[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2024-3061":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2024-3061":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"895","ECLI:NL:GHAMS:2024:3061","",56,"Amsterdam","amsterdam","2024-11-06T00:00:00.000Z","afdeling strafrecht\n\nparketnummer: 23-000328-24\n\ndatum uitspraak: 6 november 2024\n\nTEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)\n\nVerkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 13 februari 2024- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-730037-14 tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1974,\n\nzonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,\n\n(post)adres: [adres 1] .\n\nProcesgang\n\nDe rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nHet gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 9 december 2021 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan, de verdachte vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en de verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00.\n\nDe advocaat-generaal heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.\n\nDe Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 13 februari 2024 het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde – kort gezegd: medeplegen van mensenhandel – en de strafoplegging en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2024.\n\nDe verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover na terugwijzing door de Hoge Raad in hoger beroep nog aan de orde –ten laste gelegd dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 te Uithoorn, in elk geval in Nederland en\u002Fof te Singapore en\u002Fof te Indonesië en\u002Fof te Frankrijk en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander of anderen, te weten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] door dwang en\u002Fof geweld en\u002Fof één of meer andere feitelijkheden en\u002Fof door dreiging met geweld en\u002Fof dreiging met één of meer andere feitelijkheden en\u002Fof door afpersing en\u002Fof door fraude en\u002Fof door misleiding en\u002Fof door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en\u002Fof door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en\u002Fof opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5]\n\nen\u002Fof\n\nvoornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en\u002Fof bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden)\n\ndan wel\n\nmet onder eerder genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en\u002Fof (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] \u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden)\n\nen\u002Fof\n\nopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5]\n\nimmers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (ten aanzien van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] , terwijl hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] geen en\u002Fof weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en\u002Fof de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en\u002Fof niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en\u002Fof in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen\u002Fof de Nederlandse en\u002Fof de Engelse taal niet machtig waren en\u002Fof de weg in Nederland niet kenden\n\n- ( (al dan niet via een tussenpersoon) contact gelegd met die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij hem en\u002Fof zijn mededader(s) in Nederland in de huishouding en\u002Fof als au pair wilde(n)\u002Fkon(den) gaan werken en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en\u002Fof 350 euro en\u002Fof zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en\u002Fof met (lichte) hulp in de huishouden en\u002Fof dat zij eens per week en\u002Fof eens per twee weken een vrije dag zou(den) hebben en\u002Fof tegen extra betaling elke dag zou(den) moeten werken en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gezegd dat hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), de reiskosten voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] van Singapore en\u002Fof Indonesië naar Nederland en\u002Fof Frankrijk en\u002Fof België zou(den) betalen en\u002Fof (vervolgens) het visum en\u002Fof het ticket voor de reis van Singapore en\u002Fof Indonesië naar Nederland en\u002Fof Frankrijk en\u002Fof België geregeld en\u002Fof bekostigd en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] van het vliegveld in Parijs en\u002Fof België en\u002Fof Schiphol opgehaald en\u002Fof (per auto en\u002Fof per trein) naar zijn, verdachtes, en\u002Fof zijn mededaders' woning gebracht en\u002Fof (vervolgens) aldaar gehuisvest (in de woning [adres 2] ) en\u002Fof\n\n- het paspoort van die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] in bewaring genomen en\u002Fof op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] zeven dagen per week, althans nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat, laten werken en die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij pas zonder zijn, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) naar buiten mocht(en) gaan als het werk in huis klaar was (hetgeen nooit het geval was) en\u002Fof (zodoende) belet dat die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] sociale contacten opbouwde(n) en\u002Fof een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] gecreëerd en\u002Fof in stand gehouden en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] , geen, althans weinig, salaris betaald en\u002Fof [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] duidelijk gemaakt dat zij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) nog een groot geldbedrag moest(en) betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zou(den) gaan en (zodoende) gedwongen en\u002Fof aangemoedigd om bij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) te blijven wonen en\u002Fof te (blijven) werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en\u002Fof omstandigheden voor die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 3] en\u002Fof [slachtoffer 4] en\u002Fof [slachtoffer 5] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan, waaraan zij zich niet heeft\u002Fhebben kunnen onttrekken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. De verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) hebben tezamen en in vereniging door misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie de aangeefsters geworven, vervoerd en gehuisvest. De Hoge Raad heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat niet enkel de meest excessieve vormen van misbruik kunnen worden aangemerkt als arbeidsuitbuiting. Gelet op de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die aan de aangeefsters zijn opgelegd, en het economisch voordeel dat door verdachten is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake was van arbeidsuitbuiting.