[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1835":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1835":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"659","ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-07-07T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nAfdeling civiel recht\n\nzaaknummers: 200.368.191\u002F01 en 200.368.191\u002F02\n\nzaaknummer rechtbank: C\u002F15\u002F375969 \u002F JU RK 26-477\n\nbeschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van:\n\n [de moeder] ,\n\nwonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,\n\nverzoekster in hoger beroep,\n\nhierna: de moeder,\n\nadvocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,\n\nen\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\ngevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,\n\nverweerster in hoger beroep,\n\nhierna te noemen: de raad.\n\nHet hof heeft als belanghebbenden aangemerkt:\n\n- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ;\n\n- [de vader] , wonende in [plaats B] , hierna: de vader,\n\nadvocaat: mr. E.M. Kooij te Noordwijkerhout;\n\n- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna: de GI.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n1.2. \n\nDe kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026 en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\nDe moeder is het hier niet mee eens en wil dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen. De raad en de vader zijn het wel eens met de beschikking.\n\n2. De procedure in hoger beroep\n\n2.1. \n\nDe moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kinderrechter) van 30 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking). Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F01.\n\nDe moeder heeft bij dat beroep tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend. Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.368.191\u002F02.\n\n2.2. De raad heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.3. De vader heeft op 2 juni 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.\n\n2.4. \n\nBij het hof is verder het volgende stuk ingekomen:\n\n- een bericht van de moeder van 3 juni 2026, met als bijlagen producties 9-11.\n\n2.5. Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De GI heeft het hof op 4 juni 2026 laten weten dat [minderjarige] een brief zal opstellen. De vader heeft ter zitting de brief van [minderjarige] aan het hof overhandigd. Nu de inhoud van de brief op verzoek van [minderjarige] niet met partijen is gedeeld, zal het hof bij de beoordeling de brief buiten beschouwing laten.\n\n2.6. De mondelinge behandeling heeft op 5 juni 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- de raad, vertegenwoordigd door R.N. Planting;\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\nDe advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nDe vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:\n\n- [minderjarige] , geboren [in] 2014 in [plaats C] .\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n3.2. De moeder heeft uit een eerdere relatie een dochter, [dochter] , geboren [in] 2008.\n\n3.3. De moeder woont samen met haar partner [partner] , met wie zij [in] 2026 in het huwelijk is getreden. De vader woont samen met zijn vriendin en (deels) met haar twee kinderen uit een vorige relatie.\n\n3.4. \n\nDe kinderrechter heeft bij beschikking van 20 maart 2026, op verzoek van de raad, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026. Daarbij is ook een machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 tot 17 april 2026 uit huis te plaatsen bij de vader.\n\nHet overige deel van het verzoek, te weten een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor een langere duur, is aangehouden tot de zitting bij de rechtbank op 30 maart 2026.\n\nDe kinderrechter heeft in de in zoverre niet bestreden beschikking de op 20 maart 2026 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd.\n\n4. De omvang van het hoger beroep\n\n4.1. De kinderrechter heeft de op 20 maart 2026 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing gehandhaafd en, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot 20 juni 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\n4.2. \n\nDe moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, primair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is verleend, en te bepalen dat [minderjarige] bij de moeder zal verblijven.\n\nSubsidiair verzoekt de moeder, indien het hof van oordeel is dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk blijft, te bepalen dat een minder ingrijpende maatregel wordt ingezet waarbij [minderjarige] bij de moeder kan verblijven, al dan in combinatie met concrete voorwaarden of (intensieve) hulpverlening.