ECLI:NL:GHAMS:2026:1732
Résumé de l'Affaire
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Amsterdam
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.344.709/01
zaaknummer rechtbank: C/15/332362 / FA RK 22-4558
beschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. C.C. Sneper te Amersfoort,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats 1] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.H. Gillis te Hoorn.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem ,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over [minderjarige 2] (14 jaar) en het contact met haar vader.
De rechtbank heeft ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna: de kinderen) een zorgregeling vastgesteld en het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.
De moeder was het daar niet mee eens en vond dat de zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door het hof moest worden aangepast en dat de hoofdverblijfplaats bij haar moest worden bepaald. Later in de procedure heeft de moeder het hof verzocht alleen de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 2] te beperken of een raadsonderzoek te gelasten.
De vader was het wel eens met de bestreden beschikking. Verder wil hij dat er een raadsonderzoek wordt ingesteld of een bijzondere curator voor [minderjarige 2] wordt benoemd.
2. De procedure in hoger beroep
2.1. De moeder is op 12 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
14 mei 2024 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2. De vader heeft op 16 oktober 2024 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3. De moeder heeft op 29 november 2024 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
een bericht van de zijde van vader van 13 november 2024 met bijlage,
een bericht van de zijde van vader van 22 november 2024 met bijlagen,
een bericht van de zijde van de vader van 4 december 2024 met bijlagen.
2.5. De voorzitter heeft op 4 december 2024 met [minderjarige 2] gesproken. [minderjarige 1] heeft in een brief aan het hof laten weten wat zijn mening is. De voorzitter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 5 december 2024 de inhoud van het gesprek met [minderjarige 2] en de brief van [minderjarige 1] zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.6. Op 5 december 2024 heeft een zitting plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft op deze zitting besloten de zaak pro-forma aan te houden tot 2 maart 2025 om de uitkomsten van het hulpverleningstraject via Focus2BE af te wachten. Vervolgens is de zaak een aantal keer aangehouden om het verdere verloop van de hulpverlening gericht op het herstellen van het contact tussen [minderjarige 2] en de vader af te wachten. De partijen hebben zich op verschillende moment uitgelaten over het verloop van de hulpverlening, de onderlinge verhoudingen tussen de ouders en de gewenste verdere voortgang van de procedure.
2.7. Na de zitting van 5 december 2025 zijn bij het hof de volgende nadere stukken binnengekomen:
een bericht van de vader van 26 februari 2025,
een bericht van de zijde van de moeder van 3 maart 2025,
een bericht van de zijde van de vader van 5 maart 2025,
een bericht van de zijde van de moeder van 15 maart 2025,
een bericht van de zijde van de vader van 15 mei 2025,
een bericht van de zijde van de moeder van 15 mei 2025,
een bericht van de zijde van de vader van 7 september 2025,
een bericht van de zijde van de vader van 31 januari 2026,
een bericht van de zijde van de moeder van 2 februari 2026,
een bericht van de zijde van de vader van 22 maart 2026,
een bericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2026,
een bericht van de zijde van de vader van 24 maart 2026, met bijlagen.
2.8. De mondelinge behandeling is voortgezet op 2 april 2026. Verschenen zijn:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
de raad vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
3. De feiten
3.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2009 te [plaats 2] en [minderjarige 2] , geboren op [in] 2012 te [gemeente] . De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 9 maart 2022 gescheiden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022. Het gezamenlijk gezag over de kinderen is na de echtscheiding in stand gebleven.
3.2. Aan de hiervoor genoemde echtscheidingsbeschikking van 21 februari 2022 is een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan gehecht waarin - voor zover hier van belang - het volgende staat vermeld:
artikel 2.3 van het echtscheidingsconvenant: De ouders zijn overeengekomen dat beide kinderen ingeschreven zullen worden op het woonadres van de moeder, zodra zij een eigen woonadres heeft om zich in te schrijven. Tot zolang blijven de kinderen ingeschreven bij de vader.
artikel 4 van het ouderschapsplan: De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na de scheiding de zorg willen verdelen. De ouder waar de kinderen verblijven is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De ouders zijn de volgende zorgregeling overeengekomen. Er is geen zorgregeling in tijd en plaats. Moeder volgt rooster vader op zo'n manier dat de verdeling 50/50 is per periode van 28 dagen. Dit wordt elke periode opnieuw bekeken vanwege onregelmatig werkrooster. Dit wordt opnieuw bekeken als de contractbasis waarop moeder werkt verandert. Een mogelijkheid is een contract van 50%. In dat geval zal het co-ouderschap om de week worden.
