[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1765":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1765":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"414","ECLI:NL:GHAMS:2026:1765","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-01-19T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nkenmerken 24\u002F3524 tot en met 24\u002F3526\n\n20 januari 2026\n\nuitspraak van de meervoudige douanekamer\n\nop het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Douane, de inspecteur,\n\nalsmede op het incidenteel hoger beroep van\n\n [X], gevestigd te [Y] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: R.F.R. Hoekstra)\n\ntegen de uitspraak van 30 augustus 2024 in de zaken met de kenmerken HAA 22\u002F3811 tot en met HAA 22\u002F3814, HAA\u002F5082 en HAA 23\u002F3003 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen\n\nbelanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. \n\nDe inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende zes uitnodigingen tot betaling\n\n(hierna: de utb’s) uitgereikt:\n\nnummer\n\ndatum\n\nbedrag\n\nzaaknummer rb\n\n kenmerk Hof\n\nutb 1\n\n [# 1]\n\n5-11-2021\n\n€ 7.281,74\n\nHAA 22\u002F3811\n\n24\u002F3524\n\nutb 2\n\n [# 2]\n\n26-11-2022\n\n€ 6.607,19\n\nHAA 22\u002F3812\n\n-\n\nutb 3\n\n [# 3]\n\n21-12-2021\n\n€ 7.570,38\n\nHAA 22\u002F3813\n\n-\n\nutb 4\n\n [# 4]\n\n26-1-2022\n\n€ 5.657,00\n\nHAA 22\u002F3814\n\n-\n\nutb 5\n\n [# 5]\n\n4-5-2022\n\n€ 2.935,88\n\nHAA 22\u002F5082\n\n24\u002F3525\n\nutb 6\n\n [# 6]\n\n17-10-1022\n\n€ 11.474,82\n\nHAA 23\u002F3003\n\n24\u002F3526\n\n1.2.. De tegen de utb’s gemaakte bezwaren zijn door de inspecteur afgewezen.\n\n1.3.. Op de daartegen ingestelde beroepen heeft de rechtbank als volgt beslist, waarbij de inspecteur wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiseres”:\n\n“De rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3812, HAA 22\u002F3813 en HAA 22\u002F3814 ongegrond;\n\nverklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en\n\nHAA 23\u002F3003 gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 9 juni 2022 inzake de utb met nummer [# 1] ;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 19 juli 2022 inzake de utb met nummer [# 5] ;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2023 inzake de utb met nummer [# 6] ;\n\nvermindert de utb met nummer [# 1] tot € 1.723,49, vermindert de utb met nummer [# 5] tot € 1.801,98 en vermindert de utb met nummer [# 6] tot € 9.449,09 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 1.095 aan eiseres te vergoeden.”\n\n1.4.. \n\nDe inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:\n\n- een aanvulling van de gronden van het hoger beroep door de inspecteur;\n\n- een bericht van belanghebbende waarin de ontvangst van het hoger beroep wordt bevestigd en waarin wordt verzocht om verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift;\n\n- een verweerschrift annex incidenteel hogerberoepschrift door belanghebbende;\n\n- een pleitnota door belanghebbende.\n\n1.5.. Partijen zijn uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting op 13 januari 2026, maar hebben het Hof vooraf meegedeeld niet te zullen verschijnen. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n\nDe rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:\n\n“1. Eiseres importeert schoenen uit [land] . [bedrijf] heeft als direct vertegenwoordiger in naam en voor rekening van eiseres (douanevertegenwoordiger) de volgende douaneaangiften ingediend voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen. De datum van aanvaarding van de aangiften is steeds gelijk aan de datum van indiening daarvan:\n\n aangifte\n\n Datum indiening\n\n Aangiftenummer\n\n productnummer\n\n zaaknummer\n\n Aangifte 1\n\n 13-1-2021\n\n [# 1]\n\n [product 1]\n\n HAA 22\u002F3811\n\n Aangifte 2\n\n 9-9-2020\n\n [# 2]\n\n [product 2]\n\n [product 3]\n\n [product 4]\n\n [product 5]\n\n [product 6]\n\n [product 7]\n\n [product 8]\n\n HAA 22\u002F3812\n\n Aangifte 3\n\n 18-12-2020\n\n [# 3]\n\n [product 9]\n\n [product 10]\n\n HAA 22\u002F3813\n\n Aangifte 4\n\n 19-8-2020\n\n [# 4]\n\n [product 2]\n\n [product 3]\n\n [product 4]\n\n [product 5]\n\n [product 11]\n\n [product 9]\n\n [product 6]\n\n [product 8]\n\n [product 7]\n\n HAA 22\u002F3814\n\n Aangifte 5\n\n 5-2-2021\n\n [# 5]\n\n [product 1]\n\n [product 12]\n\n [product 13]\n\n [product 14]\n\n HAA 22\u002F5082\n\n Aangifte 6\n\n 21-7-2021\n\n [# 6]\n\n [product 15]\n\n [product 16]\n\n HAA 23\u002F3003\n\nIn de aangiften heeft eiseres de betreffende schoenen ingedeeld onder de codes 6405 2099 00, 6405 9090 00 of 6405 1000 00 van het geïntegreerd tarief van de Gemeenschappen (Taric).\n\nZaak HAA 22\u002F3811 (aangifte en utb 1)\n\n2. Deze aangifte heeft uitsluitend betrekking op de schoen met productnummer [product 1] . Eiseres heeft de schoen in de aangifte ingedeeld onder Taric-code 6405 2099 00 (tarief 4%).\n\n3. In Plato-opdracht met [plato nummer 1] staat vermeld dat deze schoen aan een fysieke controle is onderworpen op 18 januari 2021 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres ( [straat] te [Y] ) en dat verweerder daarvoor op 13 januari 2021 contact heeft gehad met de douanevertegenwoordiger. Er was bij de fysieke controle geen aangever\u002Fvertegenwoordiger aanwezig. Er is geen monster genomen van de schoen.