[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-nijmegen":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},75,"Nijmegen","nl","first_instance","civil",[11,24,32],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"1182","ECLI:NL:RBGEL:2026:5203","","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Nijmegen\n\nZaaknummer: 11837299 \\ CV EXPL 25-2295\n\nVonnis van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nTIMING FLEX B.V.,\n\ngevestigd te Apeldoorn,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Timing,\n\ngemachtigde: A.E.B. de Hollander,\n\ntegen\n\nTEAMPLAST PRODUCTIONS B.V.,\n\ngevestigd te Heteren,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Teamplast,\n\ngemachtigde: mr. T. Straetemans.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 oktober 2025\n\n- de brief van 27 februari 2026 van de kant van Teamplast, met producties 9 en 10\n\n- de e-mails van 3 en 4 maart 2026 van de kant van Timing, met ongenummerde producties\n\n- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Timing is een uitzendonderneming en Teamplast produceert verpakkingen. Timing heeft eerder een of meerdere uitzendkrachten ter beschikking gesteld aan Teamplast.\n\n2.2.. Bij e-mail van 31 oktober heeft Teamplast een voorstel gedaan voor de detachering van de heer [de uitzendkracht] (hierna: [de uitzendkracht] ) in de functie van ‘Teamleider in training’. In haar e-mail schrijft Teamplast onder meer het volgende:\n\n“Aangezien de afkoop constructie met [medewerker 1] nu strand zou ik deze afspraak graag willen continueren bij [de uitzendkracht] .\n\nMijn voorstel:\n\nStartdatum 20 november 2024 met een detachering via jullie t\u002Fm 31 januari 2025 met een factor 2.3 (afd. Productie)\n\nMochten we in januari nog steeds tevreden zijn met [de uitzendkracht] in deze positie zou ik graag dezelfde afkoop constructie willen hanteren zoals besproken in augustus omtrent de aanname van [medewerker 1] .”\n\n2.3.. Op 6 november 2024 heeft Timing het volgende geschreven aan Teamplast:\n\n“Ik heb nog even een vraag met betrekking tot het contract van [de uitzendkracht] .\n\nMogen wij hem voor de periode dat hij bij ons op contract is een bepaald aantal uren garantie aanbieden?\n\nBij functies zoals deze is gepast om bijv. 80 uur per 4 weken te geven. Dit houdt in dat hij minimaal 20u per week zou moeten werken.”\n\n2.4.. Teamplast heeft op 7 november 2024 het volgende geschreven aan Timing:\n\n“Die urengarantie mag je geven o.b.v. van een gemiddelde werkweek in 3-ploegendienst.\n\nHij werkt volgens onderstaand rooster en dat komt dan gemiddeld uit op 38,5 uur per week.”\n\n2.5.. Op 29 januari 2025 heeft een (kennismakings)gesprek plaatsgevonden tussen mevrouw [medewerker Timing 1] (hierna: [medewerker Timing 1] ) en de heer [medewerker Timing 2] (hierna: [medewerker Timing 2] ) van Timing en mevrouw [medewerker Teamplast 1] (hierna: [medewerker Teamplast 1] ) en mevrouw [medewerker Teamplast 2] (hierna: [medewerker Teamplast 2] ) van Teamplast.\n\n2.6.. In een opdrachtbevestiging van Timing aan Teamplast ten behoeve van [de uitzendkracht] , gedateerd 30 januari 2025, staat onder meer het volgende:\n\n“Startdatum: 01-02-2025\n\nEinddatum indien bekend: 09-11-2025\n\nAantal uur per week: 154u\u002F4wkn\n\nFunctie: Junior teamleider\n\n(…)\n\nDeze opdrachtbevestiging vloeit voort uit de overeenkomst van opdracht\u002Ftariefstelling tussen Teamplast Productions B.V. en Timing Flex B.V. d.d. 30-01-2025. Op deze opdrachtbevestiging zijn de algemene voorwaarden van Timing Flex B.V. van toepassing.\n\n(…)\n\nOpdrachtgever dient alle in de uitzendovereenkomst opgenomen, alle gewerkte en, in geval van oproep, alle niet juist of niet tijdige gewijzigde of afgezegde uren tegen het geldende tarief te voldoen.”\n\n2.7.. Teamplast heeft op 10 maart 2025 onder meer het volgende geschreven aan Timing:\n\n“Naar aanleiding van ons telefonisch contact deze week en vorige week (met zowel [medewerker 2] als [medewerker 3] ) om jullie bij te praten over het verloop van het functioneren van [de uitzendkracht] willen wij via deze weg nogmaals bevestigen dat wij de samenwerking tussen [de uitzendkracht] en Teamplast hebben beëindigd.”\n\n2.8.. Timing heeft op 17 maart 2025 onder meer het volgende geschreven aan Teamplast:\n\n“Bij deze stuur ik je de contracten in de bijlage. In de opdrachtbevestiging vind je het overeengekomen aantal uren inclusief de overige afspraken.\n\nDaarnaast kun je in de e-mail hieronder onze eerdere afspraak over de uren garantie terugvinden, waarmee jullie akkoord zijn gegaan. Deze uren garantie zal dan daarom ook gefactureerd worden.”\n\n2.9.. Diezelfde dag heeft Teamplast daarop als volgt gereageerd:\n\n“Deze urengarantie is afgegeven op het 1ste contract en heeft betrekking op de destijds besproken periode t\u002Fm februari 2025.\n\nDeze garantie heb ik niet afgegeven op basis van de verlenging. Dit 2de contract heb ik ook niet gezien, nog ondertekend.”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Timing vordert, na vermindering van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Teamplast veroordeelt om aan haar te betalen een bedrag van € 11.548,69 en de proceskosten.\n\n3.2.. Timing legt aan haar vordering ten grondslag dat zij [de uitzendkracht] vanaf november 2024 ter beschikking heeft gesteld aan Teamplast, in de functie van Junior Teamleider en met een urenomvang van 154 uur per vier weken. Timing stelt dat partijen voor zowel de eerste overeenkomst – van november 2024 tot en met 31 januari 2025 – als de tweede overeenkomst – van 1 februari 2025 tot 9 november 2025 – een urengarantie zijn overeengekomen. Teamplast heeft op 10 maart 2025, zonder opgaaf van reden, meegedeeld dat zij geen gebruik meer wenste te maken van de inzet van [de uitzendkracht] . In verband met de urengarantie is zij echter gehouden om Timing tot 9 november 2025, tegen de overeengekomen omrekenfactor 2.3, de uren te betalen die Timing aan [de uitzendkracht] diende te voldoen. [de uitzendkracht] is uiteindelijk in mei 2025 uit dienst getreden bij Timing, zodat Teamplast de overeengekomen uren tot dat moment is verschuldigd, aldus Timing.\n\n3.3.. Teamplast voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Timing, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Timing in de proceskosten.