[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1289":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1289":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"926","ECLI:NL:GHAMS:2026:1289","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht, team I\n\nzaaknummer : 200.349.631\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Amsterdam : C\u002F13\u002F715714 \u002F HA ZA 22-277\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant] ,\n\nwonend in [plaats 1] , [plaats 2] (Verenigde Staten van Amerika),\n\n2. THE EAGLE B.V.,\n\ngevestigd te Almere,\n\n3. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nLA AL THE WAY LLC,\n\ngevestigd te Wilmington, Delaware (Verenigde Staten van Amerika),\n\n4. de rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nAFTER MIDNIGHT PRODUCTIONS LTD,\n\ngevestigd te Nicosia (Cyprus),\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nGREENBERG TRAURIG LLP,\n\ngevestigd te New York, New York (Verenigde Staten van Amerika),\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. J.C. van Nass te Amsterdam.\n\nAppellanten worden hierna ieder afzonderlijk [appellant] , The Eagle, LATW en After Midnight genoemd, samen worden deze partijen [appellanten] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna Greenberg Traurig genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [appellant] en zijn vennootschappen zijn namens Greenberg Traurig geadviseerd op fiscaal gebied. De rechtbank heeft vastgesteld dat in 2012 en 2013 bij de advisering fouten zijn gemaakt. Niet is onderkend dat [appellant] met ingang van 1 januari 2012 fiscaal inwoner in de Verenigde Staten (VS) is geworden en daardoor ook inkomen van een door [appellant] opgerichte trust en dochtervennootschappen daarvan onderworpen was aan Amerikaanse belastingheffing. [appellant] heeft in de VS aanvullend belasting en een boete moeten betalen, samen voor een bedrag van bijna USD 17 miljoen. In deze procedure vorderen [appellanten] dit bedrag bij wijze van schadevergoeding van Greenberg Traurig. De rechtbank heeft een beroepsfout van Greenberg Traurig vastgesteld. Als schadevergoeding zijn de adviseurskosten voor het analyseren van het onjuiste advies en het vaststellen en beperken van de daaruit voortvloeiende schade toegewezen. De belastingschade heeft de rechtbank niet toewijsbaar geacht. Het hof komt tot een ander oordeel en wijst de gevorderde schadevergoeding in hoger beroep alsnog toe.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n [appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 31 juli 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-\u002Frolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en onder andere Greenberg Traurig als gedaagde.\n\nPartijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met producties;\n\n- memorie van antwoord, met producties.\n\nOp 3 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de zijde van [appellanten] zijn nog producties in het geding gebracht.\n\nVan de inhoudelijke behandeling van de zaak tijdens de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Na de behandeling van het inhoudelijke gedeelte van de zaak heeft het hof beslist dat het (verkennende) gesprek tussen partijen, om - met hulp van het hof - te komen tot een minnelijke regeling van het geschil, achter gesloten deuren zal plaatsvinden. Van deze mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.\n\nNa de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor overleg tussen partijen.\n\nTen slotte is op de rol van 24 februari 2026 arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1.. \n [appellant] is een internationaal bekende DJ en muziekproducer, met artiestennaam [naam 1] .\n\n3.2.. The Eagle is in 2000 opgericht toen [appellant] nog in Nederland woonde. Tot 2009 heeft [appellant] zijn zakelijke activiteiten in The Eagle en in dochtervennootschappen daarvan ondergebracht.\n\n3.3.. Greenberg Traurig is een internationaal advocatenkantoor.\n\n3.4.. \n [naam 2] (hierna: [naam 2] ) was tot en met december 2013 belastingadviseur en partner bij Greenberg Traurig, gespecialiseerd in het opzetten van internationale fiscale structuren met een focus op de media- en entertainmentindustrie. Van januari 2014 tot maart 2016 was [naam 2] partner bij Certa Legal advocaten B.V. (hierna: Certa Legal). Vanaf maart 2016 verrichtte [naam 2] belastingadvieswerkzaamheden vanuit een eigen onderneming.\n\n3.5.. \n [naam 2] was vanaf 2008 tot 1 januari 2019 de vaste belastingadviseur van [appellanten] Hij was in eerste aanleg medegedaagde van Greenberg Traurig. Het geding voor zover dat betrekking heeft op de tegen [naam 2] ingestelde vorderingen is in eerste aanleg aangehouden.3.6.. Door het vertrek van [naam 2] bij Greenberg Traurig is per 1 januari 2014 een einde gekomen aan de opdrachtrelatie tussen Greenberg Traurig en [appellanten] [naam 2] heeft zijn werkzaamheden voor [appellanten] voortgezet, eerst namens Certa Legal waar hij vanaf januari 2014 werkzaam was en vanaf maart 2016 vanuit zijn eigen onderneming.\n\n3.7.. Tot en met 2008 was [appellant] over zijn wereldwijde inkomen, dat hij direct of via The Eagle ontving, belastingplichtig in Nederland.\n\n3.8.. Op 12 november 2008 heeft [naam 2] geadviseerd het ‘fiscaal inwonerschap’ van [appellant] en de structuur van zijn ondernemingen aan te passen. Geadviseerd is, kort gezegd, dat [appellant] verhuist vanuit Nederland naar de VS, zonder aldaar fiscaal inwoner te worden, en dat rechtspersonen worden opgericht in de VS, Cyprus en Guernsey. [naam 2] heeft zich in het kader van zijn advisering over de fiscale mogelijkheden in de VS laten informeren door het VS gevestigde kantoor [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).\n\n3.9.. Aan het advies van [naam 2] is uitvoering gegeven. [appellant] is met terugwerkende kracht per 1 juli 2008 fiscaal geëmigreerd uit Nederland. Verder zijn verschillende rechtspersonen opgericht, te weten vier vennootschappen in de VS, een trust naar het recht van Guernsey en een vennootschap in Cyprus.\n\n3.9.1.. Eén van de in 2009 in de VS opgerichte vennootschappen is LATW. [appellant] werd belastingplichtig in de VS voor de winsten die in de Amerikaanse vennootschappen werden gegenereerd en alle andere inkomsten die hij uit Amerikaanse bron genoot.\n\n3.9.2.. In Guernsey is een trust opgericht, genaamd Safe From Harm Trust (hierna: de Trust). In de Trust werd het vermogen van [appellant] ondergebracht. [appellant] was zowel de oprichter (settlor) als de begunstigde (beneficiary) van de Trust. Fortis Trustees (Guernsey) Limited werd aangesteld alstrustee. Fortis Trustees (Guernsey) Limited is later vervangen door Intertrust Trustees (Guernsey) Limited. Als dochtervennootschap van de Trust is opgericht Safe From Harm Ltd (hierna: SFH Ltd), eveneens gevestigd op Guernsey. In SFH Ltd is het economisch eigendom van intellectuele eigendomsrechten ondergebracht.\n\n3.9.3.. De in 2009 in Cyprus opgerichte vennootschap is After Midnight. After Midnight is een dochtervennootschap van SFH Ltd. After Midnight dient voor het exploiteren van alle activiteiten van [appellant] die buiten de VS plaatsvinden en voor het exploiteren van de intellectuele eigendomsrechten. In 2010 en 2011 zijn nog vier Cypriotische dochtervennootschappen van SFH Ltd opgericht.\n\n3.10.. Met de emigratie uit Nederland werd onder meer bewerkstelligd dat [appellant] in Nederland niet meer belastbaar was voor zijn wereldinkomen. In Nederland was [appellant] vanaf dat moment als buitenlands belastingplichtige alleen nog belastingplichtig voor door hem genoten Nederlands inkomen (kort gezegd: inkomen uit Nederlandse bronnen).