\n\n4. Een schoen met hetzelfde productnummer is ook opgenomen in een eerdere aangifte van eiseres met nummer [# 7] ( [aangifte] ). In de Plato-opdrachten die betrekking hebben op die eerdere aangifte (nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] ) staat vermeld dat op 1 februari 2021 een fysieke controle heeft plaatsgevonden op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres. Tijdens deze fysieke controle was een loodsmedewerker aanwezig. Hij wilde niet tekenen voor akkoord met de fysieke controle, omdat hij daartoe niet gemachtigd was. Naar aanleiding van deze controle heeft het douanelaboratorium de schoen onderzocht en daarvan op 14 september 2021 een rapport opgemaakt met [rapport nummer] . In dat rapport staat – voor zover van belang – dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is. Verder wordt daarin vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen onder code 6404 1990 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN).\n\n5. Verweerder heeft op grond van dit laboratoriumonderzoek de indeling van de schoen in aangifte 1 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).\n\nHAA 22\u002F3812 (aangifte en utb 2)\n\n6. Deze aangifte ziet op schoenen met de productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] , [product 5] , [product 6] , [product 4] (aangegeven onder artikel 2 met Taric-code 6405 2099 00, tarief 4%) en op schoenen met de productnummers [product 7] en [product 8] (aangegeven onder artikel 3 met Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).\n\n7. In de Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 4] en [plato nummer 5] staat vermeld dat de schoenen op 15 september 2020 aan een fysieke controle zijn onderworpen op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat er loodspersoneel aanwezig was bij die controle. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 5] staat verder dat voor de controle geen contact is geweest met de aangever of diens vertegenwoordiger. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 4] staat vermeld dat verweerder op 10 september 2020 per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Van de schoenen met productnummers [product 5] , [product 17] en [product 7] zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het douanelaboratorium.\n\n8. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 1] met betrekking tot schoen [product 5] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof of rubber is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert deze schoen in te delen onder GN-code 6404 1990. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van deze schoen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).\n\n9. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 2] met betrekking tot schoen [product 6] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen van kunststof of rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert deze schoen in te delen onder GN-code 6402 9190. Verweerder heeft voor deze schoen geen correctie aangebracht in aangifte 2.\n\n10. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 3] met betrekking tot schoen [product 7] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat aan het einde van een slijtagetest het textiel volledig is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van een duurzame zool. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen onder GN-code 6402 9996. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van de schoen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9996 00 (tarief 16,8%).\n\n11. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] en [product 4] zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn niet in het kader van aangifte 2 door het douanelaboratorium onderzocht. Schoenen met dezelfde artikelnummers zijn echter ook opgenomen in aangifte 4 en in dat kader onderzocht (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 6] , [plato nummer 7] en [plato nummer 8] ). Zie daarover hierna onder 18 e.v.. Op grond van de bevindingen naar aanleiding van aangifte 4 heeft verweerder de indeling van deze schoenen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).\n\n12. Wat betreft de schoen met productnummer [product 8] heeft verweerder geen monsteronderzoek laten uitvoeren door het douanelaboratorium, omdat deze schoen volgens verweerder – afgezien van de kleur – identiek is aan de schoen met productnummer [product 7] , die wel is onderzocht door het douanelaboratorium zoals hiervoor onder punt 10 staat vermeld. Ook voor deze schoen heeft verweerder de indeling daarom gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9996 00 (16,8%).\n\nHAA 22\u002F3813 (aangifte en utb 3)\n\n13. Deze aangifte ziet op schoenen met productnummers [product 9] en [product 10] aangegeven onder Taric-code 6405 9090 00 (tarief 4%).\n\n14. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 9] staat vermeld dat de schoenen op 24 december 2020 aan een fysieke controle zijn onderworpen op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat verweerder daarvoor op 21 december 2021 contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Bij de fysieke controle waren eiseres noch de douanevertegenwoordiger aanwezig. Van de schoenen zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het douanelaboratorium.\n\n15. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 4] van 3 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen met artikelnummer [product 10] rubber of kunststof en textiel is. Verder wordt vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool lijken te bevinden. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6405 9090. Verweerder heeft voor deze schoen geen correctie toegepast.\n\n16. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 5] van 3 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen met artikelnummer [product 9] rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat op twee derde van een slijtagetest het textiel volledig is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van een duurzame zool. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen naar het materiaal rubber onder GN-code 6402 9190. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van schoen [product 9] in aangifte 3 gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9190 00 (tarief 16,9%).\n\nHAA 22\u002F3814 (aangifte en utb 4)\n\n17. Deze aangifte heeft betrekking op schoenen met de productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] , [product 5] en [product 18] (aangegeven onder artikel 1 met Taric-code 6405 2099 00, tarief 4%) en op schoenen met de productnummers [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] (aangegeven onder artikel 2 met Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).\n\n18. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 10] staat vermeld dat de schoenen aan een fysieke controle zijn onderworpen op 2 september 2020 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat verweerder daarvoor op 21 augustus 2020 per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Tijdens deze fysieke controle was loodspersoneel aanwezig, dat akkoord is gegaan met de representativiteit van de monsterneming. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] zijn monsters genomen die zijn onderzocht door het douanelaboratorium.\n\n19. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 6] van 10 mei 2021 voor de schoen met productnummer [product 2] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is. In het rapport met nummer [douane nummer 7] van 3 mei 2021 voor de schoen met productnummer [product 4] staat over het materiaal van de buitenzool “deel voorvoet en deel hak textiel deel voorvoet, deel hak kunststof of rubber”. In beide rapporten staat verder dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat aan het eind van een slijtagetest het textiele deel van de zool is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van duurzame zolen.\n\n20. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 8] van 23 augustus 2021 voor de schoen met productnummer [product 3] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is.\n\n21. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6404 1990. Verweerder heeft overeenkomstig dit advies de indeling van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 19] en [product 3] gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).\n\n22. Van de overige schoenen, met productnummers [product 5] , en [product 11] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] , zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn niet in het kader van aangifte 4 door het laboratorium onderzocht. Schoenen met dezelfde productnummers zijn wel onderzocht in het kader van aangifte 2 dan wel aangifte 3 (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 4] , [plato nummer 5] en [plato nummer 9] ). Zie hiervoor onder 7 en 14. Op grond van die bevindingen heeft verweerder de indeling van de schoenen met productnummers [product 5] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] in aangifte 4 gecorrigeerd naar Taric-codes 6404 1990 00 (tarief 16,9%), 6402 9190 00 (tarief 16,9%) en 6402 9996 00 (tarief 16,8%).\n\nHAA 22\u002F5082 (aangifte en utb 5)\n\n23. Deze aangifte ziet op schoenen met de productnummers [product 1] , [product 12] , [product 13] en [product 14] aangegeven onder Taric-code 6405 1000 00 (tarief 3,5%).\n\n24. Van deze schoenen zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn evenmin in het kader van aangifte 5 door het douanelaboratorium onderzocht. Schoenen met hetzelfde productnummer zijn ook opgenomen in de [aangifte] en in dat kader ook onderzocht (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] ). Zie hiervoor bij punt 4.\n\n25. In de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 9] (schoen [product 1] ) en [douane nummer 10] (schoen [product 13] ) van 23 augustus 2021 en met de nummers [douane nummer 11] (schoen [product 12] ) en [douane nummer 12] (schoen [product 14] ) van 12 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof of rubber is ( [douane nummer 11] en [douane nummer 10] ) dan wel kunststof of rubber en textiel ( [douane nummer 12] en [douane nummer 9] ). Verder wordt in deze rapporten vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en in de rapporten [douane nummer 10] en [douane nummer 9] dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6404 1990 ( [douane nummer 9] en [douane nummer 11] ) dan wel 6403 9998 ( [douane nummer 10] en [douane nummer 12] ). Verweerder heeft op grond van die rapporten de indeling van de schoenen gecorrigeerd naar Taric-codes 6404 1990 00 (tarief 16,9%) en 6403 9998 00 (tarief 7%).\n\nHAA 23\u002F3003 (aangifte en utb 6)\n\n26. Deze aangifte heeft (onder meer) betrekking op schoenen met de productnummers [product 15] en op [product 16] (aangegeven in artikel 3 onder Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).\n\n27. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 11] staat vermeld dat een fysieke controle heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2021 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres. Bij de controle is [naam] , medewerker van eiseres, aanwezig geweest. Het in het dossier aanwezige formulier “Akkoordverklaring Representativiteit monsterneming \u002F fysieke controle” is daarbij wegens de geldende coronamaatregelen niet door hem ondertekend. Van de schoen met productnummer [product 20] is een monster genomen dat is onderzocht door het douane-laboratorium.\n\n28. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 13] van 7 oktober 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof\u002Frubber en textiel is. Verder wordt vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de buitenzool bevinden en dat uit een slijtagetest bleek dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6402 9190.