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Timing beroept zich op de opdrachtbevestiging van 30 januari 2025, waarin de arbeidsomgang van 154 uur per vier weken is vermeld. Zij stelt dat de tweede overeenkomst is gesloten onder dezelfde voorwaarden als de eerste, althans dat er geen andersluidende afspraken zijn gemaakt. Verder stelt Timing zich op het standpunt dat op grond van artikel 3 van de algemene voorwaarden de opdracht voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt door het verstrijken van de overeengekomen tijd of doordat een vooraf vastgesteld objectief bepaalbare gebeurtenis zich voordoet.\n\n4.2.. Teamplast erkent dat voor de eerste uitzendovereenkomst een urengarantie van 154 uur per 4 weken is overeengekomen, maar betwist dat ten aanzien van de tweede overeenkomst. Teamplast betwist dat zij de tweede opdrachtbevestiging op 30 januari 2025 heeft ontvangen en dat partijen de tweede overeenkomst op dezelfde voorwaarden als de eerste overeenkomst hebben gesloten.\n\n4.3.. \n\nDe kantonrechter oordeelt als volgt.\n\nVaststaat dat Timing de opdrachtbevestiging van de tweede uitzendovereenkomst op 17 maart 2025 naar Teamplast heeft gestuurd. Volgens Timing is de opdrachtbevestiging ook al eerder verzonden. Op 30 januari 2025 om 16:02:04 zou deze zijn opgemaakt en automatisch verzonden naar het mailadres waar eerdere opdrachtbevestigingen naartoe zijn gestuurd. Nu Teamplast betwist dat zij de opdrachtbevestiging vóór 17 maart 2025 heeft ontvangen, had het op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van Timing gelegen om bewijs te leveren van haar stelling dat de opdrachtbevestiging is verzonden op 30 januari 2025. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat de kantonrechter ervan uit dat Teamplast de opdrachtbevestiging pas op 17 maart 2025 heeft ontvangen.\n\n4.4.. \n\nOok ten aanzien van de gestelde afspraken over de tweede uitzendperiode van [de uitzendkracht] , rust op grond van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast op Timing.\n\nTeamplast heeft gemotiveerd betwist dat partijen ook voor de tweede uitzendperiode een urengarantie zijn overeengekomen. Zij heeft haar verweer op dit punt onderbouwd aan de hand van verklaringen van [medewerker Teamplast 1] en [medewerker Teamplast 2] over het gesprek op 29 januari 2025 met [medewerker Timing 1] en [medewerker Timing 2] (respectievelijk producties 1 en 2 bij conclusie van antwoord).\n\nIn het licht van die gemotiveerde betwisting had het op de weg van Timing gelegen om de door haar gestelde afspraken nader te onderbouwen. Nu zij dat niet heeft gedaan, is de kantonrechter van oordeel dat niet is vast komen staan dat partijen ook voor de tweede uitzendperiode een urengarantie zijn overeengekomen.\n\n4.5.. \n\nTen aanzien van het beroep van Timing op artikel 3 van de algemene voorwaarden oordeelt de kantonrechter als volgt.\n\n [medewerker Teamplast 1] en [medewerker Teamplast 2] zijn in hun verklaringen uitvoerig over hetgeen partijen hebben afgesproken tijdens het gesprek op 29 januari 2025 met betrekking tot de mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de samenwerking met [de uitzendkracht] . Daartegenover staat de betwisting door Timing, die naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd is. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de verklaringen van Teamplast. Gelet op de specifieke afspraken die partijen hebben gemaakt tijdens het gesprek op 29 januari 2025 over voortijdige beëindiging van de overeenkomst, kan een beroep op artikel 3 van de algemene voorwaarden Timing niet baten.\n\n4.6.. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van Timing afgewezen.\n\n4.7.. Timing is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Teamplast worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.008,00\n\n4.8.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van Timing af,\n\n5.2.. veroordeelt Timing in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt Timing tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n858 \u002F 560","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5203","ecli-nl-rbgel-2026-5203",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"452","ECLI:NL:RBGEL:2026:5204","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Nijmegen\n\nZaakgegevens: 12228824 \\ VV EXPL 26-37\n\nVonnis in kort geding van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nVEVAG B.V.,\n\ngevestigd in Berkel-Enschot,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Vevag,\n\ngemachtigde: mr. M. Stokdijk,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde], tevens handelende onder de naam[gedaagd bedrijf],\n\nwonende en zaakdoende in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Bij dagvaarding van 22 mei 2026, met producties, heeft Vevag een voorziening gevorderd.\n\n1.2.. Op 2 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor Vevag zijn [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] , beiden aandeelhouder en bestuurder van Vevag, en de gemachtigde verschenen. Aangezien alle voorgeschreven formaliteit en termijnen voor oproeping in acht zijn genomen, heeft de kantonrechter tegen de niet verschenen [de gedaagde] verstek verleend. Vevag heeft haar vorderingen toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat hij een vonnis in de zaak zal wijzen.\n\n2. De vordering en de beoordeling daarvan\n\n2.1.. Vevag verhuurt aan [de gedaagde] de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] in [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde). Vanaf december 2023 is een huurachterstand ontstaan, die tot en met mei 2026 is opgelopen tot een bedrag van € 14,899,60, zoals blijkt uit de stellingen uit de dagvaarding en de daarbij overgelegde specificatie (productie 4). Tegen deze achtergrond vordert Vevag – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en tot betaling van:\n\neen bedrag van € 14.993,57 ter zake achterstallige huur tot en met mei 2026,\n\nde huur van € 4.906,03 per maand over de periode van 1 juni 2026 tot en met de dag waarop het gehuurde door [de gedaagde] leeg en ontruimd ter beschikking aan Vevag wordt gesteld of na gedwongen ontruiming ter beschikking van Vevag komt te staan, waarbij een gedeelte van een ingetreden maand voor een gehele maand heeft te gelden,\n\neen bedrag van € 32.100,00 aan verbeurde contractuele boetes,\n\nde buitengerechtelijke incassokosten van € 10.086,39,\n\nde proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.