmee dus een actieve rol bij de overval gehad en hebben nauw en bewust samengewerkt. De samenwerking bestond daarbij in de kern uit een gezamenlijke uitvoering van een vooraf voor alle verdachten duidelijk plan om een overval te plegen. Dat betekent dat een bewezenverklaring volgt voor het medeplegen van diefstal met geweld (met slachtoffer [slachtoffer 11] ) en medeplegen van diefstal met geweld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg (met slachtoffer [slachtoffer 12] ).\n\nGekwalificeerde doodslag\n\nAan de verdachte is daarnaast het medeplegen van een poging gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Sr) ten laste gelegd. Het hof verwijst allereerst naar de in zaaksdossier Zwenkau gemaakte algemene opmerkingen over de eisen die de wet stelt aan een bewezenverklaring van (poging) gekwalificeerde doodslag. Hieronder licht het hof toe waarom in het zaaksdossier Willich voor [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan die eisen is voldaan.\n\nOpzet\n\nOp grond van het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet worden vastgesteld dat de verdachten de woning zijn binnengedrongen met de intentie [slachtoffer 12] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachten was erop gericht een overval te plegen en zo geld, hennep en\u002Fof waardevolle goederen mee te nemen. De daders hebben immers tegen zowel [slachtoffer 11] als de getuige [getuige 11] geroepen ‘waar is de wiet’. Nadat [slachtoffer 12] met het vuurwapen is neergeschoten en hij de woning is uit gevlucht, is de woning nog doorzocht en is in ieder geval [slachtoffer 12] portemonnee weggenomen. Van zogenoemd ‘vol’ opzet op de dood van [slachtoffer 12] is dan ook geen sprake.\n\nVoorwaardelijk opzetVervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood. Het hof stelt het volgende vast.\n\nZoals uit de bewijsmiddelen blijkt, heeft [verdachte] van buiten de woning door een raam [slachtoffer 12] met een semi-automatisch wapen in de borst geschoten op het moment dat de overval in volle gang was. Ook bij eerdere overvallen is door verdachten vuurwapengeweld gebruikt met het doel om het verzet van slachtoffers te breken. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het hof uit deze gang van zaken dan ook geen andere conclusie trekken dan dat [verdachte] welbewust in de richting van [slachtoffer 12] heeft geschoten met het doel hem uit te schakelen. Concrete aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het schot per ongeluk zou zijn afgegaan, zoals [medeverdachte 1] heeft verklaard, ontbreken in het dossier. [verdachte] heeft hier geen verklaring over willen afleggen.\n\nHet hof overweegt voorts dat dit de laatste overval is in een reeks overvallen die door de verdachten zijn gepleegd. Ook bij de eerdere overvallen zijn één of meer vuurwapens gebruikt, is in meerdere gevallen geschoten en tijdens de voorlaatste overval is een dodelijk slachtoffer gevallen. Onder deze omstandigheden kan bezwaarlijk worden volgehouden dat de andere verdachten er geen rekening mee hoefden te houden dat een vuurwapen gebruikt zou worden. Integendeel, zij hebben welbewust de kans aanvaard dat er ook tijdens deze overval door een van de verdachten geschoten zou worden en dat daarbij de aanmerkelijke kans op de dood van een van de slachtoffers aanwezig was.\n\nOogmerkTevens kan bewezen worden verklaard dat de daders deze poging tot doodslag hebben gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van de overval gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemers hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Dit blijkt immers uit het feit dat het schot is gelost toen zij bij het binnendringen van de woning op de bewoner stuitten. Nadat [slachtoffer 12] zwaar gewond was geraakt en de woning was uit gevlucht, is de woning nog doorzocht op zoek naar waardevolle goederen en is in ieder geval de portemonnee van [slachtoffer 12] meegenomen.\n\nConclusie\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag.\n\nHet hof merkt op dat hierbij wat betreft aangever [slachtoffer 12] sprake is geweest van eendaadse samenloop van de poging tot gekwalificeerde doodslag en diefstal met (bedreiging met) geweld, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Dat betekent dat deze gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.\n\n6.2.7. Zaaksdossier criminele organisatie\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het oordeel van de rechtbank gevolgd kan worden. [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie die zich heeft beziggehouden met het plegen van gewelddadige (woning)overvallen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweren gevoerd met betrekking tot het bewijs.\n\nOordeel van het hof\n\n​Beoordelingskader\n\nVan een 'organisatie' als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en\u002Fof rechtspersonen.\n\nVan 'deelneming' aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene.\n\nVoor 'deelneming' in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het 'oogmerk' tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nHet oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nVoor het bewijs voor deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op het hiervoor weergegeven\n\nbeoordelingskader, dus moeten worden vastgesteld dat:\n\n-sprake is geweest van een organisatie;\n\n-deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven;\n\n-het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.\n\nOrganisatie\n\nOp grond van het bewijs dat is opgenomen ten aanzien van de hierboven besproken zaaksdossiers stelt het hof vast dat tussen de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een samenwerkingsverband heeft bestaan met een zekere duurzaamheid en structuur.\n\nDe verdachten hebben zich (in wisselende samenstelling) ongeveer een jaar lang beziggehouden met het plegen van (gewapende) gewelddadige overvallen. Hierbij werd voorafgaand veelvuldig met elkaar gecommuniceerd over adressen, het regelen van vluchtauto’s en (de aanschaf van) wapens, dempers en munitie. Na de overvallen werd er ook gecommuniceerd over het verloop van de overvallen en de (mogelijke) problemen die daardoor waren ontstaan. Voor de overvallen werd er vaak verzameld in de woning van [medeverdachte 2] of in de loods van [medeverdachte 3] , waarvandaan vervolgens werd vertrokken naar de locaties die werden overvallen. Uit de verklaringen van zowel [medeverdachte 10] als [medeverdachte 1] blijkt bovendien dat de verdachten soms overvallen pleegden nadat zij daarover ‘getipt’ waren. Uit het dossier en de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] die zij in hoger beroep hebben afgelegd blijkt daarnaast dat het voor deze verdachten gebruikelijk was om hun telefoons uit te zetten tijdens overvallen, zodat zij niet traceerbaar zouden zijn voor opsporingsinstanties op het moment dat de overvallen gepleegd werden. Er was dus sprake van onderlinge afstemming tussen de verdachten die functioneel was voor het plegen van de overvallen. Deze afstemming vond zowel voor als na de overvallen plaats.\n\nIn de organisatie was ook sprake van een structuur met een zekere hiërarchie en rolverdeling.\n\nUit het dossier en (onder andere) de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat [verdachte] een bepalende stem had in de groep. Maar ook uit de chatgesprekken blijkt dat [verdachte] de medeverdachten aanstuurde om dingen te regelen. [verdachte] regelde zelf dat er wapens beschikbaar waren en hij is de persoon geweest die een Scorpion wapen heeft meegenomen naar verschillende overvallen. [verdachte] gedroeg zich tijdens verschillende overvallen gewelddadig. In zaakdossier Willich heeft het hof vastgesteld dat [verdachte] de schutter is geweest die de aangever [slachtoffer 12] door de borst heeft geschoten.\n\n [medeverdachte 1] heeft bij meerdere overvallen ervoor gezorgd dat er toegang is verkregen tot de woningen die werden overvallen, doordat hij ramen en deuren open heeft gemaakt. Tijdens de overvallen heeft [medeverdachte 1] vervolgens gezocht naar geld of andere waardevolle spullen die konden worden meegenomen. Ook [medeverdachte 1] gedroeg zich tijdens de overvallen gewelddadig. In zaaksdossier Oberhof heeft hij een (nep)wapen getoond aan een jonge medewerker van een tankstation, in zaaksdossier Zwenkau heeft hij geweld gebruikt tegen aangeefster en in zaaksdossier Willich heeft hij zich zeer gewelddadig en dreigend opgesteld naar de aangever [slachtoffer 11] .\n\n [medeverdachte 2] is voor de groep een belangrijke schakel geweest, doordat zijn woning een vaste verzamelplek was voor de groep. Bij meerdere overvallen heeft [medeverdachte 2] zich buitengewoon gewelddadig opgesteld naar slachtoffers. In zaaksdossier Zwenkau heeft hij met het mannelijke slachtoffer; de heer [slachtoffer 6] , gevochten, in zaaksdossier Millet heeft [medeverdachte 2] de aangeefster in haar gezicht geslagen en aan haar haren getrokken op het moment dat hij dacht dat de aangeefster niet eerlijk was geweest over de hoeveelheid geld die er in de woning lag. In zaaksdossier Willich heeft hij met het slachtoffer [slachtoffer 12] geworsteld\u002Fgevochten en in zaaksdossier Ararat heeft [medeverdachte 2] het dodelijke schot gelost.\n\n [medeverdachte 3] was bij alle overvallen betrokken als chauffeur. Hij was vaak actief betrokken bij het regelen van auto’s voor de overvallen en had voor de overvallen veelvuldig overleg met de medeverdachten. Ook voorzag hij in zaaksdossier Millet de groep van informatie over de woning van de slachtoffers waar een groot geldbedrag zou liggen. Zijn loods in [plaats 2] was bovendien een belangrijke plek voor de groep om te verzamelen voor en na de overvallen. De rol van [medeverdachte 3] was van dusdanig gewicht dat hij in alle zaken door het hof is aangemerkt als medepleger.\n\nOogmerk van de organisatie\n\nUit het bewijs dat is opgenomen ten aanzien van de hierboven besproken zaaksdossiers blijkt ook dat het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van overvallen. Er zijn door de groep meerdere overvallen gepleegd waarbij het de bedoeling was dat er geld en andere waardevolle spullen zoals sieraden en auto’s zouden worden buitgemaakt. In chats wordt regelmatig gesproken over geld en het hebben van ‘honger’ (het hof begrijpt: de behoefte om geld te verdienen). [medeverdachte 1] heeft in dat verband verklaard dat er vaker wietplantages werden overvallen en dat zij ‘heel veel wiet en geld’ hebben meegenomen. Kenmerkend in dit verband zijn de overvallen in Dreumel, Avenhorn en Berkhout. Voor de woning in Dreumel geldt dat de verdachten erg gemotiveerd waren om de overval te plegen omdat er naar verluid € 100.000 zou liggen in de woning. In de woning in Avenhorn zou goud en mogelijk ook cash aanwezig zijn en in de woning in Berkhout zou er volgens een tip veel contant geld aanwezig zijn wat de woningen aantrekkelijke objecten maakten om te overvallen.\n\nUit hetgeen hiervoor is overwogen onder ‘organisatie’ blijkt bovendien dat er een duurzame en gestructureerde samenwerking was tussen de verdachten. Daarbij was sprake van een onderlinge verdeling van taken en afstemming van activiteiten. Deze taakverdeling en afstemming gingen op een planmatige manier. Illustratief daarvoor is dat uit het dossier blijkt dat de verdachten van tevoren routes bekeken van en naar de locaties waar overvallen gepleegd moesten worden. Bij het bekijken van deze routes was er ook aandacht voor de locatie van ANPR-camera’s. Er vonden ook voorverkenningen plaats ten aanzien van verschillende overvallen. Het gezamenlijk uitzetten van telefoons tijdens de overvallen toont ook aan dat sprake was een bepaalde organisatiegraad. Deze verdeling en afstemming waren gericht op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, namelijk het plegen van overvallen.\n\nDeelname\n\nUit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de hiërarchie en de rolverdeling binnen de organisatie blijkt dat elke verdachte een eigen rol had en belangrijk is geweest voor de organisatie. De verdachten zijn daarmee allemaal deelnemers aan de organisatie geweest, omdat zij behoorden tot het samenwerkingsverband en een aandeel hebben gehad in de gedragingen die strekten tot het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie.\n\n7. Bewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n15\u002F316555-23 - Mainz1.\n\nhij op 8 augustus 2020 te De Goorn, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning gelegen aan de [adres 1] tezamen en in vereniging met anderen een envelop (met daarin een geldbedrag ter hoogte van 3000,- euro), telefoons en sleutels, die aan [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen vuurwapen en breekijzers ter hand te nemen en\n\nmeermalen met een breekijzer tegen het lichaam en op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en\n\nmeermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en\n\ndie [slachtoffer 1] dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\n\nmeermalen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten en\n\ndie [slachtoffer 2] vast te pakken en\n\nvervolgens een vuurwapen tegen haar hoofd te drukken en te houden en\n\ndreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\n\neen voorwerp tegen de rug van die [slachtoffer 2] te duwen en\n\ndie [slachtoffer 2] te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\n2.hij op 30 december 2020 te Dreumel gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag en sieraden en een luchtbuks en een personenauto (Audi) en een portemonnee en een schroevendraaier en flessen champagne die geheel aan [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door\n\nvuurwapens en een breekijzer en een hamer ter hand te nemen en\n\ndaarbij dreigend tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] de woorden \"Geld\" en \"Er moet 100.000 euro liggen\" toe te voegen en\n\ndie [slachtoffer 4] te dwingen mee te lopen en\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 4] vast te binden en\n\ntegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te slaan en\n\naan de haren van die [slachtoffer 4] te trekken en\n\ndie [slachtoffer 4] (met kracht) van het bed af te trekken\n\neen vuurwapen tegen zijn hoofd van die [slachtoffer 3] te houden en\n\nde handen en voeten van die [slachtoffer 3] vast te binden\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\n3.hij op 7 januari 2021 te Avenhorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de hals van die [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,\n\nwelke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd en vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging van een geldbedrag en een portemonnee (met inhoud) en (auto)sleutels en sigaretten en een aansteker, gepleegd tegen die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] ,\n\nwelke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n4.hij op 7 januari 2021 te Avenhorn, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan [adres 3] tezamen en in vereniging met anderen een geldbedrag, een portemonnee (met inhoud), (auto)sleutels, sigaretten en een aansteker, die aan [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om zich die goederen wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\nvuurwapens ter hand te nemen en\n\n [slachtoffer 6] bij de keel vast te pakken en\n\neen vuurwapen op die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] te richten en te tonen, en\n\n(met een voorwerp) tegen het lichaam en op het hoofd van die [slachtoffer 6] te slaan en\n\ndreigend te roepen “geld” en \"Ga je geld halen achter\" en \"Schiet hem dood\" en \"We willen het grote geld\", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\n\nmet kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer 5] te duwen en\n\nmet een vuurwapen op de keel te schieten ten gevolge waarvan die [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;\n\n15\u002F025439-23 - Zulpich\n\n5.\n\nhij op 4 juni 2021 te Heerhugowaard gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 4] tezamen en in vereniging met anderen een personenauto (Audi Q7) en een mobiele telefoon en een geldbedrag die aan [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door\n\neen zak over het hoofd van [slachtoffer 9] te trekken en\n\ndie [slachtoffer 9] vast te binden en\n\neen heet strijkijzer tegen de schouder van [slachtoffer 9] te drukken en\n\ndie [slachtoffer 9] meermalen met een koevoet tegen het bovenbeen te slaan en\n\nte roepen \"waar is het geld\" en \"Ik snij haar strot door als jullie niet zeggen of er nog meer geld is\" en \"Waar is de kluis\" en\n\ndie [slachtoffer 7] meermalen (met een koevoet) tegen het zijn been te slaan en\n\neen vuurwapen te tonen aan [slachtoffer 7] en\n\ndie [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] vast te binden en te blinddoeken en\n\ntegen die [slachtoffer 7] te roepen \"waar is het geld\" en \"meer geld\" en\n\ntegen die [slachtoffer 8] te roepen \"waar is het geld\" en \"We steken het in brand en\n\neen vuurwapen op [slachtoffer 8] te richten en te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat6.hij op 14 juni 2021 te Berkhout tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer 10] opzettelijk van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen op het bovenlichaam van die [slachtoffer 10] te schieten\n\nwelke doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal met geweld in vereniging van een of meerdere goederen, gepleegd tegen die [slachtoffer 10]\n\nen welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n7.hij op 14 juni 2021 te Berkhout gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf om geld en\u002Fof goederen die aan [slachtoffer 10] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen de woning van die [slachtoffer 10] door middel van braak heeft betreden\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nwelke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n een vuurwapen en breekijzer ter hand te nemen, en\n\nmet een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 10] is overleden;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\n8.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen een sleutel en een portemonnee (met inhoud) en een breekijzer toebehorende aan [slachtoffer 11] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- een vuurwapen op die [slachtoffer 11] te richten en te tonen, en\n\n- dreigend de woorden toe te voegen: “We willen de sleutel van (de woning van) [slachtoffer 12] \" en \"We willen geld”, althans woorden van soortgelijkende dreigende aard en\u002Fof strekking, en\n\n- die [slachtoffer 11] met tape vast te binden\n\n9.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachten voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk [slachtoffer 12] van het leven te beroven,\n\nmet dat opzet met een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] heeft geschoten,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nwelke poging tot doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging door middel van braak, gepleegd in een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd\n\nwelke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n10.hij op 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning gelegen aan de [adres 28] tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee (met inhoud) die aan [slachtoffer 12] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 12]\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\nmet een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] te schieten en\n\ndie [slachtoffer 12] bij de keel vast te pakken ten gevolge waarvan die [slachtoffer 12] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen\n\n11.\n\nhij in de periode van 8 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van overvallen\n\nHetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, die in een bijlage achter dit arrest zijn te vinden.\n\n8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\n15\u002F316555-23 - Mainz\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\nHet onder 3 en 4 bewezenverklaarde levert op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van poging tot doodslag, gevolgd en vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\n15\u002F025439-23 - Zulpich\n\nHet onder 5 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat\n\nHet onder 6 en 7 bewezenverklaarde levert op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\npoging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waartoe de schuldige zich de toegang heeft verschaft door middel van braak en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit de dood ten gevolge heeft;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\nHet onder 8 bewezenverklaarde levert op:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nHet onder 9 en 10 bewezenverklaarde op eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren\n\nen\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\nhet onder 11 bewezenverklaarde levert op:\n\ndeelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.\n\n9. Oplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het voor het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf\n\nBij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feitenDe verdachte heeft in een periode van een jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van gewelddadige (woning)overvallen, met name in de regio West-Friesland. Het hof acht bewezen dat hij samen met anderen de woningovervallen in de zaaksdossiers Mainz, Millet, Zwenkau, Zulpich, Ararat en Willich heeft gepleegd.\n\nBij al deze woningovervallen is buitensporig veel en heftig geweld gebruikt. Bewoners zijn uit het niets, ook als zij meewerkten, met een koevoet geslagen of aan haren van het bed getrokken. Ze zijn bedreigd met vuurwapens, met een hamer en met breekijzers. Ze zijn geschopt, geslagen en vastgebonden met tape of tie-wraps. [slachtoffer 9] is mishandeld met een heet strijkijzer. Slachtoffer [slachtoffer 1] is met de daders in gevecht geraakt en is beschoten met een vuurwapen. Slachtoffer [slachtoffer 5] is in haar hals geschoten en mag van geluk spreken dat zij dit heeft overleefd maar is ernstig gewond geraakt en kampt tot de dag van vandaag met de fysieke en mentale gevolgen daarvan. Slachtoffer [slachtoffer 10] is bij de overval op zijn woning in zijn borst geschoten en had dat geluk niet: hij is korte tijd later aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden. Het hof acht het met de rechtbank ronduit schokkend dat de verdachte en zijn medeverdachten zich kennelijk niets hebben aangetrokken van het overlijden van [slachtoffer 10] en het leed dat en de onrust die zij daarmee hebben aangericht. Amper een maand na deze fatale overval hebben zij zich immers weer schuldig gemaakt aan een woningoverval (zaaksdossier Willich), waarbij slachtoffer [slachtoffer 12] vrijwel direct na het betreden van de woning eveneens met een vuurwapen in zijn borst is geschoten. Hij is ernstig gewond naar het ziekenhuis gebracht maar heeft het gelukkig wel overleefd. Bij meerdere slachtoffers zijn als gevolg van het uitgeoefende geweld verwondingen ontstaan. Voor anderen geldt dat zij hebben moeten toezien hoe dierbaren zijn mishandeld. Verdachten hebben met hun handelen niet alleen onbeschrijfelijk veel leed toegebracht aan de slachtoffers en aan de nabestaanden van [slachtoffer 10] , maar ook hebben zij ervoor gezorgd dat vele andere mensen in met name West Friesland zich niet langer veilig voelden in hun eigen huis.\n\nUit het herhaalde, buitensporige en heftige (vuurwapen)geweld kan het hof geen andere conclusie trekken dan dat het gebruik van (vuurwapen)geweld onderdeel was van het plan van de verdachte en zijn mededaders en dat zij bij iedere overval wisten dat er doden of zwaargewonden konden vallen, maar dat hen dat niets kon schelen. Het beschieten van [slachtoffer 1] , de ernstige verwonding van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 12] , de verwondingen van vader en zoon [slachtoffers 7 en 8] , de dood van [slachtoffer 10] : keer op keer werden de gevolgen van het geweld heftiger, keer op keer hadden de verdachten de mogelijkheid om andere keuzes te maken maar keer op keer kozen de verdachten er toch voor om op dezelfde manier verder te gaan met hun gewelddadige overvallen. Zij wilden op een makkelijke en snelle manier veel geld verdienen, waarbij de mogelijkheid dat er doden of gewonden konden vallen ingebakken was in hun gebruikelijke werkwijze. Daarmee is er geen wezenlijk verschil met zaken waarin het om het leven brengen van één of meerdere personen wel het doel is, en het hof zal dit ook tot uitdrukking brengen in de op te leggen straf.\n\nDe verdachte is bij de overval in het zaaksdossier Willich de schutter is geweest. Zonder dat daar een directe aanleiding toe bestond, heeft hij [slachtoffer 12] met een semi-automatisch vuurwapen van buiten de woning door het raam in de borst geschoten, op een moment dat [slachtoffer 12] geen verzet bood. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het hof uit deze gang van zaken geen andere conclusie trekken dan dat de verdachte welbewust op [slachtoffer 12] heeft geschoten met het doel hem uit te schakelen. Dat er sprake zou zijn geweest van een ongeluk -zoals de verdediging heeft betoogd- acht het hof zonder nadere verklaring over deze gang van zaken volstrekt onaannemelijk. Verdachte heeft hier zelf ook geen verklaring over willen afleggen.\n\nDaarnaast heeft de verdachte ook bij de andere overvallen een actieve rol gespeeld. Hij is telkens één van de daders geweest die de woningen van nietsvermoedende mensen zijn binnengegaan, mensen die dit op geen enkele wijze hadden kunnen voorzien of die zich hadden kunnen of moeten prepareren op overvallen als deze. Verdachte is daarbij een van degenen die geweld heeft gebruikt tegen de slachtoffers. Voorts blijkt uit het dossier -onder andere uit de verklaring van [medeverdachte 1] - dat de verdachte een bepalende stem had binnen de groep. Ook dat weegt mee bij het bepalen van de strafmaat.\n\nOok na het vallen van een dodelijk slachtoffer is de verdachte doorgegaan, en was hij degene die bij de volgende overval met een vuurwapen op een van de slachtoffers heeft geschoten. Uit chatberichten in het dossier blijkt dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid was doorgegaan met het plegen van overvallen als hij niet was gepakt. Verdachte heeft op zitting verklaard dat deze dingen nooit hadden mogen gebeuren, maar heeft zijn actieve betrokkenheid bij de feiten tot op heden ontkend en heeft daarmee geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Hij blijft zijn betrokkenheid ontkennen en legt alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf.\n\nPersoon van de verdachteVerdachte is nog niet eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. Het hof zal het strafblad van de verdachte daarom niet in strafverzwarende zin betrekken bij het bepalen van de straf. Verdachte heeft consequent geweigerd om mee te werken aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek, waardoor de deskundigen geen uitspraken konden doen over de persoonlijkheid van de verdachte en eventuele stoornissen. Er kunnen door de ontbrekende gegevens evenmin conclusies over eventuele psychopathie worden getrokken.\n\nDe op te leggen strafBij het opleggen van een levenslange gevangenisstraf is grote behoedzaamheid en terughoudendheid geboden. Vanwege de veelheid en ernst van de feiten en het excessieve geweld in georganiseerd verband is het hof echter van oordeel dat uit oogpunt van vergelding een levenslange gevangenisstraf de enige passende straf is. Daarbij dient te worden overwogen dat het gewetenloze handelen van de verdachte, waarvoor hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt, maakt dat de samenleving tegen hem maximaal moet worden beschermd.\n\nVerdachte is op dit moment 42 jaar oud en het hof realiseert zich dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf betekent dat hij in beginsel voor de rest van zijn leven vast zal zitten, maar een tijdelijke gevangenisstraf, ook niet de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar doet geen recht aan de ernst van de delicten en de gevolgen voor de slachtoffers en hun naasten.\n\nHet hof overweegt dat na 28 jaar een ambtshalve herbeoordeling van de levenslange straf zal plaatsvinden, waarbij zal worden beoordeeld of de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf nog een redelijk doel dient. Het Adviescollege Levenslang gestraften zal in dat verband na 25 jaar adviseren of de verdachte mag beginnen met re-integratieactiviteiten gericht op een mogelijke terugkeer in de samenleving. Daarbij toetst het college aan vier criteria:\n\nrecidiverisico\n\ndelictgevaarlijkheid\n\ngedrag en ontwikkeling tijdens detentie\n\nimpact op slachtoffers en nabestaanden, mede in het licht van vergelding.\n\nNiet alleen de verdachte, maar ook slachtoffers en nabestaanden zullen in het kader van die procedure worden gehoord.\n\nDe redelijke termijnGelet op de aard van de straf heeft een eventuele overschrijding van de redelijke termijn in dit geval geen matigende invloed.\n\nConclusie\n\nUit het voorgaande volgt dat het hof aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf zal opleggen.\n\n10. Benadeelde partijen\n\n10.1. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 25.988,45 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 5.988,45 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade toegewezen tot een bedrag van € 15.510,23 bestaande uit € 5.510,23 als vergoeding voor de materiële schade en € 10.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade.\n\nIn hoger beroep heeft [slachtoffer 1] kenbaar gemaakt te berusten in de door de rechtbank vastgestelde materiële schade. Het hof begrijpt dat [slachtoffer 1] de vordering tot vergoeding wegens materiële schade handhaaft tot het door de rechtbank toegekende bedrag.\n\nIn hoger beroep is de vordering voor wat betreft de immateriële schade verhoogd tot € 40.000,00. Daartoe is aangevoerd dat bij [slachtoffer 1] in 2020 een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld. Uit een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten van [slachtoffer 1] sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn. Bovendien is dit verhoogde bedrag in lijn met de bedragen van de inmiddels ingevoerde ‘Rotterdamse schaal’.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde schade ter hoogte van € 45.510,23. Onder verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275) is volgens de advocaat-generaal sprake van een zeer uitzonderlijk geval dat noopt tot toepassing van de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die de hoogte van de initiële vordering van de benadeelde partij overstijgt.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd zich te refereren aan het oordeel van het hof ten aanzien van de posten ‘geldbedrag’ en ‘eigen risico verzekering’. Ten aanzien van de posten ‘installatie alarmsysteem’ en ‘abonnementskosten’ dient de BTW in mindering te worden gebracht nu deze kosten zijn gemaakt door het bedrijf van [slachtoffer 1] . De verdediging heeft bij pleidooi en bij dupliek geen standpunt ingenomen ten aanzien van de verhoging van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade evenals de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 5.510,23. Deze schade bestaat uit:\n\nweggenomen geldbedrag € 3.000,00;\n\neigen risico verzekering € 113,00;\n\ninstallatie alarmsysteem (minus 21% BTW) € 970,25;\n\nabonnementskosten alarmsysteem (minus 21% BTW) € 1.306,98;\n\nberedderingskosten € 120,00.\n\nDit deel van de gevorderde schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit, is voldoende onderbouwd, niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot het initiële deel van de gevorderde immateriële schade ad € 20.000,00 overweegt het hof als volgt. Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is in deze zaak sprake van een gewapende overval die in de nacht plaatsvond, waarbij vier gemaskerde mannen de woning van [slachtoffer 1] zijn binnengedrongen. Hij is meermalen met een breekijzer geslagen en er zijn twee schoten in de richting van zijn hoofd gelost. Uit de stukken en de toelichting op de vordering blijkt dat hij hierdoor onder meer een hoofdwond en bloeduitstortingen op zijn lichaam heeft opgelopen. Hij is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar een scan van zijn hoofd is gemaakt en de hoofdwond met twaalf hechtingen is gedicht. Hij heeft sinds de overval regelmatig last van zware hoofdpijn, waardoor hij dan moet gaan liggen. Verder heeft [slachtoffer 1] door het geluid van het schot ongeveer een half jaar lang slecht kunnen horen aan één oor.\n\nNu sprake is van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen, worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\n Uit de toelichting op de initiële vordering alsmede uit de aanvulling in hoger blijkt dat de overval grote impact heeft gehad op [slachtoffer 1] . Hij was maandenlang zeer emotioneel waardoor ook zijn relatie onder druk kwam te staan. Hij heeft maandenlang slecht geslapen. Sinds de overval slaapt hij met een dwarsbalk aan de binnenzijde van zijn slaapkamerdeur. Omdat hij zich niet meer veilig voelde op zijn eigen erf en in zijn eigen woning, heeft hij zijn dieren verkocht en een ander huis gekocht. Hij heeft twee keer EMDR-therapie gehad vanwege PTSS-klachten, maar dit heeft hem niet geholpen. Uit eerder genoemde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat [slachtoffer 1] op 2 februari 2026 opnieuw is gestart met behandeling vanwege een toename van bestaande klachten. Het hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Ten aanzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 20.000,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024: 1275). De PTSS diagnose dateert immers van 2020 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nToegewezen bedragDe vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 25.510,23.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 11 november 2020 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag voor de installatie van het alarmsysteem ter hoogte van € 970,25. Het hof zoekt bij het bepalen van die datum aansluiting bij de uiterste betaaldatum van de laatste termijn van de desbetreffende factuur. De wettelijke rente over de abonnementskosten van het alarmsysteem ter hoogte van € 1.306,98 is verschuldigd vanaf 1 december 2021. De abonnementskosten worden gevorderd vanaf september 2020 tot en met februari 2023 en het hof gaat daarom uit van een datum die in het midden ligt van deze periode.\n\nDe wettelijke rente over het eigen risico van de verzekering ter hoogte van € 113,00 is verschuldigd vanaf 2 november 2021, de uiterste betaaldatum van de factuur.\n\nVoor het resterende bedrag ter hoogte van € 23.120,00 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 8 augustus 2020, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander ten aanzien van alle posten tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.2. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 1)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van € 10.120,00 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 120,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit beredderingskosten.\n\nDe rechtbank heeft de gevorderde materiële schade afgewezen en de gevorderde immateriële schade toegekend tot een bedrag van € 5.000,00.\n\nIn hoger beroep heeft [slachtoffer 2] kenbaar gemaakt te berusten in de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Het hof begrijpt dat [slachtoffer 2] de vordering tot vergoeding wegens materiële schade niet handhaaft.\n\nIn hoger beroep is de vordering voor wat betreft de immateriële schade verhoogd tot € 40.000,00. Daartoe is aangevoerd dat blijkens een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 4 februari 2021 bij [slachtoffer 2] in 2021 een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld en een behandelplan is besproken. Uit een overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn. Bovendien is dit verhoogde bedrag in lijn met de bedragen van de inmiddels ingevoerde ‘Rotterdamse schaal’.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal is het eens met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde materiële schade. De in hoger beroep gevorderde immateriële schade van € 40.000,00 is gezien de aanvullende stukken en de nadere motivering door de advocaat billijk en vatbaar voor toewijzing.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de gevorderde immateriële kosten dienen te worden gematigd.\n\nOordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot het initiële deel van de gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt.\n\nGelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 2] bij de woningoverval geen lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nUit vaste rechtspraak blijkt dat van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon‘op andere wijze’sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon‘op andere wijze’als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nTen aanzien van de aantasting van de benadeelde partij in de persoon ‘op andere wijze’overweegt het hof dat de aard en de ernst van de normschending in deze zaak met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer 2] zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Er is sprake van een gewapende overval die plaatsvond in de nacht, waarbij vier gemaskerde mannen de woning van [slachtoffer 2] en haar partner zijn binnengedrongen. Bij deze overval is fors geweld uitgeoefend op [slachtoffer 1] , de partner van de [slachtoffer 2] en zijn er twee schoten in zijn richting gelost. Ook [slachtoffer 2] is met het vuurwapen bedreigd. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat [slachtoffer 2] nog altijd last heeft van wat haar is overkomen. Zij ondervindt gevoelens van angst en onveiligheid, heeft haar huis verkocht en is vanwege aanhoudende psychische klachten naar haar huisarts gegaan. Zij heeft vanwege PTSS-klachten twee EMDR-sessies ondergaan. Omdat dit haar niet hielp heeft zij zich gewend tot een psycholoog, waar zij een jaar lang maandelijks gesprekken heeft gevoerd. Uit een in hoger beroep overgelegde brief van de GZ-psycholoog van 24 maart 2026 volgt dat de klachten sinds 2020 bestaan uit voornamelijk angstklachten, vergeetachtigheid en slaapklachten en in de loop van de tijd fluctuerend meer of minder aanwezig zijn.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Ten aanzien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel voor een bedrag van € 30.000,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De PTSS diagnose dateert immers van 2021 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof bepaalt dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.3. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 2)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een initiële vordering tot schadevergoeding van € 42.150,40 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe gestelde schade bestaat uit € 39.070,14 aan materiële schade te verminderen met een uitkering van de verzekering ad € 8.919,74. De gestelde schade bedraagt € 30.150,40. In deze berekening heeft de verdediging rekening gehouden met 33% aan afschrijving of waardevermindering\n\nDe gestelde schade bestaat verder uit € 12.000,00 aan immateriële schade.\n\nDe materiële schade bestaat uit twee posten:\n\n- gestolen goederen € 29.582,30 minus 33% = € 19.820,14\n\n- gestolen geldbedrag € 19.250,00.\n\nTer zitting in eerste aanleg is de vordering tot schadevergoeding van materiële schade door de advocaat van [slachtoffer 3] aangepast en gesteld op € 39.912,56:\n\ngestolen goederen € 29.582,30 gestolen geldbedrag € 19.250,00\n\nminus vergoeding verzekering € 8.919,74.\n\nDe immateriële schade is gehandhaafd op € 12.000,00.