3.3. Bij proces-verbaal van de rechtbank van 8 november 2022 zijn partijen in de onderhavige zaak verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Bij tussenbeschikking van de rechtbank van 25 november 2022 is de beslissing in de bodemzaak over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van bericht van de gemeente [gemeente] , de raad of partijen over het verloop en de uitkomsten van het hulpverleningstraject in het kader van het UHA.
3.4. Uit het eindverslag van Altra, door de rechtbank ontvangen op 29 januari 2024, blijkt dat het hulpverleningstraject is gestagneerd en de doelen niet zijn behaald.
4. De omvang van het hoger beroep
4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de even weken bij de moeder, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen. Verder is bepaald dat [minderjarige 2] bij wijze van opbouwregeling in de week dat [minderjarige 1] bij de vader verblijft tweemaal bij de vader verblijft van donderdagmiddag uit school tot en met zondag aan het eind van de middag en daarna net als [minderjarige 1] in de oneven weken van maandag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen afgewezen.
4.2. De moeder verzoekt in haar beroepschrift, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de zorgregeling voor beide kinderen te wijzigen, in die zin dat zij per datum beschikking eens in de twee weken een weekend van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven alsmede dat de regeling van de vakanties blijft zoals overeengekomen, met uitzondering van de mei/kerstvakantie en de zomervakantie, waarvan zij de invulling vastgelegd wil zien door het hof. Tenslotte verzoekt de moeder dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar wordt vastgesteld.
4.3. De vader verzoekt in zijn verweerschrift het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel tot een maximum van € 25.000,-. Verder verzoekt de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure van de vader, te weten € 3.440,56, alsmede tot betaling van de nakosten.
4.4. De moeder verzoekt het hof om het incidentele hoger beroep van de vader in zijn geheel af te wijzen.
4.5. De moeder heeft per brief van 2 februari 2026 het hof verzocht de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 2] te wijzigen en daarbij benadrukt dat [minderjarige 2] geen weekendregeling of vaste dag bij de vader meer wenst. Subsidiair verzoekt de moeder het hof een raadsonderzoek te gelasten.
4.6. De vader verzoekt bij brief van 22 maart 2026 een bijzondere curator met een pedagogische en/of psychologische achtergrond te benoemen dan wel een raadsonderzoek te gelasten.
4.7. Op de zitting op 2 april 2026 hebben de partijen, naar het hof begrijpt, het hof verzocht een tijdelijke zorgregeling vast te stellen en een bijzondere curator voor [minderjarige 2] te benoemen.
Verder hebben partijen ter zitting hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] ingetrokken.
5. De motivering van de beslissing
5.1. Omdat partijen hun verzoeken ten aanzien van [minderjarige 1] hebben ingetrokken, hoeft het hof hierop geen beslissing meer te nemen. De beoordeling van het hof gaat alleen nog over de verzoeken met betrekking tot [minderjarige 2] .
Het wettelijk kader
5.2. Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
5.3. De moeder vindt dat de zorgregeling moet worden afgestemd op de behoeften en wensen van [minderjarige 2] . Een co-ouderschapregeling is niet werkbaar. [minderjarige 2] wil geen weekendregeling met de vader meer en zelfs een vaste dag is haar te veel. Zij is wel bereid tot gestructureerd contact, maar de vader blijft hameren op een co-ouderschapsregeling. In de afgelopen periode heeft [minderjarige 2] contact gehad met de kindbehartiger om de situatie tussen haar en de vader te verbeteren. Er zijn verschillende gesprekken geweest, maar telkens loopt de communicatie tussen hen weer vast door de houding van de vader. Verder weigert de vader nog steeds met de moeder te communiceren. Volgens de moeder is de communicatie tussen de ouders niet verbeterd, terwijl een goede onderlinge communicatie noodzakelijk is voor de uitvoering van een zorgregeling. De moeder is van mening dat de zorgregeling moet worden beperkt in het belang van [minderjarige 2] . Een raadsonderzoek of de benoeming van een bijzondere curator kan nadere informatie opleveren die van belang is voor de beoordeling welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is.
