[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-zutphen":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},68,"Zutphen","nl","first_instance","civil",[11,24,31,38,46,55,63,71,78,86,95,103,111,120,128,136,144,151],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"846","ECLI:NL:RBGEL:2026:5294","","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F048594-25\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak (279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] te [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. R.J.A. van den Munckhof, advocaat in Amsterdam.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en\u002Fof onachtzaam heeft gereden, hierin\n\nbestaande dat verdachte,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) en\u002Fof zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg (de A28) niet\u002Fonvoldoende heeft gevolgd en\u002Fof in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fof over de kop is gegaan\u002Fgeslagen,\n\nen aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft\n\nplaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) en\u002Fof zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg (de A28) niet\u002Fonvoldoende heeft gevolgd en\u002Fof in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fof over de kop is gegaan\u002Fgeslagen,\n\nen door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A28, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig gecrasht en\u002Fof over de kop gegaan\u002Fgeslagen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 13 januari 2025, p. 199 t\u002Fm 202;\n\n- het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t\u002Fm 80.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is het verkeersongeluk te wijten aan de schuld van verdachte (in de zin van ernstigeschuld) en heeft [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval niet tot de conclusie leiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Verdachte was zich niet bewust van het feit dat hij de maximumsnelheid heeft overschreden. De enkele omstandigheid van te hard rijden is niet voldoende voor overtreding van artikel 6 WVW. Het rijden zonder rijbewijs kan een verzwarende factor zijn, maar maakt op zich niet dat artikel 6 WVW is overtreden. Het korte moment van onoplettendheid van verdachte toen hij de telefoon voor de navigatie wilde pakken is mogelijk verwijtbaar onvoorzichtig, maar niet aanmerkelijkverwijtbaar onvoorzichtig.\n\nDe raadsman refereert zich ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe raadsman heeft zich tevens ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet verkeersongeval\n\nOp 7 oktober 2024, omstreeks 01:50 uur, heeft er op de Rijksweg A28, ter hoogte van\n\nHattem, een enkelzijdig verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto betrokken was. In de personenauto zaten drie inzittenden. De bestuurder van de personenauto reed op de Rijksweg A28 links, komende uit de richting van Zwolle en gaande in de richting van Wezep. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid betrof 100 kilometer per uur.\n\nHet verkeersongeval vond plaats op een recht weggedeelte. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een ongeveer 3 meter brede vluchtstrook die door middel van een onderbroken kantstreep van de rijbaan was gescheiden. Rechts naast de vluchtstrook lag een grasberm. De straatverlichting was in werking. Ter hoogte van hectometerpaal 85,5 is de auto van de rijbaan geraakt en in de grasberm gekomen. De auto heeft een 74 meter lang sporenbeeld achtergelaten. De eerste ongeveer 60 meter van dit sporenbeeld bestond uit twee parallel afgetekende bandensporen. Aan het einde van deze 60 meter bevond zich een verhoging in de grasberm. Hierna waren de sporen, over een afstand van ongeveer 14 meter, richting de vluchtstrook afgetekend. Na het raken van de verhoging is de auto terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen tegen de rijrichting in op de vluchtstrook tot stilstand gekomen. De afstand tussen het begin van de eerste sporen en de eindpositie van de personenauto was ongeveer 105 meter. Op de vluchtstrook waren over een afstand van ongeveer 30 meter, tot de eindpositie van de personenauto, gras, glas- en voertuig(onder)delen, een rode, op bloed gelijkende, vlek met daar omheen verpakkingen van medisch handelen en krassporen te zien. De passagier, die op de achterbank zat, was uit de auto geslingerd en gewond geraakt.\n\nVoertuigonderzoek\n\nHet voertuig werd onderzocht op mogelijke technische gebreken, welke een rol gespeeld zouden kunnen hebben in het ontstaan van het ongeval. Dergelijke gebreken werden niet aangetroffen. De auto was voorzien van een event datarecorder (EDR). Deze recorder heeft data opgeslagen die in verband zijn te brengen met het ongeval. De recorder heeft geregistreerd dat de auto voorafgaand aan het ongeval op de cruise control en met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur heeft gereden. Er waren geen aanwijzingen dat verdachte door middel van remmen probeerde het ongeval te voorkomen. Volgens de EDR droegen de inzittenden vóórin de auto de voor hen bestemde autogordel. De linker en rechter gordel achter in de auto waren volgens het EDR-systeem niet vastgeklikt.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij door [benadeelde] is gevraagd om in haar auto van Assen naar Amsterdam te rijden. Zij was moe en niet in staat om te rijden. Verdachte stemde in, hoewel hij zich er bewust van was dat hij niet over de benodigde rijbevoegdheid beschikte. Voordat zij vertrokken, nam hij nog twee hijsjes van een wietsigaret. [benadeelde] zat naast hem en [slachtoffer] zat op de achterbank achter [benadeelde] . Verdachte verklaarde dat het heel donker was en dat vond hij vervelend. Hij reed 120 of 130 kilometer per uur en op de cruise control. De telefoon met de navigatie lag op schoot van [benadeelde] en verdachte moest steeds opzij kijken om de route te zien. Hij vroeg [benadeelde] om hem de telefoon aan te reiken. Terwijl zij hem de telefoon wilde geven, probeerde hij de telefoon van haar schoot af te pakken, maar greep hij mis omdat zij de telefoon al gepakt had. Door dit misverstand was zijn blik even niet op de weg gericht. Daarna ging het allemaal heel snel en sloeg de auto over de kop. Zij vonden [slachtoffer] bewusteloos en bebloed buiten de auto.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994\n\nOf er sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding of verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een op zijn minst aanmerkelijkemate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het moet gaan om méér dan een moment van onoplettendheid.\n\nVerdachte was op 7 oktober 2024 rond 01:53 de bestuurder van de Volkswagen Polo toen deze betrokken raakte bij een eenzijdig ongeval op de A28 te Hattem. Verdachte reed, zonder dat aan hem een rijbewijs voor dit type motorvoertuig was afgegeven, ongeveer 30 kilometer per uur te hard. De navigatie stond ingeschakeld op de telefoon van [benadeelde] die op haar schoot lag. Verdachte moest steeds opzij kijken om de navigatie te kunnen zien en vroeg of hij de telefoon kon krijgen. [benadeelde] gaf hem de telefoon aan terwijl hij op datzelfde moment de telefoon van haar schoot wilde pakken en mis greep. Hierdoor was verdachte afgeleid en was zijn blik niet op de weg gericht.\n\nHet was donker, het ongeval vond plaats op een recht stuk weg met straatverlichting en verdachte reed op de cruise control. Toch is de auto, zonder te remmen, van de rijbaan geraakt, via de vluchtstrook in de grasberm terecht gekomen, heeft een heuvel geraakt, is terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen, tegen de rijrichting in, tot stilstand gekomen op de vluchtstrook. [slachtoffer] , die geen gordel droeg, is door het ongeval de auto uit geslingerd en gewond geraakt. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte gewoonweg niet (voldoende) op de weg heeft gelet. Als gevolg hiervan heeft verdachte zijn voertuig niet voldoende onder controle gehouden en kon hij het voertuig niet op tijd tot stilstand brengen. De rechtbank is van oordeel dat dit – gelet op het bovenstaande - méér dan een moment van onoplettendheid oplevert.\n\nVan iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemen en om de daarvoor benodigde verkeershandelingen te verrichten. Verdachte heeft zich niet aan deze zorgplicht gehouden. Immers, hij heeft zijn voertuig niet onder controle gehouden door op een recht stuk weg van de weg af te raken, de berm in te rijden en over de kop te slaan. Dit terwijl hij geen rijbewijs had en 30 kilometer per uur te hard reed. Daar komt nog bij dat verdachte niet bekend was met de situatie ter plaatse, er twee inzittenden bij hem in het voertuig zaten en bij hem 3,0 microgram cannabis per liter bloed, de maximum toegestane grenswaarde, is gemeten.\n\nGelet op het geheel aan verdachtes gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het eenzijdige verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval zoals bedoeld in artikel 6 WVW.\n\nLetsel\n\nUit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] door het ongeluk het volgende letsel heeft opgelopen:\n\n een schedelbasisfractuur met bloeding rondom de stam;\n\n een sternum fractuur met mediastinaal hematoom;\n\n fractuur thoracale Th3 en Th4;\n\n pulmonale matglas afwijkingen dd contusie dd aspiratie;\n\n hematoom mediastinum;\n\n een sternum fractuur met verhoogde troponines geduid als corcontusie;\n\n een fractuur Lamina c2 bdz.;\n\n 1e Ford type 2 fractuur en sinus maxillaris fractuur.\n\n [slachtoffer] verklaarde dat hij twee weken in coma heeft gelegen. In eigen bewoordingen gaf hij aan dat hij een breuk bij zijn nek had, een schaafwond op zijn achterhoofd en op zijn voorhoofd. De kaak en vier ribben waren gebroken. De druk in de hersenen was heel hoog en hij had bloedingen in de hersenen. In totaal moest hij zes weken in het ziekenhuis in Zwolle blijven. Daarna is hij naar Revalidatiecentrum Overtoom-Reade in Amsterdam gegaan. Het herstel ging langzaam. Naar schatting zou hij wel kunnen genezen, maar kon niet worden voorspeld hoelang dat ging duren en of hij eventueel blijvend letsel of klachten zou houden.\n\nDe rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang zijn. De rechtbank is van oordeel dat het letsel zoals hiervoor omschreven gelet op de aard en de gevolgen naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzeer, althansaanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en\u002Fofonachtzaam heeft gereden, hierin\n\nbestaande dat verdachte,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven lettenop de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fofopde weg (de A28) en\u002Fofzijn aandacht gedurende enige tijdniet, althansin onvoldoende mate,op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fofde weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van,de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg(de A28) niet\u002Fonvoldoendeheeft gevolgd en\u002Fofin strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fofover de kop isgegaan\u002Fgeslagen,\n\nen aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft\n\nplaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 primair en feit 2:\n\nde eendaadse samenloop van\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;\n\nen\n\novertreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot\n\n een taakstraf van 160 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;\n\n een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard, maar dat aan hem geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de zaak. Verdachte is jong. Hij is first offender. Hij handelde met goede bedoelingen om juist een gevaarlijke situatie te voorkomen. Voor de raadsman zijn dit redenen om ten gunste van verdachte van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van het feit\n\nDe verdachte is met te hoge snelheid met de auto van de weg geraakt en in de berm terechtgekomen. De auto is daardoor over de kop geslagen. Door met hoge snelheid te rijden heeft de verdachte zichzelf de mogelijkheid ontnomen om adequaat op de verkeerssituatie te kunnen anticiperen en de controle over het voertuig te behouden. Verdachte had geen rijbewijs en was onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof (THC). De hoeveelheid in zijn bloed betrof weliswaar de grenswaarde, maar in samenhang met de andere verwijten heeft verdachte hiermee onverantwoorde risico’s genomen voor zichzelf en anderen. [slachtoffer] heeft ernstig letsel opgelopen. Het is nog niet te voorzien of het letsel blijvende klachten ten gevolge heeft en welke invloed dat zal hebben op zijn toekomst.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 21 mei 2026 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij is daarom aan te merken als ‘first offender’.\n\nUit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 17 november 2025 komt naar voren dat verdachte zijn leven goed op orde heeft en in staat is zijn zaken goed te regelen. Volgens de reclassering is sprake van een incident. Verdachte heeft niet aan de mogelijke gevolgen gedacht. Met name de gevolgen van zijn handelen (het ernstige letsel van het slachtoffer) hebben een recidivebeperkende werking. Verdere bemoeienis door de reclassering lijkt niet geïndiceerd.\n\nProceshouding\n\nVerdachte heeft bij de politie uitgebreid verklaard over zijn handelen. Echter heeft hij ervoor gekozen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Daardoor heeft hij de mogelijkheid verstek laten gaan om de rechtbank te overtuigen dat hij spijt heeft van zijn handelen en om het slachtoffer zijn excuses aan te bieden.\n\nStraftoemeting\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nBij het bepalen van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor het veroorzaken van een verkeersgeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van ‘aanmerkelijke schuld’, die een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden indiceren. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan ziet de rechtbank geen redenen om van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken en zal een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, met inachtneming van eendaadse samenloop, aan verdachte opleggen.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van feit 2 volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nDe benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 13.588,25 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering ziet op de kosten van het eigen risico voor het ambulancevervoer ter hoogte van € 241,04 en het restantbedrag in verband met de leaseovereenkomst voor de auto ter hoogte van € 13.347,21. Verder is om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wellicht sprake is van een (gedeelte) eigen schuld van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek en dat de vordering niet binnen de strafprocedure kan worden afgewikkeld, zonder afbreuk te doen aan fundamentele waarborgen die het civiele recht biedt. Derhalve dient de benadeelde partij volgens de verdediging niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, zodat de vordering in een civiele procedure kan worden behandeld.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op, nu de vordering te ingewikkeld is. Niet duidelijk is of de benadeelde partij ervan op de hoogte was dat verdachte niet over een rijbewijs beschikte toen zij hem de auto liet besturen. Daarnaast zijn de schadeposten onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering alsnog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 22 c, 22d, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\n legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;\n\n ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van\n\n6 maanden;\n\n verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\nTen aanzien van feit 2\n\n bepaalt dat ten aanzien van feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. A.P Sno en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024470076, gesloten op 8 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 21 oktober 2024, p. 89, 90, 93, 99.\n\n Proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeer d.d. 27 november 2024, p. 103, 111.\n\n Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t\u002Fm 80.\n\n Medische verklaring d.d. 12 oktober 2024, p. 192.\n\n Proces-verbaal verhoor van slachtoffer [slachtoffer] d.d. 20 november 2024, p. 16 t\u002Fm 17.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5294","ecli-nl-rbgel-2026-5294",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"851","ECLI:NL:RBGEL:2026:5296","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: : 05\u002F204418-25 en 05\u002F285057-24 (gev. ttz.)\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1973 in [geboorteplaats] (Turkije),\n\nwonende aan [adres] [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] ,\n\nraadsman: mr. C.C.W. Plaat, advocaat in Ede.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nParketnummer 05-204418-25\n\nhij op of omstreeks 5 juli 2025 te [woonplaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [aangever 1] een of meermalen dreigend de woorden toe te voegen: \"Ik ga je vermoorden\" en\u002Fof heeft verdachte (daarbij) een (vlees)mes op de keel\u002Fhals van die [aangever 1] gezet en\u002Fof met dat (vlees) mes (op korte afstand) een of meermalen stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [aangever 1] , in ieder geval die [aangever 1] (op korte afstand) een (vlees)mes getoond, althans (telkens) woorden en\u002Fof (een) handeling(en) van gelijke dreigende aard of strekking;\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nhij op of omstreeks 5 september 2024 te Olburgen, gemeente Bronckhorst opzettelijk en wederrechtelijk de auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en\u002Fof onbruikbaar gemaakt.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nParketnummer 05-204418-25\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde bedreiging.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat verdachte niet de bedoeling had om zijn moeder te bedreigen en\u002Fof haar met het mes te steken. Hij heeft ook niet gezegd dat hij haar wilde vermoorden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVerklaring van aangeefster\n\nAangeefster is de moeder van verdachte. Zij verklaarde dat zij op 5 juli 2025 in haar woning aan [adres] in [woonplaats] was. Om 13:15 uur begon zij in de woonkamer te bidden. Na enkele minuten kwam verdachte naar binnen. Hij liep direct naar de keuken en pakte een groot mes uit de keuken. Terwijl hij het mes pakte schreeuwde hij 'Ik ga je vermoorden!'. Vanuit de keuken ging hij rechtstreeks naar de woonkamer. Hij liep direct naar aangeefster toe en zette het mes tegen haar keel aan. Terwijl hij dit deed schreeuwde hij meerdere keren ‘Ik ga je vermoorden!’. Aangeefster zei dat zij heel bang was. Zij schreeuwde terug ‘Maak me maar dood dan ben ik van je af!’. Verdachte zei daarop 'Ik wil jouw vieze bloed niet op mijn vingers hebben.'. Daarna liep hij terug naar de keuken, legde daar het mes neer en liep naar boven.\n\nAangeefster had echt het idee dat hij haar zou vermoorden; verdachte kwam heel geloofwaardig over. Zij is direct naar de buren gelopen en die hebben de politie gebeld. Aangeefster heeft duidelijk gemaakt dat zij niet wilde dat verdachte terugkwam omdat zij bang voor hem was en zich in haar eigen huis niet meer veilig voelde.\n\nAantreffen verdachte\n\nVerbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen de melding van de bedreiging aan [adres] in [woonplaats] . Zij troffen daar de (hen ambtshalve bekende) verdachte aan. Verdachte was moeilijk te verstaan. De verbalisanten hoorden hem zeggen dat hij zijn moeder met een mes had bedreigd. Zij zagen dat verdachte dit bij verbalisant [verbalisant 2] voordeed met een aansteker. Hij maakte stekende bewegingen in de richting van de buik en borststreek van [verbalisant 2] . Hieruit maakten zij op dat verdachte voordeed hoe hij de bedreiging bij zijn moeder had uitgevoerd. In de woning trof de politie een groot vleesmes aan.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft bekend dat hij zijn moeder met een mes heeft bedreigd. Hij was onder invloed van amfetamine. Die dag had hij beelden in zijn hoofd. Hij verklaarde: ‘Eerst kwam een slang en daarna kwamen twee kleine slangen op de rug van die ene jongen. Iemand kwam met een mes’. Verdachte was in de veronderstelling dat zijn moeder een mes in de hand had.Verdachte verklaarde verder dat het nooit zijn bedoeling was om haar steken. Hij voelde zich beperkt door zijn moeder en wilde dat ze naar hem luisterde. Als zij bang was deed zij immers wat hij wilde.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht vereist is dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij of zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op 5 juli 2025 zijn moeder, aangeefster [aangever 1] , in haar woning aan [adres] in [woonplaats] heeft bedreigd door meerdere keren tegen haar te zeggen dat hij haar zou vermoorden, waarbij hij een vleesmes op haar keel heeft gezet en met het mes stekende bewegingen naar haar heeft gemaakt. Hij beoogde met de bedreiging controle over zijn moeder uit te oefenen. Aangeefster voelde zich bedreigd. Zij was bang dat verdachte de daad bij het woord zou voegen. Zij voelde zich niet meer veilig in haar eigen woning. Gelet op de handelingen in combinatie met de verbale bedreigingen, kon in redelijkheid de vrees bij haar ontstaan dat verdachte zijn dreigementen ook daadwerkelijk zou uitvoeren.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen en gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de onder parketnummer 05-204418-25 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde vernieling.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van de vernieling geen bewijsverweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVerklaring van aangever\n\nAangever verklaarde dat hij op 5 september 2024 aan het werk was als schipper van het pontje over de IJssel tussen Dieren en Olburgen. Hij had zijn auto, een Volkswagen Passat, op de wal aan de Olburgse kant bovenaan de op- en afrit van de pont geparkeerd. Toen hij zijn auto daar om 6:15 uur neer zette was deze vrij van schade en deuken.\n\nAangever zag om 7:15 uur verdachte op de fiets aankomen. Hij parkeerde zijn fiets, dwaalde eerst een beetje rond en liep vervolgens naar de geparkeerde auto. Aangever zag, terwijl hij met zijn pont op de IJssel zat, dat verdachte bij de auto hurkte en daarna aan de achterkant van de auto bezig was. Het leek alsof hij met zijn mouw dauw van de achterklep afveegde. Verdachte bleef daarna rond de auto lopen.\n\nToen aangever terugkwam aan de Olburgse kant is hij meteen van de pont naar zijn auto gelopen. Hij zag dat verdachte nog steeds bij zijn auto stond. Verdachte zei ‘Sorry, ik dacht dat het de auto van mijn broer was man’. Aangever zag direct dat boven op de achterklep van zijn auto een groot kruis was gekrast. Hij hoorde verdachte nog zeggen dat de verzekering dit zou vergoeden. Aangever heeft de politie gebeld en die heeft verdachte meegenomen.\n\nAangever constateerde dat zijn auto beschadigd was. De volgende beschadigingen waren volgens aangever door verdachte aan zijn auto toegebracht:\n\n- boven op de achterklep was een kruis in de lak gekrast;\n\n- de achterruit was beschadigd;\n\n- schade bij de achterklep net op de knik waar de zijkant overgaat in de bovenkant;\n\n- de motorkap was rechts van het midden beschadigd;\n\n- schade op het rechter voorscherm aan de passagierskant.\n\nLater heeft aangever op camerabeelden gezien dat verdachte na het krassen op zijn auto nog een blikje Monster Energy tegen de auto had gegooid.\n\nAanhouding en verklaring van verdachte\n\nNa de aanhouding vroegen verbalisanten aan verdachte waarom hij de krassen op de auto heeft gemaakt. Verdachte antwoordde: ‘Ik dacht dat het de auto van mijn broer was.’ en ‘Beter de auto dan mensen.’. Bij de fouillering van verdachte kwamen twee schroevendraaiers tevoorschijn.\n\nVerdachte verklaarde tijdens het politieverhoor: ‘Ik heb gewoon een kruisje gezet op de auto. Die jongen was gewoon te snel bij de auto, anders had ik nog meer gedaan.’ Hij verklaarde dat hij de schade met de schroevendraaier heeft toegebracht, die hij tijdens de fouillering in zijn binnenzak had.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich op\n\n5 september 2024 in Olburgen schuldig heeft gemaakt aan beschadiging van de auto van [aangever 2] . Verdachte had bij zijn aanhouding schroevendraaiers bij zich. Hij heeft bekend dat hij daarmee een kruis op de achterklep van de auto heeft gekrast. Aangever heeft later gezien dat verdachte ook een blikje naar de auto heeft gegooid. Verdachte had vol opzet op de beschadiging van de auto. Dat hij dacht dat het om de auto van zijn broer ging maakt dit niet anders.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 05\u002F204418-25 en onder parketnummer 05-285057-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nParketnummer 05-204418-25\n\nhij op of omstreeks5 juli 2025 te [woonplaats] [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gerichten\u002Fof met zware mishandeling, door die [aangever 1]een ofmeermalen dreigend de woorden toe te voegen: \"Ik ga je vermoorden\" en\u002Fofheeft verdachte (daarbij) een (vlees)mes op de keel\u002Fhalsvan die [aangever 1] gezet en\u002Fofmet dat (vlees) mes (op korte afstand)een ofmeermalen stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [aangever 1] , in ieder geval die [aangever 1] (op korte afstand) een (vlees)mes getoond, althans (telkens) woorden en\u002Fof (een) handeling(en) van gelijke dreigende aard of strekking;\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nhij op of omstreeks5 september 2024 te Olburgen, gemeente Bronckhorst, opzettelijk en wederrechtelijk de auto,in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheelof ten deleaan [aangever 2], in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeftvernield,beschadigden\u002Fof onbruikbaar gemaakt;\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nParketnummer 05-204418-25\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nPro Justitia-rapportages\n\nNaar aanleiding van de bedreiging van zijn moeder zijn over verdachte door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie rapportages opgemaakt, te weten een rapport van door GZ-psycholoog J. Kluin, gedateerd 7 november 2025, en een rapport van drs. K.N. Broek, psychiater, en drs. M.K. van der Vlis, arts-assistent psychiatrie.\n\nBevindingen van de psycholoog\n\nOp 7 november 2025 heeft de psycholoog een rapport over verdachte uitgebracht. De psycholoog heeft geconstateerd dat verdachte lijdt aan psychotische klachten in de vorm van waandenken, hallucinaties en betrekkingsideeën, die geclassificeerd kunnen worden als schizofrenie. Daarnaast misbruikte verdachte amfetaminen. Verdachte had tijdens de bedreiging van zijn moeder een psychotisch toestandsbeeld, waarbij het gebruik van amfetaminen leek te hebben bijgedragen aan de psychotische ontregeling.\n\nDe psycholoog adviseerde om verdachte in het kader van een zorgmachtiging te behandelen voor zijn psychoses en zijn verslaving, met actieve begeleiding op het gebied van wonen, relaties, dagbesteding en financiën. Indien de zorgmachtiging niet gerealiseerd kan worden, kan volgens de psycholoog worden gedacht aan tbs met dwangverpleging.\n\nBevindingen van de psychiaters\n\nOok drs. K.N. Broek, psychiater, en drs. M.K. van der Vlis, arts-assistent psychiatrie, hebben onderzoek ingesteld omtrent de persoon van verdachte en op 25 maart 2026 hierover gerapporteerd. De deskundigen hebben vastgesteld dat dat verdachte lijdt van schizofrenie. Hij heeft een psychotisch en gedesorganiseerd toestandsbeeld. Daarnaast is er sprake van een matig-ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine, waarvan aannemelijk is dat deze een ontregelende en onderhoudende rol speelt in het psychiatrisch toestandsbeeld.\n\nVolgens het psychiatrisch rapport was ten tijde van het onder parketnummer 05-204418-25 tenlastegelegde sprake van een actief psychotisch toestandsbeeld, gekenmerkt door paranoïde wanen, achterdocht jegens zijn moeder, broer en omgeving en preoccupatie met een persoon genaamd [naam] . Tevens waren er aanwijzingen voor hallucinatoire belevingen en duidelijke desorganisatie in het denken en handelen. Verdachte was niet onder behandeling en er was vermoedelijk sprake van middelengebruik, wat het toestandsbeeld verder kan hebben ontregeld.\n\nUit observaties tijdens detentie bleek dat ook zonder middelengebruik sprake bleef van achterdocht en desorganisatie, passend bij een primair psychotische stoornis. Het psychotische denken en gedesorganiseerde gedrag werd mogelijk wel verergerd door zijn middelengebruik, maar is daar niet de oorzaak van geweest. Het risico op gewelddadig recidivegedrag, zoals het dreigen met een mes, wordt door deskundigen als hoog ingeschat.\n\nAdvies van de deskundigen\n\nDe deskundigen hebben geadviseerd het onder parketnummer 05-204418-25 tenlastegelegde niet aan verdachte toe te rekenen, gezien de doorwerking van zijn psychotische toestandsbeeld op zijn al zijn denken en zijn handelen, en geadviseerd om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen en een zorgmachtiging te overwegen, alleen gericht op het blijven innemen van antipsychotica, mocht hij dit gaan weigeren.\n\nConclusie van de rechtbank\n\nDe rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en zal verdachte ten aanzien van de bedreiging, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 05-204418-25, volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren.\n\nGelet op hetgeen de psycholoog en de psychiater hebben vastgesteld en op de ernst van de stoornissen verwacht de rechtbank niet dat de deskundigen tot een ander oordeel waren\n\ngekomen als de vernieling, zoals ten laste gelegd onder parketnummer 05-285057-24, was mee genomen in de beoordeling. De rechtbank ziet namelijk concrete aanknopingspunten dat ook bij dit feit sprake was van een situatie waarin verdachte heeft gehandeld vanuit een psychose waarbij hij de ernst en strafrechtelijke van zijn handelen niet inzag en hij ook de gevolgen daarvan niet overzag. De rechtbank zal verdachte dus ook volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren voor dat feit.\n\nDe rechtbank zal verdachte niet strafbaar verklaren en hem ontslaan van alle rechtsvervolging en zodoende aan hem geen straf opleggen.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van terbeschikkingstelling\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot de (ongemaximeerde) maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals de reclassering ze heeft geformuleerd in het maatregelrapport van 2 juni 2026. De officier van justitie heeft verzocht deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, wordt opgelegd.\n\nDe officier van justitie heeft voorts verzocht de voorlopige hechtenis niet op te heffen, maar te bepalen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) zal worden opgenomen, in elk geval tot er een overbruggingsplek is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis moeten dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de terbeschikkingstelling zullen worden verbonden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd en aangegeven dat hij zich kan vinden in het standpunt van de officier van justitie. Verdachte is gemotiveerd om aan de voorwaarden mee te werken. De raadsman heeft wel verzocht om af te zien van de gedragsbeïnvloedende maatregel.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nTbs-maatregel met voorwaarden\n\nDe rechtbank stelt verder vast dat het onder parketnummer 05-204418-25 bewezenverklaarde een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank gelet op de conclusies van de deskundigen van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.\n\nReclassering Nederland heeft op 2 juni 2026 in haar maatregelrapport positief geadviseerd ten aanzien van een tbs-maatregel en aanbevolen de volgende voorwaarden daaraan te verbinden:\n\ngeen strafbaar feit plegen;\n\nmeewerken aan reclasseringstoezicht;\n\nmeewerken aan time-out;\n\nniet naar het buitenland;\n\nmeldplicht bij reclassering;\n\nopneming in een zorginstelling;\n\nambulante behandeling;\n\nverblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;\n\nverbod verdovende middelen;\n\ndagbesteding;\n\naflossing schulden.\n\nDe reclassering kan het toezicht hierop uitoefenen.\n\nVerdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij zich realiseert dat hij ziek is en dat hij behandeling nodig heeft. Hij heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan de voorwaarden.\n\nDe verwachting is dat het hoge recidiverisico middels deze maatregel voldoende naar een meer aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht. Gelet op de inhoud van de rapporten van de deskundigen, het maatregelenrapport en de houding van verdachte ten aanzien van een dergelijke maatregel is de rechtbank van oordeel dat een tbs-maatregel met voorwaarden passend is. De rechtbank zal dit dan ook opleggen.\n\nHet bewezenverklaarde feit onder 05-204418-25 is een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank overweegt daartoe dat het gaat om een bedreiging in woord, die is vergezeld door niet-verbaal agressief geweld dat bestond uit het tonen van een mes, het op de keel zetten van het mes en meerdere stekende bewegingen in de richting van de bedreigde. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook in duur ongemaximeerd.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank ziet aanleiding de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, nu verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, het gevaar op herhaling van gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat en niet ter discussie staat dat klinische behandeling noodzakelijk is.\n\nGedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank schat in dat een tbs-maatregel voldoende tijd en mogelijkheden biedt om verdachte te behandelen, in te grijpen indien nodig en verdachte gedurende een langere tijd te monitoren.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nDe voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop verdachte voor zijn klinische behandeling in een FPK kan worden opgenomen, of indien deze niet tijdig beschikbaar is, er een overbruggingsplek voor verdachte is. Voor de schorsing van de voorlopige hechtenis gelden dezelfde voorwaarden, die aan de terbeschikkingstelling zijn verbonden.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nParketnummer 05-285057-24\n\nDe benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met de beschadiging van zijn auto een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.125,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het bedrag te matigen naar € 2.000,00 en de vordering voor het overige af te wijzen.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter hoogte van € 3.125,00 kan worden toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\nVerdachte is vanaf 5 september 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de maatregelen is gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;\n\n gelast dat verdachte ter beschikking wordt gestelden stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte:\n\n- Geen strafbaar feit plegen\n\nVerdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.\n\n- Meewerken aan reclasseringstoezicht\n\nVerdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n• Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.\n\n• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.\n\n• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n- Meewerken aan time-out\n\nAls de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n- Niet naar het buitenland\n\nVerdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n- Opneming in een zorginstelling\n\nVerdachte laat zich - zolang de reclassering het nodig vindt - opnemen in en behandelen door FPK Inforsa Amsterdam of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo snel als mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n- Ambulante behandeling\n\nVerdachte laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVerdachte verblijft - zolang de reclassering dat nodig vindt - in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\n- Verbod verdovende middelen\n\nVerdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n- Dagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n- Aflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\n geeft Reclassering Nederland (Tactus) opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;\n\n beveelt dat de terbeschikkingstellingmet voorwaardendadelijk uitvoerbaaris;\n\n schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven genoemde voorwaarden met ingang van het moment waarop verdachte bij een FPK zal worden opgenomen, althans tot er een passende overbruggingsplek is;\n\nten aanzien van de schadevordering van [aangever 2] (parketnummer 05-285057-24)\n\n veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 3.125,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf\n\n5 september 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 3.125,00 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 31 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost, voorzitter, mr. A.P. Sno en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025317639, gesloten op 6 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] op 5 juli 2025, p. 6 en 7.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van 5 juli 2025, p. 9.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte door de rechter-commissaris op 8 juli 2025.\n\n Proces-verbaal van verhoor van verdachte op 5 juli 2025, p. 48 en 49.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024415579, gesloten op 11 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\nProces-verbaal van aangifte door [aangever 2] op 5 september 2024, p. 6 t\u002Fm 9.\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte op 5 september 2024, p. 31.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 september 2024, p. 39.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5296","ecli-nl-rbgel-2026-5296",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":34,"language":7,"source":17,"sourceUrl":35,"summary":14,"slug":36,"metadata":37},"843","ECLI:NL:RBGEL:2026:5299","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F242161-25 en 08\u002F277661-25 (gev. ttz.)\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Tunesië),\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nop dit moment gedetineerd in het Detentiecentrum [verblijfplaats] .\n\nRaadsman: mr. R. van Rhijn, advocaat in Amersfoort, als waarnemer van mr. A.H.T. de Haas.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever 1] van het leven te beroven,\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam heeft vastgepakt en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam)\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam heeft vastgepakt en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam),\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 13 september 2025 te Hattem [aangever 1] heeft mishandeld, door\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaam vast te pakken en\u002Fof (vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) dicht te knijpen\u002F dicht te drukken en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond te duwen, waardoor zij ten val kwam.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nhij op of omstreeks 21 juli 2025 te Dalfsen, althans in Nederland, opzettelijk in het openbaar, te weten vanuit een trein (die op dat moment stilstond op het perron), een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten\n\n- het brengen van zijn lichaam richting het raam van de (trein)coupe en\u002Fof\n\n- het naar beneden trekken van zijn onderkleding en\u002Fof het naar boven trekken van zijn bovenkleding en\u002Fof\n\n- het tonen en\u002Fof zichtbaar maken van zijn penis en\u002Fof\n\n- het vastpakken van zijn penis.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Volgens de officier van justitie is sprake van voorwaardelijk opzet. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft verdachte door met beide handen hard de keel van aangeefster dicht te knijpen, waarbij letsel is ontstaan, het risico aanvaard dat het slachtoffer door de verwurging zou komen te overlijden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte had geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van het aangeefster. Alle omstandigheden van het geval, te weten het letsel en de aard en de duur van de tenlastegelegde gedraging maken dat naar algemene ervaringsregels geen sprake is geweest van een reële, aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster. Het letsel dat daadwerkelijk is opgetreden werd door de deskundigen omschreven als niet levensbedreigend. Het slachtoffer had dus niet aan dit daadwerkelijk ontstane letsel kunnen overlijden.\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat op geen enkele wijze de conclusie kan worden getrokken dat verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm enig overtuigend opzet op de dood had en heeft daarbij ook opgemerkt dat het juist aangeefster en haar dochter waren die geruime tijd (over een afstand van een paar honderd meter) achter verdachte aanliepen - niet andersom.