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 30.131,13 en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\n [slachtoffer 3] heeft bij brief van 22 november 2024 en zijn advocaat heeft ter zitting in hoger beroep de vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van de materiële schade kan worden toegewezen zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Daarbij wordt uitgegaan van de dagwaarde van de goederen en niet van de gevorderde aanschafwaarde. Het door de verzekering uitgekeerde bedrag dient in mindering te worden gebracht, wat maakt dat de toewijsbare vordering neerkomt op een bedrag van € 30.131,13. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van € 12.000,00 vatbaar is voor toewijzing. In totaal kan € 42.131,13 worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft kenbaar gemaakt de vordering te weerspreken maar zich te refereren aan het oordeel van het hof.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nHet hof zal de gevorderde vergoeding voor gestolen goederen toewijzen tot een bedrag van € 26.292,35. Het gaat dan om de volgende posten:\n\n6. Oorbellen Ti Sento € 100,00 7. Oorbellen Zilveren creolen € 55,00 8. Oorbellen Ti Sento € 59,00 13. Zonnebril Miu Miu € 270,00 14. Zonnebril Tiffany & Co € 225,00 15. Zonnebril Guess € 80,00 16. Zonnebril Bulgari € 300,00 17. Zonnebril Prada € 180,00 18. Zonnebril Ray Ban € 150,00 19. Zonnebril Ray Ban € 150,00 20. Zonnebril Ray Ban € 150,00 21. Zonnebril Ray Ban € 150,00 22. Zonnebril Ray Ban € 150,00 23. Zonnebril Ray Ban € 150,00 25. Portemonnee € 64,40 29. Horloge Guess € 109,95 30. Horloge Corum Royal Flush € 3.900,00 31. Moët champagne € 399,00 32. 2x Piper Heidsick (champagne) € 150,00 34. Audi A8 € 19.500,00.\n\nHet hof acht evenals de rechtbank deze posten voldoende onderbouwd, gezien de toelichting met foto’s, aankoopbonnen en\u002Fof verwijzingen naar internetpagina’s met daarop de waarde van vergelijkbare artikelen. Bovendien zijn deze goederen terug te voeren op de aangiften of de nadere verhoren van de aangevers. Bij de begroting van de schade is [slachtoffer 3] uitgegaan van de nieuwwaarde van de weggenomen goederen. Het grootste deel van de goederen is echter al enige tijd geleden aangeschaft, zodat voor vergoeding in aanmerking komt de dagwaarde. Bij gebrek aan concrete gegevens over de dagwaarde zal het hof evenals de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en aansluiting zoeken bij het percentage dat [slachtoffer 3] oorspronkelijk als waardevermindering had gehanteerd, zijnde 33%. Dat er meer goederen zijn weggenomen en dat dit voor [slachtoffer 3] niet te achterhalen of te onderbouwen is, vormt geen reden om dit te compenseren door de afschrijving achterwege te laten. Het hof zal echter evenals de rechtbank geen afschrijving in mindering brengen op de waarde van de Audi A8, nu deze zeer kort voor de overval was aangekocht en mag worden aangenomen dat de aanschafwaarde de dagwaarde vertegenwoordigt. Het hof stelt de dagwaarde van de weggenomen goederen aldus vast op € 26.292,35.\n\nHet hof zal evenals de rechtbank de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de overige gestolen goederen niet-ontvankelijk verklaren, gezien de betwisting daarvan (door in algemene zin te stellen dat de vordering wordt weersproken) en omdat deze goederen niet zijn terug te voeren op de aangiften of de latere verhoren van de aangevers (schoenen), dan wel de waarde daarvan niet met stukken is onderbouwd (overige sieraden en beautycase). Ten aanzien van de make-up overweegt het hof evenals de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld wanneer dat is aangeschaft en tegen welke prijs. Bovendien mag worden aangenomen dat de producten zijn aangebroken\u002Fgebruikt. Er is dan ook niet vast te stellen in hoeverre de make-up artikelen (nog) een waarde vertegenwoordigen. Dit laatste geldt ook voor de opgevoerde parfums. Hiervoor is nadere bewijslevering noodzakelijk, hetgeen een onevenredige belasting vormt voor dit strafgeding.\n\n Wat betreft het gestolen geld zal het hof evenals de rechtbank een bedrag van € 15.000,00 toewijzen, hetgeen aansluit bij het bedrag dat in de aangifte en de aanvullende verhoren is genoemd.\n\n Dit betekent dat de materiële schade in totaal € 41.292,35 bedraagt. Hierop komt het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag van € 8.919,74 in mindering, zodat een bedrag van € 32.372,61 zal worden toegewezen. Voor het overige zal het hof de vordering voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk verklaren.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 3] geen lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nUit vaste rechtspraak blijkt dat van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon‘op andere wijze’sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon‘op andere wijze’als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nTen aanzien van de aantasting van de benadeelde partij in zijn persoon ‘op andere wijze’overweegt het hof evenals de rechtbank in deze zaak dat de aard en de ernst van de normschending, met zich meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor [slachtoffer 3] zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Er is sprake van een gewapende overval, waarbij vier gemaskerde mannen in de nacht met wapens de slaapkamer zijn binnengedrongen. [slachtoffer 3] en zijn partner zijn bedreigd met vuurwapens en zijn vastgebonden met tie-wraps. Ook is bij deze overval geweld uitgeoefend op de partner van de [slachtoffer 3] , waardoor zij gewond is geraakt.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de overval, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 42.372,61. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskosten\n\nDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nHet hof ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (diefstal met geweld en bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.\n\n10.4. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 2)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot immateriële schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 7.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft bij brief van 22 november 2024 haar vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering voor toewijzing vatbaar is. Zowel het lichamelijk letsel opgelopen tijdens de overval als het psychisch letsel waar [slachtoffer 4] nog altijd mee kamp, zijn toegelicht en houden rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging is primair van mening dat de vordering geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd.Oordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij vier gemaskerde mannen in de nacht met wapens de slaapkamer zijn binnengedrongen. [slachtoffer 4] en haar partner zijn bedreigd met vuurwapens en zijn vastgebonden met tie-wraps. Uit de stukken en de toelichting op de vordering blijkt dat [slachtoffer 4] door een van de daders van de woningoverval aan haar haren van het bed is getrokken. Hierbij is haar teen uit de kom geraakt, heeft zij snijwonden op haar knieën opgelopen en een kale plek op haar hoofd. Zij is naar de eerste hulp van het ziekenhuis geweest, waar haar teen weer is rechtgezet.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van [slachtoffer 4] en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit het door [slachtoffer 4] uitgeoefende spreekrecht zowel in eerste aanleg als in hoger beroep blijkt dat zij kampt met gevoelens van angst en boosheid en dat haar leven als gevolg van de woningoverval voorgoed veranderd is.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.5. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 6] (feiten 3 en 4)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 44.388,24‬ ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 3 en 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 3.888,24 aan materiële schade en € 40.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade is in het verzoek tot schadevergoeding gesplitst in twee onderdelen:\n\n- de helft van de gezamenlijke materiële schadevan [slachtoffer 6] en zijn partner [slachtoffer 5] ter hoogte van\n\n€ 2.238,24 en\n\n- zijn eigen materiële schadeter hoogte van € 1.650,00.\n\nDe gezamenlijke materiële schadebestaat uit drie posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nvloerbedekking trap € 653,84;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\n(Subtotaal € 4.476,48, waarvan [slachtoffer 6] 50% vordert: € 2.238,24.)\n\nDe eigen materiële schadevan € 1.650,00 bestaat uit vier posten:\n\n portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 80,00.\n\nDe immateriële schadeis opgebouwd uit drie onderdelen:\n\nimmateriële schade € 15.000,00;\n\naffectieschade € 17.500,00;\n\nshockschade € 8.000,00.\n\nDe rechtbank heeft de helft van de door [slachtoffer 6] gevorderde gezamenlijke materiële schadetoegewezen tot een bedrag van € 1.911,32. Deze schade bestaat uit 50% van de volgende posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\nTen aanzien van de gevorderde kosten voor de vloerbedekking is de rechtbank uitgegaan van de dagwaarde die blijkens de toelichting op de vordering door de verzekeraar is vergoed. De rechtbank heeft deze post afgewezen.\n\n De rechtbank heeft de eigen materiële schadevan [slachtoffer 6] toegewezen tot een bedrag van € 1.610,00. Deze schade bestaat uit de volgende posten: d. portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 40,00.\n\nDe rechtbank heeft:\n\nde gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 toegewezen en het meer gevorderde afgewezen;\n\nde gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 toegewezen;\n\nde gevorderde schokschade ad € 8.000,00 afgewezen.\n\nBij brief van 12 december 2024 heeft [slachtoffer 6] kenbaar gemaakt de vordering te handhaven.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient de gevorderde €15.000,00 te worden toegewezen alsmede de gevorderde affectieschade ad €17.500,00. De gevorderde schokschade dient te worden afgewezen.\n\nTer zitting in hoger beroep is namens [slachtoffer 6] naar voren gebracht dat de gevorderde immateriële schadevergoeding dient te worden toegewezen. Onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal is verder naar voren gebracht dat, hoewel € 15.000,00 is gevorderd, een bedrag tussen de € 41.000,00 en €69.000,00 passend wordt geacht. Verzocht wordt het gevorderde bedrag toe te wijzen en het meerdere ambtshalve alsnog via een schadevergoedingsmaatregel vast te stellen. Het hof begrijpt dat dit een bedrag zou moeten zijn tussen de € 26.000,00 en € 54.000,00. Tevens is verzocht de gevorderde schokschade toe te wijzen waarbij is gewezen op een uitspraak van de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2019:4594).\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging is primair van mening dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde medische kosten (eigen risico 2021) ad € 385,00 en de inkomstenderving ad € 1.140,00. De gevorderde affectieschade dient te worden afgewezen.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeEvenals de rechtbank zal het hof de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 3.521,32 (€ 1.911,32 aan gezamenlijke schade en € 1.610,00 aan eigen schade).\n\nDe gezamenlijke materiële schadewordt vastgesteld op een bedrag van € 3.822,64 en is als volgt opgebouwd:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\nDit gedeelte van de schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit. De vordering is voldoende onderbouwd en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit geldt echter niet voor de post ‘vloerbedekking’. Ten aanzien van de vloerbedekking is de benadeelde partij uitgegaan van de kosten voor het laten plaatsen van nieuwe vloerbedekking. In aanmerking voor vergoeding komt echter de dagwaarde van de door de overval beschadigde vloerbedekking. Die dagwaarde is blijkens de toelichting op de vordering al door de verzekeraar vergoed. Dit betekent dat deze post zal worden afgewezen.\n\nOmdat [slachtoffer 6] de helft van de gezamenlijke materiële schadeheeft gevorderd zal het hof voor [slachtoffer 6] een bedrag van € 1.911,32 toewijzen.\n\nHet hof zal de eigen materiële schadevan [slachtoffer 6] tot een bedrag van € 1.610,00 toewijzen, nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering is voldoende onderbouwd en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze schade bestaat uit de volgende posten:\n\n portemonnee € 45,00;\n\n eigen risico € 385,00;\n\n inkomstenderving € 1.140,00;\n\n medische kosten € 40,00.\n\nTen aanzien van de medische kosten merkt het op dat de factuur van 6 maart 2024, die ter onderbouwing is overgelegd, op naam is gesteld van [slachtoffer 5] . Het hof zal evenals de rechtbank dit gedeelte van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek aan een afdoende onderbouwing daarvan.\n\nImmateriële schade\n\nMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij gemaskerde mannen midden in de nacht met wapens de slaapkamer van [slachtoffer 6] zijn binnengedrongen. Hij is met de overvallers in gevecht geraakt, waarbij hij in het gezicht is geslagen en met een hard voorwerp (mogelijk een lamp) een klap op zijn achterhoofd heeft gekregen. Zijn partner [slachtoffer 5] is door een van de daders in haar hals geschoten. [slachtoffer 6] en [slachtoffer 5] zijn naar het ziekenhuis vervoerd, waar [slachtoffer 6] onder meer een CT-scan heeft gehad. [slachtoffer 6] heeft bloeduitstortingen op zijn lichaam en in zijn gezicht opgelopen en twee hoofdwonden op zijn achterhoofd.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting op de vordering blijkt onder meer dat de woningoverval een enorme impact heeft gehad op het gevoel van veiligheid en controle van [slachtoffer 6] . Hij staat nog altijd op scherp en is alert. Hij heeft last van herbelevingen, vooral in de nacht. Hij wordt beperkt in zijn levensvreugde. Ter behandeling van zijn klachten heeft [slachtoffer 6] een uitgebreide sessie gevolgd bij een coach gespecialiseerd op het gebied van trauma’s na geweld. Ook heeft hij contact gehad met Slachtofferhulp Nederland. In aanloop naar de zitting heeft hij zich tot een psycholoog gewend, omdat de nachtmerries en herbelevingen weer de overhand kregen.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Met betrekking tot het deel van de gevorderde immateriële schade bij wijze van toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tussen de € 26.000,00 en € 54.000,00 overweegt het hof als volgt. Het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De door de advocaat bij brief van 15 januari 2024 omschreven klachten van [slachtoffer 6] , thans omschreven als PTSS klachten, dateren van 2021. Het hof concludeert dat geen sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nAffectieschadeOok de gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 komt naar het oordeel van het hof en evenals de rechtbank voor vergoeding in aanmerking. Het hof overweegt evenals de rechtbank hiertoe het volgende.\n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1750) in een zaak waarin affectieschade werd gevorderd, als volgt overwogen:\n\n“2.4 Onder affectieschade wordt verstaan de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.6). Of een naaste aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade wegens “ernstig en blijvend letsel” van de gekwetste als bedoeld in artikel 6:107 BW hangt in belangrijke mate af van de mate van de blijvende functiestoornis bij de gekwetste, waarbij – volgens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis – “een zeer bijzondere ernst van letsel” is vereist. De wetgever heeft daarbij als indicatie genoemd dat in geval van lichamelijk letsel bij een – aan de hand van de AMA-guides vastgestelde – blijvende functiestoornis van 70% of meer in ieder geval sprake is van “ernstig en blijvend letsel”. In het bijzonder in die gevallen waarin niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dergelijke hoge en blijvende functiestoornis, kan de rechter ook anderszins de invloed van het letsel op het leven van de gekwetste en de naaste betrekken bij zijn beoordeling of een naaste aanspraak kan maken op een vergoeding als bedoeld in artikel 6:107 BW.”\n\n [slachtoffer 6] is de levenspartner van [slachtoffer 5] en valt daarom binnen de kring van personen die recht kan hebben op een vergoeding van affectieschade. [slachtoffer 5] is bij de onder feiten 4 en 5 bewezen verklaarde woningoverval in haar hals geschoten. Zij heeft zich als gevolg hiervan ziek moeten melden bij haar werkgever en heeft uiteindelijk haar werk vanuit huis voor 50% hervat, hetgeen voor haar het maximaal haalbare is. Zij kan niet meer naar kantoor in verband met te veel prikkels en opbouwende vermoeidheid. [slachtoffer 5] heeft onder meer onherstelbare gehoorschade (tinnitus) opgelopen, waardoor zij een voortdurende ruis in haar oren heeft en overgevoelig is voor dagelijkse geluiden. Als gevolg van een zenuwbeschadiging aan de linkerkant van het hoofd, ondervindt zij vaak hoofdpijn en oorpijn en steken in haar hoofd. Sinds de woningoverval staat het sociale leven van [slachtoffer 5] nagenoeg stil. Zij kan niet meer naar locaties waar veel mensen bijeen zijn. Zij kan niet meer motorrijden nu zij geen helm meer kan dragen. Hierdoor is de relatie tussen [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] veranderd. Zij kunnen niet meer samen naar verjaardagen of andere feesten en kunnen geen gezamenlijke uitjes meer ondernemen, zoals naar de bioscoop of uit eten. Ook kunnen zij niet meer samen op pad met de motor of samen naar beurzen.\n\nTer zitting in hoger beroep heeft [slachtoffer 6] het spreekrecht uitgeoefend. Daarin heeft hij uitvoerig benadrukt wat de blijvende gevolgen van deze woningoverval voor hem en zijn partner zijn.\n\nGelet op het voorgaande concludeert het hof evenals de rechtbank dat het ernstige en blijvende letsel dat [slachtoffer 5] door het onder feiten 4 en 5 bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachten heeft opgelopen, blijvend een grote impact op het leven van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zal hebben. Naar het oordeel van het hof is die invloed van dien aard dat [slachtoffer 6] , op grond van artikel 6:107, eerste lid, onder b BW en het Besluit vergoeding affectieschade, aanspraak kan maken op de gevorderde vergoeding voor affectieschade. De hoogte van de vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade vastgesteld op € 17.500,00. Het hof zal evenals de rechtbank dit bedrag aan gevorderde affectieschade toewijzen.\n\nSchokschadeHet hof zal evenals de rechtbank het gevorderde bedrag aan schokschade, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) afwijzen. In dit arrest heeft de Hoge Raad onder meer de volgende opmerkingen gemaakt over vergoeding van schokschade:\n\n“3.4 Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.\n\n(…)3.7 Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen – beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.\n\nAls sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.”\n\nHet hof stelt evenals de rechtbank vast dat onvoldoende is gebleken dat bij [slachtoffer 6] sprake is van geestelijk letsel dat is veroorzaakt door de confrontatie met de (gevolgen van de) onrechtmatige daad die is gepleegd jegens zijn partner [slachtoffer 5] . Er is sprake van een woningoverval waarbij de daders ook geweld op [slachtoffer 6] hebben uitgeoefend. Uit de verwijsbrief van de huisarts van 12 januari 2024 in combinatie met de informatie van de therapeut blijkt dat de PTSS-kenmerken bij [slachtoffer 6] verband houden met de overval als zodanig.Uit die stukken blijkt niet dat er geestelijk letsel bij [slachtoffer 6] is ontstaan als gevolg van de emotionele schok door de confrontatie met het geweld tegen [slachtoffer 5] of het letsel dat [slachtoffer 5] heeft opgelopen. Met het letsel dat is ontstaan bij [slachtoffer 6] is al rekening gehouden bij de hoogte van het bedrag aan immateriële schadevergoeding dat aan hem is toegekend. Het hof zal daarom de gevorderde schokschade afwijzen. De door de advocaat genoemde uitspraak van de rechtbank Overijssel maakt dit oordeel niet anders.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 36.021,32.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 25 februari 2021 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van €1.015,53 (de helft van € 2.031,05) voor de installatie van het alarmsysteem. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de sloten ter hoogte van € 405,00 (de helft van € 810,00) is verschuldigd vanaf 1 februari 2021. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de autosleutel ter hoogte van € 109,92 (de helft van € 219,84) is verschuldigd vanaf 2 maart 2021. Het hof zoekt evenals de rechtbank hiervoor telkens aansluiting bij de uiterste betaaldata van de desbetreffende facturen. De wettelijke rente over de braakschade ter hoogte van € 155,88 (de helft van € 311,75) is verschuldigd vanaf 17 januari 2024. Hierbij wordt uitgegaan van de datum van indiening van de vordering, omdat er geen factuur is overgelegd waaruit een eerdere datum als bedoeld in artikel 6:119 BW kan worden afgeleid. De wettelijke rente over het eigen risico ter hoogte van € 385,00 is verschuldigd vanaf 10 april 2021, de datum van afschrijving door de verzekeraar. De wettelijke rente over de inkomstenderving van € 1.140,00 is verschuldigd vanaf 25 januari 2021. Hierbij wordt uitgegaan van de datum waarop [slachtoffer 6] weer is gaan werken. De wettelijke rente over de medische kosten van € 40,00 is verschuldigd vanaf 19 januari 2024. Uit de factuur blijkt immers dat deze toen al was voldaan. Over het resterende bedrag ter hoogte van € 32.769,99 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 7 januari 2021, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheid\n\nHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.6. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 5] (feiten 3 en 4)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬124.752,01‬ ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe gestelde schade bestaat uit € 7.252,01‬ aan materiële schade en € 117.500,00 aan immateriële schade. De materiële schade is in het verzoek tot schadevergoeding gesplitst in twee onderdelen:\n\nde helft van de gezamenlijke materiële schadevan [slachtoffer 5] en haar partner [slachtoffer 6] ter hoogte van €2.238,24 en\n\nhaar eigen materiële schadeter hoogte van € 5.013,77.\n\nDe gezamenlijke materiële schadebestaat uit drie posten:\n\nkosten beveiliging woning € 2.031,05;\n\nschade woning:\n\nweggenomen geld € 450,00;\n\nvervangen sloten € 810,00;\n\nvloerbedekking trap € 653,84;\n\nbraakschade € 311,75;\n\nkosten vervanging autosleutel € 219,84.\n\n(Subtotaal € 4.476,48, waarvan [slachtoffer 5] 50% vordert: € 2.238,24.)\n\nDe eigen materiële schadebestaat uit vijf posten:\n\n reiskosten medische instanties € 346,79;\n\n medische kosten € 1.201,98;\n\n Spotify abonnement € 145,00;\n\n Softlaser € 399,00;\n\n huishoudelijke hulp € 2.921,00.\n\nTotaal: € 5.013,77\n\nDe immateriële schadeis opgebouwd uit twee onderdelen:\n\nimmateriële schade € 100.000,00;\n\naffectieschade € 17.500,00.\n\nDe rechtbank heeft het aandeel van [slachtoffer 5] in de gezamenlijke materiële schadebegroot op € 1.911,32 en dit bedrag toegewezen. Ten aanzien van deeigen materiële schadeheeft de rechtbank een bedrag van € 2.092,77 toegewezen.\n\nDe rechtbank heeft de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 25.000,00 en het meer gevorderde afgewezen. De gevorderde affectieschade heeft de rechtbank afgewezen.\n\nTer zitting in hoger beroep is namens [slachtoffer 5] de vordering tot vergoeding van de materiële schade ter hoogte van € 7.252,01 (€ 2.238,24 + € 5.013,77) gehandhaafd. De vordering tot vergoeding van de immateriële schade, initieel gesteld op € 100.000,00, is ter zitting verhoogd en gesteld op het bedrag van € 133.500,00.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade dient de ter zitting in hoger beroep gevorderde € 113.500,00 (het hof begrijpt: € 133.500,00) te worden toegewezen. De advocaat-generaal heeft tot slot het standpunt ingenomen het eens te zijn met de beslissing van de rechtbank inzake de gevorderde affectieschade.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging is primair van mening dat de vordering geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof met betrekking tot de reiskosten medische instanties ad € 346,79 en de medische kosten ad € 1.201,98 (totaal). De kosten voor de verzorging van het paard dienen te worden afgewezen. De gevorderde immateriële kosten dienen te worden gematigd.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade toewijzen tot een totaalbedrag van € 5.504,09 (€ 1.911,32 aan gezamenlijke schade en € 3.592,77 aan eigen schade).\n\nZoals hiervoor bij de benadeelde partij [slachtoffer 6] is overwogen, wordt het aandeel van [slachtoffer 5] in de post “gezamenlijke schade” begroot op € 1.911,32. Dit bedrag komt voor toewijzing in aanmerking.\n\nDe “eigen materiële schade” van [slachtoffer 5] zal het hof toewijzen tot een bedrag van € 3.592,77. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n reiskosten medische instanties € 346,79;\n\n medische kosten € 1.201,98;\n\n Spotify abonnement € 145,00;\n\n Softlaser € 399,00;\n\n verzorging paard € 1.500,00.\n\nTen aanzien van de door [slachtoffer 5] gevorderde kosten onder de noemer ‘huishoudelijke hulp’ overweegt het hof als volgt. Het hof begrijpt dat bij gebreke aan een alternatief aansluiting is gezocht bij de letselrichtlijn huishoudelijke hulphoewel de verzorging van een paard niet zonder meer gelijk te stellen is aan kosten voor huishoudelijke hulp. Het hof is echter van oordeel dat aan [slachtoffer 5] een vergoeding voor de verzorging van haar paard toekomt en heeft deze geschat op € 1.500,00.\n\nNaar het oordeel van het hof vloeit dit deel van de schade in zoverre rechtstreeks voort uit de bewezen verklaarde feiten. Voorts is dit deel van de schade voldoende onderbouwd en komt het hof de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een gewapende overval, waarbij gemaskerde mannen in de nacht met wapens de woning van [slachtoffer 5] en haar partner zijn binnengedrongen. Zij heeft als gevolg van het bij de woningoverval uitgeoefende geweld verwondingen opgelopen aan haar hoofd. Ook is zij in haar hals geschoten, waardoor een gat in haar hals en brandwonden zijn ontstaan. Zij is naar het ziekenhuis vervoerd, waar de schotwond in haar hals is gehecht. Volgens de toelichting op de vordering heeft [slachtoffer 5] als gevolg van het schieten onherstelbare gehoorschade opgelopen, bestaande uit een voortdurende ruis in haar oren (tinnitus). Zij is overgevoelig voor dagelijkse geluiden. Ook heeft zij schade opgelopen aan haar ogen. Als gevolg van een zenuwbeschadiging aan de linkerzijde van haar hoofd, heeft zij vaak hoofdpijn, oorpijn en ervaart zij regelmatig pijnlijke steken in haar hoofd. Door het lopen met gehoorbescherming heeft [slachtoffer 5] vrijwel altijd pijn in haar nek en schouders.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\n Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat [slachtoffer 5] dagelijks wordt geconfronteerd met haar lichamelijke beperkingen. Daarnaast is sprake van vermoeidheid, slecht slapen en zij staat altijd op scherp. Ook voelt zij zich angstig. Zij heeft zich ziek moeten melden bij haar werkgever en heeft weliswaar inmiddels haar werk vanuit huis voor 50% hervat, hetgeen voor haar het maximaal haalbare is. Zij kan niet meer naar kantoor in verband met teveel prikkels en opbouwende vermoeidheid. Sinds de woningoverval staat haar sociale leven nagenoeg stil. Zij kan niet meer naar locaties waar veel mensen bijeen zijn. Zij kan niet meer motorrijden nu zij geen helm meer kan dragen. Ook kan zij geen wedstrijden meer rijden met haar paard, omdat zij geen cap meer kan dragen. Spontane acties en vakanties kunnen niet meer. Hierdoor is ook de relatie met haar partner veranderd. Zij kunnen niet meer samen naar verjaardagen of andere feesten en kunnen geen gezamenlijke uitjes meer ondernemen, zoals naar de bioscoop of uit eten. Ook kunnen zij niet meer samen op pad met de motor of samen naar beurzen.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de overval en de fysieke en mentale gevolgen die dit voor de benadeelde partij heeft gehad en welke gevolgen ook voldoende zijn onderbouwd in de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 100.000,00 billijk voor.\n\nOp grond van de wet is het voor een benadeelde partij niet mogelijk om in hoger beroep de vordering tot schadevergoeding te verhogen. Wel kan het hof in uitzonderlijke gevallen door middel van de schadevergoedingsmaatregel een aanvullende schadevergoeding toekennen. Met betrekking tot het deel van de gevorderde immateriële schade bij wijze van toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ad €33.500,00 overweegt het hof als volgt. Anders dan het Openbaar Ministerie is het hof van oordeel dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:1275). De gestelde onderdelen van de vordering: aantasting gezichtsvermogen, aantasting gehoor, misvorming van het gezicht\u002Flitteken in het gezicht en PTSS dateren immers van 2021 en is geen sprake van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.\n\nAffectieschadeDe gevorderde affectieschade ad € 17.500,00 dient naar het oordeel van het hof te worden afgewezen, onder verwijzing naar het hiervoor opgenomen arrest van de Hoge Raad van 30 november 2021. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat bij [slachtoffer 6] sprake is van ernstig en blijvend letsel, op grond waarvan [slachtoffer 5] als naaste aanspraak kan maken op een vergoeding als bedoeld in artikel 6:107 BW.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de vordering zal worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 105.504,09.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 25 februari 2021 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van €1.015,53 (de helft van € 2.031,05) voor de installatie van het alarmsysteem. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de sloten ter hoogte van € 405,00 (de helft van € 810,00) is verschuldigd vanaf 1 februari 2021. De wettelijke rente over de kosten van het vervangen van de autosleutel ter hoogte van € 109,92 (de helft van € 219,84) is verschuldigd vanaf 2 maart 2021.\n\nHet hof zoekt hiervoor telkens aansluiting bij de uiterste betaaldata van de desbetreffende facturen. De wettelijke rente over de braakschade ter hoogte van € 155,88 (de helft van € 311,75) is verschuldigd vanaf 17 januari 2024. Het hof gaat hierbij evenals de rechtbank uit van de datum van indiening van de vordering, omdat er geen factuur is overgelegd waaruit een eerdere datum als bedoeld in artikel 6:119 BW kan worden afgeleid. De wettelijke rente over de reiskosten ter hoogte van € 346,79 is verschuldigd vanaf 1 januari 2022. De behandelingen hebben plaatsgevonden vanaf 18 januari 2021 tot en met 3 januari 2023 en de rechtbank zoekt aansluiting bij het midden van deze periode. De wettelijke rente over het eigen risico over 2021 ter hoogte van € 385,00 is verschuldigd vanaf 23 april 2021, de datum van betaling aan de verzekeraar. De wettelijke rente over het eigen risico over 2022 ter hoogte van € 166,98 is verschuldigd vanaf 4 april 2022, de datum van indiening van de laatste factuur bij de verzekeraar. De wettelijke rente over de kosten van de EMDR-sessies van € 650,00 is verschuldigd vanaf 1 september 2022. De sessies zijn gevolgd gedurende de periode van 1 juni 2022 tot en met 3 januari 2023 en de rechtbank zoekt aansluiting bij het midden van deze periode. De wettelijke rente over de kosten van het Spotify abonnement ten bedrage van € 145,00 is verschuldigd vanaf 1 juli 2023. Ook hier gaat de rechtbank uit van het midden van de abonnementsperiode (van december 2022 tot en met januari 2024). De wettelijke rente over de kosten van de softlaser van € 399,00 is verschuldigd vanaf 27 februari 2023, de betaaldatum van de factuur. De wettelijke rente over de kosten verzorging paard is verschuldigd vanaf 28 april 2021 zijnde de laatste dag waarop [betrokkene 4] blijkens haar brief van 9 december 2023 voor het paard van [slachtoffer 5] heeft gezorgd.\n\nOver het resterende bedrag ter hoogte van € 100.224,99 wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 7 januari 2021, de datum waarop de woningoverval heeft plaatsgevonden. Een en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheid\n\nHet hof zal de bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.7. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 7] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬20.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft een bedrag van € 10.000,00 toegewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft bij brief van 2 december 2024 de vordering tot schadevergoeding gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft opgemerkt dat [slachtoffer 7] op 14 maart 2026 is overleden. Dit neemt niet weg dat het hof op de vordering dient te beslissen. De vordering is op de voet van artikel 6:95 lid 2 BW vatbaar voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam dan wel erfgenamen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 10.000,00 kan worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOordeel van het hofMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 7] is vastgebonden, geblinddoekt en meermaals geslagen met de koevoet. Ook is een vuurwapen op hem en zijn vrouw gericht. Uit het dossier en de toelichting bij de vordering blijkt dat hij blauwe plekken en zwellingen heeft opgelopen op zijn schedel en zijn benen, waarvoor hij naar de Spoedeisende Hulp in het ziekenhuis is gegaan. In het ziekenhuis zijn foto’s genomen. [slachtoffer 7] heeft ongeveer twee maanden last gehad van zijn linkerbeen. Door een klap op zijn oor heeft hij zeker drie maanden last gehad van constant oorsuizen en verminderd gehoor.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nDe overval heeft flinke impact gehad op [slachtoffer 7] en zijn gezin. Hij hoorde zijn zoon gillen, wat bij hem door merg en been ging. [slachtoffer 7] dacht dat ze zijn zoon gingen vermoorden, maar kon niets voor hem doen. Hij ervaarde een gevoel van machteloosheid en is door de overval veranderd. Hij had nadien onder meer een kort lontje en had vanwege de overval zijn slaapkamer laten ombouwen tot een saferoom.\n\nHet hof komt gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.8.. \n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer 8] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 8] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬10.380,00 ingediend tegen de verdachten wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 380,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit medische kosten.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade van € 380,00 betrekking hebbende op EMDR-therapie toegewezen en de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen het eens te zijn met de rechtbank voor wat betreft de toewijzing van de materiële schade. De gevorderde immateriële schade ad € 10.000,00 dient te worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Een subsidiair standpunt heeft de verdediging niet ingenomen.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schadeHet hof zal evenals de rechtbank de gevorderde vergoeding voor de geleden materiële schade, bestaande uit medische kosten ter hoogte van € 380,00 toewijzen. Deze schade vloeit rechtstreeks voort uit het bewezen verklaarde feit, is voldoende onderbouwd, niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt.\n\nGelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 8] is vastgebonden, geblinddoekt en is bedreigd met een vuurwapen. Uit de letselrapportage en foto’s in het dossier blijkt dat zij blauwe plekken heeft opgelopen op haar rechter oksel en rechter onderbeen.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting op de vordering volgt dat de overval voor [slachtoffer 8] een zeer traumatische ervaring is geweest waar zij nog altijd last van heeft. Zij is enorm angstig geweest om het welzijn van haar man en haar zoon. Zij moest toezien hoe haar man geslagen werd met een breekijzer en hoorde ook hoe haar zoon het uitschreeuwde. Ze dacht dat zij haar zoon doodmaakten. Zij moest onder dreiging van een wapen naar de wc lopen. Zij was bang dat zij haar zouden verkrachten of doden. Sinds de overval is [slachtoffer 8] constant angstig en zij slaapt slecht, waarvoor zij slaapmiddelen heeft gekregen van haar arts. Zij heeft vanwege PTSS-klachten hulp gezocht bij een psycholoog en heeft EMDR-therapie gehad, hetgeen niet het gewenste effect heeft gehad. Het leven van [slachtoffer 8] heeft in haar ogen niet meer dezelfde kwaliteit als voorheen. Zij kan minder van het leven genieten. Zij ervaart een blijvend gevoel van onveiligheid en voelt zich beperkt in haar vrijheid. [slachtoffer 8] en haar echtgenoot durfden toen haar man nog leefde ook niet meer op vakantie omdat zij dan hun zoon in de woning alleen achter zouden moeten laten.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 10.380,00.\n\nWettelijke renteDe verdachte is vanaf 17 januari 2022 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag van € 380,00 aan medische kosten. Het hof zoekt hiervoor aansluiting bij de betaaldatum van de factuur.\n\nOver het bedrag aan immateriële schade van € 10.000,00 wordt de wettelijke rente toegewezen gerekend vanaf 4 juni 2021, de datum waarop de overval heeft plaatsgevonden.\n\nEen en ander tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.9.. \n\n Vordering benadeelde partij [slachtoffer 9] (feit 5)\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft een vordering tot schadevergoeding van € ‬20.000,00 ingediend tegen de verdachten wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toegewezen tot een bedrag van € 12.500,00 en het meer gevorderde afgewezen.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft bij brief van 2 december 2024 de vordering gehandhaafd.\n\nStandpunt van het Openbaar MinisterieDe advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat het gevorderde bedrag ad € 20.000,00 dient te worden toegewezen.\n\nStandpunt van de verdedigingDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit is bepleit. Een subsidiair standpunt heeft de verdediging niet ingenomen.\n\nOordeel van het hof\n\nImmateriële schadeMet betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt het hof evenals de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.\n\nEr is sprake van een woningoverval, waarbij vijf mannen met bivakmutsen ’s nachts de woning hebben betreden. Tenminste twee van hen hadden een vuurwapen en een van hen had een koevoet. [slachtoffer 9] is een zak over zijn hoofd getrokken en zijn handen zijn achter zijn rug geboeid. Ook zijn voeten zijn bij elkaar gebonden. Hij is met de koevoet geslagen. Hij had bloeduitstortingen op zijn dij, zijn bovenarm, zijn schouder en zijn onderrug. Ruim een half jaar heeft hij last gehad van gekneusde ribben en hij had twee maanden last met lopen. Er is ook een hete strijkbout op zijn bovenarm gezet, waardoor een brandwond is ontstaan. Deze is in de ambulance behandeld, en later nog een paar keer verschoond en verbonden door de huisarts. Het heeft [slachtoffer 9] een blijvend groot ontsierend litteken opgeleverd.\n\nNu in onderhavige zaak sprake is geweest van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, is er een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.\n\nUit de toelichting bij de vordering blijkt dat [slachtoffer 9] na de woningoverval last had van geheugenzwakte en verstrooidheid. Ook was hij een tijdlang emotioneel labiel. De eerste periode durfde hij niet meer thuis te slapen, uit angst dat de overvallers terug zouden komen . Sinds de overval kan hij niet zo goed tegen “gezeur om kleine dingen”.\n\nHet hof komt anders dan de rechtbank gelet op de aard en ernst van de woningoverval, de onderbouwing van de vordering, vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 20.000,00 billijk voor.\n\nToegewezen bedragDit betekent dat de gevorderde schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf 4 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nHoofdelijkheidHet hof zal daarbij bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nProceskostenDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.