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat ook zonder het vereiste van een ‘excessieve situatie’ vrijspraak dient te volgen. De aangeefsters hebben elkaar over en weer beïnvloed. Volgens de verdediging kan het oogmerk van uitbuiting niet worden bewezen. De aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters meebracht, en het economisch voordeel dat de verdachten daarmee zouden hebben behaald waren niet dusdanig dat kan worden gesproken van uitbuiting. Het is de vraag of de aangeefsters daadwerkelijk vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week beschikbaar moesten zijn. Uit het dossier komt niet naar voren dat sprake was van complexe zorg voor de kinderen. Daarnaast zorgden [medeverdachte] en een andere oppas ook voor de kinderen. De aangeefsters hebben niet consistent verklaard over de beperkingen die de tewerkstelling voor hen meebracht. [medeverdachte] heeft de paspoorten van de aangeefsters niet onder zich gehouden met als doel de aangeefsters in haar macht te hebben. Daarnaast was het loon naar de maatstaven van de aangeefsters voldoende. Verder kan [verdachte] volgens de verdediging niet als medepleger worden aangemerkt.\n\nJuridisch kader mensenhandel\n\nIn artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 1º, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is als mensenhandel strafbaar gesteld het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting door aanwending van dwangmiddelen.\n\nIngevolge sub 4º is tevens schuldig aan mensenhandel degene die een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid.\n\nIn artikel 273f, aanhef en eerste lid sub 6º, Sr is als mensenhandel strafbaar gesteld het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander. Voor een bewezenverklaring ter zake van het misdrijf als bedoeld in sub 6º is vereist dat het opzet van de verdachte behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander.\n\nDwangmiddelen\n\nOm tot een bewezenverklaring van mensenhandel te komen, moet naast deze strafbaar gestelde gedragingen sprake zijn van aanwending van de in sub 1º genoemde dwangmiddelen. Deze kunnen bestaan uit ‘misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. Deze dwangmiddelen beïnvloeden de wil en dienen te leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid.\n\nEen nadere invulling voor het begrip ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ kan worden gevonden in de memorie van toelichting bij één van de voorlopers van de huidige bepaling. Daarin schrijft de wetgever dat een dergelijk misbruik wordt verondersteld indien de prostituee in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Met deze toelichting heeft de wetgever bedoeld het bestanddeel inzake misbruik te objectiveren en daarmee de bescherming van de bepaling uit te breiden.\n\nVolgens het zesde lid van artikel 273f Sr dient onder ‘kwetsbare positie’ mede te worden verstaan: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan”. Een kwetsbare positie kan onder meer het gevolg zijn van illegale binnenkomst of illegaal verblijf of ongedocumenteerde status.\n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arresten van 5 februari 2002 en 27 oktober 2009 uiteen gezet dat uit de omstandigheid dat het slachtoffer illegaal in Nederland verblijft, volgt dat een afhankelijke positie mag worden verondersteld.\n\nUitbuiting\n\nHet in artikel 273f lid 1 Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ratio van dit (impliciete) bestanddeel van de bepaling is gelegen in strafbaarstelling van een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het misbruik maken van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken. Als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden.\n\nDe vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van deze bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt (in een geval als dit) onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.\n\nOpzet\n\nUit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’-handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling.\n\nNaast dit opzetvereiste geldt een ander, zwaarder opzetvereiste ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte] is geboren in [geboorteland] en op haar negentiende naar Nederland geëmigreerd. Ten tijde van het tenlastegelegde woonde zij inmiddels zo’n 20 jaar in Nederland. Zij is getrouwd met de verdachte [verdachte] . Samen hebben zij drie kinderen: [naam 1] (geboren op [geboortedag 2] 2010), [naam 2] (geboren op [geboortedag 3] 2012) en [naam 3] (geboren in 2014, na de ten laste gelegde periode). [medeverdachte] heeft daarnaast nog een zoon uit een vorige relatie: [naam 4] (geboren op [geboortedag 4] 1992). In de ten laste gelegde periode was het gezin woonachtig op het adres [geboortedag 5] .