\n\n2.2.. In geval van verstek, wijst de kantonrechter de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 Rv). In geval van een vordering in kort geding geldt verder dat deze slechts kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zodanig veel spoed heeft dat hij\u002Fzij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van Vevag volgt dat zulke spoed aanwezig is.\n\n2.3.. De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zullen worden toegewezen, met inachtneming en uitzondering van het navolgende.\n\n2.4.. \n\nVevag vordert betaling van een bedrag van € 32.100,00 aan verbeurde contractuele boetes vanwege niet of te late betaling van de huur als bedoeld in artikel 26.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden. Deze vordering zal voor een bedrag van € 9.000,00 worden toegewezen. Dat bedrag staat gelijk aan het aantal niet-betaalde huurtermijnen (30) vermenigvuldigd met de (enkelvoudige) contractuele boete van (minimaal) € 300,00. De cumulatieve uitleg die Vevag aan het boetebeding geeft, inhoudende dat iedere maand opnieuw een boete verschuldigd is van minimaal € 300,00 als de huur niet op tijd wordt betaald, komt de kantonrechter voorshands ongegrond voor. Deze uitleg strookt immers niet met de in de rechtspraak gangbare uitleg dat de boetes die verschuldigd raken op grond van een boeteding als de onderhavige niet cumuleren, maar slechts eenmalig verbeurd raken (vgl. Hof Amsterdam 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4499 en\n\nHof ‘s-Hertogenbosch 16 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:892). Vevag heeft, daar ter zitting door de kantonrechter naar gevraagd, geen omstandigheden gesteld die maken dat in deze zaak anders moet worden geoordeeld.\n\n2.5.. Vevag vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Vevag heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Wel zal deze vergoeding worden berekend op basis van de toe te wijzen hoofdsom, te weten over (€ 14.993,57 + € 9.000,00 =) € 23.993,57. Op grond van de staffel bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt een bedrag van € 1.228,07 inclusief btw toegewezen.\n\n2.6.. \n [de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vevag worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n126,46\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.504,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.639,46\n\n2.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [de gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte gelegen aan [adres] in [plaatsnaam] verlaten en te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Vevag zijn, en de sleutels af te geven aan Vevag,\n\n3.2.. veroordeelt [de gedaagde] om te betalen aan Vevag:\n\na. a) € 14.993,57 aan achterstallige huur tot en met mei 2026,\n\nb) de huur van € 4.906,03 per maand vanaf 1 juni 2026 tot en met de dag waarop het gehuurde door [de gedaagde] leeg en ontruimd ter beschikking aan Vevag wordt gesteld of na gedwongen ontruiming ter beschikking van Vevag komt te staan, waarbij een gedeelte van een ingetreden maand voor een gehele maand heeft te gelden,\n\nc) een bedrag van € 9.000,00 aan verbeurde contractuele boetes,\n\nd) een bedrag van € 1.228,07 aan buitengerechtelijke incassokosten,\n\n3.3.. \n\nveroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 2.639,46, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend, verder te vermeerderen met\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n3.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n61512\u002F560","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5204","ecli-nl-rbgel-2026-5204",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"1297","ECLI:NL:RBGEL:2026:3193","2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Nijmegen\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12062077 \\ HA VERZ 26-7\n\nBeschikking van 3 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam verzoeker \u002F verweerder in voorwaardelijk verzoekschrift],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\ntevens verweerder in het voorwaardelijk verzoekschrift,\n\nhierna te noemen: [de verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. V.F.M. Jongerius,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nUNLIMITED EXPECTATIONS B.V.,\n\ngevestigd te Elst,\n\nverweerder,\n\ntevens verzoeker in het voorwaardelijk verzoekschrift,\n\nhierna te noemen: GKS,\n\ngemachtigde: mr. A.E. Burggraaf.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 t\u002Fm 9, ingekomen op de griffie op 15 januari 2026,\n\n- het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk verzoek, met producties 1 t\u002Fm 11, ingekomen op de griffie op 2 maart 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026, waarbij de gemachtigde van [de verzoeker] het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van wat partijen verder hebben verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de verzoeker] is per 10 februari 2025 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij GKS op basis van een werkweek van 40 uur. Zijn functie is operationeel directeur met een loon van € 6.775,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Daarnaast is aan [de verzoeker] een bedrijfsauto ter beschikking gesteld.\n\n2.2.. \n [de verzoeker] en de heer [bestuurder GKS] (indirect statutair bestuurder en groot aandeelhouder van GKS, hierna: [bestuurder GKS] ) hebben op 17 mei 2025 op kantoor van GKS afspraken gemaakt, die [bestuurder GKS] ter plaatse in een vaststellingsovereenkomst heeft vastgelegd, waarna deze door partijen is ondertekend (productie 3 [de verzoeker] ). De inhoud daarvan luidt als volgt: “(…) Hierbij bevestigen wij de onderling overeengekomen zaken in deze vaststellingsovereenkomst.\n\nTe weten:\n\nWerkgever en werknemer komen met wederzijde overeenstemming dat het dienstverband wordt beëindigd per 17-05-2026.