\n\n10.10.. \n\nInitiële vordering [slachtoffer 11] (feit 8)\n\nOp 1 maart 2022 heeft [slachtoffer 11] een verzoek tot schadevergoeding ingediend die blijkens een poststempel op 4 maart 2022 is binnengekomen bij het Openbaar Ministerie Noord-Holland.\n\nHet hof stelt vast dat genoemd verzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet is behandeld en er evenmin een beslissing op is genomen.\n\nOp 14 april 2026 heeft de advocaat-generaal het hof geïnformeerd over het feit dat uiteindelijk contact is geweest met [slachtoffer 11] die heeft aangegeven zijn vordering te willen handhaven in hoger beroep maar dat de formulieren door het Openbaar Ministerie nog niet zijn ontvangen.\n\nDe advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat nu [slachtoffer 11] zijn vordering niet heeft gehandhaafd deze dan ook niet aan de orde is.\n\nHet hof is van oordeel dat de vordering van [slachtoffer 11] niet aan de orde is omdat hoewel de vordering tijdig is ingediend, deze niet door de rechtbank is behandeld en de rechtbank hierop ook niet heeft beslist. Een behandeling eerst in de fase van het hoger beroep is niet mogelijk zodat de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 11] niet aan de orde is.\n\nHet hof heeft in beginsel ook de mogelijkheid om ambtshalve aan [slachtoffer 11] een schadevergoeding toe te kennen op grond van art. 36f Sr. In deze zaak is immers sprake van een uitzonderlijke situatie, waarin de vordering van [slachtoffer 11] door een fout van justitie niet is behandeld door de rechtbank. Het hof constateert echter dat [slachtoffer 11] de gestelde schade in het geheel niet heeft onderbouwd. Het hof heeft daarmee onvoldoende aanknopingspunten om de hoogte van de schade vast te stellen, en zal daarom geen toepassing geven aan art. 36f Sr.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 140, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. BESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep wat betreft de aan hem onder feiten 1, 2, 4, 5, 7, 8 en 10 tweede cumulatief\u002Falternatief tenlastegelegde afpersing.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot levenslange gevangenisstraf.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 25.510,23 (vijfentwintigduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) bestaande uit\n\n€ 5.510,23 (vijfduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) materiële schade en\n\n€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.510,23 (vijfentwintigduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 5.510,23 (vijfduizend vijfhonderdtien euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 8 augustus 2020 over een bedrag van € 3.120,00 ter zake van resterend bedrag - 11 november 2020 over een bedrag van € 970,25 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 november 2021 over een bedrag van € 113,00 ter zake van eigen risico verzekering - 1 december 2021 over een bedrag van € 1.306,98 ter zake van alarmsysteem abonnementskosten\n\nen van de immateriële schade op\n\n8 augustus 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 en in dit arrest onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-316555-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 augustus 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.372,61 (tweeënveertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 32.372,61 (tweeëndertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige, te weten een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.372,61 (tweeënveertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) bestaande uit € 32.372,61 (tweeëndertigduizend driehonderdtweeënzeventig euro en eenenzestig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 december 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 december 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 105.504,09 (honderdvijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) bestaande uit\n\n€ 5.504,09 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) materiële schade en € 100.000,00 (honderdduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 105.504,09 (honderdvijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) bestaande uit € 5.504,09 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en negen cent) materiële schade en € 100.000,00 (honderdduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 7 januari 2021 over een bedrag van € 224,99 ter zake van overige kosten - 17 januari 2021 over een bedrag van € 155,88 ter zake van braakschade - 1 februari 2021 over een bedrag van € 405,00 ter zake van kosten sloten - 25 februari 2021 over een bedrag van € 1.015,53 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 maart 2021 over een bedrag van € 109,92 ter zake van vervangen autosleutel - 23 april 2021 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico 2021 - 28 april 2021 over een bedrag van € 1.500,00 ter zake van verzorging paard - 1 januari 2022 over een bedrag van € 346,79 ter zake van reiskosten - 4 april 2022 over een bedrag van € 166,98 ter zake van eigen risico 2022 - 1 september 2022 over een bedrag van € 650,00 ter zake van EMDR - 27 februari 2023 over een bedrag van € 399,00 ter zake van softlaser - 1 juli 2023 over een bedrag van € 145,00 ter zake van spotify\n\nen van de immateriële schade op 7 januari 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van €36.021,32 (zesendertigduizend eenentwintig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit\n\n€ 3.521,32 (drieduizend vijfhonderdeenentwintig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en €32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 8.326,92 (achtduizend driehonderdzesentwintig euro en tweeënnegentig cent) bestaande uit € 326,92 (driehonderdzesentwintig euro en tweeënnegentig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-259320-22 en in dit arrest onder 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 36.021,32 (zesendertigduizend eenentwintig euro en tweeëndertig cent) bestaande uit € 3.521,32 (drieduizend vijfhonderdeenentwintig euro en tweeëndertig cent) materiële schade en € 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n- 7 januari 2021 over een bedrag van € 269,99 ter zake van overige kosten - 17 januari 2021 over een bedrag van € 155,88 ter zake van braakschade - 19 januari 2021 over een bedrag van € 40,00 ter zake van medische kosten - 25 januari 2021 over een bedrag van € 1.140,00 ter zake van inkomstenderving - 1 februari 2021 over een bedrag van € 405,00 ter zake van kosten vervangen sloten - 25 februari 2021 over een bedrag van € 1.015,53 ter zake van installatie alarmsysteem - 2 maart 2021 over een bedrag van € 109,92 ter zake van vervangen autosleutel - 10 april 2021 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico\n\nen van de immateriële schade op 7 januari 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 9] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 9] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.380,00 (tienduizend driehonderdtachtig euro) bestaande uit € 380,00 (driehonderdtachtig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 8] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-025439-23 en in dit arrest onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.380,00 (tienduizend driehonderdtachtig euro) bestaande uit € 380,00 (driehonderdtachtig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 4 juni 2021.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. J.W.H.G. Loyson, mr. L.M.G. de Weerd en, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.\n\nBijlage I – tenlastelegging\n\n15\u002F316555-23 - Mainz1.\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2020 te De Goorn, gemeente Koggenland (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 1] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een envelop (met daarin een geldbedrag ter hoogte van 3000,- euro) en\u002Fof een of meerdere telefoon(s) en\u002Fof een of meerdere sleutel(s), in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - een of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) ter hand te nemen en\u002Fof\n\nmeermalen (met een breekijzer, althans een voorwerp) op\u002Ftegen het lichaam en\u002Fof op het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en\u002Fof\n\nmeermalen op\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen en\u002Fof\n\n(daarbij) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\u002Fof\n\n(meermalen) (met een vuurwapen) op en\u002Fof in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 2] vast te pakken en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een voorwerp op\u002Ftegen haar hoofd te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\n(daarbij) dreigend de woorden “geld, geld, geld” toe te voegen en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een voorwerp in\u002Ftegen de rug van die [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 2] te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F025439-23 - Millet\n\n2.hij op of omstreeks 30 december 2020 te Dreumel, gemeente West Maas en Waal (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 2] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een geldbedrag (ter hoogte van 15.000 euro) en\u002Fof sieraden en\u002Fof een luchtbuks en\u002Fof een personenauto (Audi) en\u002Fof een portemonnee en\u002Fof een schroevendraaier en\u002Fof een of meerdere flessen champagne in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) en\u002Fof hamer(s) ter hand te nemen en\u002Fof\n\n(daarbij) dreigend tegen [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 3] de woorden \"Geld\" en\u002Fof \"Er moet 100.000 euro liggen\" toe te voegen, althans woorden van soortgelijke (dreigende) aard en\u002Fof strekking, en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 4] te dwingen mee te lopen en\u002Fof\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 4] vast te binden en\u002Fof\n\nop\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te slaan en\u002Fof\n\naan de haren van die [slachtoffer 4] te trekken en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 4] (met kracht) van het bed af te trekken\n\neen vuurwapen, althans een voorwerp op\u002Ftegen zijn hoofd van die [slachtoffer 3] te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\nde handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer 3] vast te binden;\n\n15\u002F259320-22 - Zwenkau\n\n3.hij op of omstreeks 7 januari 2021 te Avenhorn, gemeente Koggenland (omstreeks 01.35 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop [adres 3] ) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer 5] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de nek\u002Fhals van die [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een afpersing in vereniging en\u002Fof een diefstal met geweld in vereniging van een geldbedrag en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof (een) (auto)sleutel(s) en\u002Fof sigaretten en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig(e) goed(eren), gepleegd tegen die [slachtoffer 5] en\u002Fof [slachtoffer 6] welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n4.hij op of omstreeks 7 januari 2021 te Avenhorn, gemeente Koggenland (omstreeks 01.35 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop [adres 3] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een geldbedrag en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof (een) (auto)sleutel(s) en\u002Fof sigaretten en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om zich dat\u002Fdie goed(eren) wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens ter hand te nemen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 6] om\u002Fbij de keel vast te pakken en\u002Fof\n\n(vervolgens) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 6] en\u002Fof [slachtoffer 5] te richten en\u002Fof te tonen, en\u002Fof\n\nmeermalen (met een voorwerp) op\u002Ftegen het lichaam en\u002Fof op het hoofd van die [slachtoffer 6] te slaan en\u002Fof\n\n(daarbij) (meermalen) dreigend te roepen “geld” en\u002Fof \"Ga je geld halen achter\" en\u002Fof \"Schiet hem dood\" en\u002Fof \"We willen het grote geld\", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\nmet kracht op\u002Ftegen het lichaam van die [slachtoffer 5] te duwen en\u002Fof\n\n(met een vuurwapen) op en\u002Fof in de richting van de keel\u002Fhals, althans lichaam, van die [slachtoffer 5] te schieten ten gevolge waarvan die [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;15\u002F025439-23 - Zulpich\n\n5.hij op of omstreeks 04 juni 2021 te Heerhugowaard (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan\u002Fop de [adres 4] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een personenauto (Audi Q7) en\u002Fof twee mobiele telefoons en\u002Fof een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 9] en\u002Fof [slachtoffer 8] en\u002Fof [slachtoffer 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichelf en\u002Fof andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door\n\neen zak over het hoofd van [slachtoffer 9] te trekken en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 9] vast te binden en\u002Fof\n\n(vervolgens) een heet strijkijzer op\u002Ftegen de schouder van [slachtoffer 9] te drukken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, op\u002Ftegen de rug van [slachtoffer 9] te houden, althans te tonen en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 9] meermalen, met een koevoet op\u002Ftegen het bovenbeen te slaan en\u002Fof\n\n(daarbij) te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"Ik snij haar strot door als jullie niet zeggen of er nog meer geld is\" en\u002Fof \"Waar is de kluis\" of woorden van gelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 7] meermalen (met een koevoet) op\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof zijn been te slaan en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, te tonen aan [slachtoffer 7] en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 7] en\u002Fof [slachtoffer 8] vast te binden en\u002Fof te blinddoeken en\u002Fof\n\n(daarbij) tegen die [slachtoffer 7] te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"meer geld\" of woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof\n\n(daarbij) tegen die [slachtoffer 8] te roepen \"waar is het geld\" en\u002Fof \"We steken het in brand\", althans woorden van soortgelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\neen vuurwapen, althans een daarop lijkend voorwerp, op [slachtoffer 8] te richten en\u002Fof te dwingen mee te lopen;\n\n15\u002F322543-21 - Ararat6.hij op of omstreeks 14 juni 2021 te Berkhout tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 10] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen op\u002Fin het (boven)lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een poging tot afpersing in vereniging en\u002Fof een poging tot diefstal met geweld in vereniging van een of meerdere goederen van zijn\u002Fhun gading, gepleegd tegen die [slachtoffer 10] en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n7.hij op of omstreeks 14 juni 2021 te Berkhout, (omstreeks 03:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om geld en\u002Fof goederen, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen de woning van die [slachtoffer 10] door middel van braak en\u002Fof verbreking tegen de wil van die [slachtoffer 10] heeft\u002Fhebben betreden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen of meerdere (vuur)wapens en\u002Fof breekijzer(s) ter hand te nemen, en\u002Fof\n\n(vervolgens) met een vuurwapen op\u002Fin het lichaam van die [slachtoffer 10] te schieten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 10] is overleden;\n\n15\u002F186945-22 - Willich\n\n8.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een sleutel en\u002Fof een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een breekijzer, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 11] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\neen vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 11] te richten en\u002Fof te tonen, en\u002Fof\n\n(daarbij) (dreigend) de woorden toe te voegen: “We willen de sleutel van (de woning van) [slachtoffer 12] \" en\u002Fof \"We willen geld”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard en\u002Fof strekking en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 11] met tape vast te binden;\n\n9.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk [slachtoffer 12] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en\u002Fof voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een afpersing in vereniging en\u002Fof een diefstal met geweld in vereniging door middel van braak en\u002Fof verbreking gepleegd in een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 317, 312 lid 1 jo lid 2 jo 310 van het Wetboek van Strafrecht), welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en\u002Fof het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;\n\n10.hij op of omstreeks 22 juli 2021 te Noord-Scharwoude (omstreeks 04: 32 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd) (in\u002Fuit een woning gelegen aan de [adres 28] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een portemonnee (met inhoud) en\u002Fof een usb stick, in elk geval enig(e) goed(eren), dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 12] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 12] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en\u002Fof andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n(met een vuurwapen) in het bovenlichaam van die [slachtoffer 12] te schieten en\u002Fof\n\ndie [slachtoffer 12] om\u002Fbij de keel vast te pakken en\u002Fof vast te houden ten gevolge waarvan die [slachtoffer 12] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;\n\n15\u002F025439-23 – criminele organisatie\n\n11.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 augustus 2020 tot en met 22 juli 2021 te De Goorn en\u002Fof Nieuwe Niedorp en\u002Fof Dreumel en\u002Fof Avenhorn en\u002Fof Berkhout en\u002Fof [adres 25] en\u002Fof [plaats 2] , althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 3] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten het plegen van overvallen (artikel 312\u002F317 Wetboek van Strafrecht).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1864","ecli-nl-ghams-2026-1864",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":43,"language":7,"source":17,"sourceUrl":44,"summary":14,"slug":45,"metadata":46},"659","ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht\n\nzaaknummers: 200.368.191\u002F01 en 200.368.191\u002F02\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F375969 \u002F JU RK 26-477\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de raad.\n\nHet hof heeft als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;\n\n- [de vader] , wonende in [plaats B] , hierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. E.M. Kooij te Noordwijkerhout;\n\n- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna: de GI.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n1.2. \n\nDe kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026 en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\nDe moeder is het hier niet mee eens en wil dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen. De raad en de vader zijn het wel eens met de beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kinderrechter) van 30 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking). Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F01.\n\nDe moeder heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F02.\n\n2.2. De raad heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.3. De vader heeft op 2 juni 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.4. \n\nBij het hof is verder het volgende stuk ingekomen:\n\n- een bericht van de moeder van 3 juni 2026, met als bijlagen producties 9-11.\n\n2.5. Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De GI heeft het hof op 4 juni 2026 laten weten dat [minderjarige] een brief zal opstellen. De vader heeft ter zitting de brief van [minderjarige] aan het hof overhandigd. Nu de inhoud van de brief op verzoek van [minderjarige] niet met partijen is gedeeld, zal het hof bij de beoordeling de brief buiten beschouwing laten.\n\n2.6. De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de raad, vertegenwoordigd door R.N. Planting;\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\nDe advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:\n\n- [minderjarige] , geboren [in] 2014 in [plaats C] .\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n3.2. De moeder heeft uit een eerdere relatie een dochter, [dochter] , geboren [in] 2008.\n\n3.3. De moeder woont samen met haar partner [partner] , met wie zij [in] 2026 in het huwelijk is getreden. De vader woont samen met zijn vriendin en (deels) met haar twee kinderen uit een vorige relatie.\n\n3.4. \n\nDe kinderrechter heeft bij beschikking van 20 maart 2026, op verzoek van de raad, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026. Daarbij is ook een machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 tot 17 april 2026 uit huis te plaatsen bij de vader.\n\nHet overige deel van het verzoek, te weten een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een langere duur, is aangehouden tot de zitting bij de rechtbank op 30 maart 2026.\n\nDe kinderrechter heeft in de in zoverre niet bestreden beschikking de op 20 maart 2026 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De kinderrechter heeft de op 20 maart 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd en, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\n4.2. \n\nDe moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, primair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is verleend, en te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder, indien het hof van oordeel is dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk blijft, te bepalen dat een minder ingrijpende maatregel wordt ingezet waarbij [minderjarige] bij de moeder kan verblijven, al dan in combinatie met concrete voorwaarden of (intensieve) hulpverlening.\n\n4.3. De raad en de vader verzoeken de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n4.4. De moeder verzoekt een voorlopige voorziening te treffen ingevolge artikel 223 Rv, inhoudende dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt geschorst voor de duur van het hoger beroep.\n\n4.5. De raad en de vader verzoeken het schorsingsverzoek af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\nDe standpunten van partijen\n\n5.1. De moeder verzet zich niet tegen de door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling, omdat zij deze maatregel in het belang van [minderjarige] acht. De kinderrechter heeft volgens haar echter ten onrechte geoordeeld dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk is vanwege de zorgen over het functioneren van de moeder. De zorgen van de raad zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd en grotendeels gebaseerd op aannames. De moeder heeft een lastige periode doorgemaakt, mede doordat zij onder druk stond door het controlerende en intimiderende gedrag van de vader. Inmiddels heeft zij hulpverlening en behandeling aanvaard en is ook haar thuissituatie verbeterd. Daarnaast staat de moeder open voor opvoedondersteuning en hulp bij het zo goed mogelijk aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De omgangsmomenten van de moeder met [minderjarige] verlopen goed, zoals ook blijkt uit de overgelegde omgangsverslagen. De moeder en [minderjarige] genieten van de tijd die zij samen doorbrengen, maar de omgangsmomenten zijn kort en beperkt. De moeder maakt zich grote zorgen over [minderjarige] . Voor de uithuisplaatsing ging het beter met [minderjarige] , maar sinds zijn verblijf bij de vader is sprake van een negatieve ontwikkeling. Ook gaat het niet goed met [minderjarige] op school. Bovendien informeren de GI en de vader de moeder onvoldoende over [minderjarige] en zijn functioneren op school. De plaatsing bij de vader is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] voelt zich niet veilig bij de vader, hij ervaart stress en wordt belast met de conflicten tussen de ouders. [minderjarige] heeft aangegeven zijn vader wekelijks te willen blijven zien, maar weer bij de moeder te willen wonen. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel dan een uithuisplaatsing kon worden volstaan. Daarmee is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De noodzaak van de uithuisplaatsing ontbreekt. Tot slot heeft de kinderrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en aan de mening van [minderjarige] .\n\n5.2. De raad voert het volgende verweer. De raad betwist dat het raadsonderzoek eenzijdig is gebaseerd op informatie van de vader. Alle relevante omstandigheden zijn onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. De raad wijst op de langdurige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] waaronder zijn schoolverzuim, te laat komen op school, het feit dat hij wordt belast met volwassenproblematiek en de beperkte mate waarin hij toekomt aan zijn ontwikkelingstaken. De zorgen van de moeder over de opvoedsituatie bij de vader worden door de raad onvoldoende herkend. De GGD is op huisbezoek geweest en trof een verzorgde en veilige woonomgeving bij de vader aan. De vader staat open voor hulpverlening en werkt samen met de betrokken instanties. [minderjarige] heeft recent negatieve uitlatingen over de vader gedaan en dergelijke uitlatingen moeten serieus worden genomen, maar tegelijkertijd zorgvuldig worden geduid. Zo bevindt [minderjarige] zich in een ingewikkeld loyaliteitsconflict en hij heeft in het verleden uitspraken gedaan die aantoonbaar onjuist waren. Dat neemt niet weg dat door middel van nadere hulpverlening dient te worden onderzocht wat aan zijn uitlatingen ten grondslag ligt. De hulpverlening dient te zijn gericht op het verminderen van zijn loyaliteitsproblematiek en het creëren van ruimte voor de eigen gevoelens en behoeften van [minderjarige] . Het staat niet vast dat de recente gedragsveranderingen van [minderjarige] het gevolg zijn van zijn verblijf bij de vader, maar het is wel gebleken dat [minderjarige] al langere tijd meer hulp nodig heeft dan momenteel voor hem beschikbaar is.\n\n5.3. De vader onderschrijft het standpunt van de raad. Bij de vader thuis ervaart [minderjarige] rust en duidelijkheid, waardoor hij op dit moment redelijk stabiel is. Het gaat echter niet goed op school omdat [minderjarige] spanningen ervaart door de voortdurende procedures tussen de ouders en de wisselingen in de omgangsregeling. De vader betwist dat [minderjarige] op school is geschorst. Wel laat [minderjarige] na de omgang met de moeder meer probleemgedrag op school zien. De uitlatingen van [minderjarige] over zijn verblijf bij de vader laten vooral zien hoe belastend de huidige situatie voor hem is. [minderjarige] dient de ruimte te krijgen om zich op zijn eigen ontwikkeling te richten en de vader kan hem de benodigde rust, tijd en aandacht bieden die daarvoor nodig zijn. De vader heeft zijn werktijden aangepast om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Daarnaast ontvangt de vader opvoedondersteuning van Levvel en zal binnenkort verdere hulpverlening worden opgestart. Ook acht de vader het van belang [minderjarige] zo min mogelijk te belasten met de procedures tussen de ouders door hem daarover geen inhoudelijke informatie te verstrekken. Omdat op dit moment directe communicatie tussen de ouders niet mogelijk is, zou ondersteuning bij de onderlinge communicatie helpend kunnen zijn volgens de vader.\n\n5.4. \n\nDe GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de (begeleide) omgang tussen de moeder en [minderjarige] positief verloopt en gefaseerd is uitgebreid. Sinds kort vindt de omgang plaats bij de moeder thuis, waarbij haar partner aanwezig is. De GI is voornemens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verder uit te breiden. Voorafgaand en na afloop van de omgangsmomenten ervaart [minderjarige] echter spanning. Deze spanning is ook zichtbaar op school. De GI acht het daarom van belang aanvullende hulpverlening en begeleiding voor [minderjarige] in te zetten.\n\nDe samenwerking van de GI met de vader verloopt goed, maar de samenwerking met de moeder verloopt moeizaam. [minderjarige] geeft aan dat hij terug wil naar de moeder, maar het is onduidelijk in hoeverre zijn wens voortkomt uit een loyaliteitsconflict. Het loyaliteitsconflict van [minderjarige] wordt versterkt door de moeizame communicatie tussen de ouders. De GI benadrukt dat het voor [minderjarige] van belang is dat de ouders informatie met elkaar delen en, waar mogelijk, samenwerken in zaken waar het [minderjarige] betreft.\n\nDe beoordeling door het hof\n\nHet wettelijk kader\n\n5.5. \n\nUit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De machtiging kan ingevolge het tweede lid van dit artikel ook worden verleend op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\nUit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging telkens met een jaar kan verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\n5.6. Het hof constateert dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend inmiddels is verstreken. De moeder heeft een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging te laten toetsen gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven. Het hof dient te beoordelen of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 aanwezig waren.\n\n5.7. \n\nHet hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet plotseling zijn ontstaan, maar al langere tijd bestonden. Vanaf 2024 zijn verschillende instanties betrokken geraakt vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder, het schoolverzuim van [minderjarige] en zijn emotionele belasting vanwege de voortdurende strijd tussen de ouders.\n\nIn december 2024 is het gezin aangemeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) met als doel veiligheidsafspraken te maken met de ouders en meer structuur en voorspelbaarheid voor [minderjarige] te creëren. In februari 2025 heeft de school van [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege zijn schoolverzuim en zorgen over de thuissituatie. Vervolgens zijn in 2025 diverse vormen van hulpverlening ingezet. Zo is in juli 2025 Parent Management Training Oregon (PMTO)-begeleiding vanuit Levvel voor moeder gestart met onder meer als doel de moeder positief en met regie te leren opvoeden. In juni, augustus en oktober 2025 is multidisciplinair overleg (MDO) met alle betrokkenen gevoerd waarin de zorgen werden besproken en afspraken zijn gemaakt. In september 2025 is de vader gestart met PMTO-begeleiding met onder meer als doel te leren hoe hij [minderjarige] kan ondersteunen als [minderjarige] lastig gedrag laat zien. In september 2025 heeft [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis. Uit het daaropvolgende gesprek met het CJG bleek dat hij voortdurend belast werd met volwassenenproblematiek en de strijd tussen zijn ouders. In oktober 2025 heeft de school een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege de uitblijvende schoolgang van [minderjarige] , waarop het CJG de raad heeft verzocht een beschermingsonderzoek uit te voeren. In november 2025 is ambulante hulpverlening voor de ouders gestart vanuit Levvel. Bij de start van het traject uitte Levvel na een huisbezoek bij de moeder grote zorgen over de opvoedsituatie. De hulpverlening kwam vanuit Levvel niet goed op gang. In november 2025 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden met de ouders, het CJG, Levvel en de school van [minderjarige] . Na de beschermingstafel zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat de ouders PMTO blijven volgen. Op 15 januari 2026 heeft [minderjarige] contact opgenomen met de GI na een volgens hem uit de hand gelopen ruzie met de moeder. De moeder was het er niet mee eens dat [minderjarige] op school vertelde over een incident in de thuissituatie. Op 17 februari 2026 gaf de school van [minderjarige] aan een verandering in zijn gedrag te zien. [minderjarige] vertoonde meer gedragsproblemen en de moeder bracht hem niet op de afgesproken tijden naar school.\n\nVervolgens is [minderjarige] bij beschikking van 20 maart 2026 door de kinderrechter met spoed uit huis geplaatst bij de vader. Aan deze beslissing lagen de door de raad geuite ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder ten grondslag. De acute zorg van de raad zag op de gevolgen voor [minderjarige] indien hij naar de moeder zou terugkeren, omdat de wijze van reageren door de moeder eerder tot gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] heeft geleid. Daarnaast bestonden zorgen over de stabiliteit van de moeder en haar vermogen om emoties te reguleren.\n\n5.8. Uit het vorenstaande is het hof gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] met name zagen op zijn emotionele belasting bij de moeder thuis, de volwassenenproblematiek waarmee hij werd belast en zijn schoolverzuim. Daarbij heeft de raad zorgen geuit over verschillende uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan en over zijn loyaliteitsconflict. Ook gaf [minderjarige] op school aan dat de moeder regelmatig tegen hem schreeuwde. [minderjarige] heeft tegenover verschillende betrokkenen en instanties verklaard dat hij voorzichtig was met het uiten van zijn gevoelens omdat hij bang was voor de reactie van zijn moeder. Ook werd [minderjarige] voortdurend belast met de strijd tussen zijn ouders. Tegen deze achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] .\n\n5.9. \n\nHet hof overweegt verder dat ondanks de inzet van (vrijwillige) hulpverlening, de hiervoor genoemde zorgen ten tijde van de bestreden beschikking onvoldoende verminderd waren. Zowel de GI, Veilig Thuis als de school van [minderjarige] gaven aan dat de moeder bepaalde afspraken niet nakwam. Zo lukte het de moeder niet om structureel uitvoering te geven aan de afspraken rondom de schoolgang van [minderjarige] . De moeder gaf hierover aan dat zij vanwege haar medicatie ’s ochtends lastig uit bed kon komen, waardoor [minderjarige] regelmatig te laat op school kwam.\n\nDe moeder brengt in hoger beroep naar voren dat zij openstaat voor hulpverlening. Het hof stelt echter vast dat de ingezette hulpverlening bij de moeder moeizaam, dan wel niet van de grond is gekomen. De ambulante hulpverlening heeft geen doorgang gevonden omdat de moeder verschillende afspraken, zoals twee huisbezoeken, om wisselende redenen heeft afgezegd. De moeder heeft één keer een gesprek gevoerd met de ambulante hulpverlening. De inzet van [X] voor [minderjarige] is vertraagd omdat de moeder niet aanwezig was bij het kennismakingsgesprek. Ook is de PMTO-begeleiding vroegtijdig beëindigd. Over de reden van de beëindiging bestaan verschillende lezingen. Volgens de moeder was het traject op dat moment ongeschikt, de betrokken hulpverlening, waaronder Levvel, gaf echter aan dat het traject stopte omdat de afspraken te vaak door de moeder werden afgezegd. Vast staat dat het traject niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.\n\nDaar komt bij dat de moeder beperkt inzicht heeft gegeven in haar eigen problematiek. Zo heeft zij tegenover de raad en de GI geen openheid willen geven over haar eventuele behandeling binnen de GGZ. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij voor de uithuisplaatsing gedurende zeven jaar psychische hulpverlening heeft ontvangen, maar die mededeling neemt niet weg dat de moeder over de aard en resultaten van deze behandeling de raad en de hulpverlenende instanties niet heeft geïnformeerd. Door het gebrek aan openheid van de zijde van de moeder konden de betrokken instanties onvoldoende zicht krijgen op de achterliggende problematiek. Hierdoor kon passende hulpverlening niet, dan wel onvoldoende worden vormgegeven. Het ontbreken van openheid van de moeder over haar problematiek heeft eraan bijgedragen dat de bestaande zorgen niet konden worden weggenomen.\n\nBij de moeder leek verder sprake te zijn van beperkt probleembesef. Zij erkende de naar voren gebrachte zorgen niet en zij richtte zich voornamelijk op haar zorgen om de (opvoed)situatie bij de vader. Ook heeft de moeder meermaals haar wantrouwen richting de betrokken hulpverlening geuit. Zo wilde zij ten tijde van de spoeduithuisplaatsing in maart 2026 niet meewerken met de raadsonderzoekers, noch met hen communiceren, en in mei 2026 gaf zij aan geen vertrouwen te hebben in de raad. Ook ten aanzien van het CJG heeft de moeder meermaals aangegeven weinig vertrouwen te hebben in deze instantie.\n\n5.10. \n\nDe betrokken partijen, waaronder de beide ouders, de raad en de GI, zijn het erover eens dat [minderjarige] nadere hulpverlening nodig heeft. In februari 2026 is [minderjarige] gestart met gesprekken bij [X] via jeugdhulporganisatie Jij&Co. De betrokken hulpverlener ziet signalen van mogelijk traumagerelateerde problematiek bij [minderjarige] . Verder volgt [minderjarige] sinds februari 2026 cognitieve gedragstherapie gericht op stabilisatie, het leren verwoorden van gevoelens en gedachten en het versterken van zijn veerkracht. Daarnaast ontvangt [minderjarige] oplossingsgerichte psychotherapie en is hij door de GI aangemeld bij Cardea voor hulpverlening gericht op omgang en hechting.\n\nDe vader geeft aan dat de gesprekken van [minderjarige] bij [X] helpend zijn, maar dat er meer (intensievere) hulpverlening voor hem nodig is. Het hof overweegt dat [minderjarige] een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving nodig heeft om optimaal van de hulpverlening te kunnen profiteren. Het hof is van oordeel dat de vader deze rust en stabiliteit kan bieden, terwijl daarover bij de moeder thuis structureel zorgen bestaan, zoals hiervoor beschreven. Zowel de raad als de GI hebben aangegeven dat de vader openstaat voor hulpverlening, in de vorm van opvoedondersteuning, en dat hij het belang van hulpverlening voor [minderjarige] onderkent. Ook staat de vader open voor verdere hulpverlening zoals Basic Trust. De vader heeft regelmatig contact met de GI en Levvel en hij is goed bereikbaar voor school. Daarnaast blijkt uit de informatie van school dat [minderjarige] rustiger oogt sinds hij bij de vader verblijft. Ook wordt [minderjarige] door de vader op tijd naar school gebracht en hij heeft sindsdien geen afgesproken schooldag meer gemist. Hoewel [minderjarige] nog een aanzienlijke leerachterstand heeft en nadere hulpverlening noodzakelijk blijft, is er sprake van een stabiele en meer voorspelbare situatie voor hem bij de vader thuis.\n\n5.11. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat ten tijde van de beslissing van de kinderrechter minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gedurende langere tijd verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, maar de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet werden weggenomen. De zorgen over zijn emotionele belasting, schoolgang, loyaliteitsconflict en de opvoedsituatie bij de moeder bleven bestaan. Ook kwam, zoals hiervoor beschreven, de hulpverlening onvoldoende van de grond. Onder deze omstandigheden waren minder ingrijpende maatregelen uitgeput geraakt. De uithuisplaatsing vormde daarom een ultimum remedium en was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .\n\n5.12. Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende de periode van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van de bestreden beschikking geen, althans onvoldoende alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen bestonden voor de uithuisplaatsing. Dit leidt tot de slotsom dat het hof het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder afwijst en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n5.13. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het schorsingsverzoek ingetrokken. Nu het verzoek niet langer wordt gehandhaafd, zal het hof de moeder daarin niet-ontvankelijk verklaren.