[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-den-haag":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},58,"Den Haag","nl","first_instance","criminal",[11,24,31,38,47,54,61,68,75,82,89,96,103,110,117,124,132,139,146,154],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","","2026-07-08T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"829","ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","Rolnummer: 22-003380-25\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in [detentieadres].\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: de Hoge Raad) - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nIn hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.\n\nTegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.\n\nBij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nDe Hoge Raad overwoog (onder meer):\n\n“3.5\n\nHet hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van\n\nartikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam\n\nmet het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een\n\n‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende\n\nmate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de\n\nzin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.\n\nDat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2\n\nweergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij\n\nweliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de\n\nbenadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten\n\ngrondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het\n\nontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand\n\nvan de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en\n\nomstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de\n\nonderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en\n\nhechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.\n\n3.6\n\nHet cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1\n\nvan het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij\n\nniet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).\n\nIn de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.\n\n4. Beslissing\n\nDe Hoge Raad:\n\n- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de\n\nvordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van\n\n€ 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor\n\nvergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];\n\n- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de\n\nbeslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van\n\naffectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel\n\nten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;\n\n- verwerpt het beroep voor het overige.”\n\nOmvang van de zaak\n\nGelet op het arrest van de Hoge Raad is de zaak aan het oordeel van het hof onderworpen, uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ten aanzien van de gevorderde affectieschade en schokschade en ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nVordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [de benadeelde partij], de partner van [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 52.068,19.\n\nGelet op de beslissing van de Hoge Raad is thans uitsluitend de vordering tot vergoeding van immateriële schade van € 47.500,- aan de orde, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 30.000,- voor schokschade.\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in voldoende mate heeft aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was dat zij als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangemerkt. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 42.500,-, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- voor affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor schokschade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft het bestaan van een LAT-relatie tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet betwist, maar wel de intensiteit, de aard en de duur daarvan ter discussie gesteld. De verdediging betwist dat er sprake was van een langdurige, hechte LAT-relatie, zodat [de benadeelde partij] niet als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW kan worden aangemerkt.\n\nAffectieschade\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 BW en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep na terugwijzing heeft de benadeelde partij, anders dan in eerste aanleg, de grondslag van de vordering tot vergoeding van affectieschade, beperkt tot artikel 6:108 lid 4 sub g BW.\n\nVoor vergoeding van affectieschade op deze grondslag dient te kunnen worden vastgesteld dat er een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen de benadeelde partij en het overleden slachtoffer bestond dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt. Daarbij is niet de formele maar de feitelijke verhouding tussen betrokkenen beslissend. Of sprake is van een zodanige nauwe persoonlijke relatie dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard, de duur en de intensiteit van de relatie.\n\nTer onderbouwing van de aard, de duur en de intensiteit van de relatie heeft de benadeelde partij, in aanvulling op de eerder ingediende onderbouwing op de vordering, in WhatsApp met het slachtoffer gevoerde gesprekken over de periode 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 alsmede een aantal foto's van haar met het slachtoffer overgelegd.\n\nOp grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer gedurende meerdere jaren sprake was van een hechte affectieve relatie. Ten aanzien van de aard van de relatie is niet betwist dat het een affectieve relatie betrof. Ten aanzien van de intensiteit van deze relatie was sprake van dagelijks - al dan niet telefonisch, via WhatsApp of FaceTime - contact tussen de benadeelde en het slachtoffer. Wat betreft de duur van die relatie neemt het hof in aanmerking dat uit de inhoud van de overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt dat zij in ieder geval in de periode van 3 januari 2018 tot en met 7 juli 2021 (vrijwel) dagelijks contact met elkaar onderhielden via WhatsApp.\n\nMet betrekking tot de aard, de duur en de intensiteit van de relatie acht het hof voorts van belang dat uit de inhoud van de WhatsApp-gesprekken en de door de benadeelde partij gegeven toelichting blijkt dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een liefdesrelatie die verder ging dan een vriendschappelijke relatie. Er was sprake van wederzijdse affectie en intimiteit, zij verbleven meerdere malen per week bij elkaar en zij namen een belangrijke plaats in elkaars leven in. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, aldus de benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof wijzen deze omstandigheden op een hechte affectieve relatie over tenminste een periode van drieënhalf jaar.\n\nVoorts vindt het bestaan van een affectieve relatie steun in de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021, opgesteld door [naam diagnostisch medewerker], diagnostisch medewerker, mede namens [naam psychiater], psychiater, waarin wordt gesproken over behandeling, gericht op trauma- en rouwklachten over het verlies van haar partner.\n\nUit de door de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maakt het hof op dat tussen haar en het slachtoffer sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie, te weten een langdurige, hechte LAT-relatie, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de benadeelde partij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 jo lid 4 sub g BW als naaste wordt aangemerkt.\n\nGelet daarop zal het hof het voor naasten bepaalde forfaitaire schadebedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toewijzen.\n\nSchokschade\n\nVan de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ kan sprake zijn als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond is geraakt (zogenoemde ‘schokschade’).\n\nVoor de toewijzing van schadevergoeding vanwege schokschade is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld\n\n(zie het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.7).\n\nOp grond van de toelichting op de vordering door de benadeelde partij en de stukken uit het dossier – kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij na het verongelukken van het slachtoffer als één van de eerste politieambtenaren ter plaatse was. De benadeelde partij heeft het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat aangetroffen. Dit is door de verdediging niet betwist.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen was sprake van een langdurige, hechte LAT- relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij. Uit de hiervoor genoemde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 is gebleken dat de benadeelde partij gediagnosticeerd is met een Posttraumatische stressstoornis (PTSS) die is ontstaan door de confrontatie met de gevolgen van het misdrijf. PTSS is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Ter terechtzitting in hoger beroep op 18 juni 2026 heeft de benadeelde partij toegelicht dat haar behandeling bij de psycholoog ongeveer een half jaar geleden is afgerond. Dit betreft een behandel periode van bijna 5 jaren na het misdrijf. Zij heeft thans nog gesprekken met een geestelijk medewerker.\n\nHet hof stelt vast dat bij de benadeelde partij psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat er sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Op grond van deze feiten en omstandigheden staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partij schokschade heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij haar is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof het volgende.\n\nBij de benadeelde partij is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Als één van de eerste politieambtenaren die het zeer zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer in delen verspreid op de straat heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde brief van ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum van 9 december 2021 kan lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met het slachtoffer.\n\nHet hof dient dan ook schattenderwijs naar billijkheid vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partij en de gevolgen daarvan voor haar. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens rechtspraak in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van de benadeelde partij op € 25.000,-.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering voor wat betreft het gevorderde bedrag aan schokschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in haar vordering worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNu het hof oordeelt dat de verdachte tot een bedrag van € 42.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [de benadeelde partij].\n\nBESLISSING\n\nHet hof, voor zover aan het oordeel van dit hof onderworpen:\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [de benadeelde partij], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van [de benadeelde partij] niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 7 juli 2021.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2238","ecli-nl-ghdha-2026-2238",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":34,"language":7,"source":17,"sourceUrl":35,"summary":14,"slug":36,"metadata":37},"300","ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","Rolnummer: 22-000722-24\n\nParketnummer: 09-238193-21\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 3 september 2021 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid, in ieder geval 271,3 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hiertoe heeft zij, kort en zakelijk weergegeven gesteld dat het gezien het feit dat de verdachte op enig moment bij de bestelbus is geweest, enkele (sport)tassen in de bestelbus open waren en de (sport)tassen in de bestelbus naar hun uiterlijke verschijningsvorm hoeveelheden verdovende middelen bevatten, niet anders kan zijn dan dat de verdachte moet hebben geweten dat er verdovende middelen in die tassen zaten.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nUit het dossier en de camerabeelden volgt dat de verdachte samen met twee medeverdachten meer dan twintig in plastic gewikkelde gesloten sporttassen, nadat deze uit een bestelbus waren geladen, in het appartementencomplex waar hij op dat moment woonachtig was, heeft binnengebracht en in en uit een lift heeft getild. De politieambtenaren die na een melding die nacht, kort daarna ter plaatse kwamen, troffen in die bestelbus een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne aan, in hoeveelheden van ongeveer één kilogram verpakt in (deels) vergelijkbare sporttassen, zoals die ook op camerabeelden van de lift achteraf zijn waargenomen, en in bigshoppertassen. Anders dan de op de camerabeelden van de lift waargenomen sporttassen, waren de in de bestelbus aangetroffen sporttassen geopend waardoor de daarin verpakte pakketten van een materiaal bevattende cocaïne zichtbaar waren. In de woning van de verdachte zijn de volgende dag lege sporttassen aangetroffen die uiterlijke gelijkenissen vertonen met de sporttassen die de verdachten het appartementencomplex in hebben gebracht. De speurhond verdovende middelen gaf bij deze sporttassen een signaal af. De verdachte heeft zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Op enig moment heeft hij verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de door hem en zijn medeverdachten naar binnengebrachte en gesjouwde sporttassen elektronica\u002F iPhones bevatten. Hoewel die verklaring vragen oproept, en er sprake is van uitermate verdachte omstandigheden die het strafvorderlijk ingrijpen jegens de verdachte op zichzelf zeker rechtvaardigden, bevat het strafdossier naar het oordeel van het hof niettemin onvoldoende wettig bewijs dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van de (sport)tassen die in de bestelbus aan zijn getroffen, dan wel van de inhoud van de sporttassen die hij het appartementencomplex in heeft gebracht.\n\nIn dit verband is vooraleerst van belang dat de in het appartementencomplex gebrachte sporttassen niet zijn aangetroffen, zodat de inhoud daarvan niet onderzocht is en hoogstens op basis van de uit het dossier kenbare omstandigheden kan worden geoordeeld dat de inhoud van die tassen gelijk moet zijn geweest aan de inhoud van de in de bestelbus aangetroffen (sport)tassen. Daarvan in het hiernavolgende veronderstellenderwijs uitgaande oordeelt het hof als volgt.\n\nIn de laadruimte van de bestelbus zijn zwarte sporttassen en bigshoppertassen aangetroffen. Volgens de verbalisant die deze tassen aantrof en die met een zaklamp in de laadruimte scheen, waren diverse tassen open en waren daarin groene en grijze blokken van ongeveer 30x30 centimeter en ongeveer 10 centimeter dik te zien. Volgens verdere bevindingen is op camerabeelden, gericht op de bestelbus, zichtbaar dat de verdachte op enig moment een deurgreep van de bestelbus vast heeft gehouden en de deur van de bestelbus heeft geopend.\n\nHoewel de verdachte aldus op dat moment bij de bestelbus is te plaatsen, volgt uit deze bevindingen niet dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de verpakte hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne in de laadruimte van de bestelbus wel gezien moet hebben. Uit het overigens ter terechtzitting verhandelde volgt evenmin dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte op andere gronden op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de (sport)tassen in de bestelbus verdovende middelen bevatten, althans dat de verdachte redelijkerwijs de aanmerkelijke kans dat dit het geval was heeft aanvaard. Het dossier bevat op dit punt ook geen voor de verdachte belastende verklaringen van medeverdachten of getuigen of telefoonverkeer.\n\nNu voldoende bewijs ontbreekt voor de wetenschap van de verdachte, ook in voorwaardelijke zin, dat het hier om een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zou gaan kan niet worden bewezen dat de verdachte een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne opzettelijk, al dan niet in vereniging, heeft afgeleverd, verstrekt, vervoerd of aanwezig heeft gehad, zodat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2249","ecli-nl-ghdha-2026-2249",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":39,"ecli":40,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":42,"language":7,"source":17,"sourceUrl":43,"summary":14,"slug":44,"metadata":45},"763","ECLI:NL:CBB:2026:314","2026-07-07T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F426\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 op het hoger beroep van:\n [naam 1] B.V., te [vestigingsplaats]\n\n(gemachtigde: [naam 2] )\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024, kenmerk 23\u002F4659, in het geding tussen\n\n [naam 1]\n\nen\n\nde minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sportvoorheen: de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport\n\n(gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen)\n\nProcesverloop in hoger beroep\n\n [naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:2908).\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen.\n\nInleiding\n\n1.1. In het kader van het festival Dutch Valley 2022 is [naam 1] door de festivalorganisator ingehuurd om diverse biertappunten te verzorgen, waaronder een biertappunt in de zogenoemde Hip Hop tent. [naam 1] beschikte over de ontheffing voor het schenken van zwak-alcoholhoudende drank, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Alcoholwet (ontheffing). Die ontheffing gold voor het gehele festivalterrein voor in totaal vijftien biertappunten, waaronder dus een in de Hip Hop tent. De organisator van het festival beschikte over de evenementenvergunning. De organisator verkocht festivalmunten waarmee bezoekers hun consumpties in de Hip Hop tent betaalden. Op het gehele festivalterrein gold een door de festivalorganisator ingesteld en aangeduid rookverbod.\n\n1.2. Op 14 augustus 2022 hebben twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit de Hip Hop tent geïnspecteerd op naleving van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw), waaronder het handhaven van het rookverbod. In het van die inspectie door een van hen opgemaakte rapport van bevindingen van 9 december 2022, beschrijft de inspecteur dat hij heeft gezien dat meerdere mensen sigaretten en e-sigaretten (vapes) rookten, dat zij niet op het rookverbod werden aangesproken en dat er sigarettenpeuken op de grond lagen.\n\n2 De minister heeft [naam 1] met een besluit van 17 januari 2023 (boetebesluit) een boete van € 600,- opgelegd, omdat [naam 1] op 14 augustus 2022 in de Hip Hop tent het rookverbod niet heeft gehandhaafd, waartoe zij op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw verplicht was. Met het besluit op bezwaar van 26 mei 2023 (bestreden besluit) is het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard en de boete in stand gelaten.\n\nUitspraak van de rechtbank\n\n3 De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister [naam 1] terecht als overtreder van de in het bestreden besluit vermelde overtreding heeft aangemerkt en de boete van € 600,- heeft mogen opleggen. De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.\n\nStandpunten van partijen\n\n4.1. Zoals op zitting is besproken handhaaft [naam 1] alleen de hoger beroepsgrond dat zij geen overtreder is. Zij erkent dat het rookverbod in de Hip Hop tent niet werd gehandhaafd, maar betoogt dat de organisator van het festival dat had moeten doen. Die heeft het rookverbod ingesteld en aangeduid op het festivalterrein en had het moeten handhaven. Dit volgt uit de afspraken tussen [naam 1] en de festivalorganisator. [naam 1] is van mening dat zij alleen leverancier is van de biertappunten en het barpersoneel en stelt dat zij verder geen zeggenschap had.\n\n4.2. De minister heeft verzocht om de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.\n\nWettelijk kader\n\n5 Het van toepassing zijnde wettelijke kader is vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n6.1. Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten en licht dit hieronder toe.\n\n6.2. De boete is aan [naam 1] opgelegd, omdat zij in de hoedanigheid van exploitant van een horeca-inrichting gehouden was tot het handhaven van het rookverbod en zij dit heeft nagelaten. Dat deze verplichting op de exploitant van de horeca-inrichting rust, volgt uit artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Trw. Tussen partijen is niet in geschil dat het festivalterrein een horeca-inrichting is. Ook staat niet ter discussie dat de Hip Hop tent een lokaliteit is van die inrichting waarin het horecabedrijf werd uitgeoefend. Vaststaat ook dat het rookverbod op 14 augustus 2022 niet werd gehandhaafd in de Hip Hop tent.\n\n6.3. De vraag die in hoger beroep centraal staat, is of [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is. Volgens [naam 1] blijkt uit de onderlinge afspraken dat de festivalorganisator de exploitant van de horeca-inrichting is. Met de rechtbank is het College van oordeel dat [naam 1] de exploitant van de horeca-inrichting is en dat zij het rookverbod had moeten handhaven. Hiertoe overweegt het College als volgt. Vaststaat dat [naam 1] de aanvrager en houder is van de ontheffing. Deze ontheffing gold voor het hele festivalterrein, waaronder ook het tappunt in de Hip Hop tent. Zonder deze ontheffing is het niet mogelijk om de horeca-inrichting te exploiteren. [naam 1] verkocht in de Hip Hop tent tegen betaling drankjes, waaronder bier, voor consumptie ter plaatse. Dat de organisator van het festival haar niet betaalde per consumptie, maar voor de dienst als geheel en dat bezoekers hun consumpties betaalden met festivalmunten maakt, anders dan [naam 1] betoogt, niet dat zij slechts leverancier van de bar en het barpersoneel was. Ook de afspraak dat de festivalorganisator beveiligers zou inhuren die op het festivalterrein, waaronder de Hip Hop tent, het rookverbod zouden handhaven, maakt niet dat [naam 1] niet de exploitant is van de Hip Hop tent. De hoedanigheid van exploitant van de Hip Hop tent verschuift niet van [naam 1] naar de festivalorganisator omdat zij een afspraak over het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent hebben gemaakt. Deze afspraak, en de gestelde omstandigheid dat [naam 1] geen zeggenschap had over de beveiligers, ontslaan haar niet van de op haar als exploitant rustende verplichting om ervoor te zorgen dat in de Hip Hop tent het rookverbod wordt gehandhaafd.\n\n6.4. Uit het vorenstaande volgt dat [naam 1] als exploitant van de Hip Hop tent wettelijk verplicht was om daar het rookverbod te handhaven. Dat [naam 1] met de organisator is overeengekomen dat die het rookverbod in de Hip Hop tent zou handhaven, wat ook blijkt uit de omstandigheid dat zij de opgelegde boete aan hem heeft doorbelast, heeft niet tot het resultaat geleid dat het rookverbod in de Hip Hop tent daadwerkelijk werd gehandhaafd. Dat komt voor rekening en risico van [naam 1] op wie de wettelijke verplichting tot het handhaven van het rookverbod in de Hip Hop tent rustte. Zij is in het bestreden besluit terecht als overtreder aangemerkt en de minister was daarom bevoegd om haar een boete op te leggen.\n\n6.5. Dat de minister naar eigen zeggen ook de organisator van het festival had kunnen beboeten voor het niet handhaven van het rookverbod op het festivalterrein maakt niet dat [naam 1] met betrekking tot de Hip Hop tent geen overtreder is van de verplichting om daar het rookverbod te handhaven. De organisator en [naam 1] hebben beiden een eigen verantwoordelijkheid bij het handhaven van het rookverbod.\n\n6.6. De situatie dat de organisator van het festival over de ontheffing beschikt en de exploitant is van het festivalterrein als horeca-inrichting, doet zich hier niet voor. Dat was wel het geval in de zaak die tot de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:5336) heeft geleid, waarnaar [naam 1] ter ondersteuning van haar standpunt verwijst. Aan die uitspraak komt daarom niet de betekenis toe die [naam 1] daar in dit geding aan toegekend wil zien.\n\nSlotsom\n\n7 Het hoger beroep slaagt niet. Het College zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.\n\n8 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. A. van Gijzen en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.M. Smorenburg w.g. J.W.E. Pinckaers\n\nBIJLAGE WETTELIJK KADER\n\nTabaks- en rookwarenwet\n\nArtikel 1\n\nIn deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: [..]\n\nhoreca-inrichting: a. inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet; [..]\n\nArtikel 10 1 In de navolgende gevallen is de navolgende persoon of het navolgende orgaan verplicht tot het instellen, aanduiden en handhaven van een rookverbod: [..] e. in een horeca-inrichting: de exploitant van die horeca-inrichting; [..]\n\nAlcoholwet\n\nArtikel 1\n\n1 Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder: [..] – lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;\n\n– horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse; [..]\n\n– inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;\n\n[..]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:314","ecli-nl-cbb-2026-314",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht",{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"892","ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","Rolnummer: 22-002927-23\n\nParketnummer: 09-159505-22\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 september 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, te weten – kort weergegeven – een meldplicht en een ambulante behandeling. Voorts is aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid op de voet van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd inhoudende, kortgezegd, een contact- en locatieverbod voor de duur van 3 jaren. De rechtbank heeft eveneens de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen. Tot slot is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Het bevel voorlopige hechtenis is opgeheven.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl zij op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en\u002Fof een gebroken oogkas\u002Fneus, althans één of meerdere fracturen en\u002Fof een septumdeviatie (scheefstaande neus) heeft toegebracht, door die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal hard tegen het gezicht\u002Fhoofd te schoppen\u002Ftrappen, terwijl zij op de grond lag;\n\nmeer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht\u002Fhoofd heeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 2] op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht heeft gestompt\u002Fgeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en\u002Fof een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neus en\u002Fof het gezicht van die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kind, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\n die [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede dat hem de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contact- en locatieverbod voor de duur van acht jaren, met aftrek van de reeds ten uitvoer gelegde periode. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nTen aanzien van feit 1\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag. Daartoe is aangevoerd dat de geweldshandelingen van de verdachte van een dusdanige kracht waren dat daarmee een aanmerkelijke kans bestond op letsel waardoor [slachtoffer (minderjarige) 1] zou komen te overlijden, en dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van één schop of trap met ongeschoeide voet. Van een aanmerkelijke kans op de dood was, mede gezien de rapportage van het NFI, geen sprake. Nu uit de beschreven letsels en de geschatte herstelduur niet volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. De verdediging heeft zich voor wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nAantal schoppen\n\nUit het dossier volgt dat [slachtoffer (minderjarige) 1] op 27 juni 2022 om 02.00 uur ’s nachts aangifte heeft gedaan van zware mishandeling op 26 juni 2022. Ze heeft verklaard dat ze een harde ruk voelde aan haar haar, achterover ten val kwam en dat haar vader, de verdachte, haar toen begon te schoppen terwijl ze op de grond lag. Ze weet niet meer hoe vaak, maar hij heeft meerdere keren op de linkerkant van haar gezicht getrapt met de zijkant van zijn voet. Hij trapte heel hard en ze voelde heel veel pijn aan de linkerkant van haar hoofd. Tijdens haar verhoor in augustus 2022 heeft zij verklaard dat het meer dan vijf schoppen waren, het waren er heel veel, ze zag dat hij meerdere keren schopte. De verdachte heeft zich in eerste instantie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij verklaard één trap te hebben gegeven. Het NFI heeft, desgevraagd, niet kunnen beoordelen of het vastgestelde letsel waarschijnlijker was bij één trap of vijf trappen in het gezicht.\n\nHet hof heeft evenwel geen reden te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer (minderjarige) 1] , die haar eerste verklaring heeft afgelegd vlak na het incident en consequent heeft verklaard dat het om meerdere schoppen ging. Het hof acht het wettig en overtuigend bewijs voor meerdere schoppen aanwezig en zal daarvan bij de verdere beoordeling van de tenlastelegging uitgaan.\n\nPrimair tenlastegelegde - poging tot doodslag\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke vorm. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof heeft in het voorgaande vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer (minderjarige) 1] op 26 juni 2022, terwijl zij op de grond lag, meermalen met zijn blote voet tegen het gezicht heeft geschopt. Dit betreft een ernstig en gewelddadig handelen. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid met welke kracht dit is gebeurd en op welke plaats van het gezicht de schoppen precies terecht zijn gekomen. Het enkele schoppen tegen het hoofd brengt niet zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood met zich mee. Het hoofd is weliswaar een kwetsbaar onderdeel van het lichaam met vitale functies, maar de schedel biedt een wezenlijke bescherming tegen van buitenaf inwerkend geweld. Daarnaast leidt een eventuele beschadiging van de hersenen niet steeds tot de dood. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op overlijden. Reeds daarom kan niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nHet hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.\n\nSubsidiair tenlastegelegde - zware mishandeling\n\nVoor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.\n\nHet hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 Sr wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.\n\nUit de stukken volgt dat bij [slachtoffer (minderjarige) 1] een onderhuidse bloeduitstorting rondom het linkeroog en op de linkerwang, een subconjunctivale bloeding in het linkeroog, een vermoedelijke kneuzing van het kaakgewricht, een mogelijke milde kneuzing van de linkeroogbol en kleine nasale fracturen zijn vastgesteld. Hoewel het hof dit letsel als niet gering en niet te veronachtzamen aanmerkt, kan niet worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 Sr. Hoewel dit letsel mogelijk als zwaar zal worden ervaren, ligt de lat om dat in juridisch strafrechtelijke zin te kunnen vaststellen op grond van wet en jurisprudentie hoog. Het hof overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet zonder meer aannemelijk is geworden dat de persisterende klachten van [slachtoffer (minderjarige) 1] verband houdende met een verminderde doorgankelijkheid van de neus, wat een gevolg kan zijn van een scheef neustussenschot en\u002Fof vergrote onderste neusschelpen, zijn te relateren aan doorgemaakt trauma op 26 juni 2022. Bovendien is tot op heden medisch ingrijpen in de vorm van een operatie niet noodzakelijk geweest.\n\nDe verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.\n\nTen aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nHet hof is van oordeel dat het meermaals schoppen tegen het gezicht van een op de grond liggend persoon naar zijn aard een gedraging is die een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld hersenletsel of ernstig letsel aan een oog, in het leven roept. Door aldus te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans voor ogen heeft gezien en hij heeft deze kans door zijn handelen ook aanvaard.\n\nHet hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe advocaat-generaal acht de verdachte schuldig aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer (minderjarige) 2] . Door met de vuist een stomp in het gezicht van [slachtoffer (minderjarige) 2] te geven heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde.\n\nHet hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] op 19 november 2021 éénmaal op de neus heeft gestompt of geslagen. [slachtoffer (minderjarige) 2] heeft daarbij letsel in de vorm van een kneuzing van de neus opgelopen. Het hof acht geen bewijs aanwezig voor een poging zware mishandeling. Uit het eenmaal stompen of slaan op de neus volgt niet dat een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstond. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 primair tenlastegelegde.\n\nWel komt het hof tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling.\n\nTen aanzien van feit 3\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de kinderen en de moeder niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze onbetrouwbaar zijn. Daartoe is aangevoerd dat in de periode waarin en nadat de feiten zouden hebben plaatsgevonden veelvuldig over de situatie is gesproken, waardoor betrokkenen elkaar in hun beleving van de gebeurtenissen zouden hebben beïnvloed en versterkt. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de verdachte van de onder 3 tenlastegelegde fysieke vormen van mishandeling van zijn kinderen. Voor wat betreft dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de zogenaamde psychische mishandeling heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit omdat – kort gezegd – zonder enige fysieke component geen sprake kan zijn van mishandeling.\n\nHet hof overweegt als volgt en stelt voorop dat verklaringen van getuigen voor het bewijs kunnen worden gebezigd, indien deze betrouwbaar worden geacht en voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.\n\nNaar het punt van de mogelijkheid van zogenaamde ‘collaborative storytelling’is in deze zaak op verzoek van de verdediging onderzoek verricht. Dr. G. Wolters, voorheen universitair hoofddocent, thans gastdocent aan de universiteit Leiden bij het departement psychologie en gespecialiseerd in het menselijk geheugen, heeft op 30 september 2025 rapport uitgebracht. In dit rapport wordt geconcludeerd dat de essentie van de verklaringen van alle gezinsleden in 2022 en 2023 met elkaar overeenkomt en dat er geen patroon is dat de aard van de beschuldigingen in de loop van de tijd ‘groter’ (ernstiger) wordt door een proces van onderlinge beïnvloeding en ‘collaborative storytelling’.Hierdoor is volgens de deskundige geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de individuele verklaringen.\n\nHet hof sluit zich bij deze bevindingen aan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de kinderen onderling en met die van de moeder op essentiële onderdelen consistent zijn en in voldoende mate steun vinden in elkaar. Dat op onderdelen sprake is van beperkte strijdigheden, is niet ongebruikelijk en niet van dien aard dat daaraan doorslaggevende betekenis toekomt.\n\nHet verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.\n\nHet hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte zijn kinderen gedurende een langere periode meermalen heeft geslagen. Deze gedragingen hebben zich voorgedaan over een periode van meerdere jaren en hadden (aldus) een stelselmatig karakter. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling, nu sprake is van opzettelijk toepassen van lichamelijk geweld tegen zijn kinderen waardoor pijn en\u002Fof letsel is veroorzaakt. Van een aantal tenlastegelegde feitelijke fysieke handelingen wordt de verdachte vrijgesproken nu daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is.