\n\nWerknemer zal tot en met 17-5-2026 in dienst blijven. Met dien verstanden: Werknemer zal als er eerder een nieuwe werkgever komt contact opnemen over het dan eerder stoppen van de lopende afspraken en het dienstverband met die datum te laten beëindigen daar wanneer een nieuw dienstverband aangegaan wordt.\n\nWerknemer zal zich daarvoor inzetten eerder als einddatum zich hier toe in te spannen om eerder een dienst verband weer aan te gaan bij een mogelijk nieuwe werkgever.\n\nEr worden geen vrije dagen meer opgebouwd als die die er tot nu toe zijn opgebouwd. Deze dagen worden in het salaris van Juni 2026 uitgekeerd.\n\nGedurende de periode zal de werkgever een auto incl. tankpas ter beschikking stellen.\n\nWerkgever ( [werkgever] ) kan een beroep doen op [de verzoeker] voor hulpen en of werkzaamheden.\n\nEr komt een positieve aanbeveling komen, [werkgever] zal ook als referentie beschikbaar zijn.\n\nAlle overige zaken die zijn aangeleverd door werkgever worden retour gebracht, te denken aan laptop, sleutels, toegang codes\u002Fwachtwoorden enz.\n\nMedewerker en Werkgever zullen geen negatieve uitingen in welke vorm dan ook doen over medewerker en werkgever. (…)”\n\n2.3.. GKS heeft op 12 augustus 2025 bij [de verzoeker] geïnformeerd of hij al ander werk heeft gevonden, waarop [de verzoeker] ontkennend heeft geantwoord.\n\n2.4.. Op 11 september 2025 heeft GKS het volgende e-mailbericht aan [de verzoeker] verzonden (productie 4 [de verzoeker] ): “”Hoi [de verzoeker] , altijd jammer als het mis loopt, mag ik weten waar en bij welke partij het mis is gelopen. Kun je aangeven bij wie\u002Fwat waar\u002Fwelke partijen, of in eigen beheer nu bezig bent. Wat er loopt.\n\nIk snap namelijk mar moeilijk dat iemand met jou kennis en kunde en gedrevenheid niet eerder een baan kan vinden.\n\nOok zegt mijn gevoel dat er al wel een opportunity is en loopt, want zo'n goede verkoper als jij kan je zelf toch ook goed in de markt zetten en zou er eigenlijk snel een kans verzilverd moeten kunnen worden. (…)”\n\n2.5.. \n\n [de verzoeker] heeft daarop dezelfde dag als volgt gereageerd (productie 4 [de verzoeker] ):\n\n“ Hoi [werkgever] ,\n\nHet is zeker jammer als zoiets mis loopt en ik moet ook wel zeggen teleurstellend. Fijn dat je mij zo hoog inschat en me in de rol van verkoper ziet, maar de rol is operationeel, commercieel of algemeen directeur. Ik had bij jullie een vast contract met een salaris en goede secundaire voorwaarden en dat heb jij doorbroken. Ik heb niet om deze situatie gevraagd en je mag van me aannemen dat ik me maximaal inspan, maar we zien niet de nut en noodzaak in om dat soort zaken met jullie te delen.\n\nWij hebben duidelijke afspraken gemaakt in onze vaststellingsovereenkomst en daar houden we elkaar aan. Zodra ik iets inhoudelijks te melden heb kom ik bij jullie op de lijn.\n\n(…)”\n\n2.6.. GKS heeft in reactie daarop het volgende e-mailbericht verzonden (productie 4 [de verzoeker] ): “Hoi [de verzoeker] , De toonzetting veranderd, jammer.\n\nIk beroep me ook op eerlijkheid en fatsoen, iets wat je altijd hebt aangegeven te zijn en naar te handelen.\n\nDat je je inspant dat geloof ik wel dus verwacht ik ook dat je allang reeds uren en werk verricht voor derden, vanuit jou naam, of indirect voor andere maar wel door jou.\n\nDus mocht het zo zijn dat jij wel werkt, geld verdient en mij aanhoudt om uit te melken zou dat niet eerlijk en of fatsoenlijk zijn.\n\nZou jammer zijn als je een richting opgaat die niet eerlijk is en uitkomt op bedrog.\n\nDaarbij de bestaande arbeidsovereenkomst is gewoon van toepassing, dus kan je gewoon terug laten komen en hier alsnog te werkstellen.\n\nLaat me weten waar je mee bezig beten, hoe we het af kunnen ronden kan iedereen verder.\n\n(…)”\n\n2.7.. GKS heeft in oktober 2025 een recherchebureau ingeschakeld dat [de verzoeker] in de periode van 21 oktober tot en met 14 november 2025 vijftien keer heeft geobserveerd. In het rapport dat naar aanleiding daarvan op 18 november 2025 is opgemaakt, heeft het recherchebureau in essentie geconcludeerd dat [de verzoeker] gedurende de uitgevoerde observaties nagenoeg elke werkdag van de week werkzaamheden heeft verricht bij FlowGrill te Zevenaar (productie 7 [de verzoeker] ).\n\n2.8.. \n\nOp 19 november 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van GKS en is [de verzoeker] op staande voet ontslagen door GKS. Bij brief van 19 november 2025 heeft GKS dit ontslag bevestigd en daarbij het rapport van het recherchebureau als bijlage meegezonden (productie 6 en 7 [de verzoeker] ):\n\n“Geachte heer [de verzoeker] , beste [de verzoeker] ,\n\nJe bent op 10 februari 2025 bij Unlimited Expectations B.V. (h.o.d.n.v. GKS) in dienst\n\ngetreden. Jij en ik hebben op 17 mei 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In\n\ndie overeenkomst is onder meer afgesproken dat de arbeidsovereenkomst uiterlijk per 18\n\nmei 2026 eindigt, jij je moet inspannen om ander werk te vinden, jij mij moet laten\n\nweten als je ander werk hebt en de arbeidsovereenkomst en afspraken eindigen daar wanneer een andere samenwerking wordt aangegaan. Onder die afspraken valt onder\n\nmeer de doorbetaling van jouw loon en het gebruik van een door Unlimited Expectations\n\nter beschikking gestelde auto, autosleutels, kentekenbewijs en tankpas.\n\nIn september 2025 ontving ik van een anonieme bron de informatie dat er bij het bedrijf\n\nFlowGrill in Zevenaar in de zomer uren in rekening zouden zijn gebracht voor\n\nwerkzaamheden die door jou voor FlowGrill zijn verricht.\n\nIk heb vervolgens per mail bij jou navraag gedaan of je werkzaamheden elders verricht\n\nof mogelijk kansen hebt, waarop je negatief reageerde.\n\nJouw antwoord vond ik onbevredigend. De Volvo die Unlimited Expectations aan jou ter\n\nbeschikking is gesteld en nog bij jou in gebruik is, is eigendom van Unlimited\n\nExpectations. Dit biedt haar de mogelijkheid om middels de Volvo-app een rittenoverzicht\n\nte verkrijgen. Een korte blik op dat rittenoverzicht leverde op dat de Volvo vanaf medio\n\njuli 2025 op werkdagen in Zevenaar is op\u002Fom het adres van FlowGrill in Zevenaar.\n\nVervolgens hebben wij recherchebureau [recherchebureau] opdracht gegeven om\n\nonderzoek te doen. Dit onderzoek werd op 18 november 2025 afgerond.