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01:\n\nbekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 maart 2026, voor zover daarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is gehandhaafd en verlengd tot 20 juni 2026;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02:\n\nverklaart de moeder niet-ontvankelijk in het schorsingsverzoek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. J.M. van Baardewijk en\n\nmr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","ecli-nl-ghams-2026-1835",{"courtName":6,"legalDomain":47,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Personen- en familierecht",{"id":49,"ecli":50,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":51,"language":7,"source":17,"sourceUrl":52,"summary":14,"slug":53,"metadata":54},"766","ECLI:NL:GHAMS:2026:1861","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000030-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-296136-23 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverwegingen;\n\nde kwalificatie van het onder 1 primair bewezenverklaarde verbeterd leest, in die zin dat sprake is van ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaarlichamelijk letsel wordt toegebracht.’\n\nAanvullende bewijsoverwegingen\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel omdat (enkel) sprake is van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof dient de vraag te beantwoorden of het door de verdachte bij de aangever [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) veroorzaakte letsel naar normaal spraakgebruik als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994) kan worden aangeduid. Bij de beantwoording van die vraag kunnen verschillende factoren worden betrokken, zoals de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Ook van belang kan zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en\u002Fof fysieke beperkingen.\n\nUit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer] bij het ongeval een hoofdtrauma (hersenschudding) en verschillende wonden en kneuzingen, waaronder een kneuzing van de enkel, heeft opgelopen. [slachtoffer] heeft zich mede als gevolg van aanhoudende klachten (constante hoofdpijn, duizeligheid, verstoorde oogmotoriek, slapeloosheid) na het ongeval onder behandeling moeten stellen van een neuroloog, een fysiotherapeut, een sportarts, een chiropractor en een ergotherapeut. Daarnaast heeft hij EMDR therapie gevolgd in verband met mentale klachten ten gevolge van het ongeval (zie onder meer de hierna te noemen stukken van het UWV, p. 3 van de medische rapportage). In december 2023 werd vastgesteld dat er sprake is van een zogenaamd postcommotioneel syndroom.\n\nIn hoger beroep zijn nadere stukken omtrent de medische situatie van [slachtoffer] ingebracht (e-mail met bijlagen van [slachtoffer] aan ressortsparket, van 6 maart 2026). Uit die stukken blijkt onder meer het volgende.\n\nIn 2024 zat [slachtoffer] in de ziektewet en was zijn studie ‘on hold’ gezet ten gevolge van zijn klachten (Eindverslag ergotherapie 10 maart 2025). Een specialistenbericht neurologie van\n\n6 februari 2024 vermeldt dat [slachtoffer] kampt met ‘aanhoudende forse postcommotionele klachten’. Ruim anderhalf jaar later waren de klachten nog altijd niet volledig verdwenen. Zo blijkt uit een brief van Chiropractie Harderwijk van 2 september 2025 dat (destijds) maximale cognitieve belasting nog een lichte moeite met procesverwerking opleverde. Bijna twee jaar na het ongeval ondervond [slachtoffer] nog steeds pijn aan zijn linkerenkel (anamnesekaart fysiotherapeut [persoon] , indicatiedatum\n\n21 januari 2025). Ook ruim tweeëneenhalf jaar na dato werd het slachtoffer in zijn dagelijks en werkende leven nog altijd belemmerd door de gevolgen van de aanrijding, zo blijkt uit een diagnose die is gesteld door een verzekeringsarts van het UWV in een medische rapportage van 20 oktober 2025 die luidt: Postcommotioneel syndroom bij status na trauma aan het hoofd, persisterende enkelklachten links. Deze verzekeringsarts heeft op grond van een uitgebreide medische beschouwing, vastgesteld dat bij [slachtoffer] sprake was van stoornis in de energie huishouding, waardoor [slachtoffer] als beperkt belastbaar moet worden aangemerkt. Bij beslissing van 3 november 2025 oordeelde het UWV dat het slachtoffer nog altijd recht had op een Ziektewet-uitkering.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden oordeelt het hof, anders dan de verdediging, dat het door de verdachte bij [slachtoffer] veroorzaakte letsel zodanig ernstig is dat dit moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin.\n\nDe raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het verkeersgedrag van de verdachte heeft gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Volgens de raadsman zou de bewezenverklaring beperkt moeten blijven tot het feit dat de verdachte zich onachtzaam heeft gedragen door een impulsieve, onhandige stuurbeweging te maken, maar niet meer dan dat.\n\nWat dit standpunt betreft, verwijst het hof naar de overwegingen in het vonnis van de rechtbank hierover. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat – samengevat – het in het donker, zonder geldig rijbewijs, rijden onder invloed en daarbij plotsklaps naar links afslaan zonder zich er van te vergewissen of er sprake is van enig kruisend (fiets)verkeer, terwijl verdachte plaatselijk goed bekend was en dus moest weten dat hij een fietspad zou kruisen, zonder meer gekwalificeerd moet worden als onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.\n\nOplegging van straffen\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.\n\nDe raadsman heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om rekening te houden met de persoonlijke situatie van de verdachte rondom het ongeval, zijn huidige persoonlijke situatie, de mate van schuld aan het ongeval en de gevolgen die een vrijheidsbenemende straf en\u002Fof een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de verdachte voor gevolgen zouden hebben.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich, door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf ten gevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte is in de nacht van het ongeval in zijn auto gaan rijden nadat hij zodanig veel alcohol had gedronken dat hij niet tot het behoorlijk besturen van zijn auto in staat kon worden geacht. Dat de verdachte ervoor heeft gekozen om toch te gaan rijden is des te meer verwijtbaar, omdat het rijbewijs van de verdachte slechts zes dagen eerder was ingevorderd wegens het rijden na het (eveneens) drinken van te veel alcohol. De verdachte had zijn rijbewijs op 16 april 2023 nog niet terug. Door zo veel te drinken en zich daarna in het verkeer te begeven, heeft de verdachte onverantwoorde risico’s genomen en de kans op een ongeval zeer vergroot. Tijdens een onverantwoorde stuurmanoeuvre naar links is de verdachte de macht over het stuur verloren en heeft hij het slachtoffer aangereden die op dat moment met zijn fiets rechtdoor op het fietspad reed. Nu, meer dan drie jaar na dato, is gebleken dat het ongeval heeft geleid tot zeer ernstig letsel, waarbij op dit moment volledig herstel bepaald nog niet in zicht is. Het leven van het slachtoffer is door het ongeluk drastisch in negatieve zin veranderd, zoals het slachtoffer op de terechtzitting in hoger beroep op indringende wijze heeft toegelicht. Het hof neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat de verdachte, nadat duidelijk was geworden dat hij het slachtoffer had aangereden, niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zich niet om hem heeft bekommerd. De verdachte heeft eerst meermalen geprobeerd om weg te rijden en omdat dat niet lukte is de verdachte van de plek van het ongeval weggerend. Het is aan een oplettende getuige te danken dat de politie de verdachte alsnog heeft kunnen aanhouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van grove miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en van minachting voor het door hem aangereden slachtoffer. Het hof rekent dit alles de verdachte zeer zwaar aan.\n\nTen nadele van de verdachte weegt het hof mee dat uit het strafblad van de verdachte volgt dat hij onherroepelijk is veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol op 10 april 2023.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging voorts acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel terwijl sprake is van alcoholgebruik boven de 570 µg\u002Fl een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren genoemd. Het hof ziet noch in hetgeen door de verdediging is aangevoerd, noch in het gegeven dat de rechtbank een lagere straf heeft opgelegd, aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken en zal dit daarom volgen. Het hof is zich ervan bewust dat het moeten ondergaan van een vrijheidsstraf voor de verdachte ingrijpend zal zijn en dat de verdachte hierdoor mogelijk zijn woning en baan zal kwijtraken. De (mogelijke) gevolgen van deze straf en van een lange rijontzegging zijn door de verdediging nadrukkelijk voor het voetlicht gebracht waarbij er is aangevoerd dat de verdachte (inmiddels) hulp heeft gezocht voor zijn alcoholgebruik en zijn leven, in positieve zin, heeft omgegooid. Een andersoortige of lagere straf doet naar het oordeel van het hof echter onvoldoende recht aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de gevolgen voor het slachtoffer. Ook is het hof van oordeel dat vanuit het oogpunt van norminprenting en generale preventie een duidelijk signaal moet worden afgegeven.\n\nHet hof acht, alles afwegende, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van7 (zeven) maanden.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, en 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van3 (drie) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. T. de Bont, mr. E.J. Hofstee en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1861","ecli-nl-ghams-2026-1861",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":56,"ecli":57,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":58,"language":7,"source":17,"sourceUrl":59,"summary":14,"slug":60,"metadata":61},"773","ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000367-25\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-324122-24 en\n\n23-003943-18 (TUL) tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\nadres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:\n\nhet hof het eerste bewijsmiddel (de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg) aanpast in die zin dat het de laatste zin nietoverneemt, inhoudende “Dit familielid zei tegen mij….. vond dat aannemelijk”).\n\nde navolgende passage uit het bewijsmiddel op p. 18 “Een verslag zijnde een laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 etc” nietoverneemt:\n\n“Item: 6561241\n\nOmschrijving: 1 plastic zak met 1,00 kg witte kristallen en poeder\n\nBevat:\n\nKetamine”\n\nhet hof het bewijsmiddel “Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL 13000-2024216652-38, opgemaakt door [persoon 1] en [persoon 2] (KVI’s onderzoek BETON, ongenummerd) op p. 19 onderaan, aanpast in die zin dat het hof het goed nummer PL1300-2024216652-656135 gewijzigd leest als: PL1300-2024216652-6561335;\n\nhet hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverweging;\n\nde verdachte op de terechtzitting in hoger beroep afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zodat het hof ten aanzien van het beslag geen beslissing meer hoeft te nemen.Aanvullende bewijsoverweging\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende verklaring afgelegd.\n\nOp het moment dat de doorzoeking in zijn woning aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 plaatsvond verbleef de verdachte sinds vijf á zes dagen met zijn vriendin in België. De tas met wapens en munitie – die is gevonden in de slaapkamer van de woning – heeft de verdachte bewaard voor zijn neef [persoon 3] . Daarnaast heeft de verdachte voor een andere neef: [persoon 4] (fonetisch)een groene Nike tas met daarin sportsupplementen bewaard. Deze tas met sportsupplementen isvoordatde verdachte naar België is afgereisd (en dus voordat de doorzoeking in de woning van de verdachte op\n\n1 oktober 2024 heeft plaatsgevonden) door deze neef weer opgehaald. De verdachte weet niets over de koffer en tas met daarin MDMA en ketamine die in de berging van zijn woning zijn gevonden en weet ook niet wie deze daar heeft neergezet. De koffer en de tas stonden daar nog niet op het moment dat de verdachte naar België is afgereisd en deze moeten daar dus – op het moment dat de verdachte met zijn vriendin in België verbleef – door een derde zijn neergezet. De verdachte heeft het vermoeden uitgesproken dat de tas en de koffer door een familielid in zijn berging zijn neergezet om hem erin te luizen. Aanleiding hiervoor zou een slepende familievete zijn geweest. De verdachte heeft verder geen namen willen noemen. Op de vraag van het hof waarom verdachte dan tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij aan hetzelfde familielid (aan wie hij toestemming had gegeven om de vuurwapens in zijn huis te bewaren) toestemming had gegeven om een koffer bij hem op te slaan in de berging van zijn woning, heeft verdachte geantwoord dat hij gewoon was gaan “meepraten” met de rechtbank.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nTijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 is in de slaapkamer een tas met twee vuurwapens, drie patroonmagazijnen met patronen en handschoenen aangetroffen. In de ‘berging’ – aan de linkerkant van de open keuken – stond naast de wasmachine een donkergrijze koffer. Voor die koffer stond een vuilnisbak. In de hoek naast de koffer stond op de grond een blauwe boodschappentas. In de koffer en de tas zijn stoffen, bevattende MDMA en ketamine, aangetroffen.\n\nTijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg op 23 januari 2025 heeft de verdachte over de tas met wapens en munitie en de koffer en tas met (verdovende) middelen een specifieke, gedetailleerde en aannemelijke verklaring afgelegd, die past bij de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van zijn zus (bewijsmiddel 2). De verdachte heeft verklaard dat hij wetenschap en beschikkingsmacht had over de wapens, dat de vuurwapens van een familielid waren en dat hij aan dit familielid toestemming heeft gegeven om de vuurwapens tijdelijk in zijn woning te bewaren. Daarnaast heeft hij voor wat betreft de donkergrijze koffer met daarin de (verdovende) middelen verklaard dat hij aan hetzelfdefamilielid toestemming had gegeven om de koffer bij hem op te slaan in de berging bij de keuken omdat hij het idee had dat dat familielid in de problemen zat, dat hij weet dat hij dit niet had moeten doen en dat het familielid tegen hem had gezegd dat er sport-supplementen in de koffer zaten. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij moeite heeft met ‘nee’ zeggen tegen zijn familie door de druk die zij opleggen. In het kader van zijn laatste woord heeft de verdachte een op schrift gestelde verklaring voorgelezen waarin de verdachte heeft verklaard dat hij begrijpt dat hij verantwoordelijk is voor wat er is gebeurd, dat hij verantwoordelijk is voor zijn woning en dat zijn betrokkenheid voortkwam uit een verkeerde inschatting.\n\nHet hof stelt vast dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep wisselende verklaringen heeft afgelegd over (de herkomst van) de koffer en tas met (verdovende) middelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst een verklaring afgelegd over een groene Nike tas met daarin sportsupplementen die hij zou hebben bewaard voor een (niet eerder genoemde) neef [persoon 4] (fonetisch). Volstrekt onduidelijk is gebleven hoe deze groene Nike tas – die zich volgens de verdachte al niet meer in het huis van de verdachte bevond op het moment van de doorzoeking van zijn woning op\n\n1 oktober 2024 – verband houdt met de onderhavige zaak en evenmin is duidelijk hoe deze verklaring zich moet verhouden tot zijn eerdere verklaring (afgelegd tegenover de rechtbank tijdens de ter terechtzitting in eerste aanleg) namelijk dat de verdachte in de veronderstelling was dat juist in de koffer in zijn berging sportsupplementen zaten.\n\nDaarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst verklaard over een onbekend gebleven derde – maar waarschijnlijk een familielid – die de koffer en de tas met (verdovende) middelen in de berging van zijn huis moet hebben gezet om de verdachte erin te luizen in verband met een slepende familievete. Dit deel van zijn verklaring heeft de verdachte – hoewel het hof hierop bij de verdachte heeft doorgevraagd – niet nader geconcretiseerd. Het hof overweegt in dat kader dat het niet valt in te zien dat en waarom een ander een dergelijke grote hoeveelheid (verdovende) middelen met een aanzienlijke straatwaarde zonder medeweten van de verdachte op een dusdanig zichtbare plek waar – naar mag worden aangenomen – de bewoner vaak komt, in de woning van de verdachte zou verbergen. Deze verklaring wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. Dat deze spullen daar enkel zouden zijn neergezet om de verdachte erin te luizen – kennelijk door de politie te tippen – acht het hof eveneens volstrekt onaannemelijk, reeds gelet op de waarde die de bewuste spullen vertegenwoordigen.\n\nIn reactie op het verweer dat de rechtbank de (strekking van de) verklaring van de verdachte verkeerd heeft begrepen en verkeerd heeft verwoord, overweegt het hof volledigheidshalve nog dat daarvoor geen enkel aanknopingspunt is. Zoals uit het voorgaande volgt, wijkt de verklaring van de verdachte in hoger beroep op meerdere punten wezenlijk af van zijn verklaring in eerste aanleg. De stelling dat de verdachte in eerste aanleg maar is gaan “meepraten” met de rechtbank, is onaannemelijk, reeds gelet op het feit dat verdachte op die zitting zelf met details is gekomen, zoals de opmerking dat het betreffende familielid tegen hem zei dat hij de koffer niet bij zijn ouders kon opslaan. Dat iets dergelijks hem in de mond zou zijn gelegd door de rechtbank, is mede gezien het proces-verbaal van de ter terechtzitting in eerste aanleg niet aannemelijk.\n\nGelet op het hiervoor overwogene schuift het hof de nieuwe verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd als onaannemelijk en niet onderbouwd terzijde en is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de verklaring van de verdachte zoals verwoord in haar bewijsoverweging en de bewijsmiddelen.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nDe raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die de door hem reeds ondergane hechtenis overstijgt.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens inclusief munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA en het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid ketamine. De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het medische circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: als partydrug. Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid kan het niet anders dan dat deze stof bestemd was om als recreatieve drug verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid, waardoor de werking van ketamine vergelijkbaar is met harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs samengaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door deze\n\ngrote hoeveelheden MDMA en ketamine bij hem thuis te (laten) bewaren.\n\nDe ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur, zoals door de rechtbank in eerste aanleg ook is opgelegd.\n\nHet hof zal echter in strafmatigende zin rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in verband met de onderhavige strafzaak reeds ruim een jaar in voorlopige hechtenis doorgebracht. Sinds zijn schorsing op 10 december 2025 heeft de verdachte zich goed gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Uit een begeleidingsverklaring van Kansrijk Toekomst van 23 juni 2026 blijkt dat de ambulante behandeling van de verdachte op 9 maart 2026 is gestart. De verdachte heeft – ondanks zijn fysieke beperking – dagbesteding gevonden die hij goed kan uitvoeren. Daarnaast volgt de verdachte een behandeltraject bij Forlight, gericht op traumaverwerking en cognitieve behandeling. De verdachte heeft gedurende het gehele begeleidingstraject een consistente, gemotiveerde en coöperatieve houding getoond. Hij is aanwezig geweest bij alle afspraken, heeft actief meegewerkt aan de gestelde doelen en heeft zich open opgesteld in zowel praktische - als persoonlijke gesprekken. Tot slot heeft de verdachte herhaaldelijk en overtuigend laten zien dat hij zijn leven wil opbouwen, zijn positie in de samenleving wil herstellen en een positieve bijdrage wil leveren aan zijn omgeving. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze kennelijk positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden zal het hof in dit bijzondere geval, alles afwegende en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van\n\n24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nHet openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf die bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk ten uitvoer moet worden gelegd in de vorm van twee maanden gevangenisstraf en dat die twee maanden gevangenisstraf moeten worden omgezet naar een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair twee maanden hechtenis.\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat het in die zaak gaat om oude feiten met een heel ander feitencomplex en omdat het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf desastreuze gevolgen voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte kan hebben.\n\nGebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023 vastgestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Als uitgangspunt geldt dat het voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende voorwaarden, essentieel is dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan consequenties worden verbonden. Het hof acht het in dit bijzondere geval echter niet wenselijk als de verdachte op dit moment weer komt vast te zitten. Het hof zal daarom in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een deel van deze vrijheidsstraf (te weten: vier maanden) omzetten in een taakstraf en van het overgebleven deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (te weten: twee maanden) de proeftijd verlengen met één jaar. Daarbij heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2026 naar voren zijn gebracht. Op die manier wordt aan de verdachte het vertrouwen en de kans gegeven de ingezette positieve ontwikkeling in zijn leven te bestendigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardendat:\n\nde verdachte zich meldt op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nde verdachte zich laat behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;\n\nde verdachte zich in spant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nde verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmeewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 met parketnummer 23-003943-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door4 (vier) maanden hechtenis.\n\nVerlengt de proeftijd voor het overige als vermeld in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van\n\n20 november 2023, parketnummer 23-003943-18 (namelijk een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden), met een termijn van 1 (een) jaar.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.\n\nHeft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. T. de Bont en mr. E.J. Hofstee in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1862","ecli-nl-ghams-2026-1862",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":65,"language":7,"source":17,"sourceUrl":66,"summary":14,"slug":67,"metadata":68},"818","ECLI:NL:RBDHA:2026:18692","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35737\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)\n\n(gemachtigde: mr. I. van Es).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig.Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden en heeft dit via zijn gemachtigde laten weten. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich met een bericht afgemeld voor de zitting.\n\nOverwegingen\n\n3. Eiser heeft de Griekse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1979.\n\n4. Eiser voert aan dat de vreemdelingrechtelijke staandehouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond ten tijde van de staandehouding. Hiermee is ook de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig.\n\n4.1.. Volgens paragraaf A2\u002F2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) mag een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens worden aangenomen als sprake is van aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie of aanwijzingen die door de politie zijn verkregen bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van politietaken.\n\n4.2.. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 26 juni 2026 blijkt dat eiser door de verbalisant ambtshalve werd herkend, omdat hij de afgelopen jaren veelvoudig met eiser in contact is gekomen. Bovendien heeft de verbalisant op 17 juni 2026 een e-mail ontvangen waarin hij erop werd geattendeerd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Nadat de verbalisant eiser op 26 juni 2026 om 14:30 uur zag lopen heeft hij eiser op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf staande gehouden en contact opgenomen met de vreemdelingenpolitie. Het voorgaande is volledig opgenomen in het proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kan worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18692","ecli-nl-rbdha-2026-18692",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":71,"ecli":72,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":73,"language":7,"source":17,"sourceUrl":74,"summary":14,"slug":75,"metadata":76},"1226","ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.345.869\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Amsterdam : C\u002F13\u002F722547 \u002F HA ZA 22-717\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nde publieke rechtspersoon\n\nPARTICIPATIEBEDRIJF […] ,\n\nzetelend te [plaats ] ,\n\nappellante,\n\nincidenteel geïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. R.A.W.J. van Eijck te Rotterdam,\n\ntegen\n\nABN AMRO BANK N.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nincidenteel appellante,\n\nadvocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna […] en de Bank genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe Bank wordt aangesproken door […] op grond van onrechtmatige daad. […] is de (voormalig) werkgever van een (voormalige) klant van de Bank, die op een rekening bij de Bank in totaal ruim € 4,5 miljoen heeft gestort die hij via fraude bij zijn werkgever […] gedurende 12 jaar heeft ontvreemd. De gestorte bedragen werden steeds korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen. De Bank wordt verweten dat zij had moeten ontdekken dat er via haar bankrekening werd gefraudeerd en dat zij eerder had moeten ingrijpen.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. \n […] is bij dagvaarding van 30 juli 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 26 april 2023 en 8 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen […] als eiseres en de Bank als gedaagde.\n\n2.2.. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van […] met negen producties;\n\n- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Bank;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel appel van […] .\n\n2.3.. \n\nOp 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft […] een akte genomen waarbij zij haar eis heeft verminderd. De Bank heeft bij akte nog een productie in het geding gebracht. Beide aktes zijn toegevoegd aan het procesdossier.\n\n2.4.. Ten slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. \n […] is een publiekrechtelijke rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Participatiewet en de Wet sociale werkvoorziening in de [plaats 1] Kempen. Zij ontvangt publiekrechtelijke gelden om inwoners van de Kempengemeenten te ondersteunen terug aan het werk te gaan, onder meer door exploitatie van een sociale werkplaats. […] is één van de grootste werkgevers in de regio en ontvangt jaarlijks ongeveer € 16 miljoen aan gemeentelijke bijdragen.\n\n3.3.. \n […] heeft een bankrekening bij haar huisbank BNG (hierna: de BNG-rekening).\n\n3.4.. In 1998 is de heer [naam 1] in dienst getreden bij […] als medewerker bij de financiële administratie. Zijn salaris werd betaald op een bankrekening bij Rabobank. Daarnaast had [naam 1] sinds 1988 een bankrekening bij de Bank (hierna ook: de ABN-rekening).\n\n3.5.. In 2005 heeft [naam 1] op verzoek van de Bank een kopie van zijn paspoort verstrekt.\n\n3.6.. Vanaf 2007 heeft [naam 1] in totaal meer dan € 4,5 miljoen van […] frauduleus contant gestort en giraal overgeboekt naar zijn ABN-rekening.\n\n3.7.. De fraude van [naam 1] is te verdelen in twee periodes. Van 2007 tot en met 2014 heeft [naam 1] contant geld van […] op zijn ABN-rekening gestort. Dit geld was afkomstig uit de kantine en van contant betaalde facturen. Uit het transactieoverzicht van de ABN-rekening blijkt dat er in deze periode 332 keer contant geld is gestort op de ABN-rekening, waarvan elke 2 tot 3 weken circa € 1.000,00 in muntgeld.\n\n3.8.. In 2011 hebben de beveiligingssystemen van de Bank gemeld dat er op de bankrekening van [naam 1] veel contantgeldstortingen plaatsvonden. Daar is toen verder geen gevolg aan gegeven door de Bank.\n\n3.9.. In de periode van 2014 tot en met 2019 heeft [naam 1] giraal geld van […] verduisterd door facturen van crediteuren van […] niet alleen aan de daadwerkelijke crediteuren te betalen, maar ook handmatig over te maken naar zijn ABN-rekening. In deze periode zijn er 417 betalingen gedaan vanaf de BNG-rekening naar de ABN-bankrekening voor een totaalbedrag van € 4.534.778,78. Het meeste geld is verduisterd in de periode van mei 2017 tot en met augustus 2019: ongeveer € 4 miljoen. [naam 1] heeft de fraude verhuld door administratief te sjoemelen met balansposten en door te lage btw-aangiftes te doen.\n\n3.10.. \n [naam 1] behield het geld niet zelf; hij werd afgeperst door een bekende. Via contante opnames bij geldautomaten werd het geld door [naam 1] aan deze persoon afgegeven. De afperser, diens echtgenote en diens ex-echtgenote hebben het geld opgemaakt.\n\n3.11.. Op 29 januari 2016 heeft [naam 1] telefonisch zijn dagelijkse paslimiet bij de Bank eenmalig verhoogd naar € 10.000,00 en dat bedrag ook opgenomen. Op 28 maart 2018 heeft [naam 1] twee keer een telefoongesprek gehad met de klantenservice van de Bank over het verhogen van zijn paslimiet.\n\n3.12.. De jarenlange fraude is aan het licht gekomen nadat in juni 2019 een medewerker van de afdeling Fraude Monitoring van de Bank, die een onderzoek deed naar contante geldopnames via geldautomaten (ATM’s), stuitte op de veelvuldige geldopnames door [naam 1] .\n\n3.13.. \n\nOp 20 juni 2019 heeft deze medewerker intern de volgende e-mail gestuurd:\n\n“Ik ben bezig met een onderzoekje naar de mogelijkheden om opnames via ATM in een eerder stadium te laten stoppen om fraudeschade te voorkomen, en als het voor de klant een normaal patroon is, daar niet in te grijpen. Bij dat onderzoek ben ik nu bezig met de opnames van afgelopen zondag.\n\nDaarbij vind ik ook deze rekening (…)\n\nBetreft een privérekening van klant [naam 1] in [plaats ] , die al geruime tijd bezig is om contant geld op te nemen wat zonder uitzondering afkomstig is van [X] Groep met rekeningnummer (…).\n\n [X] is volgens google info een instantie die zich ten doel voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap oid, aan het werk te zetten.\n\n [naam 1] is stukadoor. In theorie kan het zo zijn dat er mensen aan het werk worden gezet, maar ik vertrouw het voor geen meter, waarom dan al die bedragen cash opnemen. Ik vermoed fraude met gemeenschapsgeld, fiscale fraude oid…\n\nWil jij je licht hier eens over laten schijnen? Dit gaat over tonnen, als het al geen miljoen is. Is ook al lang bezig. Zou in ieder geval een AML alert moeten zijn, transacties via privérekening terwijl het zakelijk zou moeten zijn..\n\nKijk maar in klantbeeld. Het is niet eens op te tellen wat de omvang is als je een jaar terug moet.. Heb je database bij nodig.”\n\n3.14.. \n\nDaarop heeft een medewerker van de afdeling Compliance, Security & Integrity Management en Intelligence van de Bank op 24 juni 2019 geantwoord:\n\n“Heb even gekeken voor je: in ons casemanagement systeem kwam ik zo 1,2,3 niks tegen, maar op de rekeningen zag ik inderdaad wel een heel opvallend patroon: de gelden worden direct en geheel contant opgenomen, en het lijkt er op dat de ontvangen gelden een uitkering zijn.\n\nDus dit lijkt me zeker een onderzoekswaardig signaal om verder uit te zetten bij Retail-EDR team, zodat zij navraag kunnen doen bij de klant naar de bestemming (en herkomst) van deze ontvangen gelden en de vele contante opnames. (…)”\n\n3.15.. \n\nDezelfde medewerker heeft op dezelfde dag aan de KYC-desk (KYC = Know Your Customer) van de Bank gemaild:\n\n“Ik heb een verzoek aangaande bc nr (…): dhr [naam 1] uit [plaats ] ontvangt gelden afkomstig van [X] Groep (…), een overheidsinstantie die zich ten doel stelt voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap aan het werk te zetten.\n\nWe zien op de rekening echter dat al geruime tijd sprake is van (vele) contante opnames van deze gelden en dat er ook behoorlijke bedragen worden ontvangen vanuit de [X] Groep. Ook vragen we ons af of de privé-rekening zakelijk wordt gebruikt.\n\nIs er bij jullie toevallig meer bekend over deze klant, over de herkomst van de subsidies en reden achter de vele contante opnames? Indien dit niet zo is: zou een EDR opgestart kunnen worden, waarbij navraag wordt gedaan aan de klant over de herkomst van de subsidies (waarom ontvangt hij deze, kan hij dit aantonen met de benodigde documentatie), en met name de reden achter de vele contante opnames? Ook zie ik voldoende signalen om na te gaan of sprake is van zakelijk gebruik van de rekening. (…)”\n\n3.16.. Op 1 juli 2019 heeft het KYC-team van de Bank intern gemaild dat zij geen Wwft-risico ziet, maar wel mogelijk zakelijk gebruik van een privérekening.\n\n3.17.. Op 13 augustus 2019 heeft de Bank een brief gestuurd aan [naam 1] met de aankondiging dat zij contact zal opnemen met [naam 1] over onder meer de activiteiten op zijn bankrekening.\n\n3.18.. Op 22 augustus 2019 heeft de Bank telefonisch contact gehad met [naam 1] over de activiteiten op zijn ABN-rekening. [naam 1] heeft gezegd dat hij licht administratief werk verricht voor […] , dat zijn salaris van […] wordt gestort op een bankrekening bij de Rabobank en dat de bedragen op de ABN-rekening worden gebruikt om leveranciers contant te betalen. Verder heeft hij aangegeven de rekening te zullen opheffen omdat hij begrijpt dat hij dit niet via zijn privérekening kan doen.\n\n3.19.. Op 23 augustus 2019 heeft [naam 1] de bankrekening bij de Bank opgeheven. Na beëindiging had [naam 1] alleen nog een beleggingspolis bij de Bank. De fraude heeft [naam 1] vervolgens voortgezet via zijn bankrekening bij Rabobank.\n\n3.20.. Op 19 september 2019 heeft BNG haar klant […] erop gewezen dat was waargenomen dat bedragen die vanaf de BNG-rekening waren betaald aan crediteuren ook nog een keer waren betaald aan [naam 1] . De volgende dag, op 20 september 2019, is de BNG-rekening bevroren.\n\n3.21.. Op 27 september 2019 heeft […] aangifte gedaan tegen [naam 1] . [naam 1] is strafrechtelijk vervolgd voor de fraude en daarvoor ook veroordeeld. Ook zijn afperser, diens echtgenote en ex-echtgenote zijn strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld, onder meer voor witwassen en heling.\n\n3.22.. \n […] heeft haar eigen bestuurlijk handelen laten onderzoeken. In een rapport van [naam 2] van april 2021 is geconcludeerd dat het voor het bestuur niet mogelijk was de feitelijke fraude te signaleren; de accountant heeft het niet waargenomen en er waren ook geen andere indicaties van fraude. Verder is geconcludeerd dat het bestuur weinig aandacht heeft gehad voor de interne bedrijfsvoering en beheersing van risico’s, waardoor het bestuur signalen heeft gemist dat […] risico’s liep. Meer aandacht van het bestuur voor interne beheersing had volgens het rapport de risico’s op fraude verkleind.\n\n3.23.. In mei 2021 heeft […] met toestemming van [naam 1] aan de Bank verzocht om inzage in het interne klantdossier van [naam 1] bij de Bank. De Bank heeft geweigerd om het volledige interne klantdossier aan […] toe te sturen. De Bank heeft wel een aantal interne e-mails, de correspondentie met [naam 1] en een intern overzicht van de telefoongesprekken met [naam 1] aan […] gestuurd, waaronder de hiervoor geciteerde.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. \n […] heeft bij de rechtbank, samengevat, gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld tot:\n\n- betaling van haar schade, in hoofdsom begroot op € 4.534.778,78, vermeerderd met wettelijke rente en\n\n- € 553.434,00 als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en\n\n- € 8.197,75 wegens buitengerechtelijke incassokosten en\n\n- de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n\nIn haar eindvonnis van 8 mei 2024 heeft de rechtbank de Bank veroordeeld tot betaling aan […] van € 54.093,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 en een bedrag van € 6.601,67 voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, met compensatie van de proceskosten.\n\nDaartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de Bank vanaf 20 juni 2019, toen zij zich bewust werd van het feit dat er sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de bankrekening van [naam 1] en het gevaar dat daarvan uitging voor […] , jegens haar aansprakelijk is wegens schending van de bancaire zorgplicht. Van de daardoor voor […] ontstane schade van in totaal € 270.466,91 blijft 80% voor rekening van […] wegens eigen schuld. De gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid heeft de rechtbank met hetzelfde percentage verlaagd als de oorspronkelijke vordering van […] van ruim € 4,5 miljoen.\n\n5. De vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. \n\nIn principaal appelvordert […] onder aanvoering van vier grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog volledige toewijzing van haar oorspronkelijke vordering, met veroordeling van de Bank in de kosten van beide instanties.\n\nOmdat […] inmiddels van [naam 1] en van de ex-vrouw van diens afperser op 17 december 2024 en 8 april 2025 bedragen van respectievelijk € 110.900,00 en € 14.950,00 heeft geïnd en […] met haar accountant vanwege diens tekortschietend toezicht op 3 april 2025 voor een bedrag van € 975.758,00 een regeling heeft getroffen, heeft […] bij akte voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar eis dienovereenkomstig verminderd.\n\n5.2.. In incidenteel appelvordert de Bank onder aanvoering van drie grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de vorderingen van […] , met veroordeling van […] in de proceskosten van beide instanties.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. De vorderingen in het principaal appel en het incidenteel appel hangen ten nauwste met elkaar samen, zodat deze gezamenlijk zullen worden beoordeeld.\n\nIs de Bank jegens […] aansprakelijk?\n\n6.2.. De grieven 1 en 2 in het principaal appel en de eerste grief in het incidenteel appel stellen aan de orde op welk moment er bij de Bank sprake was van subjectieve wetenschap dat via de bankrekening van [naam 1] kort gezegd werd gefraudeerd. […] stelt dat de Bank al veel eerder dan 20 juni 2019 subjectieve wetenschap had dat er mogelijk gefraudeerd werd (subjectief gevaarsbewustzijn). Daarbij wijst zij onder andere op het verzoek van [naam 1] in 2016 om de daglimiet op zijn pas te verhogen tot € 10.000,00 en het grote aantal contante opnames via geldautomaten. De Bank daarentegen stelt dat er bij haar op 20 juni 2019 pas een eerste aanwijzing was dat er mogelijk gefraudeerd werd via haar bankrekening en dat zij daarna nog intern onderzoek moest doen voordat er bij haar sprake kon zijn van subjectief gevaarsbewustzijn. Primair is zij echter van mening dat zij jegens […] in het geheel niet aansprakelijk is.