\n\nTen aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nVerklaring van aangeefster\n\nOp zaterdagavond 13 september 2025 rond 19.00 uur arriveerde aangeefster samen met haar dochter en partner bij de woning van de dochter in Hattem. Zij zagen een voor hen onbekende man (verdachte) op het bouwterrein van de naastgelegen woning, waar ook een bouwkeet en een portable toilet stonden. Aangeefster vond dat hij er niet hoorde. De dochter sprak hem aan. Verdachte wees naar de bouwkeet en sprak in een voor aangeefster onverstaanbare taal. Daarna verliet hij het terrein en liep de straat op richting de bushalte. Aangeefster volgde hem samen met haar dochter. De dochter had op dat moment telefonisch contact met de meldkamer van de politie. Verdachte zette zijn tas bij de bushalte neer en liep een aantal keren heen en weer. Vervolgens keerde hij zich in de richting van aangeefster en kwam ineens op haar af. Hij ging met beide handen richting de keel van aangeefster en kneep met kracht haar keel dicht. Zij voelde dat haar strot werd dichtgeknepen. Hierdoor kreeg zij geen lucht meer. Dat duurde ongeveer 10 seconden. Verdachte liet haar daarna los en aangeefster viel achterover.\n\nAangeefster gaf aan dat zij daarna hees was en dat haar keel een beetje rafelig aanvoelde. Zij had lichte rode plekken aan zowel de rechter- als de linkerzijde van haar hals op de plek waar de vingers van verdachte de hals hadden omvat. \n\nOp 14 september 2024 verklaarde aangeefster dat het voor haar voelde alsof verdachte haar zeker een halve minuut vast had tijdens het wurgen, maar ze weet niet of het ook zo lang was. Ze had heel even het gevoel gehad dat ze geen adem kon halen, maar dat besefte ze zich pas achteraf. Direct ná de verwurging deed haar keel pijn en was zij hees. Ze merkt dat ze dingen is vergeten van gisteren. Ze lag ineens op de grond en weet via haar dochter hoe het is gegaan. Ze is niet buiten westen geweest en heeft goede oren. Ze hoorde haar dochter wel op de achtergrond tijdens het wurgen.\n\nVerklaring van de dochter\n\nDe dochter van aangeefster verklaarde dat zij verdachte heeft aangesproken en dat hij zei dat hij op zoek was naar een toilet. Zij zei tegen hem dat hij niet op haar erf mocht komen. Zij heeft – met zijn instemming – een foto van hem gemaakt en 112 gebeld. Daarna liep verdachte rustig weg. Samen met haar moeder liep zij op een afstandje achter verdachte aan. Verdachte stopte bij de bushalte en ging daar zitten. Moeder en dochter bleven in de buurt van het bushokje wachten op de komst van de politie. Verdachte stond weer op en pakte zijn tas. Hij werd gevolgd door moeder en dochter. Uit het niets draaide verdachte zich ineens om en liep recht op haar moeder af. De dochter zag dat verdachte zijn beide handen om de hals van haar moeder bracht en de hals met veel kracht dichtkneep. Zij zag aan het gezicht van haar moeder dat ze heel erg angstig was en dat ze geen lucht meer kreeg door de kracht waarmee verdachte haar hals dichtkneep. Tijdens het wurgen kreeg haar moeder grote ogen en haar hoofd stond door de opwaartse kracht van verdachte op een onnatuurlijke wijze naar achteren. Dit duurde ongeveer 5 seconden. Daarna heeft hij aangeefster met een harde duw op de hals van zich afgeduwd, waardoor hij haar met een smak op de grond gooide. Ze zag dat haar moeder op de grond viel in het gras en zag dat de man weg rende. Ze vroeg haar moeder of ze oké was. Ze hoorde haar moeder zachtjes en hees 'ja' tegen haar zeggen. Ze liep vervolgens weer achter de man aan, omdat zij hem niet uit het oog wilde verliezen.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte verklaarde dat hij met de bus uit Zwolle was gekomen en op weg was naar Arnhem. Hij stapte in Hattem uit omdat hij nodig moest plassen. Hij zag op een bouwterrein een Dixi-toilet. Hij wilde aangeefster vragen of hij het toilet mocht gebruiken, maar werd weggestuurd. Aangeefster en haar dochter hebben zijn tas doorzocht, een foto van hem gemaakt en aangegeven dat zij de politie gingen bellen. Ze zeiden tegen hem dat hij niet weg mocht gaan. Aangeefster volgde hem samen met haar dochter en paar honderd meter tot aan de bushalte. Toen hij daar wilde gaan plassen werd hij door aangeefster tegengehouden. Zij pakte hem bij de mouw van zijn vest. Verdachte trok zijn arm weg en duwde aangeefster met zijn andere hand tegen de borst. Door de duw viel zij op het gras.\n\nLetsel\n\nOp 14 september werd bij het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (LOEF) een forensisch-medisch onderzoek niet-fatale strangulatie uitgevoerd bij aangeefster. Aangeefster gaf bij het onderzoek aan dat zij tijdens het incident gedurende 5 tot 10 seconden geen adem kon halen. Direct na het incident had zij moeite en pijn met slikken, keelpijn, hoofdpijn en mogelijk ook oorsuizen. Zij had ook last van keelschrapen, echter daar had ze voor het incident al vaker klachten van. Zij was een fragment van haar geheugen kwijt. Het is onduidelijk of er bewustzijnsverlies is geweest. Na het incident heeft er geen medische behandeling plaatsgevonden.\n\nTijdens het onderzoek werd bij aangeefster het volgende letsel vastgesteld:\n\n- een krasletsel op de rechterflank;\n\n- een zwelling van de aryepiglottische plooi rechts, zichtbaar tijdens het keelonderzoek;\n\n- vocht in de weke delen rond de onderkaak en rond de rechterhoorn van het schildkraakbeen.\n\nEr waren geen bloedingen of rupturen op het netvlies te zien. Na aanleiding van het onderzoek werd geadviseerd om een deskundigenrapport met interpretatie aan te vragen. \n\nIn het deskundigenrapport van het LOEF van 21 januari 2026 is de ontstaanswijze van het letsel getoetst aan specifieke scenario’s. Volgens de deskundigen passen de letsels zoals beschreven en de klachten zoals vermeld door aangeefster tijdens het FMO bij de verklaringen van aangeefster en de getuige. Volgens de KNO-artsen past het letsel in de keelholte bij een traumatische stompe of samendrukkende krachtsinwerking op het strottenhoofd. Op de MRI-scan was een onderhuidse zwelling zichtbaar. Volgens de forensisch radioloog zijn de zwellingen rondom de onderkaak, de kin en in de dieper gelegen weke delen rondom de rechterhoorn van het schildkraakbeen ontstaan door een stompe krachtsinwerking, waarschijnlijk door een samendrukkende kracht op de hals.\n\nVolgens de deskundigen is het daadwerkelijk opgetreden letsel niet levensbedreigend geweest. De genezingstijd werd geschat op enkele weken. Er was geen verwachting op restverschijnselen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangeefster op 13 september 2025 met beide handen met kracht bij de keel\u002Fhals heeft vastgepakt en\n\ngedurende een korte periode krachtig met beide handen de keel\u002Fhals heeft dichtgeknepen en haar daarna met kracht op de grond heeft geduwd. De rechtbank overweegt ten aanzien van de kwalificatie van de gedragingen van verdachte het volgende.\n\nVrijspraak poging doodslagDe rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging doodslag. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad hangt de beantwoording van die vraag af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Niet elk dichtknijpen van de keel levert daarom zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood op.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aangeefster met beide handen bij de hals heeft gegrepen en haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij naar eigen zeggen moeilijk adem kon halen. Uit het LOEFFonderzoek en de deskundigenrapportage volgt dat bij aangeefster inwendig letsel in de hals en keel is ontstaan dat past bij een samendrukkende kracht op de hals en bij de verklaringen van aangeefster en haar dochter. Daarmee staat vast dat sprake is geweest van krachtig en gevaarzettend geweld tegen een kwetsbaar deel van het lichaam.\n\nDe officier van justitie heeft betoogd dat in geval van verwurging sprake is van een “allesofniets”-situatie nu bij aangeefster letsel is vastgesteld op plaatsen in de hals waar strangulatie fataal kán zijn en aangeefster en haar dochter verklaren dat krachtig is geknepen, en reeds daaruit volgt dat in dit geval een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan. De rechtbank volgt die redenering niet. Daarmee zou immers het bewijs voor verwurging in belangrijke mate samenvallen met het bewijs voor poging doodslag, terwijl voor poging doodslag méér nodig is dan het vaststellen van verwurging als zodanig.\n\n De rechtbank onderkent dat verwurging in abstracto een zeer gevaarlijke geweldsvorm is en dat het hals en keelgebied anatomisch kwetsbaar is. Ook volgt uit de deskundigenrapportage in algemene zin dat strangulatie fataal kan zijn, doordat bij voldoende en voldoende lang aangehouden druk op halsvaten en\u002Fof de ademweg bewusteloosheid en uiteindelijk de dood kunnen intreden. In dat verband kan worden gesproken van een medisch “allesofniets”-karakter, zoals door de officier van justitie is betoogd: de grens tussen een nietfatale en een fatale afloop kan, afhankelijk van plaats, duur en mate van druk, betrekkelijk smal zijn.\n\nDe enkele omstandigheid dat strangulatie in algemene zin een potentieel dodelijke geweldsvorm is, dat zich letsel ter hoogte van structuren bevindt die in andere gevallen bij fatale strangulatie betrokken kunnen zijn en de subjectieve beleving van aangeefster (en haar dochter) is dat “krachtig” is geknepen, betekent nog niet dat sprake is van de voor poging doodslag vereiste aanmerkelijkekans op de dood. Voor een bewezenverklaring van poging doodslag is méér vereist. Beslissend is of deze concrete verwurging, gelet op duur, verloop, objectieve verschijnselen en deskundigenduiding, naar algemene ervaringsregels de dood reëel deed duchten. Dat kan in deze zaak niet worden vastgesteld.\n\n Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat de deskundige het daadwerkelijk opgetreden letsel uitdrukkelijk als niet levensbedreigend heeft gekwalificeerd en heeft geconcludeerd dat aangeefster aan dit letsel niet had kunnen overlijden. Ook is gerapporteerd dat de letsels binnen enkele weken zullen genezen en dat geen restverschijnselen worden verwacht. Het inwendige letsel in de hals was daarmee medisch gezien beperkt: het betrof wekedelenzwellingen zonder fracturen of blijvende schade. Verder zijn geen netvliesbloedingen, geen petechiën of andere asfyxiespecifieke tekenen en geen uitwendige halsletsels vastgesteld.\n\n In de anamnese van LOEFF is vermeld dat aangeefster een fragment van haar geheugen kwijt zou zijn, maar daarbij is expliciet opgetekend dat onduidelijk is of sprake is geweest van bewustzijnsverlies. Objectieve aanwijzingen voor bewustzijnsverlies, neurologische uitval of een ander bijnafataal klinisch beloop ontbreken.\n\n De rechtbank betrekt verder in haar beoordeling dat de duur van het dichtknijpen door aangeefster in haar aangifte is geschat op ongeveer tien seconden en door haar dochter op ongeveer vijf seconden. Later heeft aangeefster vervolgens weer verklaard dat zij heel evenhet gevoel had gehad dat zij geen adem kon halen, maar dat besefte zij zich pas achteraf. Direct ná de verwurging deed haar keel pijn en was zij hees. Mede omdat aangeefster daarbij heeft aangegeven niet te weten of het daadwerkelijk zo lang heeft geduurd, acht de rechtbank de uitlating vooral een uitdrukking van haar subjectieve beleving onder stress.\n\nOok de uitlatingen van aangeefster over de ernst van de situatie zijn niet eenduidig. In de anamnese bij LOEFF is vastgelegd dat zij niet voor haar leven vreesde, terwijl zij later heeft verklaard dat zij het gevoel had dat het “zo met haar gebeurd kon zijn”. De rechtbank neemt beide uitlatingen in aanmerking, maar verbindt daaraan niet de conclusie dat daaruit een objectieve aanmerkelijke kans op overlijden kan worden afgeleid. Daar komt bij dat de rechtbank het verloop van de situatie direct ná de vermeende verwurging en het op de grond vallen van aangeefster in haar beoordeling heeft betrokken. Daarbij is de verklaring van de dochter van aangeefster, die het incident van het begin tot het eind van zeer dichtbij heeft meegemaakt van bijzonder belang. Met name voor wat betreft de beantwoording van de vraag of bij aangeefster sprake is geweest van bewustzijnsverlies. De dochter van aangeefster zag dat haar moeder op de grond viel in het gras en zag dat de man weg rende. Ze vroeg haar moeder of ze oké was. Ze hoorde haar moeder zachtjes en hees 'ja' tegen haar zeggen. Ze liep vervolgens weer achter de man aan, omdat zij hem niet uit het oog wilde verliezen. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de dochter van aangeefster haar moeder zo kort na een dergelijk incident achter zou laten om achter verdachte aan te lopen, als haar moeder gedurende dat incident op enig moment het bewustzijn had verloren en\u002Fof als zij de situatie van haar moeder direct na het incident als dusdanig had ingeschat dat zij haar op dat moment niet kon achterlaten.\n\n Samengevat ziet de rechtbank drie gewichtige aanwijzingen tégen het aannemen van een aanmerkelijke kans op de dood in deze zaak:\n\nDe verwurging is kortdurend geweest en direct geëindigd, terwijl de duur door aangeefster en haar dochter in de orde van enkele seconden wordt geplaatst;\n\nObjectieve tekenen van een bijnafatale strangulatie ontbreken, zoals vastgesteld bewustzijnsverlies, neurologische uitval, petechiën of andere asfyxiespecifieke bevindingen;\n\nDe deskundige heeft het concrete letsel uitdrukkelijk als niet levensbedreigend gekwalificeerd en geconcludeerd dat aangeefster daaraan niet had kunnen overlijden, terwijl de passages in het rapport over de in algemene zin levensbedreigende aard van strangulatie niet op deze concrete casus zijn toegespitst.\n\n Tegen deze achtergrond kan niet worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen een aanmerkelijkekans op de dood van aangeefster in het leven heeft geroepen. Nu die aanmerkelijke kans niet kan worden aangenomen, kan evenmin worden bewezen dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 05\u002F242161-25 primair ten laste gelegde poging doodslag.\n\nBewezenverklaring poging zware mishandelingDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling. Voor een bewezenverklaring daarvan is vereist dat verdachte opzet had, al dan niet in voorwaardelijke vorm, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarvan is sprake indien de gedraging van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept en verdachte die kans bewust heeft aanvaard.\n\n Vast staat dat verdachte aangeefster onverwachts met beide handen bij de hals heeft gegrepen en haar keel met kracht heeft dichtgeknepen, waardoor zij mogelijk korte tijd geen adem kon halen. Uit de verklaringen van aangeefster en haar dochter volgt dat verdachte daarbij kracht heeft gebruikt. De dochter heeft gezien dat het hoofd van aangeefster door de opwaartse kracht naar achteren werd gedrukt en dat aangeefster grote ogen kreeg en geen lucht meer leek te krijgen.\n\n De hals is een bijzonder kwetsbaar deel van het lichaam. In de hals bevinden zich vitale en kwetsbare structuren, waaronder de luchtweg, bloedvaten en kraakbeenstructuren. Het met beide handen krachtig dichtknijpen van iemands keel roept naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans in het leven dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat, zoals ernstig letsel aan de luchtweg, kraakbeenstructuren of andere halsweefsels. Anders dan voor poging doodslag is voor een bewezenverklaring van poging zware mishandeling niet vereist dat de kans op overlijden aanmerkelijk was; voldoende is dat de gedraging een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel meebracht. Juist die drempel is hier wél bereikt.\n\n Dat oordeel vindt steun in het daadwerkelijk ontstane letsel. Uit het LOEFFonderzoek en de deskundigenrapportage volgt dat bij aangeefster sprake was van een zwelling van de rechter aryepiglottische plooi en vocht in de weke delen rond de onderkaak en rond de rechterhoorn van het schildkraakbeen. De deskundige heeft geconcludeerd dat deze bevindingen passen bij een samendrukkende kracht op de hals en waarschijnlijker zijn te verklaren door externe krachtsinwerking dan door een medische oorzaak of een val. Ook had aangeefster direct na het incident pijn in de hals, slikklachten en heesheid.\n\n De rechtbank onderkent dat de deskundige het daadwerkelijk opgetreden letsel als niet levensbedreigend en medisch gezien beperkt heeft gekwalificeerd. Dat staat echter niet aan een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling in de weg. Juist het onderscheid met de vrijspraak van poging doodslag ligt daarin besloten: het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat een aanmerkelijke kans op de dood heeft bestaan, maar wél voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte door het krachtig dichtknijpen van de hals willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster ernstig letsel aan dit kwetsbare lichaamsdeel zou oplopen. Dat het letsel uiteindelijk relatief beperkt is gebleven en zonder restschade zal genezen, maakt niet dat die kans op zwaar lichamelijk letsel ontbrak.\n\n De rechtbank is daarom van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] van 21 juli 2025, p. 5 t\u002Fm 7;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het parketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair en onder parketnummer 08\u002F277661-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair\n\nhij op of omstreeks13 september 2025 te Hattem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- die [aangever 1] met (beide handen met kracht) bij de keel\u002Fhals, althans het lichaamheeft vastgepakt en\u002Fof(vervolgens)\n\n- de keel\u002Fhals van die [aangever 1] (gedurende een korte periode krachtig met beide handen) heeft dichtgeknepen\u002F dichtgedrukt en\u002Fof\n\n- die [aangever 1] (met kracht) op de grond heeft geduwd (waardoor zij ten val kwam),\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nhij op of omstreeks21 juli 2025 te Dalfsen, althans in Nederland,opzettelijk in het openbaar, te weten vanuit een trein (die op dat moment stilstond op het perron),een of meerhandelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten\n\n- het brengen van zijn lichaam richting het raam van de (trein)coupé en\u002Fof\n\n- het naar beneden trekken van zijn onderkleding en\u002Fofhet naar boven trekken van zijn bovenkleding en\u002Fof\n\n- het tonen en\u002Fof zichtbaar makenvan zijn penis en\u002Fof\n\n- het vastpakken van zijn penis.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nParketnummer 05\u002F242161-25 subsidiair\n\npoging tot zware mishandeling;\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nopzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid\n\nverrichten.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met een verminderde toerekenbaarheid van de strafbare feiten aan verdachte.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat verdachte te maken heeft met psychopathologie en dat rekening dient te worden gehouden met een verminderde toerekenbaarheid van verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen van maximaal de duur van het voorarrest.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een kwetsbare vrouw van 70 jaar. Hij heeft haar, nadat zij en haar volwassen dochter enige tijd achter hem aanliepen, op een openbare locatie bij de keel gegrepen en haar keel dichtgeknepen. Vervolgens heeft hij haar ten val gebracht. Het slachtoffer heeft hierdoor meerdere verwondingen opgelopen en is zeer geschrokken. In haar slachtofferverklaring heeft het slachtoffer duidelijk gemaakt dat het incident ernstige gevolgen voor haar heeft gehad. Naast de lichamelijke pijn ervaart zij nog steeds gevoelens van boosheid, woede en verdriet. Haar gevoel van veiligheid heeft een ernstige deuk opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit en de persoonlijke veiligheid van een oudere, kwetsbare vrouw op grove wijze aangetast. Bovendien had het voor het slachtoffer ernstiger kunnen aflopen.\n\nDe rechtbank betrekt bij de straftoemeting ook de omstandigheden waaronder het tot deze confrontatie is gekomen. Uit de verklaringen volgt dat aangeefster en haar dochter verdachte opmerkten nabij de woning van de dochter, hem aanspraken en hem verzochten daar weg te gaan, omdat hij daar volgens hen niet hoorde. Er werd een foto van hem gemaakt. Verdachte is daarop weggelopen. Het slachtoffer en haar dochter hebben verdachte vervolgens over een afstand van een paar honderd meter en op korte afstand gevolgd terwijl hij naar een bushalte liep en zij de politie belden. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat verdachte deze situatie als belastend heeft ervaren, bestond op geen enkel moment een rechtvaardiging om een 70jarige vrouw bij de keel te grijpen, haar keel dicht te knijpen en haar ten val te brengen. Verdachte had zich aan de situatie moeten blijven onttrekken door dóór te lopen. Door desondanks voor fysiek geweld te kiezen, heeft hij de grenzen van het toelaatbare overschreden. Tegelijkertijd beschouwt de rechtbank de gang van zaken niet als een volstrekt onverwachte, eenzijdige aanval op een nietsvermoedende voorbijgangster, maar als een geleidelijk geëscaleerde confrontatie, waaraan ook het geruime tijd en op korte afstand achter verdachte aanlopen door het slachtoffer en haar dochter, heeft bijgedragen.\n\nVerdachte heeft zich naast voornoemde poging tot zware mishandeling op een andere dag schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid door een tiener en haar vrienden in het openbaar te confronteren met zijn ontblote geslachtsdeel. Het hoeft geen nader betoog dat het slachtoffer daarvan is geschrokken, met name omdat zij de ontbloting van verdachte niet aan zag komen. Het gedrag van verdachte wordt als hinderlijk, onfatsoenlijk, aanstootgevend en angstaanjagend beschouwd en is in strijd met de publieke moraal. Verdachte ziet zelf echter de ernst hiervan niet in.\n\nStrafblad\n\nUit de justitiële documentatie van 30 maart 2026 blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt. Verdachte is in de periode van augustus 2025 tot en met februari 2026 meerdere keren veroordeeld voor vermogensdelicten en zwartrijden, echter niet voor soortgelijke delicten.\n\nPro Justitia rapport\n\nOp 10 april 2026 heeft de psychiater een rapport over verdachte opgemaakt. De psychiater\n\nschetst een beeld van een man die zijn gedrag kan berekenen, met sterke aanwijzingen voor een psychotisch toestandsbeeld ten tijde van het onder parketnummer 05\u002F242161-25 tenlastegelegde, maar dat kon niet worden vastgesteld.\n\nBij verdachte is wel sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en verdovende middelen (cannabis, alcohol, pregabaline en cocaïne).\n\nDeze stoornis was ook aanwezig tijdens het plegen van het onder 08\u002F277661-25 tenlastegelegde , waardoor verdachte mogelijk verminderd in staat was om zijn wil in vrijheid te bepalen, het wederrechtelijke van zijn handelen in te zien of minder invloed had op zijn impulsen en handelen. De psychiater adviseert het onder parketnummer 08\u002F277661-25 ten laste gelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.\n\nReclasseringsadvies\n\nReclassering Nederland heeft op 1 juni 2026 een advies uitgebracht. Verdachte komt uit Tunesië en heeft in Nederland asiel aangevraagd. Voordat hij naar Nederland kwam, heeft hij in meerdere Europese landen gewoond en gewerkt. De autoriteiten hebben aangegeven dat verdachte’s asielaanvraag weinig kansrijk is. Aansluitend op een eventueel strafrechtelijk traject zal verdachte middels vreemdelingenbewaring worden aangemerkt voor gedwongen terugkeer naar Tunesië.\n\nDe reclassering adviseert daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Een taakstraf of een financiële sanctie wordt als niet haalbaar gezien.\n\nStrafoplegging\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van de rapporterende psychiater over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal de voor de eerbaarheid aanstotelijke handelingen dan ook in verminderde mate aan verdachte toerekenen en daarmee bij de oplegging van de straf rekening houden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter - in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving - niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu de rechtbank tot een andere grondslag ten aanzien van de bewezenverklaring komt, ziet de rechtbank reden om van de strafeis van de officier van justitie af te wijken en een kortere gevangenisstraf op te leggen.\n\nAlle omstandigheden afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van\n\n6 maanden met aftrek van de tijd, die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\n8. De beoordeling van de civiele vorderingen\n\nParketnummer 05\u002F242161-25\n\nDe benadeelde partij [aangever 1] heeft in verband met de poging tot zware mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 91,17 aan materiële schade en € 1.100,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nTer onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat door het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen, zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het lichamelijke letsel bestaat kort gezegd uit pijn en letsel aan de hals, keel en rechterzijde van de ribbenkast. Voor het letselonderzoek en het bezoek aan Slachtofferhulp Nederland heeft de benadeeld partij reis- en parkeerkosten gemaakt, die zij wenst te verhalen op verdachte.\n\nDe benadeelde partij heeft ten aanzien van de vaststelling van de immateriële schade verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:855, waarbij de benadeelde partij een smartengeldvergoeding ter hoogte van € 950,00 (geïndexeerd naar 2025: € 981,35) is toegewezen.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft de gevorderde vergoeding van de materiële schade en het smartengeld niet betwist.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter vergoeding van de materiële schade ter hoogte van € 91,17 kan worden toegewezen.\n\nSmartengeld\n\nOp basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die onder een van de genoemde grondslagen van artikel 6:106 BW valt. De benadeelde heeft immers lichamelijk letsel opgelopen. Daarmee is een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie ziet op een andere context waarbij het ging om een willekeurige voorbijganger die uit het niets bij de keel werd gepakt. In de onderhavige zaak werd verdachte nadat hij werd opgemerkt nabij de woning van de dochter van aangeefster, gevraagd weg te gaan, heeft de dochter een foto van verdachte gemaakt, is tegen verdachte gezegd dat de politie zou worden gebeld en hebben aangeefster en haar dochter verdachte op korte afstand gevolgd toen hij weg liep van de woning. Gelet hierop zijn de zaken niet geheel vergelijkbaar. De rechtbank ziet hierin reden om het bedrag te matigen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 550,00 vaststellen en de vordering voor het overige af te wijzen.\n\nWettelijke rente\n\nVerdachte is vanaf 13 september 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\nParketnummer 08\u002F277661-25\n\nDe benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met het onder Parketnummer 08\u002F277661-25 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 300,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nTer onderbouwing is namens de benadeelde partij aangevoerd dat door het handelen van verdachte sprake is van een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht, in dit geval de eerbiediging van de persoonlijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangemerkt. Dit vormt de grondslag voor de gevorderde schadevergoeding.\n\nDe benadeelde partij heeft verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3832, waarbij het hof ter zake van openbare schennis van de eerbaarheid smartengeld ter hoogte van € 300,00 heeft toegekend.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe verdediging heeft de vordering niet betwist.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nOp basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die onder een van de genoemde grondslagen van artikel 6:106 BW valt. Benadeelde is in haar persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. In de zaak van de door de benadeelde partij aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden toonde de verdachte niet alleen zijn penis, maar verrichte ook seksuele handelingen. De zaken zijn derhalve niet vergelijkbaar. Dat is voor de rechtbank reden om het bedrag te matigen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank het smartengeld op een bedrag van € 200,00 vaststellen en wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.\n\nWettelijke rente\n\nVerdachte is vanaf 21 juli 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 45, 36f, 57, 63, 254b en 302 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het primair onder parketnummer 05\u002F242161-25 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maanden;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nt.a.v. de vordering van benadeelde partij [aangever 1] (parketnummer 05\u002F242161-25):\n\n veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 91,17 aan materiële schadeen€ 550,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n wijst de vordering tot smartengeld voor het overige af;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 1] , een bedrag te betalen van € 91,17 aan materiële schade en € 550,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 6 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;\n\nt.a.v. de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] (parketnummer 08\u002F277661-25):\n\n veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 200,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n wijst de vordering tot smartengeld voor het overige af;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever 2] , een bedrag te betalen van € 200,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 2 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno, voorzitter, mr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025443729, gesloten op 15 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 13 september 2025, p. 8 en 9.\n\n Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangever 1] d.d. 14 september 2025, p. 14.\n\n Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige] d.d. 13 september 2025, p. 17 en 18.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 juni 2026 en\n\n Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 14 september 2025, p. 48.\n\n Forensisch-medische letselbeschrijving LOEF d.d. 13 oktober 2025.\n\n Forensisch-medische letselrapportage LOEF d.d. 21 januari 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025347885, gesloten op\n\n13 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5299","ecli-nl-rbgel-2026-5299",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":39,"ecli":40,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":42,"language":7,"source":17,"sourceUrl":43,"summary":14,"slug":44,"metadata":45},"1607","ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F229359-25\n\nDatum uitspraak : 2 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. J. van Wijk, advocaat in Eindhoven.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 26 januari 2026 en 18 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 200 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 200 kilogram hennep.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van détournement de pouvoir, omdat de politie bestuursrechtelijke controlebevoegdheden uitsluitend heeft gebruikt voor het verrichten van opsporingshandelingen. De raadsman heeft – kort en zakelijk weergegeven – bepleit dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat dit moet leiden tot uitsluiting van het bewijs dat ziet op het tenlastegelegde, gelet op het belang van het geschonden voorschrift en omdat dergelijke schendingen bij herhaling voorkomen. De raadsman heeft zich in dit verband subsidiair op het standpunt gesteld dat het vormverzuim moet leiden tot strafvermindering, waarbij hij heeft gewezen op een zaak waarin vanwege het vormverzuim artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) werd toegepast.\n\nDe raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat verdachte op verzoek van een ander het voertuig met daarin hennep in de buurt van Zwolle heeft opgehaald en dus niet binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De raadsman heeft zich in het verlengde hiervan meer subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte geen wetenschap had van ofwel opzet had op de aanwezigheid van hennep in de bus en ook om die reden vrijgesproken dient te worden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank eerst de feiten en omstandigheden bespreken die hebben geleid tot het onderzoek aan de laadruimte van het voertuig dat verdachte bestuurde, waarna zij zal bespreken of sprake is van détournement de pouvoir en daarmee een onherstelbaar vormverzuim dat moet leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering.\n\nOp 29 augustus 2025 kwam in de ochtend een melding van het ANPR-systeem binnen waaruit bleek dat een Ford Transit met kenteken [kenteken] over de A28 ter hoogte van Lankhorst reed. Deze Ford Transit was blijkens het ANPR-systeem eerder die ochtend om 8.29 uur op de A37 bij de grensovergang met Duitsland Nederland binnengekomen. Dit voertuig was met toestemming van een officier van justitie in het ANPR-systeem geplaatst met als doel dit voertuig te controleren in verband met ondermijnende criminaliteit. Verbalisanten zagen dit voertuig om. 9.19 uur vanaf de A28 ter hoogte van Zwolle de A50 oprijden.Dat is 50 minuten na de ANPR-hit. Volgens Google-Maps is de afgelegde afstand tussen de plek van de ANPR-hit en de plek waar het voertuig de A50 op reed, te rijden in 53 minuten.\n\nDe verbalisanten hebben beschreven dat bovenvermeld voertuig uitsluitend werd gebruikt voor het vervoer van goederen, zoals bedoeld in artikel 1.1 Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg). Eén van de verbalisanten zag dat de vering van het voertuig was ingezakt en daaruit maakte hij op dat het voertuig geladen was. Zij hielden het voertuig vervolgens in Hattem stil met als doel te onderzoeken of er voor het vervoer een vergunning dan wel een vrachtbrief vereist was. Deze verbalisant vroeg de bestuurder (verdachte) of het voertuig geladen was en daarop vertelde verdachte dat er spullen achterin lagen. Verdachte wilde verder geen antwoord meer geven op de vraag wat voor lading hij vervoerde en zei alleen maar “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Vervolgens stapte verdachte uit en openden verbalisanten de laadruimte. Bij het openen van de laadruimte roken verbalisanten een henneplucht en zagen zij grote gesealde zakken in die ruimte liggen.\n\nDaarop stopten verbalisanten het onderzoek in het kader van de Wwg in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), deelden verdachte mee dat nu sprake was van verdenking van een strafbaar feit en doorzochten zij het voertuig op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).\n\nGeen vormverzuim\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of hier sprake is van détournement de pouvoir. Daarvan zou sprake kunnen zijn als verbalisanten controlebevoegdheden uitsluitend inzetten ten behoeve van opsporing.\n\nOp grond van artikel 5.1 van de Wwg jo. artikel 141 Sv en artikel 5:11 Awb zijn (onder meer) politieambtenaren als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wwg. In dit verband is de politieambtenaar als toezichthouder op grond van artikel 5:19 Awb bevoegd vervoermiddelen, waarmee naar zijn redelijk oordeel zaken worden vervoerd met betrekking waartoe hij een toezichthoudende taak heeft, op hun lading te onderzoeken.\n\nDe vaststelling dat sprake was van een voertuig dat enkel gebruikt werd voor het vervoer van goederen en dat blijkens de ingezakte vering kennelijk was geladen, bracht mee dat de politieambtenaren bevoegd waren ter controle op de naleving van de Wwg, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 2.13 van die wet, na te gaan of sprake was van beroepsvervoer waarvoor een vrachtbrief of vergunning vereist was. In dat kader mochten de politieambtenaren het voertuig stilhouden en de lading aan een controle onderwerpen. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de politieambtenaren de uitoefening van deze controlebevoegdheden op grond van de AWB en Wwg in de concrete bovenvermelde omstandigheden uitsluitend hebben aangewend met het oog op de opsporing in de zin van artikel 132a Sv. Van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is dus geen sprake. Dat dit voertuig in juni 2025 naar voren kwam in een onderzoek naar vermoedelijke overtreding van de Opiumwet maakt dat niet anders. Ten eerste niet omdat niet aannemelijk is geworden dat deze informatie bekend was bij de verbalisanten die het voertuig controleerden. En ten tweede niet omdat dan nog steeds zou gelden dat de controlebevoegdheid die er was, niet uitsluitend is gebruikt met het oog op de opsporing. Er waren immers feiten en omstandigheden op grond waarvan de verbalisanten het voertuig mochten controleren. Omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een vormverzuim gaat zij niet over tot bewijsuitsluiting ofwel strafvermindering. Dit betekent dat de rechtbank de verweren van de raadsman die hierop zien verwerpt.\n\nBij doorzoeking van de laadruimte van het voertuig werden negen gevulde strijkzakken gevonden.In één zak zat een scheur en verbalisant herkende de inhoud op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep. Uit deze zak werd een monster genomen dat indicatief werd getest. Deze test gaf een indicatie voor de aanwezigheid van THC. Een verbalisant, opgeleid om verdovende middelen te onderzoeken, herkende de inhoud van de overige acht zakken op basis van de geur en uiterlijke kenmerken als zijnde hennep.De verbalisanten die de hennep vervoerden naar de plaats waar het vernietigd zou worden hebben voorafgaand aan het uitladen hun auto op een geijkte weegbrug gewogen. De inbeslaggenomen hennep werd vervolgens uitgeladen. De auto van verbalisanten werd vervolgens weer gewogen en na geijkte weging bleek dat de inbeslaggenomen strijkzakken met hennep in totaal 200 kilo wogen.\n\nDe rechtbank stelt op basis van bovenvermelde bewijsmiddelen vast dat in de laadruimte van het voertuig, waarvan verdachte de bestuurder en tevens enig inzittende was, 200 kilo hennep lag.\n\nVerdachte heeft op zitting voor het eerst een verklaring afgelegd over het tenlastegelegde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 29 augustus 2025 door een vriend werd gevraagd om in de buurt van Zwolle een busje op te halen en naar Den Bosch te brengen. Hij wist niet dat er hennep in het busje lag. Verdachte wist ook niet waarom het busje opgehaald moest worden, heeft daar ook op geen enkel moment vragen over gesteld en wil niet verklaren welke vriend hem dat destijds heeft gevraagd te doen. Ook wil verdachte niet verklaren waar het busje precies heen gebracht moest worden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij met een vriend van die vriend in de auto naar een parkeerplaats of tankstation in de buurt van Zwolle reed, hij weet niet precies waar, en vervolgens op die parkeerplaats of bij dat tankstation in het desbetreffende busje is overgestapt. Hij stapte in het busje, waarvan de sleutel nog in het contact zat, reed weg en werd kort daarna door de politie van de weg gehaald.\n\nDe verklaring van verdachte die inhoudt dat hij niets wist van de hennep en dat iemand anders het busje vanuit Duitsland Nederland in heeft gereden en dat verdachte pas is ingestapt in Zwolle, staat op zichzelf en wordt niet ondersteund door objectieve gegevens uit het dossier of anderszins. Uit de gegevens van Google Maps blijkt bijvoorbeeld ook niet dat het busje langer over de route heeft gedaan dan gebruikelijk. Omdat verdachte verder niets wil verklaren over wie hem dat zou hebben gevraagd te doen en waarom, is zijn verklaring daarnaast nauwelijks concreet en niet verifieerbaar. Feitelijk verklaart verdachte alleen dat hij voor iemand anders reed en blijft verder ieder detail achterwege. Bovendien wordt deze verklaring weersproken door het feit dat verdachte – voordat de laadruimte door de politie was geopend en hij uit de auto was gestapt – niet wilde antwoorden op de vraag wat voor lading hij vervoerde maar zei “dan kan ik wel direct met jullie mee.” Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte heel goed wist wat hij vervoerde.\n\nAlles afwegende staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, als bestuurder en tevens enig inzittende van het voertuig, beschikkingsmacht en wetenschap van de lading in zijn voertuig heeft gehad en dat hij opzettelijk 200 kilo hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij op of omstreeks29 augustus 2025 te Hattem, althans in Nederland,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer200 kilogram, in elk geval een hoeveelheidhennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II., dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij de bepaling van de strafmaat aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), aangaande de straffen die doorgaans worden opgelegd voor het kweken van 500 hennepplanten. Daar wordt uitgegaan van taakstraffen. Verdachte had namelijk strijkzakken met volledige planten onder zich. De raadsman heeft verder gesteld dat het niet redelijk is om bij de strafbepaling uit te gaan van het brutogewicht van de planten, omdat ze vochtig waren.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft een grote hoeveelheid hennep vanuit het buitenland binnen het Nederlandse grondgebied gebracht. De bijdrage van de verdachte aan de invoer van softdrugs houdt de illegale handel in deze drugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Het is algemeen bekend dat de verspreiding van deze grote hoeveelheden en de organisatie daaromheen leiden tot zeer grote nadelige gevolgen voor de volksgezondheid en voor de maatschappij, zoals zware criminaliteit en ondermijning van de samenleving. De verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft met zijn strafbare handelen – naar mag worden aangenomen – uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd.\n\nUit het strafblad van verdachte volgt dat hij in 2022 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar vanwege de vervaardiging of productie van verdovende middelen. Oplegging van deze straf heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een ernstig drugsdelict te plegen.\n\nUit het reclasseringsadvies volgt dat de reclassering gelet op de bovenvermelde veroordeling een patroon in het plegen van drugsdelicten ziet. Zij schatten het risico op herhaling in als hoog, onder meer omdat verdachte blijkbaar niet heeft geleerd van de eerdere veroordeling. Omdat de reclassering geen contact met verdachte kreeg, is hen niets bekend over de verschillende leefgebieden van verdachte. Het opstellen van een plan van aanpak voor begeleiding of gedragsinterventie was daardoor niet mogelijk. Verdachte heeft ter zitting aangegeven geen behoefte te hebben aan reclasseringsbemoeienis, omdat hij zijn leven op orde heeft.\n\nAnders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS voor het kweken van 500 hennepplanten, omdat nergens uit blijkt dat het in deze zaak ging om 500 planten en het bovendien gaat om een ander feit. In de oriëntatiepunten voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilo softdrugs wordt uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. In deze zaak heeft verdachte niet enkel een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad, maar deze hennep vanuit het buitenland ingevoerd. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit. Bij het bepalen van de strafmaat zal de rechtbank er rekening mee houden dat het in deze zaak gaat om een brutogewicht van vochtige hennep, terwijl vochtige hennep doorgaans vier keer zo zwaar is als droge hennep. Zij zal daarom uitgaan van het droge gewicht van deze hennep.\n\nAlles overwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf en\u002Fof een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte niet passend, omdat het geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van het feit, in het bijzonder dat het gaat om invoer, in combinatie met het gegeven dat sprake is van recidive, tot gevolg moet hebben dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden opleggen. Oplegging van een hogere gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet passend gelet op straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 63 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 3 en 11 van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Vijftigschild (voorzitter), mr. S.C.A.M. Janssen en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Hessel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Landelijke Eenheid van de politie, team infrastructuur, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025415671, gesloten op 2 september 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 30-32.\n\n Afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen PL0600-2025415671-22, p. 2\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 39.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 6-7, gelezen in onderlinge samenhang met het bijschrift bij de fotobijlage op p. 9 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 18-20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5217","ecli-nl-rbgel-2026-5217",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":47,"ecli":48,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":49,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"1829","ECLI:NL:RBGEL:2026:5156","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12216454 \\ VV EXPL 26-26\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING TORENSTAD MONUMENTENBEHEER,\n\nte Zutphen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Torenstad,\n\ngemachtigde: mr. S. Goriya,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding,\n\n- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van Torenstad.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Tussen partijen is een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Torenstad per 1 februari 2024 de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [de gedaagde] heeft verhuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar.\n\n2.2.. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad aan [de gedaagde] bericht dat de huurovereenkomst eindigt op 31 januari 2025.\n\n2.3.. Op 18 december 2024 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [de gedaagde] het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. In de koopovereenkomst is de leveringsdatum bepaald op 31 januari 2025.\n\n2.4.. In het voorjaar van 2025 heeft [de gedaagde] Torenstad diverse malen verzocht de leveringsdatum uit te stellen en de termijn voor het financieringsvoorbehoud te verlengen omdat [de gedaagde] op dat moment geen hypothecaire geldlening kon verkrijgen voor de financiering van het gehuurde. Torenstad heeft met deze verzoeken ingestemd.\n\n2.5.. In juli 2025 hebben partijen afgesproken dat Torenstad de verkoop van het gehuurde weer openbaar kon opstarten en dat [de gedaagde] het gehuurde uiterlijk 31 januari 2026 zou opleveren aan Torenstad, alsmede dat [de gedaagde] een vergoeding van € 1.482,85 aan Torenstad zou betalen voor iedere maand dat hij het gehuurde niet zou opleveren.\n\n2.6.. Op 30 januari 2026 heeft [de gedaagde] geen medewerking verleend aan de door Torenstad aangekondigde eindinspectie en oplevering van het gehuurde.\n\n2.7.. Bij brief van 13 maart 2026 heeft de gemachtigde van Torenstad de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Torenstad vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,\n\n2. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.323,20, vermeerderd met een bedrag van € 1.482,85 per maand, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [de gedaagde] het gehuurde na 1 april 2026 onder zich houdt tot aan de dag van de feitelijke ontruiming en oplevering, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\n3. althans een zodanige beslissing zal nemen als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren,\n\nen [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Torenstad.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Vooropgesteld wordt dat een vordering tot ontruiming in kort geding een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.\n\n4.2.. Torenstad legt primair aan de vordering tot ontruiming van het gehuurde ten grondslag dat partijen de huurovereenkomst zijn aangegaan voor bepaalde tijd en dat de huurovereenkomst daarom is geëindigd per 1 februari 2025.\n\n4.3.. Op grond van artikel 7:228 lid 1 BW (oud) eindigen huurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 juli 2024 en waarin een maximale looptijd van twee jaar is bepaald, wanneer de looptijd is verstreken en het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct door de verhuurder is aangezegd.\n\n4.4.. In onderhavig geval hebben partijen een huurovereenkomst gesloten voor de duur van één jaar. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct aangezegd. Voldoende aannemelijk is dan ook dat de huurovereenkomst door het verstrijken van de looptijd is geëindigd per 1 februari 2025.\n\n4.5.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [de gedaagde] voor het eindigen van de huurovereenkomst het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. Partijen zijn in dit kader overeengekomen dat [de gedaagde] in afwachting van de levering het gehuurde mocht blijven gebruiken tot uiterlijk 31 januari 2026 tegen een door [de gedaagde] te betalen vergoeding van € 1.482,85 per maand. Uiteindelijk is de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden omdat [de gedaagde] geen hypothecaire geldlening heeft kunnen verkrijgen voor de financiering van de woning. Naar voorshands oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] gelet op deze feiten en omstandigheden vanaf 1 februari 2026 geen recht of titel meer om het gehuurde te gebruiken.\n\n4.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een gevorderde ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure met grote mate van waarschijnlijkheid zal worden toegewezen omdat [de gedaagde] geen recht of titel meer heeft om het gehuurde te gebruiken. De in dit kort geding gevorderde ontruiming van het gehuurde zal daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.\n\n4.7.. Torenstad vordert voorts betaling van een bedrag van € 10.323,20. Torenstad stelt daartoe dat [de gedaagde] de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 over de periode van oktober 2025 tot en met april 2026 niet (volledig) heeft betaald. [de gedaagde] heeft deze stelling en de hoogte van de gestelde betalingsachterstand niet betwist.\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt dat [de gedaagde] over de maanden oktober tot en met januari 2026 een maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 is verschuldigd op grond van de afspraken die partijen in juli 2025 met elkaar hebben gemaakt (zie hiervoor 2.5.). Vanaf 1 februari 2026 gebruikt [de gedaagde] het gehuurde zonder recht of titel. [de gedaagde] moet ook voor het gebruik vanaf deze datum een vergoeding aan Torenstad betalen omdat hij anders ongerechtvaardigd zou worden verrijkt. Deze vergoeding is gelijk aan de daarvoor door [de gedaagde] verschuldigde maandelijkse vergoeding van € 1.482,85. De vorderingen die strekken tot betaling van het bedrag van € 10.323,20 en de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 vanaf 1 mei 2026 tot aan de datum van de ontruiming zullen dan ook worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente over het bedrag van € 10.323,20 is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\n4.9.. \n [de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Torenstad worden vastgesteld en begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.721,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde] om het gehuurde aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,\n\n5.2.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen een bedrag van € 10.323,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van de verschuldigde vergoedingen tot aan de dag van volledige betaling,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen € 1.482,85 voor iedere maand vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag der algehele ontruiming,\n\n5.4.. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.721,02, te vermeerderen met de kosten van betekening en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5156","ecli-nl-rbgel-2026-5156",{"courtName":6,"legalDomain":54,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht",{"id":56,"ecli":57,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":49,"fullText":58,"language":7,"source":17,"sourceUrl":59,"summary":14,"slug":60,"metadata":61},"362","ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F467584 \u002F KZ ZA 26-76\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. S.L. Geeraths,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. M.A. Schuring.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de producties 1 tot en met 8 van [de eiser] - de producties 9 tot en met 15 van [de gedaagde] - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [de gedaagde] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Partijen hebben de woning aan de [adres] gekocht. [de eiser] was voor 99% eigenaar, [de gedaagde] voor 1%. Kort na het verkrijgen van de woning zijn partijen uit elkaar gegaan, in april 2021.\n\n2.2.. \n\nBij vonnis van 5 februari 2025 heeft de rechtbank Gelderland op grond van tussen partijen gemaakte afspraken over de verdeling van de woning, [de eiser] veroordeeld om\n\n€ 10.000,00 aan [de gedaagde] te betalen en hem te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek. [de eiser] heeft op 26 maart 2025 € 10.000,00 aan [de gedaagde] betaald.\n\n2.3.. \n [de gedaagde] heeft een kort geding tegen [de eiser] aangespannen om haar te dwingen hem uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek te ontslaan. De mondelinge behandeling in het kort geding was op 29 oktober 2025, de zaak is toen aangehouden.\n\n2.4.. Op 26 februari 2026 is vonnis gewezen. De beslissing luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“5.1. veroordeelt [de eiser] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis, de\n\nverplichting waartoe zij op grond van het vonnis d.d. 5 februari 2025 is veroordeeld te doen\n\nnakomen inhoudende er zorg voor te dragen dat [de gedaagde] uit de hoofdelijke\n\naansprakelijkheid betreffende de hypothecaire geldlening wordt ontslagen op kosten van\n\n [de eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag, of deel daarvan,\n\ndat [de eiser] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 30.000,00,”\n\nHet vonnis is op 3 maart 2026 aan [de eiser] betekend.\n\n2.5.. Op 20 maart 2026 heeft [de eiser] , via haar advocaat, per e-mail het volgende bericht gestuurd aan (de advocaat van) [de gedaagde] : “Cliënte is gisteren gebeld door de Rabobank dat er groen licht is gegeven op haar hypotheekaanvraag, waarbij uw client wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Client verwacht dat de formele offerte op hele korte termijn zal volgen. Indien en zodra ik nader verneem, bericht ik u per omgaande.”\n\n2.6.. Op 26 maart 2026 heeft de bank [de eiser] bericht dat de stukken naar de notaris werden gestuurd. De akte van verdeling is op 28 april 2026 gepasseerd. Op 30 april 2026 is de bestaande hypotheek afgelost en is [de gedaagde] ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.\n\n2.7.. \n\n [de gedaagde] maakt aanspraak op de dwangsommen vanaf 31 maart 2026 tot en met\n\n30 april 2026. De dwangsommen zijn geïncasseerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat geen dwangsommen zijn verbeurd, althans de dwangsommen dienen te worden opgeheven, althans op nihil dienen te worden gesteld. Althans een zodanig vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. Kosten rechtens.\n\n3.2.. \n [de eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij alles op alles heeft gezet om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er deed zich echter een opeenstapeling van externe factoren voor waardoor dit hele proces is vertraagd: gezondheidsklachten bij [de eiser] , de aanvankelijke weigering van de bank om te financieren, een bouwstop en een taxateur die niet kon taxeren. [de eiser] heeft alles gedaan om aan haar verplichtingen te voldoen. In het zicht van het ontslag van de bank en wetende dat het ontslag zou volgen, maakt [de gedaagde] aanspraak op de dwangsom. Het doel van de dwangsom, te weten het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, was al bereikt. Vanwege de agenda van de notaris en het feit dat de notaris niet beschikte over de gegevens van [de gedaagde] , is de akte van verdeling pas op 28 april 2026 gepasseerd.\n\n3.3.. \n [de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , veroordeling van [de eiser] in de reële kosten van deze procedure. [de gedaagde] voert hiertoe aan dat [de eiser] zichzelf in de positie heeft gebracht dat er dwangsommen zijn verbeurd.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Het spoedeisend belang is niet betwist en volgt uit de aard van de vorderingen.\n\nDe dwangsommen zijn verbeurd\n\n4.3.. Primair stelt [de eiser] dat de in het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. Bij beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van de veroordelende beschikking verrichte rechtshandelingen te toetsen aan de inhoud van de hoofdveroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (ECLI:NL:HR:2007:AZ3085). Verder geldt in algemene zin dat bij de beoordeling van de vraag of het dictum is overtreden, in aanmerking dient te worden genomen dat het dictum van het vonnis moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, ECLI:NL:HR:2014:1532 en ECLI:NL:HR:2016:369).\n\n4.4.. \n\nDe feiten die [de eiser] heeft aangevoerd met betrekking tot de vertraging voorafgaand aan het vonnis van 26 februari 2026 zijn reeds getoetst en gewogen door de voorzieningenrechter in dat vonnis. Deze heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3: “Omdat [de eiser] bij de voortzetting van deze procedure op 6 februari 2026 aangaf\n\ndat zij op korte termijn een reactie verwachtte van de bank, is aangegeven dat [de eiser] nog\n\ntot de vonnisdatum kon doorgeven of de aanvraag voor de hypotheek is goedgekeurd. De\n\nrechtbank heeft geen informatie meer ontvangen van [de eiser] . Verder heeft [de eiser] in deze procedure niet inzichtelijk gemaakt voor welk bedrag zij een lening heeft aangevraagd. Dit\n\nis van belang omdat de vertraging die [de eiser] oploopt omdat zij een hogere lening wenst\n\ndan nodig is om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor haar eigen\n\nrisico komt. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk dat het voor [de eiser] niet mogelijk was\n\nom [de gedaagde] afgelopen jaar te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, een deel van de vertraging lijkt ingegeven omdat [de eiser] voor een hoger bedrag financiering vraagt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [de eiser] inmiddels voldoende de\n\nmogelijkheid gehad om [de gedaagde] te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Er is meer dan een jaar versteken sinds zij daartoe veroordeeld werd, de eerste zitting in deze zaak was van 21 oktober 2026 en de voortzetting was van 6 februari 2026, Sinds de voortzetting is geen reden meer gegeven voor de vertraging van de goedkeuring van de aanvraag.” Dat betekent dat enkel nog feiten van na 26 februari 2026 relevant zouden kunnen zijn.\n\n4.5.. \n\n [de eiser] voert aan dat zij aan de hoofdveroordeling heeft voldaan omdat zij op\n\n20 maart 2026 aan [de gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit de e-mail van 20 maart 2026 van de advocaat van [de eiser] volgt weliswaar dat er groen licht is gegeven op de hypotheekaanvraag, maar ook dat de offerte nog niet was verstrekt en dat zij verwachtte dat dit op korte termijn zou volgen. Het was op dat moment voor [de gedaagde] dus nog niet voldoende duidelijk dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Bovendien is dit bericht niet afkomstig van de bank, maar van de advocaat van [de eiser] . Er was nog geen sprake van een aanbod van de bank. Dit klemt te meer omdat uit het vonnis van 26 februari 2026 volgt dat [de eiser] eerder dergelijke toezeggingen heeft gedaan en deze niet is nagekomen.\n\n4.6.. \n [de eiser] doet ook een beroep op haar e-mail van 26 maart 2026 aan haar advocaat waaruit volgt dat de stukken door de bank naar de notaris zijn gestuurd, maar deze is niet gedeeld met [de gedaagde] , terwijl [de gedaagde] ter zitting duidelijk heeft gemaakt dat hij geen inzage had in de bankomgeving. De voorzieningenrechter volgt [de eiser] daarom niet in haar stelling dat [de gedaagde] al voor het verlopen van de termijn uit de hoofdveroordeling wist dat hij zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Rond 20 april 2026, na het aflopen van de termijn uit de hoofdveroordeling, heeft [de gedaagde] de uitnodiging van de notaris voor het passeren van de verdelingsakte gekregen. Pas vanaf dat moment wist hij dat hij, behoudens onvoorziene omstandigheden, zou worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat [de eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dwangsommen uit het vonnis van 26 februari 2026 niet zijn verbeurd. De primaire vordering van [de eiser] zal daarom worden afgewezen.\n\nDe dwangsommen worden niet opgeheven of op nihil gesteld\n\n4.7.. Subsidiair vordert [de eiser] opheffing of vermindering van de dwangsommen op grond van artikel 611d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n4.8.. Op grond van artikel 611d Rv kan de rechter de dwangsom opschorten, verminderen of opheffen wanneer er sprake is van een onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Vooropgesteld dient te worden dat artikel 611d Rv restrictief moet worden uitgelegd omdat tegen de uitspraak waarin de dwangsom is opgelegd rechtsmiddelen hebben opengestaan. Deze rechtsmiddelen – hoger beroep tegen het vonnis van 26 februari 2026 of een kort geding voorafgaand aan de termijn waarop de dwangsommen gaan lopen – zijn niet door [de eiser] benut. Bij de beoordeling of van een onmogelijkheid sprake is, dient de rechter na te gaan of in redelijkheid meer inspanning en zorgvuldigheid van de veroordeelde kan worden verwacht. Het is in dat kader aan [de eiser] als veroordeelde om aannemelijk te maken dat niet meer inspanning of zorgvuldigheid van haar mocht worden verwacht. Andere feiten en omstandigheden dan hiervoor besproken en afgewogen heeft [de eiser] niet gesteld.\n\n4.9.. Het klopt dat [de eiser] afhankelijk was van de notaris, maar de omstandigheid dat voor de naleving van een hoofdveroordeling de medewerking van anderen dan de veroordeelde noodzakelijk is, hoeft niet aan het uitspreken van een dwangsomveroordeling in de weg te staan (ECLI:NL:HR:2020:1783). De veroordeelde dient op grond van de hoofdveroordeling redelijkerwijs al het mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat deze anderen hun noodzakelijke medewerking verleenden. In dat kader heeft [de eiser] slechts bloot gesteld dat zij vijf notarissen heeft benaderd en de door haar gemaakte afspraak de eerste mogelijkheid was. Om aan te tonen dat zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om ervoor te zorgen dat een notaris tijdig zijn medewerking zou verlenen, had het op haar weg gelegen om correspondentie over te leggen waaruit volgt dat geen van de benaderde notarissen eerder plaats had en dat zij aan de door haar gekozen notaris kenbaar heeft gemaakt dat er spoed was bij haar aanvraag. De slotsom luidt dat ook de subsidiaire vorderingen van [de eiser] niet toewijsbaar zijn.\n\nDe proceskosten\n\n4.10.. \n [de gedaagde] vordert veroordeling van [de eiser] in de reële proceskosten, ten bedrage van € 2.523,35, omdat zij al hem meermaals heeft verplicht om een procedure te starten om hetgeen zij gezamenlijk hebben afgesproken af te dwingen en nu probeert middels een nieuwe procedure onder de dwangsom uit te komen.\n\n4.11.. In uitzonderlijke gevallen wordt vergoeding van de reële proceskosten toegewezen, bijvoorbeeld wanneer sprake is van misbruik van procesbevoegdheid of onrechtmatig handelen door het instellen van de vorderingen. Dit is het geval als [de eiser] het instellen van haar vorderingen, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van [de gedaagde] achterwege had moeten laten. Daarvan kan pas sprake zijn als [de eiser] haar vorderingen heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is.\n\n4.12.. De slotsom luidt dat [de eiser] in het ongelijk is gesteld en daarom de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n760,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.290,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\nJV\u002FKH","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5283","ecli-nl-rbgel-2026-5283",{"courtName":6,"legalDomain":62,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Personen- en familierecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":66,"fullText":67,"language":7,"source":17,"sourceUrl":68,"summary":14,"slug":69,"metadata":70},"1834","ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 12018926 \\ CV EXPL 25-3465\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. K. Colakoglu,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. M.H. Hogeman.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 4 maart 2026,\n\n- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. Hogeman overgelegde aanvullende productie,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de gedaagde] is eigenaar van een bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] . [de gedaagde] heeft in het verleden een winkel in deze bedrijfsruimte geëxploiteerd.\n\n2.2.. Partijen hebben een huurovereenkomst met elkaar gesloten op grond waarvan [de gedaagde] met ingang van 1 januari 2024 voormelde bedrijfsruimte (hierna: het gehuurde) casco verhuurt aan [de eiser] voor een periode van tien jaar voor een huurprijs van € 15.000,00 per jaar.\n\n2.3.. \n\nOp de huurovereenkomst zijn de ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WINKELRUIMTE en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing. Artikel 13.3 van de algemene bepalingen luidt als volgt:\n\n“Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening, behoudens de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Wetboek.”\n\n2.4.. Het gehuurde heeft een kelder onder de gehele begane grond. De kelder bestaat uit twee ruimtes, een grote ruimte waar de trap op uitkomt en een kleine ruimte. In de kleine ruimte staat een compressor voor de waterafvalscheiding en is een professionele afzuiginstallatie aanwezig.\n\n2.5.. Op 2 of 3 januari 2024 is de kelder onder water komen te staan. Kort hierna heeft [vochtweringsbedrijf] Vochtbestrijding B.V. (hierna: [vochtweringsbedrijf] ) in opdracht van [de gedaagde] de kelder met een waterstofzuiger en bouwdrogers droog gemaakt.\n\n2.6.. Begin 2024 heeft [de gedaagde] het gehuurde met toestemming van [de eiser] verbouwd tot een tandartspraktijk.\n\n2.7.. In maart 2024 heeft [vochtweringsbedrijf] de kelder gesaneerd. Daarbij heeft zij een bekuiping, vochtwerende mortel, aquastuc op de wanden en een vloeistofdichte vloer in de kelder aangebracht.\n\n2.8.. In april en mei 2024 is tussen partijen discussie ontstaan over de uitvoering van de verdere herstelwerkzaamheden in de kelder, bestaande uit het sauzen, het aanleggen van extra ventilatie en het aanbrengen van twee radiatoren in de kelder. [de eiser] heeft aangegeven eerst de kelder te willen laten beoordelen door een deskundige voordat in deze ruimte verdere werkzaamheden worden verricht.\n\n2.9.. \n\nOp 1 oktober 2024 heeft Bureau voor Bouwpathologie in opdracht van [de eiser] de kelder van het gehuurde onderzocht. In de daarvan opgestelde rapportage van 27 november 2024 is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nWAARNEMINGEN\n\n(…)\n\nKleine kelderruimte\n\n6. De vloer is zichtbaar verkleurd door vocht (…)\n\n7. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n8. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde nat gemeten (…)\n\n9. De vloer is nat gemeten (…)\n\n10. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n11. De aangebrachte stuclaag is ook niet aangebracht bij de riolerings- en verwarmingsbuizen (…)\n\n12. De wand waar geen laag stucwerk is aangebracht meet nat tot zeer nat (…)\n\n(…)\n\n14. De relatieve luchtvochtigheid in de kleine ruimte is 84,8 % gemeten (…)\n\n(…)\n\nGrote kelderruimte\n\n18. De wanden hebben vochtschade (…)\n\n19. De vloer heeft zoutuitslag (…)\n\n(…)\n\n21. De wanden zijn over verschillende plekken aan de onderzijde vochtig tot nat gemeten en verder naar boven droog tot vochtig (…)\n\n22. Het kalkzandsteen buitenspouwblad is nat (…)\n\n24. Er zijn voldoende ventilatieopeningen in de gevel (…)\n\n25. Aan de bovenzijde is zichtbaar dat de aangebrachte stuclaag stopt (…)\n\n26. De relatieve luchtvochtigheid in de grote ruimte is 84,0% gemeten (…)\n\nBuitenzijde\n\n27. Aan de buitenzijde zijn de ventilatieopeningen van de kelder zichtbaar afgedekt met een rooster (…)\n\nVRAAGBEANTWOORDING\n\n(…)\n\nVraag 1:\n\nWaardoor is de waterschade ontstaan, waardoor er lekkages zijn en er zich ook vocht en schimmel vorm?\n\nAntwoord:\n\nUit de bouwaanvraag d.d. 13 april 1987 blijkt dat er oorspronkelijk geen kelder onder de winkelruimte was bedoelt. Er zijn geen gegevens over de kelder op de bouwaanvraagtekeningen bekent. In Advies konstructie van [naam] d.d. 2 maart 1987 staat een doorsnede en berekening van de kelder (bijlage 2). Tijdens het onderzoek was zichtbaar dat de kelderwand opgebouwd is uit twee kalkzandsteenwanden met een ps isolatie strak ertussen. Uit de doorsnede is op te maken dat de kelder gebouwd is op een betonnen plaat met massief gemetselde wanden tot een bepaalde hoogte, wat overgaat in een spouwmuurconstructie. Op het binnenspouwblad ligt de begane grond vloer. Het grondwater zit op 1,6 meter onder maaiveld. De kelderwanden zijn aan de binnenzijde waterdicht gemaakt met cementstuc.\n\nEr zijn op twee plekken lekkages te herleiden in de kelder:\n\nOp maaiveldhoogte zijn er aan de buitenzijde gevelopeningen welke uitkomen in de spouw en bij openingen in het binnenspouwblad welke zorgen voor de ventilatie in de kelder. Op de ontvangen foto’s is de toestand te zien voor de werkzaamheden. Hierop is duidelijk een lijn te zien met natte wanden onder de lijn en droge wanden boven de lijn. De lijn is de overgang van de massief gemetselde wand op de spouwconstructie. Het hemelwater kan via de ventilatieopeningen de spouwconstructie in, maar ook door vochtdoorslag. Het hemelwater kan niet de spouw uit en hoopt zich aan de onderzijde op in de spouw. Het hemelwater trekt in en door het massief gemetselde wanden als een spons. De cementstuc moet voor de waterdichting zorgen. Dit functioneert niet naar behoren, waardoor de kelderwanden vochtig zijn en er schimmel kan ontstaan. Tijdens de herstelwerkzaamheden is AquaStuc gipspleister op de cementstuc aangebracht. AquaStuc pleister is speciaal voor natte ruimtes en is waterafstotend, maar zorgt niet voor de waterdichting.\n\nDe kim is niet waterdicht, waardoor het grondwater tussen de kelderplaat en de massief gemetselde wand door kan. Dit zorgt voor de natte kelderplaat tegen en rondom de wanden en de zoutafzetting op de kelderplaat.\n\nVraag 2:\n\nWat zijn de kosten voor herstel en\u002F of eventueel hersteladvies is?\n\nAntwoord:\n\nDoor de aanwezige PS isolatie in de spouw kan er geen waterdichte kering en spouwlood op maaiveldhoogte gemaakt worden. Een vlakafdichting aan de buitenzijde is niet mogelijk, omdat de kelder niet volledig vrij gegraven kan worden. Daarom is de mogelijke hersteloptie alleen een gietafdichting aan de binnenzijde. Deze methode wordt gekozen bij kalkzandsteen. Kalkzandsteen is niet of nauwelijks geschikt om een afdichtingslaag op aan te brengen. Deze steen accepteert geen primers. Er wordt bij deze methode een muur aan de binnenzijde tegen de wand gemetseld. De ruimte tussen de twee muren wordt gevuld met waterdichte gietmortel. De kelderruimte wordt hierdoor welk kleiner. De nieuwe kelderwanden moeten na de werkzaamheden worden gestuct en gesausd.\n\nDe kosten voor bovenstaande werkzaamheden worden geraamd op€ 73.500,- excl. B.T.W..\n\n2.10.. \n\nIn maart 2025 hebben [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) een onderzoek uitgevoerd naar de door [de eiser] gestelde vochtproblemen in de kelder. Bij brief van 10 april 2025 heeft [vochtweringsbedrijf] daarover aan [de gedaagde] bericht:\n\n“(…)\n\n1. Algemeen\n\n(…) De kelder is in mei 2024 opgeleverd zonder vochtproblemen. Tijdens dit onderzoek zijn uitgebreide vochtmetingen en thermografische inspecties verricht. De toegestane vochtwaarde van 12,8% is alleen overschreden in de kleine ruimte waar tandarts apparatuur staat die veel vocht uitstoot.\n\n2. Bevindingen\n\n Kimnaden zijn visueel onderzocht en met thermovisuele apparatuur. Er is géén lekkage waargenomen. De kimnaden zijn droog.\n\n De muren zijn blok voor blok gemeten met een vochtmeter en gescand met thermovisuele apparatuur. Ook hier is géén vocht vastgesteld. De muren zijn droog en daarmee is de conclusie dat de schimmelvorming het gevolg zou zijn van optrekkend vocht niet houdbaar.\n\n Vloer is eveneens over een langere periode middels een datalog stabiel gemeten, zonder signalen van optrekkend vocht.\n\n Ventilatie en verwarming zijn cruciale factoren: meetapparatuur (…) registreerde tussen 3 en 17 maart een gemiddelde temperatuur van 14,8 °C en een relatieve luchtvochtigheid van ca. 65%. Dit zijn suboptimale waarden voor een kelderruimte. Volgens de richtlijnen dient de temperatuur minimaal 18°C à 19°C te bedragen, ook is de luchtvochtigheid te hoog, deze zou rond de 50 tot max 55% mogen liggen.\n\n De vloerverwarming is aanwezig, maar wordt niet gebruikt door de huurder.\n\n De professionele ventilatie is uitgeschakeld door huurder. Hierdoor kan vochtige lucht niet worden afgevoerd, wat schimmelgroei in de hand werkt.\n\n In de ruimte met de tandartsmachine stijgt de luchtvochtigheid bij gebruik zelfs naar 74% (…) – wederom zonder afvoermechanisme vanwege de niet-functionerende ventilatie.\n\n3. Toelichting op de conclusies in het rapporthet rapport van Bureau voor Bouwpathologie, toevoeging kantonrechter]\n\nHet rapport stelt dat de kelderwand vocht doorlaat vanwege een gebrekkige binnenafdichting. Echter:\n\n Er is geen sprake van lekkage of optrekkend vocht zoals het rapport beweert.\n\n De schade die zichtbaar is, is veroorzaakt door interne factoren zoals onvoldoende ventilatie en verwarming.\n\n De aangebracht stuclaag en kitnaden zijn correct uitgevoerd en functioneren naar behoren. Er is geen visuele of meetbare schade aan deze afdichting.\n\n Het loslatende schilderwerk wordt veroorzaakt door schimmelvorming. Deze is mogelijk door de lage temperatuur, gebrekkige ventilatie en hoge luchtvochtigheid.\n\n4. Verantwoording en hersteladvies\n\nDe huidige situatie is het gevolg van het gedrag van de huurder:\n\n Het uitzetten van de ventilatie\n\n Het niet activeren van de vloerverwarming\n\n Het structureel niet openen van de trapdeur, waardoor luchtcirculatie wordt belemmerd\n\nOnder de huidige omstandigheden is sprake van gebruiksschade en achterstallig onderhoud door de huurder. Er is geen sprake van constructieve gebreken of gebrekkige waterafdichting.\n\n(…)”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [de eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n1. [de gedaagde] zal veroordelen om de gebreken aan\u002Fin het gehuurde zoals omschreven in het rapport van Bureau voor Bouwpathologie d.d. 27 november 2024 volledig en duurzaam te herstellen, uiterlijk binnen een termijn van één maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis,\n\n2. de huurprijs van het gehuurde met ingang van 1 januari 2024, of een nader door de kantonrechter te bepalen datum, te verminderen met 25% of een nader door de kantonrechter vast te stellen percentage, tot en met het daadwerkelijk herstel van de genoemde gebreken,\n\n3. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.524,62, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf de respectievelijke vervaldata, 4. [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [de eiser] stelt zich op het standpunt dat het gehuurde diverse gebreken heeft en vordert in deze procedure herstel van die gebreken (artikel 7:206 BW), een vermindering van de huurprijs tot het moment dat de gestelde gebreken door [de gedaagde] zijn verholpen (artikel 7:207 BW) en vergoeding van de schade die [de eiser] stelt te hebben geleden (7:208 BW).\n\n4.2.. Allereerst moet worden beoordeeld of sprake is van één of meerdere gebreken aan het gehuurde als bedoeld in artikel 7:204 lid 2 BW. In dit artikel is een gebrek omschreven als een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. De vraag of sprake is van een gebrek moet aan de hand van objectieve verifieerbare feitelijke gegevens worden vastgesteld.\n\n4.3.. \n [de eiser] stelt dat de kelder van het gehuurde ernstige gebreken heeft, namelijk vochtproblemen, lekkages en schimmelvorming. [de gedaagde] betwist dit en voert daartoe aan dat de muren van de kelder droog zijn en dat de hoge luchtvochtigheid in de kelder wordt veroorzaakt omdat [de eiser] het gehuurde onvoldoende verwarmt en ventileert.\n\n4.4.. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder, rusten op [de eiser] omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. [de eiser] heeft ter onderbouwing van de gestelde gebreken de rapportage van 27 november 2024 van Bureau voor Bouwpathologie (zie hiervoor 2.9.) overgelegd. Daarin is, kort gezegd, vermeld dat tijdens het onderzoek ter plaatse op 1 oktober 2024 de wanden en vloer in de kelder vochtig tot nat zijn gemeten en dat waterschade in de kelder is ontstaan omdat enerzijds hemelwater via de ventilatieopeningen in de spouwconstructie van de kelder terechtkomt en anderzijds hemelwater door de buitenmuren naar binnen trekt (optrekkend vocht).\n\n4.5.. \n [de gedaagde] betwist de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie. Ter onderbouwing van die betwisting verwijst zij naar de brief van 10 april 2025 van [vochtweringsbedrijf] (zie hiervoor 2.10.). In deze brief is, kort gezegd, vermeld dat [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] tijdens een verrichte contra-expertise in maart 2025 geen lekkages en vocht in de wanden of vloer hebben waargenomen en dat de zichtbare waterschade in de kelder wordt veroorzaakt door onvoldoende ventilatie en verwarming door [de eiser] .\n\n4.6.. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] de juistheid van de bevindingen van Bureau voor Bouwpathologie voldoende gemotiveerd heeft weersproken door het laten uitvoeren van een contra-expertise door [vochtweringsbedrijf] en [bedrijf] . Het bewijs van de stelling dat in de kelder van het gehuurde sprake is van lekkages en optrekkend vocht, is daarom niet reeds op voorhand geleverd op grond van de door [de eiser] overgelegde rapportage van Bureau voor Bouwpathologie. Omdat evenmin uit de overige door [de eiser] overgelegde stukken voldoende bewijs is te putten, zal zij conform het door haar gedane aanbod tot bewijslevering worden toegelaten van haar stelling dat sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder.\n\n4.7.. Het ligt in de rede dat, gelet op de aard van het door [de eiser] te leveren bewijs, een deskundigenbericht wordt ingewonnen. Een onafhankelijke deskundige kan beoordelen of en in hoeverre sprake is van lekkages en optrekkend vocht in de kelder en zo ja, op welke wijze en tegen welke kosten deze gebreken hersteld kunnen worden. Alvorens tot benoeming van een deskundige wordt overgegaan, zal de kantonrechter de zaak naar de hierna te melden rol verwijzen opdat partijen zich kunnen uitlaten over de wenselijkheid van het deskundigenonderzoek, de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon\u002Fpersonen van de te benoemen deskundige(n), wordt van partijen verwacht dat zij daarover met elkaar zullen overleggen en dat zij zoveel mogelijk een met elkaar overeenstemmend voorstel zullen voorleggen.\n\n4.8.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen als bedoeld in r.o. 4.7.,\n\n5.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5160","ecli-nl-rbgel-2026-5160",{"courtName":6,"legalDomain":54,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":72,"ecli":73,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":66,"fullText":74,"language":7,"source":17,"sourceUrl":75,"summary":14,"slug":76,"metadata":77},"1836","ECLI:NL:RBGEL:2026:5163","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: 11851903 \\ CV EXPL 25-2315\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nDEX CORPORATION B.V.,\n\nte Doetinchem,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Dex,\n\nprocederend bij haar directeur [directeur dex] ,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in conventie \u002F eisende in reconventie] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. T. Franzen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 18 maart 2026,\n\n- de e-mail van 9 april 2026 met productie van de zijde van Dex,\n\n- de akte met producties van de zijde van [de gedaagde] .\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie\n\n2.1.. De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 18 maart 2026. In dit tussenvonnis is overwogen dat [de gedaagde] is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst en dat zij is gehouden de kosten te vergoeden die Dex moet maken om het terras door een derde te laten herstellen. Dex is in de gelegenheid gesteld om bij akte de door haar gestelde herstelkosten nader en aan de hand van stukken (bijvoorbeeld offertes) te onderbouwen.\n\n2.2.. Dex heeft ter onderbouwing van de gevorderde herstelkosten een offerte van 8 april 2026 van [bouwbedrijf] b.v. (hierna: [bouwbedrijf] ) overgelegd. In die offerte heeft [bouwbedrijf] alle door Dex gewenste herstelwerkzaamheden uiteengezet en de kosten daarvan begroot op een bedrag van in totaal € 37.322,21 (incl. btw).\n\n2.3.. \n [de gedaagde] heeft bij antwoordakte verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van diverse door [bouwbedrijf] geoffreerde posten, dan wel tegen de hoogte daarvan. Zijn verweer zal hierna, voor ieder onderdeel afzonderlijk, aan de orde komen.\n\n- plaatselijk vervangen van het tegelwerk\n\n2.3.1.. In de offerte van [bouwbedrijf] zijn kosten begroot voor het vervangen van de volledige tegelvloer. [de gedaagde] betwist dat alle tegels moeten worden vervangen. Volgens [de gedaagde] kan worden volstaan met het enkel vervangen van de tegels tussen de bestaande trap en de nog aan te brengen draingoot. Dit betreft een kwart van het totale tegelwerk, aldus [de gedaagde] .\n\n2.3.2.. Het verweer van [de gedaagde] faalt. Uit de rapportage 31 november 2025 van [bedrijf] blijkt dat zij als hersteloplossing heeft aangedragen: “alle tegels en dekvloer verwijderen”en“geheel nieuw tegelwerk aanbrengen”. In het tussenvonnis van 18 maart 2026 is ook overwogen dat het voor de hand ligt dat de door [bedrijf] aangedragen hersteloplossing tot uitgangspunt wordt genomen. In het licht van deze omstandigheden had het op de weg van [de gedaagde] gelegen de stelling dat ook kan worden volstaan met plaatselijk herstel, verder te onderbouwen. Die onderbouwing ontbreekt echter. Uit niets blijkt dat kan worden volstaan met het plaatselijk vervangen van het tegelwerk. Deze wijze van herstel ligt ook niet voor de hand in verband met het naar alle waarschijnlijkheid optredende kleurverschil tussen oude en de nieuwe tegels, ook wanneer deze tegels van hetzelfde merk en type zijn als de oorspronkelijke tegels. Uitgangspunt is dan ook dat alle tegels moeten worden verwijderd en dat geheel nieuw tegelwerk moet worden aangebracht.