\n\nIk nodigde je diezelfde dag per mail uit voor een gesprek om even bij te praten over de\n\nvoortgang in het vinden van ander werk. Dat gesprek vond vandaag om 11:00 bij mij op\n\nkantoor plaats, waarbij naast jou en mij ook [betrokkene] aanwezig was.\n\nIn het gesprek vandaag heb ik je gevraagd hoe het vinden van ander werk er op dit\n\nmoment voor staat. Je antwoordde daarop dat je druk bezig bent. Op mijn vraag hoe\n\njouw dagbesteding eruitziet, gaf je aan in de ochtend en de middag mantelzorg aan jouw\n\nbuurvrouw te verlenen en vrijwilligerswerk te verrichten bij het dierenpension in\n\nApeldoorn waar je op de dierenambulance rijdt. Je gaf aan wat je hier had,\n\nnu niet te hebben.\n\nVervolgens heb ik je geconfronteerd met het feit dat mij informatie had bereikt\n\ndat je wellicht werkzaam bent voor FlowGrill In Zevenaar. Ik heb je gevraagd of\n\nje daar werkzaam bent, waarop je aangaf dat je daar helpt en het een vriend\n\nvan jouw broer betreft. Je gaf aan dat het een kortlopend projectje is, en advies geeft\n\nwanneer het jou uitkomt en ook onafhankelijk is van de vraagstelling.\n\nOp mijn vraag of dat pro deo is of vergoed wordt, antwoordde je dat je denkt dat het pro\n\ndeo is. Na dat antwoord kantelde het gesprek en gaf je ineens aan dat het er niet toe\n\ndoet, omdat wij een vaststellingsovereenkomst met elkaar hebben en je deze zo leest dat\n\njij mij alleen behoeft te informeren als er sprake is van een andere werkgever. Bijzonder\n\ngenoeg voegde je daaraan toe dat als ik het met jouw lezing niet eens zou zijn, jij en ik\n\nnaar de rechter moeten 'om de vso te laten bekrachtigen'.\n\nVervolgens heb ik aangegeven het gevoel te hebben dat je wel bij FlowGrill in een soort\n\nvan dienstverband werkzaam bent, dat je daar structureel werk voor doet en dat we dat\n\nhebben onderzocht. Uit de autogegevens blijkt dat je daar structureel vanaf juli 2025\n\naanwezig bent. Je antwoordde daarop dat de auto daar structureel aanwezig is.\n\nIk gaf vervolgens aan dat jouw handelen een dringende reden voor ontslag op staande\n\nvoet oplevert, waarop je aangaf dat dat door de vaststellingsovereenkomst niet mogelijk\n\nis. Vervolgens gaf ik aan dat ik de sleutels van de auto met het kenteken terug wil en als\n\nje dat niet doet ik aangifte zal doen van diefstal. Ondertussen verliet je op zeer\n\nagressieve wijze de kamer en was niet meer voor rede vatbaar. Ik ben met je\n\nmeegelopen, omdat je de deur het pand niet openkreeg. Je stem en lichaamshouding\n\nwaren zeer bedreigend.\n\nIn ons gesprek had ik de uitkomst van het onderzoek met je willen delen, maar door\n\njouw vertrek was dat niet meer mogelijk. Uit het onderzoek blijkt dat je op veel van mijn\n\nvragen in ons gesprek gelogen hebt c.q. de realiteit anders hebt voorgespiegeld dan dat\n\ndeze feitelijk is. Uit het onderzoek volgt dat je structureel voor FlowGrill werkzaam bent.\n\nJe hebt vervolgens zeer agressief rijgedrag vertoond en daarbij niet alleen mijn leven en\n\ngezondheid, maar ook dat van anderen op het spel gezet. Terwijl ik achter de auto stond,\n\nwat jij duidelijk zag, wist en nadien inmiddels ook per mail hebt bevestigd, trachtte je op\n\nmeerdere keren me in te rijden en de snelheid te verhogen mij opzettelijk te\n\nmishandelen. Er was allesbehalve sprake van een situatie waarbij jij voorzichtig achteruit\n\ntrachtte te rijden. Videobeelden van de 3 camera's om ons kantoorpand bevestigen hoe\n\njij hier met de aan jou ter beschikking gestelde auto van Unlimited Expectations bent\n\nvertrokken, waartoe je duidelijk meermaals het recht toe is onttrokken.\n\nDe hierboven genoemde omstandigheden leveren, zowel in onderling verband als\n\nafzonderlijk een dringende reden ex artikel 7:677 BW juncto 7:678 BW op. Het ontslag\n\nop staande voet brengt dat de arbeidsovereenkomst met jou met ingang van vandaag,\n\n19 november 2025, tot een einde is gekomen.\n\ngefixeerde schadevergoeding\n\nDoor jouw handelen heb je een dringende reden veroorzaakt die in ieder geval\n\nverwijtbaar aan jou is toe te rekenen, zodat je de gefixeerde schadevergoeding ex artikel\n\n7:677 lid 2 BW juncto artikel 7:677 lid 3 sub a BW verschuldigd bent.\n\nschade\n\nLos van de gefixeerde schadevergoeding zoals hiervoor vermeld, wordt alle schade die\n\nhet gevolg is van jouw handelen, zoals de onderzoekskosten van het recherchebureau,\n\nde kosten van onze juridisch adviseur et cetera op jou verhaald.\n\ngeen recht op de wettelijke transitievergoeding\n\nHet feit dat de arbeidsovereenkomst eindigt door een reden die ernstig verwijtbaar aan\n\njou is toe te rekenen, heb je geen recht op de wettelijke transitievergoeding.\n\nwanprestatie\n\nJe bent toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op jou rustende\n\nverplichtingen in de vaststellingsovereenkomst mitsdien gehouden om alle schade die\n\ndaarvan het gevolg is te vergoeden. Los van de schade die hierboven is genoemd, dien je\n\ndaarbij onder meer te denken aan het loon, de vakantietoeslag, werkgeverslasten, de\n\nkosten van de auto en brandstof voor de auto, gemiste werk uen van mij omdat ik niks\n\nmeer heb kunnen doen die dag en er kapot van ben dat je je zo hebt misdragen.\n\nschade\n\nUnlimited Expectations B.V. (h.o.d.n.v. GKS) en ondergetekende houden jou\n\naansprakelijk voor alle schade die zij c.q. ondergetekende door jouw handelen hebben\n\ngeleden, lijden en nog zullen lijden en zullen deze volledig op jou verhalen.\n\naangiftes tegen jou\n\nVolledigheidshalve meld ik je dat ik na jouw vertrek bij de politie aangifte tegen jou heb\n\ngedaan, inhoudende:\n\n- Zware poging tot mishandeling;\n\n- Verduistering c.q. diefstal.\n\nVolledigheidshalve informeer ik je\n\nVoorts wordt dezerzijds een uitgebreide aangifte voorbereid wegens de handelwijze\n\nwaarop je -mede indachtig onze afspraken- voor FlowGrill werkzaam bent geweest en\n\ndaarmee Unlimited Expectations hebt benadeeld.\n\nauto, kenteken, alle autosleutels en tankpas\n\nMede op advies van de politie verzoek en voor zover nodig sommeer ik je om binnen 36\n\nuur na verzending van deze brief per mail (…) de aan jou ter beschikking gestelde auto (Volvo XC40 met kenteken [kentekennummer] ) in goede staat, samen met de betrokken sleutels en reservesleutels, autopapieren en de tankpas onder werktijd bij mij op kantoor in te leveren én jouw komst minimaal één (1) uur voor\n\njouw aankomst schriftelijk per mail aan mij te bevestigen.