\n\n6.3.. Op een bank rust, vanwege haar maatschappelijke functie, een zorgplicht ten opzichte van derden als […] met de belangen van wie zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van een bank mag blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad worden verwacht dat zij, wanneer sprake is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening en de bank zich bewust is van het gevaar dat daaraan is verbonden, nader onderzoek doet. Daarbij kan gewicht toekomen aan het feit dat er – door de bank of door de klant – wettelijke regels zijn overtreden.6.4.. Vastgesteld kan worden dat vanaf 2007 gedurende meer dan tien jaar sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de ABN-rekening van [naam 1] . In de eerste periode was er de grote hoeveelheid contante stortingen, gevolgd door een grote hoeveelheid overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] . Aldoor werd het geld korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen\n\n6.5.. \n\nVooropgesteld zij dat het enkele feit dat op een bankrekening ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvindt, nog niet betekent dat een bank gehouden is onderzoek te doen en zo nodig in te grijpen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt niet dat een bank zonder meer verplicht is het betalingsverkeer op al haar rekeningen voortdurend te controleren of te monitoren en een onderzoek te starten zodra het een ongebruikelijk patroon kent. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat klanten van banken vrij zijn hun geld te besteden, zonder dat zij daarover verantwoording hoeven af te leggen aan hun bank.\n\nBepalend is of een bank zich ook bewust was van het gevaar dat was verbonden aan het ongebruikelijke betalingsverkeer. Pas als een bank zich bewust is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening én van het daaraan verbonden gevaar (in dit geval: fraude), is zij op grond van haar zorgplicht gehouden op te treden.\n\n6.6.. De Bank wordt tegengeworpen dat zij haar wettelijke KYC-verplichting heeft verzaakt omdat zij onvoldoende inzicht had in de persoonlijke situatie van [naam 1] , terwijl zij ook niet heeft onderkend dat de gelden afkomstig waren van een rekening bij BNG, waar in principe alleen publieke rechtspersonen bankieren. Verder zou zij signalen zoals een systeemmelding dat er sprake was van veel cashgeldstortingen (vgl. 3.8.) hebben genegeerd en verzoeken van [naam 1] om verhoging van paslimieten (vgl. 3.11.) klakkeloos hebben ingewilligd. De Bank had daarom, zo begrijpt het hof het betoog van […] , al eerder subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.7.. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3399 (Van den Berg), rov. 4.6) volgt dat bepalend is van welke feiten en omstandigheden de Bank zich bewust was. Gelet op haar specifieke positie en deskundigheid, waarvan de rechter mag uitgaan, kan dit onder omstandigheden meebrengen dat bewustheid van het gevaar kan worden verondersteld. Daarbij gaat het er dus niet om wat de Bank had kunnen weten, maar wat zij daadwerkelijk wist en of zij - gelet op haar specifieke positie en deskundigheid - op basis van wat aan haar bekend was, zich bewust moest zijn van het daaraan verbonden gevaar voor derden.\n\n6.8.1. \n\n [naam 1] had sinds 1988 een rekening bij de Bank. Niet in geschil is dat de Bank weinig wist van zijn persoonlijke omstandigheden. Kennelijk beschikte de Bank alleen over een kopie van zijn paspoort. Uit niets blijkt dat de Bank wist dat hij in loondienst was bij […] , van wiens BNG-rekening [naam 1] vanaf 2014 geld overmaakte naar zijn ABN-rekening. De Bank kende dus niet [naam 1] ’ integrale betalingsverkeer; zij had geen inzage in [naam 1] ’ inkomenspositie en evenmin is gebleken dat zij inzage had in zijn vermogenspositie.\n\nVanaf 2007 was er kennelijk vooral sprake van contante stortingen door [naam 1] . Het grote aantal stortingen op deze particuliere rekening is in 2011 ook in de systemen van de Bank opgevallen (vgl. 3.8.), maar daaraan is geen gevolg gegeven. In 2014 stopten die stortingen en begonnen de overmakingen. Steeds werd het geld kort na de storting of overmaking via opnames bij geldautomaten contant opgenomen. Van de bedragen die vanaf de BNG-rekening werden overgemaakt is tussen 2014 tot begin 2018 in totaal circa € 1 miljoen contant opgenomen. Daarna namen de geldopnames in frequentie en hoogte in rap tempo toe.\n\n6.8.2. \n […] stelt in hoger beroep dat [naam 1] zijn paslimiet in 2016 eenmalig tot € 10.000,00 heeft verhoogd en in 2018, zo begrijpt het hof haar betoog, permanent naar € 10.000,00. Dit waren volgens […] signalen waar de Bank op had moeten aanslaan. Bovendien is het [naam 1] , nadat hij in 2016 eenmalig het bedrag van € 10.000,00 had opgenomen, in 2017 regelmatig gelukt om hogere bedragen dan zijn limiet toeliet via geldautomaten contant op te nemen. Dit laatste heeft de Bank niet gemotiveerd betwist. Haar verweer komt erop neer dat het niet ongebruikelijk is dat klanten bedragen van € 10.000,00 contant opnemen en dat bij een telefonisch verzoek om verhoging van de limiet de callcentermedewerker alleen kijkt of het saldo dit toelaat. De bankrekening wordt op zo’n moment wegens tijdgebrek niet volledig doorgelicht en geanalyseerd, zo heeft de Bank onbetwist aangevoerd. De Bank betoogt daarom terecht dat deze verzoeken geen indicaties opleverden dat zij op die momenten bekend was met het verloop op de rekening, laat staan van het concrete gevaar voor […] . Zelfs als het juist is dat het systeem van de Bank in 2017 heeft gefaald en heeft toegestaan dat [naam 1] meer kon opnemen dan de voor hem geldende limiet toeliet, volgt ook daaruit naar het oordeel van het hof nog niet dat de Bank zich ervan bewust was dat er sprake was van een dreigend gevaar. Het enkele gegeven dat het ging om zeer veel contante geldopnames van telkens grote bedragen, maakt dit niet anders. Het regelmatig opnemen van cash geld was op zichzelf in de jaren 2007-2019 immers niet ongebruikelijk\n\n6.8.3. In strafrechtelijke zin was hier weliswaar sprake van witwassen, maar onvoldoende is gebleken dat er voor de Bank tot 20 juni 2019 concrete aanwijzingen waren dat door [naam 1] werd witgewassen doordat hij bij zijn werkgever geld wegnam. Ook uit de melding in 2011 dat er opvallende cash opnames waren (3.8) blijkt dat niet. De Bank heeft toegelicht dat dit een automatisch gegenereerde melding is geweest die destijds door het systeem zelf snel weer automatisch is gesloten, waarschijnlijk omdat deze zag op een bedrag onder de € 10.000,00. Verder heeft de Bank desgevraagd op de mondelinge behandeling verklaard dat deze melding nooit door een medewerker is gezien en pas bij haar bekend is geworden nadat zij na het ontvangen van de dagvaarding in deze zaak onderzoek is gaan doen naar het betalingsverkeer op de rekening. […] heeft dat niet betwist. Zelfs als de Bank zich in 2011 wel bewust was geweest van deze melding volgt uit dat enkele feit nog niet dat de Bank wist dat ongebruikelijke activiteiten plaatsvonden die aanleiding hadden moeten zijn voor onderzoek. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de Bank vanwege de herkomst van de gelden van een rekening bij BNG, zich eerder ervan bewust is geweest dat hier mogelijk sprake was van fraude.\n\n6.8.4. Bij het voorgaande kan niet uit het oog worden verloren dat [naam 1] al jarenlang klant was bij de Bank, dat de Bank geen inzicht had in zijn integrale betalingsverkeer en dat het (op zichzelf ongebruikelijke) betalingsverkeer op zijn ABN-rekening kennelijk nooit tot vragen of problemen had geleid. Er was ook geen sprake van verboden betalingsverkeer: indien een klant over voldoende middelen beschikt (hetgeen bij [naam 1] ogenschijnlijk het geval was), mag die klant zijn geld immers contant opnemen en uitgeven. De voor de Bank kenbare feiten, die jarenlang voortduurden, duidden er aldus onvoldoende op dat er via haar bankrekening mogelijk fraude plaatsvond. Tegen die achtergrond kan, anders dan […] stelt, ook niet worden geconcludeerd dat de Bank geen juiste risico-inschatting van haar klant [naam 1] heeft gemaakt en zodoende haar wettelijke KYC-verplichtingen heeft geschonden. Het moet ervoor worden gehouden dat die verplichtingen zijn nageleefd. Daarbij komt dat die verplichtingen in beginsel niet strekken tot bescherming van derden als […] tegen fraude. De gedingstukken bieden naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat er bij de Bank vóór 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.9.. Het hof is van oordeel dat er pas op 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn bij een medewerker van de Bank. Op die dag onderkende deze medewerker dat er mogelijk sprake was van een vorm van fraude (zie 3.13). De medewerker heeft vervolgens hierover aan de bel getrokken, waarna nader onderzoek is verricht (zie 3.14 e.v.). De Bank heeft terecht aangevoerd dat het gevaarsbewustzijn van de betreffende medewerker nog niet meebrengt dat dit ook onmiddellijk aan de rechtspersoon, de Bank, kan worden toegerekend. Daarvoor is ten minste nodig dat degene(n) die kunnen beslissen over het al dan niet nemen van maatregelen tegen de cliënt, op de hoogte raken van de mogelijke fraude. Dat kost enige tijd. Het subjectieve gevaarsbewustzijn bij de medewerker van de Bank kan daarom pas enige tijd na 20 juni 2019 worden toegerekend aan de Bank. Op het moment dat dit gevaarsbewustzijn bij de Bank ontstond, bracht de bancaire zorgplicht mee dat de Bank nader onderzoek zou doen, en vervolgens, als zou blijken dat sprake was van fraude, handelend zou optreden en het [naam 1] onmogelijk zou maken nog langer van de rekening gebruik te maken. In de gegeven omstandigheden kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat binnen vier weken na 20 juni 2019, dus uiterlijk op 18 juli 2019, het nodige nadere onderzoek had kunnen zijn afgerond.\n\n6.10.. Uit de stukken blijkt dat de bevindingen die de medewerker op 20 juni 2019 deed, zijn doorgesluisd en nader zijn onderzocht door de Bank. Daaraan is uiteindelijk door de Bank de conclusie verbonden dat er kort gezegd geen Wwft-risico werd gezien, maar dat mogelijk een privérekening zakelijk werd gebruikt. Daarover is in augustus 2019 contact opgenomen met [naam 1] . Het daarop volgende gesprek heeft ertoe geleid dat [naam 1] de bankrekening op 23 augustus 2019 opzegde. Volgens de Bank heeft zij pas na maart 2020 vernomen dat [naam 1] werknemersfraude had gepleegd.\n\n6.11.. Indien in de periode na 20 juni 2019 correct onderzoek was gedaan door de Bank als bedoeld in rov. 6.9, zou aan het licht zijn gekomen dat er voor het betalingsverkeer op de rekening van [naam 1] - de stortingen en de overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] naar hem privé, gevolgd door contante opnames korte tijd later gedurende een periode van twaalf jaar - geen goede verklaring was en dat alles erop wees dat er sprake was van fraude. Dan zou zijn ontdekt dat […] de werkgever van [naam 1] was (zoals [naam 1] op 22 augustus 2019 ook aan de Bank heeft verklaard, vgl. 3.18) en dat het patroon van overmakingen - zeker zoals zich dat na begin 2018 manifesteerde, toen in anderhalf jaar tijd circa € 3,5 miljoen via de ABN-rekening van [naam 1] verdween - niet duidde op salarisbetalingen aan [naam 1] , maar op illegale onttrekkingen van gelden van een overheidslichaam. Gevoeglijk kan daarom worden aangenomen dat onmiddellijk na afronding van een correct onderzoek als bedoeld in rov. 6.9 nog diezelfde dag [naam 1] in ieder geval zou zijn verhinderd nog langer van zijn bankrekening gebruik te maken en dat waarschijnlijk ook de relatie met [naam 1] zou zijn beëindigd. Dit had uiterlijk op 18 juli 2019 moeten gebeuren. De Bank is aldus te verwijten dat zij in de periode na 20 juni 2019 heeft nagelaten correct onderzoek te doen, waardoor zij [naam 1] niet voor 19 juli 2019 heeft verhinderd nog langer van de bankrekening gebruik te maken. Daarmee heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens […] . Als het onderzoek correct zou zijn uitgevoerd, zou […] vanaf 19 juli 2019 geen schade meer hebben geleden. Zodoende is de Bank aansprakelijk voor de schade die […] heeft geleden tussen 19 juli 2019 en het beëindigen van de ABN-rekening op 23 augustus 2019.\n\n6.12.. De vordering van […] is in tijd begrensd tot de laatste frauduleuze overboeking van [naam 1] vanaf de ABN-rekening op 6 augustus 2019. De vraag of de Bank na 23 augustus 2019 BNG en\u002Fof […] van haar toen aan het licht gekomen bevindingen ten aanzien van [naam 1] op de hoogte had moeten stellen (en zo meer schade voorkomen had kunnen worden), hoeft daarom niet beantwoord te worden. Ook de betwisting van de Bank van de stelling van […] dat de Bank eind augustus 2019 haar huisbank BNG heeft geïnformeerd over [naam 1] , is voor de beoordeling daarom niet relevant.\n\n6.13.. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 in het principale appel van […] falen en dat de eerste grief in het incidentele appel van de Bank slaagt.\n\nEigen schuld\n\n6.14.. De tweede grief in het principaal appel en de tweede grief in het incidenteel appel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat […] 80% eigen schuld heeft. Volgens […] is dat percentage te hoog, terwijl de Bank betoogt dat […] 100% eigen schuld heeft. Beide grieven falen. De fraude door [naam 1] was weliswaar enigszins verhuld, maar dat is doorgaans het geval. Dat er sprake was van een ingenieuze fraude, zoals door […] onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] is betoogd, kan het hof niet onderschrijven. Niet goed valt in te zien waarom bij […] twaalf jaar lang niet aan het licht is gekomen dat door [naam 1] contant geld van de kantine werd weggesluisd en daarna dat door hem facturen dubbel werden betaald. Een en ander duidt erop dat de voor een correcte bedrijfsvoering vereiste interne controlemechanismen ofwel er niet waren ofwel ernstig hebben gefaald. Ook de eigen accountant heeft dit kennelijk niet ontdekt. Het feit dat deze inmiddels voor een bedrag van bijna € 1 miljoen een schikking heeft getroffen met […] (zie 5.1), duidt erop dat ook het externe toezicht, waarvoor […] richting de Bank heeft in te staan, gebrekkig was. Het is […] dan ook aan te rekenen dat er in totaal meer dan € 4,5 miljoen (dit betreft alleen de girale overschrijvingen, dus zonder de contante geldstortingen) naar een privérekening van een eigen medewerker is gevloeid, zonder dat dit kennelijk ooit tot vragen heeft geleid. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daarom 80% van de schade voor eigen rekening van […] dient te blijven. De billijkheidscorrectie vergt in dit geval geen andere verdeling.\n\n6.15.. Het voorgaande leidt tot het volgende. Tussen 18 juli 2019 en 6 augustus 2019 is vanaf de BNG rekening door [naam 1] in drie keer een bedrag van in totaal € 71.069,04 overgeboekt (€ 18.988,52 op 2 augustus 2019, € 24.974,40 op 5 augustus 2019 en € 27.106,12 op 6 augustus 2019; vgl. productie 10 bij inleidende dagvaarding). Daarvan blijft 80% voor eigen rekening van […] , zodat de Bank haar in hoofdsom € 14.213,81 moet vergoeden. De wettelijke rente over 20% van de genoemde deelbedragen is verschuldigd vanaf respectievelijk 2 augustus 2019, 5 augustus 2019 en 6 augustus 2019.\n\nKosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid\n\n6.16.. Tot slot is er nog discussie over de kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Volgens […] hebben die meer dan € 500.000,00 bedragen. In haar vierde grief in het principaal appel stelt zij dat de rechtbank daar ten onrechte een korting op heeft toegepast. De Bank betoogt in haar derde grief in het incidenteel appel dat zij niet aansprakelijk is voor deze kosten.\n\n6.17.. \n\nUit de stukken blijkt dat de gevorderde kosten zien op:\n\n(1) het onderzoek van BDO naar de werkwijze van [naam 1] en de omvang van de door hem gepleegde fraude (€ 291.569,25);\n\n(2) de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO (€ 27.664,75 + (een deel van) € 8.250,00);\n\n(3) het herstellen van de eigen administratie (€ 81.450,00 en (een deel van) € 8.250,00) en\n\n(4) het (extra) werk van eigen werknemers (€ 144.500,00).\n\n6.18.. Voor zover de kosten zien op de omvang van de door [naam 1] gepleegde fraude, komen deze in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Tegelijkertijd heeft wat betreft de Bank te gelden dat zij alleen aansprakelijk is voor de overmakingen vanaf de BNG-rekening naar de rekening van [naam 1] bij haar. Naar mag worden aangenomen is dit betrekkelijk eenvoudig en zonder veel kosten te achterhalen. Er hoeft immers alleen geïnventariseerd te worden hoeveel geld er naar de ABN-rekening van [naam 1] is overgemaakt. In het licht hiervan zijn de hoge kosten voor het onderzoek van BDO naar de omvang van de fraude en voor de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO niet redelijkerwijs noodzakelijk en niet in die omvang aan de Bank toe te rekenen. In het licht van de betwisting door de Bank, is maar een beperkt bedrag toewijsbaar. Het hof zal dit schatten en en verdisconteren in een (totaal)bedrag als hierna onder 6.21 te melden.\n\n6.19.. Een aanzienlijk deel van de kosten van BDO ziet op het door […] geëntameerde onderzoek naar hoe de fraude (zo lang) heeft kunnen voortduren en naar waar haar interne processen hebben gefaald. Een en ander is weliswaar door de fraude aan het licht gekomen, maar is niet veroorzaakt door de fraude. Dit is dan ook geen schade die in causaal verband staat tot de fraude, zodat die reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\n6.20.. Wat betreft de schade die samenhangt met het herstel van de eigen administratie en met het daaruit voortvloeiende extra werk voor eigen werknemers heeft te gelden dat deze kosten strikt genomen niet zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Dit laat echter onverlet dat zij als gevolgschade op de voet van artikel 6:95 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Tegelijkertijd is van belang dat de Bank maar voor een fractie van de totale schade van meer dan € 4,5 miljoen (dus circa 0,33%) is aan te spreken. Weliswaar is aannemelijk dat door de lange duur en de omvang van de fraude, de reconstructie van de administratie kostbaar zal zijn geweest, maar ook hier geldt dat de Bank door […] slechts voor 20% is aan te spreken voor het verdwijnen van ruim € 70.000,00 en niet voor de reconstructie van de administratie in de periode tot 18 juli 2019. Daarbij gaat het bovendien om bedragen die zijn verdwenen net voordat in september 2019 bij […] de fraude aan het licht kwam. In een lopend boekjaar is zoiets in beginsel betrekkelijk eenvoudig administratief te herstellen. De door […] in dit kader gevorderde bedragen van € 81.450,00 voor de werkzaamheden van JPD Financiën & Advies voor het herstel van de administratie en in totaal € 144.500,00 voor extra werk van eigen werknemers, wat daar verder ook van zij, oordeelt het hof dan ook niet in verhouding staan tot het bedrag waarvoor de Bank door […] is aan te spreken. Er is geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten. Ook hier is maar een beperkt bedrag toewijsbaar.\n\n6.21.. Alles in ogenschouw nemend, oordeelt het hof voor het vaststellen van de omvang van de fraude en het herstel van de eigen administratie een bedrag van € 1.000,00 als schadevergoeding redelijk. Daarbij heeft het hof ermee rekening gehouden dat ook hier de Bank voor slechts 20% van de schade aansprakelijk is.\n\n6.22.. De derde grief van de Bank in het incidenteel appel slaagt aldus deels en de vierde grief van […] in het principaal appel faalt. Het hof merkt hierbij op dat tegen de afwijzing door de rechtbank van de door […] in eerste aanleg gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 8.197,75 geen grief is gericht.\n\nSlotsom, kosten en bewijsaanbod\n\n6.23.. Het hoger beroep heeft succes. De eerste en de derde grief in het incidenteel appel van de Bank slagen. Het eindvonnis wordt (gedeeltelijk) vernietigd in die zin dat de Bank zal worden veroordeeld tot betaling aan […] van in hoofdsom € 14.213,81, te vermeerderen met wettelijke rente als na te bepalen en tot € 1.000,00 wegens kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De toewijsbaarheid van deze bedragen wordt niet geraakt doordat […] in hoger beroep haar eis heeft verminderd met circa € 1,1 miljoen. Het tussenvonnis van 26 april 2023 zal worden bekrachtigd.\n\n6.24.. Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\n6.25.. De vordering van […] wordt grotendeels afgewezen. […] zal daarom als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:\n\nVoor de eerste aanleg:\n\n- griffierecht € 8.519,00\n\n- salaris advocaat € 15.249,50tarief VIII, 3,5 punten)\n\nTotaal € 23.768,50\n\nVoor het principaal hoger beroep:\n\n- griffierecht € 13.124,00\n\n- salaris advocaat € 13.218,00 (tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 26.342,00\n\nVoor het incidenteel hoger beroep:\n\n- salaris advocaat € 6.609,00 (tarief VIII, 0,5 x 2 punten)\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. vernietigt het eindvonnis van 8 mei 2024,\n\nen doet opnieuw recht:\n\n7.2.. veroordeelt de Bank om aan […] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:\n\n- een bedrag van € 14.213,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over 20% van € 18.988,52 vanaf 2 augustus 2019, van € 24.974,40 vanaf 5 augustus 2019 en van € 27.106,12 vanaf 6 augustus 2019,\n\n- alsmede een bedrag van € 1.000,00,\n\n7.3.. bekrachtigt het tussenvonnis van 26 april 2023,\n\n7.4.. veroordeelt […] in de proceskosten in beide instanties, tot nu aan de zijde van de Bank voor de eerste aanleg vastgesteld op € 23.768,50 en voor het principaal en het incidenteel hoger beroep op respectievelijk € 26.342,00 en € 6.609,00,\n\n7.5.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, M.A.M. Vaessen en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","ecli-nl-ghams-2026-1827",{"courtName":6,"legalDomain":77,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":79,"ecli":80,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":81,"language":7,"source":17,"sourceUrl":82,"summary":14,"slug":83,"metadata":84},"1282","ECLI:NL:GHAMS:2026:1860","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-002146-24\n\ndatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 september 2024 in de strafzaak onder de parketnummers 13-289458-24 en 02-097110-23 (TUL) tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2002,\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats.Onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van\n\n23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:\n\nde door de politierechter opgesomde bewijsmiddelen uitwerkt en aanvult in de op te maken aanvulling op dit arrest na het eventueel instellen van beroep in cassatie;\n\nartikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toevoegt aan de toepasselijke wettelijke voorschriften.\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft op 13 april 2023 een voorwaardelijke straf aan de verdachte opgelegd (parketnummer 02-097110-23). Uit de justitiële documentatie van 9 juni 2026 volgt dat deze straf inmiddels is tenuitvoergelegd. Het hof zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot tenuitvoerlegging van deze straf.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVerklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijkin de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 02-097110-23.\n\nBevestigthet vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J. Hofstee, mr. T. de Bont en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1860","ecli-nl-ghams-2026-1860",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":86,"ecli":87,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":88,"fullText":89,"language":7,"source":17,"sourceUrl":90,"summary":14,"slug":91,"metadata":92},"913","ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.4117\n\nV-nummer: [V-nummer]\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. B.D. Lit),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).\n\nInleiding\n\n1.1.. Met een tussenuitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit met betrekking tot de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRMte herstellen.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, gelet op de gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak. De rechtbank laat de rechtsgevolgen echter in stand, omdat verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) dus terecht afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.\n\n2.2.. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, vastgesteld dat verweerder de belangenafweging niet zorgvuldig heeft gemaakt en daarmee het bestreden besluit van 11 januari 2024 onvoldoende heeft gemotiveerd.\n\n2.3.. Verweerder heeft op 20 januari 2026 een aanvullend besluit genomen op het bestreden besluit van 11 januari 2024. Verweerder heeft in dit besluit een nieuwe belangenafweging gemaakt, met inachtneming van de tussenuitspraak.\n\n2.4.. Eiseres heeft op 16 februari 2026 schriftelijk een zienswijze ingediend over de wijze waarop het gebrek is hersteld.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen op 9 april 2026 laten weten een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over het jongvolwassenenbeleid af te wachten. De Afdeling heeft op 27 mei 2026 drie uitspraken gedaan over dit onderwerp.De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op deze uitspraken. Eiseres heeft op 24 juni 2026 gereageerd. Verweerder heeft niet gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3.1.. De rechtbank beoordeelt of verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen.\n\n3.2.. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen.De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen.\n\n3.3.. Eiseres voert aan dat verweerder met het aanvullende besluit van 20 januari 2026 nog steeds niet heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Eiseres voert daartoe het volgende aan.\n\nEerste toelating\n\n4.1.. Eiseres wijst allereerst op overweging 3.4 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de factor dat eiseres nooit eerder rechtmatig verblijf heeft gehad wel mag meenemen in de belangenafweging, maar dat deze factor niet in het nadeel van eiseres mag wegen. Volgens eiseres heeft verweerder in het aanvullende besluit echter wel in haar nadeel gewogen dat zij nooit in Nederland heeft gewoond. Verweerder heeft namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is, dat zij daar bezig is met haar studie en dat nergens uit blijkt dat het voor de uitoefening van het gezinsleven noodzakelijk is dat zij hier in Nederland onder één dak woont, of dat er een specifieke afhankelijkheid is waarom eiseres niet zonder haar ouders kan. Verweerder heeft ook meegenomen dat eiseres geen banden heeft met Nederland, omdat zij daar nooit heeft gewoond.\n\n4.2.. De rechtbank volgt hierin eiseres niet. In overweging 3.4ging het er om dat de omstandigheid dat sprake is van een eerste toelating niet als factor op zichzelf in het nadeel van een betrokkene mag meewegen in de belangenafweging. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft die omstandigheid neutraal meegewogen, zo heeft verweerder dat gesteld op pagina 3 van het aanvullende besluit:\n\n‘U hebt nog nooit een verblijfsvergunning in Nederland gehad. Het gaat in dit geval om een eerste toelating. Rekening houdend met rechtsoverweging 3.4 van de tussenuitspraak weeg ik in deze belangenafweging neutraal mee dat het gaat om een eerste toelating.’\n\nVerweerder heeft verder de omstandigheid dat eiseres nooit in Nederland heeft gewoond alleen meegenomen om te bepalen hoeveel gewicht er toekomt aan andere belangen. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nOmstandigheden van het jongvolwassenenbeleid\n\n5.1.. Eiseres wijst verder op overweging 3.5 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de omstandigheid dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid is betrokken in de belangenafweging. Volgens eiseres heeft verweerder nog steeds nagelaten om in positieve zin mee te wegen dat het zijn van een jongvolwassene inhoudt dat er nog altijd een sterke afhankelijkheid bestaat ten opzichte van de ouders.\n\n5.2.. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit voorop gesteld dat eiseres als jongvolwassene wordt gezien. Verweerder heeft verder de omstandigheden op grond waarvan verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiseres valt onder het jongvolwassenenbeleid expliciet genoemd, namelijk dat eiseres ten tijde van de aanvraag nog bij haar ouders woonde, dat zij na vertrek van haar vader naar Nederland bij haar moeder en broertje heeft gewoond en dat zij geen eigen inkomen had en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Uit het aanvullende besluit volgt ook dat verweerder in het voordeel van eiseres heeft gewogen dat sprake is van familieleven. Verweerder heeft echter beoordeeld hoe sterk het familieleven is, en in dat kader heeft verweerder overwogen dat aan het familieleven tussen een jongvolwassene en diens ouders minder gewicht toekomt dan aan het familieleven van een kerngezinslid en diens ouders. Verweerder heeft in dat kader ook overwogen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie, en dat het de verwachting bij een jongvolwassene is dat deze op korte termijn zelfstandig zal worden.\n\n5.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit het aanvullende besluit blijkt dat verweerder de omstandigheden die tot de toepassing van het jongvolwassenenbeleid hebben geleid, expliciet en voldoende heeft betrokken in de belangenafweging. Verweerder heeft deze omstandigheden echter ook meegenomen bij de weging van hoe sterk het familielieven is, en in dat kader heeft verweerder een ander gewicht toegekend aan die omstandigheden dan eiseres zou wensen. Dat maakt echter nog niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n5.4.. Dat verweerder in de belangenafweging dezelfde feiten en omstandigheden moet betrekken (en dat in dit geval dus ook heeft gedaan) als in de beoordeling of familieleven bestaat, staat namelijk los van de vraag welk gewicht hij aan de belangen moet toekennen. De context en inhoudelijke beoordeling verschillen immers.Weliswaar impliceert de toepasselijkheid van het jongvolwassenenbeleid dat de jongvolwassene in enige mate afhankelijk is van zijn ouders, maar dat betekent niet dat aan die afhankelijkheid in de belangenafweging zonder meer een zodanig zwaar gewicht moet worden toegekend, dat alleen al daarom de belangenafweging in het voordeel van betrokkenen zou moeten uitvallen.Er is sprake van twee beoordelingskaders waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Dit brengt met zich dat verweerder in de belangenafweging ook rekening mag houden met bijvoorbeeld de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit zelfstandig functioneert.De rechtbank volgt eiseres dus niet in haar standpunt dat verweerder de omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid in positieve zin had moeten meewegen.\n\nOmstandigheden ten tijde van de aanvraag\n\n6.1.. Eiseres wijst op overweging 3.6 van de tussenuitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de belangenafweging moet worden gemaakt op basis van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Volgens eiseres wijdt verweerder echter een te groot deel van het aanvullende besluit aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag. Zo heeft verweerder meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont en bezig is met haar studie. Volgens eiseres heeft verweerder verder nagelaten inzichtelijk mee te nemen dat eiseres ten tijde van de aanvraag net achttien jaar oud was.\n\n6.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het aanvullende besluit vooropgesteld dat de belangenafweging is gemaakt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Verweerder heeft daarbij genoemd dat eiseres ten tijde van de aanvraag achttien jaar oud was en dat zij als jongvolwassene wordt gezien. De rechtbank is van oordeel dat hieruit duidelijk blijkt dat verweerder is uitgegaan van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag en dat eiseres net achttien jaar oud was. Verweerder heeft echter, voor de weging van het familieleven, meegenomen dat eiseres op dit moment studeert en dat zij al enige tijd zonder haar ouders in Nepal woont. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit mogen doen. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt namelijk dat verweerder in de belangenafweging rekening mag houden met de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling of referent inmiddels zelfstandig functioneert. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar standpunt dat verweerder een te groot deel van het aanvullende besluit heeft gewijd aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden ver na het moment van de aanvraag.\n\nRestrictief toelatingsbeleid\n\n7.1.. Eiseres wijst op de volgende overweging van verweerder uit het aanvullende besluit: ‘Mijn conclusie is dat, alles samengenomen, uw belang om familieleven uit te oefenen in Nederland niet opweegt tegen het algemeen belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.’\n\nVolgens eiseres miskent verweerder hiermee dat het voeren van een restrictief toelatingsbeleid geen op zichzelf staand belang is, maar een middel om een ander belang te bevorderen, zoals het economisch belang.\n\n7.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdelingvolgt dat het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onderdeel is van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en dat dit op meer ziet dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. In de overweging van verweerder die eiseres heeft geciteerd, heeft verweerder wel alleen het restrictief toelatingsbeleid genoemd als algemeen belang. Uit het aanvullende besluit blijkt echter verder dat verweerder ook andere belangen van de Nederlandse overheid heeft genoemd, namelijk het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit worden opgemaakt dat verweerder niet is uitgegaan van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid als een op zichzelf staand belang. Dat verweerder alleen het restrictief toelatingsbeleid heeft genoemd in de overweging die eiseres heeft geciteerd, maakt dit niet anders.\n\nEconomisch belang\n\n8.1.. Eiseres voert aan dat het aanvullende besluit niet voldoet aan het door de Afdeling geformuleerde toetsingskader in de uitspraken van 27 mei 2026. Verweerder heeft ten onrechte een categorische weging van het economisch belang gedaan en volstaat met algemene, abstracte verwijzingen naar het restrictieve toelatingsbeleid. Verweerder heeft niet kenbaar inzichtelijk gemaakt waarom het economisch belang in dit concrete geval prevaleert boven het gestelde gezinsleven. Verweerder had in dit geval het economisch belang minder zwaar moeten wegen, omdat referent al meer dan vier jaar onafgebroken in Nederland werkzaam is als kok en in het onderhoud van eiseres kan voorzien.\n\n8.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het aanvullende besluit volgt dat verweerder aan eiseres haar beroep op de openbare kas en de oververhitte woningmarkt niet meer heeft tegengeworpen. Verweerder heeft wat dat betreft dus voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de tussenuitspraak in overweging 3.9. Verweerder heeft verder in de weging van het economisch belang meegenomen dat referent de kosten kan dragen en dat eiseres bij referent kan wonen. Verweerder heeft dit in het voordeel van eiseres gewogen. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder een categorische weging van het economisch belang heeft gedaan. Verweerder heeft de individuele omstandigheden van eiseres betrokken in de weging en heeft deze in haar voordeel gewogen. Verweerder heeft aan die omstandigheden echter niet doorslaggevend gewicht toegekend, zoals eiseres wel zou wensen. Maar dat maakt niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd.\n\n8.3.. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte als negatieve factor de onzekere toekomstige gebeurtenis heeft betrokken dat eiseres als jongvolwassene op korte termijn zelfstandig zou worden. Verweerder heeft nagelaten te waarderen hoe concreet de verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Volgens eiseres had verweerder dit wel moeten doen, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2026.\n\n8.4.. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 27 mei 2026 in het kader van de weging van het economisch belang geoordeeld hoe verweerder om moet gaan met een beroep van een vreemdeling op te verwachten toekomstige ontwikkelingen. Volgens de Afdeling mag verweerder, wanneer een vreemdeling een beroep doet op te verwachten toekomstige ontwikkelingen waarmee hij aan het economisch welzijn van Nederland zal kunnen bijdragen, dat niet alleen afdoen met de overweging dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Verweerder zal deze omstandigheid in zijn beoordeling moeten betrekken en afhankelijk van het antwoord op de vraag hoe concreet de omstandigheid in het individuele geval is, meer of minder gewicht aan deze omstandigheid mogen toekennen. In het geval van eiseres heeft verweerder de verwachting dat zij op korte termijn zelfstandig zal worden meegenomen in de weging van hoe sterk het familieleven is. In de weging van het economisch belang heeft verweerder niet in het nadeel van eiseres meegenomen dat zij op korte termijn zelfstandig zou worden, maar heeft verweerder juist in haar voordeel betrokken dat referent voor haar de kosten kan dragen en dat zij bij referent kan wonen. De rechtbank kan deze weging volgen, zoals al is geoordeeld in overweging 8.2. Verweerder heeft verder in de weging van hoe sterk het familieleven is wel meegenomen dat eiseres op korte termijn zelfstandig zou worden, maar daar heeft verweerder wel gewaardeerd hoe concreet deze verwachte zelfstandigheid in het individuele geval van eiseres is. Verweerder heeft hier namelijk meegenomen dat eiseres al enige tijd zonder haar ouders in Nepal is en dat zij bezig is met haar studie. De rechtbank kan deze beoordeling van verweerder volgen.\n\nBanden broertje met Nederland\n\n9.1.. Eiseres voert aan dat verweerder in het aanvullende besluit voor het eerst stelt dat haar broertje nog niet veel banden heeft met Nederland en zich nog goed kan aanpassen. Volgens eiseres is dit standpunt gebaseerd op eigen aannames van verweerder en eiseres betwist dit.\n\n9.2.. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder in het aanvullende besluit heeft gesteld dat eiseres niet heeft betwist dat haar broertje ook nog niet zo veel banden heeft met Nederland en dat hij zich goed kan aanpassen aan een nieuwe situatie in Nepal. Verweerder heeft daarom gesteld niet anders te kunnen concluderen dan dat het gezinsleven ook in Nepal kan worden uitgeoefend. Verweerder heeft dit meegenomen bij de weging hoe sterk de banden van het gezin met Nederland is. De rechtbank kan begrijpen dat verweerder dat in dat kader heeft meegenomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10.1.. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn aanvullende besluit het gebrek voldoende hersteld. Verweerder heeft alle feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging en heeft de belangen op navolgbare wijze in de belangenafweging betrokken. De gemaakte belangenafweging is in zijn algemeenheid een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om een mvv terecht heeft afgewezen.\n\n10.2.. \n\nOmdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het aanvullende besluit en 0,5 punt voor de reactie na de uitspraken van de Afdeling van\n\n27 mei 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiseres te vergoeden;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:3046, ECLI:NL:RVS:2026:3048 en ECLI:NL:RVS:2026:3049.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.\n\n En zo blijkt dit ook uit WI 2020\u002F16, waarnaar de rechtbank in overweging 3.4 heeft verwezen.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.3.\n\n Dit heeft de Afdeling zeer recent nog bevestigd in de uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.4.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449. Dit heeft de Afdeling ook recentelijk bevestigd in haar uitspraken van 27 mei 2026.