\n\n3.11.. \n\nHet Amerikaanse belastingrecht (de United States Internal Revenue Code of 1986, hierna: IRC) maakt onderscheid tussen eengrantor trusten eennon-grantor trust. Bij eengrantor trusthoudt degrantor(insteller\u002Finbrenger) direct of indirect controle over het trustvermogen. Een grantor trust wordt onder de IRC als transparant beschouwd en degrantorvan eengrantor trustwordt beschouwd als de eigenaar van in degrantor trustgehouden vermogensbestanddelen en de genieter van de door degrantor trustgenoten inkomsten en winst. Dat betekent dat die eigenaar\u002Fgrantor, indien deze in de VS binnenlands belastingplichtig is, voor het gehele inkomen van degrantor trustin de VS onderworpen is aan inkomstenbelasting alsof hijzelf dat inkomen genoten heeft. Bepaalde categorieën van inkomen (zogeheten ‘subpart F income’) genoten door een dochtervennootschap van degrantor trust(die gelden als eencontrolled foreign corporationofCFC) worden eveneens direct bij degrantorin de Amerikaanse belastingheffing betrokken.\n\nEen non-grantor trustis een trust die geengrantor trustis. Eennon-grantor trustis zelfstandig belastingplichtig en het inkomen van eennon-grantor trustwordt in de regel niet direct bij degrantorin de Amerikaanse belastingheffing betrokken. Indien denon-grantor trusteen uitkering doet aan een begunstigde die fiscaal inwoner is in de VS, zal die begunstigde over die uitkering in de VS worden belast via de inkomstenbelasting.\n\n3.12.. De Trust was naar Amerikaans belastingrecht aan te merken als een buitenlandse grantor trust.\n\n3.13.. Om te voorkomen dat [appellant] als fiscaal als inwoner (tax resident) van de VS zou worden aangemerkt - en hij in de VS belastingplichtig zou worden voor zijn wereldinkomen - moest hij het aantal dagen dat hij fysiek in de VS zou zijn beperken tot onder de limiet van deSubstantial Presence Test(hierna: SPT) van de IRC. In de IRC is bepaald dat eenalien- een persoon die geen Amerikaans staatsburger of permanent ingezetene (green card-houder) is - voor de IRC in een jaar als inwoner van de VS moet worden behandeld (en belastingplichtige is in de VS voor zijn wereldinkomen) als hij in dat jaar de SPT-limiet overschrijdt. De SPT houdt in dat eenalienin een kalenderjaar als inwoner geldt indien (i) de alien in dat jaar ten minste 31 dagen in de VS aanwezig is; en (ii) de som van a) het aantal dagen waarop hij aanwezig was in de VS in dat jaar en b) het product van de factor 1\u002F3 en het aantal dagen waarop hij gedurende het daaraan voorafgaande jaar aanwezig was in de VS en c) het product van de factor 1\u002F6 en het aantal dagen waarop hij in het daaraan weer aan voorafgaande jaar aanwezig was in de VS, gelijk is aan of groter is dan 183 dagen.\n\n3.14.. \n [appellant] maakte gebruik van verschillende dienstverleners, waaronder het in Breda gevestigde Full Management Support B.V., een zakelijke dienstverlener op het gebied van accountancy en administratie, en het in New York gevestigde boekingsbureau AM Only Inc. dat de wereldwijde boekingen van [appellant] verzorgde. Door deze twee bedrijven werd bijgehouden hoeveel dagen [appellant] per jaar in de VS was.\n\n3.15.. Van 2009 tot en met 2011 is [appellant] onder de SPT-limiet gebleven.\n\n3.16.. In 2010 is gecorrespondeerd over een mogelijke overschrijding van de SPT-limiet in 2011. Naar aanleiding van een vraag van [appellant] heeft [naam 2] [bedrijf] benaderd over de fiscale consequenties van een overschrijding van de SPT-limiet. In een e-mail van 8 november 2010 heeft [naam 2] aan [bedrijf] geschreven:\n\n“[appellant] sent me an e-mail in Dutch about the day count in 2011. When he looks at this contracts, he will spend less than 120 days in the US. However, he asked me what would happen if he spent more days than allowed in the US. I would like to answer that [appellant] would be taxed in the US for his worldwide income in 2011 and if we don't do something about his income from Cyprus and Guernsey, he would be taxed in the US for that income as well. Saying this, we would need to minimize his income from Cyprus and Guernsey to nil.\n\nPlease confirm whether my feeling is right and, if so, are we still allowed to deduct royalty payments from Cyprus in the US? Further, I need to know if this would have any consequences in 2012.\n\nIf I'm wrong, this means that we must expand [appellant] ’ touring in Europe for 2011.”\n\n3.17.. Op 9 november 2010 heeft een medewerker van [bedrijf] geantwoord aan [naam 2] :\n\n“You are correct, if [appellant] is present in the USA for at least 31 days in the current calendar year and 183 days for the current and two prior calendar years (3 year formula in [appellant] day count schedule), he would be taxed as a resident of the USA. Therefore, his worldwide income would be subject to tax in the USA. There is an exception to the substantial presence test above which is if [appellant] individually has a tax home in a foreign (non usa) country that has a reciprocal tax treaty with the USA and has a closer connection to the foreign country, and was physically present in the USA for less than 183 days during the current tax year.\n\nThe fact of whether [appellant] is considered a tax resident of the USA will not affect the ability to deduct the royalty payment but the actual tax benefit will be lost since he will be taxed on his worldwide income in the USA.\n\nRegarding tax year 2012, we would need to look at the number of days [appellant] is present in the USA in 2012 and the preceding 2 calendar years to determine if he would be taxed as a resident of the USA.”\n\n3.18.. Naar aanleiding van het bericht van 9 november 2010 heeft [naam 2] dezelfde dag de volgende aanvullende vraag aan [bedrijf] gesteld:\n\n“(…) do you mean that the US tax authorities will disregard the Cyprus structure? and that [appellant] will also be taxed on the income that flows to AMP [After Midnight Productions, hof] from the rest of the world?”\n\n3.19.. Het antwoord daarop van de medewerker van [bedrijf] is:\n\n“The USA would tax the income that flows directly to [appellant] (salary etc.) - if AMP is a pass through entity than the net income from company would be taxed by USA. lf AMP is the equivalent of a “C Corporation” in the USA whereby the income is retained in the company and the company pays tax based on the net income, than the USA would not tax the company's net income until its distributed to [appellant] .”\n\n3.20.. In een e-mail van 11 november 2010 heeft [naam 2] aan [appellant] geschreven:\n\n“Als jij in 2011 meer dan 123 dagen in de VS bent, dan zal je in 2011 Amerikaans belastingplichtig worden, met als gevolg dat jij naast je inkomen uit LA All the Way ook belastbaar zal zijn over het inkomen dat jij ontvangt vanuit Cyprus en Guernsey. Nu is dat inkomen onbelast, straks wordt dat inkomen dan belast met ongeveer 33%. Deze belastingheffing kunnen we wel verhelpen door het inkomen wat jij geniet uit Cyprus en Guernsey terug te draaien naar nul. (…) We zullen dan wel wat overeenkomsten aan moeten passen. Daarnaast heeft het tot gevolg dat jij ook in 2012 op je Amerikaanse dagen zal moeten letten, omdat je ongeveer 33% van de dagen uit 2011 meesleept naar 2012. Dan zou je dus in 2012 al met ongeveer 70 dagen beginnen.”\n\n3.21.. In het jaar 2012 heeft [appellant] de dagenlimiet van de SPT overschreden. Daardoor is hij per 1 januari 2012 fiscaal inwoner van de VS geworden en belastingplichtig in de VS voor zijn wereldinkomen, met inbegrip van het inkomen van de Trust en het aan de Trust toegerekende (subpart F) inkomen van de dochtervennootschappen daarvan (hierna kortweg: het inkomen van de Trust).\n\n3.22.. De belastingaangiften in de VS werden in opdracht van [appellant] van 2009 tot en met 2017 gedaan door [bedrijf] . Ook was [bedrijf] verantwoordelijk voor de administratie van LATW. In de door [bedrijf] over de jaren 2012 tot en met 2017 namens [appellant] in de VS gedane belastingaangiften is het inkomen van de Trust niet opgegeven.