\n\n4.3. De raad en de vader verzoeken de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n4.4. De moeder verzoekt een voorlopige voorziening te treffen ingevolge artikel 223 Rv, inhoudende dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt geschorst voor de duur van het hoger beroep.\n\n4.5. De raad en de vader verzoeken het schorsingsverzoek af te wijzen.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01\n\nDe standpunten van partijen\n\n5.1. De moeder verzet zich niet tegen de door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling, omdat zij deze maatregel in het belang van [minderjarige] acht. De kinderrechter heeft volgens haar echter ten onrechte geoordeeld dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk is vanwege de zorgen over het functioneren van de moeder. De zorgen van de raad zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd en grotendeels gebaseerd op aannames. De moeder heeft een lastige periode doorgemaakt, mede doordat zij onder druk stond door het controlerende en intimiderende gedrag van de vader. Inmiddels heeft zij hulpverlening en behandeling aanvaard en is ook haar thuissituatie verbeterd. Daarnaast staat de moeder open voor opvoedondersteuning en hulp bij het zo goed mogelijk aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De omgangsmomenten van de moeder met [minderjarige] verlopen goed, zoals ook blijkt uit de overgelegde omgangsverslagen. De moeder en [minderjarige] genieten van de tijd die zij samen doorbrengen, maar de omgangsmomenten zijn kort en beperkt. De moeder maakt zich grote zorgen over [minderjarige] . Voor de uithuisplaatsing ging het beter met [minderjarige] , maar sinds zijn verblijf bij de vader is sprake van een negatieve ontwikkeling. Ook gaat het niet goed met [minderjarige] op school. Bovendien informeren de GI en de vader de moeder onvoldoende over [minderjarige] en zijn functioneren op school. De plaatsing bij de vader is niet in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] voelt zich niet veilig bij de vader, hij ervaart stress en wordt belast met de conflicten tussen de ouders. [minderjarige] heeft aangegeven zijn vader wekelijks te willen blijven zien, maar weer bij de moeder te willen wonen. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of met een minder ingrijpende maatregel dan een uithuisplaatsing kon worden volstaan. Daarmee is niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De noodzaak van de uithuisplaatsing ontbreekt. Tot slot heeft de kinderrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en aan de mening van [minderjarige] .\n\n5.2. De raad voert het volgende verweer. De raad betwist dat het raadsonderzoek eenzijdig is gebaseerd op informatie van de vader. Alle relevante omstandigheden zijn onderzocht en betrokken bij de besluitvorming. De raad wijst op de langdurige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] waaronder zijn schoolverzuim, te laat komen op school, het feit dat hij wordt belast met volwassenproblematiek en de beperkte mate waarin hij toekomt aan zijn ontwikkelingstaken. De zorgen van de moeder over de opvoedsituatie bij de vader worden door de raad onvoldoende herkend. De GGD is op huisbezoek geweest en trof een verzorgde en veilige woonomgeving bij de vader aan. De vader staat open voor hulpverlening en werkt samen met de betrokken instanties. [minderjarige] heeft recent negatieve uitlatingen over de vader gedaan en dergelijke uitlatingen moeten serieus worden genomen, maar tegelijkertijd zorgvuldig worden geduid. Zo bevindt [minderjarige] zich in een ingewikkeld loyaliteitsconflict en hij heeft in het verleden uitspraken gedaan die aantoonbaar onjuist waren. Dat neemt niet weg dat door middel van nadere hulpverlening dient te worden onderzocht wat aan zijn uitlatingen ten grondslag ligt. De hulpverlening dient te zijn gericht op het verminderen van zijn loyaliteitsproblematiek en het creëren van ruimte voor de eigen gevoelens en behoeften van [minderjarige] . Het staat niet vast dat de recente gedragsveranderingen van [minderjarige] het gevolg zijn van zijn verblijf bij de vader, maar het is wel gebleken dat [minderjarige] al langere tijd meer hulp nodig heeft dan momenteel voor hem beschikbaar is.