\n\nVoor de overige tenlastegelegde niet-fysieke gedragingen, te weten het schelden, kleineren en\u002Fof denigrerend toespreken van de kinderen, is het hof van oordeel dat deze geen mishandeling opleveren in de zin van art. 300 Sr. Het hof wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad met nummer ECLI:NL:HR:2026:1005 waaruit volgt dat gedragingen die uitsluitend – dat wil zeggen: zonder inwerking op het lichaam van het slachtoffer – psychisch leed tot gevolg hebben, niet onder het in artikel 300 Sr bedoelde begrip ‘mishandeling’ vallen. Ook is geen sprake van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr als niet op het lichaam inwerkende gedragingen psychisch leed hebben veroorzaakt dat vervolgens heeft geleid tot nadelige lichamelijke gevolgen, zoals buikpijn of braakverschijnselen door stress. Dit betekent ook dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ zoals bedoeld in art. 300 lid 4 Sr, niet de enkele benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Van dit deel van de tenlastelegging zal het hof de verdachte daarom vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. meer subsidiairhij opof omstreeks26 juni 2022 te Wateringen, gemeente Westland, ter uitvoering aan het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaaltegen het gezicht\u002Fhoofdheeft geschopt\u002Fgetrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiairhij opof omstreeks19 november 2021 te Wateringen, gemeente Westland, zijn kind, [slachtoffer (minderjarige) 2] ), heeft mishandeld, door op\u002Ftegen de neusen\u002Fof het gezichtvan die [slachtoffer (minderjarige) 2] te stompen\u002Fslaan;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 1 januari 2012 tot en met 26 juni 2022 te Wateringen, althans in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\nzijn kinderen, te weten\n\n [slachtoffer (minderjarige) 3] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 4] en\u002Fof\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] ,\n\nheeft mishandeld, door\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 3] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nop de trap aan zijn been te trekken, waardoor hij ten val kwam en\u002Fof zijn broek naar beneden te trekken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘hufter’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nbij haar haren te pakken en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘dikzak’ te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door haar ‘hoer’ en\u002Fof ‘kutwijf’ te noemen) en\u002Fof\n\nbuiten in de kou te laten eten en\u002Fof\n\nmet kleren en al onder de douche te zetten en\u002Fof\n\nafwasmiddel in de mond te spuiten\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 1] en\u002Fof [slachtoffer (minderjarige) 2] meermalen, althans eenmaal\n\n- bij de haren te pakken en\u002Fof met hun hoofden tegen elkaar te slaan\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 4]meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘klootzak te noemen)\n\nen\u002Fof\n\ndie [slachtoffer (minderjarige) 5] meermalen, althans eenmaal\n\nte slaan en\u002Fof\n\nuit te schelden en\u002Fof te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken (o.a. door hem ‘eikelbijter’ en\u002Fof ‘dom’ en\u002Fof ‘sukkel’ te noemen),\n\nterwijl verdachte deze feiten stelselmatig beging tegen minderjarigen.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn kind,meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 1] , destijds 14 jaar, door haar hard aan haar haar naar de grond te trekken en vervolgens meerdere malen hard tegen haar gezicht te trappen\u002Fschoppen. Zij heeft hier bloeduitstortingen, kneuzingen en kleine fracturen van de neus aan overgehouden. Ook heeft de verdachte zijn dochter [slachtoffer (minderjarige) 2] , destijds 15 jaar, mishandeld door haar met zijn vuist op haar neus te slaan. Hierbij heeft [slachtoffer (minderjarige) 2] een kneuzing van haar neus opgelopen. Deze mishandelingen stonden niet op zichzelf, nu de verdachte zich verder jarenlang schuldig heeft gemaakt aan het stelselmatig slaan van niet alleen [slachtoffer (minderjarige) 1] en [slachtoffer (minderjarige) 2] , maar ook van zijn andere drie minderjarige en jonge kinderen: [slachtoffer (minderjarige) 3] , zijn oudste kind en [slachtoffer (minderjarige) 4] en [slachtoffer (minderjarige) 5] , zijn jongste kinderen. Het ging hierbij om flinke tikken\u002Fklappen.\n\nDoor de kinderen veelvuldig te slaan heeft de verdachte de psychische en lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden, zoals ook volgt uit de door de dochters voorgelezen slachtofferverklaringen ter terechtzitting in hoger beroep. Het veelvuldig slaan van zijn kinderen heeft verder aanzienlijke afbreuk gedaan aan de veiligheid die de kinderen van de verdachte hadden mogen verwachten. Bekend is dat de gevolgen van kindermishandeling nog zeer lang kunnen doorwerken en zich op verschillende manieren kunnen manifesteren, ook in het volwassen leven.\n\nDe verdachte heeft nagenoeg geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Voor zover hij überhaupt erkent dat er gewelddadige conflictsituaties hebben plaatsgevonden, lijkt hij die voornamelijk af te schuiven op het gedrag van zijn kinderen en hij lijkt de ernst van zijn gedrag niet in te zien.\n\nHet hof heeft gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.\n\nDeze gevangenisstraf is lager dan gevorderd nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient ertoe om de ernst van de feiten te onderstrepen en de verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Het hof zal geen bijzondere voorwaarden in de vorm van begeleiding en behandeling aan dit voorwaardelijk deel verbinden, nu de verdachte op de terechtzitting van het hof uitdrukkelijk heeft verklaard hier niet voor open te staan. Het hof acht het aangewezen om een proeftijd van drie jaren aan het voorwaardelijk deel te verbinden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.\n\nVoorts acht het hof het aangewezen om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, te weten een contact- en locatieverbod. De verdachte wil contact met zijn kinderen, maar uit de slachtofferverklaringen en de toelichting van de advocaat van de slachtoffers blijkt dat de kinderen nog steeds angst hebben voor de verdachte en dat zij in het geheel geen contact met hem willen. Omdat in ieder geval (een deel van) de kinderen nog minderjarig en woonachtig zijn bij hun moeder, de ex-vrouw van de verdachte, zal het contactverbod zich ook ten aanzien van haar uitstrekken. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegen zijn kinderen, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr bevelen. Het hof zal de periode gedurende welke het contact- en locatieverbod van kracht is bepalen op in totaal vijf jaar, met aftrek van de periode waarin deze verboden vanwege de door de in eerste aanleg genomen beslissing reeds hebben gegolden.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben de aangevers zich als benadeelde partijen gevoegd en elk een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde:\n\n [slachtoffer (minderjarige) 1] heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 14.500,- ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 2] ) heeft een vordering ingediend tot een bedrag van\n\n€ 12.500,- ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde;\n\n [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] hebben elk een vordering ingediend tot een bedrag van € 10.000,- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.\n\nIn hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.\n\nHet hof stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade op de voet van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek, slechts plaats is indien is voldaan aan de in dat artikel gestelde vereisten. Voor zover hier van belang kan aanspraak bestaan op vergoeding, indien sprake is van lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam, dan wel van een aantasting in de persoon op andere wijze. Van laatstgenoemde categorie is volgens bestendige rechtspraak sprake indien geestelijk letsel is vastgesteld.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan kindermishandeling gedurende vele jaren en heeft daarmee de lichamelijke integriteit van zijn kinderen geschonden en hun geestelijke gezondheid benadeeld. Alle kinderen hebben in hun vordering toegelicht dat zij nog last hebben van de onveilige en onzekere omgeving die de verdachte voor hen heeft gecreëerd. Bij alle kinderen is er als gevolg van de mishandelingen PTSS geconstateerd en vindt er traumabehandeling plaats of is er een advies tot een dergelijke behandeling.\n\nHet hof heeft bij vaststelling van de schadevergoeding aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 1] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen door [slachtoffer (minderjarige) 1] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 6.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 6.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 2] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van de feiten, het opgelopen letsel, en hetgeen dat door [slachtoffer (minderjarige) 2] ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, is het hof van oordeel dat de vordering zich leent - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van\n\n€ 4.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer (minderjarige) 2] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezenverklaarde. Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat de vorderingen zich lenen - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot elk een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot vergoeding van de geleden schade. Deze kunnen in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nNu vaststaat dat de verdachte driemaal tot een bedrag van € 3.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van elk van de slachtoffers [slachtoffer (minderjarige) 5] , [slachtoffer (minderjarige) 3] en [slachtoffer (minderjarige) 4] .\n\nKosten in verband met alle vorderingen\n\nNu de vorderingen deels worden toegewezen, veroordeelt het hof de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 meer subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van450 (vierhonderdvijftig) dagen.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 250 (tweehonderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde\n\n- voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn kinderen [slachtoffer (minderjarige) 3] , [slachtoffer (minderjarige) 2] , [slachtoffer (minderjarige) 1] , [slachtoffer (minderjarige) 5] en [slachtoffer (minderjarige) 4] en met hun moeder, [naam moeder] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Dit betekent ook geen contact bij de school of bij de sportverenigingen waar de kinderen lid van zijn;\n\n- zich voor de duur van 5 jaren niet zal ophouden in Naaldwijk, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk vindt.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaaris.\n\nHeft op het door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.000,- (zesduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 2] ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.000,- (vierduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 2] , ter zake van het onder 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,- (vierduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 5] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 5] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer (minderjarige) 4] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer (minderjarige) 4] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 juni 2022.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. C. Fetter en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2246","ecli-nl-ghdha-2026-2246",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":55,"ecli":56,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":57,"language":7,"source":17,"sourceUrl":58,"summary":14,"slug":59,"metadata":60},"1207","ECLI:NL:RBDHA:2026:18604","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F230926-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum 1] 1968 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd.\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie\n\nmr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.A. Breetveld naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding en de op de terechtzitting van 23 juni 2026 toegelaten vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nKort samengevat is het verwijt dat de verdachte zich over een periode van meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan het heimelijk filmen en vervaardigen, bezitten en in sommige gevallen ook verspreiden van kinderpornografisch materiaal van achttien minderjarige meisjes op de basisschool waar hij als conciërge werkzaam was, het plegen van ontuchtige handelingen met vier van die meisjes en de aanranding van drie van die meisjes. Daarnaast is het verwijt dat de verdachte een zeer grote hoeveelheid ander kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad en heeft verspreid. Tot slot wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij meerdere kindersekspoppen in bezit heeft gehad en dat hij een hoeveelheid GHB aanwezig heeft gehad.\n\n3. De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1\n\n3.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 partieel nietig is, nu daarin niet per verweten handeling is gespecificeerd of deze onder de oude of de nieuwe wetgeving van het Wetboek van Strafrecht (Sr) valt. Het onderscheid tussen het begrip ‘ontuchtige handelingen’ in artikel 247 Sr (oud) en het begrip ‘seksuele handelingen’ in artikel 249 Sr (nieuw) is volgens de verdediging materieel relevant, zodat de keuze voor het toepasselijk recht niet als een louter technische kwestie kan worden afgedaan.\n\n3.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en dat het verweer daarom moet worden verworpen.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de dagvaarding een opgave inhouden van de ten laste gelegde feiten, met vermelding van de tijd en plaats waar de feiten zijn begaan en de wettelijke voorschriften waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld. Die opgave mag niet innerlijk tegenstrijdig zijn en moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, in die zin dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechtbank precies moet onderzoeken.\n\nIn de tenlastelegging is per verweten gedraging aangegeven of de bewuste gedraging onder het oude dan wel onder het nieuwe recht valt en op welk slachtoffer (zaaksdossier) de gedraging betrekking heeft. Het moet de verdachte daarmee duidelijk zijn geweest tegen welke beschuldigingen hij zich moest verdedigen. Ter zitting is ook niet gebleken dat de verdachte niet zou weten welke verwijten hem worden gemaakt.\n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv en dus geldig is. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Inleiding\n\nMedio 2025 is het strafrechtelijk onderzoek 15Mombas gestart naar aanleiding van op\n\n26 juni 2025 bij het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies binnengekomen informatie dat een gebruiker van de applicatie Teleguard diverse videobestanden had gedeeld waarop kinderpornografisch beeldmateriaal was te zien.\n\nOnderzoek naar onder meer het IP-adres van deze gebruiker leidde de politie naar de verdachte. De verdachte was sinds 2019 werkzaam als conciërge op basisschool [naam school] in [plaats] . Zijn woning is doorzocht en daar zijn onder meer gegevensdragers in beslag genomen, waar door de politie onderzoek naar is gedaan. Dat onderzoek leidde de politie onder meer tot de conclusie dat de verdachte beeldmateriaal had vervaardigd van meisjes op [naam school] , waar hij werkzaam was. In onderzoek 15Mombas zijn uiteindelijk zeventien meisjes geïdentificeerd, van één meisje is de identiteit niet bekend geworden.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.\n\n4.3.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 en 5 ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde met betrekking tot sommige onderdelen vrijspraak bepleit en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n4.4.. Bewijsoverwegingen\n\nTen aanzien van feit 1 (ontucht en aanranding)\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte bij de meisjes 1, 2, 5 en 6 ontuchtige handelingen in de zin van artikel 247 Sr (oud) heeft verricht en of de verdachte bij de meisjes 3, 8 en 9 seksuele handelingen in de zin van artikel 249 Sr (nieuw) heeft verricht.\n\nJuridisch kader\n\nOntuchtige handelingen en seksuele handelingen in de zin van de genoemde bepalingen zijn handelingen gericht op seksueel contact, althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal ethische norm. Een precieze afbakening van wat wel en niet onder ontuchtige dan wel seksuele handelingen valt, kan niet worden gegeven. De beoordeling of een handeling als ontuchtig of seksueel heeft te gelden, hangt niet alleen af van de subjectieve beleving van het slachtoffer, maar onder meer ook van de aard van de handeling, de context waarbinnen de handeling plaatsvindt, het betrokken lichaamsdeel en de omstandigheden van het geval. Ook de bedoeling van de dader en de verhouding tussen dader en het slachtoffer zijn daarbij relevante factoren.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zeven minderjarige meisjes heeft aangeraakt op (intieme) lichaamsdelen, waaronder hun bovenbenen, billen en vagina.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat deze aanrakingen hebben plaatsgevonden in het kader van zijn werkzaamheden, waarbij hij de meisjes onder andere hielp met het verschonen na een plasongelukje of het plakken van een pleister. De verdachte stelt daarbij niet verder te zijn gegaan dan noodzakelijk in het kader van die werkzaamheden. Hij heeft aangevoerd dat hij weliswaar seksuele intenties had bij het filmen van de meisjes, maar dat de aanrakingen daar los van staan en onderdeel uitmaakten van de reguliere uitvoering van zijn werkzaamheden. Seksuele fantasieën hierover kwamen pas achteraf, aldus de verdachte.\n\nDe rechtbank ziet dit anders. De door de verdachte heimelijk gemaakte filmopnames van de handelingen laten namelijk een evident ander beeld zien. De rechtbank heeft deze opnames bekeken en merkt op dat de wijze waarop de zedenrechercheurs de beelden hebben beschreven, overeenstemt met wat de rechtbank heeft gezien. Op de beelden is te zien dat de verdachte gericht op zoek gaat naar de meisjes. De verdachte benadert de meisjes, blijft met hen in gesprek, en in de gevallen waarin hij helpt bij omkleden of het plakken van een pleister, is te zien dat de verdachte veel tijd rekt en de meisjes bewust zodanig positioneert dat hij bepaalde lichaamsdelen – voornamelijk bovenbenen, billen en vagina – zo duidelijk en zo lang mogelijk in beeld kan brengen. Het is binnen deze context van tijd rekken en expliciete beelden maken, dat de verdachte ook zoekt naar gelegenheid om de meisjes op de genoemde plekken aan te raken. Hij merkt bijvoorbeeld op dat ergens nog een stukje wc-papier moet worden weggehaald of dat er nog een pleister op een andere plek moet worden geplakt. In een andere zaak plaatst hij meermaals de hand van een meisje zo ongemerkt mogelijk op of nabij zijn geslachtsdeel.\n\nGezien deze context van het bewust zoeken naar gelegenheid, het tijd rekken en het zo veel mogelijk in beeld brengen, ziet de rechtbank ook in de aanrakingen onmiskenbaar seksuele intenties. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers bevinden zich chatgesprekken waarin de verdachte zeer expliciet met anderen praat over zijn handelingen met de meisjes. Hieruit komen zijn seksuele bedoelingen, alsmede zijn welbewuste pogingen om ongemerkt zo veel mogelijk aanrakingen van de intieme delen van de meisjes te laten plaatsvinden, zonneklaar naar voren. Van een scheidslijn tussen het verrichten van werkzaamheden zonder enige bijbedoeling en het daarover achteraf fantaseren is geen enkele sprake en kan in een geval als dit ook geen sprake zijn. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de verdachte meermaals is verzocht om het behulpzaam zijn bij het verschonen aan anderen over te laten. De verdachte heeft deze verzoeken welbewust naast zich neergelegd.\n\nDat, zoals de verdachte heeft verklaard, de meisjes hem vaak zelf opzochten, maakt het voorgaande op geen enkele wijze anders – in tegendeel. Uit het dossier is gebleken dat het de verdachte zelf is geweest die, in plaats van de vereiste professionele distantie in acht te nemen, deze situatie heeft gecreëerd, door de meisjes veel aandacht te geven, knuffels en aanrakingen aan te moedigen met lieve woordjes en in sommige gevallen snoepjes en cadeautjes aan de meisjes te geven. De rechtbank wenst hier met zo veel woorden op te merken dat wat er is gebeurd op geen enkele wijze, en dus ook niet indirect, aan de nog zeer jonge slachtoffertjes is te wijten.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop en de plaatsen waar de meisjes zijn aangeraakt, in onderlinge samenhang bezien met de overige omstandigheden, maken dat sprake is geweest van het plegen van ontuchtige handelingen (artikel 247 (oud) Sr) en seksuele handelingen (artikel 249 lid 2 (nieuw) Sr).\n\nDe rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de beschreven handelingen genoemd in gedachtestreepje 4 inzake meisje 1. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar heeft opgetild en een kus op de mond heeft gegeven. Van deze handeling zijn geen beelden aangetroffen. De verklaring van het meisje wordt slechts ondersteund door de verklaring van haar moeder, aan wie zij heeft verteld dat dit incident zich heeft voorgedaan. Deze verklaring is afgeleid van wat het meisje haar heeft verteld en vindt geen steun in ander onafhankelijk bewijsmateriaal. Nu de verklaring uit één bron afkomstig is, acht de rechtbank dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde – voor het overige – wettig en overtuigend bewezen.\n\nTen aanzien van feit 2 (vervaardigen, bezitten en verspreiden kinderpornografisch materiaal)\n\nDe rechtbank is – anders dan de verdediging heeft bepleit – van oordeel dat de verdachte, ook wat betreft het materiaal waarop de meisjes gekleed zijn, kinderpornografisch materiaal heeft vervaardigd. De strafbaarheid van het materiaal dient te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud en strekking van de opnames in samenhang met de wijze van vervaardiging daarvan. De beelden hebben onmiskenbaar een seksuele strekking. Zo wordt er ingezoomd op bepaalde lichaamsdelen, met name op de bovenbenen, billen en vagina. Waar het gaat om de wijze van vervaardiging neemt de rechtbank in aanmerking dat deze beelden heimelijk zijn gemaakt. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte drie van deze kinderpornografische afbeeldingen ook heeft verspreid.\n\nDe rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nTen aanzien van feit 4 (kinderpornografisch materiaal)\n\nDe rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de door de politie gehanteerde telling en de wijze waarop de afbeeldingen en video’s zijn geïnventariseerd.\n\nDe rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.\n\nTen aanzien van feit 5 (kindersekspoppen)\n\nHet onder 5 ten laste gelegde feit is toegesneden op artikel 253a Sr. Dit artikel omvat – kort gezegd – een verbod op seksattributen, zoals poppen, die een uiterlijke verschijningsvorm hebben van een kind.\n\nBij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn onder meer vijf poppen aangetroffen. De rechtbank moet beoordelen of dit poppen zijn met de uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en die bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten. Artikel 253a Sr is een (relatief) nieuwe bepaling, die in werking is getreden op 1 januari 2025. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van dit feit kijken naar de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 253a Sr.\n\nBij de vraag of sprake is van een voorwerp met de uiterlijke verschijningsvormen van een kind jonger dan zestien jaren, geldt dat gekeken moet worden naar de uiterlijke kenmerken van het desbetreffende voorwerp. Er hoeft geen sprake te zijn van een anatomisch correcte replica of een volledige pop. Vereist is een realistische uiterlijke verschijningsvorm van een kind of een lichaamsdeel van een kind. In geval van kindersekspoppen kunnen bijvoorbeeld de lichaamsafmeting en -verhouding van belang zijn. Dat aan het voorwerp lichaamskenmerken zijn toegevoegd die passen bij een volwassene (bijvoorbeeld, (grote) borsten, billen of volle lippen), hoeft niet in de weg te staan aan de vaststelling dat sprake is van een uiterlijke verschijningsvorm van een kind (of een lichaamsdeel van een kind) jonger dan zestien jaren.\n\nBij de vraag of een voorwerp bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, gaat het om de aard van het voorwerp en niet om de intentie van degene die het in bezit heeft. Of het voorwerp bestemd is voor het verrichten van seksuele handelingen moet worden beoordeeld op basis van zijn uiterlijke kenmerken, zoals aanwezige lichaamsopeningen geschikt voor seksueel binnendringen of andere functies voor seksueel gebruik (bijvoorbeeld geslachtsorganen).\n\nVerder moet ten minste sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Dit betekent dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft. Het opzet van de verdachte hoeft zich niet uit te strekken tot de daadwerkelijke kinderleeftijd die aan het voorwerp op basis van zijn uiterlijke kenmerken kan worden toegekend. Voor een bewezenverklaring is enkel van belang dat de pop op basis van zijn uiterlijke kenmerken als kind is aan te merken en dat de verdachte hierop (voorwaardelijk) opzet heeft gehad.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nIn de woning van de verdachte zijn in de slaapkamer twee poppen (pop 1 en 2) en in de voorraadkamer drie poppen (pop 3, 4 en 5) aangetroffen. Volgens de verdachte zijn geen van deze poppen kindersekspoppen, maar zijn pop 1, 2, en 3 normale sekspoppen en zijn pop 4 en 5 normale babypoppen.\n\nPop 1, 2 en 3\n\nNiet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten.\n\nDe rechtbank overweegt ten aanzien van pop 2 en pop 3 dat hun uiterlijke verschijningsvorm die van een kind jonger dan zestien jaar is. De rechtbank neemt daarbij met name de afmetingen van de poppen en de platte borst in aanmerking. Deze kenmerken geven de poppen het uiterlijk van een minderjarige jonger dan zestien jaar. Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat voor beide poppen geldt dat deze eerder geassocieerd worden met een kind jonger dan zestien jaren dan met een volwassene, zodat de gemiddelde kijker aanstonds meent dat de poppen het lichaam van een minderjarige beneden de zestien jaren moeten voorstellen.\n\nTen aanzien van pop 1 komt de rechtbank tot een ander oordeel. Gelet op de omvang van de borstpartij, en het ontbreken van duidelijke uiterlijke kenmerken die passen bij een minderjarige, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze pop naar haar uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren voorstelt.\n\nUit de omstandigheden dat de poppen 2 en 3 aanstonds lijken op lichamen van kinderen jonger dan zestien jaren, iets waarvan de verdachte zich bewust had moeten zijn, leidt de rechtbank voorts af dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat de verdachte pop 2 en 3 vóór de inwerkingtreding van artikel 253a Sr op een reguliere website heeft aangeschaft, doet hieraan niets af.\n\nPop 4 en 5\n\nNiet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had naar hun uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren – namelijk een baby – betreffen.\n\nDe rechtbank overweegt dat het niet gaat om normale speelgoed babypoppen, maar dat uit hun uiterlijke kenmerken blijkt dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de poppen zijn vervaardigd van siliconen, een materiaal dat niet gebruikelijk is voor een normale speelgoed babypop. Daarnaast beschikken de poppen over anatomische kenmerken, waaronder een opening bij de mond en weergegeven geslachtsdelen. Deze kenmerken maken dat de rechtbank van oordeel is dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Dat de opening van de mond slechts beperkt van omvang is, doet aan dat oordeel niet af. De seksuele handelingen hoeven immers niet beperkt te zijn tot (volledige) penetratie van de pop.\n\nDe verdachte had uit de uiterlijke kenmerken van de poppen kunnen afleiden dat de poppen een seksuele bestemming hadden. Dat geldt des te meer nu hij zelf heeft verklaard dat hij de poppen in huis had voor een seksdate met andere mensen, waarbij die poppen werden gebruikt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte op z’n minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat pop 4 en 5 naar zeggen van de verdachte niet door hemzelf zijn aangeschaft, doet aan dat oordeel niets af.\n\nConclusie\n\nAlleen pop 1 is niet aan te merken als een kindersekspop als bedoeld in artikel 253a Sr. De overige vier poppen zijn dat wel. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde bezit van meerdere kindersekspoppen dus wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] meermalen, met meerdere kinderen die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt en aan zijn zorg en waakzaamheid waren toevertrouwd, te weten:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\nbuiten echt, een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten door:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- meermalen de trui van meisje 1 omhoog te schuiven en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 te gaan en (daarbij) haar rug aan te raken en\n\n- meisje 1 bij haar middel te pakken en tegen zich aan te trekken waarbij hij haar beide\n\nbenen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de verdachte\n\nkomt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje\n\n1. met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en\u002Fof de buik van de verdachte komt te liggen en\n\n- meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel te leggen en te houden en\n\n* Zaaksdossier 2:\n\n- de trui van meisje 2 omhoog te trekken en het onderbroekje van meisje 2 (deels) naar\n\nbeneden te trekken en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, te wrijven en meermalen over de onderbroek op haar billen te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 5:\n\n- met zijn hand en\u002Fof vinger(s) over de onderbroek van meisje 5 te wrijven ter hoogte van\n\nhaar billen en aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar\n\nbillen, te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 6:\n\n- meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het voorraadhok te plaatsen en met wc-\n\npapier over de binnenzijde van haar been en over haar vagina te wrijven, waarbij de\n\nbuitenste schaamlip(pen) naar buiten werden geduwd en\n\n- de billen van meisje 6 vast te pakken en te spreiden, waardoor er zicht is op haar anus en\n\n- over de (ontblote) billen van meisje 6 te wrijven en\n\nmet meerdere kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten:\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,\n\neen of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:\n\n* Zaaksdossier 3:\n\n- meisje 3 met beide armen (toestaan) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen\u002Fbillen vast te laten houden en meermalen tegen meisje 3 te zeggen \"Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?\" en “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter\n\nhoogte van zijn kruis\u002Fgeslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt en\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- het jurkje van meisje 8 omhoog te trekken en meermalen over de binnenzijde van het\n\n(ontblote) bovenbeen van meisje 8 te wrijven en\n\n* Zaaksdossier 9:\n\n- zijn, verdachtes, arm om meisje 9 heen te slaan en te zeggen: \"He kutje, hoe is het?\" en\n\nhierbij met zijn hand over haar rug te wrijven en meermalen op de billen van meisje 9 te\n\nslaan,\n\nen welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang:\n\n- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en\n\n- er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen de verdachte in zijn hoedanigheid als\n\nconciërge\u002Fmedewerker van de school en de meisjes in hun hoedanigheid als leerlingen;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens\n\n(in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024)\n\n- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen, te weten foto’s en video’s en\n\n- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons\n\nen SD-kaarten, bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te weten foto’s en video’s,\n\nvan (een) seksuele gedraging(en), waarbij:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\n* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,\n\n* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,\n\n* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,\n\n* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,\n\n* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,\n\n* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,\n\n* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 15]2017,\n\n* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,\n\n* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,\n\nzijnbetrokken of schijnbaarzijnbetrokken, heeft vervaardigdenin bezit gehad en\n\n(in de periode 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025)\n\nvisuele weergaven van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij:\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,\n\n* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,\n\nwaren betrokken of schijnbaar waren betrokken, heeft vervaardigd enin bezit gehad,\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - (telkens) bestonden uit:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- de bilspleet van meisje 1 (gericht) te filmen (zaaksdossier 1, #01 in toonmap) en\n\n- meermalen (gericht) de onderbroek en\u002Fof de ontblote billen en\u002Fof vagina van meisje 1 te\n\nfilmen (zaaksdossier 1, #02 en #03 in toonmap) en\n\n- onder het rokje van meisje 1 te filmen, waardoor haar onderbroek en billen in beeld\n\nkomen (zaaksdossier 1, #04 in toonmap) en\n\n- meerdere screenshots van een filmpje waarop (onder andere) de ontblote vagina van meisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, #05 in toonmap)\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen, de trui van meisje 1 omhoog schuift en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 gaat en (daarbij) haar rug aanraakt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 1 bij haar middel pakt en tegen zich aan trekt waarbij hij haar beide benen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de\n\nverdachte komt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje 1 met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en\u002Fof de buik van de verdachte komt te liggen (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel legt en houdt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 2:\n\n- de ontblote billen en vagina van meisje 2 (gericht) te filmen, waarbij hij, verdachte, de\n\nbenen van meisje 2 uit elkaar haalt (zaaksdossier 2, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, de trui van meisje 2 omhoog trekt en het onderbroekje van\n\nmeisje 2 (deels) naar beneden trekt en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van\n\nhaar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, wrijft en meermalen over de onderbroek op haar billen wrijft (zaaksdossier 2, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 3:\n\n- meermalen meisje 3 te filmen in haar onderbroek en hemd, waarbij de nadruk ligt op haar onderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 3, #01 t\u002Fm #04 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 3 met beide armen (toestaat) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen\u002Fbillen vast te houden en meermalen tegen meisje 3 zegt \"Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?