Skip to main content

ECLI:NL:GHAMS:2026:1805

Tribunal

Amsterdam

Date

19 June 2026

Langue

nl

Résumé de l'Affaire

Question Juridique

Strafrecht

Décision / Solution

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001992-24

datum uitspraak: 5 juni 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 september 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-172122-24 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

22 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 25 mei 2024 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

 in het gezicht te knijpen en/of te slaan en/of

 bij de keel te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of

 op de borst te drukken;

2. hij op of omstreeks 25 mei 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk keukeninventaris, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor het eerste en derde gedachtestreepje, omdat [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris enkel heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte [slachtoffer 1] bij zijn keel pakte. De verdachte heeft met betrekking tot het bij de keel pakken gehandeld uit noodweer, zodat hij ook daarvan moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman primair naar voren gebracht dat [slachtoffer 2] bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij de verdachte niet in de keuken heeft gezien, en subsidiair dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op vernieling van de keukeninventaris, omdat hij zich tegen [slachtoffer 1] moest verdedigen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van enige aanleiding voor twijfel aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten overstaan van de politie hebben afgelegd. Naast het feit dat zij afzonderlijk van elkaar, kort na het incident een inhoudelijk met elkaar overeenkomende verklaring hebben afgelegd, zowel wat betreft de geweldshandelingen als de vernieling, vinden deze verklaringen steun in het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel en de bevindingen van de verbalisanten ter plaatse. Dat geldt niet voor de verklaring die [slachtoffer 2] bijna twee jaar later bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd. Daarom hecht het hof geen waarde aan die verklaring en gaat het hof uit van de inhoud van de verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de politie hebben afgelegd.

Het hof stelt met betrekking tot het beroep op noodweer voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) onder meer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Het hof stelt op grond van bovengenoemde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vast dat de verdachte vrijwel direct nadat hij de woning binnen kwam, en zonder dat hij op dat moment werd aangevallen, [slachtoffer 1] in zijn gezicht heeft geslagen en bij zijn keel heeft gepakt en die heeft dichtgeknepen. De verklaring van de verdachte dat hij eerst door [slachtoffer 1] werd geslagen toen hij de woning binnen kwam, vindt geen steun in het dossier. De omstandigheid dat op de achterzijde van het hoofd van de verdachte een rode streep is waargenomen kan immers goed worden verklaard door de worsteling die is ontstaan toen [slachtoffer 1] aan de verdachte probeerde te ontkomen.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat op het moment dat de verdachte de geweldshandelingen verrichtte sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat het beroep op noodweer om die reden wordt verworpen. Dat betekent dat ook het verweer met betrekking tot het (voorwaardelijk) opzet op de vernieling om die reden wordt verworpen.

Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] en vernieling van de keukeninventaris van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 25 mei 2024 te [plaats] , [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

 in het gezicht te slaan en

 bij de keel te pakken en de keel dicht te knijpen;

2. hij op 25 mei 2024 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk keukeninventaris die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft vernield.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, met een proeftijd van 2 jaren onder de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en ambulante behandeling, en met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, met uitzondering van de opgelegde bijzondere voorwaarden.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en, gelet hierop, toepassing te geven aan artikel 9a Sr.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en vernieling. Toen hij de woning van [slachtoffer 2] binnen kwam, heeft hij zonder enige aanleiding [slachtoffer 1] in zijn gezicht geslagen en bij zijn keel gepakt en de keukeninventaris van [slachtoffer 2] vernield. [slachtoffer 1] heeft aan de mishandeling letsel overgehouden en verklaard dat hij dacht dat de verdachte hem dood zou maken. Deze situatie moet voor hem bijzonder beangstigend zijn geweest. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [slachtoffer 1] . Ook heeft hij blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen en heeft hij schade en overlast veroorzaakt voor [slachtoffer 2] .

Het hof heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een taakstraf ter zake van mishandeling en dat de verdachte na de bewezenverklaarde feiten nog meermalen onherroepelijk is veroordeeld. Dat betekent dat op grond van artikel 22b, tweede lid, Sr het taakstrafverbod van toepassing en dat rekening moet worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr.

Het hof heeft wat betreft de persoon van de verdachte voorts kennisgenomen van rapportages van Reclassering Nederland van 1 augustus 2024 en 20 maart 2026 en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman hieromtrent ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht. Daaruit blijkt onder meer dat de verdachte op diverse leefgebieden problemen heeft en dat hij kampt met psychische klachten. In het kader van de zaak met parketnummer 15-203822-25 staat de verdachte sinds 11 november 2025 onder toezicht van de reclassering en krijgt hij de benodigde hulpverlening, behandeling en medicatie. De reclassering adviseert daarom niet langer om aan een (eventueel) voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden.

Het hof is, mede gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, van oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke straf rechtvaardigen. In de persoon van de verdachte en rekening houdend met het bepaalde in artikelen 22b, tweede lid, en 63 Sr ziet het hof evenwel aanleiding om aan te sluiten bij de door de politierechter opgelegde en de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf. De bewezenverklaarde feiten acht het hof te ernstig van aard om te bepalen dat, zoals door de raadsman is verzocht, aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Met een voorwaardelijke straf beoogt het hof bovendien de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Aan die voorwaardelijke straf zal het hof, gelet op het advies van de reclassering, geen bijzondere voorwaarden verbinden.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.220,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00, bestaande uit materiële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 100,00, bestaande uit materiële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade en de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van materiële schade.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg, mr. D.A.C. Koster en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. L. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

5 juni 2026.

Mr. P.H.M. Kuster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

proces-verbaal uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001992-24

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 5 juni 2026.

Tegenwoordig zijn:

mr. H.A. van Eijk, raadsheer,

C. Tomopawiro, griffier.

Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, advocaat-generaal.

De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte]uitroepen.

De verdachte is wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.

Raadsman is wel / nietaanwezig.

(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:

De raadsheer spreekt het arrest uit.

De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld. (indien de VTE is verschenen).

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Plus de Décisions