\n\n3.23.. In 2018 heeft [appellant] een ander advocatenkantoor in de VS benaderd voor belastingadvies. Dat kantoor heeft geconstateerd dat de Trust naar Amerikaans belastingrecht is te kwalificeren als een grantor trusten dat [appellant] vanaf 2012 het inkomen van de Trust had moeten opnemen in zijn Amerikaanse aangiften voor de inkomstenbelasting.\n\n3.24.. \n [appellant] heeft vervolgens in de VS deelgenomen aan een inkeerregeling, genaamd Streamlined Domestic Offshore Procedures(SDOP). Ter uitvoering daarvan heeft [appellant] op 15 oktober 2019 gewijzigde belastingaangiften over de jaren 2016 en 2017 ingediend. Op grond daarvan heeft [appellant] alsnog USD 10.217.269 aan Amerikaanse federale inkomstenbelastingen over de jaren 2016 en 2017 betaald over het inkomen van de Trust.\n\n3.25.. Over het jaar 2018 heeft [appellant] USD 1.212.765 aan inkomstenbelasting betaald over het inkomen van de Trust. Ook heeft [appellant] op grond van de SDOP een boete van in totaal USD 5.558.918,70 betaald.\n\n3.26.. Over het inkomen van de Trust in de jaren 2012 tot en met 2015 is geen inkomstenbelasting betaald in de VS.\n\n3.27.. In januari 2019 hebben [appellanten] de opdrachtrelatie met [naam 2] beëindigd.\n\n3.28.. In 2019 was [appellant] geen fiscaal inwoner meer van de VS. Vanaf 2020 is hij weer fiscaal inwoner van de VS geworden. [appellant] heeft het vermogen van de Trust in 2020 ondergebracht in een Amerikaanse grantor trustnaar het recht van de staat Nevada.\n\n3.29.. Het Openbaar Ministerie in de VS is een strafrechtelijk onderzoek gestart, waarbij onder andere [naam 2] als verdachte is aangemerkt van het organiseren van belastingontduiking. In maart 2023 is [naam 2] in Italië aangehouden op verzoek van de Amerikaanse autoriteiten en in september 2023 is hij ter uitlevering overgebracht van Italië naar de VS. [naam 2] heeft in het kader van een zogenaamde plea dealschuld erkend aan één van de tegen hem ingediende aanklachten. De Amerikaanse rechter heeft [naam 2] op 13 februari 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. Samengevat weergegeven, hebben [appellanten] bij rechtbank gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Greenberg Traurig toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen uit hoofde van de tussen hen bestaande overeenkomst van opdracht.\n\n4.2.. Daarnaast hebben [appellanten] gevorderd, voor zover in hoger beroep nog van belang, dat Greenberg Traurig wordt veroordeeld tot betaling van de volgende bedragen:\n\na. USD 10.217.269,00 wegens door [appellant] op grond van de gewijzigde belastingaangiften voor de jaren 2016 en 2017 betaalde inkomstenbelasting aan de Amerikaanse belastingdienst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nb. USD 1.212.765,00 wegens door [appellant] op grond van de inkomsten van de Trust uit hoofde van zijn belastingaangifte 2018 betaalde inkomstenbelasting aan de Amerikaanse belastingdienst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nc. USD 5.558.918,70 wegens een door [appellant] betaalde boete aan de Amerikaanse belastingdienst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019.\n\n4.3.. Verder is in eerste aanleg gevorderd dat Greenberg Traurig wordt veroordeeld tot betaling aan [appellanten] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, ter zake van de door [appellanten] betaalde adviseurskosten voor het analyseren van het onjuiste advies en het vaststellen en beperken van de daaruit voortvloeiende schade.\n\n4.4.. De rechtbank heeft de hiervoor in 4.1 genoemde verklaring voor recht en de veroordeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, zoals vermeld in 4.3 toegewezen. De onder 4.2 genoemde vordering, die strekte tot betaling van concrete schadebedragen, is door de rechtbank afgewezen. De motivering van de rechtbank voor deze afwijzing zal hierna in 6.5 bij de beoordeling aan de orde komen. [appellanten] zijn als de hoofzakelijk in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de proceskosten van de procedure in eerste aanleg.\n\n5. Vordering in hoger beroep\n\n5.1.. \n [appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarmee een deel van hun vorderingen is afgewezen. Zij vorderen dat de hiervoor in 4.2 genoemde bedragen aan schadevergoeding alsnog worden toegewezen en het vonnis voor het overige wordt bekrachtigd, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van Greenberg Traurig in de proceskosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met rente als niet binnen veertien dagen na de uitspraak betaling plaatsvindt.\n\n5.2.. Greenberg Traurig heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [appellanten] in de proceskosten.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. Uitgangspunt voor de beoordeling van de vordering van [appellanten] tot schadevergoeding dat is tussen partijen een opdrachtrelatie bestond. Op de overeenkomst tussen [appellanten] en Greenberg Traurig is Nederlands recht van toepassing. [naam 2] voerde namens Greenberg Traurig voor [appellanten] fiscale werkzaamheden uit. Een opdrachtnemer dient te handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht.\n\nHet oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gestelde beroepsfout\u002Ftekortkoming\n\n6.2.. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat op basis van de wederzijdse verklaringen en gedragingen moet worden aangenomen dat [naam 2] een coördinerende rol vervulde voor de wereldwijde fiscale aangelegenheden van [appellant] , zonder rechtstreekse verantwoordelijkheid te hebben voor de Amerikaanse belastingen of advisering over Amerikaans fiscaal recht. Uit hoofde van zijn rol als global tax coordinatorwas [naam 2] wel gehouden om voldoende en deugdelijke informatie te verkrijgen en advies in te winnen over de inhoud van het Amerikaanse belastingrecht. [naam 2] diende volgens de rechtbank in 2012 ervoor te zorgen dat deugdelijke informatie en advies beschikbaar was over de fiscale consequenties indien [appellant] fiscaal inwoner van de VS zou worden. Dat geldt in het bijzonder voor de vraag of en in hoeverre in dat geval de Trust zou worden betrokken in een eventuele belastingheffing naar Amerikaans fiscaal recht. [naam 2] heeft niet mogen vertrouwen op de summiere informatie die hij van [bedrijf] kreeg. [naam 2] had ervoor moeten zorgen dat hij op de genoemde punten een gemotiveerd advies had gekregen van iemand met voldoende expertise op het gebied van Amerikaans belastingrecht. Niet is gebleken dat [naam 2] over dergelijk advies beschikte. Daarmee heeft [naam 2] in 2012, en daarna, niet gehandeld in lijn met wat van hem als coördinerend belastingadviseur mocht worden verlangd. De consequentie daarvan is dat [naam 2] niet onder ogen heeft gezien dat overschrijding van de SPT-limiet ertoe zou leiden dat [appellant] al vanaf 1 januari 2012 en niet pas vanaf 2013 fiscaal inwoner van de VS zou worden én dat het inkomen van de Trust in de Amerikaanse belastingheffing zou worden betrokken.\n\n6.3.. Het voorgaande heeft de rechtbank tot het oordeel gebracht dat [naam 2] in 2012 en 2013 niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam coördinerend belastingadviseur mocht worden verwacht. Het handelen van [naam 2] moet worden toegerekend aan Greenberg Traurig als de opdrachtnemer van [appellant] . Dat betekent dat Greenberg Traurig is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met [appellanten] zodat de daartoe strekkende verklaring voor recht door de rechtbank is toegewezen.