\n\n5.3. De vader onderschrijft het standpunt van de raad. Bij de vader thuis ervaart [minderjarige] rust en duidelijkheid, waardoor hij op dit moment redelijk stabiel is. Het gaat echter niet goed op school omdat [minderjarige] spanningen ervaart door de voortdurende procedures tussen de ouders en de wisselingen in de omgangsregeling. De vader betwist dat [minderjarige] op school is geschorst. Wel laat [minderjarige] na de omgang met de moeder meer probleemgedrag op school zien. De uitlatingen van [minderjarige] over zijn verblijf bij de vader laten vooral zien hoe belastend de huidige situatie voor hem is. [minderjarige] dient de ruimte te krijgen om zich op zijn eigen ontwikkeling te richten en de vader kan hem de benodigde rust, tijd en aandacht bieden die daarvoor nodig zijn. De vader heeft zijn werktijden aangepast om beschikbaar te zijn voor [minderjarige] . Daarnaast ontvangt de vader opvoedondersteuning van Levvel en zal binnenkort verdere hulpverlening worden opgestart. Ook acht de vader het van belang [minderjarige] zo min mogelijk te belasten met de procedures tussen de ouders door hem daarover geen inhoudelijke informatie te verstrekken. Omdat op dit moment directe communicatie tussen de ouders niet mogelijk is, zou ondersteuning bij de onderlinge communicatie helpend kunnen zijn volgens de vader.\n\n5.4. \n\nDe GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de (begeleide) omgang tussen de moeder en [minderjarige] positief verloopt en gefaseerd is uitgebreid. Sinds kort vindt de omgang plaats bij de moeder thuis, waarbij haar partner aanwezig is. De GI is voornemens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] verder uit te breiden. Voorafgaand en na afloop van de omgangsmomenten ervaart [minderjarige] echter spanning. Deze spanning is ook zichtbaar op school. De GI acht het daarom van belang aanvullende hulpverlening en begeleiding voor [minderjarige] in te zetten.\n\nDe samenwerking van de GI met de vader verloopt goed, maar de samenwerking met de moeder verloopt moeizaam. [minderjarige] geeft aan dat hij terug wil naar de moeder, maar het is onduidelijk in hoeverre zijn wens voortkomt uit een loyaliteitsconflict. Het loyaliteitsconflict van [minderjarige] wordt versterkt door de moeizame communicatie tussen de ouders. De GI benadrukt dat het voor [minderjarige] van belang is dat de ouders informatie met elkaar delen en, waar mogelijk, samenwerken in zaken waar het [minderjarige] betreft.\n\nDe beoordeling door het hof\n\nHet wettelijk kader\n\n5.5. \n\nUit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. De machtiging kan ingevolge het tweede lid van dit artikel ook worden verleend op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\nUit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging telkens met een jaar kan verlengen. Indien de gecertificeerde instelling niet overgaat tot een verzoek, kan verlenging plaatsvinden op verzoek van de raad of het openbaar ministerie.\n\n5.6. Het hof constateert dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is verleend inmiddels is verstreken. De moeder heeft een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de machtiging te laten toetsen gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven. Het hof dient te beoordelen of de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 aanwezig waren.\n\n5.7. \n\nHet hof overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet plotseling zijn ontstaan, maar al langere tijd bestonden. Vanaf 2024 zijn verschillende instanties betrokken geraakt vanwege zorgen over de thuissituatie bij de moeder, het schoolverzuim van [minderjarige] en zijn emotionele belasting vanwege de voortdurende strijd tussen de ouders.\n\nIn december 2024 is het gezin aangemeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) met als doel veiligheidsafspraken te maken met de ouders en meer structuur en voorspelbaarheid voor [minderjarige] te creëren. In februari 2025 heeft de school van [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege zijn schoolverzuim en zorgen over de thuissituatie. Vervolgens zijn in 2025 diverse vormen van hulpverlening ingezet. Zo is in juli 2025 Parent Management Training Oregon (PMTO)-begeleiding vanuit Levvel voor moeder gestart met onder meer als doel de moeder positief en met regie te leren opvoeden. In juni, augustus en oktober 2025 is multidisciplinair overleg (MDO) met alle betrokkenen gevoerd waarin de zorgen werden besproken en afspraken zijn gemaakt. In september 2025 is de vader gestart met PMTO-begeleiding met onder meer als doel te leren hoe hij [minderjarige] kan ondersteunen als [minderjarige] lastig gedrag laat zien. In september 2025 heeft [minderjarige] een melding gedaan bij Veilig Thuis. Uit het daaropvolgende gesprek met het CJG bleek dat hij voortdurend belast werd met volwassenenproblematiek en de strijd tussen zijn ouders. In oktober 2025 heeft de school een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege de uitblijvende schoolgang van [minderjarige] , waarop het CJG de raad heeft verzocht een beschermingsonderzoek uit te voeren. In november 2025 is ambulante hulpverlening voor de ouders gestart vanuit