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18537","ecli-nl-rbdha-2026-18537",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":94,"ecli":95,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":88,"fullText":96,"language":7,"source":17,"sourceUrl":97,"summary":14,"slug":98,"metadata":99},"916","ECLI:NL:RBDHA:2026:18533","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.4403\n\nV-nummer: [v-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.\n\n1.1.. Eiser heeft op 26 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 januari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.\n\n1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij tussen 2012 en 2016 banden heeft gehad met de Gülen-beweging. Eiser heeft op de militaire school gezeten. Na de couppoging is eiser uitgemaakt voor terrorist, is hij gearresteerd en heeft hij vastgezeten. Door zijn familie en de maatschappij is eiser uitgemaakt en bestempeld als terrorist. Bij terugkeer vreest eiser om opgepakt te worden.\n\nBestreden besluit\n\n5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde problemen door (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees dat hij bij terugkeer naar Turkije opgepakt zal worden niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.\n\nToetsingskader\n\n6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\n7. De rechtbank overweegt dat zij de minister bij bericht van 2 juni 2026 expliciet om een verweerschrift heeft gevraagd. De rechtbank heeft de minister in dit bericht een tweetal vragen gesteld en gevraagd of de minister, indien de minister het besluit niet wilde intrekken, hierop schriftelijk wilde reageren. De minister heeft dit nagelaten. Ook nadat de rechtbank de minister op 17 juni 2026 telefonisch nogmaals expliciet heeft gevraagd om een verweerschrift in te dienen, heeft de minister dit niet gedaan. In artikel 8:42 van de Awbis geregeld dat het indienen van een verweerschrift een bevoegdheid is van het bestuursorgaan. Het bestuursorgaan is hiertoe niet verplicht, tenzij de rechtbank expliciet om een verweerschrift vraagt. In dat geval is het bestuursorgaanwelverplicht om een verweerschrift in te dienen. Ondanks deze verplichting heeft de minister hier niet aan voldaan. Nu de minister geen verweerschrift heeft ingediend en ook niet ter zitting is verschenen, zal de rechtbank in voorkomende gevallen de stellingen van eiser als onweersproken beschouwen. De minister is immers in de gelegenheid geweest om op eventuele onwelvallige stellingen te reageren, maar heeft er zelf voor gekozen dit niet te doen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank ook een eigen verantwoordelijkheid heeft en niet elke stelling van eiser zonder meer zal volgen. Echter, in die gevallen waarin het de rechtbank niet vreemd voorkomt, zal de rechtbank uitgaan van hetgeen eiser heeft gesteld.\n\nDe beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn\n\n8. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplek van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.\n\n9. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nRisico op strafrechtelijke vervolging in Turkije\n\n10. Eiser voert aan dat uit de werkwijze van het Turkse Openbaar Ministerie (hierna: OM) volgt dat zij willen dat eiser wordt veroordeeld als terrorist. Eiser is nu vrijgesproken als gevolg van een gebrek aan bewijs, maar het OM zal volgens eiser niet rusten totdat hij is veroordeeld. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegengeworpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Tot slot heeft eiser op individueel niveau aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en heeft daarnaast gewezen op algemene informatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.\n\n11. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn toegedichte betrokkenheid bij het Gülenisme.\n\n12. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere vervolging vanwege zijn toegedichte politieke overtuiging een daad van vervolging is in de zin van artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000). Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 20000 (hierna: Vw 2000) volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n14. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.\n\n15. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd. Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.De rechtbank weegt dit mee in haar beoordeling.\n\n16. Ter staving van zijn stelling dat hij bij terugkeer wel degelijk te vrezen heeft, heeft eiser een document van het Turkse Hof van Cassatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de Advocaat-Generaal het Hof van Cassatie heeft verzocht om eisers dossier te onderzoeken. Eiser heeft dit document na zijn nader gehoor overgelegd. Ter zitting heeft eiser onweersproken verklaard dat hij na zijn nader gehoor, toen hem duidelijk was dat hij nog meer documenten diende te overleggen, contact heeft opgenomen met zijn Turkse strafadvocaat. Deze advocaat heeft uit eisers strafdossier dit document gehaald en aan eiser gezonden. Deze gang van zaken komt de rechtbank niet vreemd voort. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat:\n\n“Het hangt van de aard van de zaak af of tijdens een strafrechtelijk onderzoek de stukken wel of niet raadpleegbaar zijn in UYAP. Indien de Turkse autoriteiten de zaak als ‘gevoelig’ beschouwen, zullen de stukken niet zichtbaar zijn in UYAP. Indien de zaak niet als gevoelig wordt gezien, kunnen de stukken tijdens de onderzoeksfase wel raadpleegbaar zijn in UYAP. Een gevolmachtigde advocaat kan daartoe toegang krijgen. Deze mogelijkheid geldt niet voor het burgerportaal. Zodra de verdachte daadwerkelijk is aangeklaagd en er een strafzaak in gang is gezet, zijn de stukken in UYAP raadpleegbaar voor zowel de advocaat als de gedaagde.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een voldoende bevredigende verklaring gegeven waarom hij dit document pas iets later in de procedure, namelijk na de correcties en aanvullingen, heeft ingebracht. Tijdens het nader gehoor heeft eiser aangegeven dat het document niet in zijn UYAP staat.In de brief van 15 januari 2026 geeft de gemachtigde van eiser ook aan dat eiser, na bespreking van het belang van documenten, nogmaals navraag heeft gedaan om te kijken welke aanvullende documenten hij kon krijgen. Dat eiser het document niet zelf kon inzien, maar zijn strafadvocaat wel, is in overeenstemming met de landeninformatie. De rechtbank betrekt dit document dan ook bij haar beoordeling.\n\n17. Uit het document komt naar voren dat eisers strafzaak nog niet gesloten is. Gelet op de landeninformatie is dit ook niet onaannemelijk. De (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten hoeft niet per se op te houden na een veroordeling of een beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\nDaar komt verder bij dat eiser behoort tot een specifieke groep (vermeende) Gülenisten die in de negatieve aandacht staan van de Turkse overheid. Volgens de Finse immigratiedienst staan individuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling van de Turkse overheid.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [de persoon] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.Het Algemeen Amtsbericht spreekt verder over dat (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, in de negatieve aandacht staan.Eiser heeft op een militaire school gezeten en kan dus als cadet worden aangemerkt. De minister heeft dit ook niet weersproken.\n\n18. Hoewel eiser zelf heeft gesteld dat hij alle banden met het Gülenisme heeft verbroken, maakt dat voor de toets niet uit. Immers, ook een toegedichte politieke overtuiging kan een grond voor vervolging opleveren. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt ook dat vermeende Gülenisten al in de negatieve belangstelling kunnen komen te staan.\n\n19. Dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het algemeen ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n20. Dat eiser in 2019 zelf is teruggekeerd uit de Verenigde Staten naar Turkije, terwijl op dat moment de vervolgingen van Gülenisten al aan de gang waren, maakt ook niet dat de huidige vrees van eiser niet aannemelijk zou zijn. Eiser heeft immers verklaard dat hij verwachtte dat hij niet vervolgd zou worden en als hij wel vervolgd zou worden, dat hij rechtsbescherming zou krijgen. In het licht van de situatie in Turkije in 2019 kan dit wellicht als naïef worden gezien, maar dit maakt nog niet dat eisers huidige vrees onaannemelijk is. Eiser is na zijn terugkeer daadwerkelijk vervolgd. Dit is niet in geschil. De rechtbank dient te beoordelen of eisers huidige vrees aannemelijk is. Omstandigheden die hebben plaatsgevonden voor de eerdere vervolging, hoeven daar niet bij te worden betrokken. De rechtbank doet dat dan ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank doet de terugkeer van eiser in 2019 niet af aan de aannemelijkheid van zijn gestelde vrees in 2026.\n\n21. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd en zijn strafdossier nog niet gesloten is, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n23. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nverwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\nArrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n Algemene wet bestuursrecht.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.\n\n Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000.\n\n Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20.\n\nNader gehoor pagina 20.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.\n\nHandvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18533","ecli-nl-rbdha-2026-18533",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":101,"ecli":102,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":88,"fullText":103,"language":7,"source":17,"sourceUrl":104,"summary":14,"slug":105,"metadata":106},"917","ECLI:NL:RBDHA:2026:18534","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.4401\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1971, van Turkse nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.\n\n1.1.. Eiser heeft op 27 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een termijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\n1.3.. De rechtbank heeft de minister via een bericht in het digitale dossier op 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 een verweerschrift in te dienen. De minister heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.\n\n1.4.. Vervolgens heeft de minister op 17 juni 2026 aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet op zitting zal verschijnen wegens capaciteitsgebrek. Via telefonisch contact heeft de rechtbank aan de minister gevraagd als gevolg daarvan alsnog een verweerschrift in te dienen. Dit heeft de minister nagelaten.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en R. Baysal als tolk in de Turkse taal deelgenomen. De minister is met bericht niet verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser was als [functie] werkzaam in Turkije. Eiser heeft verklaard dat hij veroordeeld is vanwege zijn (toegedichte) betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. Tijdens zijn detentie is hij gemarteld. Na het uitzitten van 4 jaar en acht maanden gevangenisstraf is eiser voorwaardelijk vrijgelaten. Eiser moest zich onder andere houden aan een wekelijkse meldplicht en een taakstraf uitvoeren. Eiser heeft verklaard dat hij zich vanwege zijn vertrek niet heeft gehouden aan de voorwaarden. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw vervolgd zal worden onder andere omdat hij zich niet aan de opgelegde voorwaarden heeft gehouden.\n\nBestreden besluit\n\n5. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:\n\nidentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nde eerdere strafrechtelijke veroordeling van eiser.\n\n5.1.. De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig, maar volgens de minister heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Volgens de minister heeft eiser zijn vrees voor strafrechtelijke vervolging bij terugkeer naar Turkije niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij opnieuw strafrechtelijk vervolgd zal worden of dat hij opnieuw in detentie zal worden geplaatst. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat het dossier van de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten. Dat eiser opnieuw vervolgd zal worden, is gebaseerd op vermoedens. De minister betrekt daarbij ook dat eiser legaal het land heeft kunnen verlaten. Verder acht de minister het niet geloofwaardig dat de politie meerdere keren langs de familie van eiser is geweest om navraag te doen naar eiser vanwege de schending van de voorwaarden. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen.\n\nToetsingskader\n\n6. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc onderzoek een bindende uitspraak doet over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n6.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5 van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid van de Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n6.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eiser en hetgeen hij in beroep heeft gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen (1) of eisers asielrelaas geloofwaardig is en (2) of hij een gegronde vrees voor vervolging heeft danwel een reëel risico op ernstige schade loopt, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, daarom zal de rechtbank niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n6.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\nDe beleidswijziging en overschrijding van de beslistermijn\n\n7. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij is benadeeld door het overschrijden van de beslistermijn. Als de minister wel binnen de beslistermijn had beslist op zijn aanvraag, was zijn aanvraag immers ingewilligd.\n\n8. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eiser aan het individualiseringsvereiste heeft voldaan en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging en de overschrijding van de beslistermijn niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nGegronde vrees voor vervolging\n\n9. Eiser heeft aangevoerd dat hij op individueel niveau aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Hij heeft in dit kader gewezen op het feit dat hij eerder vervolgd is. Volgens eiser hanteert de minister een verkeerd toetsingskader, het is namelijk aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser bij terugkeer niet meer te vrezen heeft. Daarbij stelt de minister ten onrechte dat uit het overgelegde document van 18 december 2025 blijkt dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling vanwege het voltooien van de justitiële voorwaarden is afgesloten en eiser niet langer hoeft te vrezen. De minister heeft nagelaten om de vertaling van het document te overleggen en het is ook niet duidelijk welke tolk het document heeft vertaald. Niet is gebleken dat de minister gebruik heeft gemaakt van een beëdigde tolk. Verder volgt uit het document alleen dat de officier van justitie het dossier naar de rechtbank stuurt in verband met de voltooiing van de tenuitvoerlegging. Dit zegt volgens eiser niks over de overtreding van de voorwaarden die zien op de voorwaardelijke invrijheidsstelling na de procedure in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie bij de Hoge Raad. Uit de beëdigde vertaling van eiser volgt dat de tenuitvoerlegging is voltooid. Vast staat dat eiser de voorwaarden heeft overtreden, wat blijkt uit de overgelegde beëdigde vertaling van de stukken van de reclassering. Verder was eiser in Turkije [functie] en heeft hij uitspraken gedaan in het nadeel van het regime. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eiser tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eiser heeft hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die zijn overwegingen verder onderbouwen.\n\n9.1.. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser gewezen op het feit dat de Turkse autoriteiten nieuwe stukken hebben toegevoegd aan het UYAPsysteem van eiser. Hieruit volgt dat de rechtbank in Ankara met spoed het strafdossier van onder andere eiser op heeft opgevraagd. Verder wijst eiser erop dat de persoon die twee plaatsen hoger staat dan eiser op de lijst als gevolg van de nieuwe onderzoeken is gearresteerd op 9 mei 2026. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan een krantenbericht overgelegd waaruit dat blijkt. Verder heeft eiser nog gewezen op een ander krantenbericht waaruit blijkt dat vervolging tegen (oud)rechters nog steeds doorgaat.\n\n9.2.. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat sprake is van refugie sur place. Eiser is betrokken bij [bedrijf] . Dit is een Gülen-gelieerde instelling met activiteiten in Nederland. Uit onder meer landeninformatie blijkt dat de Turkse autoriteiten dergelijke instellingen in het buitenland in de gaten houden.\n\n10. Niet in geschil is dat eiser in het verleden is vervolgd door de Turkse overheid en dat hij enkele jaren gedetineerd is geweest. Ook is niet in geschil dat eiser tijdens zijn detentie is gemarteld. In geschil is de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije wederom te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn betrokkenheid bij het Gülenisme.\n\n11. De rechtbank overweegt dat eisers eerdere detentie vanwege zijn politieke overtuiging en de martelingen die hij heeft ondergaan in detentie daden zijn van vervolging in de zin van artikel 3.36 van het VV 2000.Uit artikel 4, vierde lid van de Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid van de Vw 2000 volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar de minister verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een verkeerd toetsingskader toegepast. Uit het voornemen en het bestreden besluit blijkt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit terwijl het aan de minister is om aannemelijk te maken dat eiser nietopnieuw te vrezen heeft voor vervolging. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. In het kader van de finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken van de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank is het relaas van eiser geloofwaardig. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dan rest de vraag of de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade aannemelijk is en of het verzoek om internationale bescherming gegrond is. De rechtbank beantwoordt die vragen ook bevestigend en zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.\n\n14. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat eiser eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser is immers vanwege zijn politieke overtuiging strafrechtelijk vervolgd en heeft gedetineerd gezeten. Tijdens zijn detentie is eiser gemarteld. Dit levert daden van vervolging op zoals bedoeld in de Kwalificatieverordening.Zoals hierboven ook al opgemerkt is blootstelling aan vervolging in het verleden een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.Dit wordt anders als er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan niet gebleken, in tegendeel zelfs. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\n15. Eiser heeft verklaard dat hij direct na de coup is opgepakt en uiteindelijk is veroordeeld tot zeven jaar en zes maanden gevangenisstraf. Eiser heeft hiervan een deel uitgezeten en is in november 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Eiser diende zich te houden aan een meldplicht en moest een taakstraf uitvoeren. Dit is ook onderbouwd met documenten. Deze meldplicht liep tot 13 november 2023. Eiser is echter op 13 september 2023 uit Turkije vertrokken en in Nederland aangekomen. Uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat eiser inderdaad niet aan de opgelegde voorwaarden heeft voldaan en dat is een aanwijzing dat eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling kan komen te staan. Uit het door eiser overgelegde document van 18 december 2025 blijkt, anders dan de minister stelt, niet dat eiser zijn voorwaarden niet heeft overtreden. Uit de door eiser overgelegde, beëdigde, vertaling van het document van 18 december 2025 blijkt dat de Officier van Justitie het executiedossier van eiser heeft verstuurd naar de 30ste meervoudige kamer in zware strafzaken van Istanbul. Hierin staat vermeld:\n\n“Het executiedossier betreffende de veroordeelde [eiser] , van wie de identiteitsgegevens en straf hieronder staan vermeld, treft u bijgaand aan wegens Voltooiing van de Tenuitvoerlegging (Vonnis in eerste aanleg). Ik verzoek u om van een en ander kennis te nemen en het benodigde te verrichten.”\n\nHieruit volgt niet ondubbelzinnig dat eisers strafdossier gesloten is. De zinssnede ‘het benodigde te verrichten’ is immers voor velerlei uitleg vatbaar.\n\nDaar komt bij dat in het executiedossier het volgende staat opgenomen:\n\n“U bent verplicht bovenstaande regels na te leven. U wordt hierbij gewaarschuwd en ervan in kennis gesteld dat het niet naleven van deze regels zal worden aangemerkt als schending van uw verplichtingen en dat er maatregelen tegen u zullen worden genomen, en dat indien u volhardt in het overtreden van de regels en het niet nakomen van de\n\nvereisten van het met betrekking tot uw persoon op te stellen toezichtplan, door de rechter-commissaris kan worden beslist dat u uw straf tot aan de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling in een open penitentiaire inrichting dient uit te zitten.”\n\nGelet op de eerdere martelingen die eiser in detentie heeft ondergaan, is het niet onaannemelijk dat indien eiser het resterende deel van zijn straf moet uitzitten, hij wederom te maken krijgt met detentieomstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM.\n\nVerder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen danwel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.\n\n16. De rechtbank betrekt verder bij haar beoordeling dat eiser geloofwaardig heeft verklaard dat de politie meerdere keren bij zijn familie aan de deur is geweest om naar hem te vragen omdat hij zijn meldplicht heeft overtreden. Eiser heeft hier gedetailleerd en consistent over verklaard. Zo kan eiser desgevraagd meerdere data noemen waarop de politie langs is geweest en ook wat er is gevraagd.Ook hieruit blijkt dat eiser nog steeds in de negatieve belangstelling staat.\n\n17. Uit landeninformatie blijkt voorts dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije. Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid tegenover (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook [persoon 1] beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\n18. De legale uitreis van eiser, maakt niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n19. Dat eiser een risico loopt omdat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten wordt daarnaast ook nog door het volgende ondersteund. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser ook nog gewezen op een document van 22 januari 2026 waaruit blijkt dat de 21e meervoudige strafkamer rechtbank Ankara het dossier van eiser heeft opgevraagd. Op dezelfde lijst staat de naam van [persoon 2] , ook diens dossier is opgevraagd. Eiser heeft ook een krantenbericht bijgevoegd waaruit blijkt dat [persoon 2] op 9 mei 2026 is gearresteerd. Ter zitting heeft eiser, op verzoek van de rechtbank, ingelogd in zijn UYAP en het document van 22 januari 2026 getoond. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit document zich inderdaad in eisers UYAP bevindt en dat het hetzelfde document is als eiser heeft overgelegd bij de aanvullende gronden van beroep. Eiser heeft verder gewezen op zijn activiteiten in Nederland en op het feit dat de Turkse autoriteiten ook organisaties in Nederland in de gaten houden.\n\n19.1.. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat als de rechtbank eerst in beroep aangevoerde elementen bij de beoordeling wil betrekken, de minister in de gelegenheid moet worden gesteld om op deze elementen te reageren. De rechtbank stelt vast dat de minister bij brief van 23 februari 2026 is uitgenodigd om bij de zitting aanwezig te zijn. Verder heeft de rechtbank de minister bij bericht van 2 juni 2026 verzocht om uiterlijk 10 juni 2026 te reageren op de beroepsgronden van eiser. De minister heeft dit nagelaten. Op 16 juni 2026 heeft eiser nadere gronden ingediend. Bij deze nadere gronden heeft eiser gewezen op stukken waaruit blijkt dat zijn strafdossier weer is opgevraagd en dat een van de andere personen die op die lijst staan wederom is opgepakt. Bij bericht van 17 juni 2026 heeft de minister laten weten niet naar de zitting te komen. Hierop heeft de rechtbank telefonisch contact opgenomen met de minister en uitdrukkelijk verzocht om dan in ieder geval een schriftelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de beroepsgronden. De minister heeft uitdrukkelijk aangegeven naar het beroep te hebben gekeken en dat het niet nodig is om een schriftelijk standpunt in te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met bovenstaande gang van zaken voldoende gelegenheid gehad om te reageren op de in beroep ingebrachte elementen. De minister heeft er zelf voor gekozen om dat niet te doen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling te heropenen en de minister wederom in de gelegenheid te stellen om te reageren. Een heropening zorgt, bij deze gang van zaken, voor onnodige vertraging en komt niet tegemoet aan de doelstelling van de Procedurerichtlijnom zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen op een verzoek om internationale bescherming. Door niet te reageren als de rechtbank daar uitdrukkelijk om verzoekt en door niet op zitting te verschijnen, zorgt de minister er zelf voor dat hij zich nu niet kan uitlaten over de in beroep ingebrachte elementen. Dit is een keus van de minister. Nu de rechtbank zelf een beoordeling mag maken van de gegrondheid van het beroep, zal de rechtbank dat dan ook doen.\n\n19.2.. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de door eiser overgelegde stukken dat er aanwijzingen zijn dat eisers strafdossier inderdaad niet gesloten is en dat hij risico loopt om opnieuw berecht te worden. Eisers dossier is immers opnieuw opgevraagd en andere mensen die op dezelfde lijst staan als eiser zijn inmiddels al opgepakt.\n\n19.3.. Daar komt bij dat eiser ook hier in Nederland activiteiten heeft ontplooid bij [bedrijf] , een Gülen-gelieerde instelling. Dit is onweersproken door de minister. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülenbeweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf.Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eiser heeft zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden.\n\n20. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eiser, met name de omstandigheid dat hij eerder is vervolgd, hij zijn voorwaarden heeft overtreden, de politie meerdere keren aan de deur is geweest én eisers naam op een lijst staat van strafdossiers die opnieuw worden bekeken, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 18 van het Handvestals ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eiser stelt de rechtbank vast dat aan eiser internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n22. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nverwijst de zaak terug naar de minister en draagt de minister op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, [functie] , in aanwezigheid van mr.B. Kingma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de\n\nAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze\n\npartij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend\n\nbinnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de\n\nbehandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de\n\nindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31 tot en met 35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het arrest van het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\nArrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73 en 74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Ulusal Yargi Ağı Projesi (juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid).\n\n Voorschrift Vreemdelingen.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 10.2 en 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971, onder 3.1.\n\nZie artikel 9, Kwalificatieverordening.\n\n Artikel 4, vierde lid, Kwalificatieverordening en artikel 31, vijfde lid, Vw 2000.\n\n Europees verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\nFinse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\nZie pagina 16 en 17 van het nader gehoor.\n\n Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina’s 46-49.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 49.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, p. 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, r.o. 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 20. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743, rechtsoverweging 6.1.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. Per 12 juni 2026 is de Procedurerichtlijn vervangen door de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024\u002F1348 tot het vaststellen van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Europese Unie). Ook de Procedureverordening heeft de doelstelling om zo spoedig mogelijk te beslissen op een verzoek om internationale bescherming.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije, februari 2025, pagina 53.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18534","ecli-nl-rbdha-2026-18534",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":108,"ecli":109,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":88,"fullText":110,"language":7,"source":17,"sourceUrl":111,"summary":14,"slug":112,"metadata":113},"919","ECLI:NL:RBDHA:2026:18531","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.8336, NL26.8330, NL26.8332 en NL26.8334 (beroepen)\n\nNL26.8337, NL26.8331, NL26.8333 en NL26.8335 (voorlopige voorzieningen)\n\nV-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] , [v-nummer 3] en [v-nummer 4]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1982, eiser en verzoeker 1,\n\n [eiseres] , geboren op [geboortedag 2] 1988, eiseres en verzoekster,\n\n [eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 2005, eiser en verzoeker 2,\n\n [eiser 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008, eiser en verzoeker 3,\n\nallen van Turkse nationaliteit, hierna tezamen: eisers\n\n(gemachtigde: mr. S. Thelosen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. Eisers hebben op 27 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 9 februari 2026 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2. Eisers hebben ook allen individueel een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.1.. De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken van eisers op 27 mei 2026 op zitting gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M.A. Budak als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.\n\n2.2.. Bij beslissing van 5 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropendom partijen te laten reageren op de arresten van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).De rechtbank heeft hierbij partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 19 juni 2026 te reageren op de vragen van de rechtbank.\n\n2.3.. Op 9 juni 2026 hebben eisers hun standpunt naar voren gebracht. Op 19 juni 2026 heeft de minister ook gereageerd. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft vervolgens op 23 juni 2026 het onderzoek wederom gesloten.\n\nOverwegingen\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de asielaanvragen van eisers heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Ook beoordeelt de rechtbank de verzoeken van eisers om een voorlopige voorziening.\n\n4. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond, en wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe asielrelazen\n\n5. Eisers vormen samen een gezin. Zij hebben allen de Turkse nationaliteit en behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser 1 en eiseres zijn getrouwd en eiser 2 en eiser 3 zijn hun kinderen.\n\n5.1.. Eiser 1 en eiseres hebben verklaard dat zij Gülen-aanhangers zijn en dat eiser 1 in 2016 is vervolgd vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Zij hebben verder verklaard dat eiser 1 is vrijgesproken, maar dat de autoriteiten hen nog steeds als Gülenisten beschouwen. Ook hebben zij verklaard dat eiser 1 per decreet is ontslagen en dat dit door de bestuursrechter in stand is gelaten. Eiser 1 en eiseres stellen dat zij bij terugkeer vrezen om vervolgd te worden door de Turkse autoriteiten.\n\n5.2.. Eiser 2 en 3 hebben het bovenstaande ook ten grondslag gelegd aan hun asielrelaas en vrezen voor vervolging van hun ouders. Eiser 2 heeft verder verklaard dat hij twee jaar op een Gülen-school zat. In Nederland voert hij activiteiten uit voor de stichting Kennisplein. Eiser 2 vreest dat hij bij terugkeer zal worden ondervraagd en mishandeld om informatie te verkrijgen over andere Gülenisten in Nederland. Hij vreest ook dat hij geen baan kan vinden, omdat hij onderwijs heeft gevolgd op een Gülen-school. Eiser 3 heeft verder verklaard dat hij zelf problemen op school heeft ondervonden omdat hij buitengesloten werd van bepaalde activiteiten. Hij vreest dat hij bij terugkeer geen werk kan vinden omdat zijn vader als landverrader in het systeem staat.\n\nDe bestreden besluiten\n\n6. Het asielrelaas van eiser 1 en eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de politieke overtuiging en de problemen die daaruit voortvloeien.\n\n6.1.. Het asielrelaas van eiser 2 bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. dat eiser 2 een aanhanger is van de Gülen-beweging;\n\n3. de problemen vanwege de vervolging van de vader.\n\n6.2.. Het asielrelaas van eiser 3 bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de problemen vanwege de vervolging van de vader.\n\n6.3.. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. De minister heeft tevens geloofwaardig geacht dat eiser 1, eiseres en eiser 2 aanhangers zijn van de Gülen-beweging en een politieke overtuiging hebben. De minister heeft de hieruit voortvloeiende problemen voor eiser 1 en eiseres echter niet geloofwaardig geacht. De minister heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat zij hun verklaringen niet met objectieve documenten hebben onderbouwd. De minister heeft daarom verder beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Volgens de minister is dit niet het geval omdat de verklaringen van eiser 1 en eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Wat betreft de geloofwaardige politieke overtuiging van eiser 1 en 2 en eiseres heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zij geen gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer naar Turkije. Daarbij heeft de minister betrokken dat eiser 1 en 2 en eiseres er niet in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat zij in de negatieve aandacht staan van de Turkse autoriteiten vanwege hun betrokkenheid bij de Gülen-beweging.\n\n7. De minister heeft de aanvragen van eisers kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, omdat zij niet onmiddellijk asiel hebben aangevraagd in Nederland toen dat mogelijk was.\n\nToetsingskader\n\n8. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.Dit houdt ook in dat de rechtbank ook rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat indien de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.\n\n8.1.. Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilumheeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden 3 tot en met 5, van de Kwalificatierichtlijn.Artikel 4, derde lid, somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Artikel 4, vierde lid, Kwalificatierichtlijn preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden betreffende het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.\n\n8.2.. De rechtbank neemt hierbij de verklaringen van eisers en hetgeen zij in beroep hebben gesteld als uitgangspunt. Nu de rechtbank een eigen beoordeling dient te maken en zelf vol mag toetsen of eisers (1) geloofwaardig zijn en (2) een gegronde vrees voor vervolging hebben danwel een reëel risico op ernstige schade lopen, ziet de rechtbank het bestreden besluit als het standpunt van de minister, maar de rechtbank zal niet langer eerst aangeven of en waarom er sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank toetst immers niet zozeer het besluit maar dient zelf een volledig en ex nunc-onderzoek te doen. Dit betekent dat in voorkomende gevallen de rechtbank niet in zal gaan op alle tegenwerpingen van de minister.\n\n8.3.. Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc-onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.\n\nBespreking van de beroepsgronden\n\nDe beleidswijziging\n\n9. Eisers hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 2024 ten aanzien van Gülen-aanhangers geen stand kan houden. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026.\n\n9.1.. Omdat de rechtbank hieronder tot het oordeel komt dat eisers aan het individualiseringsvereiste hebben voldaan en in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, zal de rechtbank de beroepsgronden die zien op de beleidswijziging niet bespreken. De vraag of de beleidswijzigingen stand kunnen houden, voegt hier immers niets toe.\n\nDe geloofwaardigheid\n\n10. De rechtbank overweegt dat, zoals ook al onder het toetsingskader uiteengezet, uit de arresten Quotal en Ebilum volgt dat de rechtbank, anders dan de Afdelingtot nu toe aannam, de geloofwaardigheid vol mag toetsen. De rechtbank kan en mag dus een eigen afweging maken met betrekking tot de geloofwaardigheid van het asielrelaas.\n\n10.1.. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eisers Gülenisten zijn en dat zij activiteiten hebben verricht. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. In geschil is de vraag of een aantal van de door eisers verrichte activiteiten, namelijk het uitdelen van voedselpakketten en de door eisers ondervonden problemen geloofwaardig zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n10.2.. \n\nIndien specifieke aspecten van het asielrelaas niet met documenten zijn gestaafd, dient het relaas te voldoen aan de voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening. Deze voorwaarden zijn:\n\na. de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn of haar verzoek om internationale bescherming te staven;\n\nb. alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;\n\nc. de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met de beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn of haar verzoek;\n\nd. vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.\n\n- De voedselpakketten\n\n10.3.. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers wel geloofwaardig hebben verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten. Zoals de minister ter zitting ook heeft toegegeven, zit er geen tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van eiser 1 en eiseres. Uit de relazen van eisers blijkt immers dat eiseres heeft verklaard over de situatie van vóór de couppoging en eiser 1 vooral heeft verklaard over de situatie van daarna. Dat er verschillen zijn in deze situaties, is niet ondenkbaar. Immers, voor de couppoging vormde het uitdelen van voedselpakketten geen probleem. Zo heeft eiseres verklaard dat zijzelf voor de couppoging voor het laatst voedselpakketten heeft uitgedeeld.Eiser 1 blijkt echter duidelijk te verklaren over de situatie van na de couppoging. Hij heeft het immers over dat het uitdelen van de voedselpakketten risico’s met zich meebrengt. Ook verklaart hij dat hij dat ongeveer zeven jaar geleden voor het laatst gedaan heeft.\n\n10.