\n\nHet oordeel van de rechtbank ten aanzien van het causaal verband en de gevorderde schadevergoeding\n\n6.4.. Bij de beantwoording van de vraag of als gevolg van de tekortkoming belastingschade is geleden door [appellanten] , heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de huidige situatie van [appellanten] moet worden vergeleken met de hypothetische situatie waarin geen beroepsfout was gemaakt. In de situatie zonder beroepsfout, zou onder ogen zijn gezien dat [appellant] , als hij in 2012 de SPT-limiet zou overschrijden, fiscaal inwoner van de VS zou worden en vanaf 1 januari 2012 in beginsel in privé belastingplichtig in de VS zou zijn. Daardoor zou hij in de VS niet alleen worden belast over het inkomen dat aan hem persoonlijk zou worden uitgekeerd, maar ook over zijn gehele wereldinkomen dat werd verdiend of gehouden via de Trust en de dochtervennootschappen daarvan.\n\n6.5.. \n\nDe vraag of voor [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout een alternatief beschikbaar was, waarmee de belastingheffing over de Trust had kunnen worden vermeden en van welk alternatief ook daadwerkelijk gebruik zou zijn gemaakt, heeft de rechtbank ontkennend beantwoord. Volgens de rechtbank kan niet worden aangenomen dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout ervoor zou hebben gekozen om de duur van zijn aanwezigheid in de VS te beperken tot onder de SPT-limiet. Dat zou voor [appellant] substantiële commerciële gevolgen hebben gehad. Niet aannemelijk is gemaakt dat [appellant] , gelet op die commerciële gevolgen, voor een beperking van het aantal optredens in de VS zou hebben gekozen. Door onder de SPT-limiet te blijven en daarmee het aantal optredens in de VS te beperken, zou [appellant] aanzienlijk minder inkomsten hebben gehad dan hij daadwerkelijk heeft gehad in de jaren 2012 tot en met 2014, waarbij hij zonder fiscale belemmeringen een ongelimiteerd aantal dagen in de VS kon zijn. Om te bepalen of per saldo sprake is van schade, zou volgens de rechtbank een vergelijking van de volledige inkomens- en vermogenspositie van [appellant] over meerdere jaren moeten worden gemaakt. [appellanten] hebben volgens de rechtbank geen enkel aanknopingspunt geboden om een dergelijke vergelijking te maken. Verder is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat het creëren van een closer connectionmet een ander land dan de VS een reële en juridisch en fiscaal haalbare optie was. Ook acht de rechtbank het niet aannemelijk dat [appellant] de Trust op enig moment zou hebben omgezet naar eennon-grantor trust, uitsluitend om belastingheffing over het inkomen van de Trust te voorkomen.\n\nHet voorgaande heeft de rechtbank tot de conclusie gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout per saldo financieel beter af zou zijn geweest dan in de situatie waarin hij thans verkeert. Om die reden is de vordering tot vergoeding van belastingschade afgewezen. Wel heeft de rechtbank de vordering toegewezen die ziet op de vergoeding voor de nader in een schadestaatprocedure vast te stellen adviseurskosten die betrekking hebben op het analyseren van het onjuiste advies en het vaststellen en beperken van de daaruit voortvloeiende schade.\n\nStandpunten partijen in hoger beroep\n\n6.6.. \n\nHet hoger beroep van [appellanten] richt zich, samengevat weergeven, tegen de verwerping door de rechtbank van het gestelde causaal verband tussen de beroepsfout van [naam 2] en de door [appellanten] concreet gevorderde schadebedragen.\n\nDeze schade ziet op het alsnog in de VS op grond van de inkeerregeling betaalde bedrag aan inkomstenbelasting voor de jaren 2016 tot en met 2018. Daarnaast vorderen [appellanten] bij wijze van schadevergoeding een bedrag gelijk aan de boete die aan de Amerikaanse belastingdienst is betaald. In eerste aanleg hield [appellant] nog rekening met de mogelijkheid dat ook over andere jaren belastingschade zou kunnen ontstaan. Inmiddels wordt ervan uitgegaan dat de belastingschade beperkt blijft tot de jaren waarover in het kader van de inkeerregeling een aanvullend bedrag aan belasting is betaald. Dit heeft ertoe geleid dat de vordering van [appellanten] in hoger beroep deels is verminderd.\n\n6.7.. Greenberg Traurig heeft berust in het oordeel van de rechtbank dat [naam 2] had moeten zorgen voor een deugdelijk schriftelijk uitgewerkt advies, in plaats van te vertrouwen op [bedrijf] e-mails en uitingen. Ook berust Greenberg Traurig in het oordeel dat zij als gevolg daarvan in beginsel aansprakelijk is voor de nader vast te stellen adviseurskosten. Voor het geval in hoger beroep de grieven van [appellanten] die betrekking hebben op het bestaan van causaal verband met de gevorderde belastingschade zouden slagen, heeft Greenberg Traurig verwezen naar een aantal verweren uit de eerste aanleg en deze aangevuld. Deze hebben betrekking op de omvang van de door [appellanten] gevorderde schade, de toerekening, voordeelverrekening en eigen schuld.\n\nCausaal verband\n\n6.8.. \n\nIn eerste aanleg hebben [appellanten] zich op het standpunt gesteld dat het [appellant] is die de gestelde belastingschade heeft geleden (zie rov. 5.30 van het bestreden vonnis). Niet is gesteld dat ook The Eagle, LATW en After Midnight deze schade hebben geleden. Het hof stelt dan ook vast dat er voor toekenning van schadevergoeding aan The Eagle, LATW en After Midnight geen grond bestaat. Hun beroep strandt daarop.\n\nHet hierna volgende heeft alleen betrekking op de schade die beweerdelijk door [appellant] is geleden.\n\n6.9.. In hoger beroep is de maatstaf niet bestreden aan de hand waarvan de rechtbank heeft beoordeeld of causaal verband bestaat tussen de vastgestelde beroepsfout en de gevorderde schade. Het geschil in hoger beroep ziet op de toepassing van die maatstaf in het concrete voorliggende geval, daaronder begrepen de vraag (die [appellanten] met grief 1 aan de orde hebben gesteld) of op grond van de zogenaamde omkeringsregel voorshands van het bestaan van causaal verband dient te worden uitgegaan. Verder is naar de kern genomen niet in geschil de vergelijkingsmaatstaf die de rechtbank heeft geformuleerd, voor zover die ziet op de wijze waarop [naam 2] zich volgens de rechtbank had dienen te gedragen in de hypothetische situatie zonder beroepsfout. Het hof zal hierna in zoverre uitgaan van dezelfde maatstaf en uitgangspunten als de rechtbank.\n\n6.10.. Voor aansprakelijkheid van Greenberg Traurig voor de door [appellant] gevorderde schade is nodig dat een causaal verband bestaat, in de zin van condicio sine qua non-verband, tussen de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht en de gevorderde schade. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op [appellant] de bewijslast van het causaal verband tussen de beroepsfout en de gestelde schade. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan op deze hoofdregel een uitzondering van toepassing zijn.\n\n6.11.. In de situatie zonder beroepsfout zou [naam 2] voldoende en deugdelijke informatie en advies hebben ingewonnen over de gevolgen voor de belastingplicht van [appellant] , als [appellant] fiscaal als inwoner van de VS zou worden aangemerkt. Aangenomen moet worden dat als [naam 2] had gezorgd voor een deugdelijk advies, zou zijn onderkend dat de Trust als een grantor trustmoest worden aangemerkt. Verder zou dan zijn onderkend dat wanneer [appellant] in 2012 de SPT-limiet zou overschrijden, hij met ingang van 1 januari 2012 fiscaal als inwoner van de VS zou worden aangemerkt en in beginsel zou zijn onderworpen aan belastingheffing in de VS over zijn wereldinkomen, met inbegrip van het inkomen van de Trust.