\n\nBij deze brief tref je de rapportage van bevindingen en het observatieverslag van het\n\ningeschakelde recherchebureau.\n\nMorgen ontvang je per We transfer de foto's en video's die daarin worden genoemd, als\n\nook de videobeelden van jouw vertrek met de auto en de geluidsopname van ons\n\ngesprek van heden.\n\nUnlimited Expectations B.V. als ook ikzelf behouden ons jegens jou nog uitdrukkelijk alle\n\nrechten en weren voor.\n\n(…)” 2.9. [de verzoeker] heeft de bedrijfsauto en de sleutels op 21 november 2025 bij een garagehouder achtergelaten (productie 7 GKS).\n\n2.10.. Bij brief van 27 november 2025 heeft de gemachtigde van [de verzoeker] GKS verzocht het ontslag op staande voet in te trekken, maar GKS heeft daar geen gevolg aan gegeven.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [de verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. het ontslag op staande voet te vernietigen;\n\nII. te verklaren voor recht dat GKS de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst dient na te komen;\n\nIII. GKS te veroordelen tot betaling van:\n\na. het maandsalaris van € 6.775,00 bruto vanaf 19 november 2025 tot en met 17 mei 2026 alsmede de vakantiebijslag over deze periode te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente tot op de dag van betaling;\n\nb. de netto bedragen van € 4.221,00 en € 1.950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente tot op de dag van algehele betaling;\n\nIV. GKS te veroordelen in de proceskosten en nakosten.\n\n3.2.. \n [de verzoeker] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen, omdat er geen sprake is geweest van een dringende reden voor het ontslag op staande voet en het ontslag op staande voet bovendien niet onverwijld is gegeven.\n\n3.3.. Het verweer van GKS strekt tot afwijzing van de verzoeken van [de verzoeker] . GKS meent dat [de verzoeker] haar een dringende reden heeft gegeven die het ontslag op staande voet rechtvaardigt en dat het ontslag rechtsgeldig is.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. Het voorwaardelijk tegenverzoek en het verweer\n\n4.1.. \n\nVoor zover de kantonrechter van oordeel is dat het ontslag niet rechtsgeldig is, verzoekt GKS voorwaardelijk bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW en subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW. GKS verzoekt verder zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:\n\nI. te verklaren voor recht dat het loon dat GKS vanaf begin juli 2025 aan [de verzoeker] heeft voldaan onverschuldigd is betaald en [de verzoeker] te veroordelen om het bedrag van € 40.069,03 netto aan GKS terug te betalen;\n\nII. te verklaren voor recht dat GKS de kosten van de bedrijfsauto vanaf begin juli 2025 onverschuldigd heeft gedragen en [de verzoeker] te veroordelen om het bedrag van € 4.320,03 netto aan GKS terug te betalen;\n\nIII. in het geval de kantonrechter oordeelt dat GKS vanaf begin juli 2025 loon c.a. en\u002Fof het dragen van de kosten van de bedrijfsauto verschuldigd is, [de verzoeker] te bevelen om binnen veertien dagen na betekening van de beschikking die schriftelijke informatie te (laten) overleggen waaruit blijkt (1) vanaf wanneer (2) op welke data (3) hoeveel uren, (4) [de verzoeker] voor Flow Grill werkzaamheden heeft verricht, als ook (5) op welk wijze (aan wie en tegen welk bedrag) deze uren en de kosten die met de werkzaamheden samenhangen werden vergoed (aan [de verzoeker] dan wel aan een ander), zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag (een gedeelte van de dag daaronder mede begrepen) dat hij in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen en te verklaren voor recht dat GKS de totale vergoeding door Flow Grill in mindering mag brengen op hetgeen GKS aan loon c.a. en\u002Fof de bedrijfsauto vanaf begin juli 2025 verschuldigd is;\n\nIV. [de verzoeker] te veroordelen tot het vergoeden aan GKS van de onderzoekskosten van € 14.800,55 netto;\n\nV. te verklaren voor recht dat de schade aan de auto ter hoogte van € 1.950,00 op het moment dat [de verzoeker] deze inleverde voor zijn rekening komt;\n\nVI. [de verzoeker] te veroordelen in proceskosten.\n\n4.2.. \n [de verzoeker] heeft als verweer aangevoerd dat geen sprake is van verwijtbaar handelen. Hij verzet zich echter niet tegen het ontbindingsverzoek op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, mits een billijke vergoeding wordt toegewezen ter hoogte van € 6.775,00 bruto, vermeerderd met vakantiebijslag, en een transitievergoeding vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot 17 mei 2026.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nHet verzoek\n\nJuridisch kader5.1.. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de wet zijn drie voorwaarden genoemd waaraan een ontslag op staande voet moet voldoen:\n\nde werkgever moet een dringende reden hebben om de werknemer te ontslaan;\n\nhet ontslag moet onverwijld worden gegeven;\n\nde werkgever moet de werknemer de reden voor het ontslag onverwijld meedelen.\n\nIndien aan een van die drie voorwaarden niet is voldaan, is het ontslag niet geldig.\n\n5.2.. Als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de beoordeling van de dringende reden dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.\n\n5.3.. De toetsing of het ontslag al dan niet terecht is gegeven kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van hetgeen feitelijk aan de werknemer is meegedeeld en niet op basis van later aangevoerde feiten of omstandigheden. Verder dient de opzegging onverwijld na het ontdekken van de als dringende reden te beschouwen handeling plaats te vinden, onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden. Daarbij fixeert de medegedeelde reden in beginsel de ontslagreden.