\n\n- ander merk en type tegel\n\n2.3.3.. In de offerte van [bouwbedrijf] zijn andere tegels begroot (Ceramax og. keramische tegels, totaalprijs € 2.420,00) dan de tegels die [de gedaagde] heeft geleverd en heeft gelegd (Gambini Jelling, totaalprijs € 1.544,47). De door [bouwbedrijf] begrote tegels zijn niet alleen zwaarder en hoger maar ook duurder dan de tegels die [de gedaagde] heeft gelegd. Uitgangspunt is echter dat Dex na herstel van de tegelvloer in de toestand wordt gebracht zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de tekortkoming in de nakoming niet zou hebben plaatsgevonden. Dat betekent in dit geval de levering en deugdelijke plaatsing van de tegels van het merk Gambini Jelling, dan wel een soortgelijke tegel. Rekening houdend met een geschatte prijsstijging van 10% sinds 2023, worden de kosten voor het nogmaals aanschaffen van soortgelijke tegels geschat op een bedrag van € 1.698,92. Dit bedrag is voor de aanschaf van nieuwe tegels toewijsbaar.\n\n2.3.4.. Het voorgaande brengt met zich dat de kosten voor de huur van een vacuümheffer in verband met de zwaardere tegels niet voor toewijzing in aanmerking komen omdat deze kosten niet gemaakt hoeven te worden als uitgegaan wordt van de oorspronkelijke tegels.\n\n- muurafdekkers\n\n2.3.5.. In de offerte van [bouwbedrijf] zijn kosten begroot voor het verwijderen, leveren en aanbrengen van muurafdekkers, inclusief de daarvoor bijkomende kosten voor de aanschaf van lijm en zaag-, voeg-, stuc- en kitwerkzaamheden. Uit de offerte blijkt dat deze werkzaamheden volgens [bouwbedrijf] moeten worden verricht in verband met de nieuwe hoogte van de tegels (de nieuwe tegels zijn hoger dan de oorspronkelijke tegels). Zoals hiervoor al is overwogen, is [de gedaagde] niet gehouden om kosten aan Dex te betalen die het gevolg zijn van de aanschaf van een andere soort tegel dan de tegel die door [de gedaagde] is geleverd en geplaatst. Alle in de offerte begrote kosten die verband houden met het verwijderen, leveren en aanbrengen van de muurafdekkers komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.\n\n- AK 5% en W+R 3%\n\n2.3.6.. \n [de gedaagde] stelt dat in de offerte een aantal zaken is begroot die eigenlijk onder de posten AK (Algemene Kosten) en W+R (Winst en Risico) vallen, zoals de posten ‘autokosten’ en ‘opname, calculatie, werkvoorbereiding’. Dit verweer slaagt deels. Autokosten zijn kosten die in beginsel vallen onder de post AK (dit zijn eigen apparaatskosten van een aannemer die niet direct aan een bouwproject zijn toe te rekenen). Door Dex is niet gesteld en evenmin is gebleken waarom in dit geval op dit uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De autokosten ter hoogte van € 730,00 zijn daarom onvoldoende onderbouwd en niet toewijsbaar. De overige door [de gedaagde] genoemde kosten (opname, calculatie en werkvoorbereiding) vallen niet onder de posten AK en W&R en is [de gedaagde] in beginsel aan Dex verschuldigd.\n\n- overige posten\n\n2.3.7.. Omdat niet alle in de offerte begrote werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking komen, is het uit te voeren herstelwerk minder omvangrijk dan waar de offerte van uitgaat. Om deze reden zullen de navolgende posten uit de offerte worden geschat op 75% van de daarvoor begrote kosten:\n\n- opname, calculatie en werkvoorbereiding,\n\n- afwerken terras en tuinmuur,\n\n- stelpost diamantzaagwerk terrastegels en muurafdekkers,\n\n- stelpost kitwerk terrastegels en muurafdekkers,\n\n- opleveren en opruimen.\n\n- Btw\n\n2.3.8.. Dex is geen btw-plichtige ondernemer en hoeft dus de door [bouwbedrijf] begrote btw van 21% niet te betalen. Dit onderdeel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.\n\n- Hoogte van begrote posten\n\n2.3.9.. \n [de gedaagde] heeft ten slotte in het algemeen gesteld dat [bouwbedrijf] de herstelkosten te hoog heeft geoffreerd maar heeft die stelling onvoldoende toegelicht en onderbouwd. De daartoe door [de gedaagde] overgelegde offertes van andere aannemers is daarvoor in elk geval niet voldoende. Weliswaar zijn in die offerte de herstelkosten op een lager bedrag begroot dan de offerte van [bouwbedrijf] maar in de door [de gedaagde] overgelegde offertes is uitgegaan van plaatselijk herstel van de tegelvloer terwijl uitgangspunt is dat de tegelvloer volledig moet worden vervangen. Deze offertes worden daarom buiten beschouwing gelaten.\n\n2.4.. Met inachtneming van het voorgaande zullen de totale herstelkosten worden vastgesteld op een bedrag van in totaal € 19.835,73. Dit bedrag is aan de hand van de offerte van [bouwbedrijf] als volgt opgebouwd:\n\nOpname, calculatie en werkvoorbereiding (75% van € 1.210,00)\n\n€ 907,50\n\nPlaatsen schaftkeet en huur chemisch toilet\n\n€ 740,00\n\nAfdekken bestaande hardstenen trap met underlayment og\n\n€ 560,00\n\nSloopwerk bestaande tegelvloer en afvoeren naar container\n\n€ 1.690,00\n\nSloopwerk bestaande cd-legbed en afvoeren naar container\n\n€ 1.690,00\n\nContainerkosten\n\n€ 750,00\n\nStellen hoogte regel voor dubbel afschot\n\n€ 290,00\n\nAanbrengen drainagemortel-legbed\n\n€ 3.020,00\n\nAanbrengen verzinkte krimnetjes in de drainagemortel-vloer\n\n€ 680,00\n\nLeveren tegels merk Gambini Jelling (zie hiervoor r.o. 2.3.3.)\n\n€ 1.698,92\n\nLeveren speciale flexibele lijm\n\n€ 500,00\n\nAanbrengen tegels\n\n€ 2.650,00\n\nInvoegen tegels\n\n€ 610,00\n\nStelpost diamantzaagwerk terrastegels en muurafdekkers (75% van € 750,00\n\n€ 562,50\n\nStelpost kitwerk terrastegels en muurafdekkers (75% € 500,00)\n\n€ 375,00\n\nAfwerken terras en tuinmuur (75% van € 1.460,00)\n\n€ 1.095,00\n\nOpleveren en opruimen (75% van € 730,00)\n\n€ 547,50\n\n Subtotaal\n\n€ 18.366,42\n\nAK 5%\n\n€ 918,32\n\nW+R 3%\n\n€ 550,99\n\n Totaal\n\n€ 19.835,73\n\n2.5.. De conclusie is dat de door Dex gevorderde hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van € 19.835,73.\n\n2.6.. Dex vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. In overeenstemming met het tarief dat is weergegeven in het (niet rechtstreeks van toepassing zijnde) Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en dat geacht wordt redelijk te zijn, is dan ook een bedrag van € 973,36 aan buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar.\n\n2.7.. De door Dex gevorderde onderzoekskosten van [bedrijf] ad € 785,12 zijn aan te merken als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking.\n\n2.8.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering in conventie toewijsbaar is tot een bedrag van in totaal € 21.594,21 (€ 19.835,73 + € 973,36 + € 785,12).\n\n2.9.. \n [de gedaagde] heeft in conventie een beroep gedaan op verrekening met een tegenvordering die hij stelt te hebben op Dex en waarvan hij tevens in reconventie betaling vordert. Het gaat hierbij om de laatste termijn van de aanneemsom ter hoogte van € 1.866,68.\n\n2.10.. Dex is op grond van de overeenkomst tussen partijen – die niet is ontbonden – nog bedrag van € 1.866,68 verschuldigd aan [de gedaagde] . Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Voorts is voldaan aan de vereisten van artikel 6:127 BW. Het beroep op verrekening slaagt dan ook. Zoals hiervoor al is overwogen is [de gedaagde] gehouden om een bedrag van € 21.594,21 aan Dex te voldoen. Na verrekening resteert een door [de gedaagde] aan Dex te betalen bedrag van in totaal € 19.727,53 (€ 21.594,21 -\u002F- € 1.866,68). Dit bedrag zal in conventie worden toegewezen.\n\n2.11.. De vordering in reconventie die strekt tot betaling van het bedrag van € 1.866,68 is tenietgegaan door verrekening en zal daarom worden afgewezen. Omdat het beroep op verrekening slaagt is Dex geen wettelijke rente aan [de gedaagde] verschuldigd.\n\n2.12.. \n [de gedaagde] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat Dex niet bij gemachtigde procedeert, is [de gedaagde] geen salaris gemachtigde verschuldigd. In plaats daarvan zal een bedrag van € 50,00 aan verletkosten worden toegewezen. Van de gevorderde nakosten zullen enkel de kosten van betekening worden toegewezen.\n\n2.12.1.. De proceskosten van Dex in conventie worden vastgesteld en begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n122,35\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.461,00\n\n- verletkosten\n\n€\n\n50,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.633,35\n\n2.12.2.. Gelet op de uitkomst van de procedure in reconventie zullen de proceskosten in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n3.1.. verklaart voor recht dat [de gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst,\n\n3.2.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Dex te betalen een bedrag van € 19.727,53,\n\n3.3.. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.633,35, te vermeerderen met de kosten van betekening,\n\n3.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n3.5.. wijst de vordering af,\n\n3.6.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen en in het openbaar uitgesproken door mr. S.E. Sijsma op 24 juni 2026.\n\nBij afwezigheid van mr. S.E. Sijsma is dit vonnis ondertekend door\n\nmr. M. Engelbert-Clarenbeek, kantonrechter.\n\nlt","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5163","ecli-nl-rbgel-2026-5163",{"courtName":6,"legalDomain":54,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":79,"ecli":80,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":81,"fullText":82,"language":7,"source":17,"sourceUrl":83,"summary":14,"slug":84,"metadata":85},"1675","ECLI:NL:RBGEL:2026:5218","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummers: 05.223831.25 en 05.114360.25 (tul)\n\nDatum uitspraak : 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nraadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan\n\nvan [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, immers heeft\n\nverdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: \"Als ik zaterdag\n\nmijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik\n\nvarkensvoer van haar\", van welke bedreiging(en)\u002Fdreigende woorden voornoemde\n\n [aangever 1] kennis heeft genomen;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst\n\n [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3]\n\nheeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak\n\njullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd\n\nom het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin\" en\u002Fof door het\n\nversturen van tekstberichten met de tekst \"Ik ruim jullie 2 op\" en\u002Fof \"Kop der af\",\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval\n\nin Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een\n\npersonenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet\n\n1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te\n\nverlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht\n\nte blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en\u002Fof aan de verplichting\n\ngevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het\n\nonderzoek gegeven aanwijzingen;\n\n4\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juni 2025 tot en met\n\n18 augustus 2025 te Voorst, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig\n\nopzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten\n\ndie van [aangever 1] door:\n\n- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en\u002Fof foto’s en\u002Fof youtubelinkjes te\n\nsturen (al dan niet met bedreigende en\u002Fof intimiderende inhoud) en\u002Fof\n\n- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,\n\nmet het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te\n\ndulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit wegens onvoldoende bewijs. Zij heeft aangevoerd dat aangeefster de gestelde bedreiging via een derde, [hulpverlener] , heeft vernomen, die hiervan ook melding bij de politie heeft gedaan. De informatie is daarom afkomstig uit dezelfde bron. Daarnaast biedt de verklaring van de getuige [getuige] onvoldoende steun, nu deze ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Voorts heeft de buurman, op wie de verklaring van [getuige] is gebaseerd, zelf geen verklaring afgelegd.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niemand getuige is geweest van het telefoongesprek. Nu onvoldoende bewijs voorhanden is, dient vrijspraak te volgen.\n\nDe raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeit 1\n\nBewijsmiddelen\n\nAangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van [hulpverlener] heeft gehoord dat verdachte heeft gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet zie, dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik varkensvoer van haar’.\n\n [hulpverlener] , ambulant hulpverlener vanuit [instelling] , heeft op 12 augustus 2025 gebeld naar de politie. Hij heeft verklaard dat hij net bij verdachte op het adres [adres] in [woonplaats] was geweest en dat hij had medegedeeld dat hij zijn kinderen aanstaande zaterdag niet te zien zou krijgen. Verdachte heeft toen tegen hem gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet krijg, maak ik [aangever 1] van kant.’ Verdachte heeft hem opgedragen deze boodschap aan aangeefster over te brengen.\n\nGetuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van de buurman van verdachte heeft gehoord dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij [aangever 1] ‘van kant zou maken’ indien hij zaterdag de kinderen niet zou krijgen.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank volgt het standpunt van de raadsvrouw dat de informatie uit dezelfde bron komt niet. De verklaring van aangeefster betreft weliswaar geen eigen waarneming, maar vindt op essentiële onderdelen steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin is vastgelegd dat [hulpverlener] melding heeft gemaakt van een door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Daarnaast vindt deze verklaring steun in de verklaring van [getuige] . Hoewel aan laatstgenoemde verklaring, nu deze is gebaseerd op informatie van horen zeggen, in beginsel minder bewijskracht toekomt dan aan een verklaring uit eigen waarneming, kan zij wel dienen als ondersteuning van ander bewijsmateriaal. De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in haar standpunt dat de verklaring van aangeefster ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de verklaring van [hulpverlener] als die van [getuige] betrekking heeft op een op of omstreeks 12 augustus 2025 door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Dat de bedreiging op verschillende momenten op 12 augustus 2025 aan derden is medegedeeld, maakt niet dat sprake is van verschillende gebeurtenissen. De verklaringen zijn in essentie gelijkluidend en ondersteunen elkaar op wezenlijke onderdelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.\n\nConclusie\n\nOp grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster op 12 augustus 2025 met enig misdrijf tegen het leven heeft bedreigd.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen\n\nAangever [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte op 8 augustus 2025 telefonisch tegen hem heeft gezegd ‘ik maak jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen, en jullie krijgen drie dagen de tijd om het huis te verlaten dan zet ik een verkoopbord in de tuin’. Dit was gericht tegen mij en mijn vrouw [aangever 3] .\n\nHet dossier bevat afbeeldingen van een WhatsAppgesprek tussen aangever en verdachte. Daarin zegt verdachte onder meer: “Ben onderweg” met vier emoticons van vuisten, “Kop der af” en “Ik ruim jullie 2 op”. In het laatstgenoemde bericht zijn drie emoticons van een pistool te zien.\n\nUit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat verdachte bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze berichten heeft verzonden.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aangever en [aangever 3] op 8 augustus 2025 telefonisch heeft bedreigd door onder meer te zeggen ‘ik maak jullie dood’. Die verklaring vindt ondersteuning in de WhatsApp-berichten die verdachte diezelfde dag aan aangever heeft verzonden, waarin verdachte onder meer heeft geschreven dat hij onderweg was en de tekst ‘kop der af’ en ‘ik ruim jullie twee op’ gevolgd door emoticons van pistolen en vuisten. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van aanhouding dat verdachte zich bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 agressief en dreigend heeft uitgelaten en heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’. Naar hun aard en inhoud waren de uitlatingen van dien aard dat bij aangever en diens echtgenote in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ten uitvoer zou leggen.\n\nConclusie\n\nGelet op de inhoud van de telefonische uitlatingen, de daaropvolgende WhatsApp-berichten en de overige door de verdachte geuite bedreigingen, bezien in onderlinge samenhang, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangever [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nFeit 3\n\nEr is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen\n\n- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 42-43;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.\n\nFeit 4\n\nEr is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 7-9;\n\nhet proces-verbaal tijdlijn in stalkingszaken, p. 19-25;\n\nhet aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2025, nummer PL0600-2025360830-18;\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025 zeer vaak contact heeft gezocht met aangeefster, terwijl aangeefster had gezegd geen rechtstreeks contact meer te willen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging heeft schuldig gemaakt in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025. Voor zover de tenlastelegging ziet op de periode na 15 augustus 2025 ontbreekt het bewijs, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan\n\nvan [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, immers heeft\n\nverdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: \"Als ik zaterdag\n\nmijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik\n\nvarkensvoer van haar\", van welke bedreiging(en)\u002Fdreigende woorden voornoemde\n\n [aangever 1] kennis heeft genomen;\n\n2\n\nhij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst\n\n [aangever 2] en\u002Fof[aangever 3]\n\nheeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] en\u002Fof[aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak\n\njullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd\n\nom het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin\" en\u002Fofdoor het\n\nversturen van tekstberichten met de tekst \"Ik ruim jullie 2 op\" en\u002Fof\"Kop der af\",\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval\n\nin Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een\n\npersonenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet\n\n1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te\n\nverlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht\n\nte blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en\u002Fof aan de verplichting\n\ngevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het\n\nonderzoek gegeven aanwijzingen;\n\n4\n\nhij op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 27 juni 2025 tot en met\n\n15 augustus 2025 te Voorst, althansin Nederland, wederrechtelijk stelselmatig\n\nopzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten\n\ndie van [aangever 1] door:\n\n- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en\u002Foffoto’s en\u002Fofyoutubelinkjes te\n\nsturen (al dan niet met bedreigende en\u002Fof intimiderende inhoud) en\u002Fof\n\n- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,\n\nmet het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te\n\ndulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\nfeit 2:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;\n\nfeit 3:\n\novertreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;\n\nfeit 4:\n\nbelaging.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) waarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.\n\nVerder heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met ingang van 23 juni 2026 om 13.30 uur, onder de voorwaarden die aan de maatregel van terbeschikkingstelling worden verbonden, zodat verdachte vanaf die datum kan worden opgenomen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [afdeling] .\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft, nu er concreet zicht is op een behandelplek voor verdachte, geen verweer gevoerd tegen de gevorderde tbs-maatregel als zodanig. Ten aanzien van de aan die maatregel te verbinden voorwaarden heeft zij primair verzocht geen locatieverbod op te leggen. Subsidiair heeft zij verzocht de omvang van het locatieverbod te beperken, omdat het vastgestelde gebied volgens de verdediging te omvangrijk is. Daarnaast heeft zij verzocht geen maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging met de dood van zijn ex-partner en zijn moeder en stiefvader. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan belaging van diezelfde ex-partner en heeft hij geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Met de bedreigingen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers. Bedreigingen met de dood zijn ernstige feiten die diep kunnen ingrijpen in het leven van degenen tegen wie zij zijn gericht. Dat geldt temeer wanneer deze plaatsvinden binnen de familiaire of relationele sfeer. Door zijn ex-partner gedurende langere tijd stelselmatig te benaderen en haar berichten te sturen, heeft verdachte bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft zich kennelijk niet kunnen neerleggen bij het einde van de relatie en heeft met zijn handelen het gevoel van vrijheid en veiligheid van het slachtoffer aangetast. De rechtbank rekent verdachte de feiten zwaar aan. Verder heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Daarmee heeft hij de handhaving van de verkeersveiligheidswetgeving belemmerd. Het vaststellen of een bestuurder onder invloed van alcohol verkeert, is van groot belang voor de verkeersveiligheid.\n\nStrafblad\n\nUit de justitiële documentatie van 12 mei 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen zijn (ex)partner, laatstelijk op 9 mei 2025. Dit weegt de rechtbank mee in strafverzwarende zin. Verdachte liep van de laatste veroordeling nog in een proeftijd. De veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nToerekenbaarheid\n\nTer beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de psycholoog van 13 maart 2026 en het rapport van de psychiater van 31 maart 2026.\n\nUit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een psychotisch toestandsbeeld en een stoornis in het gebruik van alcohol. Zijn denken, voelen en handelen werden hierdoor beïnvloed, mede door een verstoorde realiteitstoetsing, verhoogde prikkelbaarheid en verminderde impulsbeheersing. Als gevolg daarvan was verdachte verminderd in staat zijn gedrag te sturen en de gevolgen van zijn gedragingen te controleren en in redelijkheid af te wegen. Hierbij handelde verdachte vanuit onvoldoende adequate coping vaardigheden. De psycholoog adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.\n\nUit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van een schizofrenieforme spectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en een stoornis in de realiteitstoetsing. Verdachte heeft weinig adequate copingmechanismen, waardoor hij bij oplopende spanningen de neiging heeft de problemen te vermijden\u002Fde stress te dempen door overmatig alcohol te gebruiken. Hierdoor bestaat het risico dat verdachte achterdochtig reageert, wat dusdanige vormen aan kan nemen dat de realiteitstoetsing verstoord raakt en hij, met andere woorden, psychotisch kan worden. De psychotische stoornis was ten tijde van de tenlastelegging niet zo ernstig dat deze zijn oordeelsvermogen en daaruit voortkomend gedrag in die mate beïnvloedde dat hij geen enkele vrijheid van denken of handelen meer had. Dit neemt niet weg dat de combinatie van deze stoornissen als psychische stoornis in de zin van de wet, het denken, voelen, oordelen en handelen wel beïnvloedde en daarmee doorwerkte in het tenlastegelegde. De psychiater adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank is, gelet op het advies van de rapporterende deskundigen, van oordeel dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.\n\nTbs maatregel met voorwaarden\n\nDe psycholoog schat het risico op recidive in als hoog. Daarbij wijst de psycholoog op de aanwezigheid van meerdere risicofactoren voor gewelddadig gedrag. Bij de combinatie van stoornissen zoals hiervoor genoemd, zijn beschermende factoren slechts beperkt aanwezig. Gelet hierop is een hoge mate van externe structurering noodzakelijk om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en de kans van slagen van die behandeling te vergroten. Complicerend in het geval van verdachte is dat het hem ontbreekt aan ziektebesef en -inzicht en intrinsieke behandelmotivatie. Gezien de behandelings- en delicthistorie heeft verdachte tot op heden onvoldoende geprofiteerd van de geboden behandeling en begeleiding. Ondanks eerder ingezette ambulante hulpverlening en reclasseringstoezicht heeft verdachte opnieuw strafbare feiten gepleegd. De psycholoog adviseert daarom een klinische behandeling binnen een forensisch psychiatrische kliniek. De behandeling dient gericht te zijn op stabilisering van het psychotisch toestandsbeeld, gevolgd door intensieve outreachende ambulante behandeling door een forensisch FACT-team. De psycholoog acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Daarbij kan, indien verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft, alsnog worden voorzien in een tbs met dwangverpleging. Volgens de psycholoog biedt deze maatregel voldoende waarborgen om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en het behandeltraject duurzaam voort te zetten.\n\nUit het rapport van de psychiater blijkt eveneens dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Volgens de psychiater is voor de aanpak van de combinatie van een schizofreniespectrum\u002Fpsychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol een klinisch forensische behandeling noodzakelijk. Daarbij dient niet alleen aandacht te worden besteed aan de verslavingsproblematiek, maar ook aan de psychotische kwetsbaarheid van verdachte en zijn beperkte copingvaardigheden. Van belang is dat verdachte een duurzame behandelrelatie opbouwt, waarin open kan worden gesproken over zijn aandeel in de ontstane problematiek. De psychiater acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Binnen dat kader kan een klinische behandeling plaatsvinden, gevolgd door een ambulant behandeltraject. Indien verdachte zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, bestaat de mogelijkheid de maatregel om te zetten in een tbs-maatregel met dwangverpleging. Volgens de psychiater biedt dit voldoende waarborgen voor zowel de behandeling van verdachte als de bescherming van de veiligheid van anderen.\n\nUit het reclasseringsrapport van 8 mei 2026 blijkt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. De reclassering acht een klinische behandeling binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk. Een dergelijk kader biedt de mogelijkheid om de draagkracht van verdachte te vergroten, zijn inzicht in de problematiek te bevorderen en hem langdurig te ondersteunen bij het verminderen van het recidiverisico. De reclassering adviseert in het maatregelenrapport daarom tbs met de volgende voorwaarden: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan time-out, niet naar het buitenland, meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod met elektronische monitoring. Verder adviseren zij de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden en daarnaast om een GVM op te leggen.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting van 9 juni 2026 verklaard zich aan alle geadviseerde voorwaarden te zullen houden.\n\nGelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van de bij verdachte aanwezige problematiek, het recidiverisico en de noodzaak van behandeling, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.\n\nGelet op de inhoud van de rapporten van de psychiater, de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat opname in een zorginstelling (klinische opname) noodzakelijk is om het risico op recidive te verlagen. Uit de voornoemde rapporten blijkt dat verdachte een beperkt ziekte-inzicht heeft en dat gelet op de combinatie van stoornissen een intensieve klinische behandeling noodzakelijk is.\n\nGelet op de beschikbare behandelplek, de bereidheid van verdachte om zich aan de voorwaarden te houden en mee te werken aan de behandeling, en het positieve advies van de reclassering, acht de rechtbank een terbeschikkingstelling met voorwaarden passend en geboden. De rechtbank wijst verdachte er wel op dat niet-naleving van de voorwaarden of als verdachte anderszins onvoldoende meewerkt aan de behandeling, omzetting van de maatregel in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging tot de mogelijkheden behoort.\n\nDe bewezenverklaarde feiten zijn geen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook in duur gemaximeerd, indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en later alsnog dwangverpleging wordt bevolen.\n\nTer bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag. De rechtbank neemt de voorwaarden over die de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank ziet, gelet op het recidiverisico, geen aanleiding om af te zien van het locatieverbod, zoals door de raadsvrouw verzocht. De rechtbank overweegt dat de regio waarvoor het locatieverbod geldt door de reclassering kan worden aangepast als de reclassering dat nodig of wenselijk acht, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de reclassering regelmatig zal evalueren of het (volledige) locatieverbod in stand moet blijven. De rechtbank zal om die reden geen wijziging aanbrengen in het locatieverbod.\n\nDe rechtbank zal de aan de terbeschikkingstelling met voorwaarden verbonden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte aansluitend onder schorsingsvoorwaarden kan worden opgenomen in de FPA, zodat onmiddellijke uitvoering van de voorwaarden noodzakelijk en passend is.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nZoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. De rechtbank stelt vast dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf van 6 maanden, gelet op de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geheel is ondergaan. Nu aan verdachte tevens de maatregel van tbs met voorwaarden wordt opgelegd en een van die voorwaarden strekt tot verplichte klinische opname in een forensische zorginstelling, ziet de rechtbank aanleiding het bevel voorlopige hechtenis niet op te heffen. Deze opname brengt een vrijheidsbeneming mee. Gelet daarop staat artikel 67a, derde lid, van het wetboek van Strafvordering (Sv) niet aan voortduring van de voorlopige hechtenis in de weg totdat de klinische opname is aangevangen. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis handhaven. De rechtbank heeft wel aanleiding gezien de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van heden. Daarvan is een afzonderlijke schorsingsbeslissing opgemaakt.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank leidt uit de stukken af dat bij verdachte sprake is van meervoudige en complexe problematiek, gecombineerd met een beperkte ontvankelijkheid voor interventies die gericht zijn op gedragsverandering. De inschatting van de deskundigen is dat bij verdachte langdurig enige mate van controle en zicht noodzakelijk is. Door het opleggen van een GVM is het mogelijk om ook na afloop van de (gemaximeerde) terbeschikkingstelling toezicht uit te blijven oefenen op verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opleggen van de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr aangewezen is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.114360.25)\n\nDe politierechter heeft verdachte op 9 mei 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe officier van justitie vordert de afwijzing van de tenuitvoerlegging van die straf.\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat verdachte in de onderhavige zaak ook al een flink aantal voorwaarden opgelegd krijgt. Subsidiair heeft de raadsvrouw gevraagd om het voorwaardelijk strafdeel af te trekken van de straf in de hoofdzaak.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen nu tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf de voorwaarden verbonden aan de maatregel tbs doorkruist. De rechtbank ziet verder aanleiding de voorwaarden te wijzigen in die zin dat deze komen te vervallen. De rechtbank acht hierbij van belang dat verdachte zich in het kader van de maatregel tbs dient te houden aan diverse voorwaarden. De eerder opgelegde bijzondere voorwaarden hebben daarom geen meerwaarde.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maandenen beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstellingde volgendevoorwaardenbetreffende het gedrag van verdachte:\n\nVerdachte zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit.\n\nVerdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n• Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om zijn identiteit vast te stellen.\n\n• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.\n\n• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en\n\n instanties die contact met hem hebben, als dat van belang is voor het\n\n toezicht.\n\n3. Verdachte laat zich opnemen in FPA [afdeling] dan wel een soortgelijke forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start op 23 juni 2026 om 13.30 uur en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n4. Verdachte stelt zich na de klinische fase onder behandeling bij door de reclassering aan te wijzen instelling(en) voor forensische verslavingszorg en\u002Fof forensische psychiatrie en houdt zich aan de huisregels van die zorginstelling(en) en aan de aanwijzingen die hem in het kader van zijn behandeling door zijn behandelaren zullen worden gegeven zolang de reclassering dit nodig acht. Het innemen van medicijnen en het afnemen van urinecontroles kan onderdeel van de behandeling zijn.\n\n5. Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan hij voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n6. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n7. Verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n8. Verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: - mevrouw [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1985; - mevrouw [aangever 3] , geboren op [geboortedag] 1950; - de heer [aangever 2] , geboren op [geboortedag] 1960.\n\n10. Verdachte zal zich niet bevinden in het verboden gebied; beschrijving van het verboden gebied is van Apeldoorn tot en met Delden en Haaksbergen en van Raalte tot en met Eerbeek en Groenlo, zoals omschreven is in de afbeelding in de bijlage, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en\u002Fof aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.\n\n11. gedurende de duur van het elektronisch toezicht verlaat verdachte Nederland niet zonder toestemming van de reclassering;\n\n geeft de Reclassering opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;\n\n beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende maatregel\n\n legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr;\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\n wijstde vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 05-114360.25afen past de voorwaarden onder dat parketnummer aan, in die zin dat alle bijzondere voorwaarden komen te vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen, voorzitter, mr. W.H.S. Duinkerke en mr. O. El Kadi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025386900, gesloten op 16 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 8.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 11.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 10.\n\n Afbeelding van een WhatsAppgesprek, p. 55.\n\n Proces-verbaal van aanhouding van 8 augustus 2025, p. 18.\n\n Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5218","ecli-nl-rbgel-2026-5218",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":87,"ecli":88,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":89,"fullText":90,"language":7,"source":17,"sourceUrl":91,"summary":14,"slug":92,"metadata":93},"586","ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F454310 \u002F HZ ZA 25-189\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser in conventie 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [naam eiser in conventie 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. C. Cenik,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in conventie],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. K.W. Janssen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 maart 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de eiser in conventie] hebben op 11 april 2016 van [de gedaagde in conventie] en haar voormalige partner de eigendom verkregen van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te [woonplaats] . [de gedaagde in conventie] is eigenares van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [woonplaats] . Partijen zijn (directe) buren van elkaar.\n\n2.2.. \n\nIn de akte waarbij de woning aan [de eiser in conventie] is geleverd zijn verschillende erfdienstbaarheden gevestigd. In de akte staat in dit verband onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nVESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN\n\nVerkoper en koper zijn voorts blijkens voormelde overeenkomst overeengekomen en vestigen ter uitvoering daarvan:\n\n(…)\n\nten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte, het woonhuis (voorhuis) [straatnaam] [huisnummer 1] [postcode] [woonplaats] , het heersende erf, en ten behoeve en ten laste van het aan de verkoper in eigendom verblijvende gedeelte (…) het woonhuis (achterhuis) [straatnaam] [huisnummer 2] te [postcode] [woonplaats] , over en weer als heersende en dienende erven, erfdienstbaarheden, inhoudende te dulden, dat de toestand waarin de erven zich ten opzichte van elkaar bevinden wordt gehandhaafd, speciaal voor wat betreft (…) toevoer van licht en lucht (…);\n\nde gemeenschappelijke muren zullen gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens zal door het hart van die muren lopen;\n\nvoormelde zojuist gevestigde erfdienstbaarheden worden door verkoper en koper aangenomen.\n\n(…)”\n\n2.3.. Tussen partijen zijn door de jaren heen verschillende geschilpunten ontstaan.\n\n2.4.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, toen [de eiser in conventie] met vakantie waren en zonder hun medeweten, een deel van het bordes van de entree tot de woning van laatstgenoemden verwijderd en een zwarte houten wand geplaatst tegen de zijkant van deze entree. Aan de ene kant was de wand bevestigd aan de eiken paal die het afdak boven de entree ondersteunt, aan de andere zijde aan de muur naast de entree. De lichtinval bij de entree van de woning van [de eiser in conventie] werd daardoor aanzienlijk verminderd.\n\n2.5.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van haar perceel een haagbeuk geplaatst.\n\n2.6.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar perceel naast de mandelige scheidsmuur op slordige wijze een muur gemetseld waarop van boven naar beneden de letters “A J A X” zijn gemetseld. Later heeft zij voor deze letters een groen geschilderde houten plank gehangen.\n\n2.7.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, zonder toestemming van [de eiser in conventie] houten planken op de mandelige tuinmuur geplaatst. Deze heeft zij na ontvangen sommaties verwijderd en vervolgens bevestigd aan de achtergelegen pergola.\n\n2.8.. Aan de achterzijde van de woningen staat langs de erfgrens op het perceel van [de gedaagde in conventie] een dubbel hekwerk, dat wil zeggen een binnen- en buitenhekwerk met daartussen een beukenhaag. [de gedaagde in conventie] heeft op en langs het buitenste deel van het hekwerk, aan de zijde van [de eiser in conventie] , stroomdraad bevestigd.\n\n2.9.. \n [de eiser in conventie] zijn eigenaar van de toegangsweg vanaf de openbare weg naar de woning van [de gedaagde in conventie] . Bij de levering van de woning aan [de eiser in conventie] is ten behoeve van het perceel van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid gevestigd op grond waarvan [de gedaagde in conventie] van en naar haar woning mag lopen of rijden.\n\n2.10.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van de woning de houten balk van haar pergola bevestigd aan de muur.2.11.. Nadat verschillende incidenten tussen partijen hadden plaatsgevonden hebben [de eiser in conventie] op advies van de politie beveiligingscamera’s geplaatst. Deze bevinden zich op het schuurtje in de zijtuin, aan de zijgevel en aan de voorgevel. Ook heeft de deurbel een camera.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [de eiser in conventie] vorderen dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis\n\nI. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het bordes in de oorspronkelijke staat te herstellen, welke oorspronkelijke staat blijkt uit de als productie 5 overgelegde foto’s, alsmede de zwarte wand te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nII. [de gedaagde in conventie] zal gebieden de haag op maximaal 2 meter hoogte te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [de gedaagde in conventie] met deze verplichting in overtreding is, met een maximum van € 50.000,00,\n\nIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de AJAX-muur, zoals blijkt uit de als productie 7 overgelegde foto’s, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nIV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur te verwijderd en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het stroomdraad op en langs het buitenste scheidingshek te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVI. [de gedaagde in conventie] zal verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nVII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis de aan de muur van [de eiser in conventie] bevestigde houten balk van de pergola te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, alles tevens te vermeerderen met de wettelijke rente indien de kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis.\n\n3.2.. \n [de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.3.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [de gedaagde in conventie] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nI. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 1.000,00,\n\nII. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het verwijderen en verwijderd houden van alle camera’s, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nsubsidiair:\n\nIII. [de eiser in conventie] zal veroordelen c.q. gelasten om binnen\n\n48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het fysiek vergrendelen en afschermen en fysiek vergrendeld en afgeschermd houden van alle camera’s, zodat deze geen zicht hebben op het perceel van [de gedaagde in conventie] en de openbare weg, alsmede daarbij te bepalen dat voornoemde camera’s niet (meer) over de mogelijkheid mogen beschikken om audio opnames te maken en daarbij te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen dezelfde termijn als voornoemd bewijs van de vergrendelde c.q. afgeschermde situatie inclusief de onmogelijkheid van het maken van geluidsopnamen door voornoemde camera’s dienen te overleggen door een opname daarvan aan [de gedaagde in conventie] te verstrekken, dan wel op enigerlei andere wijze bewijs aan [de gedaagde in conventie] te overleggen waaruit blijkt dat aan de veroordeling op dit onderdeel is voldaan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nin alle gevallen:\n\nIV. [de eiser in conventie] zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 278,00 zonder betekening en\n\n€ 370,00 met betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.\n\n3.5.. \n [de eiser in conventie] voeren verweer. [de eiser in conventie] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het geschil, zal zij ingaan op de stelling van [de gedaagde in conventie] dat – zo begrijpt de rechtbank – [de eiser in conventie] de waarheidsplicht als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben geschonden. Volgens [de gedaagde in conventie] hebben [de eiser in conventie] de door haar ingenomen standpunten buiten de dagvaarding gelaten en schetsen zij een eenzijdig beeld.\n\n4.2.. Op grond van artikel 21 Rv hebben partijen de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aan te voeren. Het is de rechtbank duidelijk dat partijen van mening verschillen over de feiten en omstandigheden die aan het geschil ten grondslag liggen. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat [de eiser in conventie] bewust voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid hebben aangevoerd en in strijd hebben gehandeld met artikel 21 Rv.\n\nin conventie\n\n4.3.. De rechtbank begrijpt dat [de eiser in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht dan wel onrechtmatige hinder aan hun vorderingen ten grondslag leggen. Het juridisch kader van deze grondslagen zal eerst worden geschetst, dit kader zal vervolgens worden toegepast op de vorderingen van [de eiser in conventie] .\n\nHet juridisch kader\n\n4.4.. Artikel 5:1 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij om gebruik te maken van zijn zaak, mits dit gebruik niet in strijd is met rechten van anderen en daarbij de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen in acht worden genomen. De eigenaar kan zijn recht dus aan iedereen tegenwerpen en hij hoeft niet te dulden dat een ander zijn zaak op wat voor wijze dan ook gebruikt, tenzij die ander een bevoegdheid daartoe heeft verkregen. Het is in beginsel onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW om op een eigendomsrecht inbreuk te maken, tenzij voor die inbreuk een rechtvaardigingsgrond bestaat. Een vorm van een inbreuk op het eigendomsrecht is (onrechtmatige) hinder. Op grond van artikel 5:37 BW mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Voor de vraag of de hinder onrechtmatig is, zijn de criteria van artikel 6:162 BW bepalend. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en de omstandigheden waaronder de hinder plaatsvindt (ECLI:NL:HR:1991:ZC0235). Wanneer sprake is van onrechtmatige hinder, kan degene die van mening is dat zijn buur hem hindert, een verbod tot verdere veroorzaking van die hinder of een gebod tot herstel in de oude toestand vorderen.\n\nHet bordes en de houten wand\n\n4.5.. \n [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt veroordeeld om het bordes te herstellen in de oorspronkelijke staat en de houten wand te verwijderen. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat de entree, het bordes en de steunpaal van het afdak worden nagetrokken door de woning op grond van artikel 5:20 lid 1 onder e BW. Door de situatie zonder hun toestemming te wijzigen maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht, aldus [de eiser in conventie] . [de gedaagde in conventie] voert hiertegen aan dat de houten wand op haar perceel staat en is bevestigd aan een mandelige muur. Daarom maakt zij volgens haar op grond van artikel 5:67 BW geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] .\n\n4.6.. Uit artikel 5:20 lid 1 onder e BW vloeit voort dat de eigenaar van een perceel grond eigenaar is van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond zijn verenigd, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak. Als een bestanddeel van een gebouw zich bevindt in, op of boven grond die aan een ander dan de eigenaar van het gebouw toebehoort, is dit bestanddeel geen eigendom van de grondeigenaar, maar van de eigenaar van het gebouw waarvan het deel uitmaakt (ECLI:NL:HR:1994:ZC1502). Het voorgaande brengt mee dat indien het bordes en het afdak met eiken paal bestanddelen zijn van de woning van [de eiser in conventie] , [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk maakt op hun eigendomsrecht.\n\n4.7.. In artikel 3:4 BW staat, kort gezegd, dat sprake kan zijn van een bestanddeel van de woning op grond van de verkeersopvatting (lid 1) en op grond van onverbrekelijke verbondenheid (lid 2). Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting een bestanddeel is, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd. Een andere aanwijzing kan zijn dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming (ECLI:NL:HR:2012:BX7474). Op grond van artikel 3:4 lid 2 BW is al hetgeen dat zodanig met de hoofdzaak is verbonden, dat het daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van beide zaken, bestanddeel van die hoofdzaak (TM, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 72).\n\n4.8.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] ten aanzien van het bordes onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat van een situatie als bedoeld in artikel 3:4 lid 1 of 3:4 lid 2 BW sprake is. [de eiser in conventie] hebben bloot gesteld dat het bordes een bestanddeel is van hun woning. [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat zij alleen stenen van het bordes heeft weggehaald die op haar eigen perceel lagen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat die stenen onverbrekelijk verbonden waren met de woning van [de eiser in conventie] , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit niet het geval was. [de eiser in conventie] hebben verder onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat hun woning en het bordes constructief op elkaar zijn afgestemd of dat de woning niet aan zijn bestemming (wonen) kan beantwoorden zonder het bordes. In het licht hiervan hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat het deel van het bordes dat is weggehaald door [de gedaagde in conventie] hun eigendom was en daarmee ook dat [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk heeft gemaakt op hun eigendomsrecht. De vordering van [de eiser in conventie] is daarmee niet toewijsbaar voor zover deze ziet op herstel van het bordes naar de oude situatie.\n\n4.9.. Over het plaatsen van de houten wand heeft [de gedaagde in conventie] betoogd dat de buitenmuur van de woning mandelig is en dat de houten wand is bevestigd aan haar deel van de mandelige muur. Volgens [de gedaagde in conventie] maakt zij op grond van artikel 5:67 lid 1 BW hiermee geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] hebben hiertegenover aangevoerd dat alleen de binnenmuren mandelig zijn en de betreffende buitenmuur, die in het verlengde van een binnenmuur loopt, niet. Volgens [de eiser in conventie] heeft de buitenmuur namelijk geen gemeenschappelijk nut. Daarnaast moet de mandelige bestemming in een notariële akte zijn opgenomen, wat niet het geval is, aldus [de eiser in conventie] .\n\n4.10.. Contractuele mandeligheid in de zin van artikel 5:60 BW ontstaat wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en zij deze zaak bestemmen tot gemeenschappelijk nut van die erven. De toekenning van deze bestemming dient te geschieden bij notariële akte die wordt ingeschreven in de openbare registers. Door [de eiser in conventie] is onweersproken aangevoerd dat de betreffende muur de buitenmuur is van hun woning. De notariële akte waar beide partijen naar verwijzen bepaalt dat de gemeenschappelijke muren gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens door het hart van die muren zal lopen. Nu de muur slechts aan één kant onderdeel is van een gebouw of werk (de woning van [de eiser in conventie] ) en aan de andere kant grenst aan onbebouwde grond (van [de gedaagde in conventie] ), heeft [de gedaagde in conventie] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een gemeenschappelijke muur in de zin van de notariële akte. De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW. Mandeligheid kan ook ontstaan op grond van de in artikel 5:62 BW genoemde gevallen. Artikel 5:62 BW maakt onderscheid tussen een vrijstaande scheidsmuur (lid 1) en een niet-vrijstaande scheidsmuur (lid 2). Onder een vrijstaande scheidsmuur moet worden verstaan een muur die twee erven scheidt en niet onderdeel is van een gebouw of werk (TM, Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 231). Een vrijstaande scheidsmuur is op grond van artikel 5:62 lid 1 BW van rechtswege mandelige mede-eigendom indien vaststaat dat de grens tussen de erven in de lengterichting onder de muur doorloopt. Op grond van artikel 5:62 lid 2 BW is een scheidsmuur die twee gebouwen of werken die aan verschillende eigenaren toebehoren, gemeen hebben, gemeenschappelijk eigendom en mandelig. Voor het ontstaan van de mandeligheid bij een niet-vrijstaande scheidsmuur is niet vereist dat de grens in de lengterichting onder de muur doorloopt.\n\n4.11.. \n [de eiser in conventie] hebben onweersproken aangevoerd dat de buitenmuur alleen aan hun zijde van de muur bebouwd is. Van een vrijstaande scheidsmuur is dus geen sprake. Tussen partijen is in geschil of in dit geval wel sprake is van een scheidsmuur als bedoeld in het tweede lid van artikel 5:62 BW. De woningen van partijen grenzen aan elkaar en de muur tussende beide woningen is mandelig op grond van artikel 5:62 lid 2 BW. Dit is ook niet tussen partijen in geschil. Partijen twisten wel over de vraag of deze mandeligheid zich ook uitstrekt tot de buitenmuur die in het verlengde van de mandelige (binnen)muur aan één zijde feitelijk de buitenmuur vormt van de woning van [de eiser in conventie] en aan de andere zijde aan de tuin van [de gedaagde in conventie] grenst. Omdat de muur op die plaats slechts aan één zijde bebouwd is, is deze op grond van artikel 5:62 BW niet mandelig. Door (horizontale) natrekking is de muur voor zover deze als buitenmuur kan worden aangemerkt (volledig) eigendom van [de eiser in conventie] . Het verweer dat de houten wand aan een kant is bevestigd aan een mandelige muur, slaagt dus niet.\n\n4.12.. De houten wand is aan de andere zijde bevestigd aan een eiken houten paal. Deze eiken houten paal ondersteunt het afdak van de woning van [de eiser in conventie] . Nu het afdak met de houten paal in constructief opzicht is afgestemd op de woning van [de eiser in conventie] , is de houten paal naar de verkeersopvatting een bestanddeel van de woning. Uit het voorgaande volgt dat zowel de muur als de houten paal waaraan de houten wand door [de gedaagde in conventie] bevestigd is, eigendom zijn van [de eiser in conventie] . Door het plaatsen van een houten wand tegen de muur en houten paal, maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . Dat [de eiser in conventie] vervolgens ook zelf een houten schutting hebben geplaatst, tegen de andere zijde van de eiken paal, doet hier niet aan af. Voor zover [de gedaagde in conventie] betoogt, dat [de eiser in conventie] daardoor geen belang bij verwijdering van de houten wand hebben, omdat die schutting ook het zicht en licht blokkeert, faalt dit betoog. De rechtbank heeft van [de eiser in conventie] begrepen dat zij deze schutting in reactie hebben geplaatst en deze zullen verwijderen als de houten wand is verwijderd. Daarbij komt dat, zoals [de eiser in conventie] op de zitting onweersproken hebben aangevoerd, de door [de gedaagde in conventie] geplaatste wand in strijd is met de in de leveringsakte opgenomen erfdienstbaarheid op grond waarvan de toestand moet worden gehandhaafd voor wat betreft de toevoer van licht en lucht. De vordering van [de eiser in conventie] zal daarom (ook) worden toegewezen voor zover deze ziet op verwijdering van de houten wand.\n\nDe beukenhaag\n\n4.13.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen perceel een beukenhaag geplaatst. [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt geboden om de beukenhaag op maximaal twee meter hoogte te houden. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [de gedaagde in conventie] heeft gezegd dat de beukenhaag hoger gaat reiken dan vijftien meter en het uitzicht van [de eiser in conventie] zal ontnemen. [de gedaagde in conventie] betwist de beukenhaag enkel te hebben geplaatst om [de eiser in conventie] te pesten en dat zij heeft aangegeven dat deze haag 15 meter hoog zou worden. Het laatste is volgens haar bovendien onmogelijk als gevolg van de wijze van beplanting. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling daaraan toegevoegd dat de beukenhaag al twee jaar lang ongeveer twee meter hoog is, hetgeen niet is betwist, en dat zij niet van plan is om de beukenhaag (veel) hoger te laten groeien omdat het onderhoud dan problematisch wordt. De stelling van [de eiser in conventie] dat [de gedaagde in conventie] de beukenhaag tot meer dan vijftien meter zal laten groeien is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd betwist. Nu [de eiser in conventie] niet hebben gesteld dat zij bij de huidige hoogte van de beukenhaag hinder ondervinden, zal hun vordering tot het gebieden van [de gedaagde in conventie] om de beukenhaag op maximaal twee meter te houden worden afgewezen.\n\nDe AJAX-muur\n\n4.14.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een muur gemetseld met daarin de letters AJAX (hierna: de AJAX-muur). [de eiser in conventie] stellen dat de muur een rustig beeld verstoort en vorderen verwijdering van deze muur. In het midden kan worden gelaten of de AJAX-muur, waarvan kan worden aangenomen dat deze op deze wijze is gemetseld om [de eiser in conventie] dwars te zitten, voldoende is om onrechtmatige hinder aan te nemen. [de gedaagde in conventie] heeft immers een houten plank voor de letters geplaatst zodat deze niet meer zichtbaar zijn voor [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij nog steeds hinder ondervinden omdat de muur niet net en passend is afgewerkt. Dit betoog kan hen niet baten. Er bestaat geen recht op vrij of mooi uitzicht. Dat de muur en de afwerking er volgens [de eiser in conventie] niet mooi uitzien, is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. De vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van de muur is daarom niet toewijsbaar.\n\nDe houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur\n\n4.15.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een houten plank aan een pergola bevestigd. [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de houten plank, omdat zij er hinder dan wel last van ondervinden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [de eiser in conventie] aangegeven dat zij de plank geen gezicht vinden. Wederom is de enkele stelling van [de eiser in conventie] dat de plank lelijk is, onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [de eiser in conventie] nog aangevoerd dat de plank, bezien vanuit het perceel van eisers, boven de twee meter uitsteekt, wat volgens hem in strijd is met artikel 5:49 lid 1 BW. Artikel 5:49 lid 1 BW bepaalt dat iedere eigenaar van aangrenzende erven kan vorderen dat de ander meewerkt aan een gemeenschappelijke scheidsmuur van twee meter hoogte. Blijkens de eigen stellingen van [de eiser in conventie] zit de houten plank aan de pergola niet (meer) op de tuinmuur, maar tien tot vijftien centimeter achter de muur. Naar het oordeel van de rechtbank kan de houten plank aan de pergola daarom niet (meer) worden aangemerkt als onderdeel van een erfscheiding in de zin van artikel 5:49 lid 1 BW, zodat ook artikel 5:49 lid 1 BW geen grondslag biedt voor de gevorderde verwijdering van de houten plank. De vordering is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet stroomdraad\n\n4.16.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van het stroomdraad op en langs het buitenste hekwerk. Voor zover [de eiser in conventie] hun vordering tot verwijdering van het stroomdraad vorderen op grond van onrechtmatige daad wegens gevaarzetting, geldt het volgende.\n\n4.17.. Vooropgesteld wordt dat niet iedere vorm van gevaarzetting onrechtmatig is en dat een zekere mate van risicoschepping geoorloofd is. Het stroomdraad op en langs het hek van [de gedaagde in conventie] is alleen onrechtmatig als dit naar de normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is. Of dat het geval is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:1994:ZC1576). Daarbij zijn de volgende gezichtspunten van belang: de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). Op [de eiser in conventie] rust de stelplicht en bewijslast dat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting.\n\n4.18.. \n [de eiser in conventie] stellen dat zij bij normaal gebruik van hun tuin tegen de stroomdraden aan kunnen komen en daardoor een schok krijgen en dat dit ook al eens is gebeurd. Daarnaast komt er wel eens bezoek met kinderen, ook zij lopen het risico de stroomdraden te raken. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende gesteld dat sprake is van een gevaarzetting. [de gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat het stroomdraad bij aanraking een schok geeft. Echter, [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat het hek met de stroomdraden in zijn geheel op haar perceel staat. [de eiser in conventie] stellen in het kader van de onrechtmatigheid enkel dat het hek met stroom alleen is geplaatst om hun schade toe te brengen. [de gedaagde in conventie] betwist dit en voert aan dat het hek met de stroomdraden er staat om wild en honden weg te houden bij haar paarden en om haar paarden binnen te houden. Weliswaar staan er nu geen paarden in de wei, maar dit komt volgens [de gedaagde in conventie] omdat zij meermaals stenen in de wei heeft gevonden. [de gedaagde in conventie] heeft hiermee voldoende betwist dat het hek alleen is geplaatst om [de eiser in conventie] te schaden. De aard van de gedraging – het plaatsen van een hek op eigen perceel om wild en honden buiten te houden – is naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig. In het licht van het voorgaande hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de gevaarzetting door [de gedaagde in conventie] naar normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is, zodat geen sprake is van een onrechtmatige daad. De vordering van [de eiser in conventie] tot het verwijderen van de stroomdraden op en langs het hek is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet betreden van het erf\n\n4.19.. \n [de eiser in conventie] vorderen [de gedaagde in conventie] te verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat zij vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt verboden het gehele perceel, kadastraal aangeduid als [kadasternummer] , te betreden. Voor zover [de gedaagde in conventie] betwist dat de aan de overzijde van de weg gelegen strook grond, behorend tot dit perceel, eigendom van [de eiser in conventie] is, geldt dat zij deze betwisting, in het licht van de kadastrale tekeningen, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan. [de eiser in conventie] mogen op grond van artikel 5:1 lid 2 BW met uitsluiting van eenieder gebruik maken van hun eigendom. Dat betekent dat [de eiser in conventie] van [de gedaagde in conventie] mogen verwachten dat zij zich niet meer op hun perceel begeeft, als zij dat niet wensen.\n\n4.20.. Het perceel van [de eiser in conventie] omvat echter mede de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van (het perceel van) [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [de gedaagde in conventie] zonder recht en noodzaak hun perceel betreedt, hetgeen een onrechtmatige daad is en het gevorderde verbod rechtvaardigt. Voor zover [de eiser in conventie] hiermee doelen op de toegangsweg, geldt dat [de gedaagde in conventie] op grond van de erfdienstbaarheid het recht heeft om zich over de toegangsweg van en naar de openbare weg te begeven. [de eiser in conventie] dienen op grond van de erfdienstbaarheid daarom te dulden dat [de gedaagde in conventie] de toegangsweg betreedt. De rechtbank zal, als het mindere, [de gedaagde in conventie] verbieden om het perceel, kadastraal aangeduid met [kadasternummer] , te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid gevestigd is.\n\nDe houten balk aan de muur\n\n4.21.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de balk van de pergola. Hun raadsman heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [de gedaagde in conventie] de houten balk van de pergola heeft losgemaakt van de muur, zodat dit geschilpunt feitelijk is opgelost. Voorts geldt het volgende. [de gedaagde in conventie] stelt dat de muur aan de achterzijde waar de houten balk aan was bevestigd, mandelig is op grond van de notariële akte. [de eiser in conventie] voeren aan dat de mandeligheid niet is bevestigd in de notariële akte. De buitenmuur is volgens [de eiser in conventie] geen gemeenschappelijk eigendom en daarmee niet mandelig. De rechtbank begrijpt dat hier zich eenzelfde soort situatie voordoet als bij de door [de gedaagde in conventie] bevestigde houten wand. De muur waaraan de houten balk aan was bevestigd, is immers ook alleen aan de woning van [de eiser in conventie] bebouwd en grenst aan de andere kant aan de (onbebouwde) tuin van [de gedaagde in conventie] . De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW of artikel 5:62 BW. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen dat is overwogen in rechtsoverweging 4.10 en 4.11. Door de houten balk aan de muur te bevestigen heeft [de gedaagde in conventie] inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] , zodat hun vordering zal worden toegewezen voor zover deze ziet op het verwijderd houden van de balk van de muur.\n\nDe gevorderde dwangsommen\n\n4.22.. De door [de eiser in conventie] gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.23.. \n [de gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring ingeval de vorderingen jegens haar toewijsbaar worden geacht. [de gedaagde in conventie] voert aan dat zij in dat geval in hoger beroep zal gaan en er sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen als zij wordt veroordeeld aanpassingen te doen in en om haar woning.\n\n4.24.. Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, indien gevorderd, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd hangende een hogere voorziening. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze beoordeling blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aan te wenden rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (ECLI:NL:HR:2019:2026)\n\n4.25.. De vorderingen in conventie die worden toegewezen zijn – samengevat – dat [de gedaagde in conventie] de houten wand dient te verwijderen, dat zij het erf van [de eiser in conventie] niet mag betreden (met uitzondering van de toegangsweg) en dat zij de houten balk verwijderd dient te houden. [de gedaagde in conventie] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat in deze gevallen sprake is van een onomkeerbare situatie en evenmin dat zij, zolang niet in hoger beroep is beslist, een groter belang heeft bij handhaving bij de bestaande toestand dan [de eiser in conventie] bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Er bestaat dan ook geen grond om van het onder 4.24 weergegeven uitgangspunt af te wijken. Het vonnis in conventie zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nDe proceskosten in conventie\n\n4.26.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nin reconventie\n\n4.27.. \n [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar vordering – samengevat – inhoudende dat [de eiser in conventie] worden veroordeeld om de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen, ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.. De overige vorderingen in reconventie zien op de door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s.\n\nDe camera’s\n\n4.28.. \n [de gedaagde in conventie] vordert in reconventie primair verwijdering van alle door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s. Subsidiair vordert [de gedaagde in conventie] dat [de eiser in conventie] de camera’s dienen te vergrendelen en af te schermen en dat de camera’s niet meer de mogelijkheid mogen hebben om audio opnames te maken. [de gedaagde in conventie] legt aan haar vorderingen onrechtmatige daad in de vorm van inbreuk op haar recht op privacy ten grondslag. [de eiser in conventie] voeren hiertegen aan dat de camera’s niet op het perceel van [de gedaagde in conventie] zijn gericht en ook geen geluidsopnames maken. Daarnaast hebben de camera’s beveiligingsdoeleinden en een bewijsvergaringsfunctie in het geschil tussen partijen.\n\n4.29.. Het recht op privacy is opgenomen in artikel 8 van het EVRM (Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) en artikel 10 van de Grondwet. Bij de beantwoording van de vraag of [de eiser in conventie] onrechtmatig inbreuk maken op het recht van [de gedaagde in conventie] op bescherming van de privacy, heeft in zijn algemeenheid als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Ook dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.30.. \n [de gedaagde in conventie] stelt dat de camera’s van [de eiser in conventie] een deel van haar perceel filmen. Ter onderbouwing heeft zij door [de eiser in conventie] gemaakte afbeeldingen overgelegd, waarop een deel van haar perceel te zien is. [de eiser in conventie] hebben (onweersproken) aangevoerd dat de afbeeldingen waarop het perceel van [de gedaagde in conventie] te zien is, zijn gemaakt met een mobiele telefoon en niet door de camera’s. Verder hebben [de eiser in conventie] door middel van de overgelegde afbeeldingen en posities van de camera’s voldoende gemotiveerd betwist dat de camera’s het perceel van [de gedaagde in conventie] filmen. Dat de camera’s kunnen draaien en daarmee op het perceel van [de gedaagde in conventie] gericht kunnen worden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op het recht van privacy van [de gedaagde in conventie] . Niet althans onvoldoende gesteld of gebleken is immers dat een gerechtvaardigde vrees bestaat dat [de eiser in conventie] de camera’s aldus zullen draaien. Ten aanzien van de camera die op de schuur is bevestigd en gericht is op het erf van [de eiser in conventie] , de camera op de zijgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] en de deurbel met een camerafunctie die gericht is op de entree van het woonhuis van [de eiser in conventie] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . De vorderingen van [de gedaagde in conventie] zijn voor wat betreft de voorgenoemde camera’s daarom niet toewijsbaar.\n\n4.31.. Ten aanzien van de camera op de voorgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] , oordeelt de rechtbank als volgt. Door [de eiser in conventie] wordt erkend dat de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van [de gedaagde in conventie] , wordt gefilmd. Hierdoor is sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] kunnen met deze camera immers de verkeersbewegingen van [de gedaagde in conventie] vastleggen, evenals die van haar eventuele bezoek. Dat [de eiser in conventie] tijdens de mondelinge behandeling hebben aangeven dat zij dit niet in de gaten houden, maakt dit niet anders. In beginsel is dus sprake van een onrechtmatige daad jegens [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij een rechtvaardigingsgrond hebben voor de camera’s, te weten beveiliging en bewijsvergaring. Beveiliging omdat de camera’s een afschrikkende werking hebben voor ongenode gasten en bewijsvergaring ten aanzien van het gestelde onrechtmatige gedrag van [de gedaagde in conventie] .\n\n4.32.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] een gerechtvaardigd belang om hun eigendommen te beschermen, zodat het hun in beginsel is toegestaan om de camera op te hangen. De primaire vordering van [de gedaagde in conventie] tot verwijdering van de camera is daarom niet toewijsbaar. Echter, het doel van beveiliging van de eigendommen van [de eiser in conventie] kan voor wat betreft de voorzijde van het perceel ook op een minder vergaande manier bereikt worden. Uit de door hen als productie 18 overgelegde afbeeldingen volgt namelijk dat er nog een stuk oprit zit tussen hun woning en de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd. Indien zij de camera aan de voorgevel zo afstellen dat deze gericht is op de oprit, is alsnog sprake van de afschrikkende werking van de camera met als doel ongenode gasten buitenhouden. Ten aanzien van de bewijsvergaringsfunctie van de camera is de rechtbank van oordeel dat het recht op privacy van [de gedaagde in conventie] zwaarder weegt. Hierbij geeft het voor de rechtbank de doorslag dat de toegangsweg van [de eiser in conventie] voor [de gedaagde in conventie] aan die zijde van haar woning de enige manier is om de openbare weg te bereiken. Zowel [de gedaagde in conventie] als haar bezoek wordt altijd gefilmd bij het komen en gaan van en naar haar perceel, zodat [de eiser in conventie] altijd inzicht kunnen hebben in bij voorbeeld wie er wanneer op bezoek komt bij [de gedaagde in conventie] . Ten aanzien van de camera aan de op de voorgevel van de woning van [de eiser in conventie] , is de rechtbank daarom van oordeel dat de proportionaliteit meebrengt dat deze zo dient te worden afgesteld dat deze geen zicht geeft op de toegangsweg. De subsidiaire vordering in reconventie zal daarom als het mindere worden toegewezen als vermeld in de beslissing.\n\n4.33.. Verder heeft [de gedaagde in conventie] aangevoerd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnamen kunnen maken, waardoor alles wat [de gedaagde in conventie] in haar tuin zegt wordt opgenomen. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de camera’s geluidsopnames kunnen maken, maar dat dit niet kan op een grotere afstand dan een of twee meter. Volgens [de eiser in conventie] staan geen van de camera’s binnen een of twee meter van de erfgrens. In het licht van deze verklaring van [de eiser in conventie] , heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnames (kunnen) maken van hetgeen wordt gezegd op het perceel van [de gedaagde in conventie] . Het enkele feit dat de camera’s de mogelijkheid hebben om geluidsopnames te maken, is onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op de privacy van [de gedaagde in conventie] . Voor zover de vordering van [de gedaagde in conventie] ziet op het bepalen dat de camera’s geen geluid meer op mogen nemen, is de vordering daarom niet toewijsbaar.\n\nDe gevorderde dwangsom is niet toewijsbaar\n\n4.34.. De door [de gedaagde in conventie] gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. [de gedaagde in conventie] heeft niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe proceskosten in reconventie\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis de zwarte houten wand te verwijderen en verwijderd te houden,\n\n5.2.. verbiedt [de gedaagde in conventie] om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] (kadastraal aangeduid als [kadasternummer] ) te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om de balk van de pergola die aan de muur van [de eiser in conventie] was bevestigd van de muur verwijderd te houden,\n\n5.4.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [de eiser in conventie] om de camera die aan de voorgevel van hun woning hangt dusdanig af te stellen dat deze de toegangsweg, waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd, niet meer filmt en gebiedt [de eiser in conventie] te bewijzen dat dit het geval is door middel van het overleggen van afbeeldingen van de stand van de afgestelde camera,\n\n5.8.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.7 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op\n\n17 juni 2026.\n\nJV\u002FMa","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","ecli-nl-rbgel-2026-5282",{"courtName":6,"legalDomain":94,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Goederenrecht",{"id":96,"ecli":97,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":98,"fullText":99,"language":7,"source":17,"sourceUrl":100,"summary":14,"slug":101,"metadata":102},"1161","ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F466488 \u002F KZ ZA 26-57\n\nVonnis in kort geding van 16 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTORT DOONWEG B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: SDW,\n\nadvocaat: mr. E.P.C. Duinkerke,\n\ntegen\n\nZONNEPARK EERBEEK B.V.,\n\nte Eerbeek, gemeente Brummen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: ZE,\n\nadvocaat: mr. M.J.M. Derks.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 25\n\n- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 12\n\n- de aanvullende producties 13 tot en met 15 - de mondelinge behandeling van 26 mei 2026 - de pleitnota van SDW - de pleitnota van ZE.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. SDW is eigenaar van de voormalige vuilstortplaats aan de Doonweg te Eerbeek. ZE is de oprichter en exploitant van het zonnepark dat gelegen is op het topvlak van het perceel.\n\n2.2.. Voordat ZE het zonnepark heeft opgericht is onderzoek gedaan naar het verschil in opbrengst tussen zonnefolie en reguliere zonnepanelen. Op basis van onderzoeksresultaten is in 2018 vastgesteld dat het aanbrengen van zonnefolie niet haalbaar wordt geacht en dat de realisatie van het zonnepark met reguliere zonnepanelen op een stabilisatielaag van staalslakken wel haalbaar is. Advies- en ingenieursbureau [adviesbureau 1] (hierna: [adviesbureau 1] ) heeft hierover geadviseerd. Vervolgens heeft [adviesbureau 1] een plan van aanpak opgesteld voor het aanbrengen van een tijdelijke bovenafdichting bestaande uit een stabilisatielaag van staalslakken waarop het zonnepark werd voorzien. Staalslakken zijn een steenachtig restproduct uit de staalindustrie.\n\n2.3.. Partijen hebben een erfpachtovereenkomst gesloten op 16 maart 2018.\n\n2.4.. In 2020 is de staalslakkenlaag aangebracht. In voornoemde erfpachtovereenkomst is bepaald dat het recht van erfpacht, wat het gebruik betreft, is beperkt tot de tijdelijke afdeklaag van staalslakken en het daarop aangebrachte zonnepark.\n\n2.5.. Op 12 maart 2020 is de notariële akte gepasseerd waarmee ZE de rechten van erfpacht, opstal en erfdienstbaarheid verkreeg ten behoeve van de realisatie en exploitatie van het zonnepark (hierna: Akte van erfpacht). In de Akte van erfpacht zijn grotendeels de afspraken uit de erfpachtovereenkomst opgenomen en daarnaast zijn nieuwe afspraken vastgelegd. In de Akte van erfpacht staan onder andere de volgende bepalingen:\n\n“1.3. De Eigenaar zal voor eigen rekening en risico uiterlijk opéén mei tweeduizend twintigde voor realisatie van het Zonneveld benodigde tijdelijke afdeklaag van staalslakken aangebracht hebben en de Erfpachtzaak de overige werkzaamheden hebben verricht die zorgen dat de Erfpachtzaak geschikt is als draagconstructie van het Zonneveld, een en ander conform de Werkomschrijving.\n\n(…)\n\nArtikel 5. Bodemverontreiniging\n\n5.1. Aangezien de Erfpachter de grondlagen onder de afdeklaag niet zal en niet mag gebruiken is de bodemgesteldheid hiervan voor de vestiging van het Recht van erfpacht van ondergeschikt belang. In dit kader verklaart de Erfpachter evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard als bedoeld in artikel 8:47 derde lid Wet milieubeheer en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Erfpachter accepteert hierbij uitdrukkelijk de specifieke fysieke en milieutechnische gevolgen, kenmerken, beperkingen en eigenschappen van de Erfpachtzaak en accepteert tevens dat hij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke fysieke kenmerken van deze locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publiekrechtelijke besluitvorming.\n\n(…)\n\n5.3. \n\nOp de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig zoals bedoeld in de Werkomschrijving.Voor het geval Eigenaar van overheidswege (door een wetswijziging, door regelgeving en\u002Fof een al dan niet op bestaande regelgeving gebaseerd onherroepelijk besluit van het bevoegd gezag) verplicht wordt om gedurende de duur van het Recht van erfpacht over te gaan tot het aanbrengen van een definitieve afdeklaag, geldt het volgende:\n\n(…)\n\nh. Erfpachter draagt voor iedere fase van de werkzaamheden steeds tijdig zorg voor de tijdelijke verwijdering van de zonnepanelen, de onderstellen en de ballast (een en ander conform het daartoe in het goedgekeurde Plan bepaalde).”\n\nArtikelen 5.1 en 5.2 waren reeds opgenomen in de overeenkomst van erfpacht, artikel 5.3 bevat nieuwe afspraken die alleen in de Akte van erfpacht zijn vastgelegd.\n\n2.6.. Vanaf medio 2021 zijn er berichten in de media verschenen over mogelijk negatieve effecten door het gebruik van staalslakken voor mens en milieu in het algemeen en specifiek ten aanzien van de staalslakken die zijn gebruikt bij de tijdelijke afdeklaag op de vuilstortplaats van SDW die door ZE wordt gebruikt.\n\n2.7.. SDW heeft vervolgens een milieuonderzoek laten uitvoeren door ingenieursbureau Arcadis Nederland B.V. (hierna: Arcadis). In opdracht van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: ODRN) is een contra-expertise uitgevoerd door [adviesbureau 2] . [adviesbureau 2] adviseert om zo spoedig als technisch mogelijk een definitieve bovenafdichting aan te brengen.\n\n2.8.. Op 6 juni 2022 heeft Arcadis een plan van aanpak voor het afdekken van de laag staalslakken opgesteld. In dit plan van aanpak worden twee alternatieven tegenover elkaar afgewogen. Het eerste alternatief waarbij de toplaag tijdelijk werd afgedicht. De zonnepanelen kunnen in dat geval blijven staan en er wordt pas een definitieve bovenafdichting geplaatst als het zonnepark wordt ontmanteld in 2043. Het tweede alternatief betreft het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. In dat geval dient het zonnepark tijdelijk verwijderd te worden. Arcadis adviseert om te kiezen voor het direct aanbrengen van een definitieve bovenafdichting.\n\n2.9.. Bij brief van 29 augustus 2024 aan SDW bericht de omgevingsdienst Regio Arnhem (hierna: ODRA) dat zij het volgende van SDW verwachten:\n\n“\n\n7. Dichte eindafwerking.\n\nDe stortplaats moet worden afgewerkt met een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nU heeft hierop scenario’s beschreven voor het aanbrengen van de eindafwerking. In de notitie “Afweging keuze voor een oplossing van de milieuproblemen van stort Doonweg”, SDW d.d. 15 april 2024 ziet u drie mogelijke scenario’s:\n\nVerbeteren van de situatie door dusdanig verleggen van de ringweg en ringsloot dat het percolaat uit de staalslakken effectief wordt opgevangen en afgevoerd naar de waterzuivering in combinatie met vergroten van de capaciteit om het water te bufferen, zodat er geen risico meer is op overstroming (fase 1).\n\nAanbrengen van de definitieve bovenafdichting. Hierbij ontstaat een situatie waarin een waterdichte afdichting over de staalslakken wordt aangebracht met daarop een laag van één meter grond. Het is deze laag grond infiltrerende regenwater komt aan de teen van de stort als schoon water naar buiten en kan vervolgens in de ringsloot en infiltratievijver geïnfiltreerd worden (fase 2).\n\n(…)\n\nNa weging van voor- en nadelen kiest u ervoor het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047.\n\n(…)\n\nNaar ons oordeel is er een noodzaak tot het spoedig aanbrengen van een dichte eindafwerking.\n\n(…)\n\nDoor de aanleg van de eindafwerking uit te stellen tot een nader te bepalen moment – dit moment is niet later dan 1 januari 2047 gaat u voorbij aan de u toekomende zorgplicht als bedoeld in artikel 2.11 Bal.\n\nNaar ons standpunt handelt u slechts in lijn met de in artikel 2.11 Bal neergelegde specifieke zorgplicht wanneer u uitvoering geeft aan scenario 3, waarbij in 2024 fase 1 wordt uitgevoerd en aansluitend fase 2a in 2025. Fase 2b kan in dat gevolg volgen in 2026, tenzij u aan de hand van de resultaten van technisch onderzoek aantoont dat uitvoering van fase 2b technisch niet mogelijk is.\n\n(…)\n\nGelet op het bovenstaande verzoeken wij u een afdichtingsplan op te stellen zoals bedoeld in en overeenkomstig voorschrift 7.3.3 vergunning 1996.”