\n\n29. Wat betreft de schoen met productnummer [product 16] heeft verweerder geen monsteronderzoek in laten stellen door het douanelaboratorium omdat deze schoen volgens verweerder – afgezien van de kleur – identiek is aan de schoen met productnummer [product 15] waar het rapport met nummer [douane nummer 13] (zie punt 28) van het douanelaboratorium op ziet.\n\n30. Naar aanleiding van het monsteronderzoek heeft verweerder besloten artikel 3 in de aangifte te splitsen, waarbij de schoenen met productnummers [product 15] en [product 16] zijn overgebracht naar artikel 4 en zijn ingedeeld onder Taric-code 6402 9190 00 (tarief 16,9%).\n\nAlle zaken\n\n31. In de productnummers staat de letter B voor het merk [X] , de twee cijfers na de B staan voor het productieseizoen, de volgende twee cijfers staan voor de fabrikant, de twee d aaropvolgende cijfers zijn vrij en de laatste twee cijfers geven een kleur aan.\n\n32. Ter zitting heeft verweerder voor alle voorliggende douaneaangiften een overzicht overgelegd van het elektronisch berichtenverkeer in het elektronisch aangiftesysteem AGS (AGS). Een van de codes die is gezonden aan de indiener van de douaneaangiften is de code “DMSCTL”. Volgens de toelichting van de soorten mededelingen staat dit voor “Communication intended control, Bericht waarmee de aangever\u002Fvertegenwoordiger wordt geïnformeerd over de fysieke controle van de goederen.”\n\n2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.\n\n3. Geschil in hoger beroep\n\n3.1.. Het hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in de beroepen met zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003, dat de inspecteur voor de zendingen begrepen in de utb’s 1, 5 en 6 niet heeft voldaan aan op hem rustende bewijslast dat hij de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot monsterneming.\n\n3.2.. Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat de resultaten van een monsteronderzoek ook de grondslag kunnen vormen voor de correctie van andere aangiften dan de aangifte die is gedaan voor de zending waaruit het monster is genomen, indien het om artikelen met hetzelfde artikelnummer gaat (door de rechtbank aangeduid als: “extrapolatie”). Daarnaast komt belanghebbende in haar incidenteel hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank over haar grief dat ten aanzien van sommige in de utb’s begrepen schoenen in het verleden na fysieke controle geen correctie van de goederencode heeft plaatsgevonden (punten 57 t\u002Fm 60).\n\n4. Overwegingen van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:\n\n“Monsterneming\n\n36. Met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aanvaarde douaneaangifte vermelde gegevens kunnen douaneautoriteiten de goederen aan een onderzoek onderwerpen (artikel 188, aanhef en onder c, van het DWU) en monsters nemen voor een analyse of grondige controle van de goederen (artikel 188, aanhef en onder d, van het DWU). De aangever heeft op grond van artikel 189, tweede lid, van het DWU het recht daarbij aanwezig te zijn of zich daarbij te laten vertegenwoordigen. Uit artikel 238 van de UVo.DWU volgt dat wanneer het bevoegde douanekantoor heeft besloten de goederen aan een onderzoek te onderwerpen of monsters te nemen, het douanekantoor hiervoor het tijdstip en de plaats aanwijst en de aangever hiervan in kennis stelt. Op verzoek van de aangever kan het bevoegde douanekantoor ook een andere plaats aanwijzen dan een douanekantoor. Uit artikel 240, eerste lid, van de UVo.DWU volgt dat wanneer het douanekantoor besluit monsters te nemen van de goederen, het de aangever daarvan in kennis stelt.\n\n37. Eiseres betwist in alle zaken in kennis te zijn gesteld van de voorgenomen monsterneming. Het is dan aan verweerder om aannemelijk te maken dat dit wel is gebeurd (vgl. Gerechtshof Amsterdam 14 juni 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ6558, r.o. 7.2 en Gerechtshof Amsterdam 19 december 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6338, r.o. 6.2).\n\n38. Verweerder heeft daartoe, onder verwijzing naar het overzicht van het elektronisch berichtenverkeer AGS, aangevoerd dat in alle zaken de douanevertegenwoordiger vooraf is geïnformeerd dat de Douane de goederen aan een onderzoek, in de Plato-opdrachten geduid als een fysieke controle, zal onderwerpen en dat monsters doorgaans ook op datzelfde moment worden genomen. Uit dat overzicht volgt dat in alle zaken de code “DMSCTL” is verstuurd, wat inhoudt dat de aangever of een douanevertegenwoordiger wordt geïnformeerd over de fysieke controle van de goederen. Standaard is dat een douanevertegenwoordiger\u002Findiener van de douaneaangifte na het ontvangen van het DMSCTL-bericht contact opneemt met het “ werkverdeelpunt Douane\u002FMoerdijk ” om afspraken te maken over de locatie en het tijdstip van de fysieke controle. Verweerder acht het niet aannemelijk dat in de onderhavige zaken van deze standaardprocedure is afgeweken. Dat contact is geweest tussen de douanevertegenwoordiger en de Douane wordt volgens verweerder bevestigd door het feit dat de fysieke controle is verlegd naar de locatie van de aangever bij deze douaneaangiften. Hiervoor heeft de douanevertegenwoordiger telkens met het “ werkverdeelpunt Douane\u002FMoerdijk ” een afspraak moeten maken. Logischerwijs moet de douanevertegenwoordiger dus bekend zijn geweest met het tijdstip en de plaats van de fysieke controle, aldus verweerder, en had hij daarbij aanwezig kunnen zijn. De onderhavige fysieke controles en monsternemingen zijn vervolgens uitgevoerd op de locatie van de aangever en onder begeleiding van een medewerker van de aangever. Deze werkwijze voldoet volgens verweerder aan de vereisten van artikel 240 van de UVo.DWU.