\" en\u002Fof “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter hoogte van zijn kruis\u002Fgeslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt (zaaksdossier 3, #05 en #06 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 4:\n\n- onder het rokje, de blote benen en de blote buik van meisje 4 te filmen (zaaksdossier 4,\n\n#03 in toonmap) en\n\n- te filmen dat verdachte zich aftrekt en (waarbij hij) zijn penis\u002Feikel naast de foto van\n\nmeisje 4 houdt (zaaksdossier 4, #04 in toonmap) en\n\n- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt\n\ngehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het\n\ngezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t\u002Fm #07),\n\n* Zaaksdossier 5:\n\n- meermalen de ontblote bovenlijf, bilspleet, billen, borsten en onderbroek (gericht) te\n\nfilmen (zaaksdossier 5, #01 t\u002Fm #03 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, over de onderbroek van meisje 5 wrijft ter hoogte van haar\n\nbillen en met zijn hand en\u002Fof vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de\n\nrand ter hoogte van haar billen, wrijft (zaaksdossier 5, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 6:\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het\n\nvoorraadhok plaatst (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, meermalen het rokje van meisje 6 omhoog tilt\u002Fschuift en haar benen uit elkaar trekt en daarbij de ontblote billen en vagina van meisje 6 (gericht) filmt (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, met wc-papier over de binnenzijde van haar been en over\n\nhaar vagina wrijft, waarbij de buitenste schaamlippen naar buiten worden geduwd\n\n(zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, de billen van meisje 6 vastpakt en spreidt, waardoor er zicht is\n\nop haar anus (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, over de (ontblote) billen van meisje 6 wrijft (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemde filmpjes van meisje 6, waarbij de nadruk ligt op\n\nhaar vagina en billen (zaaksdossier 6, #03 t\u002Fm #07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 7:\n\n- een foto van het gezicht van meisje 7 meermalen te bewerken (onder andere) met stijve\n\npenissen op haar gezicht en een witte substantie gelijkend op sperma op haar gezicht en de tekst “Cum Slut” en\n\n“Daddy slut” op haar gezicht, in elk geval voornoemde bewerkte foto’s in bezit heeft gehad\n\n(zaaksdossier 7, #05 en #06 in toonmap) en\n\n- een foto waarin een stijve penis bij de foto van meisje 7 wordt gehouden heeft gemaakt, in\n\nelk geval in bezit heeft gehad (zaaksdossier 7, #07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- meermalen onder het rokje en jurkje van meisje 8 te filmen, waardoor zicht is op haar\n\nonderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 8, #01, #02, #03, #06 en #07 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, het rokje en jurkje van meisje 8 omhoog schuift en gericht\n\nhaar onderbroek, vagina en billen filmt, waarbij wordt ingezoomd op de vagina en billen van meisje 8 (zaaksdossier 8 #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, het jurkje van meisje 8 omhoog trekt en meermalen over de\n\nbinnenzijde van het (ontblote) bovenbeen van meisje 8 wrijft (zaaksdossier 8, #07 in\n\ntoonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03),\n\nwaarbij de nadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05\n\nin toonmap),\n\n* Zaaksdossier 9:\n\n- meermalen onder het rokje van meisje 9 te filmen, waardoor zicht is op haar billen en\n\nonderbroek (zaaksdossier 9, #05 en #06 in toonmap) en\n\n- te filmen dat hij, verdachte, zijn arm om meisje 9 heen slaat en te zeggen: “He kutje, hoe is\n\nhet?” en hierbij met zijn hand over haar rug wrijft en meermalen op de billen van meisje 9\n\nslaat (zaaksdossier 9, #02 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 10:\n\n- de onderbroek van meisje 10 (gericht) te filmen (zaaksdossier 10, #03 in toonmap),\n\n*Zaaksdossier 11:\n\n- onder het rokje van meisje 11 (gericht) te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek\n\n(zaaksdossier 11, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek van\n\nmeisje 11 (zaaksdossier 11, #02 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 12:\n\n- meermalen onder het rokje en\u002Fof jurkje van meisje 12 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en\u002Fof vagina (zaaksdossier 12, #01 en #08 in toonmap) en\n\n- de (geklede) billen van meisje 12 (gericht) te filmen (zaaksdossier 12, #03 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en het\n\nonderlichaam van meisje 12 (zaaksdossier 12, #02 t\u002Fm 07 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 13:\n\n- de (geklede) billen\u002Fonderlichaam van meisje 13 (gericht) te filmen (zaaksdossier 13, #01 in\n\ntoonmap),\n\n* Zaaksdossier 14:\n\n- meisje 14 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 14, #01 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 15:\n\n- onder het rokje van meisje 15 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en (de\n\ncontouren van) haar vagina en billen (zaaksdossier 15, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en (de contouren van) de vagina en\u002Fof billen van meisje 15 (zaaksdossier 15, #02 en #03 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 16:\n\n- meisje 16 te filmen in haar onderbroek en hemd en (daarbij) gericht op haar billen\n\n(zaaksdossier 16, #01 in toonmap) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en billen van meisje 16 (zaaksdossier 16, #02 t\u002Fm #04 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 17:\n\n- meisje 17 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 17, #01 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 18:\n\n- de (geklede) billen van meisje 18 (gericht) te filmen (zaaksdossier 18, #01 in toonmao) en\n\n- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en buik van meisje 18 (zaaksdossier 18, #02 t\u002Fm #04 in toonmap),\n\nen via social media heeft verspreid:\n\n* Zaaksdossier 1:\n\n- een screenshot van een door verdachte vervaardigde video waarop de ontblote vagina van\n\nmeisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, vervolg zaak 1, #01 in toonmap),\n\n* Zaaksdossier 4:\n\n- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt\n\ngehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het\n\ngezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t\u002Fm #07),\n\n* Zaaksdossier 8:\n\n- ( een) screenshots van een filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03), waarbij de\n\nnadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05 in toonmap),\n\nwaarbij die afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking had(den) en strekte(n) tot seksuele prikkeling,\n\nvan welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;\n\n3.\n\nhij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van meerdere kinderen:\n\n* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,\n\n* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,\n\n* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019\n\n* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015\n\n* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,\n\n* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,\n\n* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,\n\n* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,\n\n* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015\n\n* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,\n\n* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,\n\n* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,\n\n* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,\n\n* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,\n\n* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,\n\n* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 9]2017,\n\n* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,\n\n* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,\n\naanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het schoolgebouw van\n\n [naam school] meerdere afbeeldingen heeft vervaardigd;\n\n4.\n\nhij in de periode van 28 april 2009 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens\n\n- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen (ongeveer 199.105 afbeeldingen), te weten foto’s en video’s en\n\n- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons,\n\nSD-kaarten, desktops en USB-sticks bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te\n\nweten foto’s en video’s, van seksuele gedragingen en visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft:\n\n- verspreid via social media (waaronder via Telegram en Teleguard)\n\n- aangeboden,\n\n- verworven,\n\n- in bezit gehad en\n\n- zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een\n\ncommunicatiedienst de toegang heeft verschaft,\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\n- het met de penis, vinger\u002Fhand, voorwerp en\u002Fof mond\u002Ftong oraal, vaginaal en\u002Fof anaal\n\npenetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet\n\nhad bereikt en\n\n- het met de penis, mond\u002Ftong en\u002Fof vinger\u002Fhand oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van\n\nhet lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar\n\nnog niet had bereikt en\n\n- het met de vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen\n\nlichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #01 t\u002Fm 08, #34, #35 en #37\n\n- het met de penis, vinger\u002Fhand, tong betasten en\u002Fof aanraken van de geslachtsdelen, billen, borsten en\u002Fof andere lichaamsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n- het met de hand en\u002Fof mond\u002Ftong betasten en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n- het met de hand betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de billen en\u002Fof borsten door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #09 t\u002Fm #16\n\n- het door een dier likken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\n\n* zie toonmap reguliere KP #17\n\n- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met een voorwerp en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past\u002Fpassen en\u002Fof door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling en\n\n* zie toonmap reguliere KP #18 t\u002Fm #27\n\n- het masturberen boven\u002Fbij en\u002Fof ejaculeren op het gezicht en\u002Fof lichaam van een persoon\n\ndie kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n- het houden van een (stijve) penis bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht\u002Flichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is\n\n* zie toonmap reguliere KP #28 t\u002Fm #33, #36 en #38\n\nwaarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;\n\n5.\n\nhij op 9 juli 2025 te [plaats] voorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind of van een lichaamsdeel van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, die bestemd warenom seksuele handelingen mee te verrichten, te weten meerdere kindersekspoppen, voorzien van een anus en\u002Fof vagina en\u002Fof een opening bij de mond, in bezit heeft gehad;\n\n6.\n\nhij op 9 juli 2025 te [plaats] opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 680 milliliter GHB aanwezig heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De oplegging van straffen en maatregel\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ingevolge artikel 38z Sr wordt opgelegd.\n\nVerder heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met alle slachtoffers voor de duur van vijf jaren, en een locatieverbod voor twee postcodes in [plaats] voor de duur van tien jaren. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot vordert de officier van justitie op te leggen dat de verdachte wordt ontzet uit het recht tot uitoefening van elk beroep waardoor de verdachte in aanraking met minderjarigen onder de twaalf jaar zou kunnen komen, voor de duur van tien jaren.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vijfeneenhalf jaar schuldig gemaakt aan het heimelijk filmen en aan het vervaardigen, bezitten en verspreiden van kindermisbruikmateriaal\u002Fkinderporno van jonge meisjes op een basisschool. In zijn hoedanigheid van conciërge heeft hij ernstig misbruik gemaakt van zijn positie door deze meisjes te filmen, onder meer wanneer zij naar het toilet gingen of geholpen moesten worden met verschonen na een plasongelukje. Daarbij lag de focus telkens op de intieme lichaamsdelen. In zeven gevallen heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen en seksuele handelingen, door de slachtoffers op (intieme) lichaamsdelen aan te raken. Hiermee heeft hij hun lichamelijke en geestelijke integriteit ernstig geschonden. De verdachte is planmatig en doelgericht te werk gegaan. Hij gaf de meisjes regelmatig snoepjes en knuffels en wist op die manier een vertrouwensband met hen op te bouwen. De verdachte heeft hen daarnaast bewust opgezocht, aangestuurd en zodanig gepositioneerd dat hij hen beter kon filmen.\n\nDe rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem mochten hebben en van het overwicht dat hij als volwassene had op de nog zeer jonge slachtoffertjes. Te meer wordt dit de verdachte aangerekend nu hij reeds in behandeling was voor zijn pedofiele stoornis, maar er desondanks en tegen het dringende advies van zijn behandelaar in, toch voor heeft gekozen een baan aan te nemen op een basisschool waar hij in contact zou komen met veel minderjarige meisjes. Dat de verdachte, zoals hij zelf naar voren heeft gebracht, geen andere keuze had dan de baan als conciërge te accepteren omdat hij anders zijn uitkering zou verliezen, is niet geloofwaardig en miskent zijn eigen verantwoordelijkheid in de gang van zaken. Zou de verdachte immers open kaart hebben gespeeld over zijn stoornis, dan had geen enkele uitkeringsinstantie hem naar nota bene een basisschool gestuurd. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen op school in een veilige omgeving verblijven en dat hen daar niets overkomt. Door het handelen van de verdachte is dat vertrouwen ernstig geschonden. Zijn handelen heeft diepe sporen nagelaten in de betrokken gezinnen. Wat de precieze gevolgen voor de meisjes zullen zijn, zal de toekomst moeten uitwijzen. De gevolgen voor de ouders en naasten van de betrokken kinderen, zijn naar voren gekomen uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. Uit de verklaringen van de ouders komt naar voren dat het handelen van de verdachte ook hen veel pijn en verdriet heeft toegebracht. De ouders hebben toegelicht dat zij kampen met schuldgevoelens en onzekerheid met betrekking tot de vraag of en in welke mate dit gevolgen zal hebben op de verdere ontwikkeling van hun kinderen.\n\nDaarnaast heeft de verdachte gedurende een periode van meer dan zestien jaar een gewoonte gemaakt van het bezitten en verspreiden van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal. Op de aangetroffen afbeeldingen en video’s zijn verregaande seksuele handelingen met (jonge) kinderen te zien. Bij de vervaardiging van dergelijk materiaal worden kinderen seksueel misbruikt en uitgebuit, met alle emotionele en lichamelijke schadelijke gevolgen voor hen van dien. Zij kunnen nog lange tijd achtervolgd worden door de gevolgen van de verspreiding van de beelden, doordat het vrijwel onmogelijk is om een afbeelding of video die op het internet is gezet, daarvan af te halen. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de vraag naar dergelijk kindermisbruikmateriaal en daarmee aan de instandhouding van dat misbruik en de uitbuiting van minderjarigen. Met de gevolgen voor de kinderen heeft hij geen rekening gehouden.\n\nDe verdachte heeft verder meerdere kindersekspoppen in bezit gehad. Het bezit van dergelijke seksattributen draagt bij aan het in stand houden van een markt voor voorwerpen die seksualisering van kinderen in de hand werken en het creëren van een subcultuur die seks met kinderen als normaal gedrag afspiegelt. Tot slot heeft de verdachte een hoeveelheid GHB aanwezig gehad.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgesteld door psychiater dr. [psychiater] en van de Pro Justitia-rapportage van 8 april 2026, opgesteld door klinisch psycholoog drs. [klinisch psycholoog] .\n\nDe psychiater komt tot de conclusie dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. In het verleden is een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis vastgesteld en de verdachte gebruikt medicatie die verschijnselen van deze stoornis onderdrukt. De pedofiele stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Het uit de pedofiele stoornis voortkomende sterke verlangen naar seksueel contact met prepuberale meisjes, in combinatie met de cognitieve vertekeningen, zorgde ervoor dat de verdachte doorging met het verzamelen van kinderporno, het filmen en ontuchtig aanraken van de kinderen op de school. De psychiater adviseert de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Om het door de psychiater op matig ingeschatte risico op recidive te verlagen wordt geadviseerd een behandeling op te leggen en deze klinisch te laten beginnen. Daarna zullen toezicht en begeleiding een grote rol moeten spelen. De psychiater adviseert deze behandeling, indien de strafmaat dit toelaat, op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. Een behandeling op basis van een voorwaardelijk strafdeel zal onvoldoende bescherming bieden tegen recidive. Het opleggen van tbs met dwangverpleging wordt niet geadviseerd.\n\nDe psycholoog concludeert, net als de psychiater, dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. Daarnaast is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, schizoïde, vermijdende, dwangmatige en antisociale trekken. Er is sprake van een doorwerking van deze stoornissen in aanloop tot en ten tijde van het plegen van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Om deze reden adviseert de psycholoog het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het risico op een nieuw hands-ondelict wordt ingeschat als matig, maar dit risico stijgt indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard. Om het risico op recidive terug te dringen is het wenselijk dat de verdachte behandeld wordt voor zijn pedofiele stoornis. Dit kan middels cognitieve gedragstherapie of andere vormen van psychotherapie. De psycholoog adviseert om deze behandeling klinisch te laten starten. Een behandeling als onderdeel van een voorwaardelijke straf is hiervoor onvoldoende; wanneer de verdachte niet zou meewerken, resteert de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegd strafdeel. Dat is volgens de psycholoog zorgelijk, zeker omdat het recidiverisico matig is. Er is langdurige zorg en toezicht nodig, maar er is geen hoog beveiligingsniveau nodig. Om die reden lijkt volgens de psycholoog, indien de strafmaat dit toelaat, tbs met voorwaarden meer passend dan tbs met dwangverpleging. Daarnaast wordt geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.\n\nNu de conclusies van de psychiater en de psycholoog worden gedragen door hun bevindingen, neemt de rechtbank de conclusies van de psychiater en de psycholoog, dat het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde de verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend, over en maakt die tot de hare. De rechtbank rekent het bewezen verklaarde dus in zoverre in verminderde mate aan de verdachte toe, maar houdt daarbij ook rekening met het feit dat de verdachte geraffineerd te werk ging door telkens heimelijk opnames te maken met speciale software om niet te worden betrapt. De verdachte was er dus van doordrongen dat wat hij deed onacceptabel was.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 2 juni 2026. Uit de rapportage volgt dat de reclassering zich in grote lijnen aansluit bij hetgeen door de psychiater en psycholoog is geconcludeerd. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. De reclassering heeft bij een veroordeling positief geadviseerd over tbs met voorwaarden. Ondanks de ambivalente houding van de verdachte ten aanzien van een klinische opname, is de reclassering van mening dat alleen een langdurig traject met een stevige stok achter de deur de verdachte kan helpen om niet opnieuw de fout in te gaan. De reclassering adviseert deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast wordt geadviseerd een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking aan de verdachte op te leggen, vanwege de problematiek bij de verdachte die langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen na de tbs-maatregel.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. De oriëntatiepunten gaan voor het maken van een gewoonte van het vervaardigen van kinderporno uit van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Voor het maken van een gewoonte van het verspreiden van kinderporno geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Voor ontucht en seksuele handelingen met minderjarigen zoals in deze zaak aan de orde zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Ook is er geen oriëntatiepunt voor het bezit van de kindersekspoppen. Tot slot staat op het bezit van 680 milliliter GHB volgens de oriëntatiepunten een taakstraf.\n\nNaast de oriëntatiepunten neemt de rechtbank de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd – zoals hiervoor al besproken – in aanmerking. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat de verdachte, terwijl hij wist dat hij leed aan een pedofiele stoornis en daarvoor in behandeling was, voor een basisschool is gaan werken. Hij heeft een basisschool, wat een veilige plek voor jonge kinderen moet zijn, gebruikt om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen. Het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in een basisschool als een veilige plaats voor kinderen, is beschaamd. De zaak heeft mede daarom tot veel maatschappelijke beroering en onbegrip geleid.\n\nGelet op het voorgaande, in het bijzonder de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de lange periode waarover de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en het grote aantal slachtoffers, concludeert de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nDe eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zeven jaren.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nAan de wettelijke vereisten voor het opleggen van tbs is voldaan. De onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, Sr. Ten tijde van het begaan van deze feiten was bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Op grond van de aard van de feiten, de inhoud van de Pro Justitia-rapportages en het reclasseringsadvies, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het gemiddelde recidiverisico, de veiligheid van anderen eist dat aan de verdachte tbs wordt opgelegd.\n\nDe rechtbank onderkent dat beide deskundigen van de Pro Justitia-rapportages en de reclassering tbs met voorwaarden (en niet tbs met dwangverpleging) hebben geadviseerd. Dit lijkt dan ook het meest passende kader voor de verdachte te zijn. De oplegging van een gevangenisstraf van meer dan vijf jaren staat echter aan het opleggen van tbs met voorwaarden in de weg. Doordat een gevangenisstraf van zeven jaar aan de verdachte wordt opgelegd, is het op grond van de wet niet mogelijk om tbs met voorwaarden op te leggen. De rechtbank is daarmee beperkt in haar mogelijkheden. Aangezien geen lichter of ander kader resteert om de noodzakelijke behandeling dwingend vorm te geven en het risico op recidive te beperken, eist de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging.\n\nDe maatregel wordt (mede) opgelegd voor zedenfeiten, en derhalve voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel is dus niet gemaximeerd en kan daarom langer duren dan vier jaren.\n\nDe 38v- en 38z-maatregel\n\nNu de verdachte eerst het resterende deel van de opgelegde gevangenisstraf moet ondergaan\n\nen daarna zal worden behandeld in het kader van de tbs met dwangverpleging, ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contact- en locatieverbod op te leggen. Hetzelfde geldt voor de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nBeroepsverbod\n\nDe verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten in de uitoefening van zijn beroep begaan. Om het gevaar in te perken dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten, legt de rechtbank een verbod op aan de verdachte tot het uitoefenen van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen. De rechtbank acht een duur van tien jaren passend en geboden.\n\n8. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nIn totaal hebben negentien benadeelde partijen zich gevoegd in dit strafproces. Deze benadeelde partijen vorderen de verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nIn de tabel hieronder wordt het door hen gevorderde weergegeven.\n\nBenadeelde partij\n\nMateriële schade\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\nZaak 1: [benadeelde 1]\n\n€ 8.612,15\n\n€ 135.712,50\n\n€ 144.324,65\n\nZaak 1: [benadeelde 2]\n\n€ 5.564,06\n\n€ 20.000,-\n\n€ 25.564,06\n\nZaak 2: [benadeelde 3]\n\n€ 8.100,-\n\n€ 16.000,-\n\n€ 24.100,-\n\nZaak 3: [benadeelde 4]\n\n€ 6.526,90\n\n€ 16.125,-\n\n€ 22.651,90\n\nZaak 4: [benadeelde 5]\n\n-\n\n€ 5.000,-\n\n€ 5.000,-\n\nZaak 5: [benadeelde 6]\n\n€ 12.946,04\n\n€ 10.000,-\n\n€ 22.946,04\n\nZaak 6: [benadeelde 7]\n\n€ 5.112,05\n\n€ 13.750,-\n\n€ 18.862,05\n\nZaak 6: [benadeelde 8]\n\n€ 13,86\n\n€ 10.000,-\n\n€ 10.013,86\n\nZaak 6: [benadeelde 9]\n\n€ 206,80\n\n€ 10.000,-\n\n€ 10.206,80\n\nZaak 7: [benadeelde 10]\n\n€ 6.553,39\n\n€ 11.250,-\n\n€ 17.803,39\n\nZaak 8: [benadeelde 11]\n\n-\n\n€ 6.000,-\n\n€ 6.000,-\n\nZaak 11: [benadeelde 12]\n\n€ 15,04\n\n€ 3.125,-\n\n€ 3.140,04\n\nZaak 12: [benadeelde 13]\n\n€ 12.038,72\n\n€ 3.125,-\n\n€ 18.288,72\n\nZaak 13: [benadeelde 14]\n\n€ 3.125,-\n\nZaak 14: [benadeelde 15]\n\n-\n\n€ 3.500,-\n\n€ 3.500,-\n\nZaak 15: [benadeelde 16]\n\n€ 5.274,97\n\n€ 3.125,-\n\n€ 8.399,97\n\nZaak 16: [benadeelde 17]\n\n-\n\n€ 3.500,-\n\n€ 3.500,-\n\nZaak 17: [benadeelde 18]\n\n€ 5.327,-\n\n€ 1.875,-\n\n€ 7.202,-\n\nZaak 18: [benadeelde 19]\n\n-\n\n€ 4.000,-\n\n€ 4.000,-\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade in de zaken 2 en 11 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.827,20 voor het slachtoffer en € 24,51 voor haar moeder, in zaak 3 tot € 1.526,90, in zaak 5 tot € 154,06, in zaak 7 tot € 1.553,39 en in zaak 17 tot € 327,-. Voor het overige dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.\n\nDe officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schade op het standpunt gesteld dat deze in de zaken 2, 4, 5, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 28.000,- voor het slachtoffer en € 3.000,- voor haar moeder, in zaak 3 tot € 7.500,- en in zaak 6 tot € 10.000,-. De ouders van slachtoffer 6 dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, nu geen sprake lijkt te zijn van shockschade.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding ten aanzien van de vorderingen in de zaken 1, 3 en 7 zich primair op het standpunt gesteld dat deze te complex zijn voor behandeling en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, en subsidiair dat deze dienen te worden afgewezen. Met betrekking tot de gevorderde reis- en parkeerkosten in de zaken 5, 6, 11, 12, 13, 15 en 17 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade in de zaken 2, 5, 6, 12, 13 en 17 dienen de benadeelde partijen (voor het overige) niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.\n\nTer onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde onvoorziene kosten (zaken 1, 3, 4, 6, 7, 12, 13, 15 en 17) niet zijn onderbouwd, onvoldoende blijkt dat de uitjes (zaak 1) noodzakelijk waren, er onvoldoende verband is tussen de studievertraging (zaak 2) en de ten laste gelegde feiten, en dat de kosten van het opnemen van verlof (zaak 5) geen direct gevolg zijn van het handelen van de verdachte.\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding in het algemeen opgemerkt dat de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen moet worden bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. De raadsman heeft dit vervolgens nader geconcretiseerd en bepleit dat de volgende bedragen aan immateriële schade passend zijn:\n\n- een bedrag van € 2.500,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 2, 4, 7, 12 en 13;\n\n- een bedrag van € 2.000,00 voor de benadeelde partij in zaak 6;\n\n- een bedrag van € 1.500,00 voor de benadeelde partij in zaak 1;\n\n- een bedrag van € 1.000,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 3, 5, 8, 11, 14, 15, 16 en 17;\n\n- een bedrag van € 500,00 voor de benadeelde partij in zaak 18.\n\nVerder heeft de raadsman ten aanzien van de vorderingen van de ouders in de zaken 1 en 6 verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Daartoe heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat geen sprake kan zijn van shockschade, nu geen sprake was van een directe confrontatie met de seksuele handelingen tussen de verdachte en hun dochter.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe ouders van de slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben namens hen materiële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben daarnaast zelf ook materiële schade gevorderd.\n\nVerplaatste schade: wettelijk kader\n\nHet wettelijk kader voor een vergoeding van de verplaatste schade is artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat om kosten die een derde ten behoeve van het slachtoffer heeft gemaakt en die het slachtoffer zelf had kunnen claimen als het slachtoffer de kosten zelf zou hebben gemaakt. Om deze schade te kunnen verhalen op de verdachte, moet er een direct oorzakelijk verband bestaan tussen het strafbare feit en de schade.\n\nReis- en parkeerkosten\n\nDe benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben materiële schade gevorderd voor reis- en parkeerkosten.\n\nTen aanzien van de reiskosten in het kader van een medische behandeling overweegt de rechtbank dat dit schade is die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en dat deze in redelijkheid zijn gemaakt. De verdediging heeft deze kosten niet betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering van zaak 1 dan ook toewijzen. Uit het bij de vordering gevoegde overzicht blijkt dat de benadeelde partij 24 keer reiskosten heeft gemaakt voor een medische behandeling, waarbij per bezoek een afstand van 2,6 kilometer is afgelegd. De rechtbank hanteert een kilometervergoeding van € 0,33. De voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten bedragen derhalve 24 x 2,6 x € 0,33, in totaal € 20,59.\n\nDe overige reis- en parkeerkosten zien op het bijwonen van zittingen, bezoeken aan het politiebureau voor het doen van aangifte en bezoeken aan een advocaat, slachtofferhulp of de school. Al deze overige opgevoerde reiskosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv. Uit vaste rechtspraak blijkt verder dat reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van een zitting op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover door de benadeelde partij zonder gemachtigde (advocaat) wordt geprocedeerd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen met een gemachtigde (advocaat) procederen. Het wettelijk stelsel biedt in dat geval geen ruimte voor vergoeding van de hier gevorderde reiskosten. De overige kosten zijn in het geheel niet toewijsbaar als proceskosten, omdat zij niet worden genoemd in de civiele proceskostenregeling (zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4540 en Hoge Raad 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). In zoverre worden de vorderingen dan ook afgewezen.\n\nOnvoorziene kosten\n\nDe vorderingen zijn met betrekking tot de post ‘onvoorziene kosten’ van € 5.000,- niet (voldoende) onderbouwd. Vanwege dit gebrek aan onderbouwing zal de rechtbank de benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 12, 13, 15 en 17 in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen de gelegenheid geven de vorderingen nader te onderbouwen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nKosten opstellen rapportage\n\nIn de zaken 1, 3 en 7 zijn kosten gevorderd die verband houden met het opstellen van een rapportage door een deskundige inzake de sociaal emotionele ontwikkelingsrisico’s van de slachtoffers. De rechtbank overweegt dat een dergelijk rapport in voorkomende gevallen inzicht kan geven in de mogelijke gevolgen van het handelen van de verdachte voor de ontwikkeling van de slachtoffers op langere termijn. De rechtbank is echter van oordeel dat in de overgelegde rapporten op verschillende punten wordt uitgegaan van aannames waarvan de juistheid in deze procedure niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal deze rapporten daarom niet aan haar beoordeling ten grondslag leggen en daarmee komen de kosten voor deze rapporten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nIn zaak 7 was het deskundigenrapport ten tijde van de behandeling van de vordering nog niet opgesteld. Reeds daarom kan de rechtbank dit rapport niet betrekken bij haar beoordeling en kunnen de daarvoor gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partijen zullen ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.\n\nStudievertraging\n\nDoor de ouders in zaak 2 is een vergoeding voor studievertraging gevorderd, omdat hun kind een schooljaar is blijven zitten. De rechtbank is van oordeel dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, de bewezen verklaarde feiten de studievertraging tot gevolg hebben gehad. De vaststelling of de bewezen verklaarde feiten studievertraging hebben opgeleverd voor de benadeelde partij, brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.\n\nOverige gevorderde materiële schade\n\nIn zaak 1 zijn kosten voor door de moeder met het slachtoffer ondernomen uitjes opgevoerd. Deze kosten staan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband met de bewezen verklaarde feiten om te kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. Nu het rechtstreekse verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de gestelde schade niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering tot schadevergoeding\n\nIn zaak 5 is een vergoeding voor verlofopname van de ouders gevorderd, omdat zij niet hebben kunnen werken vanwege de afhandeling van de zaak en hun dochter hebben moeten ondersteunen. Deze gevorderde kosten betreffen geen schade die door hun dochter zelf is geleden en vervolgens naar de ouders is verplaatst. Er is dus geen sprake van verplaatste schade als bedoeld in 6:107, eerste lid, onder a, BW. Ook de gevorderde schade wegens gederfde inkomsten van de ouders in de zaken 12, 13 en 17, die verband houdt met de tijd die zij hebben besteed aan het doen van aangifte en het bijwonen van de zitting, betreft geen schade die door hun kinderen zelf is geleden. Ten aanzien van deze schade zullen de benadeelde partijen daarom in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nGevorderde materiële schade door ouders\n\nDoor de moeder van slachtoffer 1 en de ouders van slachtoffer 6 is vergoeding van (eigen) materiële schade gevorderd. Ten aanzien van de kosten voor het raadplegen van de huisarts of een specialist in verband met klachten die zouden zijn ontstaan na de bewezen verklaarde feiten, alsmede de daarmee samenhangende reiskosten, overweegt de rechtbank dat onvoldoende uit de onderbouwing is gebleken dat deze schadeposten in een rechtstreeks verband staan met de bewezen verklaarde feiten. Hetzelfde geldt voor de gevorderde schoonmaakwerkzaamheden in de woning, reiskosten voor het volgen van therapie en parkeerkosten vanwege een spoedopname in het ziekenhuis. Deze kosten kunnen dan ook niet als rechtstreekse schade worden aangemerkt. De benadeelde partijen zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.\n\nImmateriële schade\n\nDe slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 hebben immateriële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben schadevergoeding verzocht vanwege het bestaan van shockschade.\n\nWettelijk kader\n\nVoor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106 BW – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.\n\nVan de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).\n\nOntucht en aanranding\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze gevallen meebrengen dat de in dit verband door de benadeelden ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen in de zaken 1, 2, 3, 5, 6 en 8 rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is welk bedrag passend is om toe te wijzen als vergoeding voor de geleden schade. Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van de per categorie genoemde bedragen in de Rotterdamse schaal. De rechtbank heeft voor het nadeel als gevolg van het ontucht aansluiting gezocht bij categorie 15.3 ‘aanranding’. Daarin is een bandbreedte van € 1.000,- tot € 6.500,- opgenomen. De rechtbank neemt verder de jonge leeftijd van de slachtoffers in aanmerking en de omstandigheden dat sprake is geweest van meerdere ontuchtige en seksuele handelingen. De rechtbank acht een bedrag van € 2.000,- per benadeelde partij billijk. De benadeelde partijen worden voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.