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser 1 verder niet innerlijk tegenstrijdig verklaard over het uitdelen van de voedselpakketten na de couppoging. Eiser 1 heeft het weliswaar over ‘we’ maar nergens wordt duidelijk wie hij met ‘we’ bedoelt. Tijdens het nader gehoor is hier ook niet naar gevraagd, terwijl dit wel op de weg van de minister had gelegen. Immers, de vreemdeling dient in de gelegenheid te worden gesteld om uitleg te geven over eventuele inconsistenties en onduidelijkheden.Omdat de minister dit heeft nagelaten, zal de rechtbank uitgaan van de uitleg van eisers. In de zienswijze en de gronden van beroep hebben eisers aangegeven dat met ‘we’ de groep mensen is bedoeld die de pakketten samenstelden en uitdeelden. Deze uitleg komt de rechtbank, gelet op hetgeen in het nader gehoor is verklaard, ook niet bevreemdingwekkend voor. De rechtbank acht het dan ook geloofwaardig dat eiser 1 na de couppoging samen met andere mensen voedselpakketten heeft uitgedeeld.\n\n- Het arrestatiebevel\n\n10.5.. Ook ten aanzien van het arrestatiebevel hebben eisers geloofwaardig verklaard. Er is geen sprake van dat eisers tegenstrijdig aan elkaar hebben verklaard. Uit het nader gehoor van eiseres blijkt dat zij vooral naar haar man verwijst. Ze weet wel dat er een arrestatiebevel is, maar over de precieze details kan eiseres niet verklaren en zij verwijst telkens naar haar man.Zij geeft telkens aan dat hij precies weet hoe het zit. De rechtbank merkt op dat een zelfde beeld, namelijk dat eiseres verwijst naar haar man voor de precieze details, ook naar voren komt ten aanzien van andere onderwerpen die de minister wel geloofwaardig heeft geacht. Zo kan eiseres zich ook niet precies herinneren wanneer haar man vrij is gekomen en hoe het precies zit met de ondervraging van haar zwager. Dit komt de rechtbank niet heel vreemd voor nu het arrestatiebevel ziet op eiser 1 en niet op eiseres zelf. Eiseres kent de grote lijnen en die komen overeen met hetgeen eiser 1 heeft verklaard. Zo heeft eiseres verklaard dat zij via de collega van eiser 1 te weten zijn gekomen dat er een arrestatiebevel is en ook eiser 1 heeft verklaard dat het arrestatiebevel in het dossier van zijn collega zit. Ook heeft eiser 1 al tijdens het gehoor verklaard dat hij met het arrestatiebevel de oproeping om te getuigen heeft bedoeld. Eiseres heeft het in haar nader gehoor ook over de oproeping. Eiser 1 heeft ter zitting verduidelijkt dat indien je gedwongen wordt om te getuigen, de politie je kan arresteren en je op die manier gedwongen wordt om ter zitting te verschijnen.\n\n- De onderlinge bespreking van de problemen\n\n10.6.. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over het politiebezoek vlak voor hun vertrek. Eiser 1 heeft verklaard dat hij van zijn buurman had gehoord dat de politie bij de buren aan de deur was geweest en naar hem heeft gevraagd. De minister werpt dat ook niet tegen. De minister werpt wel tegen dat eisers niet geloofwaardig hebben verklaard over de bespreking van de problemen. Maar ook hierover hebben eisers, naar het oordeel van de rechtbank, geloofwaardig verklaard. De rechtbank merkt daarbij op dat het eventuele niet geloofwaardig verklaren over de besprekingniet maakt dat degebeurtenis zelfniet geloofwaardig is. Maar die situatie is hier niet aan de orde, nu de rechtbank van oordeel is dat zowel over de gebeurtenissen als over de bespreking geloofwaardig is verklaard. Eiser 1 geeft in het nader gehoor consistent aan dat hij niet direct na het bezoek van de politie aan zijn buren dit aan zijn gezin heeft verteld. Hij geeft aan dat hij dit pas later, na vertrek uit Turkije, heeft verteld. Zo heeft eiser 1 verklaard:\n\n“Heeft u uw vertrek toen besproken met uw vrouw en kinderen?\n\nNadat de politie is langs geweest heb ik het niet meteen gedeeld om geen paniek te zaaien. Ik heb eerst onze mogelijkheden onderzocht. Ik moest ook geld lenen vanuit onze omgeving. Pas toen ik dat rond had heb ik een dag vóór dat we gingen met ze gedeeld dat we konden vertrekken.\n\nHeeft u later ook verteld waarom, namelijk dat de politie aan huis was geweest, en dat ze vroegen naar uw betrekkingen met andere Gülenisten.\n\nIk denk dat ze het wel geraden hebben, ik heb het ze niet expliciet verteld. Omdat ze mentaal niet helemaal lekker waren. De hele situatie had ons al aardig vermoeid. Ik wilde ze niet meer belasten daarmee. Ook mijn vrouw heb ik niet alle details gegeven.\n\nMaar u bent nu al geruime tijd in Nederland, heeft u ze in de tussentijd niet verteld dat de politie aan huis is geweest? Het is de directe aanleiding van uw vertrek, het lijkt me dan ook gek dat u dat niet met ze bespreekt.\n\nLater hebben we het wel besproken, maar niet direct ná de gebeurtenis.\n\nDus u heeft het ze wel verteld?\n\nJa een tijdje later. Mijn vrouw kreeg steeds paniek aanvallen. Daar kreeg ze last van vanwege onze situatie. Mijn oudste zoon kreeg witte haren toen hij pas 12 was.\n\nZojuist zei u dat u ze het niet expliciet hebt verteld over het bezoek van de politie, maar nu van wel, kunt u dat voor mij verduidelijken\n\nToen we nog in Turkije waren heb ik ze het niet verteld. We hebben met vrees het land verlaten, tot we weg waren heb ik het niet verteld. Ik weet niet of het onderweg of bij aankomst was dat ik het vertelde. Het was geen makkelijke beslissing.”\n\nEiseres heeft in haar nader gehoor verklaard:\n\n“Heeft uw man met u besproken dat de politie aan de deur van de buren is gekomen en naar hem geïnformeerd is?\n\nJa.\n\nWat is er toen precies besproken?\n\nNadat we uit Turkije zijn vertrokken heeft mijn man verteld dat er bij de buren navraag naar hem is gedaan.\n\nWanneer hebben jullie dit besproken?\n\nWe kwamen bij de Servische grens aan. Rond die tijd heeft hij het besproken.\n\nKan u een datum noemen?\n\nrond 4 september.\n\nWat heeft uw man er toen over verteld?\n\nKijk, de avond dat we vertrokken toen vertrokken we op stel en sprong. Dus toen kon hij het niet vertellen. Maar hij heeft later rond Servië verteld dat dit de redenen zijn geweest dat we moesten vertrekken.”\n\nEiser 2 heeft in het nader gehoor het volgende verklaard:\n\n“Op welke manier raakte u op de hoogte dat u Turkije moest verlaten?\n\nHet was op 30 augustus 2023 geloof ik. Op een avond kwam mijn vader met angst en bezorgdheid thuis. Hij zei: wij moeten zo snel voorbereiden en inpakken en we gaan morgen weg, want ik word gezocht. Hij heeft ons geen details gegeven. De volgende dag zijn we vertrokken. Op 30 augustus zijn we uit Turkije vertrokken.\n\nU gaf net aan dat uw vader u niet alle details gaf. Heeft hij deze details op een later moment wel aan u gegeven?\n\nWat wij wel weten is dat hij zei: we moeten snel weg, we zijn hier niet veilig. Het kan zijn dat ik opnieuw word opgepakt.\n\nHebt u ooit daarna gevraagd aan uw vader wat de reden was dat hij opeens zo snel wilde vertrekken?\n\nJa zeker. Na ons vertrek uit Turkije hebben we hier openlijk over gepraat. Hij zei: wij waren niet veilig in Turkije. Ik had opnieuw opgepakt kunnen worden vanwege de Hizmet-beweging. Mijn vrienden zijn allemaal langer opgepakt. Sommigen zitten vijf of zes jaar, dus vanwege de angst om opnieuw opgepakt te worden, zei hij.”\n\nTot slot heeft eiser 3 het volgende verklaard:\n\n“Op een avond kwam mijn vader thuis en zei: we moeten voorbereidingen treffen want we gaan vertrekken. Hij vertelde niet wat de reden was maar het was wel duidelijk dat er iets ergs aan de hand was.\n\nHeeft hij dat later nog verteld?\n\nNee.\n\nHeeft u daar wel naar gevraagd?\n\nJa, maar hij gaf niet echt antwoord ze wilden daar, over dat onderwerp, niet over praten.\n\n[…]\n\nIs er sinds dat uw vader is vrijgelaten nog iets gebeurd met de politie?\n\nDat weet ik niet, als dat is geweest dan vertelt hij (vader) dat niet aan ons zodat we niet bang worden.\n\nHeb ik goed begrepen dat u vader op een avond zei pak jullie spullen we gaan morgen vertrekken?\n\nDat klopt.”\n\n10.7.. \n\nUit al deze verklaringen volgt dat eiser 1 niet direct de aanleiding heeft verteld waarom het gezin moest vertrekken. Verder verklaren zowel eiser 1 en 2 als eiseres dat eiser 1 het op een later moment wel heeft verteld. Alleen eiser 3, de jongste zoon, heeft dit niet verklaard. In de correcties en aanvullingen geeft eiser 3 echter aan dat hij de vraag verkeerd had begrepen en dat hij dacht dat werd bedoeld of zijn vader het later in Turkije nog had verteld. Dat was niet het geval, maar wel toen ze Turkije uit waren. Eisers hebben dan ook in grote lijnen gelijkluidend aan elkaar verklaard.\n\nDe rechtbank volgt niet dat eiser 1 tegenstrijdig zou hebben verklaard over wanneer hij de reden voor vertrek heeft verteld aan zijn gezin. Eiser 1 zegt weliswaar eerst dat hij het niet expliciet heeft gezegd, maar bijna direct daarna, als de gehoorambtenaar zijn vraag net iets anders formuleert, legt hij uit dat hij het pas buiten Turkije expliciet heeft verteld. Dit komt de rechtbank niet tegenstrijdig voor.\n\n- De late indiening van de asielaanvraag\n\n10.8.. De minister heeft bij de beoordeling van de geloofwaardigheid ook betrokken dat eisers niet direct na aankomst in Nederland hun asielaanvraag hebben ingediend maar dat zij eerst zes maanden hebben gewacht om zo aan een Dublinclaim op Duitsland te ontkomen. De minister heeft hierbij verwezen naar artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 zoals die gold ten tijde van de bestreden besluiten.\n\n10.9.. Artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is de implementatie van artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn. Met het ingaan van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken en is de Kwalificatieverordening van kracht geworden. Er is geen overgangsrecht van toepassing. Met het ingaan van de Kwalificatieverordening is ook artikel 4, vijfde lid, aangepast. De d-grond is komen te vervallen. Daarbij komt dat het beleid van de minister is dat een asielverzoek niet enkel wordt afgewezen op grond van de omstandigheid dat een verzoek niet zo snel mogelijk is gedaan terwijl daar geen overtuigende verklaring voor is gegeven. Een asielmotief wordt niet enkel om die reden ongeloofwaardig geacht.De rechtbank zal eisers dit dan ook niet tegenwerpen.\n\nTussenconclusie\n\n11. De rechtbank is van oordeel dat eisers geloofwaardig hebben verklaard over hun politieke overtuiging en over de door hen ondervonden problemen. De rechtbank zal dan nu ook beoordelen of eisers met deze geloofwaardig bevonden elementen hun vrees voor vervolging aannemelijk hebben gemaakt.\n\nGegronde vrees voor vervolging\n\n12. Eisers hebben aangevoerd dat zij op individueel niveau aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten. In dit verband hebben zij erop gewezen dat eiser 1 eerder vervolgd is. Niet alleen is eiser 1 strafrechtelijk vervolgd, maar er zijn ook bestuursrechtelijke maatregelen tegen hem genomen. Zo is hij per decreet ontslagen bij de rechtbank. Dit ontslag is, ook na zijn vrijspraak, in stand gelaten omdat eiser 1 Gülenist is. De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken bij zijn beoordeling. De minister blijft ook ten onrechte de legale uitreis van eisers tegenwerpen en stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de legale uitreis afbreuk doet aan de stelling dat eiser 1 in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Eisers hebben hierbij ook gewezen op algemene landeninformatie die hun overwegingen verder onderbouwen.\n\n12.1.. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat eiser 1 eerder is vervolgd in vluchtelingrechtelijke zin. Eiser 1 is weliswaar vrijgesproken in strafrechtelijke zin, maar er zijn ook administratieve maatregelen tegen hem genomen vanwege zijn politieke overtuiging. Zo is eiser 1 per decreet ontslagen. Eiser 1 heeft dit ontslag bestuursrechtelijk aangevochten maar dat heeft tot niets geleid. Uit het overgelegde vonnis van de bestuursrechtbank blijkt dat eiser 1 is aangemerkt als lid van de Gülen-beweging. Volgens de bestuursrechter is eiser 1 een niveau 5-lid, dat betekent dat hij vertrouwd en bekend was met de beweging. Verder blijkt uit de hoger beroepsuitspraak uit 2024 dat eiser1 zijn ontslag in stand is gebleven, ondanks de strafrechtelijke vrijspraak. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat eiser 1 wel wordt gezien als een Gülen-aanhanger, ondanks de vrijspraak. De rechtbank merkt daarbij op dat in het bestuursrecht andere begrippenkaders en bewijsregels gelden dan in het strafrecht. Een strafrechtelijke vrijspraak van lidmaatschap van een verboden organisatie betekent enkel dat er strafrechtelijk te weinig bewijs was voor het tenlastegelegde lidmaatschap als bedoeld in het Turkse Wetboek van Strafrecht. Niets meer, maar ook niets minder. Het samenstel van strafrechtelijk en bestuursrechtelijke maatregelen vanwege een politieke overtuiging levert daden van vervolging op.\n\nDe eerdere vervolging van eiser is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van eisers voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van goede redenen om aan te nemen dat vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De rechtbank betrekt daarbij het volgende.\n\n12.2.. Eiser 1 is opgeroepen om te komen getuigen in de zaak van een collega. Dit is ook niet in geschil. Dat betekent dat eiser 1 in ieder geval in de belangstelling staat van de autoriteiten.\n\n12.3.. In de bestuursrechtelijke procedure is expliciet overwogen dat eiser 1 is gecategoriseerd als een ‘niveau 5-lid’. Uit landeninformatie blijkt dat er zeven niveaus van betrokkenheid bestaan. De vijfde laag bestaat uit functionarissen die verantwoordelijk zijn voor het maken en uitvoeren van het beleid van de Gülen-beweging.Eiser 1 wordt dus door de Turkse overheid gezien als een redelijk hooggeplaatste Gülenist.\n\n12.4.. Uit landeninformatie blijkt dat Gülenisten nog steeds een risico lopen op vervolging in Turkije.Weliswaar niet meer met dezelfde intensiteit als net na de coup, maar het risico is nog steeds aanwezig.Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten. Het gaat hier om onder andere cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbaar aanklagers.Eiser 1 is ook werkzaam geweest bij de rechtbank en daarmee in het justitiële apparaat. Verder blijkt uit landeninformatie dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen, dan wel zijn vrijgesproken, zoals eiser 1, of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten wat betreft Gülenisme, in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.Daarbij volgt voorts uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.Ook hoogleraar Johan Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülen-beweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.In het Algemeen Ambtsbericht is opgemerkt dat het onduidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw vervolgd worden.\n\n12.5.. Verder volgt uit het Algemeen Ambtsbericht dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op ‘burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en\u002Fof hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdachte van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging.Ook Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’.Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülen-beweging.\n\n12.6.. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülen-beweging.Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten.Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülen-beweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.”\n\n12.7.. Uit landeninformatie volgt verder dat ook familieleden van (vermeende) Gülenisten, zoals eiseres en eisers 2 en 3 een risico lopen. Volgens de Finse immigratiedienst lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaan dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülen-school hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülen-beweging wordt verweten.Verder meldt de Finse immigratiedienst dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico.Ook de UK Home Office stelt dat het enkel zijn van een familielid van een Gülenist voldoende is als risicofactor voor vervolging.De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt.\n\n12.8.. Dat eisers legaal hebben kunnen uitreizen, maakt, anders dan de minister heeft gesteld, niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling vanuit de autoriteiten. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt immers dat een strafrechtelijke procedure en de mogelijkheid om het land legaal uit te reizen twee verschillende aangelegenheden zijn.\n\n12.9.. Verder hebben eisers in Nederland activiteiten ontplooit vanuit het Gülenisme. Ook dit is een factor die bijdraagt aan de gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer. Uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülen-beweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf. Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten. Eisers hebben zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit blijkt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden. Zo hebben eisers erop gewezen dat de organisaties waarvoor zij activiteiten verrichten, namelijk SECU en Time to Help, door de Turkse autoriteiten worden gezien als Gülen-instellingen en in die hoedanigheid in de gaten worden gehouden. Verder hebben zij erop gewezen dat de schoonzus van eiser 1 in het onderzoeksrapport van de Turkse inlichtingendienst wordt genoemd.\n\n12.10.. Gelet op de landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van eisers, met name de omstandigheid dat eiser 1 eerder is vervolgd, eiseres en eisers 2 en 3 als familieleden gevaar lopen en eisers in Nederland activiteiten hebben ontplooit, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije gegronde vrees hebben voor vervolging.\n\n12.11.. Gelet op het bovenstaande, behoeven de overige gronden van eisers geen bespreking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 4, 18 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, als ook omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en dat uit die verordening dan ook volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtend en geactualiseerd onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van eisers stelt de rechtbank vast dat aan eisers internationale bescherming moet worden verleend. De rechtbank verwijst de zaak daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.\n\n14. Omdat de rechtbank nu beslist op de beroepen van eisers, is er voor het treffen van de voorlopige voorzieningen geen reden meer. De rechtbank wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening daarom af.\n\n15. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 3.269,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend, aan de zitting heeft deelgenomen en na de heropening schriftelijk heeft gereageerd (1 punt per proceshandeling in samenhangende zaken, met een waarde van € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1 voor het indienen van het beroepschrift, het verzoekschrift en het deelnemen aan de zitting en een wegingsfactor 0,5 voor de schriftelijke reactie na heropening).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank\n\nverklaart de beroepen gegrond;\n\nvernietigt de bestreden besluiten;\n\n- verwijst de zaken terug naar de minister en draagt de minister op aan eisers een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling;\n\nwijst de gevraagde voorzieningen af;\n\nveroordeelt de minister tot betaling van € 3.269,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van\n\nState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van de artikelen 8:68 en 8:84, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Arrest Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447 en arrest Ebilum, C-xxx\u002Fxx, ECLI:EU:C:2026:448\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Zie onder andere het arrest van het Hof van 4 juni 2026, Quotal, C-198\u002F25, ECLI:EU:C:2026:447, rechtsoverwegingen 31-35. Het Hof verwijst daarbij naar eerdere arresten van het Hof waar dit ook al uit volgt.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 38 en 42.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverwegingen 45 en 46.\n\n Arrest Quotal, rechtsoverweging 58.\n\n Zie het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440\u002F25, ECLI:EU:C:2026:448, rechtsoverweging 73.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming en voor de inhoud van de verleende bescherming.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverwegingen 73-74.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 76.\n\n Arrest Ebilum, rechtsoverweging 87.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011\u002F95 van het Europees Parlement en de Raad.\n\n Zie artikel 41.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie pagina 19 van het verslag van het nader gehoor van eiseres.\n\n Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor van eiser 1.\n\n Ten tijde van de besluitvorming was dit geregeld in artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 16 van de Procedurerichtlijn. Met de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact is artikel 4, eerste lid, aangepast in die zin dat in de Kwalificatieverordening niet langer wordt gesproken over de samenwerkingsplicht. Wel spreekt artikel 12, tweede lid, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024\u002F1348) over dat de verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn of haar verklaringen.\n\n Zie pagina 10, 11 en 12 van het verslag van het nader gehoor van eiseres.\n\n Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor eiser 1.\n\n Zie pagina 17 en 18 het verslag van het nader gehoor eiseres.\n\n Zie pagina 10 van het verslag van het nader gehoor eiser 2.\n\n Zie pagina 8 van het verslag van het nader gehoor van eiser 3.\n\n Zie de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, rechtsoverweging 4.5.\n\n Zie artikel 9 van de Kwalificatieverordening.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Zie ook het arrest Ebilum, rechtsoverweging 74.\n\n Zie het Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021, pagina 39.\n\n Zie in dit respect ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14790.\n\n Zie bijvoorbeeld het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina’s 46-49.\n\n Zie het ambtsbericht, pagina 49.\n\n Finse immigratiedienst, ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, paragraaf 1.2.1-1.2.7.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 11 en 12.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Zie het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 52.\n\n Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 49.\n\n Uit ECLI:NL:RVS:2026:1607, rechtsoverweging 6.12. De rechtbank heeft dit rapport niet online kunnen vinden.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 14.\n\n Idem.\n\n Idem, pagina 15.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 16–18.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 41 en 42.\n\n Rapport UK Home Office, oktober 2023, pagina 8.\n\n Finse immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’, juni 2024, pagina 41.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18531","ecli-nl-rbdha-2026-18531",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":115,"ecli":116,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":88,"fullText":117,"language":7,"source":17,"sourceUrl":118,"summary":14,"slug":119,"metadata":120},"914","ECLI:NL:RBDHA:2026:18536","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.13716\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n\n [verzoeker] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2000, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Š. Petković)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols)\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van verzoeker met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 26 december 2016, tegen verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd en verzoeker voor de duur van tien jaar in het SISgesignaleerd.\n\nVerzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten en te bepalen dat verzoeker het bezwaar in Nederland mag afwachten.\n\nDe voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe.\n\n2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n3. De minister heeft bij brief van 29 juni 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen hetgeen is verzocht, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist.\n\n4. Nu de minister zich niet verzet tegen het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening en de voorzieningenrechter geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter dit verzoek toewijzen. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.\n\n5. Omdat het verzoek wordt toegewezen, veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter,\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Schengen Informatiesysteem.\n\n Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18536","ecli-nl-rbdha-2026-18536",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":122,"ecli":123,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":88,"fullText":124,"language":7,"source":17,"sourceUrl":125,"summary":14,"slug":126,"metadata":127},"912","ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.19327 (beroep) en NL26.19328 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n \n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1999, met de Nigeriaanse nationaliteit,\n\neiser en verzoeker, hierna: eiser\n\n(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak eisers verzoek om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De minister heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.\n\n1.3.. De rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.\n\n1.4.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de gronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Ten tijde van eisers aanvraag stonden die in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.\n\n4.1.. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in België. De minister heeft daarom op 14 december 2025 de autoriteiten van België verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De autoriteiten van België hebben dit verzoek op 16 december 2025 aanvaard. De verantwoordelijkheid van België voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.\n\nMag de minister ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister in zijn geval ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdelingvan 23 juli 2025. Hieruit volgt dat de minister ten aanzien van België bij niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Niet-kwetsbare alleenstaande mannen krijgen namelijk geen plek in de opvang.\n\n6. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat hij wel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische variant van het COa) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke opvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang.\n\n7. De rechtbank overweegt als volgt. In de brief van Fedasil van 5 februari 2026 (hierna: de Fedasilbrief) staat, voor zover relevant, het volgende:\n\n“In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.\n\nIn de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.\n\nAlleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde ‘wachtlijst’ staan, die in de praktijk een ‘doorstroomlijst’ is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.\n\nAangezien het aantal personen op deze ‘doorstroomlijst’ reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.”\n\n7.1.. Uit de Fedasilbrief maakt de rechtbank op dat 200 van de 2.000 extra opvangplaatsen in ieder geval gereserveerd zijn voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Dat betekent dat er maximaal 1.800 opvangplekken overblijven, die aan niet-kwetsbare alleenstaande mannen maar ook aan ‘andere doelgroepen’ kunnen worden toegewezen. Op 27 januari 2026 stonden er 1.535 personen op de ‘doorstroomlijst’ voor deze opvangplekken, zodat er op dat moment nog 265 plekken beschikbaar waren voor alle doelgroepen. Het aantal mensen op deze lijst daalt structureel. De rechtbank maakt verder uit de Fedasilbrief op dat Fedasil niet beschikt over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen en daarmee dus geen inzicht heeft in het aantal mensen dat daar verblijft in afwachting van een plek in de reguliere federale opvang.\n\n7.2.. De rechtbank is van oordeel dat de Fedasielbrief nog onvoldoende zekerheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of de asielzoekers die in heel België in de nood- en daklozenopvang zitten vanuit die tijdelijke opvang direct geplaatst kunnen worden in de reguliere federale opvang, of dat ook zij eerst via de ‘doorstroomlijst’ een plek toegewezen moeten krijgen in de extra gerealiseerde humanitaire opvangplaatsen. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit. Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel van dit soort mannen daar verbleven.De Fedasilbrief heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het bestreden besluit is om die reden gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het onzeker is wanneer meer duidelijkheid over de opvangcapaciteit van België valt te verwachten.\n\n8.1.. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n8.2.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL26.19327:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 27 maart 2026;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL26.19328:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van €2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nVerordening (EU) 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.\n\n Onder 5.3.3 en 5.3.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18538","ecli-nl-rbdha-2026-18538",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":129,"ecli":130,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":88,"fullText":131,"language":7,"source":17,"sourceUrl":132,"summary":14,"slug":133,"metadata":134},"942","ECLI:NL:RBAMS:2026:6561","vonnisRECHTBANK AMSTERDAMlocatie buurtrechtbank, Albert Camuslaan 38\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F225688-25\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nVonnis van de politierechter te Amsterdam, in de strafzaak tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [adres].\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\nDe politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (mr. P.L. Smit) en van wat verdachte en de raadsman (mr. W.H. Jebbink) naar voren hebben gebracht.\n\nDe raadsman heeft op de terechtzitting verzocht om de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen. De politierechter heeft dit verzoek ter terechtzitting mondeling afgewezen.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 16 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het Nationaal Monument op de Dam, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Gemeente Amsterdam, toebehoorde heeft vernield, beschadigd,\n\nonbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde vernieling bewezen kan worden verklaard.\n\n3.2. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van vernieling, maar van het onbruikbaar maken van het Nationaal Monument op de Dam (hierna: het monument).\n\n3.3. Oordeel van de politierechter\n\nVerdachte heeft bekend met rode verf op het monument de tekst “Never Again is Now” te hebben gespoten. De politierechter is van oordeel dat door het handelen van verdachte het monument is beschadigd en niet vernield. Door het verwijderen van de verf kon het monument in de oude staat worden teruggebracht en dat is ook gebeurd.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe politierechter acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025205191-8 bewezen dat verdachte:\n\nop 16 augustus 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het Nationaal Monument op de Dam dat aan de gemeente Amsterdam toebehoorde heeft beschadigd.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\n5.1. Standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het feit strafbaar.\n\n5.2. Standpunt van de raadsman\n\nDe raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het bekladden van het monument valt onder de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht (artikelen 10 en 11 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), artikelen 7 en 9 Grondwet en artikelen 19 en 21 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR)). De tekst die verdachte heeft gespoten is een evidente meningsuiting tegen de houding van de Nederlandse regering jegens het handelen van Israël in Gaza. Het monument is bewust gekozen vanwege zijn symbolische waarde. Hiermee zou de mening de grootste impact hebben. Het strafrechtelijk vervolgen levert een te vergaande inbreuk op van voornoemde rechten. Strafrechtelijke vervolging is niet noodzakelijk. Er is sprake van beperkte schade, omdat het monument dezelfde dag nog is gereinigd. Van ernstige schade aan andermans eigendommen die het vreedzame karakter aan de demonstratie ontnemen is dus geen sprake. De raadsman verwijst daarbij naar verschillende jurisprudentie en in het bijzonder naar een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een zaak waar in Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, ook een publiek monument was beklad. In die zaak is geoordeeld dat geen sprake was van hooliganismen de inbreuk op het recht van de vrijheid van meningsuiting ongerechtvaardigd was. Van de vervolging van verdachte gaat een “chilling effect” uit. Verdachte had ook baldadigheid, zijnde een overtreding, ten laste kunnen worden gelegd.\n\n5.3. Oordeel van de politierechter\n\nDe politierechter zal het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging verwerpen en heeft daarbij verschillende uitspraken van de Hoge Raad (waaronder ECLI:HR:2025:1519), de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie en de recente uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:12907) geraadpleegd.\n\nVaststaat dat verdachte het recht heeft om een mening op een vreedzame manier te uiten en zich al dan niet samen met anderen als onderdeel van een demonstratie mag uiten tegen Israël en de rol van de Nederlandse Staat bij het (nalaten tot) handelen in Gaza. Ook staat vast dat verdachte de wet heeft overtreden bij het uiten van de mening en daarvoor is vervolgd in deze zaak. De vraag die voorligt is of daarmee een inbreuk is gemaakt op het recht op vrijheid van meningsuiting, dan wel het demonstratierecht (hierna tezamen: de rechten). Op grond van de toepasselijke wetten en jurisprudentie is een beperking van de rechten toegestaan als (i) de wet dat toelaat (prescribed by law), (ii) het een gerechtvaardigd belang dient (legitimate aim) en (iii) dit noodzakelijk is in een democratische samenleving (necessary in a democratic society). Aan de eerste twee eisen wordt in deze zaak voldaan (handelen van verdachte is in artikel 350 Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld en dient ter bescherming van de eigendomsbelangen van derden). De vraag is of het vervolgen van verdachte ook noodzakelijk was.\n\nOok daarvan is naar het oordeel van de politierechter in dit geval sprake. De verdachte had ook zonder het monument te bespuiten en daarbij inbreuk te maken op het eigendomsrecht van de gemeente Amsterdam zich uit kunnen spreken tegen het (gebrek aan) handelen van de Nederlandse Staat tegen Israël. Verdachte had bijvoorbeeld een spandoek met rode letters kunnen ophangen zodat geen schade aan het monument zou worden veroorzaakt en dat eenvoudig verwijderd had kunnen worden. Het bekladden van het monument levert een opzettelijk meer ingrijpende ordeverstoring op dan het vreedzaam protesteren en andere minder schade toebrengende handelingen om de boodschap kracht bij te zetten. Dat dit de enige manier zou zijn om aandacht te vragen voor het onrecht wat volgens verdachte wordt gepleegd in Gaza is dus niet aannemelijk geworden.\n\nDe raadsman heeft zich ook op de uitspraak van het EHRM beroepen in de zaak Genov en Sarbinski tegen Bulgarije. De politierechter leidt daaruit niet af dat in alle gevallen het strafrechtelijk optreden tegen het beschadigen van een monument een inbreuk zou zijn op de rechten. Hooliganismzoals daarin verwoord (indecent actions which grossly infringe public order and show overt disrespect toward society) is niet hetzelfde als vernieling en\u002Fof beschadiging van een zaak. Daarnaast volgt ook uit andere uitspraken van het EHRM dat het strafrechtelijk optreden tegen een beschadiging van een monument wel kan leiden tot een gerechtvaardigde inbreuk op de rechten (zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 53 in de zaak Handzhiyiski tegen Bulgarije en rechtsoverweging 110 in de zaak van Sinkova tegen Oekraïne). Dat is ook zo als het motief dat heeft geleid tot het beschadigen gelegitimeerd was. Het maatschappelijke belang van het monument, de waarden of ideeën die het symboliseert en de mate van het betonen van eer die een monument heeft binnen de gemeenschap zijn belangrijke overwegingen. In deze zaak symboliseert het monument een herdenking aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en inmiddels ook anderen die voor of door Nederland gevallen zijn. Hiermee draagt het monument bij aan een belangrijke functie binnen de maatschappij. De bedoeling daarvan is ook gelegen om mensen eraan te herinneren dat dergelijke wandaden niet opnieuw gebeuren. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard juist ook om die reden op het monument “Never Again is Now” te hebben gespoten. Deze specifieke tekst heeft een politieke lading en daarvoor is het monument niet bedoeld. Het is nu juist opgericht ter nagedachtenis van mensen die het land hebben verdedigd. Bekladding daarvan is maatschappelijk onacceptabel en ook disproportioneel. Ook uit de andere door de raadsman aangehaalde jurisprudentie kan niet afgeleid worden dat een beroep op ontslag op alle rechtsvervolging zou moeten slagen. In de aangehaalde zaak over H&M ging het bijvoorbeeld om een vreedzaam verlopen huisvredebreuk en geen vernieling en\u002Fof beschadiging. In de aangehaalde zaken waar het wel om vernieling en\u002Fof beschadiging ging is het beroep op ontslag van alle rechtsvervolging evenmin gehonoreerd.\n\nHet strafrechtelijk optreden tegen dit strafbare feit (aanhouding, verhoor en het opleggen van een boete) zijn niet zo ingrijpend dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun rechten. Daarbij is van belang dat het optreden tegen en de vervolging van verdachte niet was gelegen in het deelnemen aan de demonstratie, maar alleen maar ziet op het op eigen initiatief plegen van een strafbaar feit tijdens de demonstratie.\n\nDe veroordeling levert dus geen schending van de rechten op. Verder is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n7. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n7.1. De eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 225,-.\n\n7.2. Het standpunt van de raadsman\n\nBij een veroordeling wordt verzocht om aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Verdachte heeft de schade al vergoed.\n\n7.3. Het oordeel van de politierechter\n\nBij het bepalen van een op te leggen straf is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beschadigen van het monument. Het monument heeft voor veel mensen een belangrijke betekenis en daar heeft verdachte onvoldoende respect voor getoond door het te bespuiten met verf. In beginsel is een boete zoals gevorderd door de officier van justitie dan ook een passende sanctie. Daar staat tegenover dat verdachte first offender is en dit feit heeft begaan om het protest tegen het (gebrek aan) optreden van de Nederlandse Staat tegen Israël in Gaza kracht bij te zetten en niet zozeer met het doel om het monument te beschadigen. Ter terechtzitting is gebleken dat zijn persoonlijke trauma’s in het verleden bij de keuze om het monument te bespuiten ook een rol hebben gespeeld. Daarnaast heeft verdachte de schade van de gemeente Amsterdam al betaald en is de financiële draagkracht van verdachte beperkt. Ook houdt de politierechter rekening met het feit dat verdachte gedurende bijna drie uur lang is verhoord, terwijl verdachte op heterdaad is aangehouden en bekend heeft. Het opleggen van een geldboete (al dan niet voorwaardelijk) dient in de gegeven omstandigheden geen enkel doel meer. Verdachte zal zodoende geen straf of maatregel worden opgelegd.