\n\n [medeverdachte] en [verdachte] zochten hulp bij de verzorging van hun jonge kinderen. Vanwege de medische problemen van hun kinderen, zochten zij iemand die ook ’s nachts beschikbaar was. Omdat het in Nederland moeilijk was om dergelijke hulp te vinden, heeft [medeverdachte] daartoe contact gelegd met tussenpersonen in Indonesië. Uiteindelijk zijn de aangeefsters [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (hierna: de aangeefsters) allen op enig moment in de ten laste gelegde periode naar Nederland gekomen, met als doel geld te verdienen met hun werkzaamheden voor [medeverdachte] en [verdachte] . Zij leefden in hun land van herkomst in armoedige omstandigheden en waren dringend op zoek naar werk om hun families financieel te ondersteunen. De aangeefsters zijn met toeristenvisa of transitvisa naar Nederland gereisd. Er is hen geen andere verblijfsrechtelijke titel verleend en er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd. [medeverdachte] en [verdachte] hebben de reis naar Nederland bekostigd.\n\nVoorafgaand aan de komst naar Nederland heeft [medeverdachte] telefonisch contact gehad met elk van de aangeefsters. Voor geen van de aangeefsters is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Er waren geen werktijden afgesproken. Wel werden de volgende mondelinge afspraken gemaakt. De aangeefsters zouden bij een werkweek van zeven dagen twee vrije dagen per maand krijgen. Als de aangeefsters op die vrije dagen toch werkten, zouden zij extra geld krijgen. [medeverdachte] heeft met de aangeefsters afgesproken dat zij een salaris van ongeveer 350 euro per maand zouden verdienen.\n\nToen de aangeefsters ieder voor zich op enig moment in de ten laste gelegde periode aankwamen in Europa (in Parijs, België of op Schiphol), haalde [medeverdachte] , al dan niet samen met [verdachte] , de aangeefsters op en bracht hen naar hun woning in [adres 2] . De aangeefsters hebben allen vervolgens enige tijd gewoond en gewerkt in die woning van de verdachten. De kosten van eten en inwoning werden door [medeverdachte] en [verdachte] gedragen. Hun salaris -voor zover dit werd uitbetaald- werd steeds overgemaakt op rekeningen van anderen dan van aangeefsters, zodat aangeefsters er zelf niet over beschikten.\n\nDe werkzaamheden van de aangeefsters bestonden uit het zorgen voor (één van) de kinderen van [medeverdachte] en [verdachte] , en taken van huishoudelijke aard. Zoals [medeverdachte] zelf heeft verklaard, moesten de aangeefsters zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Overdag en ’s avonds verrichtten de aangeefsters huishoudelijke taken en\u002Fof pasten op de kinderen. Op grond van de verklaringen van de aangeefsters gaat het hof ervan uit dat dat minstens twaalf uur per dag het geval was. Dit aantal uur heeft de verdachte overigens ook niet betwist.\n\nHet hof sluit niet uit dat de aangeefsters, zoals door de verdediging is aangevoerd, tussendoor af en toe tijd hadden om op de bank te zitten, te eten of gebruik te maken van hun telefoon. Vaststaat echter dat de aangeefsters ook tijdens die momenten beschikbaar moesten zijn. Dit geldt ook voor het door de verdediging naar voren gebrachte rustmoment tijdens het slapen van de kinderen overdag. Op dat moment hadden de aangeefsters nog steeds niet de vrijheid om te doen wat zij wilden. Zij moesten in de kamer met de kinderen blijven en stil zijn om de kinderen niet wakker te maken.\n\nDe verdachten hielden er rekening mee dat een van de kinderen in de nacht naar het ziekenhuis gebracht moest worden en wilden voor die mogelijkheid dat er ook ’s nachts hulp van aangeefsters beschikbaar was.\n\nDe aangeefsters spraken de Nederlandse taal niet. Zij begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning.\n\nOok moesten de aangeefsters hun paspoort aan [medeverdachte] afgeven. Het hof gaat, anders dan de verdediging, ervan uit dat de aangeefsters hierna niet de beschikking hadden over hun paspoort. In dat verband acht het hof met name van belang dat [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 heeft verklaard dat het veiliger was om de paspoorten onder haar te nemen omdat de aangeefsters haar kinderen dan niet konden meenemen naar Indonesië. Met deze doelstelling van het innemen van de paspoorten ligt het, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet voor de hand dat de aangeefsters hun paspoort tot hun eigen beschikking hadden. Daar komt nog bij dat enkele aangeefsters het gezin hebben verlaten en daarna zijn aangetroffen zonder hun paspoort. Het hof hecht daarom waarde aan de verklaringen van de aangeefsters dat zij geen beschikking hadden over hun paspoort en deze ook niet kregen wanneer zij [medeverdachte] daar om vroegen.\n\n [slachtoffer 1] was in de periode van september 2011 tot ongeveer februari 2012 werkzaam voor [medeverdachte]\n\nen [verdachte] . In die periode werkte er drie à vier dagen per week ook een andere oppas: [naam 5] . [slachtoffer 1] heeft na de eerste maand van haar dienstverband twee maandsalarissen van in totaal 700 euro\n\nuitbetaald gekregen door overmaking van dat bedrag aan haar familie in Indonesië. [medeverdachte] heeft\n\ndaarna namens haar drie keer 200 euro betaald voor [naam 6] (het hof berijpt: een soort gezamenlijk\n\nspaarsysteem), maar dit geld heeft ze nooit teruggekregen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar dienstverband één vrije dag opgenomen. In december 2011 heeft [slachtoffer 1] [medeverdachte] laten weten dat ze weg wilde. [medeverdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze dan 3.000 euro moest betalen wegens gemaakte kosten. De verklaring van [slachtoffer 1] op dit punt wordt ondersteund door sms’jes van [medeverdachte] waarin zij schrijft dat [slachtoffer 1] dit bedrag moet terugbetalen. [slachtoffer 1] is eind januari, begin februari 2012 vertrokken.\n\n [slachtoffer 2] heeft van 10 mei 2012 tot en met oktober 2012 bij [medeverdachte] en [verdachte]\n\ngewerkt. Zij heeft het salaris van drie maanden uitbetaald gekregen. Het geld is - op verzoek van [slachtoffer 2] - betaald aan een vriendin in Indonesië. De overige maanden heeft zij niet uitbetaald\n\ngekregen. Tijdens haar tewerkstelling heeft zij een maand samen met een tante voor de kinderen gezorgd.