\n\nHeimelijk filmen en vervaardigen kinderpornografisch materiaal\n\nAnders dan het geval is voor de hiervoor besproken ontuchtige handelingen en aanranding, is de rechtbank van oordeel dat wat betreft het heimelijk filmen een onderbouwing van de vordering nodig is op basis waarvan een aantasting in de persoon en daarbij behorende schade kan worden vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het filmen heimelijk is gebeurd, onduidelijk is hoeveel de slachtoffers van het maken van de opnames hebben gemerkt en wat de gevolgen daarvan voor hen zijn of zullen zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een dergelijke onderbouwing in de zaken 4, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 ontbreekt. De rechtbank kan op basis van de gegeven onderbouwing niet vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon en schade als gevolg daarvan. De benadeelde partijen de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partijen zullen daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nBeoordelingskader shockschade\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van zogenoemde shockschade mogelijk. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.\n\nBeoordeling van de vorderingen van de ouders\n\nDe moeder van slachtoffer 1 heeft gesteld dat zij als gevolg van de handelingen die de verdachte jegens haar dochter heeft begaan, psychische klachten heeft ontwikkeld en haar werkzaamheden in omvang heeft moeten verminderen.\n\nDe ouders van slachtoffer 6 hebben gesteld dat zij psychische klachten hebben ontwikkeld nadat zij door de politie werden geconfronteerd met het handelen van de verdachte jegens hun dochter. De vader is als gevolg daarvan uitgevallen op werk en de moeder stelt verlies van arbeidsvermogen te hebben geleden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank komt de ouders van de slachtoffers geen vergoeding van shockschade toe. De rechtbank stelt vast dat in meerdere opzichten geen sprake is van een situatie als door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie beschreven, hoe zeer overigens ook invoelbaar is dat de bewezen verklaarde feiten voor de ouders in emotioneel opzicht zeer belastend zijn.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partijen derhalve ter zake van de gevorderde immateriële niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.\n\nConclusie\n\nAl het voorgaande betekent dat de rechtbank de volgende bedragen zal toewijzen.\n\nBenadeelde partij\n\nMateriële schade\n\nImmateriële schade\n\nTotaal\n\nZaak 1: [benadeelde 1]\n\n€ 20,59\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.020,59\n\nZaak 1: [benadeelde 2]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 2: [benadeelde 3]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 3: [benadeelde 4]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 4: [benadeelde 5]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 5: [benadeelde 6]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 6: [benadeelde 7]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 6: [benadeelde 8]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 6: [benadeelde 9]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 7: [benadeelde 10]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 8: [benadeelde 11]\n\n-\n\n€ 2.000,-\n\n€ 2.000,-\n\nZaak 11: [benadeelde 12]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 12: [benadeelde 13]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 13: [benadeelde 14]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 14: [benadeelde 15]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 15: [benadeelde 16]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 16: [benadeelde 17]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 17: [benadeelde 18]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nZaak 18: [benadeelde 19]\n\n-\n\n-\n\n-\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank zal de wettelijke rente voor iedere benadeelde partij toewijzen vanaf de datum waarop de (eerste) video-opname met de ten aanzien van die benadeelde partij onder feit 1 bewezen verklaarde handelingen is vervaardigd, aangezien de schade geacht wordt op dat moment te zijn ontstaan.\n\nProceskosten\n\nTen aanzien van de vorderingen van de slachtoffers die gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nMet betrekking tot de overige vorderingen moeten de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht. De rechtbank zal de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel steeds opleggen ter hoogte van het toegewezen bedrag.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze betalingsverplichting worden aangevuld met het aantal dagen gijzeling dat blijkt uit het dictum van dit vonnis, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\nBEM-clausule\n\nDe rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak door de verdachte te betalen schadevergoeding en rente daarover zullen worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de benadeelde partijen nu zij allen nog minderjarig zijn. De benadeelde partijen en hun wettelijke vertegenwoordigers kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen beschikken tot het moment waarop de benadeelde partijen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n- 28, 31, 36 f, 37a, 37b, 57, 139f, 240b (oud), 247 (oud), 248 (oud), 249, 252, 253a en 254 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\n in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\ngekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind in een situatie van afhankelijkheid, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\n in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:\n\nafbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\nvisuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;\n\nten aanzien van feit 3:\n\ngebruik makend van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 4:\n\nin de periode van 28 april 2009 tot en met 30 juni 2024:\n\nafbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, in bezit hebben of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;\n\nen\n\n in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:\n\nvisuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en aanbieden en verwerven en in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;\n\nten aanzien van feit 5:\n\nvoorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dat bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, in bezit hebben;\n\nten aanzien van feit 6:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van7 (ZEVEN) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de terbeschikkingstellingvan de verdachte;\n\nbeveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;\n\nontzetde verdachte van het recht tot uitoefening van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen, voor de duur van10 (TIEN) JAREN;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade (reiskosten in het kader van een medische behandeling) en € 2.000,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten, niet betrekking hebbende op reiskosten in het kader van een medische behandeling, af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 1] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2015) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 6] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 6] (geboren op [geboortedatum 4] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 7] ;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 7] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 7] (geboren op [geboortedatum 5] 2018) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 11] ;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025\n\ntot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 11] ;\n\nbepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 11] (geboren op [geboortedatum 7] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;\n\nde vorderingen van de overige benadeelde partijen\n\nbepaalt dat de benadeelde partijen:\n\n- [benadeelde 2] ;\n\n- [benadeelde 5] ;\n\n- [benadeelde 8] ;\n\n- [benadeelde 9] ;\n\n- [benadeelde 10] ;\n\n- [benadeelde 12] ;\n\n- [benadeelde 13] ;\n\n- [benadeelde 14] ;\n\n- [benadeelde 15] ;\n\n- [benadeelde 16] ;\n\n- [benadeelde 17] ;\n\n- [benadeelde 18] ;\n\n- [benadeelde 19] ;\n\nniet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;\n\nde inbeslaggenomen goederen\n\nverstaat dat van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen afstand is gedaan door de verdachte en dat er geen beslag meer open staat.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. B.J. van de Griend, voorzitter,\n\nmr. S. Pereth, rechter,\n\nmr. C.A.W. Zijlstra, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.7.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.11.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.10-11.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.13.\n\n Kamerstukken II 2022\u002F23, 36222, nr. 8, p.11.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18604","ecli-nl-rbdha-2026-18604",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":64,"language":7,"source":17,"sourceUrl":65,"summary":14,"slug":66,"metadata":67},"1230","ECLI:NL:CBB:2026:319","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F30\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1], handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (onderneming)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 april 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een voorschot verleend van € 7.318,44.\n\nMet het besluit van 2 september 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de onderneming vastgesteld op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot van € 6.903,90 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de onderneming gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De onderneming heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de onderneming mocht vaststellen op € 414,54 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de onderneming, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de onderneming\n\n3 De onderneming is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Hierdoor komt de onderneming in ernstige financiële problemen. Zij doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. De onderneming voert aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de subsidie zou worden vastgesteld op een bedrag, gelijk aan het aan haar toegekende voorschot van € 7.318,44. Zij heeft haar bedrijfsvoering en financiële planning daarop afgestemd. Ook voert zij aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, omdat de plotselinge terugvordering grote consequenties heeft voor de onderneming en deze onder grote druk zet. Daarnaast voert zij aan dat er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad doordat de minister de tegemoetkoming onjuist en misleidend heeft berekend, zodat ondernemers onverwacht grote bedragen moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de onderneming financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. De minister heeft de onderneming al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat de tegemoetkoming lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Ook heeft de minister geen toezegging of andere uitlating gedaan of gedraging verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar tegemoetkoming zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. Tot slot is er geen sprake van een onrechtmatige overheidsdaad, omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de onderneming, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de onderneming is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 20.909,82. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn het verleningsbesluit staat daarnaast de volgende passage:\n\n“Het definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023, zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 414,54. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De onderneming heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de onderneming onvoldoende wordt gecompenseerd voor de hoge energieprijzen. Het College merkt voor de volledigheid op dat het de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De onderneming heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De onderneming heeft aangevoerd dat de plotselinge terugvordering ernstige financiële consequenties heeft en de onderneming onder grote druk zet. Het College oordeelt dat zij deze omstandigheden alleen heeft gesteld en niet met stukken heeft onderbouwd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de ondernemingen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de onderneming dat bedrag niet nodig heeft gehad waar het voor bedoeld was, namelijk om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen. De onderneming heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar bedrijf in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen betalingsregeling. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nBeroep op het vertrouwensbeginsel\n\n8 Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de onderneming in ieder geval aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de onderneming in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daar is in dit geval geen sprake van. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat geen toezegging of andere uitlating is gedaan of gedraging is verricht op basis waarvan de onderneming mocht aannemen dat haar subsidie zou worden vastgesteld op het verleende voorschot of meer. De minister heeft er terecht op gewezen dat in het verleningsbesluit staat vermeld dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen door de ontwikkeling van de energieprijzen.\n\n9 Uit het voorgaande (onder 5-8) volgt dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en dus ook niet van een onrechtmatige overheidsdaad. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen nadere bespreking.\n\nConclusie\n\n10 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n11 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de onderneming betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-onderneming zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-onderneming of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:319","ecli-nl-cbb-2026-319",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":69,"ecli":70,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":71,"language":7,"source":17,"sourceUrl":72,"summary":14,"slug":73,"metadata":74},"1232","ECLI:NL:CBB:2026:318","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F118\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 2 november 2023 (verleningsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) ingewilligd, en een tegemoetkoming van maximaal € 12.767,65 verleend.\n\nMet het besluit van 30 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming van de vennootschap vastgesteld op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot van € 4.450,62 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 2 januari 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 18,06 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. In het verleningsbesluit heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de minister vrijwel het hele voorschot van haar heeft teruggevorderd. Zij stelt dat de aanvraag door een tussenpersoon is gedaan en dat de vennootschap geen financieel voordeel heeft gehad omdat de voorschotten niet door haar zijn gehouden of gebruikt. Bovendien zijn haar energiekosten niet gedaald en is zij hoge energiekosten blijven betalen, ondanks de omstandigheid dat de onderneming niet volledig operationeel was vanwege ernstige gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar. De directeur-eigenaar van de vennootschap is lange tijd niet in staat geweest om actief te zijn binnen het bedrijf en heeft op 9 januari 2025 een hartoperatie ondergaan. Hierdoor is het niet mogelijk voor de vennootschap om het ontvangen voorschot volledig terug te betalen.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft de vennootschap al in het verleningsbesluit gewezen op de mogelijkheid dat het subsidiebedrag lager kan uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. Dat de vennootschap voor het indienen van de aanvraag een derde heeft ingeschakeld is geen bijzondere omstandigheid op basis waarvan zou moeten worden afgeweken van de bepalingen uit de TEK. De vennootschap heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van de onderneming in gevaar is of dat de vennootschap het met de minister overeengekomen bedrag niet zou kunnen terugbetalen. Dat de directeur-eigenaar van de vennootschap op leeftijd is en gezondheidsproblemen heeft, maakt ook niet dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot onevenwichtig is. Bovendien heeft de minister de mogelijkheid geboden om ruime terugbetalingsregelingen te treffen en is zij altijd in contact gebleven met de aanvragers over de ontwikkelingen.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit het verweerschrift blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd in het verleningsbesluit. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister ook bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In het verleningsbesluit van de vennootschap is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Het subsidiebedrag dat u maximaal kunt krijgen bedraagt € 12.767,65. Als uw\n\nsubsidiabele kosten hoger zijn dan € 160.000, dan is uw subsidiebedrag\n\nbegrensd op € 160.000.\n\nU ontvangt een voorschot van 35% van de subsidie vóór begrenzing op het\n\nmaximale subsidiebedrag van € 160.000. Het voorschot zelf is ook begrensd\n\nop € 160.000.\n\nHet definitieve subsidiebedrag kan lager uitvallen, afhankelijk van de ontwikkeling van de energieprijzen in 2023. De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel worden begin 2024 bekendgemaakt.”\n\nHet verleningsbesluit bevat vervolgens de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat het verleningsbesluit een besluit is, als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 18,06. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. Het College vat het beroep van de vennootschap op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022 enorm gestegen energieprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. Dat de energiekosten van de vennootschap hoog bleven door het in 2021 afgesloten vaste energiecontract en de onderneming van de vennootschap grotendeels niet operationeel was vanwege gezondheidsproblemen van de directeur-eigenaar is geen omstandigheid die de terugvordering onevenwichtig maakt. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is. Ook is niet gebleken dat de voorschotten niet door de vennootschap zijn gehouden of gebruikt, zodat ook dit geen bijzondere omstandigheid oplevert die de minister zou noodzaken af te wijken van de bepalingen uit de TEK. De keuze om een intermediair in te schakelen voor het indienen van de aanvraag is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie\n\n8 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n9 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:318","ecli-nl-cbb-2026-318",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":76,"ecli":77,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":78,"language":7,"source":17,"sourceUrl":79,"summary":14,"slug":80,"metadata":81},"1233","ECLI:NL:CBB:2026:317","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummers: 25\u002F383 en 25\u002F384\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen\n\n [naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. S. Piron)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 februari 2025 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de verzoeken van de ondernemer tot herziening van de besluiten van 9 maart 2022 en 10 mei 2022 tot afwijzing van de subsidieaanvragen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor respectievelijk het vierde kwartaal (Q4) van 2021 en het eerste kwartaal (Q1) van 2022 afgewezen.\n\nMet de besluiten van 10 april 2025 (bestreden besluiten) heeft de minister het daartegen\n\ndoor de ondernemer gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe ondernemer heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe ondernemer heeft nadere stukken ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en de gemachtigde van de minister.\n\nInleiding\n\n1.1. De ondernemer heeft op 24 december 2021 en 30 maart 2022 aanvragen gedaan voor TVL-subsidie voor respectievelijk Q4 van 2021 (voor zaak 25\u002F383) en Q1 van 2022 (voor zaak 25\u002F384). Op 9 maart 2022 (voor zaak 25\u002F383) en 10 mei 2022 (voor zaak 25\u002F384) heeft de minister deze aanvragen afgewezen (subsidiebesluiten), omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies. De ondernemer heeft geen bezwaar gemaakt tegen de subsidiebesluiten.\n\n1.2. Op 26 november 2024 heeft de ondernemer verzocht om herziening van de subsidiebesluiten (herzieningsverzoeken). De minister heeft de herzieningsverzoeken afgewezen. Dat de ondernemer wel in aanmerking zou komen voor de TVL-subsidies, behoorde al eerder bekend te zijn en had hij daarom al eerder moeten inbrengen. Een gegrond beroep in een eerder subsidiekwartaal werkt bovendien niet door in latere kwartalen. De minister heeft de bezwaren van de ondernemer tegen de afwijzingsbesluiten ongegrond verklaard omdat er geen sprake is van relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ook is er geen sprake van een kennelijke misslag of van bijzondere feiten en omstandigheden die maken dat de afwijzing van de herzieningsverzoeken evident onredelijk zou zijn.\n\n1.3. De vraag die in deze zaken voorligt is of de minister de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen.\n\nWettelijk kader\n\n2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nStandpunten van partijen\n\n3 De ondernemer is het niet eens met de afwijzing van de herzieningsverzoeken. Hij voert aan dat er wel sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Op 21 maart 2023 heeft het College hem in het gelijk gesteld in een beroep over een subsidie voor Q1 van 2021 op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten startende MKB-ondernemingen COVID-19 (SVL) (ECLI:NL:CBB:2023:145; de uitspraak van 21 maart 2023). Hieruit volgt dat hij wel degelijk in aanmerking komt voor TVL-subsidie. Daardoor is er ook sprake van een kennelijke misslag in de subsidiebesluiten, omdat overduidelijk is dat de TVL-subsidies moesten worden verleend. Bovendien had de minister de subsidiebesluiten moeten herzien, in overeenstemming met zijn eigen herzieningspraktijk voor gevallen waarin onjuiste SBI-codes ten onrechte niet zijn gecorrigeerd na een toegekend bezwaar in eerdere periodes. Verder is door de minister ten onrechte geen rekening gehouden met zijn medische situatie en andere persoonlijke en zakelijke omstandigheden tijdens de coronacrisis. Hij is op 14 februari 2021 met spoed opgenomen in het ziekenhuis vanwege hartproblemen en heeft hierna nog veel last gehad van fysieke en psychische klachten. Het is daarom ook evident onredelijk om de herzieningsverzoeken af te wijzen.\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de herzieningsverzoeken terecht heeft afgewezen. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De uitspraak van 21 maart 2023 levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op. In die uitspraak ging het over SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 en daaruit volgt niet dat de ondernemer recht zou hebben op TVL-subsidie voor andere kwartalen. In die zaak had de minister een fout gemaakt die niet met een intrekking van het besluit mocht worden hersteld. Dat betekent niet dat er daarom wel recht op TVL-subsidie zou bestaan voor de subsidieperiodes Q4 van 2021 en Q1 van 2022. De uitspraak van 21 maart 2023 verandert niets aan het feit dat die subsidieaanvragen terecht zijn afgewezen. Indien geen sprake is van een nieuw feit of veranderde omstandigheid, hanteert de minister bij de TVL het vaste uitgangspunt om bij verzoeken om herziening overeenkomstige toepassing te geven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Alleen als er sprake is van een evidente onredelijkheid of van een kennelijke misslag ziet de minister dan aanleiding om te herzien. In deze procedure is de minister niet gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag of dat er bijzondere omstandigheden zijn die het afwijzingsbesluit evident onredelijk maken. De persoonlijke en overige omstandigheden geven geen aanleiding om het afwijzingsbesluit te herzien. Deze zaak valt ook niet onder de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes die ten onrechte niet zijn gecorrigeerd. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat de TVL-aanvragen voor Q4 van 2021 en Q1 van 2022 niet zijn afgewezen vanwege een onjuiste SBI-code. Deze categorale uitzonderingsgrond gold alleen voor twee specifieke TVL-subsidieperiodes (Q4 van 2020 en Q1 van 2021) en dus niet voor de voor deze zaak relevante subsidieperiodes (Q4 van 2021 en Q1 van 2022).\n\nBeoordeling van het beroep\n\n5.1. Bij een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In dat geval toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd.\n\n5.2. In dit geval heeft de minister de herzieningsverzoeken afgewezen, omdat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het College zal toetsen of dit standpunt van de minister terecht is.\n\n5.3. Het is vaste rechtspraak dat een uitspraak van een rechterlijke instantie geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:217). Uit de uitspraak van 21 maart 2023 over de SVL voor subsidieperiode Q1 van 2021 volgt overigens niet dat de ondernemer in aanmerking komt voor TVL-subsidie voor andere subsidieperiodes. Verder is niet gebleken van nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden die de ondernemer niet eerder had kunnen inbrengen in een bezwaar tegen de subsidiebesluiten. Dat betekent dat het standpunt van de minister dat de ondernemer aan zijn herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist is. Dit kan de afwijzing van de verzoeken om terug te komen op een in rechte onaantastbaar besluit in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering door het bestuursorgaan om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is.\n\n5.4. In aanvulling op de hiervoor genoemde uitspraak luidt het beleid van de minister voor herziening in verband met een kennelijke misslag als volgt. De minister komt terug op een besluit als op het moment van het nemen van het besluit sprake was van een kennelijke misslag in het besluit. Dat is het geval als sprake is van een overduidelijk onjuist besluit, dat wil zeggen dat het in één oogopslag en zonder enig nader onderzoek duidelijk is. Dat is in deze zaak niet het geval. Niet is gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag. Zoals de minister heeft toegelicht, is hier ook niet de categorale uitzonderingsgrond voor onjuiste SBI-codes van toepassing.\n\n5.5. Voor het oordeel dat de weigering om een eerder besluit te herzien evident onredelijk is, moeten zich bijzondere feiten en\u002Fof omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat de minister in het geval van de onderneming minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het financiële belang van de onderneming. Van zulke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Daarbij is van belang dat de ondernemer de mogelijkheid heeft gehad om tegen de subsidiebesluiten rechtsmiddelen in te stellen en dat niet heeft gedaan. Dit moet voor zijn rekening en risico komen. Een herzieningsprocedure is niet bedoeld om alsnog een bezwaarprocedure te kunnen doorlopen. In dit licht acht het College het afwijzingsbesluit ook niet evident onredelijk. De minister heeft de herzieningsverzoeken van de onderneming daarom terecht afgewezen.\n\nSlotsom\n\n6 De beroepen zijn ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:6\n\n1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.\n\n2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:317","ecli-nl-cbb-2026-317",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":83,"ecli":84,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":85,"language":7,"source":17,"sourceUrl":86,"summary":14,"slug":87,"metadata":88},"1235","ECLI:NL:CBB:2026:316","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F56\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [naam 1] B.V., te [woonplaats] (vennootschap)\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat\n\n(gemachtigde: mr. M.J.H. van der Burgt)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 30 november 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de vennootschap voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.\n\nMet het besluit van 23 april 2024 heeft de minister het bezwaar van de vennootschap tegen het afwijzingsbesluit gegrond verklaard en een tegemoetkoming van maximaal € 236.514,58 verleend.\n\nMet het besluit van 10 mei 2024 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de tegemoetkoming subsidie van de vennootschap vastgesteld op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot van € 78.407,63 teruggevorderd.\n\nMet het besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het daartegen door de vennootschap gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.\n\nDe vennootschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe minister heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 21 mei 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens de vennootschap en de gemachtigde van de minister.\n\nOverwegingen\n\n1 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.\n\nInleiding2.1. De vennootschap heeft op grond van de TEK een tegemoetkoming aangevraagd voor haar energiekosten. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. De TEK gold voor een periode van 14 maanden (van 1 november 2022 tot 31 december 2023).2.2. \n\nIn deze zaak moet het College beoordelen of de minister de tegemoetkoming van de vennootschap mocht vaststellen op € 3.042,48 en het te veel betaalde voorschot mocht terugvorderen. Bij de verlening heeft de minister bij de berekening van de maximale hoogte van de tegemoetkoming gebruikgemaakt van de gemiddelde energieprijzen in het laatste kwartaal van 2022. Bij de vaststelling is hij uitgegaan van de gemiddelde energieprijzen in 2023 (modelprijs 2023). In dat jaar bleken de energieprijzen te zijn gedaald, waardoor veel ondernemers niet de hoge energiekosten hoefden te betalen die bij de totstandkoming van de TEK waren voorzien. Voor veel ondernemers, waaronder de vennootschap, is het gevolg daarvan dat zij een te hoog voorschot hebben ontvangen en dat voorschot naar aanleiding van de lagere vaststelling (gedeeltelijk) moeten terugbetalen.\n\nStandpunt van de vennootschap\n\n3 De vennootschap is het er niet mee eens dat de hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van modelprijzen over 2023. Die modelprijs sluit niet aan bij de werkelijke energiekosten van de vennootschap en dat levert strijd op met het evenredigheidsbeginsel. Vanwege haar variabele energiecontract vielen haar energiekosten veel hoger uit dan de modelprijzen. Ook zijn haar administratieve lasten vanwege de procedure over de tegemoetkoming enorm opgelopen, tot wel €15.450,-. Bovendien leidt de toepassing van modelprijzen tot strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat dit ondernemingen met vaste energiecontracten bevoordeelt ten opzichte van ondernemingen met variabele energiecontracten. De gehanteerde modelprijzen zijn gebaseerd op gemiddelde prijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Hiermee wordt de situatie van zakelijke energiecontracten en de specifieke omstandigheden van de vennootschap genegeerd, zodat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het verbod van willekeur. Verder heeft de minister de subsidiabele periode ten onrechte laten ingaan op 1 november 2022 omdat de energieprijzen in september en oktober 2022 juist het hoogst waren. Hierdoor wordt de effectiviteit van de regeling beperkt, omdat ondernemingen zoals zij een piek in verbruik en kosten hebben ervaren in de maanden voor 1 november 2022.\n\nStandpunt van de minister\n\n4 De minister stelt zich op het standpunt dat hij de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld. De keuze om bij de vaststelling van de tegemoetkoming gebruik te maken van de modelprijs 2023 is op zichzelf niet onevenredig. Verder is het enkele feit dat de vennootschap financieel nadeel ondervindt door het vaststellingsbesluit, onvoldoende voor de conclusie dat het besluit onevenwichtig is. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister moest afzien van de vaststelling en terugvordering, is de minister niet gebleken. Er is daarom geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Er is ook geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De vaststelling volgt uit de berekeningsmethodiek van de TEK en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd. Omdat de minister de TEK juist heeft toegepast en de berekeningsmethode van de TEK op zichzelf niet onevenredig is, is er ook geen sprake van een gebrekkige motivering of willekeur.\n\nOordeel van het College\n\nDe grondslag voor de vaststelling\n\n5.1. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt dat de minister de vaststelling heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij is er daarbij van uitgegaan dat de subsidie in dit geval ‘lager wordt vastgesteld’ als bedoeld in dat artikel, omdat het bedrag genoemd in het vaststellingsbesluit lager is dan het bedrag genoemd bij de verlening. Zoals het College echter recent heeft geoordeeld, is die grondslag voor de vaststelling in dit soort situaties niet juist (zie de uitspraken van 4 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:589 en ECLI:NL:CBB:2025:590; en de uitspraken van 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:113 en ECLI:NL:CBB:2026:120). In het verweerschrift heeft de minister bevestigd dat de subsidievaststelling in het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Hij bevestigt het oordeel van het College uit voornoemde uitspraken dat het in deze zaak gaat om een vaststelling conform verlening, als bedoeld in artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat het vaststellingsbedrag lager is dan het verleningsbedrag is niet het gevolg van een handelen of nalaten van de vennootschap, maar het gevolg van de daling van de energieprijzen.\n\n5.2. \n\nEen besluit tot verlening van subsidie bevat ofwel het bedrag van de subsidie ofwel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald (artikel 4:31, eerste lid, van de Awb). Als het besluit het bedrag van de subsidie niet vermeldt, dan moet dat besluit vermelden op welk bedrag de subsidie maximaal kan worden vastgesteld (artikel 4:31, tweede lid, van de Awb). In de verlening in de beslissing op bezwaar van 23 april 2024 is sprake van deze tweede situatie. Daarin staat immers:\n\n“Op grond van de berekening is het maximaal berekende verleningsbedrag\n\n€ 236.514,58. Hiervan ontvangt u een voorschot van 35%.”\n\nIn deze beslissing staat daarnaast de volgende passage:\n\n“De energieprijzen waarmee ik de hoogte van uw subsidie definitief vaststel zijn\n\ninmiddels bekend. Het definitieve subsidiebedrag valt voor u lager uit. Ik heb u\n\ntijdens het telefoongesprek van 14 maart 2024 hierover geïnformeerd.”\n\nDeze beslissing bevat de berekeningswijze en noemt de bedragen en eenheden waarmee de maximale subsidie is berekend. Uit de bedragen waarmee is gerekend, blijkt dat dit de maximale referentieprijzen zijn die in artikel 3, tweede lid, van de TEK zijn genoemd. Het College stelt daarom vast dat deze beslissing een besluit is als bedoeld in artikel 4:31, tweede lid, van de Awb. Vanwege de in 2023 fors gedaalde energieprijzen wijkt de vastgestelde tegemoetkoming aanzienlijk af van deze maxima. In het vaststellingsbesluit is gerekend met de veel lagere referentieprijzen die in februari 2024 door het CBS zijn vastgesteld. Dat leidt (uiteraard) tot een lagere tegemoetkoming. De berekeningswijze die de minister heeft gehanteerd bij de vaststelling is echter identiek aan die van de verlening. Er is daarom sprake van een vaststelling conform verlening in de zin van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb en niet van een lagere vaststelling in de zin van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.\n\n5.3. Omdat de minister een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd in het bestreden besluit, zal het College het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal het College beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Dat kan het geval zijn als de minister de tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en er geen andere redenen zijn om van de vastgestelde tegemoetkoming af te wijken.