\n\n6.12.. De aansprakelijkheid van Greenberg Traurig berust in dit geval op de schending van de verplichting om [appellant] te voorzien van voldoende informatie en advies over het Amerikaanse belastingrecht. Deze verplichting strekte ertoe [appellant] in staat te stellen goed geïnformeerd beslissingen te nemen met het oog op zijn inkomens- en vermogenspositie. De op Greenberg Traurig rustende informatieverplichting heeft dus niet de strekking om [appellant] te beschermen tegen het risico van Amerikaanse belastingheffing, maar om [appellant] in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Het tekortschieten in de nakoming van deze informatieverplichting heeft het risico in het leven geroepen dat [appellant] bepaalde keuzes heeft gemaakt, die hij niet zou hebben gemaakt als hij goed was geïnformeerd. Voor toepassing van de omkeringsregel is in een dergelijk geval geen plaats, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat is komen vast te staan dat Greenberg Traurig heeft gehandeld in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade (HR 2 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4564). Grief 1, waarmee de toepassing van de omkeringsregel wordt bepleit, faalt daarmee.\n\n6.13.. Bij de beantwoording van de vraag naar het bestaan causaal verband tussen de beroepsfout en de gevorderde schade gaat het erom of aannemelijk is dat [appellant] andere beslissingen had genomen in de hypothetische situatie waarin hij goed was geïnformeerd en geadviseerd over het Amerikaanse belastingrecht. Aannemelijk zal moeten worden wat [appellant] in dat geval zou hebben gedaan en vervolgens, welke gevolgen zijn keuzes zouden hebben gehad voor zijn inkomens- en vermogenspositie.\n\nAlternatieve scenario’s\n\n6.14.. In hoger beroep voeren [appellanten] aan dat [naam 2] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout [appellant] drie mogelijkheden had geadviseerd waarmee belastingheffing over de Trust had kunnen worden vermeden. Het zijn scenario’s die ook in eerste aanleg aan de orde zijn gekomen. Het eerste gestelde scenario is dat [appellant] had voorkomen dat hij fiscaal als inwoner van de VS zou worden aangemerkt door vanaf 2012 onder de SPT-limiet te blijven. Het tweede scenario is dat [appellant] ervoor zou zorgen dat hij in 2012 minder dan 123 dagen in de VS zou verblijven en vanaf 2013 minder dan 183 dagen per jaar. Tevens zou vanaf 2013 een zogenaamde closer connectionworden gecreëerd met een ander land, zoals het Verenigd Koninkrijk. Het derde door [appellanten] geschetste scenario is het omzetten van degrantor trustin eennon-grantor trust, waarbij bij voorkeur tot 10 februari 2014 (vijf jaren na de inbreng van vermogensbestanddelen in de Trust) zou worden voorkomen dat [appellant] fiscaal als inwoner van de VS werd aangemerkt. Subsidiair doen [appellanten] een beroep op het leerstuk van de ‘kansschade’, waarmee zij bepleiten dat door het uitblijven van een deugdelijk belastingadvies een reële kans is ontnomen om belastingheffing in de VS te voorkomen.\n\nSPT-limiet\n\n6.15.. De premisse van de in 2008\u002F2009 in het leven geroepen fiscale structuur was dat [appellant] in geen enkel land fiscaal inwoner zou zijn (zie de onbestreden vaststelling van de rechtbank in het vonnis onder 5.16). In lijn daarmee werd een dagtelling bijgehouden om te voorkomen dat [appellant] de SPT-limiet zou overschrijden en daardoor fiscaal inwoner van de VS zou worden. De SPT-limiet wordt berekend aan de hand van lopende jaar en de twee daaraan voorafgaande jaren. Het aantal dagen om onder de SPT-limiet te blijven kan daardoor per jaar verschillen. [appellant] kon voorkomen fiscaal inwoner van de VS te worden door in 2012 maximaal 123 dagen in de VS te zijn en in de daarop volgende jaren maximaal 121 dagen voor elk jaar.\n\n6.16.. In de jaren 2009-2011 is het aantal dagen dat [appellant] in de VS verbleef onder de SPT-limiet gebleven. In mei 2012 is [naam 2] erover geïnformeerd dat [appellant] in 2012 op basis van het tourprogramma waarschijnlijk meer dan 180 dagen in de VS zou verblijven. Op dat moment had [naam 2] voldoende en deugdelijke informatie en advies moeten inwinnen over de gevolgen van een eventuele overschrijding van de SPT-limiet naar het Amerikaanse belastingrecht, zodat [appellant] op basis daarvan geïnformeerd kon beslissen of hij al of niet de SPT-limiet zou willen overschrijden.\n\n6.17.. In mei 2012 was volgens [appellanten] nog meer dan voldoende tijd om het tourschema voor 2012 aan te passen om onder de SPT-limiet te blijven. Op 15 oktober 2012 is de geschatte dagtelling voor 2012 bijgesteld van 180 naar 155, zodat de SPT-limiet nog steeds zou worden overschreden, maar volgens [appellanten] was ook toen nog voldoende gelegenheid om het tourschema zodanig aan te passen dat de SPT-limiet dat jaar niet werd overschreden. Pas vanaf november 2012 zouden om overschrijding van de SPT-limiet te voorkomen reeds geplande optredens in de VS afgezegd moeten worden.\n\n6.18.. Ter toelichting hebben [appellanten] onder meer het volgende aangevoerd, mede aan de hand van uitgewerkte reis- en tourschema’s. In 2012 had [appellant] al gedurende lange tijd een gevestigde naam in de wereld van de electronic dance music(EDM). Elk jaar krijgt hij meer aanvragen voor optredens dan hij zou kunnen doen. Samen met zijnbooking agentkiest hij de optredens uit waarop hij wil ingaan. Hij is volledig vrij en flexibel om te kiezen waar en wanneer hij zou willen optreden. In 2012-2018 had [appellant] geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij leidde een reizend bestaan over de hele wereld en leefde in vliegtuigen en hotels. Een gemiddelde show werd ongeveer twee tot zes maanden van tevoren vastgelegd. Bij een nachtclub kan de show soms zelfs op een termijn van enkele weken worden vastgelegd. Bij een optreden op een festival kan de boeking eerder zijn, zo’n zes tot negen maanden van tevoren. Verder hebben [appellanten] aangevoerd dat verschillende optredens in de VS die in december 2012 hebben plaatsgevonden pas in oktober 2012 zijn geboekt. Dat is ruim na mei 2012. Als de optredens in de VS van 5-8 december 2012 en 14-15 december 2012 niet zouden zijn geboekt, zou [appellant] van 11 november 2012 tot 28 december 2012 buiten de VS kunnen zijn gebleven. Hij zou in 2012 dan 121 dagen in plaats van de daadwerkelijke 152 dagen in de VS zijn geweest. Het aantal dagen van zijn verblijf in de VS had [appellant] met nog met enkele dagen kunnen beperken door na zijn optreden op 28 december 2012 de VS te verlaten. De optredens op 29, 30 en 31 december waren namelijk in mei 2012 nog niet geboekt, maar zijn pas in augustus, december, respectievelijk september 2012 vastgelegd. [appellanten] stellen dat [appellant] in plaats van de optredens die daadwerkelijk in december 2012 in de VS hebben plaatsgevonden in Azië, Europa, Mexico of Canada optredens had kunnen doen. Via die optredens zou een vergelijkbaar inkomen zijn binnengekomen.\n\n6.19.. Volgens [appellanten] zou in de hypothetische situatie zonder beroepsfout vanaf 2013 het tourschema zodanig zijn ingericht dat de SPT-limiet niet zou zijn overschreden. [appellant] hecht veel waarde aan zijn residencies(seriecontracten met nachtclubs) in Las Vegas. Hij zou zijn optredens in de belangrijkste clubs aldaar hebben laten plaatsvinden, maar zonder de SPT-limiet te overschrijden. Hij had alle vrijheid om data te kiezen en had bijvoorbeeld optredens kort na elkaar kunnen laten plaatsvinden om niet onnodig veel dagen zonder optredens in de VS door te brengen. [appellanten] verwijzen ter onderbouwing van de wijze waarop het tourschema alsdan zou zijn ingericht naar het tourschema zoals dat daadwerkelijk is gevolgd in de jaren 2018 en 2019. In beide jaren heeft [appellant] ruim zestig shows in de VS verzorgd en is hij onder de SPT-limiet gebleven. Het grootste deel van die shows heeft plaatsgevonden in Las Vegas. In deze jaren spendeerde [appellant] tussen de optredens in Las Vegas door veel tijd in Vancouver (Canada) dat op korte reisafstand ligt van en in dezelfde tijdzone ligt als Las Vegas. Ook bracht hij met regelmaat tijd door in Mexico, dat met een relatief korte vlucht van vier uur bereikbaar is vanuit Las Vegas en daarmee een tijdsverschil heeft van slechts twee uur.