\n\n [slachtoffer 2] heeft voorts ook een periode gelijktijdig met [naam 5] gewerkt. Zij is in oktober 2012 vertrokken na een ruzie met [verdachte] . Later heeft [medeverdachte] haar gevraagd of ze weer wilde komen werken. Dat heeft ze gedaan, in december 2013. Ze werkte daar toen gelijktijdig met de hierna te noemen [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft bij [medeverdachte] en [verdachte] verbleven en gewerkt in de periode van augustus 2013 tot\n\ndecember 2013. Zij heeft ongeveer 130 euro betaald gekregen. [slachtoffer 3] heeft dit geld voor extra gewerkte dagen ontvangen. Het geld is gestort op de rekening van de ouders van [slachtoffer 3] . Verder heeft ze geen salaris ontvangen. In een gedeelte van de periode dat [slachtoffer 3] bij [medeverdachte] en [verdachte] werkte, werkte er ook een andere oppas.\n\n [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben gelijktijdig bij [medeverdachte] en [verdachte] gewoond en gewerkt. Zij zijn samen in\n\nmaart 2014 begonnen en hebben daar gewerkt tot aan het moment van de aanhouding van de verdachten\n\nop 29 april 2014. Zij hebben het salaris voor de maand maart 2014 uitbetaald gekregen op een rekening in Indonesië. [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben geen vrije dagen gehad of opgenomen.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster in hun geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof volgt dit standpunt niet, reeds omdat de inhoud van een zeer groot deel van de verklaringen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van de verdachte en door de verdediging dan ook niet wordt betwist. Waar de verklaringen wel zijn betwist en door het hof als bewijs worden gebruikt, heeft het hof hierboven gemotiveerd waarom het de verklaring op dat specifieke punt tevens betrouwbaar acht.\n\nWat de verdediging ten aanzien van de mogelijke onderlinge beïnvloeding van de aangeefsters heeft aangevoerd, doet evenmin af aan de feiten en omstandigheden zoals in het voorgaande door het hof vastgesteld. Daarbij geldt ook hier dat de hiervoor aangenomen feiten grotendeels niet worden betwist door de verdediging. Op de enkele punten waarop de feiten afwijken van het door de verdediging geschetste scenario, heeft het hof deze afwijking niet enkel gebaseerd op door de verdediging betwiste verklaringen van de aangeefsters.\n\nOordeel van het hof\n\nHandelingen en dwangmiddelen\n\nGelet op de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] door misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters hen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest, en hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en au pair werkzaamheden.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefsters zich in een situatie bevonden die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De aangeefsters verbleven illegaal in Nederland en hadden niet de beschikking over hun paspoorten. Zij spraken geen Nederlands, en waren onbekend met de Nederlandse cultuur en samenleving. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De aangeefsters kwamen uit armoedige omstandigheden in Indonesië en hadden in Nederland geen beschikking over hun inkomen. Zij waren hierdoor voor huisvesting, eten en communicatie afhankelijk van de verdachten. Ook is een aantal aangeefsters voorgehouden dat zij een schuld moesten betalen aan verdachten als zij (voortijdig) zouden vertrekken. Met de advocaat-generaal concludeert het hof dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat er sprake was van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht.\n\nAnders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misleiding van de aangeefsters door de verdachten.\n\nTen aanzien van de vraag of [medeverdachte] en [verdachte] zich bewust moeten zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit dit overwicht en deze kwetsbare positie voortvloeiden, overweegt het hof als volgt.\n\n [medeverdachte] komt uit [geboorteland] en woonde al geruime tijd in Nederland. Zij is getrouwd met [verdachte] , een Nederlandse man. Zij heeft enige tijd in Nederland gewerkt en kan dus bekend worden verondersteld met de arbeidsmarkt en werkomstandigheden die in Nederland de norm zijn. Zij wist ook dat vrouwen die in Indonesië als kinderoppas werken het niet breed hebben. Ook de overige hierboven genoemde omstandigheden waren haar bekend.\n\nOok [verdachte] wist dat de aangeefsters afkomstig waren uit Indonesië en de Nederlandse taal niet spraken. Ook moet hij kennis hebben gehad van de zeer lage bedragen die zijn uitbetaald aan de aangeefsters, zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn. [verdachte] deed immers de financiële administratie van het gezin. Daarnaast wist [verdachte] dat de paspoorten van de aangeefsters niet door henzelf werden bewaard. Over de verblijfsstatus van de aangeefsters heeft [verdachte] verklaard dat hij er vanuit ging dat [medeverdachte] dit – al dan niet met de hulp van een bureau – goed geregeld had. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde. Aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning worden strenge voorwaarden gesteld. Dit is een algemeen bekend feit. Daar komt bij dat [verdachte] – blijkens aangetroffen formulieren en garantstellingen – veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [medeverdachte] . Hij was bovendien de kostwinner en degene die de administratie deed. Dat [verdachte] ervan uitging dat [medeverdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat [verdachte] daarbij werd betrokken (in het bijzonder voor het aanleveren voor de administratieve bescheiden), acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. In dat kader is ook nog opvallend dat [verdachte] zich ook niet heeft bekommerd om de fiscale afwikkeling van de betalingen aan de aangeefsters. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van de verblijfsstatus van de aangeefsters. Met deze kennis moet [verdachte] hebben geweten dat de aangeefsters van de verdachten afhankelijk waren.\n\nHet hof concludeert dat beide verdachten misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters.\n\n(Oogmerk van) uitbuiting\n\nVervolgens ligt de vraag voor of sprake was van (het oogmerk van) uitbuiting. Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat gelet op de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die deze voor de aangeefsters heeft meegebracht, en het economisch voordeel dat daarmee door [medeverdachte] en [verdachte] is behaald, kan worden vastgesteld dat sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting.\n\nDe aangeefsters moesten vanaf ’s ochtens vroeg, zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Ook verwachtten de verdachten dat er ’s nachts hulp beschikbaar was voor het geval een van de kinderen ziek was of naar het ziekenhuis moest. Voor deze zeer vergaande mate van beschikbaarheid en het werk dat gedaan moest worden, ontvingen de aangeefsters een naar Nederlandse maatstaven heel laag salaris, dat bovendien niet of slechts gedeeltelijk werd uitbetaald. De aangeefsters maakten lange dagen; zij hielden zich van ’s ochtends vroeg tot in de avond bezig met de verzorging van de kinderen en huishoudelijke werkzaamheden. Vanwege de gezondheidsproblemen van de kinderen hadden zij meer zorg nodig, hetgeen het werk intensiever maakte.\n\nDe aangeefsters begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning. Alleen al omdat de aangeefsters in verregaande mate voor het gezin beschikbaar moesten zijn hadden zij weinig vrijheid. Daar komt bij dat de aangeefsters op uitnodiging van de verdachten illegaal in Nederland waren en door toedoen van de verdachten niet over hun paspoort en inkomen beschikten. Een aantal van hen is gezegd dat zij bij voortijdig vertrek een groot bedrag aan de verdachten zouden moeten terugbetalen. De aangeefsters bevonden zich bovendien in een land dat zij niet kenden en spraken geen Nederlands. Aldus werden de aangeefsters door de door de verdachten gecreëerde omstandigheden feitelijk sterk in hun bewegingsvrijheid beperkt. Dat het afgenomen paspoort drie van de aangeefsters uiteindelijk niet heeft belet bij de verdachten weg te gaan, doet daar niet aan af.\n\nDe verdachten hebben een aanzienlijk economisch voordeel behaald met de tewerkstelling van de aangeefsters. Omdat in Nederland geen specifieke en algemeen verbindende cao voor inwonend huispersoneel voor de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden en kinderverzorging bestaat, ziet het hof aanleiding om voor het bepalen van het economisch voordeel bij het minimumloon aansluiting te zoeken. Het minimumuurloon tussen 2011 en 2014 lag tussen de € 8,22 en € 8,63. [slachtoffer 1] heeft in totaal 146 dagen gewerkt, [slachtoffer 2] 174 dagen, [slachtoffer 3] 173 dagen en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] 43 dagen. Zoals reeds in het voorgaande besproken, gaat het hof ervan uit dat zij minstens twaalf uren per dag hebben gewerkt. Gelet op het aantal uren dat de aangeefsters hebben gewerkt, het minimumloon dat destijds gold, het beperkte salaris dat wel door [medeverdachte] is uitbetaald en de door de verdachten gemaakte kosten, is het hof van oordeel dat sprake was van een aanzienlijk economisch voordeel.\n\nHet hof is dan ook op grond van alle voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat sprake is van uitbuiting. Dat de verdachten hiertoe bovendien het oogmerk hebben gehad blijkt uit hun handelen. Nadat [medeverdachte] bemerkte dat een 24 uur per dag beschikbare hulp in Nederland moeilijk te verkrijgen is, ging zij daarnaar op zoek in Indonesië. Vervolgens hebben de verdachten de aangeefsters bewust de hiervoor genoemde lange dagen laten werken, hebben zij zelf in overwegende mate de beperkingen veroorzaakt en hebben zij aanzienlijk economisch voordeel behaald.\n\nOp grond van het voorgaande is het hof eveneens van oordeel dat het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van de aangeefsters bewezenverklaard kan worden.\n\nMedeplegen\n\nTen aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nOok wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en\u002Fof intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.\n\nBij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\nUit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. [medeverdachte] was degene die, al dan niet met behulp van een tussenpersoon, contact legde met de aangeefsters in Indonesië en ervoor zorgde dat zij naar Nederland konden komen. Zij sprak dezelfde taal als de aangeefsters, zij stuurde hen aan en zij was hun aanspreekpunt. [verdachte] was zich bewust van de reden waarom gebruik is gemaakt van Indonesische vrouwen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij de kinderen niet naar een opvang in Nederland hadden gebracht. Dat had te maken met cultuurverschil en met opvattingen over hygiëne. Het inschakelen van Indonesische mensen die in Nederland woonden, werkte niet goed. Zij waren ’s nachts niet aanwezig, zo verklaarde [verdachte] , terwijl het mogelijk was dat de verdachten ’s nachts acuut naar het ziekenhuis moesten. [verdachte] heeft samen met [medeverdachte] [slachtoffer 1] opgehaald op Schiphol, en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [medeverdachte] als [verdachte] woonachtig waren. [verdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [verdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [verdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [medeverdachte] naar eigen zeggen veilig.\n\n [verdachte] heeft hiermee bijgedragen aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuiting van de aangeefsters. Dat het initiatief voor het werven mogelijk meer uitging van [medeverdachte] , doet hier niet aan af. De verdachten vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol. Het hof is dan ook van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] is komen vast te staan en dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen verklaard.\n\nLex certa\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring van het oogmerk van uitbuiting komt, dit leidt tot schending van het lex certa-beginsel. De verdediging heeft zich in de onderbouwing van het verweer niet zozeer verzet tegen het oordeel van de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft toegepast en evenmin gesteld dat dit oordeel redelijkerwijs niet voorzienbaar was. De verdediging stelt, zo begrijpt het hof, dat het hof op basis van het arrest van de Hoge Raad niet tot een bewezenverklaring van mensenhandel hoeft te komen en dat een bewezenverklaring daarom – in samenhang met de onduidelijkheid omtrent de strekking van de wetsbepaling – tot een onaanvaardbare mate van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid leidt.