\n\nZaken HAA 22\u002F3811 (aangifte en utb 1) en HAA 22\u002F5082 (aangifte en utb 5)\n\n39. In de aangiften 1 en 5 zijn in het kader van die aangiften geen monsters genomen maar heeft verweerder de goederencodes gecorrigeerd op basis van rapporten van het douanelaboratorium inzake monsterneming van schoenen met betrekking tot de douaneaangifte van eiseres met het nummer [aangifte] (de eerdere douaneaangifte). De onderhavige beroepen zien echter niet op de eerdere douaneaangifte en het door verweerder overgelegde overzicht van het elektronisch berichtenverkeer met de douanevertegenwoordiger, heeft ook geen betrekking op de eerdere douaneaangifte. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de aangever bij de monsterneming in het kader van de eerdere douaneaangifte in kennis is gesteld van de monsterneming, het tijdstip of de plaats daarvan. Verder blijkt uit de Plato-opdrachten met de nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] die betrekking hebben op de eerdere douaneaangifte ook niet dat de desbetreffende fysieke controle van tevoren is aangekondigd. Het enkele feit dat de monsterneming heeft plaatsgevonden op de locatie van de aangever is onvoldoende om aan te nemen dat de aangever vooraf in kennis is gesteld van de monsterneming en van het tijdstip waarop en de plaats waar die monsterneming zou plaatsvinden. Bovendien volgt uit die Plato-opdrachten dat de tijdens de fysieke controle aanwezige loodsmedewerker niet wilde tekenen voor akkoord met de fysieke controle, omdat hij daartoe niet gemachtigd was. Dat vormt een verdere aanwijzing dat een zodanige kennisgeving vooraf juist niet heeft plaatsgevonden.\n\nZaak 23\u002F3003 (aangifte en utb 6)\n\n40. Uit een e-mailbericht van 7 oktober 2022 van eiseres, in reactie op het voornemen van verweerder van 8 september 2022 tot het uitreiken van utb 6, heeft eiseres aan verweerder laten weten nooit te zijn geïnformeerd dat een monsterneming zou plaatsvinden, dan wel in de gelegenheid te zijn gesteld om daarbij aanwezig te zijn. Uit de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 11] blijkt niet dat verweerder vooraf contact heeft gelegd met de aangever dan wel de douanevertegenwoordiger. Bij aanwezigheid van die contra-indicaties acht de rechtbank de omstandigheden dat de code “DMSCTL” is gezonden aan de douanevertegenwoordiger van eiseres en dat de controle en monsterneming hebben plaatsgevonden op het bedrijfsadres van eiseres onvoldoende om aan te nemen dat de aangever vooraf in kennis is gesteld van het tijdstip waarop en de plaats waar de fysieke controle en de monsterneming plaats zouden vinden.\n\n41. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voor de utb’s 1, 5 en 6 niet aannemelijk gemaakt dat hij overeenkomstig de voorgeschreven werkwijze van artikel 189 van het DWU juncto artikelen 238 en 240 van de UVo.DWU heeft gehandeld. Dat betekent dat verweerder een essentiële voorwaarde in een dwingend voorgeschreven procedure heeft geschonden met als gevolg dat de uitslagen van de monsternemingen terzijde moeten worden gesteld (zie Gerechtshof Amsterdam 19 december 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6338, r.o. 6.6).\n\n42. Aangezien verweerder wenst af te wijken van de douaneaangiften van eiseres, rust op hem de bewijslast voor de door hem voorgestane indeling van de schoenen. Nu verweerder zich voor de aangiften 1, 5 en 6 niet meer kan beroepen op de uitslagen van de monsternemingen, voldoet hij voor die aangiften niet aan die bewijslast. De beroepen van eiseres in de zaken met zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003 zijn daarom gegrond. De rechtbank komt in deze zaken daarom niet meer toe aan de overige beroepsgronden.\n\nHAA 22\u002F3812 (aangifte en utb 2), HAA 22\u002F3813 (aangifte en utb 3) en HAA 22\u002F3814 (aangifte en utb 4)\n\n43. De rechtbank acht aannemelijk dat de code “DMSCTL” zoals die volgens het elektronisch berichtenverkeer AGS aan de douanevertegenwoordiger is gezonden de door verweerder beschreven betekenis heeft, dat met de verzending van die code de eveneens door hem beschreven standaardprocedure in werking is gesteld en dat de douanevertegenwoordiger van eiseres dus contact heeft opgenomen met het “ werkverdeelpunt Douane\u002FMoerdijk ” om afspraken te maken over de plaats en het tijdstip van de fysieke controle. Dit volgt ook uit de Plato-dossiers die op de aangiften 2, 3 en 4 betrekking hebben en waarin is vermeld dat verweerder vooraf contact heeft gehad met de vertegenwoordiger van eiseres. Het wordt tevens bevestigd door het feit dat de controle én de monsterneming hebben plaatsgevonden op het bedrijfsadres van eiseres.\n\n44. Wat betreft aangifte 2 (zaaknummer HAA 22\u002F3812) is sprake van twee Plato-opdrachten ( [plato nummer 4] en [plato nummer 5] ). Uit Plato-opdracht [plato nummer 4] blijkt dat met betrekking tot deze douaneaangifte verweerder voorafgaand aan de controle van 15 september 2020 op 10 september 2020 per e-mail contact heeft gehad met de douanevertegenwoordiger. In Plato-opdracht [plato nummer 5] staat weliswaar dat er voor de controle geen contact is geweest met de aangever, maar nu deze opdracht ziet op dezelfde douaneaangifte en de controle op hetzelfde moment heeft plaatsgevonden, is eiseres voldoende op de hoogte gebracht van deze fysieke controle en monsterneming. In Plato-opdracht [plato nummer 9] met betrekking tot aangifte 3 (zaaknummer HAA 22\u002F3813) en in Plato-opdracht [plato nummer 10] met betrekking tot aangifte 4 (zaaknummer HAA 22\u002F3814) staat dat verweerder voorafgaand aan de fysieke controle per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Uit Plato-opdracht [plato nummer 10] blijkt verder dat er bij de monsterneming loodspersoneel aanwezig was.