\n\nOntslag op staande voet niet rechtsgeldig5.4.. GKS heeft bij monde van [bestuurder GKS] tijdens het gesprek van 19 november 2025 aan [de verzoeker] meegedeeld dat [de verzoeker] in strijd met de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld door niet te melden dat hij voor FlowGrill tegen betaling werkzaamheden gedurende de vaststellingsovereenkomst heeft verricht en dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Blijkens de ontslagbrief van 19 november 2025 heeft GKS daarnaast als dringende redenen opgegeven dat [de verzoeker] in weerwil van [bestuurder GKS] de bedrijfsauto heeft meegenomen en vervolgens op [bestuurder GKS] is ingereden. Deze omstandigheden zijn evenwel niet door GKS in het gesprek van 19 november 2025 als dringende redenen aan [de verzoeker] meegedeeld, zodat deze niet meegewogen zullen worden bij de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De toetsing of het ontslag op staande voet al dan niet terecht is gegeven zal dus alleen plaatsvinden op basis van de door GKS gestelde dringende reden dat [de verzoeker] heeft nagelaten aan GKS te melden dat hij tegen betaling bij FlowGrill gedurende de vaststellingsovereenkomst heeft gewerkt.\n\n5.5.. \n [de verzoeker] heeft dit verwijt betwist. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij nog steeds werkzaamheden bij FlowGrill verricht, zij het uit hoofde van een overeenkomst van opdracht en niet uit hoofde van een dienstverband in de zin van artikel 7:610 BW. Hij declareert vanaf augustus € 75,00 per uur voor die werkzaamheden. Volgens [de verzoeker] zijn de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst duidelijk en zij bevatten geen verplichting dat hij andere werkzaamheden dan die uit een nieuw dienstverband bij GKS dient te melden. Hij is dan ook van mening dat hij zich heeft gehouden aan de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst.\n\n5.6.. Door GKS is aangevoerd dat de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst niet zuiver grammaticaal dienen te worden uitgelegd, maar met inachtneming van de Haviltex-norm, waarbij het aankomt op de redelijke betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden aan de bepaling mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten en waarbij alle omstandigheden van het geval, bezien in onderlinge samenhang, dienen te worden betrokken. GKS heeft nimmer de intentie gehad als ‘melkkoe’ voor [de verzoeker] te willen fungeren en daarover was [bestuurder GKS] in zijn e-mailberichten van 12 augustus en 11 september 2025 aan [de verzoeker] ook ondubbelzinnig, aldus GKS. Namens GKS heeft [bestuurder GKS] op de mondelinge behandeling verder verklaard dat het woord ‘dienstverband’ voor hem het verdienen van geld bij een ander betekent en dat daaronder ook een overeenkomst van opdracht dient te worden verstaan.\n\n5.7.. De kantonrechter oordeelt als volgt. In de door GKS opgestelde vaststellingsovereenkomst worden expliciet de woorden ‘werkgever’ en ‘dienstverband’ vermeld. Dat [de verzoeker] op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden tegen betaling bij FlowGrill heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt bij GKS, is dan ook niet in strijd met die bewoordingen. De overeenkomst is op 17 mei 2025 door [bestuurder GKS] tijdens het gesprek opgesteld. Niet is gebleken dat partijen tijdens dit gesprek hebben besproken dat iedere vorm van inkomsten aan de kant van [de verzoeker] aan GKS moet worden gemeld. Ook is er geen enkele aanwijzing voor de door GKS gestelde partijbedoeling dat onder de woorden ‘dienstverband’ en ‘werkgever’ ook een overeenkomst van opdracht moet worden verstaan. De mailberichten van 12 augustus en 11 september 2025 bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. GKS, op wie ingevolge artikel 150 Rv de stelplicht rust, heeft evenmin feiten of omstandigheden gesteld dat [de verzoeker] op basis van een dienstverband in de zin van artikel 7:610 BW bij FlowGrill werkzaam is, zodat dit niet vast komt te staan. Gelet op het voorgaande is van handelen in strijd met de overeenkomst en daarmee een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW niet gebleken, zodat het gegeven ontslag op staande voet op 19 november 2025 niet rechtsgeldig is. Dit brengt mee dat niet meer hoeft te worden beoordeeld of aan de andere onder 5.1 genoemde voorwaarden is voldaan. De kantonrechter zal het ontslag op staande voet daarom vernietigen.\n\nSalaris, vakantiebijslag5.8.. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd herleeft de vaststellingsovereenkomst en is GKS gehouden tot nakoming daarvan,. Gelet op het voorgaande zal wordt het verzoek tot loonbetaling toegewezen, zij het over de periode 19 november 2025 tot en met maart 2026. Het verzoek tot betaling van het salaris over de maanden april en mei 2026 en van de vakantiebijslag kan echter pas worden toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid.\n\nWettelijke verhoging en wettelijke rente5.9. De verzochte wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW en wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen over het loon over de periode 19 november 2025 tot en met maart 2026.\n\n5.10.. De verzoeken tot betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het toekomstige loon worden afgewezen, aangezien het toekomstig loon nog niet opeisbaar is en GKS dan ook (nog) niet in verzuim is met de betaling hiervan.\n\nVergoedingen bedrijfsauto en schade5.11.. Het verzoek van [de verzoeker] tot betaling van een vergoeding van € 4.221,00 netto vanwege het (onterecht) geen beschikking meer hebben over de bedrijfsauto wordt, met inbegrip van de daarover verzochte wettelijke rente, toegewezen, aangezien GKS de verschuldigdheid daarvan niet heeft betwist.\n\n5.12.. \n [de verzoeker] heeft verder terugbetaling van het bedrag van € 1.950,00 netto verzocht, omdat GKS dit ten onrechte zou hebben ingehouden vanwege schade die door [de verzoeker] aan de bedrijfsauto zou zijn veroorzaakt.\n\n5.13.. \n\nTussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsauto schade had op het moment dat [de verzoeker] deze auto heeft achtergelaten bij de garage. Wel staat tussen partijen ter discussie of [de verzoeker] deze schade heeft veroorzaakt, [de verzoeker] betoogt dat de schade al aanwezig was toen hij de auto in gebruik nam.