\n\n2.10.. Op 3 maart 2025 is een goedkeuringsbesluit genomen door de ODRN en ODRA met betrekking tot het door SDW ingediende Plan van Aanleg en Bestek. Het plan van aanleg betreft het aanbrengen van een definitieve bovenafdichting. Het aanbrengen is verdeeld in twee fasen: Aanlegfase 1 (afdekken talud) en Aanlegfase 2 (afdekken topvlak). Voor aanlegfase 1 hoeft het zonnepark niet verwijderd te worden. Aanlegfase 1 is inmiddels uitgevoerd. Partijen twisten over de vraag of de werkzaamheden ook (deugdelijk) zijn afgerond.\n\n2.11.. Omwonenden hebben bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Na beslissing op bezwaar van 29 augustus 2025 is op 27 oktober 2025 een herstelbesluit genomen waarin is bepaald dat fase 1 uiterlijk in 2025 moet zijn afgerond en fase 2 in 2027 moet starten en uiterlijk 30 juli 2028 moet zijn uitgevoerd. Tegen het herstelbesluit is eveneens bezwaar gemaakt door omwonenden omdat zij wensen dat de werkzaamheden eerder worden uitgevoerd.\n\n2.12.. Partijen hebben regelmatig overleg gehad met betrekking tot de problematiek rondom de staalslakken. Daarbij is gesproken over de vraag wie de kosten voor het verwijderen van het zonnepark ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden in fase 2 moet dragen. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. SDW vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. Primair: ZE gebiedt haar verbintenis uit hoofde van artikel 5.3 sub h Akte van Erfpacht tot het tijdig verwijderen van het Zonnepark na te komen en daartoe tijdig alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten, waaronder in ieder geval begrepen:\n\na. het binnen vijf (5) werkdagen na het in dezen te wijzen vonnis, doch uiterlijk op 1 juli 2026, op eigen naam aanvragen van offertes bij een of meer door ZE geschikt geachte aannemers ten behoeve van de tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding;\n\nb. het uiterlijk op 1 april 2027 verstrekken van een definitieve opdracht aan een of meer van de desbetreffende aannemers tot tijdige verwijdering van het Zonnepark, met inachtneming van de uiterste data zoals vermeld in randnummer 47, derde en vierde kolom van de dagvaarding, en bestekposten 120104, 1607 en 160701 uit het Bestek;\n\nc. het onmiddellijk, althans binnen één (1) werkdag na de relevante data van de correspondentie zoals omschreven onder sub a onderscheidenlijk sub b, verstrekken van (i) kopieën aan SDW en TerrAdvies van de schriftelijke correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers op de bij ZE bekende e-mailadressen en (ii) indien en voor zover de correspondentie tussen ZE en de desbetreffende aannemers mondeling plaatsvindt, een schriftelijke verslaglegging aan SDW en TerrAdvies van hetgeen is besproken op de bij ZE bekende e-mailadressen;\n\nd. het tijdig (doen) verwijderen van het Zonnepark, met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub a, sub b en\u002Fof sub c te voldoen, per overtreding een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 200.000,00;\n\nIII. met bepaling dat ZE, indien zij nalaat om tijdig aan het gevorderde zoals beschreven in sub d te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 25.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 1.500.000,00;\n\nSubsidiair:\n\nIV. SDW machtigt om na betekening van dit vonnis het Zonnepark te (doen) verwijderen met inachtneming van (i) de bestekposten 120104-02, 1607 en 160701 uit het Bestek en (ii) de uiterste data uit schematische overzicht zoals opgenomen in randnummer 47, derde en vierde kolom;\n\nV. ZE veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding ter grootte van € 1.564.016,00 althans ter grootte van € 671.181,00 althans ter grootte van € 622.131,00 althans ter grootte van € 220.000,00, te betalen binnen twee (2) werkdagen na dit vonnis;\n\n3.2.. ZE voert verweer. ZE concludeert tot niet-ontvankelijkheid van SDW, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van SDW, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SDW in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat SDW daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSDW heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen\n\n4.2.. SDW stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat zij door het bevoegde gezag (ODRA en ODRN) wordt verplicht om uiterlijk 30 juni 2028 fase II uitgevoerd te hebben. Hiervoor is het nodig dat fase II uiterlijk 23 juni 2027 start. Het zonnepark moet dan zijn verwijderd. Het aanneemtraject voor de verwijdering van de zonnepanelen kan wel een jaar duren.\n\n4.3.. ZE betwist dat SDW een spoedeisend belang heeft. Volgens ZE komt er door uitvoering van fase 1 geen percolaat meer in het grondwater. SDW kiest zelf voor definitieve afdichting van de bovenlaag. SDW heeft daarvoor een plan ingediend en voor dat plan is het goedkeuringsbesluit genomen waarin de termijnen zijn opgenomen. SDW had ook voor een andere oplossing kunnen kiezen.\n\n4.4.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van voldoende spoedeisend belang. Uit de brief van ODRA van 29 augustus 2024 blijkt dat het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden en dat niet kan worden volstaan met alleen het uitvoeren van fase 1. SDW heeft hiervoor in overleg met de ODRA een plan van aanpak en een bestek opgesteld en deze zijn goedgekeurd in het goedkeuringsbesluit. Vervolgens is SDW -bij een herstelbesluit- door de ODRA verplicht om fase II uiterlijk 30 juni 2028 uit te voeren. Volgens SDW hebben omwonenden bezwaar gemaakt tegen dit besluit omdat zij de termijn voor uitvoering van fase II te lang vinden.\n\n4.5.. Hieruit blijk dat zowel de ODRA als de omwonenden verwachten dat zo spoedig mogelijk een definitieve afdichtingslaag wordt aangebracht. Het aanbrengen van de definitieve afdichtingslaag is door SDW al vergaand voorbereid. De voorbereiding is een complex proces. SDW heeft verschillende samenhangende vergunningen aan moeten vragen, plannen moeten maken met deskundigen en het bevoegd gezag en er spelen belangrijke belangen van omstanders en het milieu. Van SDW kan niet verwacht worden, als dat al juridisch mogelijk zou zijn, dat zij dit plan weer intrekt om een bodemprocedure tegen ZE te gaan voeren. De vraag in hoeverre SDW ook een minder vergaande oplossing had kunnen aanbieden waarbij het zonnepark niet verwijderd had hoeven worden, doet verder niet af aan het spoedeisend belang dat SDW heeft op basis van het plan dat zij wel heeft ingediend.\n\nHet is onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een situatie zoals door partijen bedoeld in artikel 5.3 onder h van de Akte van erfpacht\n\n4.6.. SDW stelt dat ZE uit hoofde van (primair) wanprestatie, (subsidiair) zaakwaarneming, (meer subsidiair) ongerechtvaardigde verrijking dan wel (uiterst subsidiair) onrechtmatige daad gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen. Ter onderbouwing van elk van deze rechtsgronden wordt door SDW als uitgangspunt genomen dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht contractueel verplicht is om de zonnepanelen te verwijderen. Als van dit uitgangspunt geen sprake is, vervalt de door SDW aangevoerde toepasselijkheid van elk van de rechtsgronden. Er wordt daarom eerst ingegaan op de vraag of voldoende aannemelijk is dat ZE op grond van artikel 5.3 sub h van de Akte van erfpacht gehouden is om de zonnepanelen op eigen kosten te verwijderen.\n\n4.7.. Partijen twisten over de vraag of SDW van overheidswege verplicht wordt om een definitieve afdeklaag aan te brengen. Volgens ZE heeft SDW gekozen voor het plaatsen van een definitieve afdeklaag. SDW had ook kunnen volstaan met het door Arcadis aangedragen alternatief waarbij zonnepanelen niet tijdelijk verwijderd hoeven te worden. In dat alternatief wordt een folielaag aangebracht onder de zonnepanelen en hoeven de zonnepanelen alleen opgetild te worden. Omdat SDW heeft gekozen voor een definitieve afdeklaag als oplossing, wordt zij nu verplicht om die definitieve afdeklaag aan te brengen. Die verplichting was er niet vooraf van overheidswege, aldus ZE. Volgens SDW hebben meerdere deskundigen, waaronder Arcadis zelf, geadviseerd om zo spoedig mogelijk een definitieve afdeklaag aan te brengen. Het aanbrengen van een folielaag brengt teveel risico’s met zich en is geen duurzame oplossing. SDW heeft getracht het aanbrengen van een definitieve afdeklaag uit te stellen, maar volgens de ODRA handelt SDW in strijd met de zorgplicht beschreven in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) als zij niet op korte termijn de definitieve afdeklaag aanbrengt. SDW diende daarvoor een plan te maken en dat heeft zij gedaan. Dat plan is vervolgens door het goedkeuringsbesluit en herstelbesluit goedgekeurd en van een nakomingstermijn voorzien.\n\n4.8.. Niet ter discussie staat dat SDW gehouden is om te voorkomen dat het percolaat weglekt naar de bodem en\u002Fof zich op een andere manier verspreidt. Beantwoording van de vraag in hoeverre sprake is van een verplichting van overheidswege om dit te bewerkstelligen door een definitieve afdichtlaag kan echter in het midden blijven. Ook als daarvan sprake is, is onvoldoende aannemelijk dat artikel 5.3 van de Akte van erfpacht op deze situatie van toepassing is. Hieronder wordt dit nader toegelicht.\n\n4.9.. In artikel 5.1 van de Akte van erfpacht is opgenomen dat ZE ermee bekend is dat de erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is, die nog niet gesloten is verklaard en waarop een tijdelijke afdeklaag is aangebracht. Verder staat er dat ZE uitdrukkelijk de specifieke eigenschappen etc. van de erfpachtzaak accepteert en dat ZE accepteert dat zij een perceel in gebruik neemt dat vanwege de specifieke kenmerken van de locatie en de wettelijke bepalingen daaromtrent, onderhevig is, of kan worden, aan bepaalde wetgeving en\u002Fof publieke besluitvorming. Hieruit blijkt dat partijen de risico’s van het gebruik van een vuilstortplaats hebben willen regelen ten aanzien van de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats.Niet blijkt dat door partijen was voorzien dat de slakkenlaag mogelijk problemen zou opleveren. Het enkele feit dat sec gezien de staalslakkenlaag de erfpachtzaak is, zoals SDW stelt, doet daar niet aan af. Uit onder andere de tekst ‘In dit kader verklaart de Erfpacht evenwel ermee bekend te zijn dat de Erfpachtzaak een voormalige vuilstortplaats is.’ en ‘Op de Erfpachtzaak is een tijdelijke afdeklaag aanwezig’ blijkt dat in ieder geval in artikel 5 van de Akte van erfpacht met erfpachtzaak de vuilstortplaats wordt bedoeld.\n\n4.10.. De gestelde verplichting van SDW om de vuilstortplaats definitief af te dichten, vloeit niet voort uit de specifieke kenmerken van een vuilstortplaats, maar uit fouten gemaakt bij het aanleggen van de staalslakkenlaag. Enkel SDW heeft opdracht gegeven aan [adviesbureau 1] om een plan te maken. Het was de keuze van SDW om een tijdelijke afdeklaag aan te brengen (in tegenstelling tot een definitieve afdeklaag) en om daarvoor staalslakken te gebruiken. Vervolgens is de tijdelijke afdeklaag in opdracht van SDW aangelegd. ZE was hierbij niet betrokken. Ten slotte is het SDW die de verplichting op zich heeft genomen om voor eigen rekening en risico de afdeklaag aan te brengen (zie artikel 11 van de erfpachtovereenkomst en artikel 2.1 van de Akte van erfpacht). Uit artikel 5.3 van de Akte van erfpacht blijkt niet dat partijen de risico’s met betrekking tot de door SDW aangelegde staalslakkenlaag hebben willen verdelen. Uit de erfpachtovereenkomst en de Akte van erfpacht blijkt juist het tegendeel. Het feit dat overleg is geweest met ZE over het aanbrengen van de staalslakkenlaag doet daar niet aan af. De laag werd ten behoeve van het gebruik door ZE aangelegd, reden waarom ZE bij het proces wordt betrokken. Dat maakt niet dat ZE daarom mede de risico’s draagt voor gebreken bij de aanleg.\n\n4.11.. Voorgaande in acht genomen is zonder nader feitenonderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is, onvoldoende aannemelijk dat ZE contractueel verplicht is om op eigen kosten de zonnepanelen te verwijderen. De vorderingen van SDW worden daarom afgewezen.\n\n4.12.. SDW is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ZE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n10.487,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.853,00\n\n4.13.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van SDW af,\n\n5.2.. veroordeelt SDW in de proceskosten van € 11.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SDW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt SDW tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5165","ecli-nl-rbgel-2026-5165",{"courtName":6,"legalDomain":54,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":104,"ecli":105,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":106,"fullText":107,"language":7,"source":17,"sourceUrl":108,"summary":14,"slug":109,"metadata":110},"330","ECLI:NL:RBGEL:2026:5279","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F461694 \u002F HZ ZA 26-9\n\nVonnis in incident van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\nverwerende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. P.A.J. Raaijmaakers,\n\nen\n\nde opgeroepen derde ex artikel 118 Rv\n\n [naam executeur] , in zijn hoedanigheid van (gewezen) executeur in de nalatenschap van [naam erflaatster] ,\n\nte [plaatsnaam] ,\n\nhierna te noemen: [de executeur] ,\n\nadvocaat: mr. P.A.J. Raaijkmakers.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding \u002F oproep voor een rechtszaak\n\n- de conclusie van antwoord van [de gedaagde]\n\n- de (antwoord)akte van [de eiser]\n\n- de oproeping van de heer [de executeur] op grond van artikel 118 Rv\n\n- het B2-formulier waarin mr. P.A.J. Raaijmaakers zich stelt als advocaat voor de heer\n\n [de executeur]\n\n2. De feiten in het incident\n\n2.1.. \n [de eiser] en [de gedaagde] zijn de enige kinderen van de heer [de erflater] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflater”) en mevrouw [de erflaatster] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflaatster”). Erflater en erflaatster waren gehuwd in gemeenschap van goederen.\n\n2.2.. \n [de eiser] is door erflater en erflaatster onterfd. [de executeur] , echtgenoot van [de gedaagde] , is benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster.\n\n2.3.. De goederen van erflaatster zijn op enig moment onder bewind gesteld. De bewindvoerder heeft de woning van erflaatster, toen zij naar een verpleeghuis was verhuisd, met machtiging van de kantonrechter verhuurd aan de zoon van [de gedaagde] .\n\n2.4.. \n [de eiser] heeft op 22 mei 2025 een beroep op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster gedaan.\n\n3. Het geschil in het incident en in de hoofdzaak\n\n3.1.. \n\n [de eiser] vordert\n\nin het incident:\n\nI. [de gedaagde] te veroordelen binnen zeven dagen na het vonnis de volgende stukken in kopie aan de advocaat van [de eiser] ter beschikking te stellen:\n\na. de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster,\n\nb. de huurovereenkomst voor de woning met de zoon van [de gedaagde] ,\n\nc. bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van moeder;\n\nII. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,\n\nin de hoofdzaak:\n\nIII. vaststelling van de legitieme portie van [de eiser] in de nalatenschap van erflaatster;\n\nin het incident en in de hoofdzaak verder:\n\nIV. te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n3.2.. \n [de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [de eiser] in haar vorderingen, althans de vorderingen van [de eiser] af te wijzen, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten. [de gedaagde] stelt dat [de eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat er een executeur in de nalatenschap van erflaatster is benoemd en de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. [de eiser] had daarom de executeur moeten dagvaarden.\n\n3.3.. \n [de eiser] heeft bij akte gereageerd op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [de gedaagde] . [de eiser] voert aan dat [de executeur] als executeur niet meer in functie was, zodat zij [de gedaagde] als erfgenaam mag dagvaarden. Daarnaast is [de executeur] op grond van artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij exploot opgeroepen.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. Het meest verstrekkende verweer van [de gedaagde] is dat [de eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het incident en in de hoofdzaak. [de gedaagde] stelt hiertoe dat [de executeur] is benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster. De executeur vertegenwoordigt de erfgenamen op grond van artikel 4:145 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in en buiten rechte, zodat [de eiser] [de executeur] had moeten dagvaarden en niet [de gedaagde] .\n\n [de eiser] is ontvankelijk in het incident\n\n4.2.. \n\nDe rechtbank begrijpt dat [de eiser] , als legitimaris die niet erfgenaam is, afschrift van bescheiden vordert van [de gedaagde] op grond van\n\nartikel 4:78 lid 1 BW. Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW kan de legitimaris zowel de erfgenamen als de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspreken hem inlichtingen over de nalatenschap te verschaffen. Dit betekent dat [de eiser] ontvankelijk is in haar incidentele vordering tot het verstrekken van afschrift van bescheiden jegens [de gedaagde] als erfgenaam. De rechtbank komt dus toe aan de inhoudelijke behandeling van het incident.\n\nHet juridisch kader\n\n4.3.. In artikel 4:78 BW is bepaald dat een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en dat zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Hoever de informatieplicht reikt, dient per geval te worden beoordeeld. Daarbij geldt in ieder geval dat in artikel 4:78 BW door de wetgever is gekozen voor een ruim toepassingsbereik met de bewoordingen “alle daartoe strekkende inlichtingen”. Het is echter geen algemeen inzagerecht maar is beperkt tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:6 BW wordt onder waarde van de goederen van de nalatenschap verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.\n\nDe machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster\n\n4.4.. \n [de eiser] vordert een kopie van de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning voor erflaatster. [de eiser] heeft in dit verband gesteld dat de kantonrechter de toestemming destijds alleen verleende voor verhuur voor de ten hoogste toelaatbare bepaalde tijd van twee jaar en dat de huurovereenkomst na die periode van rechtswege eindigde. Volgens [de eiser] moet daarom de waarde van de woning in het economisch verkeer in vrije staat in aanmerking genomen worden en niet de overeengekomen verkoopprijs. Door [de gedaagde] is aangevoerd dat de machtiging van de kantonrechter slechts ziet op de toestemming voor het aangaan van de huurovereenkomst en niet op de waardering van de nalatenschap zelf. De machtiging heeft volgens [de gedaagde] geen invloed op de omvang van de legitimaire massa of op de hoogte van de legitieme portie.\n\n4.5.. \n [de gedaagde] heeft niet althans onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat de toestemming voor verhuur destijds in veel gevallen slechts voor een beperkte periode werd verleend en dat de huurovereenkomst na ommekomst van die periode van rechtswege eindigde. De inhoud van de machtiging kan dan ook relevant zijn voor de bij de waardering van de woning te hanteren grondslag en daarmee voor de hoogte van de legitimaire massa. De woning van erflaatster is immers een goed in de zin van artikel 4:6 BW, zodat de waarde van de woning op grond van artikel 4:65 relevant is voor de berekening van de legitieme portie van [de eiser] . In zoverre faalt het verweer dan ook. [de gedaagde] stelt evenwel dat de machtiging zich niet in haar bezit bevindt. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, neemt de rechtbank aan dat de (voormalig) bewindvoerder van erflaatster over deze machtiging beschikt en dat [de gedaagde] een kopie hiervan bij de bewindvoerder kan opvragen om deze vervolgens aan [de gedaagde] te doen toekomen. De vordering zal daarom aldus worden toegewezen.\n\nDe huurovereenkomst\n\n4.6.. \n [de eiser] vordert verder een afschrift van de huurovereenkomst van erflaatster met de zoon van [de gedaagde] , naar de rechtbank begrijpt eveneens met het oog op de vraag of de woning in vrije staat dan wel verhuurde staat moet worden getaxeerd. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat niet kan worden ingezien dat de huurovereenkomst invloed zou hebben op de omvang van de legitieme portie. De verkoop van de woning van erflaatster aan de zoon van [de gedaagde] is volgens haar geen gift of bevoordeling maar een zakelijke overeenkomst die voor erflaatster tot behoud van haar vermogen heeft geleid. De verhuur van de woning was bedoeld om te voorkomen dat de woning leeg zou komen te staan met het risico van verval en waardevermindering.\n\n4.7.. Naar het oordeel van de rechtbank kan voor de waardering van de woning relevant zijn of deze en zo ja, onder welke voorwaarden, is verhuurd. Voor de berekening van de legitieme portie moet de legitimaris dan ook kennis kunnen nemen van de inhoud van de huurovereenkomst. De vordering van [de eiser] tot het overleggen van afschrift van de huurovereenkomst is daarom toewijsbaar.\n\nBewijsstukken van uitkeringen uit levensverzekeringen\n\n4.8.. \n\n [de eiser] vordert bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van erflaatster. Door [de gedaagde] wordt niet betwist dat [de eiser] deze stukken nodig heeft voor de berekening van haar legitieme portie, zodat de vordering van [de eiser] voor dit gedeelte toewijsbaar is. Voor zover [de gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [de eiser] geen belang heeft bij haar vordering omdat het overgrote deel van de stukken al bij e-mail aan de advocaat van [de eiser] zijn toegestuurd, geldt dat de bewijsstukken ten aanzien van de uitkering uit levensverzekeringen niet zijn opgenomen in de bedoelde\n\ne-mail. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.\n\nProceskosten in het incident\n\n4.9.. Gelet op de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank bepalen dat de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beoordeling in de hoofdzaak\n\n5.1.. \n [de eiser] heeft [de executeur] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster, in het geding betrokken op grond van artikel 118 Rv. Het gevolg van de oproeping is dat [de executeur] partij is geworden in deze procedure. Mr. Raaijmakers heeft zich als advocaat gesteld voor [de executeur] . Nu [de executeur] in de procedure is verschenen, zal hij in de gelegenheid worden gesteld om een conclusie van antwoord te nemen. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord door [de executeur] .\n\n5.2.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn het incident\n\n6.1.. veroordeelt [de gedaagde] , binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis:\n\nde beschikking van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster bij de (voormalig) bewindvoerder op te vragen en deze na ontvangst daarvan aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\nde huurovereenkomst voor de woning van erflaatster met de zoon van [de gedaagde] aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\nbewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van erflaatster aan [de eiser] ter beschikking te stellen,\n\n6.2.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.4.. wijst af het meer of anders gevorderde,\n\nIn de hoofdzaak\n\n6.5.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord door [de executeur] ,\n\n6.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.\n\nJV\u002FMa","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5279","ecli-nl-rbgel-2026-5279",{"courtName":6,"legalDomain":62,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":112,"ecli":113,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":114,"fullText":115,"language":7,"source":17,"sourceUrl":116,"summary":14,"slug":117,"metadata":118},"422","ECLI:NL:RBGEL:2026:5276","2026-04-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F463555 \u002F HZ ZA 26-60\n\nVonnis van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser 1] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats],\n\nhierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1] B.V., 2. [naam eiser 2] S.R.L.,\n\nte [vestigingsplaats] (Roemenië),\n\nhierna afzonderlijk te noemen: [eiser 2] S.R.L.,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: eiseressen,\n\nadvocaat: mr. J. Cox,\n\ntegen\n\n1. MARIONNAUD PARFUMERIES ITALIA BS.R.L.,\n\nte Rho (Italië),\n\nhierna afzonderlijk te noemen: Marionnaud, 2. MAINFREIGHT LOGISTIC SERVICES NETHERLANDS B.V.,\n\nte 's-Heerenberg,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: Mainfreight,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding\n\n- de akte overlegging producties\n\n- het tegen gedaagden verleende verstek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Eiseressen hebben gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.\n\nBevoegde rechter en toepasselijk recht\n\n2.2.. \n [eiser 2] S.R.L. is gevestigd in Roemenië, Marionnaud in Italië en [eiser 1] B.V. en Mainfreight in Nederland. Dit geschil heeft een internationaal karakter, zodat de rechtbank eerst ambtshalve zal oordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is en naar welk recht de vorderingen van eiseressen beoordeeld dienen te worden.\n\n2.3.. Eiseressen baseren hun vorderingen op een overeenkomst voor het vervoer van goederen over de weg, waarbij de plaats van inontvangstname en de plaats van aflevering in twee verschillende landen zijn gelegen (Nederland respectievelijk Italië). Deze landen zijn partij bij het verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (het CMR-Verdrag). Artikel 1 jo. 41 CMR bepaalt dat dit verdrag dwingendrechtelijk van toepassing is, zodat de bevoegdheid van de rechter aan de hand van dit verdrag dient te worden vastgesteld. Aangezien de plaats van inontvangstneming van de goederen in Nederland is gelegen (’s-Heerenberg), is de Nederlandse rechter op grond van artikel 31 lid 1 sub b CMR-verdrag bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.\n\n2.4.. Ten aanzien van het op de onderhavige vordering toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat op het geschil tussen partijen de materiële bepalingen van het CMR-verdrag van toepassing zijn. Voor zover deze bepalingen onderwerpen niet of niet volledig regelen, moet beoordeeld worden welk recht op deze onderwerpen van toepassing is. De rechtbank constateert dat de vorderingen van eiseressen volledig worden geregeld door het CMR-verdrag, zodat de bepalingen van dit verdrag op het geschil van toepassing zijn.\n\nBetekening\n\n2.5.. \n\nVervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de dagvaarding op de juiste wijze aan Marionnaud is betekend. Marionnaud is gevestigd in Italië, een lidstaat van de Europese Unie. Daarom is de Verordening (EU) 2020\u002F1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (herschikking) (BetVo 2020) van toepassing. Uit de dagvaarding blijkt dat de eiseressen, overeenkomstig artikel 8 BetVo 2020 en\n\nartikel 56 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), een afschrift van het exploot (met Italiaanse vertaling), vergezeld van het formulier overeenkomstig het op grond van artikel 36 lid 1 BetVo 2020 van toepassing verklaarde artikel 4 lid 3Verordening (EG) nr. 1393\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (formulier L in bijlage I) via een gerechtsdeurwaarder in Nederland (de verzendende instantie) heeft laten verzenden aan de Unep presso la Corte d’Appello di Milano, de ontvangende instanties in de zin van artikel 3 lid 2 BetVo 2020. Daarbij is het verzoek gedaan om het exploot aan Marionnaud te betekenen volgens de wet van de aangezochte lidstaten.\n\n2.6.. Eiseressen hebben verder een uit Italië afkomstig ingevuld formulier K overgelegd als bedoeld in artikel 11 lid 2 BetVo 2020, gedateerd 4 augustus 2025. Uit dit formulier blijkt dat de dagvaarding op 4 augustus 2025 is betekend aan Marionnaud. Hieruit kan worden opgemaakt dat eiseressen de op grond van artikel 115 lid 1 Rv geldende minimale dagvaardingstermijn van vier weken in acht hebben genomen, omdat gedaagden zijn gedagvaard tegen de rolzitting van 26 februari 2026. De betekening heeft dus voldoende tijdig plaatsgevonden. Daarnaast kan aangenomen worden dat bij de betekening de voor Italië voorgeschreven vormen voor betekening in acht zijn genomen. Hierdoor is ten aanzien van de dagvaarding aan het bepaalde in artikel 22 lid 1 aanhef en onder a BetVo 2020 voldaan.\n\n2.7.. Eiseressen hebben de akte overlegging productie echter pas later overgelegd, namelijk op de rol van 25 maart 2026. Eiseressen hebben geen stukken overgelegd waaruit volgt dat de nader toegezonden producties ook aan gedaagden zijn betekend. De zaak zal naar de rol van 15 april 2026 worden verwezen om eiseressen in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat de akte overlegging nadere productie aan gedaagden is betekend. De rechtbank merkt hierbij op dat eiseressen ten aanzien van Marionnaud (wederom) de vereisten van de BetVo 2020 in acht dienen te nemen.\n\n2.8.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. verwijst de zaak naar de rol van 15 april 2026 en bepaalt dat eiseressen zich op die datum mogen uitlaten over hetgeen is bepaald onder r.o. 2.7,\n\n3.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op\n\n1 april 2026.\n\nJV\u002FMS","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5276","ecli-nl-rbgel-2026-5276",{"courtName":6,"legalDomain":119,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Internationaal privaatrecht",{"id":121,"ecli":122,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":123,"fullText":124,"language":7,"source":17,"sourceUrl":125,"summary":14,"slug":126,"metadata":127},"1779","ECLI:NL:RBGEL:2026:2522","2026-03-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F450470 \u002F HZ ZA 25-105\n\nVonnis van 25 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [naam eiser 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. J.W. Verhoeven,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTE ZUTPHEN,\n\nte Zutphen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. N.D. Niederer.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [de eiser] heeft in 2021 het door brand verwoeste rijksmonument [het rijksmonument] in [naamplaats] gekocht. Hij wil het pand restaureren en vervolgens gaan exploiteren. Daarvoor heeft hij bij de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd. [de eiser] is van mening dat de gemeente niet tijdig op zijn vergunningaanvraag heeft beslist en dat – onder andere om die reden – sprake is van onrechtmatig handelen door de gemeente. [de eiser] vordert onder meer de veroordeling van de gemeente tot betaling van een schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onrechtmatig handelen van de gemeente. De rechtbank wijst de vorderingen van [de eiser] af.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 23 juli 2025\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 januari 2026.\n\n2.2.. \n\nTen slotte heeft de rechtbank bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [het rijksmonument] (hierna: [het rijksmonument] ) is een van rijkswege beschermd monument aan de [het adres] in [naamplaats]. [het rijksmonument] dateert uit de zeventiende eeuw. In de twintigste eeuw en begin eenentwintigste eeuw werd het gebruikt als woning, makelaarskantoor en café.\n\n3.2.. Op 24 april 2020 is [het rijksmonument] door brand verwoest. Sinds de brand staan alleen de muren nog overeind. Het gehele interieur en het dak is verloren gegaan.\n\n3.3.. \n [de eiser] heeft het plan opgevat om [het rijksmonument] te restaureren en vervolgens te exploiteren. Daarvoor is een omgevingsvergunning nodig. Op 16 april 2021 heeft [de eiser] per e-mail aan de gemeente laten weten dat hij een omgevingsvergunning wilde aanvragen voor de verbouw van [het rijksmonument] (productie 1d bij dagvaarding).\n\n3.4.. \n\nBij e-mail van 10 augustus 2021 (productie 3 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan de gemeente zijn plan voor [het rijksmonument] gestuurd. Boven de meegestuurde brief staat: “Betreft:Aanvraag Omgevingsvergunning [het rijksmonument] (Fase 1 – vooroverleg).” De brief luidt verder onder meer als volgt:\n\n“(…) Zoals met u besproken hebben wij de stukken nog niet ge-upload op het OLO. We hebben besproken dat via de e-mail het informele vooroverleg met u, het Gelders Genootschap en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) beter doorlopen kan worden.\n\n(…)\n\nWij hopen met deze brief en de bijbehorende stukken u een goed beeld te hebben gegeven van ons plan en onze ambities. Wij zien uit naar een inspirerende samenwerking en realisatie traject. Wat ons betreft treden wij binnenkort in overleg. Wij zien er naar uit!”\n\n3.5.. Bij e-mail van 17 augustus 2021 (productie 5 bij antwoord) heeft de gemeente de ontvangst van de “aanvraag vooradvies” aan [de eiser] bevestigd.\n\n3.6.. Op 10 september 2021 is het plan van [de eiser] besproken in een overleg van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie (RKC).\n\n3.7.. \n\nBij e-mail van 28 september 2021 (productie 5 bij dagvaarding) heeft [de eiser] het preadvies van RCE en RKC van 24 september 2021 ontvangen. Het pre-advies luidt onder meer als volgt:\n\n“(…) Allereerst is er veel waardering voor de initiatiefnemers om deze grote uitdaging aan te gaan. De toekomstige functies van een beheerderswoning met een logiesfunctie sluiten goed aan bij de oorspronkelijke functie van [het rijksmonument] . Over het algemeen kan worden gesteld dat in het voorliggende plan nog niet voldoende uit is gegaan van het herstel van de oorspronkelijke opzet van voor de brand. Er is nu wat te veel vrijheid genomen voor het doorvoeren van wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Het advies is om de oorspronkelijke hoofdvorm als uitgangspunt te nemen. Het is daarbij mogelijk om afgewogen accenten te wijzigen, daarbij volgen wij de principes van de Restauratieladder. In de brief van de RCE van 23 juli 2020 zijn eveneens de uitgangspunten benoemd voor het handhaven van de rijksmonumentenstatus.\n\nMet betrekking tot het plan hebben de adviseurs de volgende aandachtspunten:\n\n(…)”\n\n3.8.. Op 31 december 2021 heeft de levering van [het rijksmonument] aan [de eiser] plaatsgevonden.\n\n3.9.. \n\nOp 3 januari 2022 heeft [de eiser] een aangepast plan bij de gemeente ingediend (productie 6 bij dagvaarding). Daarin staat onder meer:\n\n“(…) Met deze brief ontvangt u een bijgewerkte set voor het vooroverleg Omgevingsvergunning.(…)”\n\n3.10.. Bij e-mail van 11 januari 2022 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan (de casemanager van) de gemeente gevraagd of het plan past binnen het bestemmingsplan en heeft hij gevraagd om een spoedig advies.\n\n3.11.. Vanaf 16 januari 2022 bestond bij [de eiser] het vermoeden van noodzaak tot funderingsherstel. [de eiser] heeft sonderingen laten verrichten door een deskundige. De uitkomst daarvan was dat funderingsherstel noodzakelijk is.\n\n3.12.. Bij e-mail van 28 januari 2022 (productie 8 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] laten weten dat het plan nog niet is besproken met de planoloog en dat het zal worden behandeld tijdens de vergadering van de RCE en RKC op 17 februari 2022.\n\n3.13.. \n\nBij e-mail van 2 februari 2022 (productie 9 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan de casemanager onder meer geschreven:\n\n“(…)\n\nVooroverleg \u002F omgevingsvergunning\n\nWij zijn sinds augustus 2021 al in een vooroverleg situatie. Ik heb op 2 januari 2022 nieuwe stukken gezonden, waarin de kritiekpunten van commissie verwerkt zijn. Jij gaf aan dat 17 februari 2022 de eerste mogelijkheid is voor behandeling in de commissie. Deze lange aanlooptijd zou de indiening en doorlooptijd van de vergunning moeten bespoedigen. Je gaf ook aan mogelijk niet om een uitgebreide procedure heen te kunnen. Ik ben hier ongerust over. Ik ben bezorgd dat er een lang vooroverleg traject en een uitgebreide procedure beiden noodzakelijk zijn. Ik ben geneigd dan maar een omgevingsvergunning op te starten, dan gaat de formele procedure tenminste lopen. Maar we hebben er allemaal niets aan als door capaciteitsproblemen bij gemeente er een bericht van uitstel komt. Wat kan de gemeente mij nu bieden qua prioritering?\n\n(…)”\n\n3.14.. Op 16 februari 2022 heeft [de eiser] het ondernemingsplan ingediend (productie 10 bij dagvaarding). Uitgangspunt van het ondernemingsplan is zeven à acht “verhuurbare eenheden” (woonstudio’s).\n\n3.15.. \n\nNaar aanleiding van het aangepaste plan van [de eiser] (zie 3.9) hebben de RCE en RKC op 21 februari 2022 een nieuw preadvies uitgebracht (productie 11 bij dagvaarding). Dit preadvies luidt onder meer als volgt:\n\n“(…)\n\nOpnieuw wordt waardering uitgesproken voor het aangaan van deze uitdaging en voor de zorgvuldige aanpak. Ook is er veel waardering voor de stappen die sinds de vorige bespreking zijn gezet.\n\nMet betrekking tot het plan hebben de adviseurs de volgende opmerkingen en aandachtspunten:\n\n(…)\n\nAl met al zijn er goede stappen gezet richting een passende en zorgvuldige herbestemming van dit rijksmonument. De adviseurs zien de verdere uitwerking dan ook met vertrouwen tegemoet.\n\n(…)”\n\n3.16.. Op 22 februari 2022 heeft [de eiser] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend via het Omgevingsloket Online (OLO).\n\n3.17.. \n\nOp diezelfde datum heeft de gemeente een ontvangstbevestiging aan [de eiser] gestuurd (productie 8 bij antwoord). Daarin staat onder meer vermeld:\n\n“(…)\n\nVia www.omgevingsloket.nl hebben wij op 22 februari 2022 uw aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen.(…)”\n\n3.18.. Op 15 maart 2022 is het plan\u002Fde aanvraag besproken door de zogenoemde intaketafel. De intaketafel is een beoordeling door de gemeente van een initiatief dat niet past binnen de regels van het destijds geldende bestemmingsplan. De intaketafel leidt tot een standpunt over de wenselijkheid van het initiatief, de eventuele medewerking en het vervolgproces. In dit geval heeft de intaketafel het standpunt ingenomen dat het initiatief van [de eiser] wenselijk is, maar dat er wel aandachtspunten zijn voor de uitwerking.\n\n3.19.. Op 3 mei 2022 is het plan\u002Fde aanvraag besproken door de zogenoemde omgevingstafel. De omgevingstafel is een overlegvorm voor initiatieven waarvan bij het intaketafelgesprek is geoordeeld dat zij onder voorwaarden mogelijk zijn te realiseren. Aan de omgevingstafel worden de voorwaarden besproken om tot een complete vergunningaanvraag en haalbaar initiatief te komen.\n\n3.20.. Bij e-mail van 18 mei 2022 (productie 12 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] meegedeeld dat het plan is beoordeeld door de omgevingstafel en dat men daar enthousiast is over de ontwikkeling. In de e-mail staat verder dat er vanuit het planologische traject enkele aandachtspunten zijn en dat nader onderzoek is vereist.\n\n3.21.. Bij e-mail van 24 mei 2022 (productie 13 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] het verslag toegestuurd van het overleg van de omgevingstafel. In dat verslag staat dat voor het initiatief van [de eiser] onder andere advies nodig is op het gebied van stedenbouw\u002Fruimtelijke ordening, economische zaken\u002Frecreatie en toerisme, cultuurhistorie\u002Ferfgoed, archeologie, landschappelijk\u002Fstedelijk groen\u002Fopenbare ruimte\u002Fecologie, verkeer\u002Fparkeren, bodem en geluid. In de begeleidende mail staat dat nog inzicht moet komen in het parkeren, de erfinrichting (inpassing van bebouwing en parkeren en groen op het erf in relatie tot de omgeving) en dat [de eiser] daarna een goede ruimtelijke onderbouwing moet aanleveren met de volgende onderzoeken: akoestisch onderzoek, archeologisch vooronderzoek, quick scan flora en fauna en watertoets. De e-mail vermeldt ook dat de uitgebreide aanvraagprocedure van toepassing is.\n\n3.22.. Op 7 juli 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente over de noodzaak van funderingsherstel.\n\n3.23.. Bij e-mail van 17 augustus 2022 heeft [de eiser] een ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 naar de gemeente gestuurd (productie 9 bij antwoord). Deze ruimtelijke onderbouwing gaat uit van elf kamers in totaal, waarvan tien kamers in het hoofdgebouw en één kamer in het bijgebouw.\n\n3.24.. Op 6 september 2022 is het plan van [de eiser] opnieuw besproken aan de omgevingstafel. Het verslag van deze bijeenkomst (productie 11 bij antwoord) maakt melding van enkele aandachtspunten. Onder meer staat in het verslag dat voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is dat de (deels) al aanwezige haag de toekomstige parkeerplaatsen afschermt en dat op de ingediende kaart niet duidelijk is waar de inrit naar het perceel is gesitueerd en hoe de parkeerplaatsen worden ontsloten in verband met een te behouden beuk. Verder vermeldt het verslag een aantal verbeteringen die moeten worden aangebracht op het gebied van parkeren, omdat de parkeernorm waarschijnlijk niet wordt gehaald en het aanleggen van parkeerplaatsen langs de openbare weg niet is toegestaan.\n\n3.25.. Op 6 oktober 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] , de gemeente, de RKC en de RCE. [de eiser] heeft toen een presentatie gegeven over zijn plan voor [het rijksmonument] (productie 12 bij antwoord). Onderdeel van die presentatie is een tijdlijn van het vergunningtraject. In die tijdlijn staat onder meer vermeld: “Aanvraag vooroverleg 10 augustus 2021” en “Indiening OLO 22 februari 2022”.\n\n3.26.. Bij e-mail van 6 oktober 2022 (productie 13 bij antwoord) is aan [de eiser] verzocht om de RCE van documenten te voorzien waaruit blijkt dat zal worden voldaan aan het Bouwbesluit 2012 (met name de constructieve veiligheid, brandveiligheid en ventilatie). [de eiser] heeft vervolgens documentatie opgesteld waarin een toetsing aan het Bouwbesluit 2012 is opgenomen (productie 14 bij antwoord).