\n\n45. Weliswaar blijkt uit de hiervoor aangehaalde Plato-opdrachten niet expliciet dat eiseres dan wel de douanevertegenwoordiger is geïnformeerd dat naast een fysieke controle ook monsters zouden worden genomen, maar gelet op het DMSCTL-bericht en de procedure die daarop pleegt te volgen acht de rechtbank aannemelijk dat het voor eiseres duidelijk moet zijn geweest dat met de aankondiging van de fysieke controle, ook geacht werd de monsterneming te zijn aangekondigd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat al eerder bij eiseres controles zijn aangekondigd waarbij monsters zijn genomen van schoenen, zodat zij kon verwachten dat dit ook nu weer het geval zou zijn. Hierbij speelt ook de aard van de goederen een rol. Voor de beoordeling van de indeling in het gebruikstarief zijn immers ook de bestanddelen aan de binnenkant van de goederen van belang wat meebrengt dat een fysieke controle niet in alle gevallen afdoende is voor de beoordeling van de goederen.\n\n46. Uit artikelen 238 en 240 van de UVo.DWU volgt dat de Douane de aangever in kennis dient te stellen van de monsterneming en het tijdstip en de locatie ervan. Deze verplichting bestaat naast de verplichting de aangever in te kennis te stellen van een fysieke controle. Verweerder heeft gelet op wat hiervoor is overwogen in de zaken HAA 22\u002F3812, HAA 22\u002F3813 en HAA 22\u002F3814 niet in strijd gehandeld met voornoemde artikelen. De rechtbank slaat daarbij acht op het doel van de kennisgeving. Immers, indien een belanghebbende van een monsterneming op de hoogte is, dan kan deze ervoor kiezen zijn aanwezigheidsrecht uit te oefenen, bijvoorbeeld om te controleren of het monster representatief is of om een contra-monster aan te vragen. Dit belang weegt bij de goederen die in geschil zijn minder zwaar omdat eiseres (via zijn douanevertegenwoordiger) in kennis is gesteld van de fysieke controle, en de monsterneming daarmee gelijktijdig is uitgevoerd, en uit een lading schoenen met een bepaald productnummer telkens een of meer hele schoenen – en dus niet slechts een gedeelte daarvan – als monster worden genomen en niet is gebleken dat onder hetzelfde productnummer verschillende soorten schoenen zijn ingevoerd. Dat ligt ook niet voor de hand nu het productnummer ook door de fabrikant op de facturen wordt gebruikt ter identificatie van de schoenen.\n\n47. De enkele verwijzing door eiseres naar de SAMANCTA-normen leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat die normen slechts een aanbeveling zijn (vgl. Gerechtshof Den Haag 15 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1058, r.o. 5.11).\n\nExtrapolatie\n\n48. Uit punt 31 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 februari 2014, C-517\u002F12 Greencarrier Freight Services Latvia SIA, ECLI:EU:C2014:102 (het arrest-Greencarrier) blijkt dat het bij extrapolatie van onderzoeksbevindingen moet gaan om identieke goederen. Verder is in deze rechtsoverweging te lezen dat de voorwaarde wordt gesteld dat identieke goederen afkomstig zijn van dezelfde fabrikant, dezelfde benaming en samenstelling hebben en er hetzelfde uitzien als de goederen waarop de eerdere douaneaangiften betrekking hadden. De vaststelling dat het identieke goederen betreft, kan met name gebaseerd zijn op de controle van de handelsdocumenten en gegevens aangaande de in of uitvoertransacties ten aanzien van de betrokken goederen en aangaande de handelstransacties die later in verband met deze goederen plaatsvinden.\n\nHAA 22\u002F3812 (aangifte 2)\n\n49. De rechtbank stelt vast en eiseres heeft ter zitting erkend dat verweerder bij de schoenen met productnummers [product 5] en [product 7] uit aangifte 2 geen extrapolatie heeft toegepast. De correctie van de indeling van deze schoenen is immers gebaseerd op uitslagen van het monsteronderzoek van monsters die in het kader van aangifte 2 zijn genomen (rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 1] en [douane nummer 3] ).\n\n50. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] en [product 4] zijn in het kader van aangifte 2 geen monsters genomen. Verweerder heeft de uitslagen van de monsteronderzoeken in het kader van aangifte 4 (rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] ) geëxtrapoleerd naar aangifte 2.\n\n51. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] betrekking hebben op exact hetzelfde productnummer als de schoenen die niet in het kader van aangifte 2 zijn onderzocht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat een schoen met eenzelfde productnummer andere eigenschappen en kenmerken zou hebben met betrekking tot de zool. Uit de toelichting van eiseres over de betekenis van de productnummers blijkt immers dat schoenen met hetzelfde productnummer zijn gemaakt door dezelfde fabrikant, geproduceerd voor hetzelfde seizoen, hetzelfde merk betreffen en dezelfde kleur hebben. Dat zij een ander uiterlijk of een andere samenstelling zouden hebben, blijkt nergens uit en ligt ook niet in de rede. Gelet daarop is sprake van identieke goederen in de zin van het arrest-Greencarrier. Verder is het tijdsverloop tussen de datum van aangifte 2 (9 september 2020) en de datum van monsterneming betreffende aangifte 4 (2 september 2020) dermate kort dat niet aannemelijk is dat sprake zou zijn van verschillende producten. De stelling van eiseres dat dezelfde schoen meerdere productnummers kan hebben, doet in dit verband niet ter zake. Tijdens de zitting heeft eiseres namelijk bevestigd dat verschillende type schoenen niet met hetzelfde productnummer worden aangegeven. Dat betekent dat ingevoerde schoenen met hetzelfde productnummer onderling geen relevante verschillen vertonen.