Levvel. Bij de start van het traject uitte Levvel na een huisbezoek bij de moeder grote zorgen over de opvoedsituatie. De hulpverlening kwam vanuit Levvel niet goed op gang. In november 2025 heeft een beschermingstafel plaatsgevonden met de ouders, het CJG, Levvel en de school van [minderjarige] . Na de beschermingstafel zijn veiligheidsafspraken gemaakt, waaronder de afspraak dat de ouders PMTO blijven volgen. Op 15 januari 2026 heeft [minderjarige] contact opgenomen met de GI na een volgens hem uit de hand gelopen ruzie met de moeder. De moeder was het er niet mee eens dat [minderjarige] op school vertelde over een incident in de thuissituatie. Op 17 februari 2026 gaf de school van [minderjarige] aan een verandering in zijn gedrag te zien. [minderjarige] vertoonde meer gedragsproblemen en de moeder bracht hem niet op de afgesproken tijden naar school.\n\nVervolgens is [minderjarige] bij beschikking van 20 maart 2026 door de kinderrechter met spoed uit huis geplaatst bij de vader. Aan deze beslissing lagen de door de raad geuite ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder ten grondslag. De acute zorg van de raad zag op de gevolgen voor [minderjarige] indien hij naar de moeder zou terugkeren, omdat de wijze van reageren door de moeder eerder tot gevoelens van onveiligheid bij [minderjarige] heeft geleid. Daarnaast bestonden zorgen over de stabiliteit van de moeder en haar vermogen om emoties te reguleren.\n\n5.8. Uit het vorenstaande is het hof gebleken dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] met name zagen op zijn emotionele belasting bij de moeder thuis, de volwassenenproblematiek waarmee hij werd belast en zijn schoolverzuim. Daarbij heeft de raad zorgen geuit over verschillende uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan en over zijn loyaliteitsconflict. Ook gaf [minderjarige] op school aan dat de moeder regelmatig tegen hem schreeuwde. [minderjarige] heeft tegenover verschillende betrokkenen en instanties verklaard dat hij voorzichtig was met het uiten van zijn gevoelens omdat hij bang was voor de reactie van zijn moeder. Ook werd [minderjarige] voortdurend belast met de strijd tussen zijn ouders. Tegen deze achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk dat ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] .\n\n5.9. \n\nHet hof overweegt verder dat ondanks de inzet van (vrijwillige) hulpverlening, de hiervoor genoemde zorgen ten tijde van de bestreden beschikking onvoldoende verminderd waren. Zowel de GI, Veilig Thuis als de school van [minderjarige] gaven aan dat de moeder bepaalde afspraken niet nakwam. Zo lukte het de moeder niet om structureel uitvoering te geven aan de afspraken rondom de schoolgang van [minderjarige] . De moeder gaf hierover aan dat zij vanwege haar medicatie ’s ochtends lastig uit bed kon komen, waardoor [minderjarige] regelmatig te laat op school kwam.\n\nDe moeder brengt in hoger beroep naar voren dat zij openstaat voor hulpverlening. Het hof stelt echter vast dat de ingezette hulpverlening bij de moeder moeizaam, dan wel niet van de grond is gekomen. De ambulante hulpverlening heeft geen doorgang gevonden omdat de moeder verschillende afspraken, zoals twee huisbezoeken, om wisselende redenen heeft afgezegd. De moeder heeft één keer een gesprek gevoerd met de ambulante hulpverlening. De inzet van [X] voor [minderjarige] is vertraagd omdat de moeder niet aanwezig was bij het kennismakingsgesprek. Ook is de PMTO-begeleiding vroegtijdig beëindigd. Over de reden van de beëindiging bestaan verschillende lezingen. Volgens de moeder was het traject op dat moment ongeschikt, de betrokken hulpverlening, waaronder Levvel, gaf echter aan dat het traject stopte omdat de afspraken te vaak door de moeder werden afgezegd. Vast staat dat het traject niet tot het beoogde resultaat heeft geleid.\n\nDaar komt bij dat de moeder beperkt inzicht heeft gegeven in haar eigen problematiek. Zo heeft zij tegenover de raad en de GI geen openheid willen geven over haar eventuele behandeling binnen de GGZ. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij voor de uithuisplaatsing gedurende zeven jaar psychische hulpverlening heeft ontvangen, maar die mededeling neemt niet weg dat de moeder over de aard en resultaten van deze behandeling de raad en de hulpverlenende instanties niet heeft geïnformeerd. Door het gebrek aan openheid van de zijde van de moeder konden de betrokken instanties onvoldoende zicht krijgen op de achterliggende problematiek. Hierdoor kon passende hulpverlening niet, dan wel onvoldoende worden vormgegeven. Het ontbreken van openheid van de moeder over haar problematiek heeft eraan bijgedragen dat de bestaande zorgen niet konden worden weggenomen.