\n\n3.27.. Bij brief van 5 december 2022 (productie 13a bij dagvaarding) heeft [de eiser] de gemeente geïnformeerd over de aanpassingen die hij heeft gedaan naar aanleiding van het overleg van 6 oktober 2022. Het funderingsontwerp is aangepast, er is een wijziging aangebracht in de uitvoering – metselwerk is vervangen door beton – en een actueel geotechnisch advies is bijgevoegd. [de eiser] heeft de gemeente met klem verzocht mee te werken aan een afsluiting, liefst met goedkeuring, voor kerst 2022.\n\n3.28.. Op 8 december 2022 heeft [de eiser] een gewijzigde ruimtelijke onderbouwing naar de gemeente gestuurd (productie 15 bij antwoord). Deze gaat uit van zeventien kamers in totaal, waarvan twaalf in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in het gebouw waar de spa zal worden gerealiseerd.\n\n3.29.. Op 2 januari 2023 heeft de RCE onvoorwaardelijk akkoord gegeven op het funderingsherstel.\n\n3.30.. Op 24 januari 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente. Het verslag van dat overleg (productie 16 bij antwoord) vermeldt onder meer dat de ruimtelijke onderbouwing nog op enkele punten moet worden aangepast. Zo heeft de gemeente opgemerkt dat de toevoeging van extra kamers niet met haar is afgestemd of door haar is goedgekeurd en tot gevolg heeft dat extra parkeerplaatsen nodig zijn, en dat het parkeren op eigen terrein vorm moet krijgen met één inrit terwijl nu twee inritten staan ingetekend. Verder heeft de gemeente kenbaar gemaakt dat zij niet wil meewerken aan een standplaats voor buitenverkoop. Ook moet er inzicht komen in de parkeersituatie en erfinrichting en moet er een goede ruimtelijke onderbouwing komen, met akoestisch onderzoek, archeologisch vooronderzoek, quick scan flora en fauna en een watertoets. [de eiser] heeft op zijn beurt aangegeven dat er een tiende parkeerplaats moet komen, op gemeentegrond, en dat hij graag twee inritten wil. Verder heeft [de eiser] kenbaar gemaakt dat het buitenverkooppunt belangrijk is voor de financiële haalbaarheid van het plan en dat “over een tijd” een ecologisch onderzoek volgt naar uilen en later naar vleermuizen en marterachtigen.\n\n3.31.. Op 31 januari 2023 heeft de RCE een integraal advies uitgebracht (productie 18 bij antwoord). De RCE is op hoofdlijnen akkoord met het plan voor wat betreft erfgoedaspecten. Het advies is positief onder een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat nog een maquette\u002F3D-beeld van het wellnessgebouw wordt voorgelegd ter advisering.\n\n3.32.. Op 2 februari 2023 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente. De gemeente heeft daarbij aan [de eiser] onder meer laten weten dat het maximaal aantal kamers in het hoofdgebouw twaalf stuks is en dat in de bijgebouwen geen kamers mogen worden gerealiseerd. Verder moet worden geparkeerd op eigen terrein en met één inrit en moet het buitenverkooppunt uit de ruimtelijke onderbouwing worden gehaald. De onderbouwing van het stikstofaspect is volgens de gemeente onvoldoende. Ten slotte heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten hoe het ecologisch aspect in kaart moet worden gebracht en dat de watertoets moet worden gevolgd bij Waterschap Vallei en Veluwe.\n\n3.33.. Naar aanleiding van het overleg op 2 februari 2023 is een interne memo opgesteld voor de portefeuillehouder van de gemeente (productie 19 bij antwoord). Daarin staat vermeld dat nog niet alle onderzoeken zijn aangeleverd die horen bij de ruimtelijke onderbouwing, zoals ecologisch onderzoek. Bovendien is de ruimtelijke onderbouwing op 8 december 2022 door het toevoegen van meerdere kamers zodanig gewijzigd dat dit leidt tot een vergrote intensiteit op het perceel, die onwenselijk wordt geacht. Volgens het memo neemt de gemeente het standpunt in dat in het hoofdgebouw maximaal twaalf kamers zijn toegestaan en één (mindervalide)kamer in het bijgebouw.\n\n3.34.. Bij e-mail van 3 februari 2023 (productie 20 bij antwoord) heeft [de eiser] aan de gemeente meegedeeld dat de vier kamers in het spagebouw en de suite in de oude stal nodig zijn voor een haalbare businesscase en dat [het rijksmonument] zonder deze vijf kamers niet haalbaar is.\n\n3.35.. Bij e-mail van 9 februari 2023 (productie 21 bij antwoord) heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten dat de gemeente blijft bij het standpunt dat twaalf kamers in het hoofdgebouw en één (mindervalide)kamer in het bijgebouw passend en verantwoord is. De gemeente heeft aan [de eiser] geadviseerd om voor dit deel het vergunningtraject in te gaan en de ruimtelijke onderbouwing aan te passen, zodat [de eiser] kan starten met de opbouw. Daarnaast heeft de gemeente [de eiser] geadviseerd om voor een eventuele uitbreiding op dit plan – de kamers in de bijgebouwen – een apart traject te starten en een vooradvies in te dienen, met daarbij een passend participatietraject voor de buurt.\n\n3.36.. Bij brief van 17 februari 2023 (productie 22 bij antwoord) heeft [de eiser] zijn ongenoegen geuit en de gemeente in gebreke gesteld “wegens het ook op dit onderdeel ongefundeerd opvoeren van niet bestaande nadelige effecten van het voorliggende ontwerp op de leefomgeving. Ik verwacht van uw gemeente datuiterlijk op maandag 19 februari 2023 om 14:00 uur schriftelijk aan mij is bevestigd dat er geen nadelige verkeer-aantrekkende werking optreedt en als u dat niet doet in ieder geval uiterlijk op dat moment met een concrete, geobjectiveerde en verifieerbare weerlegging van onze argumentatie aanlevert.”\n\n3.37.. \n\nBij brief van 20 februari 2023 (productie 23 bij antwoord) heeft [de eiser] aan het college van burgemeester en wethouders onder meer geschreven:\n\n“(…) Wij zijn in een vooradviestraject gegaan met gemeente in maart 2021(…).”\n\nVerder vermeldt deze brief dat de vier kamers aan het eerdere plan zijn toegevoegd naar aanleiding van de dialoog met de RKC en RCE en de veranderde wereld, zoals de oorlog in Oekraïne en de daarmee veranderde economische situatie (gestegen (bouw)kosten, gewijzigd investeringsklimaat en veranderend consumentengedrag, wat leidde tot een “substantieel uitdagender businesscase”).\n\n3.38.. Bij brief van 21 februari 2023 (productie 16 bij dagvaarding) aan de gemeente heeft [de eiser] zich op het standpunt gesteld dat het proces om te komen tot een omgevingsvergunning buitengewoon moeizaam is gebleken, met onverantwoord lange doorlooptijden en enorme vertragingen tot gevolg. [de eiser] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het handelen van de gemeente stelt te hebben geleden en nog steeds lijdt. Eén van de verwijten van [de eiser] aan de gemeente is dat de gemeente ten onrechte geen extra kamers\u002Fsuites heeft toegestaan, terwijl minimaal zestien kamers\u002Fsuites nodig zijn voor een sluitende businesscase.\n\n3.39.. Bij brief van 13 maart 2023 (productie 24 bij antwoord) heeft [de eiser] een nieuwe ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze gaat uit van tien kamers in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in de spa. De ruimtelijke onderbouwing maakt melding van een peiling die is gehouden in de buurt, waaruit blijkt dat de omwonenden positief zijn over de plannen en het een goede ontwikkeling vinden in de wijk. Ook bevat de ruimtelijke onderbouwing een watertoets, stikstoftoets en ecologische toets.\n\n3.40.. Bij e-mail van 15 maart 2023 (productie 13b bij dagvaarding) heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten dat zij zou overgaan tot het gereedmaken van de omgevingsvergunning.\n\n3.41.. Bij e-mail van 22 maart 2023 (productie 14 bij dagvaarding) heeft de gemeente aan [de eiser] verzocht om een planschadeovereenkomst te ondertekenen en om vragenformulieren in te vullen in het kader van een toets aan de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur).\n\n3.42.. Bij e-mail van 24 mei 2023 (productie 25 bij antwoord) heeft de gemeente aan [de eiser] de laatste actiepunten gestuurd die nog moeten worden uitgevoerd voordat de gemeente op de aanvraag kan beslissen. Het gaat om het aanleveren van de benodigde informatie voor de Bibob-toetsing, het aanleveren van de ondertekende planschadeovereenkomst, het verwerken van de laatste aanpassingen en opmerkingen op het gebied van brandveiligheid en het verwerken van de erfgoedkundige voorwaarden.\n\n3.43.. Op 30 mei 2023 heeft [de eiser] een planschadeovereenkomst ondertekend en naar de gemeente gestuurd (productie 26 bij antwoord).\n\n3.44.. Op 1 juni 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente (productie 28 bij antwoord). Daarin heeft [de eiser] aangegeven dat de omgevingsvergunning een voorwaarde is voor de aanvraag van een hypotheek bij het Nationaal Restauratiefonds en de aanvraag van een subsidie bij de provincie Gelderland.\n\n3.45.. Op 26 juni 2023 hebben de RCE en RKC een positief definitief advies uitgebracht (productie 32 bij antwoord). Aan het advies zijn enkele bouwkundige voorwaarden verbonden.\n\n3.46.. Op 14 juli 2023 heeft de gemeente het ontwerpbesluit ter inzage gelegd (productie 33 bij antwoord). Onderdeel van het ontwerpbesluit is de ruimtelijke onderbouwing van 13 maart 2023, die betrekking heeft op het realiseren van vijftien kamers. Aan de vergunningverlening is de opschortende voorwaarde verbonden dat [de eiser] de gegevens overlegt waarmee het Bibob-onderzoek kan worden verricht (productie 29 bij antwoord).\n\n3.47.. Op 24 augustus 2023 heeft [de eiser] een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend (productie 34 bij antwoord). Daarin heeft hij de gemeente verzocht om de woonfunctie te handhaven voor alle huisnummers op het perceel met het oog op de woonhuissubsidie, voorschrift c over het overleg over de uitvoeringswerkzaamheden te schrappen en medewerking toe te zeggen aan ‘plan B’ (slopen en nieuwbouw).\n\n3.48.. Bij brief van diezelfde datum (productie 36 bij antwoord) heeft [de eiser] aan het college onder meer geschreven dat tijdens het vooroverleg in de periode van 10 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 vertraging is opgetreden “door slecht vooroverleg”.\n\n3.49.. Op 31 oktober 2023 heeft de gemeente de omgevingsvergunning aan [de eiser] verleend (productie 18 bij dagvaarding). Naar aanleiding van de zienswijze van [de eiser] zijn ten opzichte van het ontwerpbesluit tekstuele aanpassingen gedaan, maar geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.3.50.. De omgevingsvergunning is door het ongebruikt verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk geworden.\n\n3.51.. Bij brief van 20 december 2023 (productie 19 bij dagvaarding) heeft [de eiser] een wethouder van de gemeente verzocht om rectificatie van onjuiste, schadelijke uitlatingen die de wethouder in raadsvergaderingen en de media zou hebben gedaan over [de eiser] en het project. Daarnaast heeft [de eiser] in de brief uiteengezet dat en op welke wijze de gemeente volgens hem in het vergunningtraject zeer onzorgvuldig en onjuist jegens hem heeft gehandeld, waardoor forse vertragingsschade is ontstaan die de gemeente moet vergoeden.\n\n3.52.. Bij brief van 29 mei 2024 (productie 26 bij dagvaarding) heeft (de advocaat van) de gemeente aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n3.53.. \n [de eiser] is tot op heden niet met de bouwwerkzaamheden begonnen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [de eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de eiser] door niet tijdig op de aanvraag voor een omgevingsvergunning te beslissen;\n\nII. de gemeente veroordeelt tot betaling van de schade die [de eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden, door [de eiser] begroot op € 1.087.692,00 inclusief btw (€ 898.919,00 exclusief btw), althans tot vergoeding van een door de rechtbank te bepalen bedrag;\n\nIII. de gemeente veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,00 exclusief btw, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nIV. de gemeente veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.\n\n5. De beoordeling\n\nDe vorderingen van [de eiser] worden afgewezen\n\n5.1.. De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot die beslissing komt.\n\nEr geldt een beslistermijn van maximaal zes maanden na ontvangst van de aanvraag\n\n5.2.. Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning is de reguliere of de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat in dit geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Op grond van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt daarbij een beslistermijn van maximaal zes maanden (26 weken), die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan eenmalig met zes weken worden verlengd (artikel 3.12 lid 8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze destijds gold).\n\nDe beslistermijn is ingegaan op 23 februari 2022\n\n5.3.. De wettelijke beslistermijn voor de gemeente is ingegaan op 23 februari 2022. Op 22 februari 2022 heeft [de eiser] immers de aanvraag voor de omgevingsvergunning ingediend via het daarvoor bestemde OLO (zie 3.16) en heeft de gemeente de ontvangst van de aanvraag aan hem bevestigd (zie 3.17).\n\n5.4.. Het standpunt van [de eiser] , dat hij de aanvraag heeft gedaan op 10 augustus 2021 en dat de beslistermijn toen is ingegaan, snijdt geen hout. Met de e-mail die [de eiser] op die dag naar de gemeente heeft gestuurd, heeft hij geen aanvraag gedaan, maar een document ingediend ten behoeve van een vooroverleg. Zo omschrijft [de eiser] het zelf en zo heeft de gemeente het ook opgevat zoals blijkt uit de ontvangstbevestiging van 17 augustus 2021 (zie 3.4 en 3.5). Ook in het aangepaste plan dat [de eiser] op 3 januari 2022 bij de gemeente heeft ingediend en in zijn e-mail van 2 februari 2022 aan de casemanager spreekt hij van “vooroverleg” (zie 3.9 en 3.13). In die e-mail schrijft [de eiser] verder: “Deze lange aanlooptijd zou de indiening en doorlooptijd van de vergunning moeten bespoedigen.(…)Ik ben geneigd dan maar een omgevingsvergunning op te starten, dan gaat de formele procedure tenminste lopen.” Van een formele aanvraag en procedure was toen dus ook volgens [de eiser] zelf nog geen sprake. Ook uit andere communicatie van [de eiser] met de gemeente blijkt dat volgens [de eiser] op 10 augustus 2021 nog geen sprake was van een aanvraag. In de presentatie die [de eiser] op 6 oktober 2022 heeft gegeven aan de RCE, RKC en de gemeente (zie 3.25), heeft hij in een tijdlijn van het vergunningtraject vermeld dat op 10 augustus 2021 een vooroverleg is aangevraagd en dat op 22 februari 2022 een indiening via het OLO heeft plaatsgevonden. Verder heeft [de eiser] in zijn brief van 20 februari 2023 aan het college (zie 3.37) geschreven dat sprake was van een vooradviestraject vanaf maart 2021. En in zijn brief van 24 augustus 2023 (zie 3.48) aan het college heeft [de eiser] geschreven dat tijdens het vooroverleg van 10 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 vertraging is ontstaan doordat één en ander niet voortvarend zou zijn opgepakt. Gezien het voorgaande heeft [de eiser] op 10 augustus 2021 geen aanvraag gedaan.\n\n5.5.. Het primaire standpunt van de gemeente, dat de beslistermijn is ingegaan op 13 maart 2023 omdat toen pas sprake was van een volledige aanvraag, houdt evenmin stand. Dat de aanvraag op 22 februari 2022 nog niet compleet was en dat [de eiser] eerst nog aanvullende gegevens moest aanleveren voordat de gemeente een inhoudelijke beslissing kon nemen, maakt – anders dan de gemeente betoogt – niet dat de beslistermijn niet op de daaropvolgende dag is ingegaan.\n\n5.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wettelijke beslistermijn is ingegaan op 23 februari 2022, de dag nadat [de eiser] de aanvraag heeft ingediend via het OLO.\n\nDe beslistermijn is met veertien maanden overschreden\n\n5.7.. De beslistermijn is in dit geval zes maanden (artikel 3:18 Awb) en is begonnen op 23 februari 2022. De beslistermijn eindigde dus in beginsel op 24 augustus 2022. De vergunning is afgegeven op 31 oktober 2023. Dat is (ruim) veertien maanden te laat.\n\nDe overschrijding van de beslistermijn is niet onrechtmatig\n\n5.8.. De enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, is onvoldoende voor het oordeel dat daarmee onrechtmatig wordt gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden.Een beslistermijn strekt er in de eerste plaats toe het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn.\n\n5.9.. In het in voetnoot 2 genoemde arrest oordeelde de Hoge Raad verder dat het erom gaat of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar was. Bij de beoordeling of een termijnoverschrijding al dan niet onrechtmatig is, komt gewicht toe aan de mogelijkheid die het bestuursorgaan heeft om een termijn te verlengen. Of van die mogelijkheid gebruik is gemaakt, is daarbij niet doorslaggevend. Bij de beoordeling van de onrechtmatigheid kan niet zonder meer voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat, hoewel geen formele verlenging van de termijn heeft plaatsgevonden, de overschrijding van de termijn wel (gedeeltelijk) ‘gedekt’ had kunnen worden door verdaging. De Hoge Raad hecht belang aan het feit dat het voor betrokkene duidelijk was wanneer wel een besluit kon worden verwacht.\n\n5.10.. Tegen de achtergrond van dit toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een onrechtmatige overschrijding van de beslistermijn. Daartoe overweegt zij het volgende.\n\n5.11.. Nadat de aanvraag op 22 februari 2022 was ingediend – en terwijl het traject bij de omgevingstafel gaande was – heeft de casemanager van de gemeente op 24 mei 2022 aan [de eiser] laten weten dat nog inzicht moest komen in het parkeren, de erfinrichting (inpassing van bebouwing en parkeren en groen op het erf in relatie tot de omgeving) en dat daarna een goede ruimtelijke onderbouwing moest worden opgesteld met de volgende onderzoeken: akoestisch onderzoek, archeologisch onderzoek, quick scan flora en fauna en watertoets (zie 3.21). Pas op 17 augustus 2022, dus bijna een half jaar na de aanvraag, heeft [de eiser] voor het eerst een ruimtelijke onderbouwing naar de gemeente gestuurd (zie 3.23). Uitgaande van de wettelijke beslistermijn van zes maanden\u002F26 weken had de gemeente daar dan binnen een week op moeten beslissen. Dat is niet reëel.\n\n5.12.. De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld – en [de eiser] heeft op zichzelf niet weersproken – dat de ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 zowel op planologisch gebied als op erfgoedkundig gebied onvoldoende was uitgewerkt om tot vergunningverlening over te gaan. Daarbij wijst de gemeente op het verslag van de omgevingstafel van 6 september 2022, waarin staat vermeld dat voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is dat de (deels) al aanwezige haag de toekomstige parkeerplaatsen afschermt en dat op de ingediende kaart niet duidelijk is waar de inrit naar het perceel is gesitueerd en hoe de parkeerplaatsen worden ontsloten in verband met een te behouden beuk. Verder vermeldt het verslag een aantal verbeteringen die moeten worden aangebracht op het gebied van parkeren, omdat de parkeernorm waarschijnlijk niet wordt gehaald en het aanleggen van parkeerplaatsen langs de openbare weg niet is toegestaan (zie 3.24). De gemeente heeft ook onweersproken aangevoerd dat bij de ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 niet alle benodigde onderzoeken door [de eiser] zijn aangeleverd, terwijl hij daar wel op was gewezen in het eerste verslag van de omgevingstafel van 24 mei 2022. De watertoets, stikstoftoets en ecologische toets zijn pas in maart 2023 door [de eiser] aangeleverd (zie 3.39). Verder heeft [de eiser] pas in oktober 2022 een toetsing aan het Bouwbesluit laten uitvoeren (zie 3.26). Ook heeft [de eiser] na het overleg met de RKC en de RCE van 6 oktober 2022 nog aanpassingen doorgevoerd op erfgoedkundig gebied, zoals blijkt uit zijn brief aan de gemeente van 5 december 2022 (zie 3.27). Gelet op deze gang van zaken is de ontstane vertraging opgetreden aan de zijde van [de eiser] De verantwoordelijkheid om tot een complete vergunningaanvraag te komen ligt bij [de eiser] Hij kan de gemeente dan ook niet verwijten dat zij in 2022 nog geen besluit heeft genomen op de vergunningaanvraag en dus ook niet dat de wettelijke beslistermijn is overschreden in de periode van 22 augustus 2022 tot en met december 2022.\n\n5.13.. Op 8 december 2022 heeft [de eiser] bovendien een aangepaste ruimtelijke onderbouwing ingediend. Deze ging uit van zeventien (in plaats van elf) kamers, waarvan twaalf in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in het spa-gebouw. Zowel op 24 januari 2023 (zie 3.30) als op 2 februari 2023 (zie 3.32) heeft de gemeente aan [de eiser] kenbaar gemaakt dat deze uitbreiding van het aantal kamers planologische gevolgen heeft waaraan de gemeente niet wil meewerken. Ook is [de eiser] er op gewezen dat nog steeds bepaalde onderzoeken niet zijn overgelegd terwijl [de eiser] er al op 24 mei 2022 over was geïnformeerd dat hij die onderzoeken moest aanleveren (zie 3.21). Tijdens het overleg op 24 januari 2023 heeft [de eiser] meegedeeld dat hij “over een tijd” ecologisch onderzoek zal laten verrichten naar uilen en later ook naar vleermuizen en marterachtigen. Ook hier is de vertraging ontstaan aan de zijde van [de eiser] De verantwoordelijkheid om de benodigde gegevens tijdig aan te leveren ligt bij hem. Hij kan de vertraging niet aan de gemeente tegenwerpen.\n\n5.14.. Op 13 maart 2023 heeft [de eiser] een nieuwe ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze ging uit van vijftien kamers in totaal. Ook zijn daarbij de nog ontbrekende onderzoeken (watertoets, stikstoftoets en ecologische toets) aangeleverd (zie 3.39). Daarmee was de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag compleet. Na het definitieve akkoord van de RCE en RKC van 26 juni 2023 (zie 3.45) kon de gemeente positief op de aanvraag beslissen.\n\n5.15.. Gerekend vanaf 14 maart 2023 had de gemeente, uitgaande van de beslistermijn van zes maanden (26 weken), op 12 september 2023 een besluit moeten nemen. De vergunning is verleend op 31 oktober 2023. Dat is een zodanig geringe overschrijding van de beslistermijn dat deze geen onrechtmatig handelen van de gemeente oplevert.\n\n5.16.. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [de eiser] op 24 augustus 2023 (de een-na-laatste dag van de termijn) zelf een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, dat op 14 juli 2023 ter inzage is gelegd. Ook deze handelwijze van [de eiser] heeft vertragend gewerkt op de besluitvorming. De rechtbank neemt bij het voorgaande ook de voor de gemeente kenbare belangen van [de eiser] in aanmerking. Deze kenbare belangen houden in dat [de eiser] , zoals hij aan de gemeente heeft meegedeeld, minimaal zestien kamers nodig heeft voor een sluitende businesscase en ook dat hij de vergunning nodig heeft om een hypotheek en subsidie te kunnen aanvragen. Wat daarvan verder ook zij, deze omstandigheden doen er niet aan af dat het op de weg van [de eiser] lag om de benodigde gegevens tijdig bij de gemeente aan te leveren.\n\n5.17.. Het enkele feit dat de gemeente de beslistermijn nooit (tussentijds) heeft verlengd, maakt het voorgaande niet anders. De termijnoverschrijding had immers wel (gedeeltelijk) ‘gedekt’ kunnen worden door verlenging van de termijn. De belangen afwegend komt de rechtbank tot de slotsom dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de gemeente. Aan een beoordeling van de gestelde schade komt de rechtbank dan niet toe.\n\nOok ‘in breder perspectief’ komt onrechtmatig handelen van de gemeente niet vast te staan\n\n5.18.. \n [de eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelwijze van de gemeente ook “in breder perspectief” onrechtmatig is, omdat de gemeente heeft gehandeld in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. In dat kader voert [de eiser] elf (vermeende) gedragingen van de gemeente op die onrechtmatig zouden zijn. De gemeente heeft hiertegen aangevoerd dat [de eiser] op dit punt niet heeft voldaan aan de stelplicht, omdat hij heeft nagelaten per (vermeende) onrechtmatige gedraging aan te geven tot welke schade en tot welk schadebedrag dit handelen heeft geleid. Dit verweer is gegrond. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze grondslag komt de rechtbank niet toe.\n\n [de eiser] krijgt ongelijk en wordt veroordeeld in de proceskosten\n\n5.19.. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen van [de eiser] afwijzen. Wat partijen meer of anders hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.\n\n5.20.. \n [de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van de gemeente op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n16.312,00\n\n5.21.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 16.312,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms, mr. K.H.A. Heenk en mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.\n\nJE\u002FPB\u002FKH\u002FFB\n\n Vgl. Hoge Raad 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040\n\n Vgl. Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2522","ecli-nl-rbgel-2026-2522",{"courtName":6,"legalDomain":54,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":129,"ecli":130,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":131,"fullText":132,"language":7,"source":17,"sourceUrl":133,"summary":14,"slug":134,"metadata":135},"1896","ECLI:NL:RBGEL:2026:1862","2026-03-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F456088 \u002F HZ ZA 25-243\n\nVonnis van 11 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. M.A. Amende,\n\ntegen\n\nGEMEENTE APELDOORN,\n\nte Apeldoorn,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Gemeente Apeldoorn,\n\nadvocaat: mr. J.J. Jacobse.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 15 oktober 2025,\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Tussen 2018 en 2021 heeft op de Udellerhei in de Gemeente Apeldoorn een munitieruiming onder archeologische begeleiding plaatsgevonden. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in de variant Opgraven Landbodems – variant Archeologische begeleiding. Voorafgaand aan de werkzaamheden is het onderzoek aangemeld bij het landelijk registratiesysteem Archis van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De werkzaamheden bestonden, onder meer, uit het afplaggen van de grond.\n\n2.2.. In het dagrapport van de werkzaamheden van 10 oktober 2018 (productie 2 bij conclusie van antwoord) is, voor zover relevant, het volgende opgenomen\n\n “3. Technische \u002Fwetenschappelijke ontwikkelingen\n\nTijdens de inspectie zijn twee vondstnummers uitgedeeld in vak L52-2. Hierbij gaat het om vuurstenen afslagen. De vondsten zijn met de GPS ingemeten. De vakken zijn ingemeten met de GPS, gefotografeerd met een spiegelreflexcamera en gedetecteerd door middel van de metaaldetector.”\n\n2.3.. Op 27 augustus 2020 heeft [eiser] circa 700 stuks vuurstenen (afslagen) gevonden op de Uddelerhei. [eiser] heeft de vuurstenen gefotografeerd, er een notitie van gemaakt en de vuurstenen vervolgens geraapt en meegenomen. [eiser] heeft direct daarna zijn vondst gemeld bij Gemeente Apeldoorn.\n\n2.4.. Op 16 maart 2021 heeft [eiser] de vuurstenen afgegeven aan Gemeente Apeldoorn voor wetenschappelijk onderzoek.\n\n2.5.. Op 12 oktober 2021 heeft Gemeente Apeldoorn per e-mailbericht (productie 1 bij dagvaarding) over de eigendomskwestie van de vuurstenen, voor zover relevant, het volgende geschreven aan [eiser] :\n\n“Telefonisch gaf je afgelopen donderdag aan dat je vooral benieuwd bent naar de onderbouwing van de juridische eigendomssituatie. Deze zal ik hieronder nader toelichten.\n\nTen eerste is geen sprake van een ‘vondst’. De verzamelde objecten zijn geraapt op een geregistreerde archeologische vindplaats tijdens een lopend archeologisch onderzoek. Daarmee heb je de vindplaats niet ‘gevonden’, maar geschonden. Dit is een overtreding van artikel 5.1 van de Erfgoedwet. Het verzamelen van de vondsten heeft geleid tot beschadiging van de vindplaats en tot informatieverlies over de vindplaats.\n\nDe eigendomssituatie wordt verder beschreven in artikel 3 van Burgerlijk wetboek 5. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de eigenaar van een zaak eigenaar van al haar bestanddelen. Op basis daarvan is de terreineigenaar ook eigendom van de verzamelde objecten. Dit verandert pas als de eigenaar zich van zijn eigendom ontdoet. Of als de vindplaats archeologisch wordt onderzocht. Dat laatste is echter alleen voorbehouden aan daartoe gecertificeerde organisaties. Ook daarin ben je in overtreding met artikel 5.1 van de Erfgoedwet.\n\n(…)\n\nIn het kort komt het erop neer dat je iets meegenomen hebt wat niet van jou is, op een locatie die verboden toegang was, waarmee je een archeologische vindplaats hebt beschadigd. Aangezien de terreineigenaar rechtmatig eigenaar van de verzamelde objecten is, en jij de objecten vrijwillig hebt afgestaan, kan ik niet tegemoet komen aan jouw eis om het materiaal aan jou retour te zenden.”\n\n2.6.. Op 27 oktober 2021 heeft [eiser] hierop per e-mailbericht (productie 2 bij dagvaarding) geantwoord. Hierin weerspreekt [eiser] de uitlatingen van Gemeente Apeldoorn, stelt hij zich op het standpunt dat hij als vinder eigenaar is geworden van de vuurstenen en eist hij teruggave van de vuurstenen.\n\n2.7.. Op 7 december 2021 heeft Gemeente Apeldoorn bij brief (productie 3 bij dagvaarding) geantwoord en aangeven de vuurstenen niet terug te zullen geven. Zij schrijft hierover, voor zover relevant, het volgende:\n\n“Op basis van het advies van de Inspectie[de rechtbank: de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed] concluderen wij dat de artefacten eigendom zijn van de provincie Gelderland, aangezien deze zijn aangetroffen tijdens een archeologisch onderzoek. Deze conclusie wordt onderschreven door onze juridische afdeling. De artefacten zullen worden gedeponeerd bij het PDB[de rechtbank: het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van de provincie Gelderland],zoals eerder met u is afgestemd. De provincie is hiervan op de hoogte gebracht en heeft daarbij aangegeven graag mee te willen werken aan het exposeren van het materiaal.”\n\n2.8.. Op 14 maart 2022 heeft de provincie Gelderland zich bij e-mailbericht (productie 5 bij conclusie van antwoord) aan Gemeente Apeldoorn op het standpunt gesteld eigenaar te zijn van de vuurstenen en verzocht om overdracht van de vuurstenen. Gemeente Apeldoorn heeft de vuurstenen op 15 maart 2022 overhandigd aan de provincie Gelderland, die deze in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten heeft gedeponeerd.\n\n2.9.. \n [eiser] heeft vervolgens aangifte gedaan van verduistering van de vuurstenen en een klacht ingediend bij de gemeentelijke ombudsman. [eiser] heeft verder bezwaar gemaakt tegen de brief van Gemeente Apeldoorn van 7 december 2021, welk bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. [eiser] is hiertegen in beroep gegaan bij de Rechtbank Gelderland, die het beroep bij uitspraak van 15 december 2022 ongegrond heeft verklaard. [eiser] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het hoger beroep bij uitspraak van 2 oktober 2024 ongegrond heeft verklaard.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. Gemeente Apeldoorn te veroordelen om alles in het werk te stellen om de voor wetenschappelijk onderzoek tijdelijk aan Gemeente Apeldoorn afgestane archeologische vondst, zijnde de vuurstenen artefacten door [eiser] gevonden op 27 augustus 2020 te Uddelerhei, aan [eiser] terug te geven. Dit omvat de verplichting voor Gemeente Apeldoorn om de betreffende vondst onverwijld aan [eiser] af te (doen) geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van €500,- per dag voor elke dag of gedeelte daarvan dat Gemeente Apeldoorn in gebreke blijft na betekening van het te dezen te wijzen vonnis,\n\nII. te verklaren voor recht dat Gemeente Apeldoorn jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door: (a) [eiser] met inzet van aantoonbaar onjuiste verklaringen ertoe te bewegen zijn eigendomsrecht op te geven, dan wel deze te betwijfelen, (b) onbevoegd een bindende uitspraak te pretenderen over de eigendom van de vondst, (c) de vondst na afloop van de onderzoeksperiode niet terug te geven aan [eiser] als vinder, en (d) de vondst zonder rechtsgrond over te dragen aan de provincie Gelderland; en dat Gemeente Apeldoorn aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden en nog zal lijden,\n\nIII. Gemeente Apeldoorn te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 13.194,09 ter vergoeding van de door [eiser] geleden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over elk van de deelbedragen waaruit dit schadebedrag is opgebouwd, te rekenen vanaf de datum waarop elk deelbedrag door [eiser] is voldaan of verschuldigd is geworden, althans vanaf de datum van dagvaarding over het gehele bedrag, alles tot aan de dag der algehele voldoening,\n\nIV. Gemeente Apeldoorn te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van de dagvaarding en eventueel nakomende kosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – indien betaling uitblijft – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.\n\n3.2.. Gemeente Apeldoorn voert verweer. Gemeente Apeldoorn concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nDe kern van de zaak\n\n4.1.. De kern van het geschil betreft de vraag wie eigenaar is van de circa 700 stuks vuurstenen (afslagen) die [eiser] heeft aangetroffen en geraapt op de Uddelerhei. [eiser] stelt dat hij de eigenaar van de vuurstenen is, omdat sprake is van een archeologische toevalsvondst. Volgens [eiser] lagen de vuurstenen bloot aan de oppervlakte en wees niets erop dat zij aan een ander toebehoorden, zodat hij de eigendom van de vuurstenen heeft verkregen op de voet van artikel 5:4 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor zover hij geen eigenaar is geworden op grond van artikel 5:4 BW, stelt [eiser] (subsidiair) dat hij de eigendom van de vuurstenen op grond van artikel 5:5 BW heeft verkregen. [eiser] vordert in de onderhavige procedure daarom, kort gezegd, teruggave van de vuurstenen, alsmede een schadevergoeding voor verschillende kosten die hij heeft moeten maken voor (gerechtelijke) procedures die hij voorafgaand aan deze procedure heeft doorlopen in een poging de vuurstenen terug te krijgen van Gemeente Apeldoorn.\n\n4.2.. Gemeente Apeldoorn betwist dat [eiser] eigenaar is geworden van de vuurstenen. Volgens Gemeente Apeldoorn zijn de vuurstenen reeds in 2018 gevonden bij een munitieruiming onder archeologische begeleiding, waarna de stenen op de vondslocatie (‘in situ’) zijn bewaard in afwachting van nadere besluitvorming over de bestemming van de vuurstenen. Gemeente Apeldoorn stelt zich daarom op het standpunt dat sprake is van een archeologische vondst bij opgraving, waardoor de provincie Gelderland eigenaar is geworden van de vuurstenen op grond van artikel 5.7 Erfgoedwet.\n\nVooraf\n\n4.3.. De vordering onder I. van [eiser] strekt tot teruggave van de vuurstenen door Gemeente Apeldoorn. De grondslag voor een dergelijke revindicatievordering is artikel 5:2 BW. Voor toewijzing van deze vordering dienst vast te staan dat [eiser] eigenaar is van de vuurstenen en dat Gemeente Apeldoorn de vuurstenen zonder recht houdt. Vast staat echter dat op dit moment niet Gemeente Apeldoorn, maar de provincie Gelderland de vuurstenen houdt. Reeds om deze reden zal deze vordering afgewezen worden, zodat in het kader van deze vordering de rechtbank zich niet hoeft te buigen over de vraag of [eiser] eigenaar van de vuurstenen is. [eiser] vordert echter voorts een verklaring voor recht dat Gemeente Apeldoorn jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat Gemeente Apeldoorn wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. Aan deze vorderingen legt [eiser] onder meer ten grondslag dat Gemeente Apeldoorn onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij eigenaar van de vuurstenen is, maar Gemeente Apeldoorn heeft geweigerd de vuurstenen aan hem terug te geven. De rechtbank zal zich daarom hierna alsnog buigen over de vraag of [eiser] eigenaar van de vuurstenen is geworden.\n\nDe wetssystematiek\n\n4.4.. Alvorens over te gaan op de beoordeling van de vraag of [eiser] eigenaar is (geworden) van de vuurstenen, zal eerst ingegaan worden op de systematiek van de verschillende vormen van eigendomsverkrijging van roerende zaken in het Burgerlijk Wetboek en de verhouding daarvan tot de eigendomsverkrijging zoals die geregeld is in de Erfgoedwet.\n\n4.5.. Het Burgerlijk Wetboek kent in boek 5, titel 2 verschillende regelingen voor eigendomsverkrijging van roerende zaken. Voor zover relevant in de onderhavige procedure zijn dat:\n\nhet in bezit nemen van een aan niemand toebehorende roerende zaak (artikel 5:4 BW). De inbezitnemer wordt dan de eigenaar;\n\nhet vinden en onder zich nemen van een onbeheerde zaak (artikel 5:5-5:12 BW). De vinder wordt dan eigenaar van de zaak één jaar nadat aan de (aangifte- of meldings)vereisten van artikel 5:5 lid 1 BW is voldaan;\n\nschatvinding (artikel 5:13 BW). De vinder wordt dan, samen met de eigenaar van de roerende of onroerende zaak waar de schat is gevonden, mede-eigenaar van de schat.\n\n4.6.. Het kenmerkende verschil tussen de regelingen uit artikel 5:4 BW en artikel 5:5-5:12 BW, is dat bij artikel 5:4 BW sprake is van een zogenaamde res nullius: een aan niemand toebehorende zaak. Hiervan kan sprake zijn omdat de zaak nooit eerder een eigenaar heeft gehad of omdat de vorige eigenaar het bezit van de zaak heeft prijsgegeven met het oogmerk zich van de eigendom te ontdoen (artikel 5:18 BW). Bij de regeling van artikel 5:5-5:12 BW behoort de zaak wel aan iemand toe, maar is die onbeheerd wanneer deze gevonden wordt. Deze regelingen dienen onderscheiden te worden van schatvinding (artikel 5:13 BW). Van schatvinding is sprake wanneer de gevonden zaak een schat is: een zaak van waarde die zolang verborgen is geweest dat daardoor de oorspronkelijke eigenaar niet meer op te sporen is (artikel 5:13 lid 2 BW).\n\n4.7.. Daarnaast kent de Erfgoedwet een specifieke regeling van eigendomsverkrijging voor archeologische vondsten. Deze regeling gaat, als lex specialis, voor op de regelingen uit het Burgerlijk Wetboek. In artikel 5.7 aanhef en sub a Erfgoedwet is bepaald dat een archeologische vondst die is aangetroffen bij een opgraving en waarop niemand zijn recht van eigendom kan bewijzen, eigendom wordt van de provincie waar de vondst is aangetroffen.De Erfgoedwet kent daarnaast in artikel 5.10 de figuur van de archeologische toevalsvondst. Dat is een archeologische vondst anders dan bij het verrichten van opgravingen, welke vondst volgens datzelfde artikel zo spoedig mogelijk moet worden gemeld bij de minister. Voor de archeologische toevalsvondst kent de Erfgoedwet geen eigen regeling van eigendomsverkrijging, zodat in een dergelijk geval teruggevallen moet worden op de regelingen uit het Burgerlijk Wetboek. De wetgever heeft hierover in de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet aangegeven dat voor de gevolgen voor de eigendom bij een archeologische toevalsvondst de regels van schatvinding uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.De archeologische vondst bij opgraving en de archeologische toevalsvondst sluiten elkaar (per definitie) uit. Immers, in het eerste geval wordt de archeologische vondst aangetroffen bij opgraving, terwijl in het tweede geval de archeologische vondst wordt aangetroffen anders dan bij opgraving.\n\nHet toepasselijke beoordelingskader in de onderhavige situatie\n\n4.8.. Partijen zijn het erover eens dat de vuurstenen een archeologische vondst zijn. De vraag die partijen naar de kern verdeeld houdt, is of sprake is van een toevalsvondst – zoals [eiser] betoogt – of van een vondst die is aangetroffen bij een opgraving – zoals Gemeente Apeldoorn betoogt. In het eerste geval dient de eigendomsvraag, gelet op het voorgaande, beantwoord te worden aan de hand van de regeling van schatvinding (artikel 5:13 BW) en in het tweede geval aan de hand van artikel 5.7 Erfgoedwet. [eiser] wordt dus niet gevolgd in zijn betoog dat de eigendomsvraag in het geval van een toevalsvondst beantwoord moet worden aan de hand van de regelingen uit artikel 5:4 BW of artikel 5:5 BW. Uit de memorie van toelichting bij de Erfgoedwet volgt namelijk dat bij een toevalsvondst de regeling van schatvinding uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Overigens is de rechtbank bovendien van oordeel dat de vuurstenen zijn aan te merken als schat, nu het prehistorische artefacten betreffen waarvan de oorspronkelijk eigenaar niet meer op te sporen is omdat de vuurstenen zeer lang verborgen zijn geweest (artikel 5:13 lid 2 BW).\n\n4.9.. Aangezien de archeologische toevalsvondst en de archeologische vondst bij opgraving elkaar uitsluiten, dient beoordeeld te worden of de vuurstenen eerst in 2020 door [eiser] bij een archeologische toevalsvondst zijn ontdekt – in welk geval [eiser] samen met de grondeigenaar mede-eigenaar is van de vuurstenen (artikel 5:13 BW) – of dat de vuurstenen reeds in 2018 bij een opgraving zijn ontdekt – in welk geval als uitgangspunt de provincie Gelderland eigenaar is van de vuurstenen (artikel 5.7 aanhef en sub a Erfgoedwet).\n\nDe vuurstenen zijn aangetroffen bij een opgraving\n\n4.10.. Een opgraving, als bedoeld in artikel 5.7 Erfgoedwet, is een handeling met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem of verstoring, of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt (artikel 5.1 Erfgoedwet). Onder deze handelingen vallen onder meer het bloot leggen en uit de grond halen van archeologische vondsten.