\n\n52. Van de schoenen met productnummer [product 8] is geen monster genomen en deze schoenen zijn niet door het douanelaboratorium onderzocht. Verweerder heeft de uitslag van het monsteronderzoek van productnummer [product 7] dat in het kader van aangifte 2 is opgemaakt (het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 3] ), geëxtrapoleerd naar productnummer [product 8] .\n\nBeide schoenen zijn opgenomen in aangifte 2 en alleen de laatste twee cijfers van het productnummer verschillen. Niet in geschil is dat dit verschil in de laatste twee cijfers enkel de kleur betreft. Voor het overige zijn de schoenen gemaakt door dezelfde fabrikant, geproduceerd voor hetzelfde seizoen en betreffen zij hetzelfde merk. Hoewel vanwege het kleurverschil geen sprake is van identieke goederen, heeft verweerder de extrapolatie mogen toepassen. Immers, de goederen zijn ingedeeld op basis van de kenmerken en eigenschappen van de zool. Gesteld noch gebleken is dat de schoen met artikelnummer [product 8] andere eigenschappen en kenmerken zou hebben met betrekking tot de zool dan de schoen met artikelnummer [product 7] . Het kleurverschil is van zodanig ondergeschikte aard dat het voor de indeling niet van belang is en dus niet in de weg staat aan extrapolatie.\n\nHAA 22\u002F3813 (aangifte 3)\n\n53. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de schoenen met productnummers [product 9] en [product 10] uit aangifte 3 geen extrapolatie heeft toegepast. Van deze schoenen zijn in het kader van deze aangifte monsters genomen die door het douanelaboratorium zijn onderzocht (rapport van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 5] en [douane nummer 4] ). Het beroep dat ten onrechte extrapolatie is toegepast kan reeds daarom niet slagen. Overigens heeft verweerder voor de schoen met productnummer [product 10] de indeling niet gecorrigeerd.\n\nHAA 22\u002F3814 (aangifte 4)\n\n54. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de schoenen met productnummers [product 2] , [product 21] en [product 4] geen extrapolatie heeft toegepast, omdat van deze schoenen in het kader van aangifte 4 monsters zijn genomen die door het douanelaboratorium zijn onderzocht. De uitslagen van de monsteronderzoeken zijn opgenomen in de rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] . Het beroep dat ten onrechte extrapolatie is toegepast kan reeds daarom niet slagen.\n\n55. Van de schoenen met productnummers [product 5] , en [product 11] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] uit aangifte 4 zijn in het kader van deze aangifte geen monsters genomen. Schoenen met dezelfde productnummers zijn ook opgenomen in de aangiften 2 en 3. In het kader van die aangiften zijn wel monsters genomen. Verweerder heeft de uitslagen van die monsteronderzoeken (rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 1] , [douane nummer 5] , [douane nummer 2] en [douane nummer 3] ) geëxtrapoleerd naar de schoenen uit aangifte 4.\n\n56. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 1] , [douane nummer 5] , [douane nummer 2] en [douane nummer 3] betrekking hebben op exact dezelfde productnummers als de schoenen die niet in het kader van aangifte 4 zijn onderzocht. Verder is het tijdsverloop tussen de datum van aangifte 4 (19 augustus 2020) en de datum van monsterneming betreffende aangiften 2 en 3 (15 september 2020 en 24 december 2020) beperkt. Hiervoor geldt dan ook hetzelfde als hiervoor onder 51 is overwogen.\n\nEerdere onderzoeken\n\n57. Eiseres heeft aangevoerd dat in de afgelopen jaren bij haar verschillende fysieke controles zijn uitgevoerd. Dit heeft voor een aantal productnummers die hier in geschil zijn in het verleden niet geleid tot een wijziging van de indeling. Ook bestaat in een aantal gevallen voor dezelfde schoen een afwijkende laboratoriumuitkomst die niet heeft geleid tot een correctie. Eiseres heeft als voorbeelden de schoenen met productnummers [product 9] , [product 1] en [product 12] gegeven.\n\n58. Voor de schoen met productnummer [product 9] heeft eiseres een laboratoriumuitkomst van 2 oktober 2020 met nummer [douane nummer 14] overgelegd ( [plato nummer 12] ) waarin staat dat indeling dient plaats te vinden onder GN-code 6405 9090.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de uitslag van het laboratoriumonderzoek waar eiseres naar verwijst ouder is dan de laboratoriumuitslag van 3 mei 2021 waarop verweerder de indeling van deze schoen heeft gebaseerd en dat dit laatstgenoemde onderzoek specifiek betrekking heeft op de zool. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat voorheen door het douanelaboratorium een andere onderzoeksmethode werd gebruikt en dat alle laboratoriumonderzoeken die hij ten grondslag heeft gelegd aan de hier in geding zijnde utb’s zijn uitgevoerd volgens een nieuwe, verbeterde methode. Gelet hierop staat de oude laboratoriumuitslag niet in de weg aan het toepassen van extrapolatie. Het beroep op de oude laboratoriumuitslag kan daarom niet slagen.\n\n59. Voor de schoen met productnummer [product 1] heeft eiseres gewezen op de Plato-onderzoeken met nummers [plato nummer 13] en [plato nummer 14] waarna de douaneaangiften niet zijn gecorrigeerd. In de uitspraak op bezwaar in de zaak met zaaknummer HAA 22\u002F3811 staat dat ten aanzien van deze schoen met productnummer [product 1] weliswaar eerder een fysieke controle is uitgevoerd, maar dat er toen geen zicht- of laboratoriummonsters zijn genomen en geen monsteronderzoek heeft plaatsgevonden. Aangezien de samenstelling van de schoen en daarmee van de zool toen niet is beoordeeld, was er geen reden om de aangegeven goederencode te corrigeren. Eiseres heeft dit niet weersproken. Nu er van deze schoen thans wel een uitslag van een laboratoriumonderzoek bekend is, kan het beroep van eiseres op deze Plato-opdrachten ten aanzien van deze schoen niet slagen.