\n\nDe berekening van de vastgestelde tegemoetkoming\n\n6.1. De berekeningswijze van de hoogte van de tegemoetkoming volgt uit de artikelen 3, 6 en 7 van de TEK. Het College stelt vast dat de minister deze berekeningswijze zowel bij de verlening als bij de vaststelling heeft gebruikt. Daarbij is bij de vaststelling niet (zoals bij de verlening) uitgegaan van de maximale vergoeding per eenheid energie, maar van de referentieprijs 2023 zoals voorgeschreven in artikel 7 van de TEK. Dat de vaststelling wat het bedrag betreft lager uitvalt dan het maximale bedrag dat in de verlening was vermeld, is rechtstreeks terug te voeren op de in 2023 fors gedaalde energieprijzen. Daardoor vallen de referentieprijzen 2023 waarmee bij de vaststelling wordt gerekend, veel lager uit.\n\n6.2. In zijn uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:3, vanaf 6.1) heeft het College het gebruik van de referentieprijzen van 2023 geaccepteerd. Het is de minister niet toegestaan te rekenen met andere prijzen dan de referentieprijzen van 2023. Wanneer met die bedragen wordt gerekend, is de uitkomst inderdaad een te ontvangen tegemoetkoming van € 3.042,48. Het College oordeelt dat de berekening van de vastgestelde tegemoetkoming correct is.\n\nToetsing aan het evenredigheidsbeginsel\n\n7.1. De vennootschap heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel door te stellen dat de vaststelling en de daaraan gekoppelde terugvordering ervoor zorgt dat de vennootschap onvoldoende wordt gecompenseerd door de hoge energieprijzen. Ook het standpunt dat het rekenen met modelprijzen voor het jaar 2023 tot onredelijke uitkomsten leidt, omdat de werkelijk betaalde prijzen voor energie (veel) hoger lagen en dat de ingangsdatum van de subsidiabele periode ten onrechte op 1 november 2022 is bepaald, beschouwt het College als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het College merkt voor de volledigheid op dat het College de keuze in de TEK om referentieprijzen over 2023 te hanteren in de onder 6.2 genoemde uitspraak van 13 januari 2026 al (exceptief) heeft getoetst en die keuze heeft geaccepteerd. De vennootschap heeft geen argumenten aangevoerd die dat oordeel anders maken. De TEK biedt geen ruimte om voor ondernemers met variabele contracten af te wijken van de modelprijen voor 2023.\n\n7.2. Zoals het College onder 5.2 heeft geoordeeld, had de minister de vaststelling moeten baseren op artikel 4:46, eerste lid, van de Awb. Dat is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van een gebonden besluit moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het bestreden besluit in de gegeven omstandigheden zozeer onevenwichtig is dat sprake is van onevenredig nadeel. De vennootschap heeft aangevoerd dat de vastgestelde tegemoetkoming veel lager is dan de door haar werkelijk gemaakte kosten, en dat zij daarom onvoldoende wordt gecompenseerd voor de in 2022, met name in september en oktober 2022, enorm gestegen energieprijzen. Zij had in de relevante periode ook vanwege haar variabele energiecontract aanzienlijk hogere energiekosten dan de modelprijzen, die voornamelijk betrekking hebben op vaste contracten en consumentenprijzen. Het College stelt allereerst vast dat het standpunt van de vennootschap uitgaat van een onjuiste lezing van de TEK, alleen al omdat die regeling niet is bedoeld om werkelijk gemaakte kosten (volledig of voor de helft) te vergoeden. De kosten die voor tegemoetkoming in aanmerking komen, worden bepaald op basis van modelprijzen voor 2023 (en niet op basis van werkelijk betaalde prijzen in 2022) en vervolgens wordt 50 procent van die subsidiabele kosten vergoed. Dat is, zoals het College onder 6.2 al heeft geoordeeld, in het geval van de vennootschap ook gebeurd. De keuze voor een variabel energiecontract is een ondernemerskeuze van de vennootschap en behoort tot haar risicosfeer. Bovendien is het geen bijzondere omstandigheid waarmee de vennootschap zich voldoende onderscheidt van andere vennootschapen die te maken hebben gekregen met een lagere vaststelling. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de modelprijs voor 2023 voor alle ondernemers is toegepast en de vennootschap heeft geen concrete gelijke gevallen genoemd, zodat geen sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook niet kan slagen.\n\n7.3. De bevoegdheid om onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen, is een discretionaire bevoegdheid. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) uitgelegd hoe de (rechtstreekse) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van besluiten gebaseerd op een discretionaire bevoegdheid moet plaatsvinden. De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of het bestreden besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.\n\n7.4. Over de geschiktheid en noodzakelijkheid van de terugvordering van een subsidie(voorschot) heeft het College, in zaken over andere subsidieregelingen, al geoordeeld dat als een subsidie(voorschot) ten onrechte is betaald, terugvordering een geschikt en noodzakelijk middel is om ervoor te zorgen dat het beschikbaar gestelde geld terechtkomt bij de vennootschapen waarvoor de subsidieregeling is bedoeld (zie onder meer de uitspraak van 28 maart 2023, ECLI:NL:CBB:2023:156). Met betrekking tot de evenwichtigheid van de terugvordering oordeelt het College dat er weliswaar een groot bedrag wordt teruggevorderd, maar de vennootschap dat bedrag niet nodig heeft gehad om de kosten voor gas en elektriciteit te dragen voor zover die binnen het kader van de Regeling vallen. De vennootschap heeft bovendien geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de continuïteit van haar vennootschap in gevaar is en niet is gebleken dat zij niet kan voldoen aan de met de minister overeengekomen terugbetalingsregeling van de terugvordering. De terugvordering van het voorschot is daarom niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel.\n\n8 Uit het voorgaande (onder 5-7) blijkt dat de minister de tegemoetkoming juist heeft vastgesteld en dat de vaststelling en daaraan gekoppelde terugvordering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of gelijkheidsbeginsel. De minister heeft zijn besluitvorming ook voldoende gemotiveerd, zodat verder geen sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel of verbod van willekeur.\n\nConclusie\n\n9 Het beroep is gegrond, omdat de minister de vaststellingsbevoegdheid in het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Het College zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Het College ziet echter aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de minister de vaststelling op de juiste wijze heeft berekend en geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.\n\n10 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\ndraagt de minister op om het door de vennootschap betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. M.J. Jacobs w.g. L. ten Hove\n\nBijlage\n\nAlgemene wet bestuursrecht (Awb)\n\nArtikel 4:31\n\n1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.\n\n2. Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.\n\nArtikel 4:46, eerste en tweede lid\n\n1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.\n\n2. De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:\n\na. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;\n\nb. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;\n\nc. de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of\n\nd. de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.\n\nRegeling tegemoetkoming energiekosten (TEK)\n\nArtikel 3\n\n1. Onverminderd het derde lid bedraagt de leveringsprijs, die een mkb-vennootschap zelf dient te dragen, voor elektriciteit € 0,35 per kWh en voor gas € 1,19 per m3.\n\n2. De referentieprijs 2022 bedraagt voor elektriciteit € 0,59 per kWh en voor gas € 2,41 per m3.\n\n3. De referentieprijs 2023 voor elektriciteit en gas bedraagt, voor zover het in deze regeling gebruikt wordt, nooit meer dan € 0,95 per kWh geleverde elektriciteit respectievelijk € 3,19 per m3 geleverd gas.\n\n4. Voor de berekening van het voorschot, bedoeld in artikel 11, wordt voor elektriciteit een prijs gehanteerd van € 0,60 per kWh en voor gas € 2,00 per m3.\n\n5. De prijzen, bedoeld in het eerste en vierde lid, alsmede de maximum prijzen, bedoeld in het derde lid, zijn inclusief energiebelasting en opslag duurzame energie en exclusief omzetbelasting.\n\nArtikel 6\n\nDe subsidie voor een mkb-vennootschap of een groep bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 160.000.\n\nArtikel 7, eerste en tweede lid\n\n1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:\n\na. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of\n\nb. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.\n\n2. In aanvulling op het eerste lid, komen de in dat lid bedoelde kosten voor subsidie in aanmerking voor zover die gaan over de periode vanaf 1 november 2022 tot en met 31 december 2023. De kosten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, worden vermenigvuldigd met 14\u002F12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:316","ecli-nl-cbb-2026-316",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":90,"ecli":91,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":92,"language":7,"source":17,"sourceUrl":93,"summary":14,"slug":94,"metadata":95},"1236","ECLI:NL:CBB:2026:315","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F236\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussenStichting Pesticide Action Network Netherlands (PAN), te Assen en\n\nStichting Natuur- en Milieufederatie Zuid Holland(NMZH), te Den Haag (samen: demilieuorganisaties)\n\n(gemachtigden: mr. M.R.J. Baneke en M. Mantingh)\n\nen\n\nhet College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)\n\n(gemachtigden: mr. M.K. Konings en mr. M.K. Polano)\n\nen\n\nde Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)\n\nmet als derde partijen\n\nSumitomo Chemical Agro Europe S.A.S., te Saint Didier au Mont d’Or (Frankrijk) (Sumitomo)\n\n(gemachtigde: mr. E. Broeren)\n\nen\n\nArysta LifeScience Benelux Sprl, te Ougree (België)\n\nen\n\nSBM Développement S.A.S., te Ecully (Frankrijk)\n\nProcesverloop\n\nMet een brief van 10 mei 2023 heeft het Ctgb gereageerd op een verzoek van de milieuorganisaties om intrekking van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en esfenvaleraat.\n\nMet het besluit van 24 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Ctgb beslist op het bezwaar van de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023.\n\nDe milieuorganisaties hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.\n\nHet Ctgb en de milieuorganisaties hebben nadere stukken ingezonden.\n\nSumitomo heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.\n\nDe zitting was op 11 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen gemachtigde Baneke van de milieuorganisaties, vergezeld van [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4], de gemachtigden van het Ctgb, vergezeld van [naam 5], en de gemachtigde van Sumitomo, vergezeld van [naam 6].\n\nDe milieuorganisaties hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar aanleiding van dit verzoek heeft het College de Staat als partij aangemerkt.\n\nOverwegingen\n\nSamenvatting\n\nIn deze zaak staan toelatingen door het Ctgb van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, abamectine en efsenvaleraat ter discussie. De milieuorganisaties hebben verzocht om intrekking van de toelating van deze middelen, omdat de werkzame stoffen die deze middelen bevatten in Nederlandse oppervlaktewateren worden aangetroffen in hoeveelheden die de normen uit de Kaderrichtlijn Wateren de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden. Het Ctgb heeft geen aanleiding gezien om de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen in te trekken. Het College laat het bestreden besluit in stand.\n\nInleiding\n\n1.1. De milieuorganisaties hebben met een brief van 7 maart 2023 aan het Ctgb om intrekking verzocht van de toelating van alle gewasbeschermingsmiddelen op basis van cypermethrin, esfenvaleraat en abamectine (voor zover het toepassingen betreft in bedekte teelt). Volgens de milieuorganisaties blijkt uit de Bestrijdingsmiddelenatlas dat in de periode van 2017 tot en met 2021 de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen van deze werkzame stoffen in oppervlaktewateren zijn overschreden.\n\n1.2. Het Ctgb heeft het verzoek tot intrekking van de toelatingen van de gewasbeschermingsmiddelen niet ingewilligd. In het bestreden besluit heeft het Ctgb uiteengezet dat en waarom hij niet tot intrekking van de toelatingen overgaat.\n\n1.3. \n\nDe besluitvorming van het Ctgb heeft betrekking op twaalf gewasbeschermingsmiddelen, waaronder Talisma EC, Belem 0.8 MG, Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC. Arysta LifeScience Benelux Sprl is de toelatinghouder van Talisma EC.\n\nSBM Développement S.A.S. is de toelatinghouder van Belem 0.8 MG en Sumitomo Chemical Agro Europe S.A.S. is de toelatinghouder van Sumicidin Super en Sumi-Alpha 2.5 EC.\n\nBeoordeling College\n\nIs sprake van een besluit en zijn de milieuorganisaties hierbij belanghebbenden?\n\n2.1. Het College ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de milieuorganisaties tegen de brief van 10 mei 2023 bezwaar konden maken en of zij belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) zijn. Sumitomo heeft dit in twijfel getrokken.\n\n2.2. Het verzoek van de milieuorganisaties aan het Ctgb om (ambtshalve) toepassing te geven aan artikel 44 van Verordening 1107\u002F2009, strekt ertoe dat het Ctgb een besluit neemt tot intrekking van de toelating van verschillende gewasbeschermingsmiddelen. De brief van 10 mei 2023, waarin het Ctgb heeft uiteengezet dat de door de milieuorganisaties verstrekte informatie geen aanleiding geeft om de toelatingen opnieuw te bekijken, houdt een afwijzing in van dat verzoek en tegen een dergelijke afwijzing staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open (zie de uitspraak van het College van 5 juli 2022, ECLI:NL:CBB:2022:358).\n\n2.3. Het Ctgb heeft de milieuorganisaties terecht als belanghebbenden aangemerkt. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 1:2, derde lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\n\n2.4. \n\nDe milieuorganisaties hebben met hun verzoek willen bereiken dat het Ctgb toelatingen van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, die de normen van de Kaderrichtlijn Water en de toelatingsnormen voor waterorganismen overschrijden, in zou trekken, zodat de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland, en daarmee in de provincie Zuid-Holland\n\n– de overschrijdingen waarnaar in het verzoek wordt verwezen hebben specifiek ook op dit gebied betrekking – wordt beschermd en verbetert. Dit past bij het doel dat beide milieuorganisaties statutair nastreven. Gezien de op de website van PAN te raadplegen statuten streeft deze stichting onder andere ernaar activiteiten te bevorderen om de toepassing en de verspreiding van synthetische pesticiden en biociden en andere schadelijke producten uit de chemische industrie te verminderen en te elimineren. Om de doelen te bereiken, houdt de stichting zich onder andere bezig met lobbyen, onderzoek, mogelijke voorstellen voor en verzet tegen wetswijzigingen of beleidsbeslissingen in Europese, nationale, regionale, lokale of mondiale fora. In de statuten van de NMZH, die op de website van deze stichting te vinden zijn, staat als doel omschreven: het bevorderen van een evenwichtige duurzame ontwikkeling van de economie, de samenleving en de fysieke omgeving, met daarbij speciale zorg voor de natuur, het landschap en het milieu in de provincie Zuid-Holland. De stichting beoogt dit doel te bereiken door – onder andere – het handelen, of het nalaten daarvan, door overheden te beoordelen, beïnvloeden en begeleiden, zoals door het indienen van bezwaar- en beroepschriften. Op de websites van de milieuorganisaties is informatie te vinden over de feitelijke werkzaamheden, waaronder activiteiten die zich richten tegen watervervuiling.\n\nDit brengt met zich dat de milieuorganisaties door het besluit van het Ctgb feitelijk en rechtstreeks worden geraakt in een belang dat zij krachtens hun statutaire doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\n\nIntrekking van de toelatingen omdat de voorwaarden voor de toelatingen langdurig zijn geschonden?\n\n3.1. Het College zal eerst beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de toelatingsnormen van de gewasbeschermingsmiddelen zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, eerste volzin, in samenhang met het derde lid, van de gewasbeschermingsverordening.\n\n3.2. In artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van de gewasbeschermingsverordening staat dat lidstaten een toelating te allen tijde opnieuw kunnen bekijken indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen. In artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening staan de eisen voor de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. Het eerste lid, aanhef en onder e, van artikel 29 bepaalt dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten als het op grond van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening. Het is aan de lidstaat – en in dit geval het Ctgb dat in Nederland op grond van artikel 4 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden de aangewezen instantie is – om te bepalen of het de toelating opnieuw gaat bekijken.\n\n3.3. Wanneer het Ctgb meent dat er aanwijzingen zijn dat niet langer wordt voldaan aan een van de in artikel 29 genoemde eisen en het voornemens is een toelating in te trekken of te wijzigen, dan licht hij volgens artikel 44, tweede lid, de houder van de toelating in om opmerkingen te formuleren of gegevens te verstrekken. Het derde lid van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening bepaalt dat de lidstaat in voorkomend geval de toelating intrekt of wijzigt. Dit is onder meer het geval als (onder a) niet of niet meer wordt voldaan aan de eisen van artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening of als (onder c) niet voldaan is aan een voorwaarde in de toelating. Overigens is niet in geschil dat artikel 44 en artikel 29 het gebruik in overeenstemming met de toelatingsvoorwaarden veronderstellen.\n\n3.4. Het Ctgb heeft onderzocht of er aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen en is in het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat die er niet zijn. Op grond daarvan heeft het Ctgb geen aanleiding gezien de toelatingen in te trekken.\n\nCypermethrin en abamectine\n\n3.5. De milieuorganisaties voeren aan dat er weliswaar niet veel, maar wel een aantal overschrijdingen van de toelatingsnormen voor cypermethrin en abamectine zijn. Volgens de milieuorganisaties is daarbij het resultaat van metingen wel geflatteerd, omdat veel meetpunten niet toetsbaar zijn, zodat ervan uit moet worden gegaan dat er veel meer overtredingen zijn dan de Bestrijdingsmiddelenatlas aangeeft. Er is volgens de milieuorganisaties dan ook alle reden voor het Ctgb om in actie te komen.\n\n3.6. Het Ctgb geeft aan dat voor beide stoffen het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm laag is en dat er in de Bestrijdingsmiddelenatlas geen correlatie met landgebruik is gerapporteerd. Voor cypermethrin ging het in de periode 2018 tot en met 2021 om drie á vier overschrijdingen op een totaal van meer dan 400 locaties en in 2022 om nul overschrijdingen. Voor abamectine was er in de jaren 2021 en 2022 sprake van nul tot twee overschrijdingen. In 2020 waren dat nog 14 overschrijdingen. De reden voor het Ctgb om bij lage aantallen overschrijdingen van de toelatingsnormen niet in te grijpen, is dat het niet nodig is dat alle locaties altijd voldoen aan de toelatingsnormen. Het gebruikelijke beschermdoel voor blootstelling in het milieu is het 90 percentiel van de concentraties in ruimte en tijd. Het Ctgb ziet enkele verspreid voorkomende overschrijdingen per jaar niet als structureel, omdat de kans dat de overschrijding gerelateerd is aan andere oorzaken (zoals onjuist gebruik of weersomstandigheden) groter is dan de kans dat het aan de toelating ligt. Daarnaast moet duidelijk zijn dat het aan de toelating ligt en niet aan illegaal of onjuist gebruik. Als er geen indicatie is dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is, is er onvoldoende bewijs om in te grijpen in de toelating.\n\n3.7. Het College kan het Ctgb volgen in zijn conclusie dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de betrokken gewasbeschermingsmiddelen niet langer voldoen aan de in artikel 29 genoemde eisen (en daarmee de toelatingsvoorwaarden). Hoewel het College kan begrijpen dat de milieuorganisaties van het Ctgb verwachten dat het actie onderneemt als sprake is van overschrijdingen van de toelatingsnorm, heeft het Ctgb naar het oordeel van het College toereikend toegelicht waarom daarvoor in dit geval geen aanleiding is. Het gaat om een relatief gezien beperkt aantal geconstateerde overschrijdingen, er lijkt geen correlatie te zijn met landgebruik en er is geen indicatie dat een specifieke teelt of route verantwoordelijk is voor de overschrijdingen. Dat het werkelijke aantal overschrijdingen hoger ligt dan de gerapporteerde overschrijdingen, zoals de milieuorganisaties stellen en door het Ctgb niet is weersproken, is zeker denkbaar. Maar in welke mate daarvan sprake is en wat de oorzaak daarvan is, is een onzekerheid. Gegeven de omstandigheid dat bij de wel geconstateerde overtredingen geen verband is gevonden met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen volgens de voorschriften, ziet het College tegen deze achtergrond geen aanleiding om te oordelen dat de conclusie van het Ctgb geen stand kan houden.\n\nEsfenvaleraat\n\n3.8. De milieuorganisaties voeren aan dat voor gewasbeschermingsmiddelen met als werkzame stof esfenvaleraat geldt dat al jarenlang niet wordt voldaan aan de voorwaarden die bij de toelating zijn gesteld. Met de (stelselmatige) overschrijdingen van de toelatingsnormen (chronische norm voor waterorganismen) voor de stof in glastuinbouwgebieden wordt niet voldaan aan de gewasbeschermingsverordening. Daar komt bij dat het Ctgb erkent dat er problematiek is van langdurige overtredingen met betrekking tot esfenvaleraat. Artikel 44, derde lid, van de gewasbeschermingsverordening verplicht dan tot intrekking en niet slechts tot “meenemen in een lopende herbeoordeling” zoals het Ctgb schrijft.\n\n3.9. Het Ctgb stelt dat voor de stof esfenvaleraat het aantal overschrijdingen van de toelatingsnorm inderdaad aanzienlijk is, met het jaar 2021 als duidelijke uitschieter. Met betrekking tot overschrijdingen van de toelatingsnorm is een structureel patroon te zien in monitoringsgegevens van de Bestrijdingsmiddelenatlas. Voor de periode 2020-2022 zijn er aanwijzingen dat gewasbeschermingsmiddelen voor de specifieke teelt van graszaad aan deze structurele overschrijding hebben bijgedragen. Momenteel is de integrale herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat volgens artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening in uitvoering, na hernieuwde goedkeuring van de stof, waarbij ook de meetgegevens opnieuw zijn geëvalueerd. Omdat deze herbeoordeling hetzelfde effect op het toegelaten gebruik heeft als een herbeoordeling volgens artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening (en kan, indien dit uit de beoordeling volgt, leiden tot dezelfde aanpassingen van het gebruik, voor wat betreft het toelatingscriterium) is het naar het oordeel van het Ctgb weinig zinvol om daar bovenop nog een herbeoordeling volgens artikel 44 van gewasbeschermingsverordening te starten. Het Ctgb onderneemt immers al actie om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof esfenvaleraat te herzien op basis van het toelatingscriterium.\n\n3.10. Het College kan het Ctgb volgen in zijn keuze om naast de herbeoordeling op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening niet ook een herbeoordeling op grond van artikel 44 van de gewasbeschermingsverordening te starten. Het College betrekt hierbij dat de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening zich, net als artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening op de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen richt. Het betreft hier dan ook eenzelfde beoordeling met eenzelfde effect.\n\nTussenconclusie\n\n3.11. Het College is van oordeel dat het Ctgb op toereikende gronden heeft besloten geen gebruik te maken van zijn in artikel 44, eerste lid, eerste volzin, van gewasbeschermingsverordening neergelegde herbeoordelingsbevoegdheid.\n\nIntrekking van de betrokken gewasbeschermingsmiddelen omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water worden overschreden?\n\n4.1. Het College zal hierna beoordelen of het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine omdat de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater zouden zijn overschreden. De milieuorganisaties hebben dit verzoek gebaseerd op artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsmiddelenverordening.\n\n4.2. In artikel 44, eerste lid, tweede volzin, staat dat een lidstaat (lees: Ctgb) een toelating herziet wanneer hij concludeert dat het mogelijk is dat de doelstellingen zoals bepaald in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, en onder b, i, en artikel 7, leden 2 en 3, van Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt.\n\n4.3. Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water gaat over oppervlaktewateren. Hierin wordt bepaald dat bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheerplan omschreven maatregelenprogramma voor oppervlaktewateren, de lidstaten overeenkomstig artikel 16, eerste en achtste lid, de nodige maatregelen ten uitvoer leggen, met de bedoeling de verontreiniging door zogenaamde prioritaire stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. In bijlage I van Richtlijn 2013\u002F39staat een lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid. Cypermethrin komt op deze lijst voor, abamectine en esfenvaleraat niet.\n\n4.4. Anders dan artikel 44, eerste lid, eerste volzin, is de tweede volzin dwingender geformuleerd. Deze volzin schrijft voor wat het Ctgb moet doen als hij concludeert dat het mogelijk is dat de daarin bedoelde doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water niet kunnen worden verwezenlijkt. In dat geval herziet het Ctgb de toelating. Dat de Uniewetgever heeft beoogd dit onderscheid te maken tussen de eerste en tweede volzin wordt bevestigd door andere taalversies. In de Franse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten de toelating “peuvent réexaminer”en in de tweede volzin staat dat een lidstaat een toelating “réexamine”. In de Engelse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten een toelating “may review” en in de tweede volzin “shall review”. In de Duitse versie staat in de eerste volzin dat lidstaten “können eine Zulassung jederzeit ändern” en in de tweede volzin dat de lidstaat “überprüft die Zulassung”. In tegenstelling tot de rechterlijke beoordeling in het kader van de eerste volzin, ligt de in de tweede volzin bedoelde herziening in volle omvang ter beoordeling voor aan de rechter omdat het hier een verplichting betreft van het Ctgb.\n\nCypermethrin\n\n4.5. De milieuorganisaties wijzen erop dat de Kaderrichtlijn Water zich met verplichtingen tot de lidstaten richt. Voor prioritaire stoffen, zoals cypermethrin, bestaat een verplichting om de verontreiniging van oppervlaktewateren met die stoffen geleidelijk te verminderen en emissies, lozingen en verliezen van (prioritaire) stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen. Dat volgt uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, iv, van de Kaderrichtlijn Water. Het Ctgb is bij uitstek de partij die voor Nederland is aangewezen en de middelen heeft om aan deze verplichting te voldoen. Nu de milieuorganisaties het Ctgb erop hebben gewezen dat cypermethrin in veel hogere concentraties voorkomt dan volgens de Kaderrichtlijn Water aanvaardbaar is in Nederlands oppervlaktewater, kan het Ctgb niet werkeloos blijven toezien dat deze situatie voortduurt. Uit de Bestrijdingsmiddelenatlas blijkt dat Cypermethrin in 2018 tot en met 2022 ieder jaar op verscheidene plaatsen in Nederlands oppervlaktewater werd aangetroffen in concentraties die een veelvoud zijn van de norm die volgens de Kaderrichtlijn Water voor die stof nog aanvaardbaar is. Cypermethrin is een chemisch gewasbeschermingsmiddel, andere toepassingen dan gebruik in landbouw en tuinbouw zijn er niet. Als het in ontoelaatbare hoeveelheden in oppervlaktewateren wordt aangetroffen, zonder dat precies kan worden vastgesteld van welk perceel het afkomstig is, vormt dat juist een reden om het gebruik in heel Nederland te beëindigen, aldus de milieuorganisaties.\n\n4.6. Het College stelt voorop en onderschrijft daarmee het standpunt van het Ctgb dat voor het ingrijpen in een toelating relevant is of de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Dit betekent dat een overschrijding per geval moet worden geanalyseerd om de redenen voor de overschrijding te begrijpen, omdat de overschrijding ook kan komen door verkeerd gebruik door particulieren of door gebruik voor andere doeleinden, namelijk als biocide of diergeneesmiddel.\n\n4.7. Het Ctgb heeft de overschrijdingen (volgens de Bestrijdingsmiddelenatlas) onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er geen aanknopingspunten zijn dat de overschrijdingen worden veroorzaakt door het normale gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen volgens de gebruiksvoorschriften. Hierbij heeft het Ctgb betrokken dat cypermethrin een hoge sorptie aan de bodem heeft en alleen nog als granulaat en voor gebruik in opslag is toegelaten. Bij deze gebruikstypen wordt geen dan wel weinig emissie naar het oppervlaktewater verwacht. Granulaat is bovendien pas vanaf 2022 toegelaten, zodat het gebruik hiervan ook geen aanwijzing kan zijn voor het jarenlange aantreffen van de stof. Het gebruik van het middel met een toelating in koolzaad is inmiddels beëindigd. Het is volgens het Ctgb dan ook weinig zinvol om nog bestaande toelatingen van middelen op basis van cypermethrin in te trekken. Daarbij is volgens het Ctgb van belang dat de stof cypermethrin niet uitsluitend als gewasbeschermingsmiddel wordt toegepast. Er zijn twee middeltoelatingen op basis van alfa-cypermethrin als biocide, namelijk als insecticide in pluimveebedrijven (voor professioneel en niet-professioneel gebruik). Ook wordt cypermethrin gebruikt als diergeneesmiddel voor schapen. In de Bestrijdingsmiddelenatlas wordt cypermethrin echter gepresenteerd als een groepsstof. Dat betekent dat verschillende chemische vormen van cypermethrin niet altijd door alle laboratoria apart kunnen worden gemeten en dat alle vormen van cypermethrin hieronder vallen. Daarnaast zijn volgens het Ctgb de correlaties concentraties met landgebruik niet goed te duiden. Het College overweegt dat deze analyse van het Ctgb – zoals de milieuorganisaties ook stellen – onzekerheden bevat over de oorzaken van te hoge concentraties cypermethrin in het oppervlaktewater. Maar de milieuorganisaties hebben de door het Ctgb gesignaleerde (ernstige) twijfels of die overschrijding aan het normale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is te wijten niet kunnen wegnemen. Gelet op de beschikbare gegevens en de gemotiveerde uiteenzetting van het Ctgb dat de betreffende gewasbeschermingsmiddelen vanwege de stofeigenschap en het type gebruik naar verwachting niet of nauwelijks in het oppervlaktewater terecht zullen komen, kan het College het Ctgb in zijn conclusie volgen dat de overschrijding van de normen uit de Kaderrichtlijn Water niet uitsluitend of in belangrijke mate voortvloeit uit het normale gebruik van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen met de werkzame stof cypermethrin.\n\nAbamectine en esfenvaleraat\n\n4.8. De milieuorganisaties voeren aan dat abamectine en esfenvaleraat specifiek verontreinigende stoffen zijn, die de ecologische toestand van een waterlichaam mede bepalen, als bedoeld in de Kaderrichtlijn Water. Dat de milieuorganisaties hun verzoek hebben gedaan in verband met overschrijdingen van normen in oppervlaktewater, zou het Ctgb er niet van hoeven te weerhouden om te onderzoeken of grondwater en water voor drinkwaterwinning mogelijk in gevaar komen door het gebruik van abamectine en esfenvaleraat.\n\n4.9. Het College stelt vast dat op het moment van de besluitvorming van het Ctgb abamectine en esfenvaleraat geen prioritaire stoffen waren. Het Ctgb is voor deze stoffen terecht niet toegekomen aan een herziening van de toelating als bedoeld in artikel 44, eerste lid, tweede volzin, van de gewasbeschermingsverordening. Het verzoek van de milieuorganisaties was namelijk beperkt tot normoverschrijdingen in het oppervlaktewater. De bepalingen van de Kaderrichtlijn Water, die in de tweede volzin van artikel 44, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening worden genoemd, hebben wat betreft oppervlaktewater alleen betrekking op prioritaire stoffen.\n\n4.10. Wat betreft toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen met esfenvaleraat, heeft het Ctgb, zoals in 3.9 vermeld, aangegeven dat er een herbeoordeling plaats vindt op grond van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening. Het College merkt in dat verband nog het volgende op. Artikel 43, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening verwijst net als de eerste volzin van artikel 44, eerste lid, naar de in artikel 29 van de gewasbeschermingsverordening genoemde eisen. Eén van de vereisten van artikel 29 in samenhang bezien met artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van de gewasbeschermingsverordening is dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbare effecten mag hebben op het milieu. Het College brengt onder de aandacht dat Advocaat Generaal Kokott in haar conclusie van 5 juni 2025 (ECLI:EU:C:2025:422) in de procedure voor interne herziening van de goedkeuring van cypermethrin heeft geschreven dat de schending van milieukwaliteitsnormen van de Kaderrichtlijn Water een sterke aanwijzing kan vormen voor onaanvaardbare effecten op het milieu. Bij een eventueel beroep tegen de besluitvorming over de herbeoordeling in het kader van artikel 43 van de gewasbeschermingsverordening, kan de rechter bij de toetsing van het besluit (ook) dit vereiste betrekken.\n\nTussenconclusie\n\n4.11. Het College is van oordeel dat het Ctgb terecht het verzoek van de milieuorganisaties heeft afgewezen om intrekking van de toelating van de gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen cypermethrin, efsenvaleraat en abamectine vanwege overschrijding van de normen van de Kaderrichtlijn Water in het oppervlaktewater.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn\n\n5.1. De milieuorganisaties hebben het College samen verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In deze zaak geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn maximaal twee jaar is. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk, tenzij er sprake is van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten, maar daar is in dit geval geen sprake van. Uitgangspunt voor vergoeding van immateriële schade is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het Ctgb is ontvangen en loopt door tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan.\n\n5.2. Het Ctgb heeft het bezwaarschrift op 14 juni 2023 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn, afgerond met dertien maanden overschreden. De milieuorganisaties hebben daarom recht op € 1.500,- schadevergoeding. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar in beslag heeft genomen en dat de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Ctgb als aan het College toe te rekenen.\n\n5.3. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Ctgb en van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en ook volgt uit de uitspraak van het College van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:1). Van de overschrijding is na afronden een periode van twee maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het restant wordt toegerekend aan de beroepsfase. Het College zal daarom op grond van artikel 8:88 van de Awb het Ctgb veroordelen tot betaling van een bedrag van € 230,77 (2\u002F13 x € 1.500,-) aan de milieuorganisaties en de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.269,23 (11\u002F13 x € 1.500,-).\n\nSlotsom\n\n6 Het beroep is ongegrond. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n7.1. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet het College aanleiding het Ctgb en de Staat te veroordelen in de kosten van de milieuorganisaties in verband met het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan het Ctgb als aan het College is toe te rekenen, zullen het Ctgb en de Staat ieder voor de helft in de proceskosten van de milieuorganisaties worden veroordeeld (€ 233,50).