\n\nHet hof verwerpt dit beroep. Allereerst merkt het hof op dat het beginsel niet in de weg staat aan de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid langs de weg van rechterlijke uitlegging, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien. De Hoge Raad heeft in zijn arrest overwogen dat het gehanteerde vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is een nadere invulling van de uitleg van de wetsbepaling die de Hoge Raad tot dan toe hanteerde. Er is dan ook sprake van een verfijning als hiervoor bedoeld. Dat het hof vervolgens op basis van die verfijning tot een andere weging van de feiten en omstandigheden komt, kan niet alsnog tot een schending van het beginsel leiden. Daarbij merkt het hof nog op dat de Hoge Raad niet enkel heeft overwogen dat een vereiste van een “excessieve situatie” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, maar ook dat de vrijspraak kennelijk berust op de onjuiste opvatting dat de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, geen bewezenverklaring van mensenhandel toelaten.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 in Nederland en\u002Fof te Indonesië en\u002Fof te Frankrijk en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en\u002Fof door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]\n\nen\n\nvoornoemde [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] telkens met één van de voornoemde middelen heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: huishoudelijke werkzaamheden en\u002Fof au pair werkzaamheden,\n\nen\n\nopzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]\n\nimmers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander ten aanzien van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig inkomsten hadden in hun land van herkomst en\u002Fof de financiële verantwoordelijkheid hadden voor hun gezin en niet beschikten over een geldige verblijfstitel in Nederland en\u002Fof in Nederland niemand kenden waarop zij terug konden vallen of de Nederlandse en\u002Fof de Engelse taal niet machtig waren en de weg in Nederland niet kenden\n\n- al dan niet via een tussenpersoon contact gelegd met die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gevraagd of zij bij hem en zijn mededader in Nederland in de huishouding en\u002Fof als au pair wilden werken en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat zij 300 euro en\u002Fof 350 euro en\u002Fof zes miljoen roepia per maand zouden kunnen verdienen als kinderoppas en\u002Fof met (lichte) hulp in het huishouden en\u002Fof dat zij eens per twee weken een vrije dag zouden hebben en\u002Fof tegen extra betaling elke dag zouden werken en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gezegd dat hij, verdachte en zijn mededader, de reiskosten voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] van Indonesië naar Nederland zouden betalen en vervolgens het visum en het ticket voor de reis van Indonesië naar Nederland geregeld en bekostigd en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in Parijs en\u002Fof België en\u002Fof van Schiphol opgehaald en per auto of per trein naar zijn, verdachtes en zijn mededaders’ woning gebracht en vervolgens aldaar gehuisvest in de woning (aan de) [adres 2] en\n\n- het paspoort van die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] in bewaring genomen en op verzoek geweigerd dat paspoort terug te geven en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] nagenoeg dagelijks van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat laten werken en een afhankelijkheidspositie voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gecreëerd en in stand gehouden en\n\n- die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weinig salaris betaald en [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] duidelijk gemaakt dat zij hem, verdachte en\u002Fof zijn mededader nog een groot geldbedrag moesten betalen vanwege de opgebouwde schuld als zij (voortijdig) weg zouden gaan en zodoende aangemoedigd om bij hem, verdachte en zijn mededader te blijven wonen en te blijven werken onder bovengenoemde omstandigheden door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] een afhankelijkheidssituatie is ontstaan, waaraan zij zich niet hebben kunnen onttrekken.\n\nHetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\nHet bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nGeen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4° en 6° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.\n\nOplegging van straf\n\nDe rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe raadsman heeft verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van voorarrest, eventueel aangevuld met een volledig voorwaardelijke straf. Daarnaast heeft hij in strafmatigende zin verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de duur van de procedure, de overschrijding van de redelijke termijn en de beperktere rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad.\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.\n\nHet hof stelt voorop dat de Hoge Raad het arrest van het hof van 9 december 2021 heeft vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Nu de Hoge Raad de strafoplegging in het geheel heeft vernietigd, dient het hof derhalve een straf op te leggen voor zowel het onder 1 bewezenverklaarde, als het reeds eerder door het hof onder 3 bewezenverklaarde.