\n\n60. Ten aanzien van de schoen met productnummer [product 12] heeft eiseres gewezen op het Plato-onderzoek met nummer [plato nummer 14] en gesteld dat de desbetreffende douaneaangifte niet is gecorrigeerd. Voor zover voor deze schoen na die eerdere Plato-opdracht door verweerder geen correctie is toegepast, dan wel van deze schoen een oudere laboratoriumuitslag bekend is, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen.\n\n61. Eiseres heeft ter illustratie van de onduidelijkheid rond de monsteronderzoeken nog verwezen naar een bindende tariefinlichting met nummer [BTI nummer] (de bti) die aan haar is afgegeven en waarin de indeling van schoenen met productnummer [product 22] was gebaseerd op een zool van textiel, ervan uitgaande dat die zool duurzaam en slijtvast was. Later is het douanelaboratorium tot andere inzichten gekomen. De bti leidt niet tot andere uitkomsten, omdat de bti ziet op schoenen met een ander productnummer dan in deze beroepen voorliggen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking wat verweerder heeft verklaard over de gewijzigde onderzoeksmethode van het douanelaboratorium.\n\nConclusie\n\n62. De beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3812 tot en met HAA 22\u002F3814 zijn ongegrond.\n\nDe beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003 zijn gegrond. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat in dat geval de correcties moeten worden verminderd van 16,9% naar 4%. Aangezien de goederen in de zaak HAA 22\u002F5082 zijn aangegeven naar een tarief van 3,5% en er enerzijds is gecorrigeerd naar een tarief van 7% en anderzijds naar een tarief van 16,9%, gaat de rechtbank er vanuit dat in die zaak de correcties moeten worden teruggebracht naar 3,5%.\n\nVoor de zaak HAA 22\u002F3811 betekent dit dat utb 1 moet worden verminderd van € 7.281,74 naar € 1.723,49. In de zaak HAA 22\u002F5082 bestaat de utb voor een bedrag van € 1.215,66 uit heffing naar het tarief van 16,9% en voor een bedrag van € 339,99 uit heffing naar het tarief van 7%. Dat betekent dat utb 5 moet worden verminderd van € 2.935,88 naar € 1.801,98. In de zaak HAA 23\u002F3003 is niet in geschil dat het bestreden bedrag € 2.025,73 is zodat utb 6 moet worden verminderd van € 11.474,82 naar € 9.449,09.\n\n5. Beoordeling van het geschil\n\nOntvankelijkheid incidenteel hoger beroep belanghebbende5.1.. Ingevolge artikel 8:110, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een incidenteel hoger beroep ingesteld te worden binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. De gronden van het hoger beroep zijn bij brief van 4 december 2024 verzonden aan belanghebbende. Dit betekent dat het incidenteel hoger beroep uiterlijk op 15 januari 2025 ingediend had moeten worden. Het incidenteel hoger beroep is ontvangen op 26 februari 2025.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 8:110, lid 4, Awb, kan het Hof de hiervoor vermelde termijn verlengen, maar van die bevoegdheid heeft hij in deze zaken geen gebruik gemaakt. Daar is ook niet om verzocht. Belanghebbende heeft weliswaar bij brief van 7 januari 2025 verzocht om verlenging van de in artikel 8:42, lid 1, van de Awb gestelde termijn (van vier weken) voor het indienen van een verweerschrift, maar niet om verlenging van de termijn voor het indienen van een incidenteel hoger beroep.\n\n5.3.. Gelet op het vorenoverwogene dient het incidenteel hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\nHoger beroep inspecteur5.4.. Het hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen de beslissing van de rechtbank, in de punten 39 tot en met 42 van haar uitspraak, dat de inspecteur voor de goederen die zijn begrepen in de utb’s 1, 5 en 6 niet heeft voldaan aan op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken dat hij de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot monsterneming (zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003).\n\n5.5.. Naar ’s Hofs oordeel heeft de rechtbank in de punten 39 tot en met 42 van haar uitspraak op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze beslissing en de gronden waarop zij berust over en maakt deze tot de zijne. Al hetgeen de inspecteur in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.\n\nSlotsom5.6.. Het hoger beroep is ongegrond en het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank betreffende de zaken HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003 dient te worden bevestigd.\n\n6. Kosten\n\nHet Hof vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 1 [verweerschrift] x € 934 x 1 (wegingsfactor) = € 934.\n\n7. Beslissing\n\nHet Hof:\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de beroepen met de zaaknummers HAA 22\u002F3811, HAA 22\u002F5082 en HAA 23\u002F3003;\n\nverklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het hoger beroep tot een bedrag van € 934;\n\nbepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559.\n\nDe uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en\n\nJ-P.R. van den Berg, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. de naam en het adres van de indiener;\n\n b. de dagtekening;\n\n c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\nToelichting rechtsmiddelverwijzing\n\nPer 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.\n\nDigitaal procederen\n\nHet webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u opwww.hogeraad.nl.\n\nNiet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.\n\nPer post procederen\n\nAlleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1765","ecli-nl-ghams-2026-1765",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]