\n\nBij de moeder leek verder sprake te zijn van beperkt probleembesef. Zij erkende de naar voren gebrachte zorgen niet en zij richtte zich voornamelijk op haar zorgen om de (opvoed)situatie bij de vader. Ook heeft de moeder meermaals haar wantrouwen richting de betrokken hulpverlening geuit. Zo wilde zij ten tijde van de spoeduithuisplaatsing in maart 2026 niet meewerken met de raadsonderzoekers, noch met hen communiceren, en in mei 2026 gaf zij aan geen vertrouwen te hebben in de raad. Ook ten aanzien van het CJG heeft de moeder meermaals aangegeven weinig vertrouwen te hebben in deze instantie.\n\n5.10. \n\nDe betrokken partijen, waaronder de beide ouders, de raad en de GI, zijn het erover eens dat [minderjarige] nadere hulpverlening nodig heeft. In februari 2026 is [minderjarige] gestart met gesprekken bij [X] via jeugdhulporganisatie Jij&Co. De betrokken hulpverlener ziet signalen van mogelijk traumagerelateerde problematiek bij [minderjarige] . Verder volgt [minderjarige] sinds februari 2026 cognitieve gedragstherapie gericht op stabilisatie, het leren verwoorden van gevoelens en gedachten en het versterken van zijn veerkracht. Daarnaast ontvangt [minderjarige] oplossingsgerichte psychotherapie en is hij door de GI aangemeld bij Cardea voor hulpverlening gericht op omgang en hechting.\n\nDe vader geeft aan dat de gesprekken van [minderjarige] bij [X] helpend zijn, maar dat er meer (intensievere) hulpverlening voor hem nodig is. Het hof overweegt dat [minderjarige] een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving nodig heeft om optimaal van de hulpverlening te kunnen profiteren. Het hof is van oordeel dat de vader deze rust en stabiliteit kan bieden, terwijl daarover bij de moeder thuis structureel zorgen bestaan, zoals hiervoor beschreven. Zowel de raad als de GI hebben aangegeven dat de vader openstaat voor hulpverlening, in de vorm van opvoedondersteuning, en dat hij het belang van hulpverlening voor [minderjarige] onderkent. Ook staat de vader open voor verdere hulpverlening zoals Basic Trust. De vader heeft regelmatig contact met de GI en Levvel en hij is goed bereikbaar voor school. Daarnaast blijkt uit de informatie van school dat [minderjarige] rustiger oogt sinds hij bij de vader verblijft. Ook wordt [minderjarige] door de vader op tijd naar school gebracht en hij heeft sindsdien geen afgesproken schooldag meer gemist. Hoewel [minderjarige] nog een aanzienlijke leerachterstand heeft en nadere hulpverlening noodzakelijk blijft, is er sprake van een stabiele en meer voorspelbare situatie voor hem bij de vader thuis.\n\n5.11. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat ten tijde van de beslissing van de kinderrechter minder ingrijpende alternatieven beschikbaar waren voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gedurende langere tijd verschillende vormen van hulpverlening zijn ingezet, maar de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] niet werden weggenomen. De zorgen over zijn emotionele belasting, schoolgang, loyaliteitsconflict en de opvoedsituatie bij de moeder bleven bestaan. Ook kwam, zoals hiervoor beschreven, de hulpverlening onvoldoende van de grond. Onder deze omstandigheden waren minder ingrijpende maatregelen uitgeput geraakt. De uithuisplaatsing vormde daarom een ultimum remedium en was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .\n\n5.12. Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende de periode van 20 maart 2026 tot 20 juni 2026 noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Voldoende is komen vast te staan dat ten tijde van de bestreden beschikking geen, althans onvoldoende alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen bestonden voor de uithuisplaatsing. Dit leidt tot de slotsom dat het hof het primaire en subsidiaire verzoek van de moeder afwijst en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02\n\n5.13. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het schorsingsverzoek ingetrokken. Nu het verzoek niet langer wordt gehandhaafd, zal het hof de moeder daarin niet-ontvankelijk verklaren.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F01:\n\nbekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 30 maart 2026, voor zover daarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is gehandhaafd en verlengd tot 20 juni 2026;\n\nwijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.\n\nIn de zaak met zaaknummer 200.368.191\u002F02:\n\nverklaart de moeder niet-ontvankelijk in het schorsingsverzoek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. J.M. van Baardewijk en\n\nmr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1835","ecli-nl-ghams-2026-1835",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]