\n\n6.20.. Verder hebben [appellanten] erop gewezen dat een groot deel van zijn inkomen gegenereerd wordt buiten de VS. Zij hebben een overzicht overgelegd van de hoogste vergoedingen in de jaren 2012-2019 die alle betrekking hebben op optredens buiten de VS. Daarbij komt volgens hen dat in bepaalde landen aanzienlijk minder belasting over de vergoedingen hoeft te worden betaald dan in de VS. Ook wijzen [appellanten] erop dat de reputatie en het inkomen van [appellant] niet alleen afhankelijk is van optredens en shows. Hij genereert inkomsten met het uitbrengen van muziek op platforms zoals Spotify. Hij is zeer populair op Spotify en het uitbrengen van een nieuw nummer kan daardoor lucratiever zijn dan een optreden.\n\n6.21.. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft [appellant] benadrukt dat vanuit commercieel oogpunt er voor hem geen reden was om langer in de VS aanwezig te zijn dan de dagen waarop hij optredens gaf. De commerciële contacten met clubs en organisatoren van shows verliepen via de booking agentvan [appellant] . Daar kwamen de aanvragen voor optredens binnen en werden de contacten onderhouden en afspraken gemaakt. [appellant] had de duur van het aantal dagen dat hij in de VS verbleef gemakkelijk kunnen beperken door ervoor te kiezen om kort voor optredens in de VS aan te komen en daarna het land weer uit te reizen. Hij had in de jaren waarop het geschil betrekking heeft geen woning in de VS. Wel in Zweden en op Ibiza. Daar bracht hij ook geregeld tijd door. [appellant] was gewend om het overgrote deel van het jaar door te brengen in hotels, overal ter wereld. Hij was niet aan een land of plaats gebonden. Zijn partner reisde met hem mee en kon dat goed combineren met haar werk als model.\n\n6.22.. Het verweer van Greenberg Traurig houdt in dat [appellant] in de hypothetische situatie waarin hij deugdelijk was geadviseerd het advies van [naam 2] om onder de SPT-limiet te blijven in de wind zou hebben geslagen. In die jaren beleefde [appellant] een spectaculaire doorstart van zijn carrière. Het was de golden windowvan de Amerikaanse EDM. Vanaf 2012 heeft [appellant] zijn kans gegrepen om zijn inkomsten uit optredens in de VS te maximaliseren. Hij bracht meer tijd in de VS door om daar zeer lucratieve optredens te doen. Volgens Greenberg Traurig is niet aannemelijk dat [appellant] dat anders zou hebben gedaan in de situatie zonder beroepsfout, althans niet zou hebben kunnen doen zonder zeer nadelige gevolgen voor zijn inkomens- en vermogenspositie.\n\n6.23.. Het hof overweegt het volgende. Toen [naam 2] in mei 2012 werd geïnformeerd dat [appellant] in 2012 op basis van het tourprogramma waarschijnlijk meer dan 180 dagen in de VS zou verblijven, diende [naam 2] in actie te komen. Hij diende ervoor te zorgen dat [appellant] voorzien zou worden van advies over de gevolgen daarvan naar het Amerikaanse belastingrecht. Niet bestreden is de stelling van [appellanten] dat het voor [naam 2] mogelijk moet zijn geweest om binnen enkele weken met hulp van een Amerikaanse belastingkundige tot een concreet advies te komen. Aannemelijk is dat dit advies in ieder geval zou inhouden dat [appellant] onder de SPT-limiet zou moeten blijven om belastingheffing in de VS over het inkomen van de Trust te voorkomen. Aangenomen moet worden dat in het kader van de advisering zou zijn ingeschat dat [appellant] over elk fiscaal jaar waarin hij de SPT-limiet zou overschrijden ongeveer USD 4,2 miljoen aan additionele belasting zou moeten betalen in de VS.\n\n6.24.. \n\nHet hof acht voldoende aannemelijk dat [appellant] dit advies zou hebben opgevolgd. Hij zou in de hypothetische situatie zonder beroepsfout het reis- en tourschema zodanig hebben aangepast en laten inrichten dat de duur van zijn verblijf in de VS onder de SPT-limiet zou blijven. Het hof komt daarmee tot een andere afweging dan de rechtbank. Anders dan de rechtbank acht het hof de uiteindelijk toegenomen verblijfsduur van [appellant] in de VS niet het gevolg van, kort gezegd, commerciële afwegingen, maar van de - achteraf gezien - onjuiste keuzes die zijn gemaakt bij gebreke van een deugdelijk fiscaal advies van [naam 2] . Vaststaat dat Greenberg Traurig [appellant] niet heeft voorzien van voldoende informatie en advies om hem in staat te stellen goed geïnformeerd beslissingen te nemen. [appellanten] hebben daarvan uitgaande terecht aangevoerd dat [appellant] in 2013 en 2013 erop vertrouwde dat de gevolgen van het overschrijden van de SPT-limiet slechts het (relatief beperkte) gevolg had dat de door hemzelf genoten inkomsten aan belastingheffing in de VS onderworpen zouden worden. In het beperkte bedrag aan additionele, in de VS verschuldigde belasting zag hij geen noodzaak het aantal dagen in de VS aan te passen. Onder die omstandigheden kan op grond van feit dat [appellant] meer dagen dan die van de SPT-limiet in de VS verbleef niet de conclusie worden getrokken dat zijn fysieke aanwezigheid in de VS verband hield met en noodzakelijk was voor zijn optredens aldaar, het opbouwen van sterke werkrelaties in de VS en het opbouwen van zijn carrière en ook niet dat die situatie niet anders zou zijn geweest als de beroepsfout wordt weggedacht. Waar het bij de beoordeling op aankomt, is of voldoende aannemelijk is dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout enkele weken na mei 2012 het advies van [naam 2] om onder de SPT-limiet te blijven had opgevolgd. Het hof acht aannemelijk dat hij dat had gedaan. De opzet van de in 2008\u002F2009 in het leven geroepen fiscale structuur was erop gericht de belastingheffing beperkt was doordat [appellant] fiscaal gezien stateloos was en in geen enkel land als inwoner werd beschouwd en over het gehele inkomen werd belast. Die opzet was met name bedoeld om belastingheffingen, zoals die in de VS, te voorkomen. Niet aannemelijk is geworden dat er enkele weken na mei 2012 commerciële redenen of andere (potentiële) voordelen voor [appellant] waren die hem ertoe zouden hebben gebracht om tegen een advies van [naam 2] in ervoor te kiezen om in het vervolg boven de SPT-limiet tijd in de VS door te brengen met als consequentie een extra belastingheffing van ongeveer USD 4,2 miljoen per jaar. Ter zitting van het hof heeft [appellant] verklaard dat hij - als hij vooraf juist erover was voorgelicht dat het gevolg dat de extra verblijfsdagen in de VS zou zijn dat hij jaarlijks USD 4,2 miljoen aan additionele belasting verschuldigd zou zijn - zou hebben voorkomen dat hij de SPT-limiet zou overschrijden om zo USD 4,2 miljoen jaarlijks te ‘besparen’. [appellanten] hebben afdoende en concreet toegelicht dat het voor [appellant] ook mogelijk was om zijn reis- en tourschema zodanig in te richten dat hij dat jaar, en ook de daarop volgende jaren, de voor hem belangrijke optredens in de VS kon doen, zonder de SPT-limiet te hoeven overschrijden en dus zonder een aanzienlijk extra bedrag aan belasting te hoeven betalen. Het hof acht aannemelijk dat in de hypothetische situatie zonder beroepsfout met een zorgvuldig ingericht reis- en tourschema de carrière van [appellant] zich op gelijke wijze had ontplooid als daadwerkelijk het geval is geweest, zonder dat hij afbreuk had hoeven doen aan zijn wens om zijn inkomens- en vermogenspositie verregaand fiscaal te optimaliseren.\n\nHet hof heeft zich bij dit oordeel niet gebaseerd op de door [appellanten] voor de mondelinge behandeling in het geding gebrachte producties. Er is dan ook geen aanleiding om Greenberg Traurig nog in de gelegenheid te stellen bij akte op die producties te reageren.