\n\nIngevolge de hoofdregel van 150 Rv is het aan GKS om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de schade door [de verzoeker] is veroorzaakt. Dit heeft zij niet gedaan, terwijl het op haar weg had gelegen om een ‘beginstaat’ van de bedrijfsauto over te leggen, die vergeleken kon worden met de eindstaat van de bedrijfsauto (de staat bij inlevering). Aangezien GKS op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan, is nadere bewijslevering niet aan de orde. Dit betekent dat zij wordt veroordeeld tot (terug)betaling van het bedrag van € 1.950,00 netto, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nHet voorwaardelijk ontbindingsverzoek\n\nVerwijtbaar handelen (e-grond)5.14.. GKS heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De kantonrechter heeft te beoordelen of sprake is van de primair gestelde, zogeheten e-grond, welke inhoudt dat een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden wanneer sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, waardoor niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Ontbinding op de e-grond kan worden uitgesproken zonder dat daarbij een opzegtermijn in acht wordt genomen.\n\n5.15.. GKS heeft hieraan dezelfde feiten en omstandigheden als bij het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Daaraan heeft zij toegevoegd dat [de verzoeker] zich jegens derden negatief zou hebben uitgelaten over GKS c.q. [bestuurder GKS] en zijn echtgenote.\n\n5.16.. In het licht wat in 5.7 is overwogen, levert het feit dat [de verzoeker] werkzaamheden tegen betaling bij FlowGrill heeft verricht naar het oordeel van de kantonrechter geen verwijtbaar handelen van [de verzoeker] op. Voor de stelling dat [de verzoeker] op [bestuurder GKS] zou zijn ingereden heeft GKS onvoldoende feiten aangedragen. Hoewel door haar is gesteld dat zij over camerabeelden van dat vermeende voorval beschikt, heeft zij deze niet in het geding gebracht. Zij heeft enkel volstaan met een geluidsopname van het gesprek en het vermeend voorval op 19 november 2025. Uitsluitend op basis daarvan kan de kantonrechter niet vaststellen dat [de verzoeker] op [bestuurder GKS] is ingereden en aldus verwijtbaar zou hebben gehandeld. Evenmin is het meenemen van de bedrijfsauto door [de verzoeker] , ondanks de instructie van [bestuurder GKS] om deze bij GKS achter te laten, aan te merken als verwijtbaar handelen, nu [de verzoeker] de bedrijfsauto enkele dagen later alsnog heeft ingeleverd. GKS heeft haar stelling dat [de verzoeker] zich negatief zou hebben uitgesproken over [bestuurder GKS] en zijn echtgenote niet onderbouwd, zodat ook dit geen verwijtbaar handelen oplevert.\n\n5.17.. Het voorgaande betekent dat niet kan worden gezegd dat [de verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, laat staan op een zodanige wijze dat van GKS niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het ontbindingsverzoek dat gebaseerd is op de e-grond dient dan ook afgewezen te worden.\n\nVerstoorde arbeidsverhouding (g-grond)5.18.. Subsidiair verzoekt GKS ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. [de verzoeker] heeft zich tegen dat verzoek niet verzet, zodat dit in beginsel toewijsbaar is.5.19.. Op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a BW wordt het einde van de arbeidsovereenkomst bepaald op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (de opzegtermijn voor GKS is één maand), waarbij de duur van de periode die aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek (15 januari 2026) en eindigt op de datum van dagtekening van de ontbindingsbeslissing (3 april 2026) in mindering wordt gebracht, waarbij wel geldt dat nog ten minste één maand moet resteren. In het onderhavige geval betekent dit dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 juni 2026 ontbonden zou worden. Omdat de arbeidsovereenkomst echter op 17 mei 2026 van rechtswege zal eindigen, heeft GKS geen belang als bedoeld in artikel 3:303 BW meer bij haar ontbindingsverzoek gebaseerd op deze grondslag. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen. Dit brengt mee dat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de door [de verzoeker] verzochte billijke vergoeding en transitievergoeding.\n\nDe overige verzoeken van GKS worden afgewezen5.20.. Nu de vaststellingsovereenkomst van kracht herleeft, zullen de verzoeken van GKS onder I en II worden afgewezen. In het verlengde van het vernietigde ontslag op staande voet, worden de onder IV en V verzochte veroordeling tot betaling door [de verzoeker] van de onderzoekskosten van € 14.800,55 (netto) en de verzochte verklaring voor recht dat de schade aan de bedrijfsauto ter hoogte van € 1.950,00 voor rekening van [de verzoeker] komt eveneens afgewezen.\n\n5.21.. Aangezien GKS op de mondelinge behandeling de door haar verzochte informatie heeft ontvangen, heeft zij geen belang meer bij haar verzoek onder III. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.\n\nProceskosten5.22.. GKS is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de verzoeker] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n753,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.762,00\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. vernietigt het ontslag op staande voet,\n\n6.2.. verklaart voor recht dat GKS de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 17 mei 2025 dient na te komen,\n\n6.3.. veroordeelt GKS om aan [de verzoeker] te betalen het bedrag van € 6.775,00 aan brutoloon per maand vanaf 19 november 2025 tot en met maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt GKS om vanaf april 2026 aan [de verzoeker] te betalen het brutoloon van € 6.775,00 per maand tot en met 17 mei 2026. Als GKS deze bedragen niet tijdig betaald, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, zoals bedoeld in artikel 7:625 BW, en de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de data van opeisbaarheid van de verschuldigde bedragen tot aan de dag van algehele betaling,\n\n6.5.. veroordeelt GKS om in mei 2026 aan [de verzoeker] te betalen de vakantiebijslag,\n\n6.6.. veroordeelt GKS om aan [de verzoeker] te betalen de netto bedragen van € 4.221,00 en € 1.950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente tot op de dag van algehele betaling,\n\n6.7.. veroordeelt GKS in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als GKS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.9.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.\n\n46409\u002F51733\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3193","ecli-nl-rbgel-2026-3193",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht"]