\n\n7.2. Het Ctgb hoeft de overige proceskosten niet te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt het Ctgb tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 230,77;\n\n- veroordeelt de Staat tot betaling aan de milieuorganisaties van een immateriële schadevergoeding van € 1.269,23;\n\n- veroordeelt het Ctgb in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50;\n\n- veroordeelt de Staat in de door de milieuorganisaties in beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 233,50.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. J.H. de Wildt w.g. A.C. van Helvoort\n\nRichtlijn 2000\u002F60\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.\n\n Richtlijn 2013\u002F39\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000\u002F60\u002FEG en Richtlijn 2008\u002F105\u002FEG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:315","ecli-nl-cbb-2026-315",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":97,"ecli":98,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":99,"language":7,"source":17,"sourceUrl":100,"summary":14,"slug":101,"metadata":102},"1237","ECLI:NL:CBB:2026:313","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 23\u002F1965\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen\n [naam 1] , te [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. R.A. Bruinsma)\n\nen\n\nde staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur\n\n(gemachtigden: mr. M.J.H. van der Burgt en mr. J.F. van der Stelt)\n\nProcesverloop\n\n [naam 1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 april 2023 (bestreden besluit) waarmee de staatssecretaris het bezwaar van [naam 1] tegen het kostenbesluit gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en de kosten van het toepassen van spoedeisende bestuursdwang heeft vastgesteld op € 19.212,46.\n\nDe staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe zitting was op 13 mei 2026. De gemachtigden van partijen hebben aan de zitting deelgenomen.\n\nInleiding\n\n1.1. Naar aanleiding van een melding hebben districtsinspecteurs van de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) in samenwerking met een eenheid van de politie Noord-Nederland op 26 mei 2021 een controle uitgevoerd bij de woning van [naam 1] in [woonplaats] . Volgens de districtsinspecteurs is tijdens de controle gebleken dat de gezondheid en het welzijn van twintig honden is aangetast en dat sprake is van overtredingen van verschillende bepalingen uit de Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Bhd). Volgens de verklaring van de dierenarts was sprake van het onthouden van de nodige zorg aan alle twintig honden en was er geen mogelijkheid aanwezig voor herstel van de situatie op locatie, zodat het gerechtvaardigd was de honden zo snel mogelijk (binnen enkele uren) uit de woning te halen.\n\n1.2. De staatssecretaris is overgegaan tot het toepassen van spoedbestuursdwang. Hij heeft daartoe twintig honden van [naam 1] in bewaring genomen en afgevoerd naar een opslaghouder. In het besluit van 31 mei 2021 (spoedbestuursdwangbesluit) heeft de staatssecretaris vermeld dat hij de twintig honden in een geschikte huisvesting bij een opvangadres heeft geplaatst, dat voor deze opvang kosten zijn gemaakt en dat hij die kosten bij [naam 1] in rekening zal brengen. De kosten heeft de staatssecretaris in rekening gebracht met het kostenbesluit waarover deze uitspraak gaat. [naam 1] heeft geen beroep ingesteld tegen het spoedbestuursdwangbesluit, zodat dit besluit in rechte vaststaat.\n\nBeoordeling van het beroep\n\nSpoedbestuursdwangbesluit\n\n2.1. Het spoedbestuursdwangbesluit is onherroepelijk. [naam 1] kan in deze procedure tegen een kostenbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die zij tegen het spoedbestuursdwangbesluit naar voren had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als evident is dat betrokkene geen overtreder is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1042).\n\n2.2. Wat [naam 1] aanvoert over de verkrijging van het bewijs, het nieuwe boetebeleid, de verwevenheid met het kostenbesluit, de inzet van andere handhavingsmiddelen dan wel het geven van een begunstigingstermijn, had zij tegen het spoedbestuursdwangbesluit naar voren moeten brengen. Deze gronden kan zij nu niet alsnog met succes naar voren brengen, omdat daarmee geen sprake is van een bijzonder geval. Ook blijkt uit hetgeen [naam 1] verder nog heeft aangevoerd niet dat evident is dat zij geen overtreder is. Naar het oordeel van het College heeft de minister daarom in de door [naam 1] naar voren gebrachte omstandigheden terecht geen aanleiding gezien om geheel of gedeeltelijk af te zien van kostenverhaal.\n\nKostenbesluit\n\n3.1. In wat [naam 1] heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de kosten voor het toepassen van spoedbestuursdwang redelijkerwijs niet of niet geheel voor haar rekening behoren te komen. Het College legt hierna uit waarom.\n\n3.2. In artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.\n\n3.3. Zoals de staatssecretaris terecht heeft overwogen, staat het opleggen van een strafrechtelijke sanctie niet in de weg aan het uitvoeren van bestuursdwang en het verhalen van de daarmee gemoeide kosten op de overtreder. Anders dan [naam 1] veronderstelt, is een kostenbesluit bovendien geen boetebesluit en is dus geen sprake van een criminal charge, zodat van een dubbele sanctionering geen sprake is.\n\n3.4. Het betoog dat de staatssecretaris de honden langer heeft gehouden dan noodzakelijk was en de (medische) kosten niet noodzakelijk waren en\u002Fof te hoog zijn, slaagt niet. Zoals het College in zijn uitspraak van 20 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:816) heeft overwogen, vergt een zorgvuldige omgang met levende dieren dat soms enige tijd wordt genomen om over de verdere afwikkeling te beslissen en daarvoor voorzieningen te treffen. Dat de honden te lang zijn gehouden en dat daarbij onnodige dierenartskosten zijn gemaakt, is niet vast komen te staan. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit toegelicht waarom de opvang van sommige honden langer heeft geduurd dan de gebruikelijke acht weken. Om honden te kunnen herplaatsen, moet hun gezondheidstoestand in orde zijn en moet de huisvestingssituatie hersteld zijn. Uit de toelichting van de staatssecretaris blijkt dat van de twintig honden zes honden vanaf 26 mei tot en met 3 juli in de opvang zijn gehouden, één hond tot en met 7 juli, drie honden tot en met 9 juli en tien honden tot en met 28 juli. In augustus waren er nog negen honden in de opvang. Van die negen honden heeft de staatssecretaris voor augustus alleen de bewaarkosten voor hond [naam 2] (tot en met 12 augustus) in rekening gebracht, omdat zijn behandeling langer heeft geduurd totdat is besloten om hem te euthanaseren. Dat de honden langer dan noodzakelijk zijn gehouden, is niet gebleken. Ter onderbouwing heeft de staatssecretaris verwezen naar verklaringen van dierenartsen, behandelverslagen en facturen van de opvanglocatie en de dierenarts waaruit volgt dat de honden in de periode van 26 mei tot en met 12 augustus medisch zijn behandeld. Deze in rekening gebrachte kosten voor vaccinaties, bestrijding van vlooien, behandeling van tanden, ogen en oren, maken van foto’s, en het laboratorium- en bloedonderzoek zijn door [naam 1] niet gemotiveerd bestreden. Er is slechts volstaan met de niet onderbouwde stelling dat deze te hoog zijn. Nu deze kosten het College ook niet onredelijk voorkomen, slaagt deze beroepsgrond niet. Het betoog op de zitting dat de opvanglocatie ten onrechte het knippen van nagels, een welzijnsassessment en het ontklitten van de vachten in rekening heeft gebracht, slaagt niet. De staatssecretaris heeft die kosten namelijk niet in rekening gebracht.\n\n3.5. Voor het maken van een uitzondering op het uitgangspunt dat de kosten van bestuursdwang in rekening worden gebracht bij de overtreder, kan gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling onder meer aanleiding bestaan indien de aangeschrevene ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken dat de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Ook andere bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal.\n\n3.6. Het betoog dat zwaarwegende psychische en lichamelijke omstandigheden maken dat [naam 1] geen verwijt kan worden gemaakt, slaagt ook niet. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken. Zo heeft zij niet aan de hand van objectieve, verifieerbare stukken onderbouwd dat haar leeftijd en haar lichamelijke en psychische situatie de overtredingen in de hand hebben gewerkt of dat zij niet in staat was hulp in te schakelen voor de verzorging van haar honden. Uit het strafvonnis waarnaar [naam 1] heeft verwezen, kan ook niet worden opgemaakt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid aan haar zijde.\n\n3.7. Zoals het College in zijn uitspraak van 7 januari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:21) heeft overwogen, hoeft een bestuursorgaan bij een kostenbesluit in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, als hierover een geschil bestaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. De overtreder moet daartoe zodanige informatie verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben.\n\n3.8. Het betoog dat de staatssecretaris ten onrechte geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van [naam 1] , slaagt niet. De staatssecretaris heeft [naam 1] een betalingsregeling aangeboden die zij in ieder geval tot de zitting heeft nageleefd en die zo nodig verlengd kan worden. [naam 1] heeft, hoewel de staatssecretaris haar daartoe herhaaldelijk nadrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld, onvoldoende informatie over haar financiële draagkracht overgelegd. [naam 1] heeft de vragenlijst die de staatssecretaris heeft opgevraagd niet ingevuld en de daarbij gevraagde bijlagen niet ingeleverd. De staatssecretaris beschikte daardoor over onvoldoende informatie om van [naam 1] het eigen vermogen, haar netto maandinkomen en de beslagvrije voet in samenhang met eventuele lasten voor bijvoorbeeld zorg en wonen te kunnen vaststellen. Voor zover het voor [naam 1] vanwege haar persoonlijke omstandigheden niet mogelijk was om deze gegevens zelf te verzamelen, had zij daar hulp voor kunnen inroepen. [naam 1] kan gezien het voorgaande niet worden gevolgd in haar stelling dat zij de financiële middelen niet heeft om het verschuldigde bedrag te kunnen betalen.\n\nConclusie\n\n4 Het College zal het beroep ongegrond verklaren.\n\n5 De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, mr. M.J. Jacobs en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. T. Pavićević w.g. M. Ettema","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:313","ecli-nl-cbb-2026-313",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":104,"ecli":105,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":106,"language":7,"source":17,"sourceUrl":107,"summary":14,"slug":108,"metadata":109},"1239","ECLI:NL:CBB:2026:311","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 25\u002F205\n\nuitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussenStichting [naam 1] , te [vestigingsplaats] (stichting)\n\n(gemachtigde: mr. J. Biemond)\n\nen\n\nde staatsecretaris (voorheen: de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 20 augustus 2024 (besluit meevoeren en opslaan) heeft de staatssecretaris twee honden onder officieel toezicht afgezonderd, omdat zij voor de stichting vanuit Egypte naar Nederland zijn verplaatst zonder dat was voldaan aan de voorwaarden die daarvoor gelden.\n\nMet het besluit van 28 januari 2025 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de bezwaren van de stichting tegen het besluit meevoeren en opslaan ongegrond verklaard.\n\nDe stichting heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nOver een aantal stukken die de staatssecretaris verplicht is te overleggen, heeft hij meegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Met de beslissing van 12 mei 2026 heeft het College geoordeeld dat de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is.\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1. De stichting heeft op 26 juni 2024 vier honden laten importeren uit Egypte.\n\n2 Egypte is een hoog risicoland wat betreft rabiës. Rabiës is een gevaarlijke en besmettelijke ziekte die bij dieren en mensen hondsdolheid kan veroorzaken. Honden, afkomstig uit Egypte, moeten zijn voorzien van een geldige rabiësvaccinatie, een identificatiechip, een positieve titerbepaling en een overeenkomend gezondheidscertificaat voordat de hond binnen Nederland wordt gebracht. Deze rabiësvaccinatie is pas geldig wanneer de hond op een leeftijd van minimaal 12 weken oud is gevaccineerd, 30 dagen daarna een positieve titerbepaling is gedaan en de hond daarna nog drie maanden in het land van herkomst heeft verbleven. Een hond uit Egypte moet dus minimaal zeven maanden oud zijn voordat hij legaal binnen Nederland kan worden gebracht.\n\n3 De hierboven genoemde vier honden zijn op 26 juni 2024 op Schiphol gearriveerd. De documenten van de honden zijn gecontroleerd door de douane. De douane heeft geen onregelmatigheden in de documenten geconstateerd en heeft de honden tot Nederland toegelaten. De douane heeft de documenten met de bloeduitslagen van de honden ter verificatie doorgestuurd naar de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).\n\n4 Inspecteurs van de NVWA hebben de import van de voor de stichting geïmporteerde honden vervolgens gecontroleerd op grond van Verordening (EU) 2017\u002F625 (Controleverordening).In artikel 47 van de Controleverordening staan de importregels van dieren en goederen aan grenscontroleposten die in dit geval van toepassing zijn. In Verordening (EU) 2020\u002F692(Verordening 2020\u002F692) staan de daarbij relevante diergezondheidsvoorschriften. Eén van de eisen waar een zending van honden aan moet voldoen, is dat de hond een geldige titreringstest op rabiësantilichamen moet hebben ondergaan. In de Controleverordening staan de maatregelen genoemd die genomen mogen worden indien verplichtingen van de Controleverordening niet zijn nageleefd.\n\n5 Uit een e-mail van 2 juli 2024 bleek dat uit een onderzoek van het laboratorium (VIRO VET DIAGNOSTIK GmbH in Duitsland) was gebleken dat de documenten van twee van de door de stichting geïmporteerde honden zijn vervalst. Het betreft de honden met chipnummer [nummer 1] (bekend onder de naam [naam 2] , hierna aan te duiden als: [nummer 1] ) en [nummer 2] (bekend onder de naam [naam 3] , hierna aan te duiden: [nummer 2] ). De staatssecretaris heeft de honden met de chipnummers [nummer 1] en [nummer 2] vervolgens op 18 juli 2024 bij hun nieuwe baasjes thuis laten meevoeren en opslaan. Op 18 oktober 2024 heeft de staatssecretaris de honden met de chipnummers [nummer 1] en [nummer 2] teruggegeven aan hun baasjes.\n\n6 De staatssecretaris heeft naar aanleiding van een vraag van het College op 20 april 2026 geantwoord dat er met betrekking tot het besluit van 20 augustus 2024 geen invorderings- of kostenbesluiten zijn genomen. De reden hiervoor is dat de stichting met terugwerkende kracht is ontbonden en is uitgeschreven uit het Handelsregister per 15 juli 2024, waardoor het voor de staatssecretaris niet meer mogelijk is om de kosten te verhalen.\n\nBeoordeling door het College\n\n7 Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, onder a\u002Fb\u002Fc\u002Fd, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het College, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken en doet uitspraak zonder zitting. Daartoe overweegt het College als volgt.\n\nProcesbelang\n\n8 Het College beoordeelt eerst of de stichting belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep (procesbelang). Indien het procesbelang ontbreekt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dat is naar het oordeel van het College hier het geval. Hieronder legt het College uit waarom.\n\n9 Voor de vraag of er (nog) procesbelang bestaat, is van belang wat de stichting met haar beroep nastreeft. Het doel dat zij hiermee wil bereiken, moet zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor haar feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische betekenis. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van een procesbelang. Daarbij geldt in zaken als hier aan de orde dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel indien een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 17 januari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:30, onder 6), 19 juli 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:415, onder 3.1) en 23 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:304, onder 8.1.3)). De stichting zal in dat geval (desgevraagd) concreet moeten aangeven waarom de beoordeling van het besluit voor haar nog feitelijke betekenis heeft.\n\n10 De stichting heeft op een vraag van het College wat zij met het beroep tegen de last wil bereiken en waarin haar procesbelang is gelegen niet gereageerd. Het College stelt vast dat de stichting inmiddels met terugwerkende kracht is ontbonden en is uitgeschreven uit het Handelsregister. De honden [naam 3] en [naam 2] zijn alsnog volgens de geldende regels ingeënt en terug naar hun nieuwe baasjes, de staatssecretaris heeft geen kostenbesluiten genomen en zal deze ook niet meer nemen. Tot slot zijn geen verzoeken om schadevergoeding ingediend. Bij deze stand van zaken is het College van oordeel dat voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat de stichting geen procesbelang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Dat betekent dat het College het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.\n\nConclusie\n\n11.1. Het beroep is niet-ontvankelijk.\n\n11.2. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te betalen.\n\n Beslissing\n\nHet College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. T. Pavićević w.g. I.S. Post\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij het College. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.\n\n Verordening (EU) 2017\u002F25 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999\u002F2001, (EG) nr. 396\u002F2005, (EG) nr. 1069\u002F2009, (EG) nr. 1107\u002F2009, (EU) nr. 1151\u002F2012, (EU) nr. 652\u002F2014, (EU) 2016\u002F429 en (EU) 2016\u002F2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1\u002F2005 en (EG) nr. 1099\u002F2009 van de Raad en de Richtlijnen 98\u002F58\u002FEG, 1999\u002F74\u002FEG, 2007\u002F43\u002FEG, 2008\u002F119\u002FEG en 2008\u002F120\u002FEG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854\u002F2004 en (EG) nr. 882\u002F2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89\u002F608\u002FEEG, 89\u002F662\u002FEEG, 90\u002F425\u002FEEG, 91\u002F496\u002FEEG, 96\u002F23\u002FEG, 96\u002F93\u002FEG en 97\u002F78\u002FEG van de Raad en Besluit 92\u002F438\u002FEEG van de Raad.\n\nVerordening (EU) 2020\u002F692 van de Commissie van 30 januari 2020 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016\u002F429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor de binnenkomst in de Unie en het na binnenkomst verplaatsen van en werken met zendingen van bepaalde dieren, levende producten en producten van dierlijke oorsprong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:311","ecli-nl-cbb-2026-311",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":111,"ecli":112,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":113,"language":7,"source":17,"sourceUrl":114,"summary":14,"slug":115,"metadata":116},"1249","ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F132083-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 29 oktober 2025 en 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tekst van de tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\nAan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij op of omstreeks:\n\n1. maart 1990 te Bodegraven [slachtoffer] heeft verkracht;\n\n2. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;\n\n3. 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg een wapen van categorie I onder 7°van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.\n\n3. De verweren van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie om twee redenen, beide afzonderlijk en in samenhang bezien niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, de verkrachting van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat het onder feit 1 tenlastegelegde zou zijn verjaard en subsidiair aangevoerd dat de verdenking jegens de verdachte en het daarna verzamelde bewijsmateriaal uitsluitend het gevolg is geweest van onrechtmatig bewaard, gedeeld en gebruikt DNA-materiaal van de verdachte. Het subsidiair aangevoerde zou, indien het Openbaar Ministerie al ontvankelijk is, volgens de verdediging moeten leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat op het gebruik van dit DNA-materiaal is gebaseerd.\n\nTen aanzien van de verjaring\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging gaat, met het Openbaar Ministerie, uit van 30 maart 1990 als pleegdatum van het feit. Ten tijde van de pleegdatum gold voor verkrachting een verjaringstermijn van vijftien jaar. Het primaire standpunt van de verdediging is dat op 30 maart 1990 (de dag van aangifte) een verjaringstermijn is aangevangen van vijftien jaar en dat als gevolg daarvan het feit is verjaard per 30 maart 2005, dat is voorafgaand aan de wetswijziging van 1 januari 2006 waarmee de verjaringstermijn gewijzigd is naar twintig jaar (Stb. 2005, 595).\n\nBij wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) is artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zo gewijzigd dat de termijn voor verjaring van zedenmisdrijven jegens minderjarigen pas aanvangt op de dag na de dag dat het slachtoffer achttien jaar wordt. Volgens de verdediging heeft deze wetswijziging in dit geval geen werking. Een wetswijziging die het aanvangsmoment van een reeds lopende verjaring verlegt staat volgens haar op gespannen voet met het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel. Een dergelijke wijziging van het aanvangsmoment is volgens de verdediging daarom alleen mogelijk in situaties waarin dit expliciet de bedoeling was van de wetgever. Volgens de verdediging was de bedoeling van de wetgever met de wetswijziging van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529) om minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven te beschermen die vanwege een afhankelijkheids- of gezinsrelatie niet zelfstandig aangifte konden doen vóór zij de leeftijd van achttien jaren hadden bereikt. Van deze situatie is volgens de verdediging geen sprake in de onderhavige zaak, aangezien er reeds in 1990 aangifte is gedaan van de verkrachting. Om die reden zou volgens de verdediging het rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel met zich brengen dat het aanvangsmoment van de verjaring niet gewijzigd is en dat het feit daarmee is verjaard.\n\nSubsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de reeds aangevangen verjaringstermijn is gestuit door een daad van vervolging (te weten tegen de broer van de verdachte) in de jaren negentig. Als gevolg van deze stuiting zou (ook) jegens de verdachte een nieuwe verjaringstermijn zijn aangevangen van maximaal tweemaal vijftien jaar en zou het feit ook zijn verjaard.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 niet is verjaard en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van dit feit.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank neemt als uitgangspunt de wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529, inwerkingtreding 1 september 1994) waarbij artikel 71 Sr zodanig is gewijzigd dat de verjaringstermijn voor het onderhavige strafbare feit eerst aanvangt op de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. De door de verdediging bepleite “redelijke wetsuitleg”, inhoudende dat deze wet uitsluitend van toepassing is op gevallen waarin vóór het achttiende levensjaar nog geen aangifte was gedaan door of namens het slachtoffer leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de onredelijke situatie dat de verjaring afhankelijk wordt gemaakt van het feit of er wel of geen aangifte is gedaan. De wetgever heeft, blijkens de memorie van toelichting op de Wet van 7 juli 1994 (Stb. 1994, 529), geciteerd in bijlage 2 bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2025, blz. 17 n. 3, juist een eenduidige verjaringstermijn met een objectief vast te stellen aanvangsmoment willen hanteren voor alleminderjarige slachtoffers van een zedendelict. Hierom gaat de rechtbank ervan uit dat de op 30 maart 1990 aangevangen verjaring op 1 september 1994 met terugwerkende kracht is aangevangen per 20 juli 1993, de dag na die waarop het slachtoffer achttien jaar is geworden. Het door de verdediging aangevoerde rechtszekerheids- en eerbiedigingsbeginsel gaat in deze situatie niet op, nu er geen sprake is van een reeds voltooide verjaring. Door (tijdige) verlenging van de verjaringstermijn naar twintig jaar bij wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595, inwerkingtreding 1 januari 2006) is eveneens de wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) van toepassing, zodat het onderhavige strafbare feit thans niet meer verjaart.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande onverkort in de door de verdediging gestelde situatie dat door een daad van vervolging jegens een ander (en wel de broer van de verdachte) sprake zou zijn geweest van stuiting van de verjaring. Dit betoog ziet er immers aan voorbij dat de derdenwerking van stuiting van de verjaring, zoals thans in het eerste lid van artikel 72 Sr vastgelegd, pas bij de eerdergenoemde wet van 16 november 2005 (Stb. 2005, 595; inwerkingtreding 1 januari 2006) is ingevoerd – dezelfde wet waarbij de verjaringstermijn tot 20 jaar is verlengd. Zelfs indien er daarom van moet worden uitgegaan dat de verjaring door de aanhouding van de broer van de verdachte op 1 september 1990 is gestuit en dat die stuiting met terugwerkende kracht per 1 januari 2006 ook jegens verdachte zou werken, dan geldt nog dat de bij diezelfde wet tot 20 jaar verlengde verjaringstermijn een maximale vervolgingstermijn niet van 30 jaar, zoals de verdediging stelt, maar van 40 jaar met zich brengt. Daaruit volgt in elk geval, nog afgezien van de gevolgen van de algehele afschaffing van de verjaring bij wet van 15 november 2012 (Stb. 2012, 572, inwerkingtreding 1 april 2013) dat de vervolgingstermijn op zijn vroegst op 30 maart 2030 zou expireren.\n\nHet recht tot strafvervolging van het Openbaar Ministerie is dus niet vervallen. Het Openbaar Ministerie is derhalve in zoverre ontvankelijk in de vervolging van feit 1, zodat de rechtbank het primaire verweer van de verdediging verwerpt.\n\nTen aanzien van het onrechtmatig bewaren, delen en gebruiken van het DNA-materiaal\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van feit 1, aangezien de verdenking jegens de verdachte uitsluitend is ontstaan als gevolg van het onrechtmatig bewaren en delen van DNA-materiaal van de verdachte door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en het onrechtmatig gebruik maken van deze (en hieruit voortvloeiende) informatie door de Nederlandse autoriteiten.\n\nDaartoe voert de verdediging aan dat het DNA-materiaal van de verdachte reeds in 2010 uit de databank van het Verenigd Koninkrijk verwijderd had moeten worden en dat zijn DNA-materiaal niet binnen de Prüm-samenwerking gedeeld had mogen worden. Het DNA-materiaal is echter niet verwijderd en wel gedeeld, zodat er op 8 maart 2022 een DNA-match heeft plaatsgevonden tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Volgens de verdediging is daarmee sprake van een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het recht op eerbiediging van het privéleven van de verdachte. Deze schending is op zichzelf een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), wat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.\n\nDaarbij komt dat, volgens de verdediging, de Nederlandse autoriteiten de uit het DNA-materiaal afkomstige informatie, niet mochten gebruiken om de vervolging van de verdachte te starten en verder bewijs te verzamelen. Door toch uit te gaan van deze informatie, is er volgens de verdediging sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces van de verdachte in de zin van artikel 6 EVRM. Ook hierom is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 1. Subsidiair zou om dezelfde redenen al het op deze onrechtmatigheid gebaseerde materiaal van het bewijs moeten worden uitgesloten.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse autoriteiten slechts gebruik gemaakt hebben van rechtmatig verkregen sturingsinformatie, die aanleiding was voor het ontstaan van de verdenking tegen de verdachte. Het verdere opsporingsonderzoek is gebaseerd op het nadien – vrijwillig – afgegeven DNA van de verdachte. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging van feit 1 en bewijsuitsluiting is niet aan de orde.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de beoordeling van het tweede door de verdachte gevoerde ontvankelijkheidsverweer stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 359a, lid 1, Sv kan de rechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de hoogte van de straf zal worden verlaagd, de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.\n\nDe toepassing van artikel 359a lid 1 Sv is dus onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” in de zin van art. 132 Sv tegen de verdachte. In zijn overzichtsarrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) heeft de Hoge Raad overwogen dat deze begrenzing niet uitsluit dat een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a lid 1 Sv ligt. In dit verband is door de Hoge Raad expliciet benoemd de situatie waarin het onderzoek is verricht onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit van een andere tot het EVRM toegetreden staat. De Nederlandse strafrechter mag in dat geval onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Als aan deze toets is voldaan, hoeft de strafrechter ook in het geval van een inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 EVRM gewaarborgde recht geen rechtsgevolgen aan de inbreuk te verbinden (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629). Evenwel behoort het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek in het buitenland is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels en dus of er in het desbetreffende land al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoekshandelingen. De rechtbank let hierbij ook op de overwegingen van de Hoge Raad over het in het kader van het EVRM geldende vertrouwensbeginsel.\n\nUit de stukken van het Joint International Crime Centre (hierna: JICC) volgt dat het DNA-materiaal van de verdachte in 2010 verwijderd had moeten worden uit de databank in het Verenigd Koninkrijk (p. 429 en 430 van het procesdossier). Dat is niet gebeurd. Het bewaarde DNA-materiaal is door de Britse autoriteiten vervolgens gedeeld binnen de Prüm-databank, waarna op 8 maart 2022 een DNA-match plaatsvond tussen het DNA-materiaal van de verdachte en het sporenmateriaal dat was veiliggesteld in de onderhavige zaak. Het JICC heeft mededeling gedaan van het onderzoeksresultaat van de DNA-match aan de Nederlandse autoriteiten, onder vermelding van de personalia van de verdachte.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het DNA-materiaal van de verdachte niet door het Verenigd Koninkrijk aan Nederland is verstrekt, en dat in zoverre geen gebruik is gemaakt van onrechtmatig bewaard DNA-materiaal van de verdachte. Het handelen van de Nederlandse autoriteiten is ingegeven op basis van ontvangen sturingsinformatie van de Britse autoriteiten. Het staat de Nederlandse autoriteiten vrij om wel of niet in te gaan op ontvangen informatie van buitenlandse autoriteiten. Anders dan de verdediging heeft bepleit, is in zoverre geen sprake van enig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt reeds in zoverre verworpen.\n\nNiet in geschil is dat het DNA-materiaal van de verdachte onrechtmatig is bewaard in het Verenigd Koninkrijk en dat in zoverre sprake is van een vormverzuim. Omdat het handelen van de Britse autoriteiten niet valt onder “het voorbereidend onderzoek” als bedoeld in artikel 359a Sv, moet de rechtbank gelet op voormeld toetsingskader beoordelen of het gebruiken van het onderzoeksresultaat van de DNA-match (de sturingsinformatie) in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nNa ontvangst van de sturingsinformatie hebben de Nederlandse autoriteiten het opsporingsonderzoek heropend. De politie heeft op 13 mei 2025 telefonisch contact opgenomen met de verdachte, met de mededeling dat zij wilden afspreken in verband met een aanhouding ter zake van verkrachting. Op 14 mei 2025 heeft de verdachte zich vrijwillig bij de politie gemeld. Na het geven van de cautie heeft de verdachte een vrijwel volledige bekentenis afgelegd en vrijwillig DNA-materiaal afgestaan aan de Nederlandse autoriteiten. Dit DNA-materiaal is vervolgens door het Nederlands Forensisch Instituut getest en heeft een DNA-match opgeleverd met het referentiemateriaal in de onderhavige zaak. De verdachte heeft vervolgens onderzoekswensen kunnen indienen en op een openbare terechtzitting verantwoording kunnen afleggen en het aangeleverde bewijs mogen betwisten. Ter terechtzitting heeft de verdachte – nadat hem de cautie was gegeven – gepersisteerd bij zijn bekennende verklaring. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het proces van de verdachte in zijn geheel eerlijk is verlopen en dat er geen sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank komt dan ook niet toe aan het toepassen van enig in art. 359a Sv bedoeld rechtsgevolg, zoals door de verdediging is bepleit.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verweren afzonderlijk dan wel in onderling verband beschouwd geen van alle kunnen leiden tot het oordeel dat een of meerdere onherstelbare inbreuken zijn begaan op het recht van verdachte op een eerlijk proces die tot gevolg moeten hebben dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, dan wel moeten leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van al het tenlastegelegde.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bestanddeel ‘door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’ niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft de rechtbank daarom verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 1. Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat een deel van de fysieke handelingen wel kan worden bewezen, verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het dreigen met neersteken met een mes.\n\nDaarnaast heeft de raadsman zich met betrekking tot het onder 2 en 3 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.\n\n4.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.\n\n4.4.. Bewijsoverweging feit 1\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Voor bewezenverklaring van verkrachting, als bedoeld in het in 1990 geldende artikel 242 Sr, moet komen vast te staan dat het slachtoffer door geweld of door bedreiging met geweld is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. Onder geweld kan onder meer worden verstaan het aanwenden van fysieke kracht of het onverhoeds met kracht penetreren van de ander. Bedreiging met geweld zou erin kunnen bestaan dat de verdachte door zijn optreden de vrees opwekt dat hij zal overgaan tot geweld tegen het slachtoffer als het slachtoffer niet toegeeft. Het geweld en de bedreiging met geweld moet zwaar genoeg zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken.\n\nDe rechtbank acht de verklaringen van het slachtoffer consistent en coherent, en daarmee betrouwbaar. Ten overstaan van een getuige, de politie ter plaatse en tijdens het verhoor bij de politie heeft het slachtoffer gelijkluidend verklaard over wat zich heeft afgespeeld voor en tijdens de seksuele handelingen. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verklaringen binnen een zeer korte tijdsperiode (in de ochtend tot de vroege middag van 30 maart 1990) zijn afgelegd, zodat niet valt in te zien dat het slachtoffer haar verklaringen op andere zou hebben afgestemd of veranderd. De rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer.\n\nUit de verklaring van het slachtoffer volgt dat de verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt bij de pols, de bovenarm en het hoofd. Ook heeft de verdachte het slachtoffer naar de keuken geduwd en getrokken, zijn hand op haar mond geduwd, haar naar boven en naar de slaapkamer geduwd en op bed gegooid. Vervolgens is de verdachte boven op het slachtoffer gedoken, heeft haar joggingbroek uitgetrokken en haar onderbroek kapotgetrokken. Ook heeft de verdachte meerdere malen op dreigende toon tegen het slachtoffer gezegd dat hij haar zou neersteken met een mes als ze niet mee zou werken met de seksuele handelingen dan wel geluid zou veroorzaken.