\n\n8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij, de gemeente Amsterdam, vordert € 895,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nTer zitting is gebleken dat de gevorderde schade reeds door verdachte is vergoed en dat de vordering wat de officier van justitie en de raadsman betreft niet meer aan de orde is. Nu de politierechter van de benadeelde partij geen intrekking van de vordering heeft ontvangen, dient deze voor de volledigheid wel beoordeeld te worden. Gelet op het feit dat de schade al is vergoed door verdachte zal de vordering worden afgewezen.\n\nDe benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\n9. Beslissing\n\nDe politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVernietigt de aan verdachte opgelegde strafbeschikking.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nBepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nWijst de vordering van de gemeente Amsterdam af.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. M. van der Kaay, politierechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6561","ecli-nl-rbams-2026-6561",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":136,"ecli":137,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":138,"fullText":139,"language":7,"source":17,"sourceUrl":140,"summary":14,"slug":141,"metadata":142},"907","ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL26.34569, NL26.33949 en NL26.34523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. F. Schoot).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over zowel het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar, als de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met deze besluiten en heeft daarnaast ook beroep ingesteld tegen de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande ophouding op grond van artikel 50 van de Vw. Eiser voert tegen de bestreden besluiten een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit, het inreisverbod, de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ook gaat de rechtbank in op de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk is en dat de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring ongegrond zijn. Er is ook geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001, een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 19 juni 2026 heeft de minister eiser gedurende ruim vier uur opgehouden op grond van artikel 50 van de Vw en hem aansluitend daarop de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Vervolgens heeft de minister de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\nin kennis gesteld.\n\n2.1.. Eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen de maatregel van vreemdelingenbewaringen heeft tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod beroep ingesteld. Ook heeft eiser beroep ingesteld tegen de ophouding. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 26 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het terugkeerbesluit en inreisverbod\n\n3. De rechtbank constateert dat het terugkeerbesluit en inreisverbod deel uitmaken van het meeromvattende (asiel)besluit van 11 mei 2026. Omdat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken is dat besluit gepubliceerd in de Staatscourant van 18 mei 2026, waarmee het besluit op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt. Eiser had een week de tijd om tegen dat besluit beroep in te stellen, maar hij heeft pas beroep ingesteld op 22 juni 2026. Eiser heeft dus niet tijdig beroep ingesteld.\n\n3.1.. Eiser stelt dat het niet aan hem te wijten is dat hij niet tijdig beroep heeft ingesteld, omdat het besluit niet aan hem in persoon is uitgereikt.\n\n3.2.. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om de overschrijding van de termijn verschoonbaar te achten. Dat het besluit van 11 mei 2026 niet aan eiser in persoon is uitgereikt, is een logisch gevolg van het feit dat eiser destijds al met onbekende bestemming was vertrokken. Door publicatie in de Staatscourant moet eiser worden geacht toch op de hoogte te zijn van dat besluit. Dat eiser in werkelijkheid geen kennis heeft genomen van het besluit komt voor zijn rekening en risico. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n3.3.. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. Ook als eiser wel tijdig beroep zou hebben ingesteld zou dat in deze procedure niet hebben kunnen leiden tot een inhoudelijke beoordeling, nu het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod moet worden gezien als een beroep tegen het meeromvattende besluit van 11 mei 2026. Het terugkeerbesluit en inreisverbod maken daar immers deel van uit. De in artikel 94 van de Vw gestelde korte termijnen staan aan een zorgvuldige toetsing door de rechtbank van een meeromvattende beschikking samen met een maatregel van bewaring in de weg.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de ophouding\n\n4. Eiser heeft de rechtmatigheid van de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw niet betwist. Het beroep daartegen is ongegrond.\n\nBeoordeling door de rechtbank van de maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.\n\n3.1.. \n\nIn de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n3.2.. Eiser betwist niet dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen, maar hij betoogt dat de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring ten onrechte geen opgave heeft gedaan van de juridische grondslag. Het enkel vermelden van artikel 59 van de Vw is volgens eiser onvoldoende, nu in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) immers verder is uitgewerkt in welke gevallen de maatregel kan worden toegepast en in de maatregel niet expliciet is verwezen naar de van toepassing zijnde artikelen van het Vb. Ook worden in de maatregel de Vreemdelingenwet en het Voorschrift Vreemdelingen enkel aangeduid met afkortingen. Volgens eiser maakt dit gebrek de maatregel onrechtmatig en is er ook aanleiding om in dat verband prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\n3.3.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald wie met toepassing van welk vereiste of welke vereisten kan worden gedetineerd. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eiser op grond van artikel 59, van de Vw in bewaring wordt gesteld en heeft daaronder een feitelijke en op de persoon van eiser toegespitste toelichting gegeven. Bij elke afzonderlijke feitelijke grond is immers toegelicht waarom die grond in het geval van eiser kan worden tegengeworpen. De rechtbank acht die toelichting voldoende, wat eiser overigens ook niet heeft betwist, en is van oordeel dat de minister bovengenoemde gronden heeft kunnen tegenwerpen. Er bestaat geen verplichting om daarnaast nog melding te maken van de artikelen waarin de criteria voor de inbewaringstelling nader zijn uitgewerkt. Dat dit, zoals eiser onderbouwd heeft gesteld, bij de inbewaringstellingen van andere vreemdelingen soms wel gebeurt, maakt dit niet anders noch willekeurig.\n\n3.4.. Gelet op voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de ophouding en de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL26.34523)\n\nniet-ontvankelijk;\n\n- verklaart de beroepen tegen de ophouding (NL26.34506) en de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.34569) ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van\n\nD.P. van Middelkoop, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In het geval van de maatregel van vreemdelingenbewaring moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. In het geval van het terugkeerbesluit en inreisverbod bedraagt die termijn vier weken.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.\n\nStcrt.2026, 18598.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)\n\nvan 27 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1190.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1528.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18494","ecli-nl-rbdha-2026-18494",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":144,"ecli":145,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":138,"fullText":146,"language":7,"source":17,"sourceUrl":147,"summary":14,"slug":148,"metadata":149},"908","ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL25.60316 (beroep) en NL25.60317 (voorlopige voorziening)\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen\n [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1958, van Syrische nationaliteit,\n\neiseres en verzoekster, hierna: eiseres (gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister\n\n(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter in deze uitspraak het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hieronder legt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat zij de behandeling van haar beroep in Nederland mag afwachten.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Labban als tolk in de taal Syrisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister.\n\n2.3.. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nAchtergrond en asielrelaas\n\n3. Eiseres heeft in juni 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland. Zij heeft de uitkomst van die procedure niet afgewacht en is in november 2023 naar de Verenigde Staten gegaan, waar een zoon van haar woont. De zoon van eiseres had namelijk een Permanent Resident Card(ook wel ‘Green Card’) voor haar geregeld. In 2024 is eiseres teruggegaan naar Syrië omdat ze ruzie had met de echtgenote van haar zoon in de Verenigde Staten. In november 2025 heeft ze opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Eiseres legt aan haar huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is helemaal alleen in Syrië. Ook voelt zij zich daar niet veilig als christen. Er zijn twee incidenten geweest waarbij haar kruisketting van haar nek is getrokken.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de aanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres kan namelijk op grond van haar Green Card terugkeren naar de Verenigde Staten, dat voor haar als veilig derde land geldt. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). Dat eiseres haar Green Card niet langer in haar bezit heeft, maakt niet dat zij niet kan terugkeren naar de Verenigde Staten. Uit de website van de Amerikaanse overheid volgt namelijk dat het mogelijk is een tijdelijk reisdocument aan te vragen in geval van verlies of diefstal van de Green Card. Eiseres kan dit ook doen. Niet is gebleken waarom dit voor haar niet mogelijk zou zijn.\n\nGronden\n\n5. Eiseres voert aan dat de minister haar aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiseres in de Verenigde Staten als vluchteling is erkend of daar anderszins bescherming geniet.\n\nDaarnaast voert eiseres aan dat haar Green Card niet meer geldig is. Een Green Card kan ingetrokken worden als iemand lang buiten de Verenigde Staten verblijft of naar een ander land gaat met de bedoeling daar permanent te verblijven. Dat is hier duidelijk het geval, aangezien eiseres lang buiten de Verenigde Staten heeft verbleven en hier in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend.\n\nJuridisch kader\n\n6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard worden als de vreemdeling die die aanvraag heeft ingediend erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.\n\nIs voldaan aan de voorwaarden van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000?\n\n7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn besluit, waarmee hij de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard, onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister heeft zich gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, maar heeft niet onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel. De minister heeft namelijk niet onderbouwd dat eiseres in de Verenigde Staten de vluchtelingenstatus heeft of anderszins voldoende bescherming geniet daar.\n\n7.1.. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister in dit kader toegelicht dat de minister ervan is uitgegaan dat eiseres de vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten omdat zij een Green Card heeft gekregen en dat het aan eiseres is om deze aanname te ontkrachten. De rechtbank gaat hier echter niet in mee. Het is aan de minister om door hem genomen besluiten te onderbouwen. De minister kan in dit geval niet volstaan met een aanname en de bewijslast voor de ontkrachting daarvan vervolgens bij eiseres leggen.\n\n7.2.. De rechtbank ziet ook onvoldoende onderbouwing voor de aanname van de minister. Dat eiseres een Green Card heeft, wil nog niet zeggen dat zij ook een vluchtelingenstatus heeft in de Verenigde Staten. Eiseres heeft tijdens de zitting verklaard dat zij niet weet op welke grond de Green Card aan haar is toegekend. Haar zoon had de Green Card namelijk voor haar geregeld en eiseres zelf spreekt geen Engels, waardoor zij hierover ook geen informatie tot zich heeft kunnen nemen. De rechtbank ziet in het dossier verder ook geen andere aanwijzingen die de aanname van de minister, dat eiseres een asielstatus heeft in de Verenigde Staten, kunnen staven. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.\n\n7.3.. De beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag van eiseres te nemen. Dit omdat de bevoegdheid hiertoe in de eerste plaats bij de minister ligt. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister opnieuw onderzoek moet doen naar de asielaanvraag van eiseres en de bestuurlijke lus zich niet leent voor een dergelijke situatie waarin nog onderzoek gedaan moet worden.\n\n9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.\n\n10. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding meer voor de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.\n\n De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank, in de zaak NL25.60316:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 2 december 2025;\n\ndraagt de minister op binnen na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter, in de zaak NL25.60317:\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDe rechtbank, in beide zaken:\n\n- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18489","ecli-nl-rbdha-2026-18489",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":151,"ecli":152,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":138,"fullText":153,"language":7,"source":17,"sourceUrl":154,"summary":14,"slug":155,"metadata":156},"1050","ECLI:NL:RBAMS:2026:6866","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummers: 13-325519-25 (zaak A), 13-336791-25 (zaak B) en 13-340138-25 (zaak C)\n\n(ter terechtzitting gevoegd)\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [de verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1994,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [BRP-adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd op de terechtzitting van 13 maart 2026. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\nmr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Schouten, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan\n\nzaak A\n\nbelaging van [slachtoffer 1] in de periode van 17 november 2025 tot en met 29 november 2025 in Amsterdam;\n\nzaak B\n\ndiefstal van winkelgoederen bij de Albert Heijn op 9 december 2025 in Amsterdam;\n\nzaak C\n\nvernieling van een vlinderstruik van [slachtoffer 2] op 12 december 2025 in Hilversum.\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. \n\nHet standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten\n\nlaste gelegde feiten.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde belaging heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake is van belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal en vernieling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nZaak A\n\nDe rechtbank stelt – voor zover hier relevant – voorop dat van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht sprake is als een verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en\u002Fof frequentie (Kamerstukken II 1997\u002F98, 25768, p. 17). Van belang zijn daarnaast de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1557, NJ 2025\u002F302). Niet is vereist dat de belaging ononderbroken of gedurende de gehele periode plaatsvindt en evenmin dat iedere gedraging op zichzelf wederrechtelijk is. Het komt aan op het totaalbeeld dat uit de verschillende gedragingen naar voren komt.\n\nDe rechtbank stelt op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] vast dat verdachte zich vanaf november 2025 jaloers en bezitterig tegen aangeefster, die zijn programmabegeleider was bij het COA, is gaan gedragen. Zo heeft hij tegen collega’s van [slachtoffer 1] en tegen medebewoners gezegd dat [slachtoffer 1] en hij zouden gaan trouwen. Ook werd verdachte boos en jaloers als [slachtoffer 1] met mannelijke medebewoners praatte. [slachtoffer 1] heeft verdachte meermaals gezegd dat hij hiermee moest stoppen en dat hun contact enkel werk-gerelateerd was. Bij zo’n gesprek op 20 november 2025 was ook getuige [getuige 1] aanwezig die zag dat verdachte in reactie hierop een flauwe glimlach vertoonde en hoorde dat hij zei dat hij een toekomst met haar wilde. Dat [slachtoffer 1] geen relatie met hem wilde leek niet tot hem door te dringen.\n\nVerdachte bleef zich ondanks verzoeken van aangeefster te stoppen met zijn gedrag op dezelfde wijze richting [slachtoffer 1] gedragen. Op 21 november 2025 is verdachte overgeplaatst naar een COA-locatie in [plaats 1] en heeft hij een locatieverbod gekregen voor de ‘[naam COA-locatie]’, de COA-locatie in [plaats 2] , alwaar aangeefster werkzaam is. Verdachte is op 24, 25, 28 en 29 november 2025, ondanks het locatieverbod, bij [naam COA-locatie] langs geweest. Op 28 november 2025 is door de politie een stopgesprek met verdachte gevoerd. Wat betreft de invloed van verdachtes gedrag op het persoonlijk leven van aangeefster heeft de politie geverbaliseerd dat [slachtoffer 1] tijdens de aangifte zeer geëmotioneerd was en huilde, en dat zij vertelde dat ze bang was als ze in de omgeving van haar werk was dat verdachte ineens weer voor haar zou staan.\n\nUit de gedragingen van verdachte komt naar voren dat hij op indringende en intensieve wijze heeft geprobeerd met [slachtoffer 1] in contact te komen. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest dat aangeefster geen contact met hem wilde hebben. Dit heeft [slachtoffer 1] meermalen uitdrukkelijk tegen verdachte gezegd. Bovendien is hij op 21 november 2025 overgeplaatst naar [plaats 1] en is hem daarbij verboden zich in de omgeving van [naam COA-locatie] te begeven. Zelfs het stopgesprek wat de politie op 28 november 2025 met verdachte heeft gevoerd heeft hem niet weerhouden de volgende dag wederom [naam COA-locatie] te bezoeken. Volgens de rechtbank toont dit aan dat verdachte welbewust contact is blijven zoeken met aangeefster, ook nadat hem duidelijk moet zijn geworden dat zij dit niet wilde.\n\nDe rechtbank gelooft de verklaring van verdachte niet dat juist aangeefster avances naar hem maakte en dat hij naar [naam COA-locatie] kwam omdat hij een afspraak zou hebben bij de IND,nu deze verklaringen op geen enkele wijze door het dossier worden ondersteund. Ten aanzien van de eerste bewering geldt bovendien dat verdachte dit pas op de zitting voor het eerst heeft gemeld en de rechtbank deze mededeling in het licht van de verklaringen van aangeefster en haar collega’s ook niet geloofwaardig acht. De rechtbank gaat aan de verklaringen van verdachte voorbij en gaat uit van de juistheid van de aangifte en getuigenverklaringen\n\nGelet op de voorgaande handelingen, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een opzettelijke, wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hierbij heeft [slachtoffer 1] moeten dulden dat verdachte telkens weer contact met haar heeft geprobeerd op te nemen en heeft hij geen acht geslagen op haar mededelingen dat zij dit heel vervelend vond. Het gedrag van verdachte was des te indringender nu dit gebeurde op haar werkvloer en richting cliënten van aangeefster, waardoor zij zich daar niet meer vrijelijk kon bewegen. Het relatief korte tijdsbestek staat volgens vaste jurisprudentie niet in de weg aan een bewezenverklaring van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.\n\nDe rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.\n\nPartiële vrijspraak derde gedachtestreepje\n\nDe rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat uit het dossier niet volgt dat verdachte Whatsapp-berichten naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd of telefonisch contact met haar heeft opgenomen. Van dit onderdeel wordt verdachte vrijgesproken.\n\nZaak B en zaak C\n\nDe rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige\n\ninhoud van het dossier bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van winkelgoederen bij de Albert Heijn-filiaal aan [plaats 3] (zaak B) en van het vernielen van de vlinderstruik van [slachtoffer 2] in [plaats 1] (zaak C).\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte:\n\nzaak A\n\nin de periode van 17 november 2025 tot en met 29 november 2025 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door\n\n- tegen collega's van die [slachtoffer 1] en medebewoners van het COA te zeggen dat hij, verdachte, en [slachtoffer 1] gaan trouwen en\n\n- boos en jaloers te worden op medebewoners als zij met die [slachtoffer 1] praten en\n\n- meermalen, te weten op 24 en 25 en28 en 29 november 2025, naar de werkplek van die [slachtoffer 1] toe te komen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden;\n\nzaak B\n\nop 9 december 2025 te Amsterdam goederen die aan het winkelbedrijf Albert Heijn gevestigd aan de [plaats 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nzaak C\n\nop 12 december 2025 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een vlinderstruik die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft vernield.\n\n5. Het bewijs\n\nDe rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de\n\nfeiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn\n\nopgenomen in bijlage IIbij dit vonnis.\n\nTen aanzien van het in zaak B en zaak C bewezenverklaarde volstaat de rechtbank met een\n\nopsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek\n\nvan Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit heeft bekend, hij nadien niet anders\n\nheeft verklaard en zijn raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\n7.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de belaging verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard, en ten aanzien van de diefstal sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Voor de vernieling is verdachte volgens de officier van justitie volledig ontoerekeningsvatbaar en dient hij daarvoor te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is ten aanzien van de door hem gepleegde feiten. Verdachte is\n\ndaarom niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op\n\nde Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgemaakt door deskundige [GZ-psycholoog] ,\n\nGZ-psycholoog.\n\nDe rapporteur heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een stoornis in gebruik van cannabis, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving én een psychotische stoornis door cannabis. Verdachte is cannabis gaan gebruiken vanaf april 2025, waarbij het gebruik is toegenomen tot een dagelijks patroon vanaf november 2025. Toen ontstonden duidelijke\n\ngedragsveranderingen, met een geleidelijke toename van impulsiviteit, verwardheid, gebrekkige zelfcontrole en afnemende realiteitstoetsing (resulterend in waangedachten). Verdachte heeft nooit eerder psychotische klachten gehad en na gedwongen abstinentie van cannabis in detentie is hij snel hersteld, hetgeen de diagnose onderschrijft, aldus de rapporteur.\n\nDe rapporteur heeft geconcludeerd dat bij verdachte ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van deze stoornissen. Hij koppelt de ten laste gelegde belaging van november 2025 aan het startpunt van de psychotische episode, waarbij waangedachten, maar ook nog enige beheersing van zijn gedrag en de gevolgen daarvan bestonden. De rapporteur adviseert dit feit (al dan niet sterk) verminderd aan verdachte toe te rekenen. De realiteitstoetsing en de zelfbeheersing schoten ten tijde van de winkeldiefstal in december 2025 ernstig tekort, en voor dit feit wordt geadviseerd tot een sterk verminderde toerekenbaarheid. De vernieling van een vlinderstruik een paar dagen later werd volgens rapporteur volledig ingegeven door waangedachten waar betrokkene geen weerstand aan kon bieden. De rapporteur adviseert dan ook dit feit niet aan verdachte toe te rekenen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van de rapporteur over dat bij verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een stoornis in gebruik van cannabis, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving en een psychotische stoornis die is ontstaan door cannabis. Anders dan de rapporteur adviseert, is de rechtbank van oordeel dat deze stoornissen niet leiden tot ontoerekenbaarheid van verdachte.\n\nVolgens de Hoge Raadkan de rechter op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr bedoelde stoornis zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend in de zin van deze bepaling, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt.\n\nVerdachte heeft er zelf voor gekozen cannabis te gaan gebruiken. Hij is door het gebruik van cannabis verwijtbaar komen te verkeren in een psychotische toestand. Hij kon weten dat het gebruik van dat roesverwekkende middel effect heeft op de psychische toestand en dat dit middel zijn functioneren kon beïnvloeden. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid is dat het psychisch functioneren na gebruik van dergelijke middelen van persoon tot persoon verschilt. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn daden en de gevolgen daarvan.\n\nEr is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. \n\nDe eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de door haar bewezen\n\ngeachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en is voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 92 dagen.\n\n8.2.. \n\nHet strafmaatverweer van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over een op te leggen straf.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nAard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten die stuk voor stuk overlast en gevoelens van angst hebben teweeggebracht bij de directbetrokkenen. [slachtoffer 1] heeft zich door de bewezen belaging zowel op haar werk als in haar privéomgeving zeer onveilig gevoeld. Zij moest continu op haar hoede zijn doordat verdachte geen blijk gaf het locatieverbod of het stopgesprek serieus te nemen. Hij heeft daarmee zijn eigen wil opgedrongen aan [slachtoffer 1] , wat de rechtbank hem aanrekent. Ook de diefstal heeft overlast veroorzaakt, in het bijzonder voor het aanwezige winkelpersoneel. Ten slotte heeft verdachte een vlinderstuik vernield. Uit het dossier blijkt dat verdachte daarbij een regelrechte ravage heeft veroorzaakt. De omwonenden hebben door het onvoorspelbare gedrag van verdachte onrust en ongemak ervaren.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Ook is verdachte na de bewezen verklaarde feiten niet nogmaals in beeld gekomen bij justitie.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende, acht de rechtbank met de officier van justitie een gevangenisstraf passend gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en is voorlopige hechtenis is doorgebracht. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank daarbij tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig dagen.\n\n9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285b, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nzaak A\n\nbelaging;\n\nzaak B\n\ndiefstal;\n\nzaak C\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan90 (negentig) dagen.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nHeft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,\n\nmrs. B.C. Langendoen en C.C.J. Maas-van Es, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n [… 2]\n\n5. [… 2]\n\n [… 2]\n\n7. [… 2]\n\n .\n\nHR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295\n\nVgl. HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6866","ecli-nl-rbams-2026-6866",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":158,"ecli":159,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":138,"fullText":160,"language":7,"source":17,"sourceUrl":161,"summary":14,"slug":162,"metadata":163},"1345","ECLI:NL:RBAMS:2026:6865","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13-006977-23 Parketnummer vordering tul: 22.001447-22\n\nDatum uitspraak: 3 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [de verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,\n\ningeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:\n\n [BRP-adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\nmr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. D. Kisteman, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op 24 december 2022 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan\n\nfeit 1\n\nzware mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer 1] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en meer subsidiair als mishandeling met voorbedachten rade, terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\nfeit 2\n\npoging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling van [slachtoffer 1] .\n\nfeit 3\n\nbedreiging van [slachtoffer 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling;\n\nfeit 4\n\nmishandeling van haar levensgezel [slachtoffer 2] .\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. \n\nHet standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nVolgens de officier van justitie kan worden bewezen dat verdachte met een mes richting het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gestoken. Hierbij is echter geen sprake geweest van voorbedachten rade en ook kan niet worden bewezen dat het steekletsel op de hand van [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is. De officier van justitie komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair (impliciet subsidiair). Ook feit 2 primair en feit 3 kunnen volgens de officier van justitie worden bewezen. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie tot vrijspraak gerekwireerd.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw stelt ten aanzien van feit 1 dat het bewijs voor ‘zwaar lichamelijk letsel’niet uit de bewijsmiddelen kan volgen en dat ten aanzien van het subsidiair, impliciet primair tenlastegelegde bewijs voor‘voorbedachte raad’ ontbreekt. Met betrekking tot feit 1 subsidiair, (impliciet subsidiair) en feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit voor feit 3 en feit 4.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeit 1\n\nVrijspraak primair (zware mishandeling) en subsidiair (impliciet primair)(poging zware mishandeling met voorbedachten rade)\n\nMet de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet bewezen dat sprake is geweest van voorbedachten rade en zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring subsidiair (impliciet subsidiair) (poging zware mishandeling)\n\nDe rechtbank acht wel bewezen dat verdachte met een scherp en puntig voorwerp door een openstaand autoraam richting het gezicht van [slachtoffer 1] heeft gestoken . Dit leidt de rechtbank af uit de aangifte van [slachtoffer 1] , de getuigenverklaring van [getuige] en het letselrapport van de GGD. [slachtoffer 1] en [getuige] verklaren beiden dat verdachte door het autoraam een stekende beweging maakte richting [slachtoffer 1] . Deze verklaringen vinden steun in het letselrapport. Uit het letselrapport van de GGD volgt dat de snijwonden in de hand van [slachtoffer 1] goed kunnen worden verklaard door de krachtsinwerking die optreedt steken met een mes. De verklaring van verdachte dat zij ‘slechts’ een stuk glas in de richting van [slachtoffer 1] heeft gegooid vindt geen steun in het dossier en schuift de rechtbank dan ook terzijde.\n\nDat er daadwerkelijk een mes in het spel is geweest, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige] , over hoe verdachte in het bezit is gekomen van het vermeende mes, lopen uiteen. Ook is er geen mes aangetroffen bij verdachte of in de directe omgeving. De foto’s die bij het verhoor van [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris aan het dossier zijn toegevoegd, die de aanwezigheid van het mes zouden moeten bevestigen, maken dit oordeel niet anders omdat de kwaliteit van die foto’s niet zodanig is dat de rechtbank daarop een mes kan onderscheiden. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.\n\nDoor met een scherp en puntig voorwerp richting het gezicht van [slachtoffer 1] te steken bestond naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Met het maken van deze beweging heeft verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling.\n\nFeit 2\n\nGelet op de aangifte en de bekennende verklaring is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de wang van [slachtoffer 1] heeft gebeten. Bij het met kracht bijten in het gezicht acht de rechtbank de kans aanmerkelijk dat een blijvend ontsierend litteken wordt toegebracht. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat het gevaar van een (ernstige) infectie of van overdracht van een bloedziekte bij een mensenbeet reëel is. Daarmee acht de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen.\n\nFeit 3\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde bedreiging heeft geuit. Verdachte heeft de uitingen ontkend. [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte zou hebben gezegd dat zij in haar oog zou steken als zij haar zou zien. [slachtoffer 2] heeft in zijn verhoor weliswaar aangegeven dat verdachte [slachtoffer 1] die dag heeft bedreigd, maar daarbij niet verklaard wat er door verdachte zou zijn gezegd. Toen de politie hem voorhield wat verdachte volgens [slachtoffer 1] zou hebben gezegd, heeft hij slechts beaamd dat verdachte zo’n uitspraak wel heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring voor deze specifieke bedreiging te komen, nu de aangifte ook niet wordt ondersteund door andere, objectieve, bewijsmiddelen. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van feit 3.\n\nFeit 4\n\nMet de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte haar (voormalig) levensgezel heeft mishandeld. De rechtbank spreek verdachte daarom vrij van feit 4.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat verdachte\n\nfeit 1\n\nsubsidiair\n\nop 24 december 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- door een openstaand raam van de portier van een personenauto met een scherp en puntig voorwerp heeft gestoken in de richting van het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] ,\n\nterwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 2\n\nprimair\n\nop 24 december 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer 1] in de wang heeft gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n5. Het bewijs\n\nDe rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de\n\nfeiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn\n\nopgenomen in bijlage IIbij dit vonnis.\n\nTen aanzien van het onder feit 2, primair bewezenverklaarde volstaat de rechtbank met een\n\nopsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek\n\nvan Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit heeft bekend, zij nadien niet anders\n\nheeft verklaard en haar raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.\n\n6. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n7. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.\n\n8. Motivering van de straffen en maatregelen\n\n8.1.. \n\nDe eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft vanwege het taakstrafverbod gevorderd dat een gevangenisstraf van vier dagen wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft zij gevorderd om een taakstraf van 80 uren op te leggen. Daarbij heeft de officier van justitie ook rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8.2.. \n\nHet strafmaatverweer van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn, de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het ontbreken van recente en relevante documentatie en de lange duur van het schorsingstoezicht. Daarnaast draagt verdachte in haar ééntje de zorg voor haar vier jongste kinderen.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nAard en ernst van de feiten\n\nIn de nacht van 24 december 2022 is een ruzie tussen verdachte en [slachtoffer 1] , de nieuwe vriendin van haar voormalig levensgezel, geëscaleerd. Verdachte heeft hierbij het overgrote aandeel in alle geweldshandelingen gehad. Zo heeft zij [slachtoffer 1] in haar wang gebeten. Nadat [slachtoffer 1] zichzelf in veiligheid heeft gebracht en in de auto is gaan zitten, heeft verdachte nog met een scherp voorwerp richting het gezicht van [slachtoffer 1] gestoken. Verdachte heeft hiermee geen enkel respect voor de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] getoond. Bovendien heeft verdachte al deze handelingen verricht in de nabijheid van haar eigen kinderen. Dit vindt de rechtbank zeer kwalijk.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)\n\nvan verdachte van 7 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten niet eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten. Wel is verdachte na dit incident nog een keer veroordeeld voor mishandeling. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is daarmee van toepassing.\n\nOok heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 5 februari 2026 en de aanvulling op dit rapport van 17 juni 2026. Ondanks het feit dat er indicaties zijn voor het inzetten van interventies op het gebied van middelenbeheersing, ziet de reclassering geen meerwaarde in het continueren van het huidige reclasseringstoezicht, nu de motivatie voor gedragsverandering bij verdachte ontbreekt.\n\nVerdachte lijkt inmiddels inzicht te hebben in het kwalijke van haar handelen en de schade die haar handelen teweeg kan brengen, in het bijzonder bij haar kinderen. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat verdachte haar cannabisgebruik dient te beëindigen, om het gevaar op herhaling maximaal in te perken.\n\nDe op te leggen straf\n\nAlles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf passend is. Nu het taakstrafverbod echter van toepassing is ontkomt de rechtbank niet aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft vier dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier dagen opleggen. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op. Omdat de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie, komt de rechtbank tot een iets lagere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt aan verdachte een taakstraf op voor de duur van zestig uren.\n\n9. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling\n\nTevens bevindt zich bij de stukken de op 28 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 22 februari 2023 van gerechtshof te Den Haag in de zaak met parketnummer 22-001447-22.\n\nDe feiten waarvoor verdachte in deze zaak terechtstaat zien op 24 december 2022. Deze datum ligt voor de datum van het onherroepelijk geworden arrest van 22 februari 2023. Het gaat daarmee niet om strafbare feiten die binnen de lopende proeftijd van dit arrest zijn gepleegd, die liep namelijk nog niet. De officier van justitie zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering TUL.\n\n10. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 57, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nfeit 1 subsidiair (impliciet subsidiair), feit 2 primair:\n\ntelkens: poging tot zware mishandeling\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan4 (vier) dagen.\n\nBeveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.\n\nVeroordeelt verdachte tot een taakstrafvan60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.\n\nVerklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 22-001447-22.\n\nHeft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,\n\nmrs. B.C. Langendoen en C.C.J. Maas-van Es, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n […]\n\n4. […]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6865","ecli-nl-rbams-2026-6865",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23}]