\n\n6.25.. Het voorgaande betekent dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder beroepsfout een andere keuze zou hebben gemaakt dan hij daadwerkelijk heeft gemaakt. Hij zou zich in dat geval hebben gehouden aan de SPT-limiet en daarom geen belasting verschuldigd zijn geweest over het inkomen van de Trust. Daarmee is een causaal verband aanwezig tussen de beroepsfout en de betaling van de aanvullende belasting en de boete in de VS. De overige door [appellanten] aanvoerde scenario’s en het beroep op de leer van de ‘kansschade’ hoeven daarvan uitgaande niet besproken te worden.\n\nUitgangspunten schadevaststelling\n\n6.26.. In het kader van de vaststelling van de omvang van de schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen moet de situatie waarin [appellant] thans verkeert worden vergeleken met die waarin het reis- en tourschema was ingericht zonder overschrijding van de SPT-limiet. Hiervoor heeft het hof aangenomen dat [appellant] in dat hypothetische geval de voor hem belangrijke optredens in de VS had gedaan en zijn carrière zich op gelijke wijze had ontplooid als in werkelijkheid het geval is geweest. Dit betekent dat [appellant] - naar [appellanten] bepleiten - in de situatie zonder beroepsfout hetzelfde inkomen zou hebben gegenereerd als hij daadwerkelijk heeft gedaan, maar de aanvullend betaalde belasting en de boete in de VS niet verschuldigd zou zijn geweest. Het hof volgt daarmee niet het betoog van Greenberg Traurig dat inhoudt dat [appellant] in de situatie zonder beroepsfout veel minder had verdiend dan hij daadwerkelijk heeft gedaan.\n\nHoogte belastingschade\n\n6.27.. Ten aanzien van de hoogte van de belastingschade hebben [appellanten] het volgende aangevoerd. Eind 2018 heeft [appellant] belastingadvies gekregen van een ander advocatenkantoor. Toen bleek dat [appellant] vanaf 2012 over het inkomen van de Trust belasting had moeten betalen in de VS. Die inkomsten waren niet opgegeven in zijn belastingaangiften in de VS. Berekend over de fiscale jaren 2012-2017 ging het om een bedrag van ruim USD 28 miljoen aan niet-betaalde belasting, afgezien van eventuele boetes. In het kader van de inkeerregeling heeft [appellant] over de fiscale jaren 2016 en 2017 gewijzigde aangiften laten indienen op grond waarvan over deze twee jaren een bedrag van USD 10.217.269 aan aanvullende belasting is betaald. Daarnaast diende over deze jaren een boete te worden betaald van USD 5.558.918,70. De IRS heeft 2018 als het derde jaar onder de inkeerregeling geaccepteerd en over dat jaar is USD 1.212.765 aan belasting betaald over het inkomen van de Trust. [appellanten] stellen dat [appellant] aldus totaal een bedrag van USD 16.988.952,70 heeft betaald dat niet verschuldigd zou zijn geweest als [naam 2] juist had geadviseerd. Concreet gaat het dus om een aanvullend bedrag aan belasting over het inkomen van de Trust voor de fiscale jaren 2016, 2017 en 2018 en een boete. [appellanten] stellen dat door deel te nemen aan de inkeerregeling de schade aanzienlijk is beperkt. In totaal is ongeveer een bedrag van USD 17 miljoen betaald, terwijl de verschuldigde additionele belasting over de jaren 2012-2017 meer was dan USD 28 miljoen, nog afgezien van boetes van tientallen miljoenen dollars die de IRS had kunnen opleggen, aldus [appellanten]\n\n6.28.. Greenberg Traurig heeft aanvankelijk betwist dat [appellant] een aanvullend bedrag aan belasting en een boete in de VS heeft betaald. [appellanten] hebben daarop in eerste aanleg de verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing van hun stellingen. Tevens zijn betalingsbewijzen overgelegd. Greenberg Traurig is daarop niet ingegaan, zodat het hof uitgaat van de juistheid van de door [appellanten] opgegeven bedragen.\n\nGeen voordeelverrekening\n\n6.29.. Greenberg Traurig voert aan dat [appellant] achteraf bezien over de periode 2012-2015 geen belasting heeft betaald over zijn wereldinkomen en in zoverre een belastingvoordeel heeft genoten. Deze redenering gaat naar het oordeel van het hof niet op. In de situatie zonder beroepsfout zou [appellant] zich aan de SPT-limiet hebben gehouden en dan over de jaren 2012-2015 over het inkomen van de Trust geen belasting verschuldigd zijn geweest. Over deze jaren is in werkelijkheid evenmin belasting over dat inkomen betaald, zodat [appellanten] - naar zij ook stellen - over die jaren geen belastingschade hebben geleden. Ook is over die jaren geen belastingvoordeel genoten, omdat zowel in de situatie met als zonder beroepsfout geen belasting over het inkomen van de Trust is of zou zijn betaald. Daarmee faalt het beroep van Greenberg Traurig op voordeelverrekening.\n\nToerekening en eigen schuld\n\n6.30.. Greenberg Traurig bestrijdt dat de belastingschade haar kan worden toegerekend, althans meent zij dat de belastingschade op grond van eigen schuld voor rekening van [appellant] dient te blijven. In hoger beroep heeft Greenberg Traurig de in dit verband in eerste aanleg aangevoerde verweren gehandhaafd en verder aangevuld.\n\n6.31.. Als eerste reden voor een beroep op eigen schuld voert Greenberg Traurig aan dat [appellant] de schade zelf heeft veroorzaakt door zich niet aan de dagtelling te houden en daardoor fiscaal inwoner van de VS is geworden. Volgens Greenberg Traurig heeft [appellant] zijn commercieel gewin bewust laten prevaleren boven de geadviseerde fiscale prudentie en heeft op voorhand de fiscale consequenties daarvan aanvaard (conclusie van antwoord, 168).\n\n6.32.. Greenberg Traurig miskent naar het oordeel van het hof dat vaststaat dat [appellant] niet is afgeweken van een fiscaal advies over de dagtelling, maar dat het Greenberg Traurig is geweest die [appellant] niet heeft voorzien van een deugdelijk advies over de fiscale gevolgen van een overschrijding van de SPT-limiet. [appellant] is daardoor niet in staat gesteld geïnformeerd keuzes te maken over de duur van zijn verblijf in de VS. Onder die omstandigheden kan Greenberg Traurig als vergoedingsplichtige niet aan [appellant] als benadeelde tegenwerpen dat hij zijn schade niet heeft beperkt. Daarop stuit in zoverre het beroep op eigen schuld reeds af.\n\n6.33.. Verder voert Greenberg Traurig aan dat [appellant] zowel met Certa Legal en haar rechtsopvolgster als met [bedrijf] rechtstreekse overeenkomsten van opdracht is aangegaan. [bedrijf] adviseerde [appellant] over Amerikaans fiscaal recht en verzorgde de belastingaangiftes in de VS. Greenberg Traurig meent dat zij na 2013 niet meer verantwoordelijk gehouden kan worden voor enige belastingschade. Het aan Greenberg Traurig te maken verwijt valt volgens haar in het niet bij de structurele tekortkoming van [bedrijf] . De schade is pas ingetreden vanaf 2016, ver nadat de dienstverlening van Greenberg Traurig in 2013 ten einde was gekomen. Volgens Greenberg Traurig is zij niet hoofdelijk aansprakelijk met [bedrijf] . De tekortkomingen leiden in dit geval niet tot dezelfde schade. Het gaat om jaarlijks terugkerende belastingschade die in de tussentijd geheel voorkomen of beperkt had kunnen worden. De dienstverlening van Greenberg Traurig is in 2013 geëindigd, zodat de gezamenlijk veroorzaakte schade zich uitsluitend had kunnen voordoen in de periode 2009-2013. Ook als uitgegaan wordt van hoofdelijkheid, staat dat volgens Greenberg Traurig niet aan vermindering van haar aansprakelijkheid in de weg. Het structurele tekortschieten van [bedrijf] dient als eigen schuld aan [appellant] te worden toegerekend en in mindering te worden gebracht op de schadevergoedingsplicht van Greenberg Traurig. Dat is in dit geval gerechtvaardigd, omdat [bedrijf] , anders dan Greenberg Traurig, uitvoering heeft gegeven aan de op [appellant] zelf rustende verplichting tot het doen van correcte belastingaangiften.