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel en het tewerkstellen van vijf illegaal in Nederland verblijvende vrouwen. Gedurende een langere periode heeft zijn echtgenote, de medeverdachte, op verschillende momenten vrouwen uit Indonesië laten overkomen om te laten werken in hun gezin. De vrouwen zorgden voor hun kinderen en verrichten huishoudelijke werkzaamheden. Zij maakten lange dagen en moesten zeven dagen per week beschikbaar zijn. Zij kregen niet of nauwelijks vrij en hun zeer lage salaris werd niet of slechts deels uitbetaald. De vrouwen spraken de Nederlandse taal niet en hun paspoorten waren door de verdachten ingenomen. Voor huisvesting, eten en communicatie waren de vrouwen afhankelijk van de verdachten, omdat zijzelf geen beschikking hadden over geld. Door aldus te handelen hebben de verdachten ernstig misbruik gemaakt van de afhankelijke en kwetsbare positie waarin zij de vrouwen hebben gebracht en hen in hun persoonlijke vrijheid aangetast. Als gevolg van de uitbuiting van deze goedkope arbeidskrachten waren de verdachten in staat aanzienlijk te besparen op arbeidskosten. Zij hebben kennelijk enkel oog gehad voor haar eigen financiële gewin en hebben zich niet bekommerd om de schade die hun handelen aan de vrouwen heeft toegebracht. Daarbij hebben zij bewust de garanties aan hun laars gelapt die de Nederlandse wetgeving biedt op het terrein van beloning en werktijden.\n\nHet hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, enkel een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Het hof heeft de indruk gekregen dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet inziet. Daarom acht het hof een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw op deze wijze au pairs of huishoudelijke hulp voor zich te laten werken. In beginsel acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend. Het hof houdt echter in strafmatigende zin rekening met de volgende omstandigheden.\n\nBij de strafoplegging houdt het hof er ten voordele van de verdachten rekening mee dat artikel 273f Sr in 2013 is gewijzigd, waarbij onder meer de maximum straf is verhoogd. Deze wijziging trad op 15 november 2013 in werking. Nu het onder 1 ten laste gelegde deels voor die datum is gepleegd, zal het hof de eerdere bepaling als richtsnoer nemen.\n\nBlijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2024 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. De verdachte kan daarom worden aangemerkt als first offender.\n\nVerder houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep zijn toegelicht en die uit het dossier naar voren komen. De lengte van de strafprocedure heeft haar sporen nagelaten op zijn mentale welzijn. Zijn werk viel weg en er werd beslag gelegd op de rekeningen van de verdachte en zijn echtgenote, de medeverdachte. Uiteindelijk zijn zij daarom met hun gezin naar [land] verhuisd waar zij nog steeds woonachtig zijn. De verdachte probeert werk te vinden als consultant en zijn echtgenote zorgt voor hun drie kinderen. Op dit moment hebben zij het niet breed.\n\nDaarnaast stelt het hof vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De verdachte is op 29 april 2014 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 juni 2017 vonnis gewezen. In eerste aanleg is aldus sprake geweest van een overschrijding van de redelijk termijn. Vervolgens heeft de verdachte hoger beroep ingesteld op 4 juli 2017, waarna het hof op 9 december 2021 arrest heeft gewezen. Ook in deze fase was aldus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hierna heeft het openbaar ministerie op 16 december 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 13 februari 2024 arrest gewezen, het arrest van het hof partieel vernietigd en teruggewezen naar het gerechtshof Amsterdam. Ook in de cassatiefase is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal deze overschrijdingen van de redelijke termijn – van in totaal 3 jaar en 9 maanden – verdisconteren in de strafmaat.\n\nHet hof acht alles afwegende, en in het bijzonder rekening houdende met de ouderdom van de feiten, de rol die de verdachte in het tenlastegelegde heeft gehad, de overschrijding van de redelijke termijn, de lange duur van de strafprocedure en de nadelige gevolgen die de procedure voor het leven van de verdachte heeft gehad, een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.\n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich ieder in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vorderingen zijn als volgt opgebouwd:\n\n [slachtoffer 1]:\n\nMaterieel: € 6.051,80 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 1.000,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 2]:\n\nMaterieel: € 7.119,00 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 1.000,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 3]:\n\nMaterieel: € 5.333,25 aan gederfde inkomsten;\n\nImmaterieel: € 7.500,00.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.333,35, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.\n\nOp 3 juli 2017 en 13 juli 2017 is onderscheidenlijk door de verdachte en het openbaar ministerie tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. De benadeelde partij heeft zich in die fase van het proces niet opnieuw gevoegd. Op 20 juni 2020 is de benadeelde partij overleden. De advocaat van de benadeelde partij heeft namens de erfgenaam ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 te kennen gegeven dat de oorspronkelijke vordering wordt gehandhaafd. Na terugwijzing heeft de advocaat zich namens de erfgenaam opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering door middel van een wensenformulier van 3 april 2024.\n\nHet hof overweegt dat de vordering op de voet van artikel 6:106, tweede lid, tweede volzin, BW vatbaar is voor overgang onder algemene titel op de erfgenaam, maar dat het strafgeding niet voorziet in de mogelijkheid dat in geval van overlijden van de benadeelde partij de erfgenaam zich in het geding voegt en de (proces)positie van de benadeelde partij overneemt. Dat brengt met zich dat, nu de vordering bij vonnis niet in haar geheel is toegewezen, deze voor het gedeelte dat in eerste aanleg is toegewezen kan worden beoordeeld, omdat deze op grond van het bepaalde in artikel 421, tweede lid, Sv in hoger beroep van rechtswege voortduurt.\n\n [slachtoffer 4]:\n\n- Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\n [slachtoffer 5]:\n\n- Materieel: € 1.807,10 aan gederfde inkomsten.