5.4. De vader wil dat onderzoek wordt gedaan naar de reden waarom [minderjarige 2] niet meer naar hem toe gaat. De zorgregeling wordt al een lange periode niet meer nageleefd en de vader ziet [minderjarige 2] weinig tot helemaal niet. Voor de vader is duidelijk dat [minderjarige 2] wel contact met hem wil, maar dat iets haar tegenhoudt. Zij stuurt hem berichten en neemt zelf contact op met de kindbehartiger. Hieruit blijkt dat zij zelf initiatief neemt om haar vader te zien. Volgens de vader worden er telkens stappen gemaakt in het contact tot er iets gebeurt waardoor het contact weer misloopt. De vader vermoedt dat de moeder hierin een rol speelt. Het doel van het onderzoek moet zijn dat wordt vastgesteld wat [minderjarige 2] tegenhoudt om weer volgens de co-ouderschapregeling bij hem te verblijven.
5.5. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat zij wensen dat een bijzondere curator wordt benoemd en dat [minderjarige 2] tot die tijd één middag in de week naar de vader gaat. Als [minderjarige 2] dat wil, kan de tijdelijke regeling worden uitgebreid met een overnachting bij de vader. Het doel van de regeling is dat de vader en [minderjarige 2] samen tijd door kunnen brengen.
Het advies van de raad
5.6. De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende aangegeven. De ouders vinden het lastig om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren en hierdoor worden de kinderen belast met verantwoordelijkheden die zij niet kunnen dragen. [minderjarige 2] ervaart druk door de strijd tussen de ouders en raakt door de verstoorde verhoudingen verder verwijderd van haar vader. Eerdere hulpverlening is vastgelopen en de raad adviseert de ouders om via het traject solo-parallel ouderschap afspraken te maken, zodat de kinderen minder worden belast met de spanningen tussen de ouders. De raad merkt hierbij op dat andere trajecten gericht op gezamenlijk ouderschap niet meer aan de orde zijn. In eerste instantie zou het advies van de raad geweest zijn om een zorgregeling vast te stellen. Een raadsonderzoek of het benoemen van een bijzondere curator zal in dit geval niet veel toevoegen. De stem van [minderjarige 2] is voldoende gehoord. Er is een kindbehartiger betrokken (geweest) die naar [minderjarige 2] heeft geluisterd en heeft ingezet op contactherstel. De verantwoordelijkheid voor het bepalen van de zorgregeling moet niet alleen bij [minderjarige 2] komen te liggen. Nadat partijen ter zitting gezamenlijk hebben aangegeven dat zij het van belang vinden dat er een bijzondere curator wordt benoemd, heeft de raad zijn advies gewijzigd en geadviseerd een bijzondere curator te benoemen zodat onderzocht kan worden welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het is van belang dat er een zorgregeling komt die aansluit bij de belastbaarheid van [minderjarige 2] . Tegelijkertijd benadrukt de raad dat [minderjarige 2] een vader heeft die betrokken wil zijn bij haar leven. Van de moeder wordt verwacht dat zij [minderjarige 2] aanspoort naar de vader te gaan, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
5.7. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Het is de ouders de afgelopen jaren niet gelukt om het gedeelde ouderschap samen vorm te geven. Er is sprake van wederzijds wantrouwen tussen de ouders. Het hof constateert dat de ouders gebeurtenissen en situaties op wezenlijke punten verschillend beleven en duiden. Dit komt onder meer naar voren in hun lezing van de communicatie over de vakanties, het contact tussen [minderjarige 2] en de vader en de redenen waarom [minderjarige 2] op dit moment niet overeenkomstig de zorgregeling bij de vader verblijft. Tijdens de eerste zitting in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de vader het initiatief zou nemen voor een hulpverleningstraject bij Focus2Be om het contact met [minderjarige 2] te herstellen. Op dat moment ging [minderjarige 2] al een aantal maanden niet meer naar haar vader toe en hield zij het contact met hem af. Tijdens de tweede zitting in hoger beroep is gebleken dat het contact tussen [minderjarige 2] en de vader nog niet is hersteld. De kindbehartiger heeft in een e-mailbericht van 19 maart 2026 aangegeven dat zij op dat moment geen mogelijkheden zag het traject gericht op contactherstel tussen [minderjarige 2] en de vader voort te zetten. Ter zitting in hoger beroep zijn de ouders een tijdelijke zorgregeling overeengekomen, waaruit het hof opmaakt dat de ouders kennelijk mogelijkheden zien om een (tijdelijke) regeling overeen te komen waarin de vader en [minderjarige 2] contact met elkaar zullen hebben.