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van het slachtoffer in voldoende mate steun vinden in ander bewijs in het dossier. De buurvrouw, getuige [getuige] , verklaart net als het slachtoffer dat het gesprek met de verdachte begon over een telefoonnummer. Deze buurvrouw verklaart ook dat zij de deur hard hoorde dichtvallen, en dat de stem van het slachtoffer verheven, paniekerig en angstig klonk. Verder vinden de verklaringen van het slachtoffer steun in het kapotgetrokken slipje, dat door de politie is veiliggesteld en bemonsterd.\n\nDe rechtbank gaat dan ook uit van de verklaringen van het slachtoffer over de toegepaste geweldshandelingen en de geuite bedreigingen. Daaronder valt dus ook het dreigen met een mes. De rechtbank is van oordeel dat het geweld en de bedreigingen van dien aard zijn, dat zij voor het slachtoffer (een veertienjarig meisje dat thuis werd overrompeld) als genoegzame dwang tot het gedogen van het feit kunnen worden beschouwd.\n\nGelet op de hiervoor beschreven handelingen en bedreigingen waarmee de verkrachting heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat de bestanddelen ‘door geweld en bedreiging met geweld (..) heeft gedwongen’, waaronder ook de bedreigingen met het mes, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1\n\nhij op 30 maart 1990 te Bodegraven door geweld en bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer] , geboren op 19 juli 1975, heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, bestaande uit het brengen\u002Fduwen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, (meermalen)\n\n- die [slachtoffer] (hard) bij de pols en de bovenarm en het hoofd heeft gepakt, en\n\n- die [slachtoffer] naar de keuken heeft geduwd en getrokken, en\n\n- zijn hand (hard) op de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd, en\n\n- die [slachtoffer] de trap op naar boven heeft geduwd en naar de slaapkamer heeft geduwd en op het bed heeft gegooid, en\n\n- bovenop (het lichaam van) die [slachtoffer] is gedoken, en\n\n- de (jogging)broek en de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en die laatstekapotheeftgetrokken, en\n\n- ( op dreigende toon) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “Als je nou nog een keer gilt, steek ik een mes tussen je ribben” en “Ik steek een mes tussen je ribben en dan ben je gelijk weg” en “Ik heb je toch gewaarschuwd! Je weet toch wat ik gezegd heb over dat mes dus eh…” en “Nou hou je je bek dicht want je weet wat ik over het mes heb gezegd” en “Je moet het niet tegen je moeder zeggen of tegen de buurvrouw of tegen de politie want als ik merk dat iemand naar je toekomt en je iemand gewaarschuwd hebt, steek ik een mes door je ribben heen en gebeuren er nare dingen en heel je familie gaat kapot”;\n\n2\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena,\n\n- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen (pistool), van het merk FN, type Baby, kaliber 6.35mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en\n\n- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 19 stuks kogelpatronen (volmantel pistoolpatroon) van het kaliber .25 auto (6.35mm) voorhanden heeft gehad;\n\n3\n\nhij op 13 mei 2025 te Wijk en Aalburg, gemeente Altena, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een veerdrukgeweer, merk Double Eagle, model M38, kaliber 6mm, voorhanden heeft gehad.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld in de vorm van verontschuldigbare rechtsdwaling, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden. Er zou, aldus de verdediging, geen enkele aanwijzing zijn dat de verdachte wist of behoorde te weten dat het enkele voorhanden hebben van dit object strafbaar was.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte voor alle feiten strafbaar is.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVolgens vaste rechtspraak slaagt een beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling\n\nslechts als aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een\n\nverontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van\n\nde hem verweten gedraging. Hiervan is in de regel slechts sprake indien de verdachte heeft vertrouwd op een, naar later blijkt, onjuist advies, onjuiste informatie van de overheid of wanneer hij in het geheel geen advies over de mogelijke strafbaarheid van de gedraging hoefde in te winnen. Door de verdachte zijn wisselende verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij het wapen in bezit heeft verkregen. Door deze wisselende verklaringen kan niet vastgesteld worden in welke veronderstelling de verdachte verkeerde bij het verkrijgen van het wapen. Naar oordeel van de rechtbank is daarom niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van het bezit van dit wapen. De verdachte is derhalve voor feit 3 strafbaar.\n\nDe verdachte is eveneens voor de feiten 1 en 2 strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De strafoplegging\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komt – de rechtbank verzocht een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen, eventueel met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om ten aanzien van de feiten 2 en 3 verder geen straf op te leggen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in 1990 schuldig gemaakt aan verkrachting van een 14-jarig meisje in haar eigen woning. De verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het jeugdige slachtoffer. Uit de indrukwekkende slachtofferverklaring die zij op zitting heeft afgelegd blijkt dat de verkrachting – na 36 jaar – nog dagelijks impact heeft op haar leven. Zij heeft zich na de verkrachting niet meer veilig gevoeld in haar eigen woning en durft niet alleen thuis te zijn als er vreemde mensen langskomen. Een feit als het onderhavige is – kort gezegd – de nachtmerrie van iedere vrouw. Dit soort feiten zorgen dan ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en in onze samenleving als geheel. De verdachte heeft ervoor gekozen om ruim 35 jaar zijn mond te houden over hetgeen hij in maart 1990 had gedaan. Daarmee heeft hij het leed van het slachtoffer in niet onaanzienlijke mate vergroot en haar jaren in niet aflatende onzekerheid gelaten. Dat verdachte na zijn aanhouding onmiddellijk heeft bekend en herhaaldelijk, ook op zitting, spijt heeft betuigd, kan daar slechts in beperkte mate aan afdoen. Daarnaast zijn bij de doorzoeking van de woning van de verdachte in 2025 een pistool, kogelpatronen en een veerdrukgeweer aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie levert in het algemeen het risico van het feitelijk gebruik van die wapens op, met alle gevolgen van dien. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 1990 is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 september 2025, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer en dagbesteding.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (hierna: LOVS-oriëntatiepunten) als vertrekpunt genomen. Daarin is als uitgangspunt voor verkrachting met een beperkte mate van dwang vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en in het geval van verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. In dit geval neemt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden als vertrekpunt, aangezien de verdachte geweld heeft gebruikt en het slachtoffer minderjarig was. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat ook rekening gehouden met de stand van de jurisprudentie in 1990. In 1990 werden er lagere straffen voor verkrachting opgelegd dan in 2026. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het LOVS-oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen (pistool) in een woning waarop als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden staat vermeld.\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank ziet vanwege het door de reclassering vastgestelde lage recidiverisico geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven, aangezien artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. De rechtbank wijst dit verzoek af, gelet op de op te leggen straf.\n\n8. De vordering van de beledigde partij\n\n [slachtoffer] heeft zich als beledigde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 25.000, -, – na vermindering van haar vordering ter terechtzitting - niet te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. De advocaat van de beledigde partij heeft namens de beledigde partij verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 680,67, zijnde de tegenwaarde van ƒ 1500,-, en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, zodat de rest van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.\n\n8.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de beledigde partij tot een bedrag van € 680,67 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de beledigde partij voor het overige.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij moet worden afgewezen, gelet op de bepleite niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het vrijspraak-verweer. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de beledigde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nImmateriële schade\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de beledigde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De beledigde partij is namelijk door de verdachte verkracht. Daardoor is de beledigde partij in haar persoon aangetast en heeft zij recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden op 30 maart 1990 en daarom moet de vordering worden beoordeeld conform het toen geldende recht. Gelet op artikel 332 (oud) van het Wetboek van Strafvordering en artikel 56 (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie volgt dat de beledigde partij in een strafprocedure een bedrag kan vorderen van ten hoogste ƒ 1.500, -. Dit is omgerekend een bedrag van € 680,67. Nu de gevorderde schade dit bedrag te boven gaat, kan de beledigde partij, blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet in haar vordering worden ontvangen voor het meerdere.\n\nGelet op wat namens de beledigde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade in ieder geval vaststellen op een bedrag van\n\n€ 680,67 en de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De beledigde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nNu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de beledigde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de beledigde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\n9. De in beslag genomen voorwerpen\n\n9.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 (wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart)), 2 (19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331)) en 3 (wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83)) genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien de feiten 2 en 3 met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:\n\n36b, 36c, 57, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nverkrachting;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nten aanzien van feit 3:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van30 (DERTIG) MAANDEN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nde vordering van de beledigde partij;\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de beledigde partij deels toe tot een bedrag van € 680,67 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan [slachtoffer] ;\n\nbepaalt dat de beledigde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat de beledigde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de beledigde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;\n\nde in beslag genomen goederen;\n\nverklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:\n\n1. wapen (handvuurwapen met lege patroonhouder, kaliber 35 of 25, DHRAA23059_855644 \u002F 2024061280-G3325321, zwart);\n\n2. 19 stuks munitie (kogelpatronen, doosje met 19 patronen, kaliber 25 auto, DHRAA223059_855645 \u002F 2024061280-G3325331);\n\n3. wapen (airsoft wapen, met patroonhouder, DHRAA23059_855643 \u002F 2024061280-G3325333, zwart, merk: Double Eagle M83).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. E. Rabbie, voorzitter,\n\nmr. J.J. Balfoort, rechter,\n\nmr. J.G. Bruinsma, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18522","ecli-nl-rbdha-2026-18522",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":118,"ecli":119,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":120,"language":7,"source":17,"sourceUrl":121,"summary":14,"slug":122,"metadata":123},"839","ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","Rolnummer: 22-003495-25\n\nParketnummer: 10-134474-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 november 2025 alsmede het herstelvonnis van 12 november 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege. Ook is aan de verdachte opgelegd gedragsbeïnvloedende maatregel zoals bedoeld in artikelen 38z van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging,\n\n- tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] heeft geslagen,\n\n- die [slachtoffer] tegen een hek heeft geduwd en\u002Fof vastgehouden,\n\n- die [slachtoffer] op haar armen gekrabd heeft,\n\n- heeft geprobeerd de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek heeft uitgetrokken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald, en\u002Fof\n\n- zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n hij op 29 april 2025 te Rotterdam, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het\n\n- slaan met zijn hand tegen de vagina en\u002Fof de billen en\u002Fof het dijbeen van die [slachtoffer] , en\u002Fof\n\n- duwen met zijn geslachtsdeel tegen de (bedekte) billen van die [slachtoffer] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en\u002Fof gevolgd door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging, door - die [slachtoffer] tegen een hek te duwen,\n\n- te proberen de legging van die [slachtoffer] naar beneden te trekken,\n\n- zijn broek uit te trekken en\u002Fof zijn geslachtsdeel uit zijn broek te halen, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] op haar armen te krabben.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behalve ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de beslissing met betrekking tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de motivering daarvan.\n\nIn dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en het herstelvonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvullingen aanbrengt.\n\nVerzoek tot het horen van de reclasseringsambtenaar\n\nDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de reclasseringsambtenaar als deskundige te horen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte sinds de behandeling van de zaak in eerste aanleg een andere houding heeft aangenomen en thans bereid is mee te werken aan eventueel op te leggen voorwaarden. Volgens de raadsvrouw is het daarom van belang de reclasseringsambtenaar te bevragen over de mogelijkheden van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, ondanks het eerder door de reclassering uitgebrachte negatieve advies.\n\nHet hof wijst dit verzoek af. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.\n\nUit de zich in het dossier bevindende Pro Justitia-rapportages, alsmede uit hetgeen de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft verklaard, blijkt dat bij hem geen sprake is van een intrinsieke bereidheid tot behandeling. De verdachte heeft meermalen te kennen gegeven geen behandeling te willen ondergaan, omdat hij niet inziet dat sprake is van problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk is. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan ziekte- en probleeminzicht. Dat de verdachte thans, anders dan in eerste aanleg, heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden, maakt dit oordeel niet anders. Het hof begrijpt deze verklaring, mede gelet op de overige inhoud van het dossier en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, aldus dat deze bereidheid voortkomt uit zijn wens om in vrijheid te worden gesteld en niet uit een daadwerkelijke behandelmotivatie. Zo heeft de verdachte over een klinische opname, hetgeen volgens de rapportage van de reclassering een van de voorwaarden bij een eventuele terbeschikkingstelling met voorwaarden zou zijn, verklaard dat er zo geen verschil is met een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, dat niemand kan zeggen dat er een probleem is en heeft hij de vraag gesteld wat er dan onderzocht moet worden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij zich wil richten op de toekomst, “dit” allemaal achter zich wil laten en dat hij geen zin heeft in een gesprek met de reclassering hierover.\n\nHier komt bij dat de verdachte blijkens het reclasseringsrapport van 17 oktober 2025 meermalen heeft geweigerd met de reclassering in gesprek te gaan ten behoeve van het opstellen van een maatregelenrapport, ondanks het feit dat de reclassering aan de verdachte het belang van zijn medewerking heeft uitgelegd en de verdachte eerder ter terechtzitting van 8 augustus 2025 had aangegeven mee te zullen werken aan de reclasseringsrapportage. Verder heeft de verdachte in het kader van de onderzoeken naar zijn persoonlijkheid op de vraag van de psychiater of hij bereid is zich aan voorwaarden te houden geantwoord \"off the record, nee, on the record ja\".\n\nOnder deze omstandigheden tezamen beschouwd ziet het hof geen noodzaak tot het horen van de reclasseringsambtenaar inzake de haalbaarheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof vult bewijsmiddel 1 aan door de datum van de terechtzitting toe te voegen, te weten 28 oktober 2025.\n\nVoorts wordt als bewijsmiddel toegevoegd:\n\n7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2025 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. [nummer proces-verbaal] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 14 t\u002Fm 16):\n\nhet relaas van één van de verbalisanten:\n\nIk hoorde dat [slachtoffer] (hof: aangeefster [slachtoffer] ) mij het volgende vertelde:\n\n“Toen de man voor mij stond zag ik dat hij zijn arm in de richting van de binnenkant van mijn dijbeen deed. Ik voelde dat hij mij raakte aan de binnenkant van mijn dijbeen ter hoogte van mijn schaamstreek. (…) Ik stond tussen de man en het hek in. Ik zag dat de man zijn geslachtsdeel uit zijn broek haalde. Ik voelde dat hij zijn geslachtsdeel tegen mijn billen aan duwde.”\n\nHet hof zal vonnis waarvan beroep - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden bevestigen.\n\nVordering tot schadevergoeding [slachtoffer]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.820,-. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering deels gehandhaafd in die zin dat het opgevoerde nader te onderbouwen bedrag van € 2.500,- voor immateriële schade komt te vervallen.\n\nIn hoger beroep is deze vordering derhalve aan de orde tot een bedrag van € 4.320,-, zijnde een bedrag van € 320,- voor materiële schade en een bedrag van € 4.000,- voor immateriële schade.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de gelede immateriële schade is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.\n\nDe benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 320,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor wat betreft de immateriële schade geldt het volgende. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nNaar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast. Uit informatie van de huisarts volgt dat zij slaapproblemen en stemmingsklachten ervoer. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gebracht dat de benadeelde partij nog steeds behandelingen ondergaat. Het hof is los daarvan van oordeel dat de aard en ernst van de normschending – de bewezen verklaarde poging tot opzetverkrachting van de benadeelde partij als hardloopster, gepleegd in de late avond - meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nGelet op hetgeen door en namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal het hof het gevorderde bedrag voor de gelede immateriële schade geheel toewijzen, te weten een bedrag van € 4.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij het toewijzen van dit bedrag heeft het hof aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft nu sprake is van een poging tot opzetverkrachting als richtsnoer genomen de bedragen die zijn genoemd in de categorie “ernstig” bij “aanranding” , te weten € 1.000,- tot € 5.000,-. De feiten in het onderhavige geval passen naar het oordeel van het hof bij de bovenste laag van deze categorie.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.320,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.320,- (vierduizend driehonderdtwintig euro) bestaande uit € 320,- (driehonderdtwintig euro) materiële schade en € 4.000,- (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 april 2025.\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep inclusief het herstelvonnis voor het overige, met inachtneming van de in dit arrest overwogene.\n\nDit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, mr. K. Versteeg en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2247","ecli-nl-ghdha-2026-2247",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":125,"ecli":126,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":127,"language":7,"source":17,"sourceUrl":128,"summary":14,"slug":129,"metadata":130},"1174","ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20086\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. De minister heeft verzoekers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het verzoek, gelijktijdig met het beroep, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, een tolk en de gemachtigde van de minister. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nBoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20085.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18651","ecli-nl-rbdha-2026-18651",{"courtName":6,"legalDomain":131,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":133,"ecli":134,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":135,"language":7,"source":17,"sourceUrl":136,"summary":14,"slug":137,"metadata":138},"1183","ECLI:NL:RBDHA:2026:18656","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20082\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], verzoeker\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n2. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nOverwegingen\n\n3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\n4. De rechtspraak heeft vandaag uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL26.20081.\n\n Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18656","ecli-nl-rbdha-2026-18656",{"courtName":6,"legalDomain":131,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":140,"ecli":141,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":142,"language":7,"source":17,"sourceUrl":143,"summary":14,"slug":144,"metadata":145},"1238","ECLI:NL:CBB:2026:312","uitspraak\n\nCOLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN\n\nzaaknummer: 24\u002F266\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussenAgroFresh Holding France S.A.S., te Parijs (Frankrijk) (AgroFresh)\n\n(gemachtigde: mr. L.P.W. Mensink)\n\nen\n\nhet College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)\n\n(gemachtigde: mr. M.K. Polano)\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 4 mei 2023 (afwijzingsbesluit 1) heeft het Ctgb de aanvraag tot verlenging van de toelating voor het gewasbeschermingsmiddel EthylBloc Sachet afgewezen.\n\nMet het besluit van 4 mei 2023 (afwijzingsbesluit 2) heeft het Ctgb de aanvraag tot toelating voor het gewasbeschermingsmiddel SmartFresh InBox afgewezen.\n\nMet het besluit van 24 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Ctgb de bezwaren van AgroFresh tegen de afwijzingsbesluiten ongegrond verklaard.\n\nAgroFresh heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nHet Ctgb heeft een verweerschrift ingediend.\n\nPartijen hebben nadere stukken ingezonden.\n\nDe zitting was op 11 maart 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Ook hebben deelgenomen namens AgroFresh [naam 1] en [naam 2] en, namens het Ctgb, [naam 3] en [naam 4] .\n\nOverwegingen\n\nInleiding\n\n1.1. Het beroep gaat over de afwijzing van twee aanvragen die AgroFresh bij het Ctgb heeft ingediend, met Nederland als zonaal rapporteur. Het betreft een aanvraag om de toelating van het gewasbeschermingsmiddel EthylBloc Sachet te verlengen – het middel was eerder toegelaten met een besluit van 5 oktober 2018 – en een aanvraag om de eerste toelating van het gewasbeschermingsmiddel SmartFresh InBox. EthylBloc Sachet is een damp ontwikkelend middel voor gebruik als groeiregulator voor een na-oogstbehandeling bij siergewassen, zoals snijbloemen. SmartFresh InBox is ook een damp ontwikkelend middel, bedoeld om te worden gebruikt als een na-oogstbehandeling op appels, peren en pruimen. De middelen zijn identiek. De middelen zijn in zakjes verpakt en deze zakjes worden samen met siergewassen of fruit in (transport)dozen verpakt.\n\n1.2. \n\nEthylBloc Sachet en SmartFresh InBox bevatten de werkzame stof\n\n1-methylcyclopropeen (1-MCP). Met Richtlijn 2006\u002F19is deze werkzame stof voor het eerst goedgekeurd, met de bijzondere bepaling dat alleen gebruik van de stof als groeiregulator voor opslag na de oogst in een afgesloten entrepot mag worden toegestaan. De besluiten waar het in deze procedure over gaat, zijn gebaseerd op Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085, waarbij de goedkeuring van 1-MCP per 1 augustus 2019 is verlengd tot en met 31 juli 2034. Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085 bevat, net als Richtlijn 2006\u002F19, de bijzondere bepaling (beperking) dat alleen het gebruik van de stof als groeiregulator voor opslag na de oogst in een afgesloten entrepot mag worden toegestaan. In Uitvoeringsverordening 2025\u002F881is deze beperking opgeheven. Deze verordening is na het bestreden besluit (per 28 mei 2025) in werking getreden en ligt dus niet ten grondslag aan de besluitvorming.\n\n1.3. Aan de afwijzingsbesluiten heeft het Ctgb ten grondslag gelegd dat de data over de blootstelling van de huid van de werker bij het uitpakken van behandelde dozen onvoldoende zijn, waardoor niet tot een acceptabel risico geconcludeerd kan worden. Daarnaast kan geen acceptabel risico van inhalatietoxiciteit worden vastgesteld voor de toepasser, werker, omstander en omwonende, omdat bij de herbeoordeling van de stofgoedkeuring is vastgesteld dat er een data gapis voor een eindpunt voor inhalatietoxiciteit.\n\n1.4. Met het bestreden besluit van 24 januari 2024 zijn de bezwaren tegen de afwijzingsbesluiten ongegrond verklaard. Het Ctgb neemt daarbij het standpunt in dat, alleen al vanwege het ontbreken van voldoende informatie over de blootstelling aan de huid, de aanvragen terecht zijn afgewezen.\n\nStandpunt AgroFresh\n\n2.1. AgroFresh voert aan dat voor de voorliggende toelatingsaanvragen een risicobeoordeling voor inhalatieabsorptie had kunnen en moeten worden uitgevoerd op basis van de informatie die zij heeft aangeleverd bij haar parallelle aanvraag voor de uitbreiding van de goedkeuring van de werkzame stof 1-MCP. Dat bij de (verlengde) goedkeuring van 1-MCP een data gap is vastgesteld, betekent niet dat in zoverre per definitie geen middelen kunnen worden toegelaten totdat bij de volgende verlenging van de goedkeuring nieuwe data zijn betrokken. Uit het Guidance document on the evaluation of new active substance data post (renewal of) approval(SANCO\u002F10328\u002F2004-rev 9, 21 oktober 2021) (guidance document) blijkt dat er redenen kunnen zijn voor het indienen van nieuwe gegevens over de werkzame stof na de goedkeuring en vóór de volgende geplande verlenging daarvan.\n\n2.2. Verder heeft het Ctgb volgens AgroFresh de in de commentaarronde ingediende risicobeoordeling over de blootstelling van de huid van de werker ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Als het Ctgb meent dat in de commentaarronde geen verduidelijking meer mag worden gegeven, dan had het eerder die mogelijkheid moeten bieden. AgroFresh heeft geen enkele mogelijkheid gekregen om de in de ogen van het Ctgb bestaande onduidelijkheid weg te nemen. Zij is hierover pas na de start van de commentaarronde geïnformeerd.\n\nStandpunt Ctgb\n\n3 Het Ctgb stelt zich op het standpunt dat de aanvragen terecht zijn afgewezen.\n\nWettelijk kader\n\n4 In overweging 11 van de preambule van Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085 staat:\n\n“Overeenkomstig artikel 14, lid 1, in samenhang met artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1107\u002F2009, en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis, is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Het is met name passend de beperking van het gebruik als plantengroeiregulator voor opslag na de oogst enkel in afgesloten entrepots te handhaven.”\n\nIn artikel 1 van Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085 staat dat de goedkeuring van de werkzame stof 1-MCP onder de in bijlage I vastgestelde voorwaarden wordt verlengd.\n\nIn die bijlage staat als specifieke bepaling dat alleen het gebruik van de stof als groeiregulator voor opslag na de oogst in een afgesloten entrepot mag worden toegestaan.\n\nIn Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085 worden verschillende artikelen uit de gewasbeschermingsverordening genoemd. Voor deze zaak zijn de volgende artikelen uit de gewasbeschermingsverordening relevant.\n\nArtikel 6 bepaalt dat de goedkeuring onder meer afhankelijk kan worden gesteld van bepaalde voorwaarden en beperkingen.\n\nOok bij een verlenging van een goedkeuring kunnen voorwaarden en beperkingen als bedoeld in artikel 6 gelden. Dit staat in artikel 14, eerste lid, van de gewasbeschermingsverordening.\n\nIn artikel 29 staan de eisen die gelden voor de toelating van een gewasbeschermingsmiddel. Het eerste lid, onder a, bepaalt dat de werkzame stoffen die het gewasbeschermingsmiddel bevat, zijn goedgekeurd. Het eerste lid, onder e, vereist dat het gewasbeschermingsmiddel op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis voldoet aan de eisen van artikel 4, derde lid. Artikel 4, derde lid, aanhef en onder b, stelt als eis dat het gewasbeschermingsmiddel geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect heeft op de gezondheid van de mens.\n\nArtikel 43 gaat over de verlenging van een toelating. Het eerste lid bepaalt dat de toelating wordt verlengd, op voorwaarde dat nog steeds aan de eisen van artikel 29 wordt voldaan. Op grond van het derde lid verifieert de lidstaat dat het gewasbeschermingsmiddel, dat een bepaalde werkzame stof bevat, voldoet aan de voorwaarden en beperkingen van de verordening tot verlenging van de goedkeuring van die werkzame stof.\n\nBeoordeling College\n\n4.1. Het betoog van AgroFresh komt erop neer dat de door haar verstrekte gegevens over inhalatieabsorptie en over dermale blootstelling ten onrechte niet bij de beoordeling van de toelatingsaanvragen zijn betrokken en dat, als dat wel was gebeurd, de middelen hadden kunnen worden toegelaten. Dit betoog slaagt niet. Het College overweegt daarover het volgende.\n\n4.2. De gewasbeschermingsverordeningbepaalt dat werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen door de Commissie moeten worden goedgekeurd. Deze goedkeuringsprocedure voor werkzame stoffen wordt geregeld in hoofdstuk II van de verordening. Gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten door de lidstaten. De toelatingsprocedure wordt geregeld in hoofdstuk III. De twee procedures zijn nauw met elkaar verbonden, onder meer omdat de toelating van een gewasbeschermingsmiddel volgens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van deze verordening vereist dat de werkzame stoffen ervan zijn goedgekeurd.\n\n4.3. \n\nDe Commissie keurt werkzame stoffen op grond van artikel 4 van de gewasbeschermingsverordening goed (of verlengt de goedkeuring daarvan) indien – kort gezegd – kan worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten, geen schadelijke effecten hebben op de gezondheid van mens of dier of op het grondwater, en geen onaanvaardbare effecten hebben op het milieu. Deze goedkeuring kan afhankelijk worden gesteld van voorwaarden en beperkingen. Dit staat in artikel 6 van de gewasbeschermingsverordening. De goedkeuring van de werkzame stof wordt in zoverre dan onder voorbehoud in de goedkeuringsverordening opgenomen (artikel 13 van de gewasbeschermingsverordening). Dat is in geval van 1-MCP gebeurd. Zoals hiervoor al genoemd, is de goedkeuring van 1-MCP in Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085 per\n\n1 augustus 2019 verlengd, met de beperking dat alleen gebruik van de stof als groeiregulator na de oogst in een afgesloten entrepot mag worden toegestaan. De goedkeuring van 1-MCP strekt zich dus niet uit tot enig ander gebruik.\n\nAanvraag tot toelating van SmartFresh Inbox\n\n4.4. Het gaat bij SmartFresh Inbox om een aanvraag voor het gebruik van een in zakjes verpakt gewasbeschermingsmiddel in (transport)dozen. Dit gebruik valt niet onder de beperking, omdat zakjes in dozen niet als afgesloten entrepots (sealable warehouses) kunnen worden aangemerkt. Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085 voorziet niet in een mogelijkheid om af te wijken van deze beperking. Dit betekent dat het middel om die reden niet mocht worden toegelaten. Aan de eisen voor toelating was, gelet op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 6 van de gewasbeschermingsverordening, namelijk niet voldaan.\n\nAanvraag tot verlenging van de toelating EthylBloc Sachet\n\n4.5. De toelating van een gewasbeschermingsmiddel kan op grond van artikel 43, eerste lid van de gewasbeschermingsverordening worden verlengd, op voorwaarde dat nog steeds aan de eisen van artikel 29 wordt voldaan. Op grond van het derde lid van artikel 43 verifiëren de lidstaten daarbij dat het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden en beperkingen van de Uitvoeringsverordening tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof. Evenals in het geval van SmartFresh Inbox geldt dat de aanvraag voor de verlengde toelating van EthylBloc Sachet niet voldoet aan de gestelde beperking in Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085, omdat het ook hier gaat om gebruik van in zakjes verpakte gewasbeschermingsmiddelen in dozen en dit niet onder de beperking en daarmee niet onder de reikwijdte van de goedkeuring valt. Ook deze aanvraag moest daarom worden afgewezen.\n\n4.6. Uit 4.4 en 4.5 volgt ook dat het Ctgb niet gehouden was de (nader) verstrekte informatie van AgroFresh bij de beoordeling te betrekken, omdat die eventuele nadere informatie er niet aan kan afdoen dat niet aan de beperking van de goedkeuring wordt voldaan. Het Ctgb heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de door AgroFresh gedane aanvraag tot wijziging van de voorwaarden van de goedkeuring van de 1-MCP (die tot een nieuwe Uitvoeringsverordening heeft geleid) een aparte procedure betreft en dat het Ctgb daarom niet op de uitkomst daarvan vooruit kon lopen dan wel in afwachting van die besluitvorming de behandeling van de aanvraag moest aanhouden. Met betrekking tot het beroep dat AgroFresh heeft gedaan op het guidance document van de Commissie, oordeelt het College dat dit document – dat juridisch niet bindend is – geen basis biedt om in afwijking van de goedkeuring in Uitvoeringsverordening 2019\u002F1085 tot toelating van de gewasbeschermingsmiddelen over te gaan.\n\n5 De beroepsgronden slagen niet.\n\nSlotsom\n\n6 Het beroep is ongegrond. Het Ctgb hoeft geen proceskosten te vergoeden.\n\nBeslissing\n\nHet College verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. C.T. Aalbers en mr. M.L. Noort, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nw.g. J.H. de Wildt w.g. A.C. van Helvoort\n\n Richtlijn 2006\u002F19\u002FEG van de Commissie van 14 februari 2006 tot wijziging van Richtlijn 91\u002F414\u002FEEG van de Raad teneinde 1-methylcyclopropeen op te nemen als werkzame stof. De in bijlage I bij Richtlijn 91\u002F414\u002FEEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens de gewasbeschermingsverordening en zijn opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening 540\u002F2011.\n\n Uitvoeringsverordening (EU)2019\u002F1085 van de Commissie van 25 juni 2019 tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof 1-methylcyclopropeen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540\u002F2011 van de Commissie, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015\u002F408 van de Commissie.