\n\n4.11.. Vast staat dat in het gebied waar [eiser] de vuurstenen heeft aangetroffen tussen 2018 en 2021 een munitieruiming onder archeologische begeleiding heeft plaatsgevonden, waarbij de grond werd afgeplagd en dus werd verstoord. Volgens Gemeente Apeldoorn zijn hierbij door de begeleidende archeoloog de betreffende vuurstenen aangetroffen, waarna is besloten deze op de vindlocatie te bewaren. Dat bij het afplaggen vuurstenen zijn aangetroffen, wordt bevestigd in het door Gemeente Apeldoorn overgelegde dagrapport van 10 oktober 2018, waarin melding wordt gemaakt van aangetroffen vuurstenen (zie r.o. 2.2.). Door Gemeente Apeldoorn is bovendien onweersproken aangevoerd dat de vindplaats van de vuurstenen is ingemeten met GPS en dat de door [eiser] aangetroffen vuurstenen zijn aangetroffen op de geregistreerde vindplaats. Ook volgens de eigen stellingen van [eiser] lagen de door hem aangetroffen vuurstenen bloot aan de oppervlakte op afgeplagde grond. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de betreffende vuurstenen reeds bloot zijn gelegd en zijn aangetroffen bij het afplaggen van de grond.\n\n4.12.. \n [eiser] wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het afplaggen van de grond in het kader de munitieruiming onder archeologische begeleiding niet gezien kan worden als opgraving in de zin van de Erfgoedwet. Volgens [eiser] had het afplaggen van de grond primair munitieruiming als doel. Gemeente Apeldoorn heeft echter tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het afplaggen zowel explosievenonderzoek als archeologisch onderzoek als doel had, welke doelen gecombineerd waren omdat het te risicovol was het archeologisch onderzoek voorafgaand aan de munitieruiming plaats te laten vinden. Daarom is volgens Gemeente Apeldoorn in een multidisciplinair team, met onder meer archeologen en ecologen, besloten tot afplagwerkzaamheden onder zowel explosieven- als archeologische condities. Dit is niet gemotiveerd weersproken door [eiser] . Bovendien staat vast dat voorafgaand aan de start van de afplagwerkzaamheden een melding is gemaakt van archeologisch onderzoek voor, onder meer, de Uddelerhei in de betreffende periode bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Een en ander leidt tot het oordeel dat de afplagwerkzaamheden mede zagen op het opsporen en\u002Fof verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, als bedoeld in artikel 5.7 Erfgoedwet. Dat, zoals [eiser] stelt, de archeologische vondsten vervolgens niet op de juiste wijze zijn gedocumenteerd – hetgeen Gemeente Apeldoorn overigens betwist – doet hieraan niet af.\n\n4.13.. \n\nGelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de vuurstenen reeds in 2018 zijn aangetroffen bij een archeologische opgraving, waarop de eigendomsregeling uit artikel 5.7 Erfgoedwet van toepassing is. Zodoende was geen sprake van een toevalsvondst door [eiser] op 27 augustus 2020. [eiser] is daarmee niet de eigenaar geworden van de vuurstenen. Tegen deze achtergrond, oordeelt de rechtbank over de overige vorderingen van [eiser] als volgt.\n\nGemeente Apeldoorn heeft niet onrechtmatig gehandeld\n\n4.14.. \n\n [eiser] vordert een verklaring voor recht dat Gemeente Apeldoorn onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat Gemeente Apeldoorn wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 13.194,09 voor de schade die hij als direct en indirect gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden. [eiser] maakt Gemeente Apeldoorn in dat kader de volgende verwijten:\n\nI. Gemeente Apeldoorn heeft [eiser] met inzet van aantoonbaar onjuiste verklaringen ertoe bewogen zijn eigendomsrechten op te geven, dan wel deze te betwijfelen;\n\nII. Gemeente Apeldoorn heeft onbevoegd gepretendeerd een bindende uitspraak te doen over de eigendom van de vondst;\n\nIII. Gemeente Apeldoorn heeft na afloop van de onderzoeksperiode de vondst niet teruggegeven aan [eiser] als vinder; en\n\nIV. Gemeente Apeldoorn heeft de vondst zonder rechtsgrond overgedragen aan de provincie Gelderland.\n\n4.15.. Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn jegens [eiser] is sprake wanneer het handelen (of nalaten) van Gemeente Apeldoorn in strijd is met de wet, het recht of hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 BW). Met het oordeel in r.o. 4.13. staat vast dat Gemeente Apeldoorn met het oog op artikel 5.7 Erfgoedwet op goede gronden de afgifte van de vuurstenen aan [eiser] mocht weigeren en deze mocht overdragen aan de provincie Gelderland. Hiermee heeft zij niet gehandeld in strijd met de wet, het recht of hetgeen in het maatschappelijke verkeer betaamt. Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn op grond van de door [eiser] onder III en IV gemaakte verwijten is derhalve geen sprake.\n\n4.16.. Voor wat betreft de verwijten onder I en II geldt dat Gemeente Apeldoorn in de door [eiser] overgelegde correspondentie (zie r.o. 2.5. en 2.7.) een standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de eigendom van de vuurstenen, hetgeen niet in strijd is met de wet, het recht of hetgeen in het maatschappelijk betaamt. Uit de correspondentie volgt bovendien niet dat Gemeente Apeldoorn heeft gepretendeerd een bindende uitspraak te kunnen doen over de eigendom van de vuurstenen. Van onrechtmatig handelen door Gemeente Apeldoorn op grond van de door [eiser] onder I en II gemaakte verwijten is daarom evenmin sprake. Dit leidt ertoe dat ook de overige vorderingen van [eiser] afgewezen zullen worden.\n\nProceskosten\n\n4.17.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Apeldoorn worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.C.G. Metz en in het openbaar uitgesproken door mr. F.M.C. Boesberg op 11 maart 2026.\n\n Of van de gemeente waar de vondst is aangetroffen, indien die gemeente beschikt over een aangewezen depot; of van de Staat, indien de vondst is aangetroffen buiten het grondgebied van enige gemeente (artikel 5.7 aanhef en onder b, respectievelijk c). Gesteld noch gebleken is dat een van deze situaties zich voordoet in deze zaak.\n\nKamerstukken II2014\u002F15, 34109, nr. 3, p. 86-87.\n\nKamerstukken II2014\u002F15, 34109, nr. 3, p. 86.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1862","ecli-nl-rbgel-2026-1862",{"courtName":6,"legalDomain":94,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":137,"ecli":138,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":139,"fullText":140,"language":7,"source":17,"sourceUrl":141,"summary":14,"slug":142,"metadata":143},"515","ECLI:NL:RBGEL:2026:5273","2026-03-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F460393 \u002F HZ ZA 25-358\n\nVonnis in incident van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eisend vennootschap] ,\n\nte [vestigingsplaats] , 2. [naam eiser in hoofdzaak sub. 2],\n\nte [woonplaats] , 3. [naam eiser in hoofdzaak sub. 3],\n\nte [woonplaats] ( [land] ),\n\neisende partijen in de hoofdzaak,\n\nverwerende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser in de hoofdzaak] ,\n\nadvocaat: mr. E. Baldan,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in de hoofdzaak],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde in de hoofdzaak] ,\n\nadvocaat: mr. E.F.E. van Essen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de verzetdagvaarding - de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid in het ingestelde verzet\n\n- de conclusie van antwoord in het incident\n\n2. Het geschil in de incidenten\n\n2.1.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij verzetdagvaarding een incident opgeworpen teneinde de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 te schorsen tot in de hoofdzaak wordt beslist, met veroordeling van [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident.\n\n2.2.. \n [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft het recht om te reageren op de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 voorbehouden. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft als reactie op het incident van [de eiser in de hoofdzaak] een incident ingesteld, inhoudende dat [de eiser in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde verzet, met veroordeling van [de eiser in de hoofdzaak] in de kosten van dit incident.\n\n2.3.. \n [de eiser in de hoofdzaak] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [de gedaagde in de hoofdzaak] in het incident, althans zijn vordering af te wijzen, met veroordeling van [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident.\n\n2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling in de incidenten\n\nInternationaal karakter\n\n3.1.. \n [naam eiser in hoofdzaak sub. 3] , eiser sub 3, is woonachtig in [land] en [de gedaagde in de hoofdzaak] , gedaagde, is woonachtig in Nederland. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van dit incident, zal zij vanwege het internationale karakter van het geschil eerst toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het geschil van toepassing is.\n\n3.2.. \n [de gedaagde in de hoofdzaak] is woonachtig in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, en de vordering betreft een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na 10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, beantwoord wordt aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I-bis). Volgens de in artikel 4 Brussel I-bis vastgelegde hoofdregel zijn internationaal bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de gedaagde partij woonplaats heeft. Nu [de gedaagde in de hoofdzaak] woonachtig is in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het geschil.\n\nToepasselijk recht\n\n3.3.. \n\nTussen partijen is discussie over hoe de in het geschil zijnde overeenkomst gekwalificeerd dient te worden. [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat sprake is van een samenwerkingsovereenkomst, bestaande uit onder meer – zo begrijpt de rechtbank – dienstverlening, aanneming en verhuur. [de eiser in de hoofdzaak] voert aan dat sprake is van een turnkey aannemingsovereenkomst. De kwalificatie van de overeenkomst kan voor de beoordeling van het toepasselijk recht in het midden blijven, nu vaststaat dat sprake is van een verbintenis uit overeenkomst in een burgerlijke of handelszaak. Het toepasselijke recht wordt in dat geval vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna: Rome I). Op grond van artikel 4 lid 2 Rome I wordt indien de overeenkomst niet onder lid 1 valt (zoals ingeval van aanneming) of de bestanddelen van de overeenkomst onder meer dan een van de punten a tot en met h van lid 1 vallen (zoals ingeval van dienstverlening en huur), de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. Nu alle prestaties die op grond van de overeenkomst verricht dienden te worden zijn verricht door [de gedaagde in de hoofdzaak] en [naam eisend vennootschap] en beide partijen hun verblijfplaats hebben in Nederland, is Nederlands recht van toepassing op dit geschil.\n\nHet incident tot niet-ontvankelijkheid\n\n3.4.. \n\n [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt in het incident tot niet-ontvankelijkheid in het verzet dat de wettelijke verzettermijn van vier weken op grond van artikel 143 lid 3 jo. 144 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is aangevangen op 30 september 2025, zodat de door\n\n [de eiser in de hoofdzaak] op 26 november 2025 betekende verzetdagvaarding te laat is ingediend en [de eiser in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzet.\n\n3.5.. Op grond van artikel 143 lid 3 Rv vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd. Op grond van artikel 144 aanhef en onder b Rv wordt in geval van derdenbeslag op een vordering, het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de uitbetaling aan de beslaglegger. Betreft het een derdenbeslag op een vordering tot periodieke betalingen, dan wordt het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de eerste uitbetaling (ECLI:NL:HR:2004:AM2341). In deze zaak is executoriaal derdenbeslag gelegd onder mevrouw [huurster] (hierna: “ [huurster] ”), voormalig huurster van [de eiser in de hoofdzaak] [de gedaagde in de hoofdzaak] stelt dat [huurster] op 30 september 2025 een bedrag van € 2.000,00 als deelbetaling heeft betaald aan [de gedaagde in de hoofdzaak] . [de eiser in de hoofdzaak] betwist dat [huurster] de betaling heeft verricht.\n\n3.6.. \n\n [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft een door [huurster] ingevulde verklaring derdenbeslag overgelegd, waaruit volgt dat [huurster] verklaart dat zij op 30 september 2025 een huurachterstand had van € 7.000,00 en dat zij een bedrag van € 2.000,00 in mindering op de schuld heeft betaald. Daarnaast heeft [de gedaagde in de hoofdzaak] een kwitantie overgelegd waaruit volgt dat [huurster] op 30 september 2025 een bedrag van € 2.000,00 heeft betaald. [de eiser in de hoofdzaak] heeft daartegen een mail van de deurwaarder van 24 november 2025 overgelegd waarin de deurwaarder een specificatie van de schuld van [de eiser in de hoofdzaak] op grond van het verstekvonnis heeft opgesteld per 24 november 2025. In de specificatie is de betaling van [huurster] niet opgenomen en is de schuld sinds het verstekvonnis ook niet met € 2.000,00 verminderd, zodat de betaling niet op 30 september 2025 is verricht, aldus\n\n [de eiser in de hoofdzaak] Daar komt bij dat enerzijds [de gedaagde in de hoofdzaak] een Whatsappbericht van [huurster] heeft overgelegd waarin zij verklaart dat zij aan hem de eerste betaling heeft gedaan op 30 september 2025 en anderzijds [de eiser in de hoofdzaak] een geluidsopname met transcripties heeft overgelegd waarin [huurster] verklaart dat zij de betaling van\n\n€ 2.000,00 in maart 2025 heeft verricht en geen verdere betalingen heeft gedaan. De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat zonder nadere bewijslevering – waarvoor dit incident zich niet leent – niet kan worden vastgesteld of [huurster] de betaling van € 2.000,00 op 30 september 2025 heeft verricht. Nu dit bepalend is voor de vraag of [de eiser in de hoofdzaak] binnen de verzettermijn in verzet is gegaan, en dus of zij ontvankelijk is in de hoofdzaak, ziet de rechtbank aanleiding om nadere inlichtingen te verzoeken op de mondelinge behandeling en de ontvankelijkheid van [de eiser in de hoofdzaak] in het verzet tegelijk met de hoofdzaak te behandelen.\n\n3.7.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\nHet incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis\n\n3.8.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij verzetdagvaarding een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 ingesteld. [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft geen conclusie van antwoord in dit incident genomen. De rechtbank is van oordeel dat [de gedaagde in de hoofdzaak] hiermee zijn recht op het nemen van een conclusie van antwoord in dit incident heeft verspeeld. De door [de gedaagde in de hoofdzaak] ingestelde incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid is niet in de wet geregeld, zodat evenmin wettelijk is voorgeschreven dat op deze vordering eerst en vooraf moet worden beslist, in die zin dat eerst op de incidentele vordering wordt beslist voordat de hoofdzaak (of het eerder opgeworpen incident) wordt behandeld. In een dergelijk geval geldt de maatstaf van artikel 209 Rv, inhoudende dat op de incidentele vordering eerst en vooraf wordt beslist indien de zaak dat medebrengt. Door [de gedaagde in de hoofdzaak] zijn geen omstandigheden aangedragen op grond waarvan de zaak meebrengt dat eerst op zijn incident tot niet-ontvankelijkheid dient te worden beslist voordat op het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstek kan worden beslist. Daar komt bij dat de incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis is gebaseerd op artikel 223 Rv. Voor een provisionele vordering in de zin van artikel 223 Rv is vereist dat degene die zich op het artikel beroept belang heeft bij de vordering, in die zin dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. Het ligt daarom voor de hand om op een dergelijk incident voorafgaand aan de hoofdzaak te beslissen. Met het oordeel dat de ingestelde incidentele vordering van [de gedaagde in de hoofdzaak] niet noodzaakt tot een voorafgaande behandeling aan de ingestelde incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] , staat achteraf bezien vast dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de proceshandeling waarvoor de zaak eigenlijk stond, de conclusie van antwoord in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, ten onrechte niet heeft verricht. De rechtbank is daarom van oordeel dat zijn recht om deze proceshandeling te verrichten is vervallen op grond van artikel 133 lid 4 Rv.\n\n3.9.. Het voorgaande brengt mee dat [de gedaagde in de hoofdzaak] de stellingen van [de eiser in de hoofdzaak] in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet heeft betwist. Voor een provisionele vordering als bedoeld in artikel 223 Rv is – naast samenhang met de vordering in de hoofdzaak – vereist dat de eisende partij voldoende belang bij de vordering heeft. Daarnaast moet de rechter de wederzijdse belangen afwegen. Nu [de eiser in de hoofdzaak] in de hoofdzaak vordert dat zij zal worden ontheven van de tegen haar bij verstekvonnis van 10 september 2025 uitgesproken veroordelingen, is met de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van dit verstekvonnis sprake van samenhang met de vordering in de hoofdzaak. Verder stelt [de eiser in de hoofdzaak] dat [naam eiser in hoofdzaak sub. 2] , eiser sub 2, en zijn vrouw dakloos zullen raken door de executoriale verkoop van hun woning en dat de verkoop tegen een lagere prijs tot onomkeerbare schade zal leiden. Daarnaast stelt [de eiser in de hoofdzaak] dat sprake is van een groot restitutierisico. Nu deze stellingen niet door [de gedaagde in de hoofdzaak] zijn betwist, is de rechtbank van oordeel dat [de eiser in de hoofdzaak] voldoende belang heeft bij haar incidentele vordering en dat de belangenafweging in haar voordeel uitvalt. De rechtbank zal de incidentele vordering tot het schorsen van het verstekvonnis van 10 september 2025 daarom toewijzen. Of [de gedaagde in de hoofdzaak] misbruik maakt van recht – zoals door [de eiser in de hoofdzaak] is gesteld – kan in het midden blijven.\n\nProceskosten\n\n3.10.. De incidentele vordering van [de eiser in de hoofdzaak] wordt toegewezen, zodat [de gedaagde in de hoofdzaak] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. [de gedaagde in de hoofdzaak] zal daarom in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van [de eiser in de hoofdzaak] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) + € 189,00 aan nakosten) plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beoordeling in de hoofzaak\n\n4.1.. \n [de eiser in de hoofdzaak] heeft bij haar verzetdagvaarding reconventionele vorderingen ingesteld. Door [de gedaagde in de hoofdzaak] is nog niet geconcludeerd voor antwoord in reconventie in de hoofdzaak, zodat de rechtbank de zaak op de rol zal plaatsen van 15 april 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak door [de gedaagde in de hoofdzaak] .\n\n4.2.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident tot niet-ontvankelijkheid\n\n5.1.. houdt iedere beslissing aan,\n\nin het incident tot schorsing van het verstekvonnis\n\n5.2.. schorst de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 september 2025 tot in de hoofdzaak wordt beslist,\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [de gedaagde in de hoofdzaak] in de kosten van het incident, aan de zijde van\n\n [de eiser in de hoofdzaak] tot op tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser in de hoofdzaak] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.4.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 april 2026 voor conclusie van antwoord in reconventie in de hoofdzaak door [de gedaagde in de hoofdzaak] ,\n\n5.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op\n\n4 maart 2026.\n\nJV\u002FPB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5273","ecli-nl-rbgel-2026-5273",{"courtName":6,"legalDomain":54,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":145,"ecli":146,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":139,"fullText":147,"language":7,"source":17,"sourceUrl":148,"summary":14,"slug":149,"metadata":150},"400","ECLI:NL:RBGEL:2026:5275","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F460385 \u002F HZ ZA 25-357\n\nVonnis in incident van 4 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. CONTAMINATION CONTROL TECHNOLOGIES EUROPE B.V.,\n\nte Helmond, 2. JESFAM B.V.,\n\nte Helmond, 3. [eiser sub. 3] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 4. MATCH VENLO HOLDING B.V.,\n\nte Venlo, 5. [eiser sub. 5] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 6. GEBRA INFRA B.V.,\n\nte Arnhem, 7. RAMATEGE B.V.,\n\nte Arnhem, 8. [eiser sub. 8] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 9. [eiser sub. 9] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 10. [eiser sub. 10] .,\n\nte [vestigingsplaats] , 11. [eiser sub. 11] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] , 12. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN B.V.,\n\nte Bemmel, 13. TAPANUI HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 14. BEDEGE HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 15. MATAURA HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 16. WAITAHUNA HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 17. SUBASTA HOLDING B.V.,\n\nte Bemmel, 18. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN DELFT B.V.,\n\nte Bemmel, 19. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN BEVERWIJK B.V.,\n\nte Bemmel, 20. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN ZEELAND B.V.,\n\nte Bemmel, 21. JOOSTEN KUNSTSTOFFEN PRODUCTIE EN LASTECHNIEK B.V.,\n\nte Bemmel, 22. JOOSTEN ECODAK B.V.,\n\nte Bemmel, 23. JOOSTEN REFOAM B.V.,\n\nte Bemmel, 24. JOOSTEN RIOTECH B.V.,\n\nte Bemmel, 25. JOOSTEN VAN KAAM B.V.,\n\nte Bemmel,\n\n26. KOZIJN GARANT B.V.,\n\nte Cuijk,\n\n27. ST. ANTHONIS METAAL B.V.,\n\nte Cuijk,\n\n28. BEHEERMAATSCHAPPIJ ST. ANTONIS B.V.,\n\nte Cuijk,\n\n29. STANSTECHNIEK GAANDEREN BEHEER B.V.,\n\nte Gaanderen,\n\n30. STANSTECHNIEK GAANDEREN B.V.,\n\nte Gaanderen,\n\n31. [eiser sub. 31] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] ,\n\n32. [eiser sub. 32] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats] ,\n\n33. DESUT INVEST B.V.,\n\nte Haps,\n\neisende partijen in de hoofdzaak,\n\neisende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: eisers,\n\nadvocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs,\n\ntegen\n\n1. FINANCIEEL DIENSTENCENTRUM VOOR ONDERNEMERS B.V.,\n\nte Zelhem,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: Fidon, 2. [naam gedaagde sub. 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\nhierna afzonderlijk te noemen: [de gedaagde sub. 2] ,\n\ngedaagde partijen in de hoofdzaak,\n\nverwerende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nadvocaat: mr. M.J.M. Groen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding inclusief incidentele vordering\n\n- de conclusie van antwoord in het incident.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Het geschil in het incident\n\n2.1.. \n\nEisers vorderen in dit incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] te veroordelen tot volledige medewerking aan afgifte van (dan wel inzage in) alle informatie en\u002Fof bescheiden, die eisers redelijkerwijs nodig hebben om hun vordering(en) op Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] nader te kunnen onderbouwen, motiveren en\u002Fof concretiseren, waaronder doch niet uitsluitend de informatie en stukken zoals genoemd in de brief van eisers d.d. 8 november 2024 (productie 6);\n\nII. Bij toewijzing van het hiervoor onder I. gevorderde, en als Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] daarin niet binnen 14 dagen na de datum van het vonnis in incident vrijwillig heeft voldaan, dat Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] alsdan een dwangsom verbeurt aan eisers van\n\n€ 1.000,00 per dag of dagdeel dat daaraan niet wordt voldaan, zulks met een maximum van € 50.000,00, althans een dwangsom vanaf een datum en maximum zoals door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen;\n\nIII. Fidon en\u002Fof [de gedaagde sub. 2] te veroordelen in de kosten van dit (incidentele) geding, waaronder mede begrepen het salaris van de advocaat van eisers, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis.\n\n2.2.. \n\nGedaagden voeren verweer. Gedaagden concluderen primair tot afwijzing van de incidentele vorderingen. Subsidiair concluderen gedaagden, bij toewijzing van de vorderingen, te bepalen dat eisers een voorschot aan Fidon dienen te voldoen van\n\n€ 6.000,00, te vermeerderen met de BTW, met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.\n\n2.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n3. De beoordeling in het incident en in de hoofdzaak\n\n3.1.. Eisers stellen in de hoofdzaak – samengevat – dat gedaagden, in hun hoedanigheid van assurantietussenpersoon, meer provisie hebben ingehouden dan de daarover gemaakte afspraken. Hierdoor hebben eisers schade geleden in de vorm van te veel betaalde premie. Ter onderbouwing van hun schade, vorderen eisers inzage in informatie op grond van artikel 195 jo. 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in stukken waaruit volgt welke provisie gedaagden ten aanzien van eisers hebben ontvangen en welke provisie zij bij eisers in rekening hebben gebracht.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om de zaken te splitsen\n\n3.2.. Alvorens over te gaan tot de inhoudelijke beoordeling van het incident, overweegt de rechtbank dat zij een aanhangig gemaakt geding (ambtshalve) kan splitsen op grond dat tussen de vorderingen van eisers geen zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen (ECLI:NL:HR:1978:AC6384). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak gesplitst dient te worden in individuele zaken per eiser en daartoe is het volgende redengevend.\n\n3.3.. De vorderingen van eisers zijn weliswaar gelijkluidend – in die zin dat in de hoofdzaak één bedrag aan schade wordt gevorderd ten behoeve van alle eisers, maar uit het door eisers overgelegde overzicht van de (voor een aantal van hen) tot nu toe begrote schade volgt dat eisers afzonderlijk schade hebben geleden. De begrote bedragen lopen namelijk sterk uiteen. Daar komt bij dat ook de met, of ten behoeve van, eisers gemaakte provisieafspraken, welke ten grondslag liggen aan de gevorderde schadevergoeding, per individuele eiser zijn gemaakt. Blijkens de stellingen van eisers en de bijgevoegde provisieafspraken, zou bij een deel van de eisers de gehele provisie van de af te sluiten polis worden uitgesloten, bij een deel van de eisers vijftig procent en bij een deel van de eisers zou de provisie niet van de af te sluiten polis worden uitgesloten. Zodoende is sprake van individuele overeenkomsten met of ten behoeve van eisers. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een dusdanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen. Per eiser zal dus moeten worden beoordeeld wat de concrete situatie is en welke schade is geleden.\n\n3.4.. Bovendien zal per eiser moeten worden beoordeeld of de rechtbank of de kantonrechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Op grond van artikel 93 aanhef en onder a Rv worden zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00 door de kantonrechter beslist. De rechtbank ziet in het door eisers overgelegde rapport aanleiding om voorlopig te oordelen dat niet iedere individuele eiser vorderingen heeft met een beloop van meer dan € 25.000,00, zodat de rechtbank het voornemen heeft om de zaken na splitsing te verwijzen naar de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Zutphen, voor zover de vorderingen van de betreffende eiser minder dan een bedrag van € 25.000,00 bedragen.\n\n3.5.. De splitsing van de zaak heeft ten gevolge dat per eiser een procesdossier dient te worden aangeleverd en griffierecht dient te worden betaald. De rechtbank zal de zaak naar de rol van 18 maart 2026 verwijzen voor het nemen van een akte. In deze akte dienen eisers zich per eiser uit te laten over of de eiser verder wenst te procederen en over het voornemen om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter.\n\n3.6.. Iedere verdere beslissing in de hoofdzaak en in het incident zal worden aangehouden.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident en de hoofdzaak\n\n4.1.. verwijst de zaak de rol van 18 maart 2026 voor het nemen van een akte door eisers over hetgeen is overwogen onder 3.5,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op\n\n4 maart 2026.\n\nJV\u002FPB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5275","ecli-nl-rbgel-2026-5275",{"courtName":6,"legalDomain":54,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":152,"ecli":153,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":154,"fullText":155,"language":7,"source":17,"sourceUrl":156,"summary":14,"slug":157,"metadata":158},"711","ECLI:NL:GHARL:2025:911","2025-02-10T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002793-24\n\nUitspraak : 10 februari 2025\n\nTEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 25 oktober 2023 van in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 05-242022-23 en 05-186252-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummers 09-209763-21 en 09-286167-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 tenlastegelegde en is hij ter zake van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 7,11 gram cocaïne en ongeveer 1,82 gram heroïne (in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 tenlastegelegde) en tweemaal ter zake van belediging van een ambtenaar in functie (in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.\n\nVoorts heeft de politierechter de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte gelast.\n\nTot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen en de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder in de zaak met parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf afgewezen.\n\nNamens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden, behoudens de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen en tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder in de zaak met parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep voor zover deze is gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 is tenlastegelegde.\n\nVoorts heeft de verdediging het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete.\n\nTot slot heeft de verdediging bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 09-286167-19 zal afwijzen en ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met het parketnummer 09-209763-21 primair bepleit dat het hof deze zal afwijzen en subsidiair dat het hof de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal omzetten naar een taakstraf.\n\nOntvankelijkheid hoger beroep\n\nDe verdachte is door politierechter in de rechtbank Gelderland vrijgesproken van hetgeen aan hem in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\nZaak met parketnummer 05-242022-23:2. hij op of omstreeks 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 7,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 1,82 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3. hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 4 juli 2023 te Zutphen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten\n\n [benadeelde 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland en\u002Fof\n\n [benadeelde 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, in zijn\u002Fhaar\u002Fhun tegenwoordigheid, een of meerdere malen mondeling heeft beledigd, door hem\u002Fhaar\u002Fhen de woorden toe te voegen: \"Kanker wouten\" en\u002Fof \"Kanker flikker\" en\u002Fof \"Krijg de kanker\", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking.\n\nZaak met parketnummer 05-186252-23 (gevoegd):hij op of omstreeks 19 juli 2023 te Zutphen opzettelijk (een) (politie)ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde 2] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland) en\u002Fof [benadeelde 1] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn\u002Fhaar\u002Fhun bediening, in zijn\u002Fhaar\u002Fhun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem\u002Fhaar\u002Fhen de woorden toe te voegen: \"Jullie zijn kankerlijers\" en\u002Fof \"Flikkers\" en\u002Fof \"Kankerflikkers\", althans woorden van gelijke beledigende aard en\u002Fof strekking.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\nZaak met parketnummer 05-242022-23:2. hij op 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- 7,27 gram cocaïne en\n\n- 1,82 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n 3. hij op 4 juli 2023 te Zutphen opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten\n\n [benadeelde 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland en\n\n [benadeelde 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: \"Kanker wouten\" en \"Kanker flikker\" en \"Krijg de kanker.\n\nZaak met parketnummer 05-186252-23 (gevoegd):hij op 19 juli 2023 te Zutphen opzettelijk politieambtenaren, te weten [benadeelde 2] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland) en [benadeelde 1] (hoofdagent Eenheid Oost-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: \"Jullie zijn kankerlijers\" en \"Flikkers\" en \"Kankerflikkers\".\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIndien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nElk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.\n\nHet in de zaak met parketnummer 05-186252-23 bewezenverklaarde levert op:\n\neenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe politierechter heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verdachte alle kansen heeft gehad van justitie, maar desondanks zijn leven niet heeft gebeterd.\n\nDe verdediging heeft met een verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 7,27 gram cocaïne en 1,82 gram heroïne. Daarnaast heeft hij zich op twee verschillende data schuldig gemaakt aan het beledigen van ambtenaren in functie. Niet alleen getuigt dit gedrag van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag, ook heeft de verdachte de ambtenaren aangetast in hun eer en goede naam. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen. Dit geldt temeer omdat hun werk het in de regel niet toelaat dat zij zich distantiëren van een situatie waarin zulke gedragingen zich zouden kunnen voordoen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.\n\nHet hof is van oordeel dat in het algemeen genomen bij het bepalen van de strafoplegging aansluiting kan worden gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Voor een belediging is het uitgangspunt de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 150,00. Voor zover het feit is begaan tegen (onder andere) een – kort gezegd – ambtenaar in functie, kan de in het oriëntatiepunt genoemde straf worden verhoogd met 33% tot 100%. Ter zake van het opzettelijk voorhanden hebben van harddrugs tussen 0 en 10 gram is het oriëntatiepunt in beginsel een geldboete ter hoogte van € 750,00. In de gevallen waarin het verkopen, afleveren of verstrekken niet te bewijzen is, maar dealen wel aannemelijk is, kan – met de nodige terughoudendheid – ook aansluiting worden gezocht bij het oriëntatiepunt voor dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.\n\nHet hof is van oordeel dat er goede gronden zijn om in de onderhavige zaak af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten voor belediging en het voorhanden hebben van harddrugs en motiveert deze afwijking als volgt.\n\nIn de eerste plaats heeft de verdachte zich niet eenmaal schuldig gemaakt aan de belediging van een enkele ambtenaar in functie, waar het voornoemde oriëntatiepunt van uitgaat, maar heeft hij op twee verschillende data twee agenten beledigd.\n\nIn de tweede plaats is het hof van oordeel dat het dossier ten laste van de verdachte meerdere dealerindicaties bevat. Zo was de heroïne verpakt in 9 en de cocaïne in 34 gripzakjes (p. 31 en 32 van het politiedossier). Daarnaast bestond het geldbedrag dat de verdachte bij zich had voornamelijk uit kleine coupures (p. 20 van het politiedossier). Tot slot werd door verbalisanten tijdens het kort volgen van de verdachte waargenomen dat de verdachte zesmaal in contact is geweest met drugsgebruikers of woningen is binnengegaan waarin drugsgebruikers wonend zijn (p. 14 van het politiedossier).\n\nTot slot heeft het hof acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 14 november 2024, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte. Blijkens dit uittreksel heeft de verdachte ondanks zijn nog relatief jonge leeftijd al de nodige justitiële contacten gehad. Bovendien bevond de verdachte zich ten tijde van de pleegdata in de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijk jeugddetentie voor de duur van 89 dagen. Zelfs de dreiging van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsbenemende straf heeft de verdachte er niet van kunnen weerhouden zich op twee verschillende data schuldig te maken aan strafbare feiten. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden hof is van oordeel dat de door de verdediging verzochte strafafdoening, te weten het opleggen van een geldboete, geen recht doet aan de ernst van de gedragingen van de verdachte en acht het hof, met de advocaat-generaal, vanuit het oogpunt van juiste normhandhaving de oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden.\n\nTot slot heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. Het enkele feit dat de verdachte thans werkzaam is in Duitsland, acht het hof van onvoldoende gewicht om van voornoemde normhandhaving af te wijken.\n\nAl het vorenstaande afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, passend is bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan.\n\nBeslag\n\nConform de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal, zal het hof de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, nader beschreven in het dictum van dit arrest, aan de verdachte gelasten.\n\nVordering tenuitvoerlegging (09-209763-21)\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland heeft bij vordering van\n\n24 oktober 2023 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2022 onder parketnummer 09-209763-21 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.\n\nDe politierechter heeft deze vordering toegewezen en de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen gelast.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof conform de politierechter zal beslissen.\n\nDe verdediging heeft primair bepleit dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, nu voornoemde voorwaardelijk straf is opgelegd ter zake van een geheel ander soort strafbaar feit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal omzetten naar een taakstraf.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat de rechter met de oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf enerzijds beoogt de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Immers, als algemene voorwaarde bij een voorwaardelijke straf is gesteld dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Ten overvloede merkt het hof hierbij op dat ziet op een strafbaar feit in het algemeen en derhalve niet is vereist dat de verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk strafbaar feit. De veroordeelde heeft derhalve te gelden als een gewaarschuwd man en dient zich ervan bewust te zijn dat, indien hij zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit, de opgelegde voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer wordt gelegd.\n\nDit heeft ook te gelden in onderhavige zaak. De verdachte wist dat deze eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 89 dagen boven zijn hoofd hing en heeft er desondanks zelf voor gekozen om zich wederom meerdere malen schuldig te maken aan een strafbaar feit en hiermee derhalve de algemene voorwaarde te overtreden met als gevolg dat deze eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie ten uitvoer zou kunnen worden gelegd.\n\nIn beginsel heeft dan ook te gelden dat deze eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. Dit kan anders zijn in het geval er sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden die de tenuitvoerlegging niet wenselijk zouden maken. Nu daarvan in onderhavige zaak niet is gebleken, ziet het hof geen reden om af te wijken van de vordering tot tenuitvoerlegging en zal deze derhalve gelasten.\n\nVordering tenuitvoerlegging (09-286167-19)\n\nDe officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland heeft bij vordering van\n\n24 oktober 2023 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 9 juli 2021 onder parketnummer 09-286167-19 opgelegde voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie.\n\nNu gebleken is dat deze eerder voorwaardelijk opgelegde straf reeds is tenuitvoergelegd, zal het hof de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 57, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het in de zaak met parketnummer 05-242022-23 onder 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 05-186252-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) weken.\n\nGelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n- een zwarte Nokia telefoon (goednr. PL0600-2023303852-3009779);\n\n- € 501,05 (goednr. PL0600-2023303852-3009446);\n\n- een zwarte Apple iPhone (goednr. PL0600-2023303852-3009782) .\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2022, parketnummer 09-209763-21, te weten van jeugddetentievoor de duur van89 (negenentachtig) dagen.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland van\n\n24 oktober 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 9 juli 2021, parketnummer 09-286167-19, voorwaardelijk opgelegde een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,\n\nmr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,\n\nen op 10 februari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. dr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M. van der Horst zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:911","ecli-nl-gharl-2025-911",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23}]