5.8. De ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij willen dat een bijzondere curator onderzoekt welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige 2] is. Het hof zal geen bijzondere curator benoemen. Reden daarvoor is dat het hof zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de zorgregeling. De stem van [minderjarige 2] is in deze procedure voldoende naar voren gekomen en een advies van een bijzondere curator zal, gelet op de al aanwezige informatie, naar verwachting niet leiden tot nieuwe inzichten. Het nogmaals benoemen van een derde die in gesprek gaat met [minderjarige 2] is niet het middel om de voortdurende conflicten tussen de ouders op te lossen. De verantwoordelijkheid voor de zorgregeling behoort bij de ouders en niet overwegend bij [minderjarige 2] te liggen. Met de raad is het hof van oordeel dat het aan de ouders is om de spanningen tussen hen te verminderen, bijvoorbeeld door middel van het volgen van het traject solo-parallelouderschap, zoals door de raad geadviseerd. Daarnaast geldt dat met een onderzoek door een bijzondere curator tijd gemoeid zal zijn en dit zal in deze al langlopende procedure weer een periode van onzekerheid betekenen, hetgeen het hof niet in het belang van [minderjarige 2] acht. Daarnaast overweegt het hof dat de kindbehartiger nog steeds bij [minderjarige 2] betrokken is als vertrouwenspersoon en hiermee is er voor [minderjarige 2] een onafhankelijk persoon met wie zij kan spreken over het contact met haar vader. In die context kan in overeenstemming met de behoeften van [minderjarige 2] ook tot uitbreiding van de door de ouders op de zitting overeengekomen tijdelijke regeling worden gekomen.
5.9. Het hof zal, gelet op het voorgaande, een zorgregeling vaststellen. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De komende periode dient gericht te zijn op het opbouwen van contact tussen [minderjarige 2] en de vader, waarbij de druk op haar zoveel mogelijk wordt beperkt. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat zij op regelmatige basis contact heeft met haar vader. Zij heeft een vader die van haar houdt en deel wil uitmaken van haar leven. Omdat in de afgelopen periode het contact tussen de vader en [minderjarige 2] minimaal is geweest, is een co-ouderschapsregeling echter niet aan de orde. Het is positief dat de ouders ter zitting gezamenlijk tot een regeling zijn gekomen waarin [minderjarige 2] één middag in de week naar haar vader gaat en zij zelf mag bepalen of zij op den duur wil blijven slapen bij de vader. Het hof zal deze tijdelijke regeling als zorgregeling vaststellen. Met deze regeling kunnen [minderjarige 2] en de vader op regelmatige basis tijd met elkaar doorbrengen en wordt aangesloten bij haar behoeften. Hierbij geeft het hof de vader mee dat, hoe invoelbaar zijn wens om hervatting van de co-ouderschapsregeling ook is, het zijn contact met [minderjarige 2] ten goede zal komen als hij de situatie accepteert en luistert naar wat [minderjarige 2] van hem nodig heeft. Ten aanzien van de moeder merkt het hof op dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de moeder het contact met de vader stimuleert en ondersteunt. Tot slot geeft het hof partijen mee dat als [minderjarige 2] vaker naar haar vader toe wil, zij daarvoor de ruimte moeten bieden.
5.10. Gelet op bovenstaande ziet het hof, net zoals de raad, evenmin aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten.
5.11. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is het hof, net zoals de rechtbank, van oordeel dat de moeder geen belang heeft bij haar verzoek, omdat de inschrijving van de kinderen op het adres van de moeder niet ter discussie staat. Het hof wijst het verzoek van de moeder af.
5.12. Het hof ziet gelet op de familierechtelijke aard van de procedure geen aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek van de vader zal worden afgewezen en het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
Het hof, in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de in de bestreden beschikking van 14 mei 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem voor [minderjarige 2] vastgestelde zorgregeling en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt de verdeling van de zorg -en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] als volgt:
[minderjarige 2] verblijft één middag in de week na school op een in onderling overleg tussen partijen en [minderjarige 2] te bepalen doordeweekse dag bij de vader, waarbij [minderjarige 2] als zij dat wil bij de vader kan blijven overnachten;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M.T. Hoogland en mr. M. Braak, in tegenwoordigheid van mr. F.A. Tolman als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.