\n\nDe vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd de vorderingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] volledig toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de advocaat-generaal gevorderd deze toe te wijzen tot een bedrag van € 7.833,25, bestaande uit € 5.333,25 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.\n\nOordeel van het hof\n\nMaterieel\n\nHet hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachten rechtstreeks materiële schade hebben geleden, bestaande uit gederfde inkomsten. De verdediging heeft de vorderingen inhoudelijk niet betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot de gevorderde bedragen aan materiële schade zullen worden toegewezen.\n\nImmaterieel\n\nDe benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben naast materiële schade ook vergoeding van immateriële schade gevorderd.\n\nVoor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals opgenomen in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast.\n\nIndien geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in de eer of goede naam, is het de vraag of een benadeelde partij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van voornoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake als de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval geestelijk letsel is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen.\n\nOok als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.\n\nDe benadeelde partijen hebben in hun vordering ieder voor zich - kort gezegd - aangevoerd dat zij hebben geleden doordat de situatie die hen van tevoren was voorgespiegeld, in werkelijkheid anders bleek te zijn. Zij moesten lange dagen maken, hadden weinig vrij en kregen niet of te weinig betaald. Zij hadden geen enkele privacy, voelden zich minderwaardig en de verstandhouding met de verdachten was slecht. [slachtoffer 3] heeft daarnaast aangevoerd dat zij gezondheidsklachten heeft gekregen door de omstandigheden waarin zij terecht is gekomen.\n\nDat [slachtoffer 3] lichamelijk letsel heeft opgelopen ten gevolge van het onder 1 tenlastegelegde, acht het hof onvoldoende onderbouwd. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben niet aangevoerd dat zij door het onder 1 tenlastegelegde lichamelijk letsel hebben opgelopen. Nu evenmin sprake is van schade in de eer of goede naam, ligt de vraag voor of de benadeelde partijen ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast. Gelet op het bovenstaande juridisch kader acht het hof hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in de zin van voornoemd artikel. Zo zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan reeds volgt dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat in de onderhavige zaak geen wettelijke grondslag bestaat voor vergoeding van de gevorderde immateriële schade. De vorderingen zullen dan ook in zoverre worden afgewezen.\n\nConclusie\n\nHet voorgaande houdt in dat het hof als volgt beslist op de vorderingen.\n\n [slachtoffer 1]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 6.051,80, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 2]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.119,00, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 3]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.333,25, bestaande uit materiële schade. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.\n\n [slachtoffer 4]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade.\n\n [slachtoffer 5]\n\nDe vordering wordt hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.807,10, bestaande uit materiële schade.\n\nHet hof zal de vorderingen vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen data en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 197c en 273f van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) maanden.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.051,80 (zesduizend eenenvijftig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 januari 2012.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.119,00 (zevenduizend honderdnegentien euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 70 (zeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 oktober 2012.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.333,25 (vijfduizend driehonderddrieëndertig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 december 2013.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.807,10 (duizend achthonderdzeven euro en tien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 28 (achtentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte of de mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2014.\n\nDit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.I.M. van Bergen, mr. E. de Greeve en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2024.\n\nDe jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n=========================================================================\n\n […]\n\n […]\n\nKamerstukken II, vergaderjaar 1988\u002F89, 21 027, nr. 3, p. 3 en 4 (MvT). Het dwangmiddel ‘misbruik van uit feitelijkeverhoudingenvoortvloeiend overwicht’ vindt zijn oorsprong in artikel 250a (oud) Sr, dat is geïncorporeerd in artikel 273a (oud) Sr; het huidige artikel 273f Sr, met dien verstande dat dit dwangmiddel in artikel 273f Sr als ‘misbruik van uit feitelijkeomstandighedenvoortvloeiend overwicht’ is terechtgekomen.\n\n Deze voorbeelden volgen uit: Kamerstukken II, vergaderjaar 2011\u002F12, 33 309, nr. 3, p. 16 (MvT).\n\nKamerstukken II, vergaderjaar 2003\u002F04, 29 291, nr. 3, p. 18 (MvT). Memorie van Toelichting bij artikel 273a (oud) Sr.\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.6.1 (Chinese horeca); herhaald in HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:534\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, r.o. 2.5.1. (Chinese horeca)\n\n HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese horeca)","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2024:3061","ecli-nl-ghams-2024-3061",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]