\n\n6.34.. Naast [appellant] adviseerde [naam 2] ook [naam 3] (bekend als [naam 4] ) over diens fiscale emigratie uit Nederland. [naam 3] had een vergelijkbare fiscale structuur als [appellant] . Nadat [naam 2] bij Greenberg Traurig was vertrokken, is hij volgens Greenberg Traurig herhaaldelijk gewaarschuwd dat [naam 3] belasting in de VS verschuldigd zou zijn over zijn trust. [naam 5] van Greenberg Traurig heeft [naam 2] in 2014 laten weten dat de trust van [naam 3] als een grantor trustkwalificeerde. Verder is [naam 2] herhaaldelijk erop gewezen dat het verwijderen van [naam 3] als begunstigde uit zijn trust niet ertoe zou leiden dat die trust en de dochtervennootschappen daarvan buiten de Amerikaanse belastingheffing zouden blijven. In 2014 wist [naam 2] dat het inkomen van de trust van [naam 3] alsnog in diens belastingaangifte over 2013 moest worden opgenomen. [naam 2] was ermee bekend dat die problematiek niet alleen speelde bij [naam 3] , maar ook bij [appellant] . De belastingschade had voorkomen kunnen worden. [appellant] had op ieder moment zijn dagtelling kunnen laten dalen en daarmee fiscaal inwonerschap kunnen verliezen. Dat [naam 2] (althans Certa Legal of zijn latere kantoor) heeft nagelaten [appellant] daarover te informeren, brengt mee dat schade niet aan Greenberg Traurig kan worden toegerekend, omdat relatieve aandeel van Greenberg Traurig daarin veel kleiner is dan aandeel van Certal Legal en [naam 2] latere kantoor. [naam 5] mocht op grond van de reactie die zij van [naam 2] had gekregen ervan uitgaan dat hij de fiscale consequenties van eengrantor trusthad begrepen en daarnaar had gehandeld. Dat [naam 2] dat achteraf bezien niet correct heeft gedaan, valt Greenberg Traurig niet toe te rekenen, aldus Greenberg Traurig.\n\n6.35.. \n [appellanten] hebben het verweer, dat de belastingschade Greenberg Traurig niet kan worden toegerekend dan wel dat deze op grond van eigen schuld voor rekening van [appellant] dient te blijven, bestreden.\n\n6.36.. Het hof overweegt het volgende. Greenberg Traurig is tegenover [appellant] tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht. Als zij haar verplichtingen wel deugdelijk was nagekomen, zou [appellant] andere keuzes hebben gemaakt en in de jaren 2016, 2017 en 2018 geen aanvullende belasting en geen boete in de VS hebben moeten betalen. De tekortkoming in de nakoming heeft tot belastingschade voor [appellant] geleid totdat hij zelf met behulp van een andere belastingadviseur had ontdekt dat hij onjuist was geadviseerd en heeft besloten gebruik te maken van de inkeerregeling. De gevorderde belastingschade staat naar het oordeel van het hof in zodanig verband met de tekortkoming van Greenberg Traurig, dat zij als het gevolg daarvan aan Greenberg Traurig kan worden toegerekend.\n\n6.37.. Als met Greenberg Traurig wordt aangenomen dat de belastingschade ook zou kunnen worden toegerekend aan Certa Legal en\u002Fof haar rechtsopvolgster en\u002Fof aan [bedrijf] , doet dat niet af aan de eigen aansprakelijkheid jegens [appellanten] en de toerekening van de schade aan Greenberg Traurig. Greenberg Traurig is dan hoofdelijk naast de genoemde derden aansprakelijk en [appellanten] kunnen daarvan uitgaande kiezen wie zij tot schadevergoeding willen aanspreken.\n\n6.38.. Dat Greenberg Traurig [naam 2] en daarmee Certa Legal en\u002Fof haar rechtsopvolgster als haar hoofdelijk medeschuldenaar zou hebben gewaarschuwd voor mogelijke belastingheffing in de VS en zij die de waarschuwing niet hebben opgevolgd, leidt niet tot een gehele of gedeeltelijke vermindering van de eigen aansprakelijkheid van Greenberg Traurig jegens [appellant] . Greenberg Traurig kan de uitlatingen tegenover haar hoofdelijk medeaansprakelijke niet tegenwerpen aan [appellant] , als benadeelde. Die bevrijden haar ook niet van aansprakelijkheid. Evenmin is relevant dat [naam 5] erop vertrouwde dat [naam 2] haar waarschuwing ter harte had genomen en daarnaar had gehandeld. Achteraf bezien vertrouwde zij ten onrechte op [naam 2] en dat kan Greenberg Traurig niet tegenwerpen aan [appellant] .\n\n6.39.. De conclusie is dat de verweren van Greenberg Traurig falen en de door [appellant] gevorderde belastingschade toewijsbaar is.\n\n7. Slotsom, bewijsaanbod en proceskosten\n\n7.1.. \n\nHet hoger beroep heeft succes. Het bestreden vonnis zal deels worden vernietigd. De door [appellant] gevorderde bedragen aan belastingschade en een bedrag gelijk aan de betaalde boete zullen alsnog worden toegewezen. De wettelijke rente is gevorderd en toewijsbaar vanaf de datum van betaling van de aanvullende belasting en de boete. De vordering tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis hebben betaald, zal worden toegewezen.\n\nHet hoger beroep slaagt niet voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van The Eagle, LATW en After Midnight. In zoverre zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.\n\n7.2.. Voor bewijslevering is geen plaats. De bewijsaanbiedingen zien niet op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst dienen te leiden.\n\n7.3.. Greenberg Traurig is in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van de procedure in beide instanties aan de zijde van [appellant] . Deze kosten worden als volgt vastgesteld:\n\nproceskosten rechtbankprocedure\n\n- explootkosten € 103,33\n\n- griffierecht € 5.737,00\n\n- salaris advocaat € 8.714,00(tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 14.554,33\n\nproceskosten hoger beroep\n\n- explootkosten € 112,37\n\n- griffierecht € 6.803,00\n\n- salaris advocaat € 13.218,00(tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 20.133,37\n\n7.4.. Hoewel het hoger beroep van The Eagle, LATW en After Midnight is verworpen, leidt dit niet tot een kostenveroordeling. Niet aannemelijk is dat dit beroep tot extra kosten voor Greenberg Traurig heeft geleid.\n\nBeslissing\n\nHet hof:\n\nvernietigt het bestreden vonnis voor zover in het dictum daarvan onder 6.3 en 6.4 de vordering van [appellant] tot betaling van bedragen aan belastingschade en een bedrag gelijk aan een betaalde boete is afgewezen en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg;\n\nen in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nveroordeelt Greenberg Traurig USD 10.217.269,00 aan [appellant] te betalen, op grond van de gewijzigde belastingaangiften voor de jaren 2016 en 2017 aan de Amerikaanse belastingdienst betaalde inkomstenbelasting, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nveroordeelt Greenberg Traurig USD 1.212.765,00 aan [appellant] te betalen, wegens door [appellant] op grond van de inkomsten van de Trust uit hoofde van zijn belastingaangifte 2018 aan de Amerikaanse belastingdienst betaalde inkomstenbelasting, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nveroordeelt Greenberg Traurig USD 5.558.918,70 aan [appellant] te betalen, wegens een door [appellant] betaalde boete aan de Amerikaanse belastingdienst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 oktober 2019;\n\nbekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;\n\nveroordeelt Greenberg Traurig in de proceskosten in beide instanties aan de zijde van [appellant] , voor de eerste aanleg vastgesteld op € 14.554,33 en in hoger beroep tot nu op € 20.133,37, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;\n\nveroordeelt Greenberg Traurig tot terugbetaling van hetgeen [appellant] . ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Greenberg Traurig hebben voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling;\n\nverklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.F. Aalders en J-P.R. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1289","ecli-nl-ghams-2026-1289",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]