\n\n Uitvoeringsverordening (EU) 2025\u002F881 van de Commissie van 7 mei 2025 tot wijziging van de Uitvoeringsverordeningen (EU) 2019\u002F1085 en (EU) nr. 540\u002F2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof 1-methylcyclopropeen.\n\n Verordening (EG) nr. 1107\u002F2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:CBB:2026:312","ecli-nl-cbb-2026-312",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":147,"ecli":148,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":149,"fullText":150,"language":7,"source":17,"sourceUrl":151,"summary":14,"slug":152,"metadata":153},"591","ECLI:NL:GHDHA:2026:2261","2026-07-06T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-001916-23\n\nParketnummer: 10-010101-22\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de borst\u002Fbuik en\u002Fof in de rug en\u002Fof in de lies, althans in het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te steken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat de overwegingen van het hof ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren deels anders komen te luiden dan die van de rechtbank en het hof bovendien tot een andere strafoplegging komt.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op of omstreeks12 januari 2022 te Rotterdam, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meerdere malen,althans eenmaal,met een mes,althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp,in de borst\u002Fbuik en\u002Fofin de rug en\u002Fofin de lies, althans in het lichaam,van voornoemde [slachtoffer] te steken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het feit\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nDe strafbaarheid van het tenlastegelegde feit\n\nTer terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe raadsvrouw heeft daartoe - zakelijk weergegeven - gesteld dat de verdachte zich in de Zoutziedersstraat te Rotterdam geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke,\n\nwederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] (hierna ook:\n\n [slachtoffer] ), waartegen de verdachte zich moest verdedigen. [slachtoffer] zou de verdachte namelijk hebben willen beroven en daartoe de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht. Hierbij heeft hij de verdachte bij zijn nek beetgepakt, hem verwurgd door aan zijn kettingen te trekken en herhaaldelijk gezegd dat hij de verdachte zou doden. De verdachte voelde zich hierdoor volgens de raadsvrouw ernstig bedreigd. Hij kreeg geen adem meer en voelde iets scherps tegen de zijkant van zijn nek drukken. Er was sprake van paniek bij de verdachte.\n\nHij kon zich niet onttrekken aan de verwurging en kon zich niet anders verdedigen dan\n\nmet het zakmes dat hij (toevallig) bij zich had.\n\nDe verdachte heeft meerdere malen gestoken omdat [slachtoffer] , ook nadat hij hem voor het eerst gestoken had, niet losliet en zijn keel bleef dichtdrukken. Daarbij haalde [slachtoffer] met zijn vrije arm naar hem uit en bleef hij roepen dat hij hem zou doodmaken.\n\nOnder die omstandigheden kan hem volgens de raadsvrouw niet worden verweten dat hij [slachtoffer] heeft neergestoken, als gevolg waarvan die [slachtoffer] is overleden.\n\nHet hof overweegt hieromtrent als volgt.\n\nIngevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer\n\nalleen slagen indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van\n\neigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke\n\naanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend\n\ngevaar voor zo'n aanranding.\n\nHet hof gaat op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting ten aanzien van\n\nhet ten laste gelegde feit uit van de volgende vaststaande feiten.\n\nOp 12 januari 2022 rond 19.00 uur is [slachtoffer] op het trottoir van de\n\nZoutziederstraat ter hoogte van huisnummer [nummer] in Rotterdam door messteken om het leven\n\ngekomen. De verdachte is degene geweest, zoals ook door hem is bekend, die [slachtoffer] meermalen met een mes heeft gestoken.\n\nHet Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft het lichaam van [slachtoffer]\n\nonderzocht.\n\nVastgesteld is dat er aan diens lichaam vijf steekverwondingen zijn toegebracht,\n\nwaarvan er twee zo waren toegebracht dat zij ook afzonderlijk van elkaar het overlijden van\n\n [slachtoffer] hebben veroorzaakt.\n\nVerder staat vast dat noch op het lichaam van [slachtoffer] , noch in zijn kleding enig wapen,\n\nmes of ander voor afdreiging geschikt voorwerp is aangetroffen.\n\nVerklaringen verdachte\n\nDe verdachte heeft zich bij de politie op 26 januari 2022 beroepen op zijn zwijgrecht.\n\nBij de politie heeft de verdachte vervolgens op 1 februari 2022 verklaard dat hij na een bezoek aan de juwelier naar zijn auto liep. Hij zag een jongen op hem afkomen. Die jongen zei tegen hem: 'heb je een vuurtje voor me?'. Hierop zei verdachte dat hij geen vuurtje had. Die jongen bleef naar hem toelopen en voordat de verdachte het wist greep hij naar zijn nek en naar zijn kettingen. De verdachte probeerde zichzelf los te rukken. Hij zei tegen hem: 'Geef alles, want ik maak je dood. Ik maak je dood nu meteen'.\n\nHij kreeg zichzelf niet los. Hij was helemaal in paniek en dacht dat de jongen hem dood ging maken. Hij kreeg geen lucht meer. Hij meende op dat moment dat hij zichzelf moest verdedigen.\n\nHij had een mes in zijn jaszak en heeft dat gepakt. Hij heeft naar hem gestoken, maar\n\nkwam nog steeds niet los. Die jongen zei: 'Ik ga je doodmaken, ik ga je doodmaken, kankerlijer'. Hij was zo in paniek en heeft daarna nog een keer gestoken.\n\nOp een gegeven moment raakte die jongen los van de verdachte en hij zag dat hij op de grond lag. Hij is toen weggerend naar zijn auto.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 april 2023 verklaard dat hij vanuit de juwelierszaak [naam juwelier] gelegen aan de Grote Visserijstraat is overgestoken\n\nnaar zijn auto (Seat), die op de Zoutziedersstraat stond geparkeerd. Hij heeft het portier van zijn auto geopend en is schuin op de bestuurdersstoel gaan zitten, waarbij zijn voeten nog op straat stonden. Nadat hij zich met zijn zojuist gekochte kettingen in de autospiegel had bekeken en zijn vest weer dicht had gedaan werd hij, terwijl het portier nog open stond, aangesproken door een man, het later slachtoffer, die hem om een vuurtje vroeg. De verdachte zei dat hij geen vuurtje had. Het slachtoffer was voorbij het openstaande portier gelopen en greep naar de kettingen van de verdachte en zijn keel. Hij zette zijn andere hand in de nek van de verdachte. Hij zei dat de verdachte alles moest geven, anders zou hij hem dood maken. De verdachte voelde ook iets scherps in zijn nek.\n\nHij heeft toen een uitklapmes uit zijn rechterzak gehaald, heeft het open geklikt en heeft het slachtoffer gestoken. [slachtoffer] bleef hem wurgen en sloeg op zijn arm. Daarna heeft de verdachte hem nog meermalen gestoken.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte in grote lijnen hetzelfde verklaard als in eerste aanleg.\n\nCamerabeelden\n\nOp camerabeelden van de bewakingscamera's van de juwelierszaak [naam juwelier] is te zien\n\ndat de verdachte om 18:52:23 uur de winkel verlaat en de Grote Visserijstraat oversteekt in\n\nde richting van de Zoutziederstraat . Op dat moment heeft de verdachte zijn jas tot boven toe\n\ndichtgeritst en bevinden de drie halskettingen van de verdachte zich uit het zicht, onder zijn kleding.\n\nOm 18:52:50 loopt de verdachte de Zoutziederstraat in.\n\nZeventig seconden later, om 18:54:00 uur, komt de verdachte uit de Zoutziederstraat gerend,\n\nkeert om en rent terug de Zoutziederstraat in.\n\nDe Seat van verdachte rijdt vervolgens om 18:54:24 uur weg in de richting van de Mathenesserdijk.\n\nHet hof constateert op grond van de tijdstippen van die camerabeelden dat het gehele incident in de Zoutziedersstraat hooguit anderhalve minuut heeft geduurd.\n\nVerklaringen getuigen\n\nGetuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij nog in zijn reisbureau aan de [adres] aan het werk was, toen hij stemverheffingen op straat hoorde. Hierna hoorde hij mensen tegen elkaar schreeuwen. Hij had geen zicht op wat zich buiten afspeelde.\n\nGetuige [getuige 2] heeft meerdere verklaringen afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij door een\n\nvriend met zijn auto in de Zoutziederstraat werd afgezet en bij aankomst verderop in de\n\nstraat twee mannen elkaar zag duwen en trekken. Hij zag beiden druk met hun armen\n\nbewegen. Eén van die mannen stond op enig moment tegen een muur geleund en deed niets, terwijl de andere man korte bewegingen naar de leunende man maakte. Kort daarna zag hij de leunende man op de grond vallen. De andere man rende in eerste instantie weg, maar kwam daarna terug, stapte in een auto en reed weg.\n\nGetuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij in de Zoutziederstraat op een vriendin stond te wachten toen zij geschreeuw hoorde. Ze zag toen verderop in de straat twee jongens, waarvan één een aantal keer in de lucht sprong. Deze jongen viel daarna op de grond.\n\nDe andere jongen vluchtte daarop weg.\n\nConclusie hof\n\nUit bovengenoemde getuigenverklaringen leidt het hof af dat op dat moment geen andere personen bij de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] betrokken zijn geweest en dat beiden hoorbaar en met stemverheffing ruzie met elkaar aan het maken waren. De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem vanaf het eerste moment met zijn hand zou hebben gewurgd, waardoor hij geen adem kon krijgen, verdraagt zich hiermee niet.\n\nGéén van de getuigen verklaart dat [slachtoffer] in de ruimte tussen het openstaande\n\nportier en de auto van de verdachte, zou hebben gestaan; zij spreken allen over een\n\nconfrontatie op de stoep, zelfs bij of tegen de muur.\n\nDaarnaast is uit onderzoek gebleken dat op de kettingen van de verdachte, waarop [slachtoffer] het volgens de verdachte had gemunt, in het geheel geen DNA van [slachtoffer] is aangetroffen. Blijkens de verklaring van de verdachte ter zitting in eerste aanleg heeft hij die kettingen nadien niet meer schoongemaakt (dat was immers al bij de juwelier gebeurd). [slachtoffer] zou het op die kettingen voorzien hebben en de verdachte werd door [slachtoffer] naar zijn zeggen zo stevig in de hals gegrepen dat daardoor zelfs twee van de kettingen in de verwurging zouden zijn gebroken. In die situatie was de aanwezigheid van het DNA van [slachtoffer] , die geen handschoenen droeg, op die kettingen te verwachten geweest. In zoverre wordt de verklaring van de verdachte dus niet ondersteund.\n\nDe verklaring van de verdachte dat [slachtoffer] hem heeft aangevallen, hem probeerde te\n\nwurgen en te beroven, acht het hof ook overigens niet aannemelijk geworden.\n\nNoch in het dossier, noch in het verhandelde ter zitting vindt het hof enig aanknopingspunt\n\nvoor het door de verdachte geschetste scenario.\n\nDat geldt evenzeer voor de stelling van de verdachte dat hij mogelijk het slachtoffer zou zijn\n\ngeworden van een complot, een vooropgezet plan van [slachtoffer] en zijn vrienden waarbij hij in de juwelierszaak is geobserveerd en daarna van zijn kettingen zou worden beroofd.\n\nVoorts overweegt het hof dat de gedragingen van de verdachte na het neersteken van [slachtoffer] - waaronder het niet inschakelen van hulp of van de politie, het achterlaten van het\n\nzwaargewonde slachtoffer, het vluchten van de plaats delict en vervolgens het vertrekken naar het buitenland - het door de verdachte geschetste verhaal in belangrijke mate ondergraven.\n\nGelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang en verband bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.\n\nHet noodweerverweer wordt verworpen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nIndien het hof het beroep op noodweer niet zal honoreren, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, nu hij door de aanval van [slachtoffer] helemaal in paniek is geraakt en hij dacht, toen [slachtoffer] zijn keel dichtkneep en hij iets scherps in zijn nek voelde, dat hij dood gemaakt zou worden. Derhalve is er bij de verdachte sprake geweest van een hevige gemoedsopwelling die het gevolg was van de onmiddellijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] .\n\nNu niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijke dreiging daarvoor van de kant van het slachtoffer toen de verdachte [slachtoffer] meermalen met een mes stak is het hof van oordeel dat het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.\n\nDit verweer wordt derhalve eveneens verworpen.\n\nEr is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op het toentertijd 22-jarige slachtoffer [slachtoffer] , door hem op zeer gewelddadige wijze te steken in diens borst\u002Fbuik, rug en lies. Ten gevolge van het door de verdachte toegepaste geweld is [slachtoffer] enkele minuten later op het trottoir overleden. De verdachte heeft daarmee een hem onbekende jongeman van het ene op het andere moment het leven ontnomen.\n\nEen motief van de verdachte is niet duidelijk geworden.\n\nHet hof rekent het de verdachte zeer aan dat hij het slachtoffer, nadat hij hem meermalen had gestoken en op straat was gevallen, volledig aan zijn lot heeft overgelaten en zelfs geen poging heeft ondernomen om (medische) hulp voor hem in te schakelen. Ook ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte vastgehouden aan een uit de lucht gegrepen complotscenario en heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.\n\nDe verdachte heeft de nabestaanden hiermee onbeschrijflijk veel leed bezorgd. Zij moeten leven in de wetenschap dat hun (klein)zoon, broer, neef en vriend, in de bloei van zijn leven, op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Aan hen is een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Dat blijkt ook uit de voorgelezen slachtofferverklaringen van de zus en moeder van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep.\n\nVerder is het feit middenin een woonwijk gepleegd en zijn voorbijgangers getuige geweest van het enorm gewelddadige feit. Dat is voor de getuigen erg beangstigend geweest.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte, zij het lang geleden,\n\nte weten in 2006, onherroepelijk is veroordeeld voor een poging doodslag in vergelijkbare omstandigheden.\n\nRapportages\n\nOmtrent de persoon van de verdachte zijn rapporten opgemaakt.\n\nUit de Pro Justitia rapportage van 18 november 2022, opgemaakt en ondertekend door J. Vreugdenhil, psychiater, en P.E. Geurkink, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (PBC) blijkt dat de verdachte zijn medewerking aan dit rapport heeft geweigerd.\n\nBij de verdachte kon als gevolg van zijn weigering geen psychische stoornis worden vastgesteld, doch deze kon ook niet worden uitgesloten.\n\nEr zijn wel een aantal opvallende observaties gedaan. Onderzoekers hadden graag nader\n\nwillen onderzoeken in hoeverre deze verklaard kunnen worden door een psychische\n\nstoornis, en zo ja welke.\n\nAls de verdachte had meegewerkt aan het onderzoek had bepaald kunnen worden hoe het gesteld is met zijn intellectuele vermogens, of er sprake is van een\n\nontwikkelingsstoornis, persoonlijkheidsproblematiek en\u002Fof psychiatrische problematiek.\n\nOok hadden onderzoekers meer zicht hebben willen krijgen op de ernst van het\n\nalcoholgebruik van de verdachte en in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van een stoornis in alcoholgebruik.\n\nOmdat de verdachte niet aan het onderzoek heeft meegewerkt, kunnen geen uitspraken\n\nworden gedaan over het risico op recidive vanuit een eventuele psychische stoornis.\n\nOp verzoek van de verdediging is de verdachte vervolgens onderzocht door een psycholoog\n\nen een psychiater. De verdachte heeft hieraan wel zijn medewerking verleend.\n\nPsychiater C.J.F. Kemperman heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd\n\n21 december 2022. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nBij de verdachte kan op basis van de anamnese en het onderzoek alsmede bestudering van de stukken geen psychiatrische diagnose worden vastgesteld.\n\nGelet op het niet constateerbaar zijn geweest van een psychiatrische ziekte of gebrek, een\n\npsychiatrische stoornis, kan men niet opmerken dat de wilsbepaling van de verdachte hierdoor verminderd zou zijn geweest. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de dossiergegevens aanwijzingen bevatten dat er wel alcohol- en agressieproblematiek bestaat.\n\nTen aanzien van het risico van herhaling van gewelddadig gedrag overweegt de psychiater dat hij tot een matig risico komt, nu er enige zorg bestaat over het misbruik van middelen (alcohol). Dit naar aanleiding van de aanhouding voor het rijden onder invloed in 2019 en informatie van referenten. Om het recidiverisico te verkleinen zou volgens de psychiater gefocust kunnen worden op het omgaan met agressie en het gebruik van alcohol. Dit zou kunnen binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: ook GVM) ingevolge artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nPsycholoog mr. drs. R.A. Sterk heeft een rapport over de verdachte opgemaakt,\n\ngedateerd 26 januari 2023. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nEr is bij de verdachte, met inachtneming van de beperkingen van het onderzoek, geen\n\npsychische problematiek in engere zin geconstateerd en evenmin is er sprake van een\n\npersoonlijkheidsstoornis. Ook ten tijde van het tenlastegelegde lijkt er geen sprake geweest\n\nte zijn van psychische problematiek.\n\nDe verdachte valt statistisch gezien binnen de groep met een lage kans op herhaling van gewelddadig gedrag. Deze risicotaxatie dient wel met de nodige terughoudendheid worden gebruikt in verband met de beperkingen van het onderzoek. Aangezien het onderzoek niet volledig is geweest, adviseert de psycholoog om een GVM te overwegen zodat verdachte na detentie behandeling dan wel begeleiding kan ontvangen indien daartoe behoefte bestaat.\n\nIn het reclasseringsrapport van 24 maart 2023 wordt geadviseerd om bij een veroordeling tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden indien hij schuldig wordt bevonden. Met name het gedeeltelijk ontkennen van het delict waarbij een jong persoon is overleden is risicovol vanwege het mogelijke forse alcoholgebruik en de proceshouding waarin de verdachte geen medewerking verleent aan onderzoek. De kans op recidive kan zo worden beperkt waardoor de veiligheid in de samenleving kan worden gewaarborgd.\n\nUit het reclasseringsrapport van 30 augustus 2024 blijkt dat het, gelet op de ontkennende houding van de verdachte, niet mogelijk is om vanuit reclasseringsperspectief een goed gefundeerd advies te geven.\n\nDe strafoplegging\n\nHet hof acht de verdachte op grond van de conclusies in bovengenoemde rapporten volledig toerekeningsvatbaar.\n\nGelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nHet hof heeft verder gekeken naar de straffen zoals die doorgaans voor feiten als het onderhavige worden opgelegd.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, zoals in eerste aanleg door de officier van justitie is geëist, in beginsel een passende en geboden reactie vormt.\n\nHet hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1\n\nvan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele\n\nvrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.\n\nVolgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient een strafzaak tegen een voorlopig\n\ngehechte verdachte in beginsel binnen 16 maanden te worden afgerond.\n\nHet hoger beroep tegen het vonnis waarvan beroep is ingesteld op 27 juni 2023 en eindarrest wordt gewezen op 6 juli 2026. Derhalve is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden met 20 maanden.\n\nBij overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 6 maanden, zoals in de\n\nonderhavige zaak het geval is, wordt als uitgangspunt de op te leggen straf verminderd met 10 %, maar met niet meer dan 6 maanden.\n\nDe vertragingen in deze procedures kunnen de verdachte niet worden aangerekend.\n\nDit betekent dat de aan de verdachte op te leggen straf naar het oordeel van het hof dient\n\nte worden verminderd met 6 maanden.\n\nRekening houdend met bovengenoemde overschrijding van de redelijke termijn zal het\n\nhof daarom een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 6 maandenopleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nMaatregel artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht\n\nHet hof heeft gelet op genoemde conclusies van de deskundigen Kemperman en Sterk, alsmede het reclasseringsrapport van 24 maart 2023.\n\nDeskundige Kemperman heeft gesteld dat het recidiverisico kan worden verkleind binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr. Deskundige Sterk heeft geadviseerd om een GVM te overwegen, zodat de verdachte na zijn detentie begeleiding en behandeling kan krijgen. De reclassering heeft in het meest recente rapport ook geadviseerd een GVM op te leggen, omdat een langdurig kader nodig is om de verdachte in de gaten te houden.\n\nDaarnaast heeft het hof in aanmerking genomen de omstandigheden waaronder de verdachte [slachtoffer] heeft doodgestoken, alsmede het feit dat het niet de eerste keer is dat de verdachte iemand met een mes heeft neergestoken en hij in de onderhavige zaak ook een mes op zak had en heeft laten zien dit ook daadwerkelijk te gebruiken.\n\nHet hof zal derhalve - anders dan de rechtbank - in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd. Naar het oordeel van het hof dient de maatschappij te worden beschermd tegen de verdachte, aangezien er een groot risico is op herhaling van geweldsfeiten en de kans aanwezig is dat het recidiverisico na ommekomst van de gevangenisstraf nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen.\n\nAan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een GVM is voldaan.\n\nDe verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan het misdrijf als omschreven in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, waarop een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] (vader van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde, geheel toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.\n\nArtikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.\n\nDe in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).\n\nHet bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking\n\nkomt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde en niet betwiste immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding overeenkomt met genoemd Besluit leent de geleden immateriële schade zich voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nGelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf\n\n12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] (moeder van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 32.500,00, bestaande uit een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade en € 15.000,00 aan shockschade. Tevens is de wettelijke rente gevorderd.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 32.500,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 27.500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist ten aanzien\n\nvan de affectieschade en ten aanzien van de shockschade niet betwist tot een bedrag van\n\n€ 5.000,00.\n\nAffectieschade\n\nArtikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) lid 3 biedt voor affectieschade een wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden.\n\nDe in de wet aangewezen kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c).\n\nHet bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking\n\nkomt, is vastgelegd in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij affectieschade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Nu het verzochte bedrag aan schadevergoeding bovendien overeenkomt met genoemd Besluit en de vordering in zoverre niet wordt betwist, zal de vordering ter zake van de affectieschade geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nShockschade\n\nMr. Backer heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig zijn pleitaantekeningen ten aanzien van de gevorderde shockschade gesteld dat aan het confrontatievereiste is voldaan.\n\nNa de sectie is de moeder van het slachtoffer geconfronteerd met het gehavende, levenloze lichaam van haar zoon en heeft zij de steekverwondingen waargenomen waaraan hij is overleden. Het uit die confrontatie voortgekomen geestelijk letsel is door een psycholoog vastgesteld. De benadeelde partij heeft nog steeds consulten ter verwerking van het psychisch trauma dat zij heeft opgelopen door het bewezen verklaarde feit. Voorts blijkt dat zij medicatie gebruikt.\n\nDe vraag die het hof moet beantwoorden is of is voldaan aan de in het recht en de\n\njurisprudentie gestelde eisen om voor vergoeding van shockschade in aanmerking te komen.\n\nVoor een zeer beperkte kring van personen bestaat onder zeer bijzondere omstandigheden\n\nde mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding van geleden immateriële\n\nshockschade. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid sub b, van het\n\nBurgerlijk Wetboek (BW) dat ziet op “aantasting in de persoon”.\n\nBij de toepassing van voormelde bepaling van het BW ook in zaken als de onderhavige,\n\nwaarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen heeft de Hoge\n\nRaad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende gezichtspunten.\n\nBij de benadeelde partij moet door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de\n\ndoodslag op het slachtoffer geestelijk letsel zijn ontstaan.\n\nHet hof leidt uit de toelichting op de gestelde shockschade en de overgelegde stukken af dat bij de benadeelde partij serieuze psychische schade is ontstaan als gevolg van het misdrijf en stelt dan ook vast dat sprake is van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast.\n\nNaar het oordeel van het hof staat voldoende vast dat de benadeelde partij shockschade heeft opgelopen en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.\n\nDe vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid, waarbij het hof mede gelet heeft op het toegewezen bedrag ter zake van affectieschade - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf\n\n12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVoor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.\n\nHet hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nBetaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 22.500,00 aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nVordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]\n\nIn het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] (oom van het slachtoffer), vertegenwoordigd door advocaat [naam advocaat] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als\n\ngevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 10.000,00 aan begrafeniskosten.\n\nIn hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.\n\nDe advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.\n\nDe vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.\n\nNu de gevorderde kosten door de benadeelde partij niet zijn onderbouwd zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nGelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt aan de verdachte voorts op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen.\n\nToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 12 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 22.500,00 (tweeëntwintigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 133 (honderddrieëndertig) dagen.\n\nToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op\n\n12 januari 2022.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.E. Harteveld, als voorzitter, en mr. A. de Lange en\n\nmr. M. Pheijffer, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nMr. M. Pheijffer is buiten staat dit arrest te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2261","ecli-nl-ghdha-2026-2261",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":155,"ecli":156,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":149,"fullText":157,"language":7,"source":17,"sourceUrl":158,"summary":14,"slug":159,"metadata":160},"1735","ECLI:NL:RBDHA:2026:18582","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.24769\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nvan Algerijnse nationaliteit,\n\nv-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 24 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nPersoonlijk onderhoud\n\n5. Eiser stelt dat het besluit van de minister ondeugdelijk is, omdat eiser niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij hiervoor uitnodigingen heeft ontvangen.5.1.. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker.5.2.. Eiser heeft zich op 1 maart 2026 -volgens zijn gemachtigde samen met zijn echtgenote- in Ter Apel gemeld voor het doen van een verzoek om internationale bescherming. Uit Eurodac blijkt kort daarna dat eiser op 27 oktober 2023 al een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Uit een in het dossier opgenomen loopbrief blijkt dat op 13 maart 2026 om 08.00 uur een afspraak is ingepland voor een persoonlijk onderhoud met eiser. Het bewijs van ontvangst is op 12 maart 2026 ondertekend. Op 13 maart 2026 wordt een rapport niet verschijnen voor gehoor opgemaakt. Eiser heeft de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar gemaakt. Hierop wordt een nieuwe afspraak ingepland op 18 maart 2026 om 08.00 uur. Op 16 maart 2026 is een bewijs van ontvangst door eiser ondertekend. Op 18 maart 2026 wordt opnieuw een rapport niet verschijnen voor gehoor opgemaakt. Eiser heeft de reden van zijn afwezigheid wederom niet kenbaar gemaakt.5.3.. Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de minister de insteek had om met eiser een persoonlijk onderhoud te voeren en hiervoor twee momenten heeft ingeruimd. In een op 8 april 2026 uitgebracht voornemen is eiser bericht dat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag en Duitsland op 26 maart 2026 positief heeft gereageerd op het verzoek hem terug te nemen. Eiser is er op gewezen dat hij op 13 en 18 maart 2026 niet op zijn afspraak voor het aanmeldgehoor is gekomen en in de gelegenheid gesteld om in een zienswijze meer informatie te geven. Op 20 april 2026 is door de gemachtigde van eiser een zienswijze gegeven, waarna op 1 mei 2026 het bestreden besluit is genomen.\n\n5.4.. De rechtbank is van oordeel dat eiser met voornoemde uitnodigingen voldoende gelegenheid is geboden voor een persoonlijk onderhoud. Uit de door de minister overgelegde stukken blijkt dat deze uitnodigingen eiser hebben bereikt. Eiser is daarnaast nog de gelegenheid geboden een zienswijze te geven. Deze beroepsgrond faalt.\n\nInterstatelijk vertrouwensbeginsel\n\n6. Eiser heeft in zijn zienswijze betoogd dat de minister ten onrechte stelt dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In beroep heeft eiser dit herhaald.\n\n6.1.. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, is bij uitspraak van 9 april 2026 al ingegaan op soortgelijke gronden als die in onderhavige procedure zijn aangevoerd.De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan in deze uitspraak is gedaan. Eiser dient de vrees voor refoulement in Duitsland aan te kaarten.\n\nAsielaanvraag echtgenote\n\n7. De gemachtigde van eiser heeft naar voren gebracht dat de aanvraag van de echtgenote van eiser, die hij eveneens als advocaat bijstaat, op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 buiten behandeling is gesteld. In het besluit is bepaald dat zij dient terug te keren naar Algerije. Het hiertegen ingestelde beroep, met zaaknummer NL26.24562, is nog niet op een zitting gepland. In de zienswijze, waar eiser in zijn gronden expliciet naar verwijst, is bepleit dat beide zaken op dezelfde grondslag beoordeeld dienen te worden en dat dat in casu artikel 30c Vw 2000 is.7.1.. De rechtbank stelt voorop dat eiser op meerdere momenten in de gelegenheid is gesteld om meer inzicht te bieden in zijn situatie. Niet alleen op 13 en 18 maart 2026, maar ook via een op 15 mei 2026 verzonden uitnodiging voor deze zitting. Ook van deze laatste mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, hoewel de gemachtigde van eiser op 2 juni 2026 nog heeft bericht contact te onderhouden met eiser.\n\n7.2.. Eiser heeft daarmee geen inzicht geboden in het spoor dat hij en zijn gestelde partner hebben bewandeld. Uit het dossier van eiser wordt de rechtbank duidelijk dat hij in 2023 in Duitsland asiel heeft gevraagd. Of dat ook voor de gestelde partner geldt is onbekend en ook niet gesteld. Dit kan het verschil in afdoeningswijze verklaren.In het pleidooi zoals dat nu is aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat beide zaken met artikel 30c zouden moeten worden afgedaan. Daarbij zij opgemerkt dat een afdoening met artikel 30c ook zou betekenen dat de aanvraag van eiser buiten behandeling zou zijn gesteld. Hem zou dan zijn medegedeeld dat hij naar Algerije moet vertrekken.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n8. Eiser heeft in de gronden van beroep van 9 mei 2026 naar voren gebracht dat de minister artikel 17 van de Dublinverordening onjuist heeft toegepast omdat eiser in de gelegenheid dient te worden gesteld om bij zijn gehoor zijn bijzondere individuele omstandigheden, het ontbreken van een sociaal netwerk in Duitsland en de reëele vrees voor refoulement naar Algerije na overdracht aan Duitsland toe te lichten.\n\n8.1.. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordeningwordt bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eisers toch in Nederland te behandelen. Paragraaf C2\u002F5 van de Vreemdelingencirculaire bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.\n\n8.2.. De uitoefening van de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid is aan de minister overgelaten. Besluiten die vallen onder de Dublinverordening moeten daarom door de rechter terughoudend worden getoetst.8.3.. De minister heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat eiser meermaals niet is verschenen op het aanmeldgehoor, waardoor hij geen inhoudelijke bezwaren tegen de overdracht naar voren heeft gebracht. Dit komt volgens de minister voor zijn rekening en risico. Daarbij is er op gewezen dat de afspraken in een taal staan die eiser kan lezen (Arabisch) en bovendien is getekend voor ontvangst. Verder is gewezen op de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\n8.4.. Gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister niet tot dit standpunt kon komen.\n\nZitting 2 juli 20269. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting naar voren gebracht te hebben vernomen dat de echtgenote van eiser per 19 mei 2026 gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij in haar dossier op 2 juni 2026 hierover een bericht heeft gestuurd.9.1.. De minister heeft in de op zitting gegeven reactie -zakelijk weergegeven- naar voren gebracht dat er door eiser weinig tot geen informatie wordt gegeven. Zo ziet hij niets terug over de gestelde behandeling. De minister ziet geen aanleiding om te concluderen dat Nederland de verantwoordelijkheid zou moeten accepteren voor de behandeling van de aanvraag van eiser. De minister noemt daarbij dat zonder enige onderbouwing niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van onevenredige hardheid. Hij verzoekt daarom het beroep ongegrond te verklaren.9.2.. De rechtbank stelt vast dat -zoals de minister ook stelt- elke informatie van eiser over de situatie ontbreekt. Zo is niet bekend in welk psychiatrisch ziekenhuis de gestelde echtgenote (ruim zes weken geleden) zou zijn opgenomen, wat haar actuele (gezondheids)situatie (na de mededeling van ruim vier weken geleden) is en wat dat (thans) betekent voor eiser. Ook is bijvoorbeeld niet gebleken dat is verzocht om op grond van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek te vragen. Het standpunt van de minister is daarom navolgbaar.\n\n9.3.. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en eiser in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te brengen. Eiser is die gelegenheid meermalen geboden en heeft daar zonder opgaaf van redenen geen gebruik van gemaakt.\n\n10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.24770.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:8411.\n\n Vgl. ABRvS 13 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:52.\n\n Vgl. ABRvS 12 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:438.\n\n Vergelijkbaar met artikel 35 van de AMB-verordening.\n\n In WBV 2026\u002F8 (Stcrt. 2026, nr. 17856) is dit verder ingeperkt. Artikel 35 is niet genoemd in art. 43 AMB-Verordening (die de draagwijdte van een rechtsmiddel beperkt).\n\n ABRvS 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18582","ecli-nl-rbdha-2026-18582",{"courtName":6,"legalDomain":131,"decisionType":22,"procedureType":23}]